Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Eerste Kamer der Staten-Generaal2012-201332412 nr. D

32 412 Voorstel van wet van de leden Verhoeven en Van Tongeren tot wijziging van de Winkeltijdenwet in verband met het verruimen van de bevoegdheid van gemeenten om vrijstelling te verlenen van de verboden met betrekking tot de zondag en een aantal feestdagen

D MEMORIE VAN ANTWOORD

Ontvangen 12 februari 2013

De initiatiefnemers danken de verschillende fracties in de Eerste Kamer voor hun commentaar en vragen. Zij zullen zich inspannen om deze tot genoegen te beantwoorden.

Overgangsrecht

De leden van de fracties van de VVD en de PvdA vroegen wat de situatie zal zijn, indien gemeenten niet in staat zijn op de datum van inwerkingtreden van de wet een nieuwe verordening ingevoerd te hebben, teneinde in continuïteit van de opening van winkels op zon- en feestdagen te kunnen voorzien. Aan deze vraag ligt de veronderstelling ten grondslag, dat bestaande regelingen tot vrijstelling komen te vervallen. Deze veronderstelling is onjuist. Vrijstelingsverordeningen van de gemeenteraden met betrekking tot zon- en feestdagen zijn nu gebaseerd op artikel 3, eerste lid van de Winkeltijdenwet. Dat artikel zal ook na het inwerkingtreden van het onderhavige wetsvoorstel aan de gemeenteraad de bevoegdheid verlenen vrijstelling te verlenen van de in artikel 2 van de wet vervatte geboden. Van het vervallen van verordeningen zal daarom geen sprake zijn. Wat wijzigt is, dat de beperking die in het huidige artikel 3 Winkeltijdenwet is opgenomen, komt te vervallen. Gemeenten kunnen daarvan wel of niet gebruik maken. Als ze er wel gebruik van willen maken, kunnen ze dat doen met ingang van het inwerkingtreden van de wet, of op een later moment. Er zal dus geen fase kunnen ontstaan, waarin winkels op zon- en feestdagen waarop zij voorheen geopend mochten zijn, gesloten moeten worden. Daardoor komt de vraag wie aansprakelijk is voor de gederfde inkomsten ook niet aan de orde.

De verruiming van artikel 3 Winkeltijdenwet heeft voorts tot gevolg, dat vrijstellingsverordeningen die nu nog gebaseerd zijn op artikel 7 van de Winkeltijdenwet na inwerkingtreden van de wet op artikel 3 kunnen worden gebaseerd. Daartoe is niet nodig dat de verordeningen opnieuw worden vastgesteld. Wel verdient het aanbeveling om bij wijziging van de verordening ook de verwijzing naar de grondslag in de wet aan te passen.

Voor de goede orde voegen de initiatiefnemers hier nog aan toe, dat als gevolg van het wetsvoorstel voor een deel de grondslag komt te ontvallen aan het Vrijstellingenbesluit Winkeltijdenwet. Daarbij gaat het om de artikelen en artikelleden die gebaseerd zijn op het huidige artikel 5 van de Winkeltijdenwet en geen grondslag kunnen vinden in het met het wetsvoorstel verbrede artikel 8, eerste lid. Het betreft artikel 3, derde en vierde lid, artikel 4, derde en vierde lid, en de artikelen 10 tot en met 22. Gemeenteraden die deze vrijstellingen – resp. bevoegdheden van burgemeester en wethouders om een ontheffing te verlenen – willen continueren, kunnen dat doen met toepassing van het in het wetsvoorstel opgenomen artikel 3. Als zij willen voorkomen dat een «gat» valt tussen de inwerkingtreding van de wet en van de verordening van de gemeenteraad, moeten zij die verordening tijdig voor de datum van inwerkingtreding van de wet vaststellen en de datum van inwerkingtreding van de verordening gelijk stellen aan die van de wet.

