Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 28 oktober 2014
Met belangstelling heb ik kennisgenomen van het voorlopig verslag van de vaste commissie
voor Binnenlandse Zaken en de Hoge Colleges van Staat / Algemene Zaken en Huis van
de Koning inzake het voorstel van wet van de leden Bergkamp, Van Ark, Yücel, Jasper
van Dijk en Klaver tot wijziging van de Algemene wet gelijke behandeling in verband
met het annuleren van de enkele-feitconstructie in de Algemene wet gelijke behandeling
(Kamerstukken 32 476).
In dit verslag zijn door het lid van de SGP-fractie enkele vragen gesteld aan de regering.
Hierbij zend ik u de antwoorden op deze vragen.
Het lid van de SGP-fractie vraagt wat de visie van de regering is op de stelling van
de Raad van State dat gedragingen in de privésfeer onderdeel kunnen zijn van wat de
werkgever van de werknemer kan verlangen.
Met de Raad van State en de initiatiefnemers is de regering van mening dat gedragingen
in de privésfeer onder omstandigheden onderdeel kunnen zijn van wat de werkgever van
een werknemer kan verlangen. De vrijheid van de werkgever om in het kader van een
goed werknemerschap (bijvoorbeeld in samenhang met de identiteitsgebonden grondslag
van de werkgever) eisen te stellen aan gedragingen in de privésfeer van de werknemer
die effect kunnen hebben op de functie(uitoefening), wordt onder meer begrensd door
het recht van de werknemer op eerbiediging van zijn persoonlijke levenssfeer, zijn
recht op vrijheid van meningsuiting en zijn recht op gelijke behandeling.
De vraag van het lid van de SGP-fractie of de regering het met hem eens is dat voorkomen
moet worden dat dit wetsvoorstel het gelijkheidsbeginsel boven andere grondrechten
plaatst, wordt als volgt beantwoord. Er is in de Grondwet sprake van een nevenschikking
van grondrechten. Het recht op gelijke behandeling is niet belangrijker dan, bijvoorbeeld,
het recht op vrijheid van onderwijs. In concrete situaties kan echter sprake zijn
van botsende grondrechten. Het beginsel van nevenschikking van grondrechten brengt
met zich, dat voor zulke concrete situaties per geval een oplossing moet worden gezocht.
Het afwegingskader daarvoor kan (in algemene termen) worden neergelegd in wetgeving,
zoals in de onderhavige artikelen van de Algemene wet gelijke behandeling. Met het
initiatiefwetsvoorstel wordt hetzelfde beoogd. Het is uiteindelijk aan de rechter,
of het College voor de rechten van de mens, om aan de hand van het in de wet opgenomen
afwegingskader te oordelen welk grondrecht in een individueel geval prevaleert.
Voorts vraagt het lid van de SGP-fractie wat de visie van de regering is op het eventueel
veranderen van de grondrechtenbalans als gevolg van uitspraken van de rechter en of
dit consequenties heeft voor het oordeel van de regering over dit initiatiefvoorstel.
Tijdens het debat met de Tweede Kamer over het initiatiefwetsvoorstel is uitgebreid
gesproken over de grondrechtenbalans. Tijdens dat debat is niet vastgesteld dat de
huidige balans zal verschuiven na aanvaarding van het initiatiefvoorstel. De vraag
van het lid van de SGP-fractie betreft derhalve een hypothetische situatie, die zich
overigens ook bij het handhaven van de huidige wettekst kan voordoen. Een en ander
heeft geen gevolgen voor het standpunt van de regering over dit initiatiefvoorstel.
Ten slotte merkt het lid van de SGP-fractie op dat de indieners hebben gesteld dat
zwaarwegende en juridische ontwikkelingen een beperking van de vrijheid van onderwijs
zouden kunnen rechtvaardigen. Het lid van de SGP-fractie vroeg of de regering het
met hem eens is dat een dergelijke inbreuk op de grondrechten niet zomaar te rechtvaardigen
is en dat louter de politieke voorkeur voor bepaalde opvattingen niet voldoende grond
is om tot inbreuk van grondrechten over te gaan.
De passage waarnaar het lid van de SGP-fractie verwijst in de inleiding op zijn vraag
is afkomstig uit het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State over
het oorspronkelijke initiatiefvoorstel en de reactie van de indieners op dat advies.
In haar advies merkt de Afdeling op, dat belangrijke maatschappelijke en juridische
ontwikkelingen mogelijk een rol kunnen spelen bij de beoordeling van een eventuele
aanpassing van de Awgb met een beroep op artikel 23 van de Grondwet. De Afdeling tekent
daarbij aan, dat niet lichtvaardig moet worden geconcludeerd dat maatschappelijke
ontwikkelingen een rechtvaardiging vormen voor wijziging van de uitleg van de grenzen
van een grondrecht en adviseert het voorstel op dit punt nader te motiveren. De indieners
bevestigen in hun reactie, dat niet lichtvaardig kan worden geconcludeerd dat maatschappelijke
ontwikkelingen een rechtvaardiging vormen voor wijziging van de uitleg van de grenzen
van een grondrecht. Daar sluit ik mij bij aan. Ik acht het voorts evident dat louter
het hebben van een politieke voorkeur voor een bepaald standpunt onvoldoende grond
is om tot wijziging over te gaan.
De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,
R.H.A. Plasterk