Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2010-201132374 nr. 11

32 374 Wijziging van de Wet houdende wijziging van de Elektriciteitswet 1998 en de Gaswet ter verbetering van de werking van de elektriciteits- en gasmarkt

Nr. 11 BRIEF VAN DE MINISTER VAN ECONOMISCHE ZAKEN, LANDBOUW EN INNOVATIE

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 19 november 2010

In het licht van de recente behandeling van de novelle marktmodel (Kamerstukken 32 374) hecht ik eraan om u hierbij te informeren over de onlangs in de Staatscourant bekendgemaakte ministeriële regeling meettarieven voor elektriciteit en gas.1 Deze regeling bepaalt voor meerdere jaren volgens welke regels de NMa maximum meettarieven dient vast te stellen. Het betreft tarieven die netbeheerders in rekening brengen aan kleinverbruikers voor het meten van elektriciteit en gas en het beschikbaar stellen van een elektriciteits- en gasmeter. Daarmee biedt de regeling tariefbescherming aan kleinverbruikers voor te hoge tarieven.

In 2004 heeft de Tweede Kamer de wens uitgesproken tot regulering van de meettarieven om de consument te beschermen tegen onredelijke tariefstellingen (onder meer Kamerstukken II 2003/2004, 29 372, nr. 23, amendement Crone, Hessels en De Krom). Dit resulteerde in jaarlijkse ministeriële regelingen voor de meettarieven voor elektriciteit in 2008, 2009 en 2010. Middels onderhavige regeling geef ik voor een langere periode duidelijkheid aan netbeheerders en de noodzakelijke bescherming aan consumenten. Daarnaast geldt deze regeling, anders dan voorheen, zowel voor de door netbeheerders te hanteren maximum meettarieven elektriciteit als de meettarieven gas voor kleinverbruikers.

Deze regeling geeft aan dat de meettarieven voor de gehele duur van de regeling per saldo niet meer mogen omvatten dan de dekking van de kosten die toebehoren aan activiteiten binnen het meetdomein van de netbeheerder. De regeling biedt daarnaast zo veel mogelijk ruimte voor stabiliteit van het meettarief. De systematiek van de regeling om dit te waarborgen bestaat uit twee perioden; als in de eerste periode de kosten lager zijn dan het tarief dan wordt het verschil in de tweede periode ingezet om een tariefstijging op dat moment te voorkomen.

De regeling kent samenvattend de volgende karakteristieken, welke uitgebreider beschreven staan in de toelichting van de ministeriële regeling:

  • In de eerste periode van de regeling wordt het tarief voor alle netbeheerders stabiel gehouden op het tarief van de afgelopen jaren, dit is het tarief van 2005 gecorrigeerd voor inflatie.

  • In de tweede periode worden per netbeheerder tarieven vastgesteld op basis van door de NMa gemonitorde kosten in het eervorige jaar. Met het oog hierop monitort de NMa over de gehele looptijd van de regeling per individuele netbeheerder de gerealiseerde kosten die aantoonbaar toebehoren aan de activiteiten binnen het zogenaamde meetdomein.

  • In de tweede periode kan vervolgens de NMa geconstateerde verschillen tussen kosten en opbrengsten van voorgaande jaren verrekenen, om aan het einde van de regeling per saldo op nul uit te komen.

  • De regeling geldt voor zowel elektriciteit als gas. Voor gas is inwerkingtreding echter afhankelijk van de inwerkingtreding van het wetsvoorstel Marktmodel (31 374 Wijziging van de Gaswet en de Elektriciteitswet 1998 ter verbetering van de werking van de elektriciteits- en gasmarkt).

Naar mijn verwachting zullen de meettarieven gemiddeld over de looptijd van de regeling het niveau van «2005+inflatie» niet overstijgen. Dit sluit tevens aan bij het uitgangspunt van de introductie van de op afstand uitleesbare meter dat de meettarieven voor de kleinverbruiker niet zouden hoeven stijgen ten opzichte van het «2005+inflatie»-tarief en zoals dit ook in de toelichting van de novelle marktmodel is aangegeven. De kostenmonitoring die de NMa met het oog op de uitvoering van deze regeling zal verrichten helpt mij om met de NMa meer inzicht te krijgen in de kostenontwikkelingen bij netbeheerders ten gevolge van de uitrol van de op afstand uitleesbare meter, en daarmee bij de besluitvorming over de start van de grootschalige uitrol.

De minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie,

M. J. M. Verhagen


XNoot
1

Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer.