32 465 Het afschaffen van de beperkte opbouw van minimum vakantierechten tijdens ziekte, de invoering van een vervaltermijn voor de minimum vakantiedagen en de aanpassing van enige andere artikelen in de regeling voor vakantie en verlof in Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek

Nr. 4 NADER RAPPORT1

Het advies van de Raad van State wordt niet openbaar gemaakt, omdat het zonder meer instemmend luidt/uitsluitend opmerkingen van redactionele aard bevat (artikel 25a, vierde lid, onderdeel b, van de Wet op de Raad van State).

Hieronder is opgenomen het nader rapport d.d. 23 augustus 2010, aangeboden aan de Koningin door de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, mede namens de minister van Justitie.

Blijkens de mededeling van de Directeur van Uw Kabinet van 24 juni 2010, nr. 10.001768 machtigde Uwe Majesteit de Raad van State zijn advies inzake het bovenvermelde voorstel van wet rechtstreeks aan mij te doen toekomen.

Dit advies, gedateerd 21 juli 2010, nr. W12.10.0247/III, bied ik U hierbij aan.

De Raad van State heeft geen inhoudelijke opmerkingen. Wel heeft de Raad van State enkele redactionele kanttekeningen geplaatst. Deze zijn verwerkt met uitzondering van de onderstaande drie kanttekeningen.

1. De Raad van State geeft in overweging om in het in artikel I, onderdeel E, voorgestelde artikel 640a boek 7 Burgerlijk Wetboek (BW) en het in artikel II voorgestelde artikel 225 van de Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek «het minimum» te vervangen door: «de minimumvakantie».

Deze redactionele kanttekening is niet verwerkt. In andere artikelen van afdeling 3, boek 7, BW wordt consequent gesproken over «het minimum» zoals bedoeld in artikel 7:634 van het BW. Omwille van wettelijke consistentie wordt in de voorgestelde artikelen bij die terminologie aangesloten. Omdat telkens wordt verwezen naar artikel 7:634 van het BW, bestaat er geen onduidelijkheid over wat met dit minimum wordt bedoeld.

2. De Raad van State geeft tevens in overweging om in het in artikel I, onderdeel C, voorgestelde artikel 637 lid 1 boek 7 BW en het in artikel I, onderdeel D, voorgestelde artikel 638 lid 8, eerste volzin, boek 7 BW voor «instemming» telkens in te voegen «schriftelijke».

De huidige bepalingen in het BW betreffende vakantie vereisen niet dat de instemming van de werknemer met het aanmerken van ziektedagen als vakantiedagen schriftelijk moet zijn verleend. In het wetsvoorstel is daarbij aangesloten. In de praktijk functioneert die regeling naar behoren. Er bestaat dan ook geen reden om het wetsvoorstel aan te grijpen om aan het verlenen van instemming een schriftelijkheidsvereiste te koppelen. Dat geldt temeer daar zo’n vormvereiste tot de nodige administratieve handelingen aanleiding geeft. De redactionele kanttekening van de Raad is in het licht van het vorenstaande niet verwerkt.

3. Tenslotte geeft de Raad van State in overweging om in het in artikel I, onderdeel D, voorgestelde artikel 638 lid 8, eerste volzin, boek 7 BW de beperking tot het aantal bovenwettelijke vakantiedagen aan te brengen.

Het doorvoeren van deze redactionele kanttekening heeft inhoudelijke gevolgen die niet passen bij de bedoeling van de voorgestelde wetswijziging en is mitsdien niet verwerkt. Het nieuwe lid 8 van artikel 7:638 van het BW bepaalt dat als een werknemer tijdens een vastgestelde vakantie ziek is, er met zijn instemming toch vakantiedagen opgenomen kunnen worden. Het gaat daarbij nadrukkelijk ook om het opnemen van vakantiedagen die tot het minimum behoren en niet meer uitsluitend om de bovenwettelijke dagen.

Ik moge U, mede namens mijn ambtgenoot van Justitie, verzoeken het hierbij gevoegde (gewijzigde) voorstel van wet en de memorie van toelichting aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal te zenden.

De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

J. P. H. Donner


XNoot
1

De oorspronkelijke tekst van het voorstel van wet en van de memorie van toelichting zoals voorgelegd aan de Raad van State is ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer.

Naar boven