Positie werknemers

De leden van de fracties van de PvdA, GroenLinks, de ChristenUnie en de SGP stelden vragen over de toeslag voor werken op zondag. Daarbij gaat het om de vraag of het risico bestaat dat toeslagen voor zondagsarbeid zullen gaan verdwijnen, omdat werken op zondag «normaal» zal worden. De initiatiefnemers zien dat risico niet, zo lang de Arbeidstijdenwet in artikel 5:6 een aparte bepaling blijft bevatten met betrekking tot de arbeid op zondag, waarvan de strekking overduidelijk is, dat zondagsarbeid nìet «gewoon» is. Overigens is het in de visie van de initiatiefnemers aan werkgevers en werknemers om te bepalen of en in hoeverre het niet-gewone karakter van het werken op zondag vertaald moet worden in toeslagen. Voor de wetgever zien zij op dat punt geen taak.

Wel blijft de bepaling van artikel 7:670, negende lid, onverkort van kracht. De werkgever kan een arbeidsovereenkomst niet opzeggen wegens de omstandigheid dat de werknemer geen instemming verleent aan het werken op zondag.

Kleine ondernemers

De leden van de fractie van de PVV, de ChristenUnie en de SGP stelden vragen over de positie van (kleine) winkeliers in winkelcentra.

De leden van de fractie van de PVV vroegen of er niet voor de kleine ondernemer een regeling getroffen moet worden dat de minimale openingstijden in een winkelcentrum 53 uur per week plus één extra koopzondag per maand is, en dat aan een winkelier die zich houdt aan dat minimum geen boete opgelegd mag worden.

De initiatiefnemers wijzen erop, dat het hier gaat om een kwestie van civielrechtelijke aard, namelijk huurcontracten tussen private partijen. Daarom is het, zo zeggen de initiatiefnemers in antwoord op een vraag van de leden van de fractie van de ChristenUnie, onjuist om in dit verband te spreken over «dwang». Uitgangspunt mag toch zijn, dat ondernemers in overleg met verhuurders de inhoud van hun huurcontracten bepalen en die uit vrije wil ondertekenen. Dat contracten de vrijheid van partijen kunnen beperken, en dat op het niet nakomen van verplichtingen boetes gesteld kunnen worden, doet daar niets aan af.

Overigens kan de inhoud van die contracten in de praktijk in grote mate uiteenlopen. Het zal van de omstandigheden van het geval afhangen welke ruimte de verhuurder heeft om langere openingstijden van de winkelier af te dwingen en of zij zich daarbij gedragen overeenkomstig de eisen van redelijkheid en billijkheid. De initiatiefnemers willen niet treden in de beoordelingsruimte die de rechter op dit punt heeft. Voor de wetgever zien zij op dit gebied geen taak.

Macro-economische inkomens en detailhandelsomzet

De leden van de fractie van de SP vroegen of de initiatiefnemers bereid zijn hun stelling dat door variatie van de winkeltijden de totale detailhandelsomzet nauwelijks zal variëren als uitgangspunt voor de discussie te nemen. In antwoord hierop merken de initiatiefnemers op, dat het aan de Kamer is om aan te geven op welke thema’s de discussie zich zal concentreren. Uitgangspunt zal steeds het voorliggende wetsvoorstel zijn. De doelstelling daarvan is echter niet in de eerste plaats van macro-economische aard. Het gaat in de eerste plaats om het vergroten van de keuzevrijheid van gemeenten om al dan niet meer of minder koopzondagen in te stellen. In het wetsvoorstel wordt niet geregeld dat er meer koopzondagen zullen komen.

Overigens wordt de juistheid van de stelling van de leden van de SP-fractie dat de totale detailhandelsomzet nauwelijks kan variëren als gevolg van extra koopzondagen door de initiatiefnemers betwijfeld. Op het niveau van de economie valt te betogen dat er sprake is van een zero-sum-game. Maar er kan ook binnen het uitgavenpatroon van huishoudens een verschuiving plaatsvinden. Een koopzondag wordt door veel mensen ervaren als een dagje uit. Daarmee concurreren de uitgaven op een koopzondag (minstens voor een gedeelte) met andere dagjes uit en niet enkel met detailhandelsuitgaven op andere dagen. Ook kan er eventueel consumptie uitgelokt worden ten koste van oppotten, zodat het recordhoge spaarquotum wordt verlaagd.

