Het kabinet heeft met belangstelling kennis genomen van het verslag van de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid
bij het wetsvoorstel Wijziging van de Algemene Ouderdomswet teneinde een korting te kunnen toepassen op de toeslag voor de
echtgenoot die jonger is dan 65 jaar
De leden van de fracties van de SP, CU en SGP hebben naar aanleiding van de memorie van antwoord nog enkele aanvullende vragen.
Ten eerste vragen de leden van deze fracties naar het aandeel betrokkenen met een volledig toegepaste korting, een gedeeltelijk
toegepaste korting en zonder korting.
Wat betreft de omvang van deze drie groepen kan ik het volgende melden. In 2011 ontvangen zo’n 200 000 mensen een partnertoeslag.
Uit voorlopige cijfers blijkt dat in 2011 minimaal 12 000 AOW-ers met een partner jonger dan 65 onder de 110% WML-grens vallen. Zij
worden dus niet gekort. Van de overige AOW-ers met een partner jonger dan 65 in 2011 (ca. 185 000) zal het overgrote deel
te maken krijgen met een volledig toegepaste korting en een beperkt aandeel gedeeltelijk gekort worden. De precieze aantallen
zullen duidelijk worden nadat de SVB alle beoordelingen heeft uitgevoerd.
Vervolgens vragen deze leden naar de inkomensverdeling van de betreffende huishoudens in verschillende inkomenscategorieёn.
De figuur op de volgende pagina geeft inzicht in de inkomenspositie van AOW’ers met partnertoeslag. Het gaat hierbij om cijfers
op basis van een steekproef, die verder zijn bewerkt in het microsimulatiemodel van SZW.

De figuur laat zien dat het grootste deel van de AOW’ers die partnertoeslag ontvangen (ca. 75%) een bruto huishoudinkomen
boven de € 30 000 (ca. 167% van het WML uit 2009) heeft.
De leden van deze fracties vragen verder wat het gemiddelde koopkrachteffect is op de huishoudinkomens per inkomenscategorie.
In onderstaande tekst zijn de inkomenseffecten weergegeven van verschillende inkomenscategorieёn.
Huishoudens met een gezinsinkomen tot aan 110% WML zijn uitgezonderd van de maatregel, en hebben dus geen inkomenseffect.
Voor de huishoudens met een gezinsinkomen net boven de inkomensgrens treedt een maximale inkomensdaling op van ongeveer 2¼%.
Voor inkomens tussen de 130% WML en 150% WML ligt het inkomenseffect tussen de 2% en 2¼%. Het procentuele inkomenseffect neemt
af bij hogere inkomens. Dit komt enerzijds omdat voor hogere inkomens een zelfde bruto inkomensdaling resulteert in een lagere
netto daling, en anderzijds omdat bij hogere inkomens de inkomensmutatie samenhangend met de korting op de partnertoeslag
gedeeld wordt door een hoger besteedbaar inkomen. Voor huishoudens met een gezinsinkomen op 300% WML bedraagt de inkomensdaling
1%.
Ook willen de leden van deze fracties weten wat de samenstelling van de betreffende huishoudens is, in de zin van voormalig
kostwinners, voormalig tweeverdieners of voormalig uitkeringsafhankelijk. En vragen deze leden naar het arbeidsverleden van
de partners (werkend, kortstondig zonder werk, langdurig zonder werk).
Een exacte uitsplitsing naar huishoudsamenstelling zoals gevraagd door de fracties is op basis van de beschikbare gegevens
niet te leveren. Wel is bekend dat ca. 80% van de AOW’ers die een partnertoeslag voor een jongere partner ontvangen, de beschikking
heeft over een aanvullend pensioen van minimaal € 5 000. Ook bekend is dat van alle AOW’ers met een partner beneden de 65
jaar ongeveer één op de drie geen partnertoeslag ontvangt vanwege eigen inkomsten van de partner. Van de AOW’ers met jongere
partner die wel een partnertoeslag ontvangen gaat het in één op de vijf gevallen om een gekorte toeslag, voornamelijk als
gevolg van inkomsten van de jongere partner.
Vervolgens vragen de leden van deze fracties naar de leeftijdsverdeling van de partners, in de categorieёn jonger dan 55,
55–60 en 60–65.
De leeftijdsverdeling van de partners jonger dan 65 jaar is als volgt:
– Ongeveer 10% van de partners is 55 jaar of jonger
– Ongeveer een kwart van de partners is 56–60 jaar
– Ongeveer 65% is ouder dan 61–64 jaar.
Tot slot vragen deze leden naar de kansen op de arbeidsmarkt (werkbehoud, -hervatting of toetreding tot de arbeidsmarkt) van
deze leeftijdscategorieën, verder uitgesplitst naar: reeds werkend, kortstondig uit de arbeidsmarkt, langdurig uit de arbeidsmarkt.
De meeste statistieken rond arbeidsparticipatie hebben betrekking op banen van 12 uur per week of meer. Voor zover de jongere
partners naar op zoek gaan naar een baan met als specifiek doel de korting op de partnertoeslag te compenseren (bruto ca € 725
per jaar), dan zal dat in veel gevallen een baan van kleinere omvang zijn. Precieze cijfers rond de arbeidsmarktkansen van
deze kleinere banen ontbreken.
Partners (jonger dan 65 jaar) van AOW-ers vallen grotendeels in de leeftijdscategorie 55–65 jaar. De arbeidsparticipatie in
deze categorie is nog relatief laag, maar is het afgelopen decennium sterk toegenomen. De netto arbeidsparticipatie van vrouwen
45–55 jaar is tussen 1998 en 2009 opgelopen van 50% naar 68%. De participatie van vrouwen 55–65 jaar is verdubbeld van 18%
in 1998 naar 35% in 2009. Ruim een derde van de werkende vrouwen in deze categorie heeft een partner met een AOW (zie ook
onderstaande tabel).
Uit cijfers van het CBS blijkt voorts dat de arbeidsparticipatie van opvolgende cohorten vrouwen bij elk cohort op een hoger
niveau ligt dan het voorliggende cohort. Dit suggereert dat de participatie van oudere vrouwen de komende jaren nog sterk
zal toenemen.
Netto arbeidsparticipatie vrouwen| | Netto Arbeidsparticipatie vrouwen 55–65 | Netto Arbeidsparticipatie vrouwen 45–55 | Aandeel AOW’ers met jongere partner zonder toeslag |
|---|
1998 | 17% | 50% | 24% |
|---|
2000 | 20% | 52% | 26% |
|---|
2002 | 22% | 55% | 27% |
|---|
2004 | 25% | 58% | 29% |
|---|
2006 | 28% | 62% | 31% |
|---|
2008 | 32% | 67% | 34% |
|---|
2009 | 35% | 68% | |
|---|
De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
H. G. J. Kamp