Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2010-201132403 nr. 18

32 403 Wijziging van de Wegenverkeerswet 1994 op een aantal punten van uiteenlopende aard, van de Wet personenvervoer 2000 ten aanzien van het openbaar-vervoerverbod en enkele technische wijzigingen, van de Wet advies en overleg verkeer en waterstaat in verband met wijzigingen in de vorm waarin betrokkenen en organisaties bij het beleidsproces worden betrokken, wijziging van de Wet op de economische delicten, de Wet luchtvaart, de Binnenvaartwet, de Wet capaciteitsbeheersing binnenvaartvloot, de Wet belastingen op milieugrondslag, de Waterwet, de Invoeringswet Waterwet, de Waterschapswet en de Crisis- en herstelwet op enkele punten van technische aard, alsmede van de Telecommunicatiewet ter herstel van een abuis (Verzamelwet Verkeer en Waterstaat 2010)

Nr. 18 BRIEF VAN DE MINISTER VAN INFRASTRUCTUUR EN MILIEU

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 28 juni 2011

Zoals toegezegd tijdens het debat op 23 juni jl. (Handelingen II 2010/11, nr. 97) over het Verzamelwetsvoorstel Verkeer en Waterstaat 2010, zend ik u hierbij nadere informatie over het reisverbod in het OV.

Het lid Verhoeven (D66) heeft in bovengenoemd debat verzocht om bij algemene maatregel van bestuur (AMvB) regels te stellen over de duur van een reisverbod. De vervoerders kunnen naar mijn mening het beste de duur van een reisverbod per geval beoordelen. Dit is niet mogelijk met een generieke maatregel. Daarnaast acht ik het gewenst om de mogelijkheid van strafrechtelijke sanctionering van overtreding van het reisverbod zo snel mogelijk van kracht te laten worden.

Ik zeg uw Kamer toe dat ik over enkele jaren in overleg met de vervoerders zal bezien wat de ervaringen in de praktijk zijn en of die aanleiding geven om alsnog bij algemene maatregel van bestuur regels te stellen. Ik zal uw Kamer daarover berichten.

In het debat hebben de leden De Jong (PVV) en Koopmans (CDA) gevraagd naar de mogelijkheden van de uitbreiding van het reisverbod naar het hele land. Ik sta hier niet afwijzend tegenover. Van belang is hierbij dat alle vervoerders omvangrijke samenwerkingsafspraken moeten maken. Het gaat daarbij bijvoorbeeld om het erkennen van elkaars bijzondere opsporingsambtenaren en ook privacy-bescherming. Indien het landelijke reisverbod reeds op korte termijn van kracht wordt, betekent dit dat er geen handhavings- en uitvoeringskader ligt. Ik treed in overleg met de vervoerders en decentrale overheden om te bevorderen dat zij dergelijke afspraken maken. Na de zomer zal ik de Tweede Kamer een voorstel toesturen voor een plan van aanpak voor een landelijk reisverbod.

De minister van Infrastructuur en Milieu,

M. H. Schultz van Haegen-Maas Geesteranus