Belangenafweging aangaande het wetsvoorstel

De leden van de SP-fractie noemden een aantal belangen van huishoudens, die de initiatiefnemers niet altijd even goed begrijpen. De initiatiefnemers zijn van mening dat slechts een zeer kleine groep belang heeft bij winkelen op alle mogelijke momenten van de dag of nacht. Maar er is in hun ogen wel een zeer grote groep die behoefte heeft om buiten kantooruren te kunnen winkelen en hierbij niet enkel op de zaterdag aangewezen te zijn.

Bij «het kunnen doen van dagelijkse inkopen op loopafstand» maken zij de aantekening dat het bij dagelijkse inkopen meestal gaat om inkopen bij supermarkten en dat het daarmee slechts om een gedeelte van de winkels gaat.

Wat bedoeld wordt met het belang van «variatie in het levensritme van de dagen van de week» is de initiatiefnemers niet duidelijk.

Met betrekking tot de door de hier aan het woord zijnde leden verstrekte cijfers over het aantal detailhandelsbedrijven, uitgesplitst voor het aantal werknemers, wijzen de initiatiefnemers allereerst op recentere CBS-cijfers, namelijk uit 20121, die aangeven dat er in Nederland 99 060 «detailhandelbedrijven (niet in auto’s)» zijn. De initiatiefnemers nemen deze cijfers als uitgangspunt.

De leden van de SP-fractie stelden vervolgens dat ruim 50% van de detailhandelsbedrijven wordt gedreven door één persoon. Dat klopt ook met de nieuwe cijfers; het zijn er volgens het CBS 53.485. De initiatiefnemers wijzen de leden van de fractie van de SP er echter op, dat 20.860 van de eenmanswinkels internet- of postorderbedrijven zijn, voor wie de Winkeltijdenwet geen relevantie heeft. Ook zijn er binnen de 53.485 eenmansdetailhandelsbedrijven 10.070 marktkraamhouders voor wie openingstijden vooral gebonden zijn aan de tijden dat er «markt» is. Ook de 945 tankstations die door één persoon worden gedreven werken al met andere openingstijden. Hiermee willen de initiatiefnemers het effect van eventuele extra koopzondagen (indien gemeentes hiertoe besluiten) niet bagatelliseren, maar het effect is wel een stuk minder groot dan de hier aan het woord zijnde leden willen doen geloven.

Bij de cijfers die de leden van de SP-fractie vermeldden met betrekking tot het belang om dagelijkse aankopen op loopafstand te kunnen doen tekenen de initiatiefnemers aan, zoals hiervoor al gesteld, dat het bij dagelijkse inkopen voornamelijk gaat om inkopen bij supermarkten (oftewel levensmiddelen die volgens dezelfde cijfers van het HBD 46% van de totale bestedingen uitmaken). Daarom moet niet zozeer geanalyseerd worden welke winkels solitair liggen, maar moet vooral bekeken worden welke supermarkten solitair liggen. Vrij weinig mensen zullen immers op dagelijkse basis naar een solitair liggende kledingwinkel gaan. Een nabijgelegen supermarkt is daarom voor ouderen van belang. De initiatiefnemers zien echter geen relatie tussen het wetsvoorstel en het aantal nabij gelegen supermarkten.

De bovengenoemde kanttekeningen brengen met zich mee, dat de initiatiefnemers de analyse en de belangenafweging van de leden van de SP-fractie niet delen. Voor hen weegt het zwaarder dat de grote groep consumenten die behoefte heeft om buiten kantooruren te kunnen winkelen en hierbij niet enkel op de zaterdag aangewezen wil zijn, kan winkelen op andere uren anders dan kantooruren, bij voorkeur direct na werktijd en op de zondag.

