Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2010-201132500-E nr. 2

32 500 E Vaststelling van de begrotingsstaat van het Spaarfonds AOW voor het jaar 2011

Nr. 2 MEMORIE VAN TOELICHTING

A. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING BIJ HET BEGROTINGSWETSVOORSTEL

Wetsartikel 1

De begrotingsstaten die onderdeel uitmaken van de Rijksbegroting, worden op grond van artikel 1, derde lid, van de Comptabiliteitswet 2001 elk afzonderlijk bij de wet vastgesteld. Het onderhavige wetsvoorstel strekt ertoe om de begrotingsstaat van het Spaarfonds AOW voor het jaar 2011 vast te stellen.

Alle voor dit jaar vastgestelde begrotingswetten tezamen vormen de Rijksbegroting voor het jaar 2011. Een toelichting bij de Rijksbegroting als geheel is opgenomen in de Miljoenennota 2011.

Met de vaststelling van dit wetsartikel worden de uitgaven, verplichtingen en de ontvangsten voor het jaar 2011 vastgesteld. De in de begroting opgenomen begrotingsartikelen worden in onderdeel B van deze Memorie van Toelichting toegelicht (de zgn. begrotingstoelichting).

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

J. P. H. Donner

De Minister van Financiën,

J. C. de Jager

B. DE BEGROTINGSTOELICHTING

De instelling van het Spaarfonds AOW is verankerd in de Wet Financiering sociale verzekeringen. Door de voortschrijdende vergrijzing van de Nederlandse bevolking wordt het in de toekomst steeds moeilijker om de uitgaven aan AOW-uitkeringen te financieren. Met de instelling van het Spaarfonds AOW in 1998 komt de verantwoordelijkheid van het Rijk tot uitdrukking om te zorgen dat de werkenden van nu straks ook een AOW-uitkering kunnen ontvangen. Het is geen fonds met geld, maar een aanspraak van de AOW-premiebetalers op de schatkist. In dit fonds worden aanspraken opgebouwd om de AOW vanaf 2020 mede vanuit de schatkist te kunnen financieren. In dat jaar bedraagt de totale aanspraak € 115 miljard.

Daarnaast neemt het kabinet maatregelen om de groei van de uitgaven door de vergrijzing in de toekomst op te kunnen vangen. Het gaat om maatregelen die de participatie vergroten (waardoor er meer belastinginkomsten worden gegenereerd) en maatregelen die het beroep op de overheidsuitgaven meer beheerst laten verlopen. Dit vergroot de houdbaarheid van de overheidsfinanciën op de lange termijn en zorgt er tegelijk voor dat de AOW in de toekomst betaalbaar blijft.

Een belangrijke gedachte achter het Spaarfonds AOW was om (een deel van) de vrijvallende rentelasten als gevolg van een dalende staatsschuld te oormerken voor het opvangen van een piek in de AOW-uitgaven.

Het spaarfonds is in feite een registratie van een op specifieke titel afgeloste schuld en bevat zodoende geen werkelijke vermogenstitels. De voeding van het spaarfonds bestaat uit bijdragen vanuit de begroting van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, alsmede rentevergoedingen over de aanwezige saldi van het fonds. Stortingen in het spaarfonds leiden niet tot een belasting van het begrotingssaldo, omdat bij de berekening van het EMU-saldo de betaling van het Rijk aan het fonds wordt gesaldeerd met de ontvangsten van het fonds. Daar staat tegenover dat opname uit het spaarfonds voor de AOW-uitgaven na 2020, ceteris paribus, zal leiden tot een navenante stijging van de overheidsschuld.

Op basis van artikel 86, zesde lid van de Wet financiering sociale verzekeringen worden in afwijking van de artikelen 2, derde lid, en 52, eerste lid van de Comptabiliteitswet 2001 de begroting en de financiële verantwoording van het Spaarfonds AOW uitsluitend op kasbasis gepresenteerd. Als gevolg hiervan zijn in de ontwerpbegroting geen verplichtingen opgenomen.

Artikel 1 Spaarfonds AOW

1.1 Algemene beleidsdoelstelling

Om er mede voor te zorgen dat er bij het Ouderdomsfonds vanaf 2020, ondanks de vergrijzing, geen tekorten optreden

Door de voortschrijdende vergrijzing van de Nederlandse bevolking neemt de druk op de AOW in de toekomst toe. Het Spaarfonds AOW is in 1998 ingesteld om de financierbaarheid van de AOW-uitgaven op langere termijn door deze vergrijzing zeker te stellen. Vanaf 2020 kan het Ouderdomsfonds een beroep doen op het Spaarfonds. Vanaf dat jaar zullen opnamen ten laste van het Spaarfonds, ceteris paribus, leiden tot een navenante stijging van de overheidsschuld.

1.2 Operationele doelstellingen

Voor een toelichting op de operationele doelstellingen wordt verwezen naar de toelichting onder operationele doelstelling 1 van beleidsartikel 51 «Rijksbijdragen aan Sociale Fondsen» van hoofdstuk XV « Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid» van de rijksbegroting 2011.

1.3 Budgettaire gevolgen van beleid

Nr.

Artikelonderdeel (x € 1 mln)

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

 

Totale uitgaven en -ontvangsten

       

1

Onttrekkingen aan het Spaarfonds

0

0

0

0

0

0

0

2

Toevoegingen aan het Spaarfonds

4 793,6

5 086,9

5 365,7

5 680,3

6 020,9

6 390,3

6 775,3

1.4 Toelichting bij de cijfers

Het artikel omvat twee onderdelen, één voor de onttrekkingen (uitgaven) aan en één voor de toevoegingen (ontvangsten) aan het fonds.

Nr.

Artikelonderdeel (x € 1 mln)

Uitgaven

Ontvangsten

1

Onttrekkingen aan het Spaarfonds

0

 

2

Toevoegingen aan het Spaarfonds

 

5 365,7

Onttrekkingen aan het Spaarfonds worden op grond van artikel 88 van de Wet financiering sociale verzekeringen niet voor 2020 voorzien. De toevoegingen aan het Spaarfonds bestaan uit een storting ad € 3 426,0 mln ten laste van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid als voorziening in de door het Ouderdomsfonds in de toekomst te maken kosten en € 1 939,6 mln rente-ontvangsten. Bij de rente-ontvangsten voor 2011 is gerekend met een percentage van 3,75%, voor latere jaren loopt dit op tot 4,5%; deze percentages zijn gebaseerd op het 9–10 jaars effectief rendement op staatsobligaties en worden jaarlijks op grond van de meest recente inzichten aangepast. Door deze toevoegingen bedraagt het saldo van het spaarfonds eind 2011:

Saldo AOW Spaarfonds (x € 1 mln)

 

Saldo eind 2010

45 510,6

Mutatie in 2011

5 365,7

Saldo eind 2011

50 876,2

In de optellingen kunnen afrondingsverschillen ontstaan.

1.5 Budgetflexibiliteit

In artikel 87, derde lid van de Wet financiering sociale verzekeringen (Wfsv) is een minimum groeipad vastgelegd. Op grond van dit artikel wordt de toevoeging van SZW aan het Spaarfonds ieder jaar met € 113 445 054 verhoogd. De Wfsv staat wel hogere bijdragen aan het Spaarfonds toe, maar geen lagere. Vermindering van de jaarlijkse verhoging van de rijksbijdrage aan het Spaarfonds AOW tot onder bovengenoemd bedrag vergt wetswijziging.