32 500 B Vaststelling van de begrotingsstaat van het gemeentefonds voor het jaar 2011

Nr. 3 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN BINNENLANDSE ZAKEN EN KONINKRIJKSRELATIES

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 29 september 2010

Tijdens het Wetgevingsoverleg gemeentefonds en provinciefonds op 23 november 2009 heeft het kamerlid Heijnen aan mij gevraagd om een beoordeling of de uitzettingen en leningen van samenwerkingsverbanden (gemeenschappelijke regelingen) aan treasurybepalingen voldoen (kamerstuk 32 123-B, nr. 11, blz. 21). Ik heb in het overleg aangegeven zelf ook behoefte te hebben aan een dergelijke beoordeling. De resultaten treft u hierbij aan.

Allereerst merk ik op dat iedere medeoverheid zelf verantwoordelijk is voor zijn eigen treasurybeleid en daarbij de Wet fido en overige daaruit voortvloeiende regelgeving (onder andere Regeling uitzettingen en derivaten decentrale overheden) dient na te leven. Op het treasurybeleid van medeoverheden, in dit geval gemeenschappelijke regelingen, en het naleven van de Wet fido is het stelsel van horizontale verantwoording en controle van toepassing. Onderdeel van het stelsel vormt de jaarrekeningcontrole door een onafhankelijke accountant. Sinds het begrotingsjaar 2004 gaat de accountant in zijn verklaring bij de jaarrekening ook in op de rechtmatige totstandkoming van de in de jaarrekening verantwoorde baten en lasten, alsmede op de rechtmatige totstandkoming van de balansmutaties. In het geval van een gemeenschappelijke regeling legt het dagelijks bestuur verantwoording af aan het algemeen bestuur. Het algemeen bestuur van de gemeenschappelijke regelingen is primair verantwoordelijk om aan de hand van de desbetreffende accountantsverklaring (en het daarbij behorende verslag van bevindingen) te oordelen over de financiële rechtmatigheid, en daaraan zo nodig consequenties te verbinden. Daarnaast kunnen Gedeputeerde Staten/College van Burgemeester en Wethouders respectievelijk Provinciale Staten/Gemeenteraad van de in gemeenschappelijk regelingen deelnemende medeoverheden aan de hand van verantwoording- en controlesignalen over een gemeenschappelijke regeling besluiten via hun vertegenwoordiging in het algemeen bestuur aan te dringen op beleidswijzigingen. De paragraaf verbonden partijen kan in dat verband een belangrijk signaleringsfunctie vervullen voor Provinciale staten/Gemeenteraad.

De toezichthouder beoordeelt de opzet van de verplicht in te zenden financiële verordening, controleverordening en, indien van toepassing, het treasurystatuut van de gemeenschappelijke regeling. Tevens bieden de paragrafen bedrijfsvoering, weerstandsvermogen en financiering mogelijkheden om op hoofdlijnen de aanwezigheid van onvolkomenheden in de opzet van de financieringsfunctie te detecteren en aan de orde te stellen. De toezichthouder kan op basis van haar bevindingen altijd een nader onderzoek instellen. Zij houdt hierbij rekening met andere signalen uit de horizontale keten. De toezichtshouder kan namelijk op basis van de bevindingen van de accountant besluiten tot nader onderzoek naar eventuele vraagstukken met betrekking tot de financieringsfunctie. De toezichthouder zal echter doorgaans (afhankelijk van de (mogelijke) financiële consequenties en ernst van de knelpunten) alleen besluiten tot het instellen van onderzoek naar aanleiding van opmerkingen van de accountant indien dagelijks of algemeen bestuur niet adequaat reageren op aanbevelingen en bevindingen van de accountant en eventueel de Rekenkamer. Overigens bevordert de toezichthouder het risicobewustzijn van medeoverheden, ook met betrekking op de financieringsfunctie. Het bevorderen van dit bewustzijn wordt verkozen boven het achteraf corrigerend op moeten treden

Ik heb voor alle gemeenschappelijke regelingen vallend onder het financieel toezicht van mijn ministerie de thans geldende financiële verordening en bij afwezigheid van kaders omtrent de financieringsfunctie in deze verordening ook het treasurystatuut beoordeeld teneinde vast te kunnen stellen of de financiële verordening dan wel treasurystatuut nog steeds aan de huidige wet- en regelgeving voldoen. Hierbij werd in het bijzonder aandacht besteed aan de vraag of voldaan is aan de verscherpte eisen die gesteld worden in de Regeling uitzettingen en derivaten decentrale overheden (Ruddo) die per 3 april 2009 in werking zijn getreden.

Resultaten van de beoordeling

Van de mij bekende 42 gemeenschappelijke regelingen waarover ik het financiële toezicht voer (de vier Rekenkamers vallen buiten de inventarisatie vanwege de bijzondere status) zijn er maar twee gemeenschappelijke regelingen die geen aanpassing behoeven van de financiële verordening dan wel het treasurystatuut.

De meest voorkomende fout is dat de gewijzigde ratingeisen aan financiële producten alsmede de eisen aan de inzet van meerdere ratingagencies (bijv. Standard & Poor’s en Fitch) nog niet zijn aangepast. Tevens heb ik nog bij twee gemeenschappelijke regelingen opgemerkt dat de mogelijkheid tot het verstrekken van hypothecaire leningen wettelijk niet meer is toegestaan. Ook kon bij enkele gemeenschappelijke regelingen niet worden bepaald of de financiële verordening dan wel het treasurystatuut vastgesteld zijn door het algemeen bestuur.

Ik heb daar waar nodig de gemeenschappelijke regelingen verzocht voor het einde van dit jaar een aangepaste financiële verordening of treasurystatuut aan mij toe te zenden. Tevens heb ik de gemeenschappelijke regelingen informatie toegezonden over de wijzigingen in de Regeling uitzettingen en derivaten decentrale overheden.

De nog door de desbetreffende gemeenschappelijke regelingen in te zenden gewijzigde verordeningen zal ik in het kader van de invulling van mijn toezichtfunctie in opzet beoordelen op het voldoen aan de vereisten in wet- en regelgeving.

Daarnaast is in het Vakberaad Gemeentefinanciën met de provinciale financiële toezichthouders de afspraak gemaakt dat ook de provincies de gemeenschappelijke regelingen die onder hun toezicht vallen attenderen op de noodzaak van eventuele aanpassing van de financiële verordeningen en/of treasurystatuut als gevolg van de wijziging in de Regeling uitzettingen en derivaten decentrale overheden.

De staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,

A. Th. B. Bijleveld-Schouten

Naar boven