Belangen van winkeliers (detaillisten)

Bij de weergave van de belangen van winkeliers maakten de leden van de fractie van de SP zich naar het oordeel van de initiatiefnemers schuldig aan oversimplificatie. Zij stellen dat de belangen van winkeliers niet homogeen zijn, maar heterogeen, en vervolgens onderscheiden zij slechts twee groepen. Daar kunnen de initiatiefnemers niet in mee gaan. Er is sprake van een veel grotere heterogeniteit. Zo zijn er veel kleine winkeliers die een grote behoefte hebben aan de mogelijkheid tot zondagsopenstelling en zijn er ook grootwinkelbedrijven die geen voorstander zijn van de koopzondag, althans niet iedere week en niet in iedere gemeente. Er zijn daarentegen allerlei kleine winkels die specifiek inzetten op behoefte van mensen met een veertigurige of langere werkweek, zoals young professionals, die juist op zondag willen winkelen. En er zijn grootwinkelbedrijven die in gemeentes waar niemand op zondag gaat winkelen ook absoluut niet open willen. Dat is ook de kracht van het voorliggende wetsvoorstel. Het biedt ruimte voor lokaal maatwerk in plaats van een vanuit Den Haag opgelegde regeling.

In de afweging die hierop volgt hanteerden de leden van de fractie van de SP de zogenaamde olie-vlek-theorie. Volgens deze gedachtegang zullen gemeentes elkaar volgen wanneer een buurgemeente besluit tot een koopzondag. Ook de leden van de fractie van de SGP volgen een vergelijkbare redenatie.

De initiatiefnemers kunnen zich voorstellen dat er in bepaalde gevallen sprake is van een beïnvloedingseffect. Voor het maken van een zorgvuldige afweging kan het zelfs zinvol zijn om te kijken naar de situatie van de gemeenten in de omgeving. Wanneer de winkels in de omringende gemeenten alle zondagen gesloten zijn, kan een gemeente hier, desgewenst, een voorbeeld aan nemen. De gemeente kan echter ook juist om die reden gelegenheid geven tot winkelen op zondag. Als in buurgemeenten de winkels op zondag geopend zijn, kan ook dat tot navolging leiden, maar er ook is mogelijk dat de gemeente dan besluit dat het niet nodig is om de winkels op zondag te openen, omdat haar inwoners naar de geopende winkels in een gemeente in de buurt kunnen.

Uit de bestaande praktijk blijkt niet dat gemeentes, als het gaat om koopzondagen, altijd hetzelfde beleid hanteren als buurgemeentes.

Bovendien hebben gemeentes meerdere buren. Zo kent bijvoorbeeld Rotterdam iedere week een koopzondag, zijn in Lansingerland de winkels op zondag gesloten in de maanden maart, juli, augustus en september, en zijn in Pijnacker de winkels in het geheel niet geopend op zondag. Al deze gemeenten hebben al sinds 1996 het recht om op 12 koopzondagen per jaar in te stellen, maar maken daar dus zeer verschillend gebruik van.

Religieuze en culturele belangen

In antwoord op een vraag van de leden van de fractie van de SP erkennen de initiatiefnemers dat religieuze belangen een rol kunnen spelen in de belangenafweging. Het is echter niet aan hen om deze belangenafweging te maken. In de voorgestelde wetswijziging is de bevoegdheid daartoe bij de gemeenteraad gelegd. Een gemeenteraad waarin vooral partijen vertegenwoordigd zijn die religieuze overwegingen zwaar mee laten wegen, zullen minder snel geneigd zijn ontheffingen voor de zondagsluiting te verlenen. Dat wil echter niet zeggen dat in andere gemeentes de belangenafweging altijd anders zal uitvallen. Opnieuw geeft dit aan dat de gemeente het juiste niveau is om een beslissing te nemen over het aantal koopzondagen.

