Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2010-201132373 nr. 8

32 373 Wijziging van de Wet implementatie EG-richtlijnen energie-efficiëntie

Nr. 8 AMENDEMENT VAN HET LID JANSEN

Ontvangen 2 november 2010

De ondergetekende stelt het volgende amendement voor:

Artikel I, onderdeel A, komt te luiden:

A

Artikel 3 komt te luiden:

Artikel 3

  • 1. Indien bij de toepassing van artikel 2, eerste lid, door de beheerder aan een eindafnemer een meetinrichting ter beschikking wordt gesteld die op afstand uitleesbaar is, leest de beheerder meetgegevens van de eindafnemer niet op afstand uit indien de eindafnemer hierom verzoekt.

  • 2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld omtrent de beveiliging, verwerking en verstrekking van gegevens die op afstand kunnen worden uitgelezen bij beschikbaarstelling aan eindafnemers van een op afstand uitleesbare meetinrichting.

  • 3. Het ontwerp van een krachtens het tweede lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt aan de beide kamers der Staten-Generaal overgelegd. De voordracht voor de vast te stellen algemene maatregel van bestuur kan worden gedaan nadat vier weken na de overlegging zijn verstreken, tenzij binnen die termijn door of namens een der kamers of door ten minste een vijfde van het grondwettelijk aantal leden van een der kamers de wens te kennen worden gegeven dat het onderwerp van de algemene maatregel van bestuur bij wet wordt geregeld. In dat geval wordt een daartoe strekkend voorstel van wet zo spoedig mogelijk ingediend.

Toelichting

Dit amendement strekt ertoe te regelen dat voor «slimme» warmte- en koudemeters dezelfde privacy- en security-eisen gaan gelden als voor «slimme» gas- en elektriciteitsmeters. Naar het oordeel van de indiener is het logisch voor alle slimme meters een vergelijkbaar privacy- en security-regime in te voeren.

Doordat de eigendomsverhoudingen bij warmte- en koudenetten anders zijn dan bij elektriciteits- en gasnetten (er is geen sprake van een verplichte ontbundeling van netbeheerder en productie- en leveringsbedrijf), is de vormgeving van de wettelijke eisen anders dan bij gas- en elektriciteitsmeters. Hierbij wordt in het amendement in het eerste lid van het nieuwe artikel 3 de verplichting opgenomen dat een beheerder geen meetgegevens van een slimme meter afleest indien de afnemer hierom verzoekt; dit naar analogie van het in het wetsvoorstel «Wijziging van de Wet houdende wijziging van de Elektriciteitswet 1998 en de Gaswet ter verbetering van de werking van de elektriciteits- en gasmarkt» (Kamerstukken II 2009/10, 32 374, nrs. 2 e.v.) opgenomen artikel 26ac, tweede lid, van de Elektriciteitswet 1998.

Verder wordt in het tweede lid van artikel 3 voorzien in een delegatiegrondslag voor het opstellen van nadere regels omtrent de beveiliging, verwerking en verstrekking van gegevens voor «slimme» warmte- of koudemeters. Hierdoor kunnen verdere vereisten, zoveel mogelijk naar analogie van die bij «slimme» gas- en elektriciteitsmeters, bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden vormgegeven. Hierbij vormt de in het derde lid opgenomen «zware» voorhangbepaling een sterk middel voor de Staten-Generaal om – indien nodig – nadere invloed uit te oefenen op de desbetreffende algemene maatregel van bestuur.

Jansen