Algemeen belang

Het belang van ouderen om in hun nabijheid dagelijkse inkopen te kunnen doen is door de leden van de SP-fractie is ook al genoemd bij de belangen van huishoudens. De initiatiefnemers zijn daarop al eerder ingegaan.

Gemeentelijke autonomie

Ook op de gedachtegang van de leden van de fractie van de SP met betrekking tot de invloed van besluiten in een gemeente op de besluitvorming in een buurgemeente zijn de initiatiefnemers al eerder ingegaan. Zij stemmen er niet mee in. Zij zijn van mening dat de gemeentelijke autonomie hier adequaat kan functioneren.

Gelimiteerde winkelopstelling voor allen: twee alternatieven

De leden van de fractie van de SP opperden de mogelijkheid om voor alle winkels in Nederland de maximale openingstijd per winkel per week op 45 uur te stellen en specificeren vervolgens daarbinnen twee alternatieven.

Deze alternatieven kunnen in het kader van de behandeling van het voorliggende wetsvoorstel in de Eerste Kamer niet aan de orde komen. Ook inhoudelijk zien de initiatiefnemers geen voordelen van deze alternatieven boven het voorliggende wetsvoorstel. Sterker nog, de initiatiefnemers zijn juist van mening dat een dergelijke maximum van de openingstijden met daarbinnen alle vrijheid juist zal zorgen voor een verslechtering van de belangen van bijvoorbeeld ouderen en anderen met dagelijkse boodschappen. Immers, de zondag is over het algemeen lucratiever dan de dinsdag- of woensdagochtend om open te zijn. Er zullen hierdoor nieuwe patronen kunnen ontstaan die niet per se aansluiten op de belangen die de leden van de SP-fractie eerder in hun betoog noemden. Supermarkten zullen dan namelijk kiezen voor opening op de zondag en avonden en sluiten op de doordeweekse ochtenden.

Opschalen gemeenten

De leden van de D66-fractie vroegen de initiatiefnemers om, met het oog op de in het regeerakkoord afgesproken opschaling van gemeenten, hun vertrouwen in het lokale draagvlag aanvullend te motiveren. Aan deze vraag ligt de gedachte ten grondslag, dat de bezwaren tegen het op zondag openstellen van winkels lokaal kunnen verschillen. Die bezwaren kunnen in de huidige situatie leiden tot een meerderheid in de raad van een gemeente, die samengevoegd zou kunnen worden met andere gemeenten, zodanig dat in de nieuwe grotere gemeente geen politieke meerderheid tegen openstelling op zondag meer zal bestaan.

De initiatiefnemers zien dit als een aspect van een bredere problematiek, die zich ook nu al regelmatig voordoet bij gemeentelijke herindeling: hoe het eigen lokale karakter van dorpen en steden gehandhaafd kan blijven. De gedachte van de vragenstellers is kennelijk dat, indien de schaal van gemeenten fors wordt vergroot, deze vraag nog veel indringender aan de orde zal komen.

De initiatiefnemers wijzen erop, dat zij geen verantwoordelijkheid dragen voor de bedoelde afspraak in het regeerakkoord. Zij zijn bij het opstellen van het wetsvoorstel uitgegaan van de thans gebruikelijke gemeentelijke schaal. De last om het vertrouwen in het lokale draagvlak te motiveren rust naar hun mening dan ook niet op hen, maar op de regering, bij het indienen van eventuele wetsvoorstellen met betrekking tot het vergroten van de schaal van gemeenten.

Dat neemt niet weg dat van het onderhavige wetsvoorstel verlangd mag worden, dat het een instrument bevat om rekening te kunnen houden met het eigen karakter van dorpen of steden, die onderdeel zijn van een (grotere) gemeente. Het wetsvoorstel doet dit door in het derde lid van artikel 3 te bepalen dat vrijstellingen en ontheffingen onder beperkingen kunnen worden verleend. Die beperkingen kunnen ook geografisch van aard zijn. Dat betekent dat een ontheffing kan gelden voor een deel van de gemeente. Daardoor kan worden bereikt dat opschaling van gemeenten geen gevolgen heeft voor de vraag waar op zondagen winkels open zullen zijn en waar niet.

VNG-leidraden en inwerkingtreding

De leden van de D66-fractie vragen of de VNG voortgang boekt met het schrijven van leidraden. De initiatiefnemers hebben een afspraak gepland staan met de VNG en zullen er daarin op aandringen dat leidraden ruim voor het in werking treden van het wetsvoorstel gereed zullen zijn.

Besluitvormingsproces

De leden van de fractie van GroenLinks vragen naar het lokale besluitvormingsproces en hoe de zorgvuldigheid wordt gewaarborgd. De lokale democratie wordt primair verantwoordelijk voor de belangenafweging en het vormgeven van het proces. Daarmee is de lokale democratie ook verantwoordelijk voor het waarborgen van de zorgvuldigheid. Op het moment dat dit niet naar behoren verloopt, staat het elke inwoner van een gemeente vrij om contact te zoeken met een van de gemeenteraadsleden om zo het probleem onder de aandacht te krijgen. In de raad kan vervolgens gesproken worden over de zorgvuldigheid van de besluitvorming en waar nodig de lokale overheid tot de orde worden geroepen.

Effecten wetsvoorstel; financiële aspecten; werkgelegenheid

Verder vragen de leden van de fracties van GroenLinks en ChristenUnie inzicht in de macro-economische effecten van het wetsvoorstel en de werkgelegenheidseffecten. De initiatiefnemers kunnen die niet exact voorspellen. Allereerst is het directe effect van dit wetsvoorstel op het aantal koopzondagen immers nihil. Daarmee is de «boost» voor de economie ook nul. Daarentegen kan een besluit tot meer koopzondagen op basis van deze nieuwe wet de lokale middenstand wel degelijk een impuls geven. Hiervoor verwijzen de initiatiefnemers naar studies gedaan bij de meest recente aanpassing van de Winkeltijdenwet.2 Daar is het omgekeerde effect berekend. De schatting was toen een vermindering van 2000 banen op de korte termijn. Eerder werd in 1995 door het CPB geraamd dat een toename van het maximale aantal toegestane koopzondagen van 8 naar 12 per jaar tot 10.000 extra banen zou leiden. Op basis van deze gegevens kan geconcludeerd worden dat er positieve effecten kunnen optreden als gevolg van dit voorstel.

Ook vragen de leden van de GroenLinks-fractie in hoeverre dit voorstel voorziet in een behoefte van ondernemers. Hiervoor verwijzen de initiatiefnemers naar onderzoek gedaan voor CBW-Mitex uit april 20113. In de conclusie van dit onderzoek onder ondernemers staat hierover: «De resultaten pleiten voor een zorgvuldig besluitvormingsproces, waarbij lokale ondernemers actief betrokken worden. Op lokaal niveau kan ingeschat worden of (extra) zondagsopenstelling de (commerciële) aantrekkelijkheid van het winkelgebied/gemeente vergroot.»

Onderbouwing wetsvoorstel

In antwoord op vragen van de leden van de fractie van de ChristenUnie welk probleem dit initiatiefwetsvoorstel oplost, verwijzen de leden naar de memorie van toelichting, waarin uitvoerig wordt beschreven hoe de huidige «toerismebepaling» tot problemen leidt en hoe dit wetsvoorstel dit probleem oplost.

Sociale gevolgen

Ook vroegen de leden van de ChristenUnie-fractie of de sociale gevolgen van het wetsvoorstel in kaart zijn gebracht. De initiatiefnemers zijn van mening dat de rechtstreekse sociale gevolgen van het wetsvoorstel minimaal zijn, omdat het hier vooral gaat om het verruimen van bevoegdheden van de gemeentes. Wel zijn de sociale gevolgen typisch iets is dat meegenomen moet worden door de gemeenteraad in de lokale afweging om al dan niet meer ontheffingen te verlenen van de zondagssluiting.

Draagvlak

Voorts informeerden de leden van de fractie van de ChristenUnie of er overleggen hebben plaats gevonden met vertegenwoordigers van de detailhandel en vertegenwoordigers van godsdienstige groepen. De initiatiefnemers kunnen bevestigen dat er contact is geweest met vertegenwoordigers van de detailhandel. Detailhandel Nederland en VNO/NCW zijn uitgesproken voorstanders van de onderhavige wetswijziging. En, zoals hiervoor gesteld, pleitten de leden van CWB Mitex in een onderzoek voor de voorgestelde wetswijziging.

Er is door de initiatiefnemers niet expliciet met vertegenwoordigers van godsdienstige groepen gesproken. Van de onrust in deze kring is door hen kennis genomen door middel van een groot aantal publicaties in de pers. De initiatiefnemers nemen dit serieus, maar tegelijkertijd komt het hen voorbarig voor. Het wetsvoorstel zelve voorziet immers niet in een vergroting van het aantal koopzondagen. Dat kan wel een gevolg zijn van de lokale democratie. De initiatiefnemers verwachten dat godsdienstige groepen zich in dat verband nog uitvoerig zullen doen laten horen.

Belangenafweging

De leden van de ChristenUnie-fractie vroegen om een lijst van criteria die de initiatiefnemers aan gemeenten meegeven. In wezen hebben de initiatiefnemers deze opsomming al verschaft in hun brief van 29 oktober 2012 aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal.4

De leden van de fractie van de SGP vroegen waarom de initiatiefnemers niet bereid waren om de af te wegen belangen in de wet op te nemen. Zij hebben dat niet gedaan, omdat ze per gemeenten kunnen verschillen. Juist door het vastleggen van een dergelijke lijst ontstaat het gevaar van een «afvinklijst». Er wordt dan overgegaan tot een beslissing op het moment dat alle vinkjes zijn gezet. De initiatiefnemers zien liever een integrale afweging op basis van gesprekken met en inspraak van belanghebbenden, waarin alle lokale belangen worden meegenomen.

Welvaartsbegrip

De leden van de ChristenUnie-fractie vroegen waarom het CPB het begrip zondagsrust niet opneemt in het «brede welvaartsbegrip». Zoals deze leden kunnen lezen op pagina 47 en verder van het betreffende CPB-rapport «Economische gevolgen beoogde aanpassing winkeltijden-wet»5 wordt zondagsrust wel meegenomen in het brede welvaartsbegrip. De extra rust bij een aanscherping van de Winkeltijdenwet werd toentertijd in het betreffende CPB-rapport dan ook als een welvaartstoename gezien.

Positie kleine winkelier

De leden van de fractie van de ChristenUnie vroegen hoe de kleine winkelier wordt beschermd in de ongelijke concurrentiestrijd tegen de grote winkelketens met veel personeel. In het algemeen kent ons economisch recht op landelijk niveau geen instrumenten die beogen de concurrentie tussen grote en kleinere ondernemers te beïnvloeden, anders dan het verbod op misbruik van een economische machtspositie en het kartelverbod op grond van de Mededingingswet. Op lokaal niveau kan dit wel – te midden van andere belangen – meegenomen worden in de belangenafweging die voorafgaat aan besluitvorming over ontheffingen van het verbod op zondagsopening. Daarbij zal dan ook meegewogen moeten worden dat kleine winkeliers soms juist wel op zondag open willen. En dat zij ook op een andere dag kunnen sluiten. En dat het hen altijd vrij staat om niet mee te doen met een koopzondag. In dat verband wijzen de initiatiefnemers ook op het feit dat winkels doordeweeks al van 6.00 tot 22.00 open mogen en dat weinig winkels van deze mogelijkheid gebruik maken; en zich hier ook niet toe gedwongen voelen.

Verhoeven Van Tongeren