Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2009-201032360-XV nr. 1

32 360 XV
Jaarverslag en slotwet Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid 2009

nr. 1
JAARVERSLAG VAN HET MINISTERIE VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID (XV)

Aangeboden 19 mei 2010

Gerealiseerde uitgaven 2009 (€ 26 900,6 mln) naar artikel (bedragen x € 1 mln)

kst-32360-XV-1-1.gif

Gerealiseerde ontvangsten 2009 (€ 913,4 mln) naar artikel (bedragen x € 1 mln)

kst-32360-XV-1-2.gif

Gerealiseerde premieuitgaven 2009 (€ 48,1 mld) naar regeling (bedragen x € 1 mld)

kst-32360-XV-1-3.gif

INHOUDSOPGAVE

A. Algemeen 7
1. Aanbieding van het jaarverslag en verzoek tot déchargeverlening 7
2. Leeswijzer 11
     
B. Beleidsverslag 13
3. Beleidsprioriteiten 13
4. Beleidsartikelen 28
  Artikel 41 Inkomensbeleid 28
  Cluster Arbeidsmarkt 33
  Artikel 42 Arbeidsparticipatie 33
  Artikel 43 Arbeidsverhoudingen 42
  Artikel 44 Gezond en Veilig Werken 53
  Artikel 45 Pensioenbeleid 59
  Cluster Activerende sociale zekerheid 66
  Artikel 46 Inkomensbescherming met activering 66
  Artikel 47 Aan het werk: bemiddeling en re-integratie 86
  Artikel 48 Sociale werkvoorziening 99
  Cluster Overige sociale zekerheid 103
  Artikel 49 Overige inkomensbescherming 103
  Artikel 50 Tegemoetkoming specifieke kosten 110
  Artikel 51 Rijksbijdragen aan sociale fondsen 114
5. Niet-beleidsartikelen 117
  Artikel 97 Aflopende regelingen 117
  Artikel 98 Algemeen 119
  Artikel 99 Nominaal en onvoorzien 127
6. Bedrijfsvoeringsparagraaf 129
     
C. Jaarrekening 132
7. Verantwoordingsstaat 132
8. Saldibalans 133
9. Topinkomens 141
10. Baten-lastendiensten 143
     
D. Bijlagen 159
Bijlage 1: Toezichtsrelaties 159
Bijlage 2: ZBO’s en RWT’s 166
Bijlage 3: Inhuur Externen 171
Bijlage 4: Subsidies 172
Bijlage 5: SZA-kader en sociale fondsen 174
Bijlage 6: Afkortingen 181
Bijlage 7: Trefwoordenregister 184

ONDERDEEL A. ALGEMEEN

1. AANBIEDING EN DECHARGEVERLENING

Aan de voorzitters van de Eerste en de Tweede Kamer van de Staten-Generaal.

Hierbij bied ik het departementale jaarverslag van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid over het jaar 2009 aan.

Onder verwijzing naar de artikelen 63 en 64 van de Comptabiliteitswet 2001 verzoek ik de beide Kamers van de Staten-Generaal de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid decharge te verlenen over het in het jaar 2009 gevoerde financiële beheer.

Ten behoeve van de oordeelsvorming van de Staten-Generaal over dit verzoek tot dechargeverlening is door de Algemene Rekenkamer als externe controleur op grond van artikel 82 van de Comptabiliteitswet 2001 een rapport opgesteld. Dit rapport wordt separaat door de Algemene Rekenkamer aan de Staten-Generaal aangeboden. Het rapport bevat de bevindingen en het oordeel van de Rekenkamer met betrekking tot:

a. het gevoerde financieel beheer en materieel beheer;

b. de ten behoeve van dat beheer bijgehouden administraties;

c. de financiële informatie in het jaarverslag;

d. de betrokken saldibalans;

e. de totstandkoming van de informatie over het gevoerde beleid en de bedrijfsvoering;

f. de in het jaarverslag opgenomen informatie over het gevoerde beleid en de bedrijfsvoering.

Bij het besluit tot dechargeverlening dienen verder de volgende, wettelijk voorgeschreven, stukken te worden betrokken:

a. het Financieel jaarverslag van het Rijk over 2009;

b. het voorstel van de slotwet over het jaar 2009 die met het onderhavige jaarverslag samenhangt;

c. het rapport van de Algemene Rekenkamer over het jaar 2009 met betrekking tot het onderzoek van de centrale administratie van ’s Rijks schatkist en van het Financieel jaarverslag van het Rijk;

d. de verklaring van goedkeuring van de Algemene Rekenkamer met betrekking tot de in het Financieel jaarverslag van het Rijk over 2009 opgenomen rekening van uitgaven en ontvangsten van het Rijk over 2009, alsmede met betrekking tot de Saldibalans van het Rijk over 2009 (de verklaring van goedkeuring, bedoeld in artikel 83, derde lid, van de Comptabiliteitswet 2001).

Het besluit tot dechargeverlening kan niet worden genomen, voordat de betrokken slotwet is aangenomen en voordat de verklaring van goedkeuring van de Algemene Rekenkamer is ontvangen.

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

J. P. H. Donner

Dechargeverlening door de Tweede Kamer

Onder verwijzing naar artikel 64 van de Comptabiliteitswet 2001 verklaart de voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal dat de Tweede Kamer aan het hiervoor gedane verzoek tot dechargeverlening tegemoet is gekomen door een daartoe strekkend besluit, genomen in de vergadering van

De Voorzitter van Tweede Kamer,

Handtekening:

Datum:

Op grond van artikel 64, tweede lid, van de Comptabiliteitswet 2001 wordt dit originele exemplaar van het onderhavige jaarverslag, na ondertekening van de hierboven opgenomen verklaring, ter behandeling doorgezonden aan de voorzitter van de Eerste Kamer.

Dechargeverlening door de Eerste Kamer

Onder verwijzing naar artikel 64 van de Comptabiliteitswet 2001 verklaart de voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal dat de Eerste Kamer aan het hiervoor gedane verzoek tot dechargeverlening tegemoet is gekomen door een daartoe strekkend besluit, genomen in de vergadering van

De Voorzitter van de Eerste Kamer,

Handtekening:

Datum:

Op grond van artikel 64, derde lid, van de Comptabiliteitswet 2001 wordt dit originele exemplaar van het onderhavige jaarverslag, na ondertekening van de hierboven opgenomen verklaring, doorgezonden aan de Minister van Financiën.

2. LEESWIJZER

2.1 Opbouw jaarverslag

Het jaarverslag van SZW bestaat uit vier onderdelen: Algemeen, Beleidsverslag, Jaarrekening en Bijlagen.

Het onderdeel Algemeen omvat het verzoek tot dechargeverlening en deze leeswijzer.

Het beleidsverslag is opgebouwd uit vier onderdelen:

1. In de paragraaf beleidsprioriteiten wordt de voortgang gemeld in de uitvoering van de beleidsprioriteiten uit het Coalitieakkoord van het kabinet. Met het lezen van deze paragraaf kan worden volstaan als de lezer snel een beeld van de prestaties van SZW in 2009 wil hebben.

2. De beleidsartikelen verantwoorden meer in detail in hoeverre de doelstellingen van SZW zijn behaald. Tevens is hier de financiële toelichting te vinden op opmerkelijke verschillen tussen realisatie en begroting.

3. De niet-beleidsartikelen verantwoorden de financiële afwikkeling van afgesloten regelingen, de apparaatsuitgaven die niet aan de beleidsartikelen zijn toe te rekenen, onvoorziene uitgaven en loon- en prijsbijstellingen.

4. De bedrijfsvoeringsparagraaf geeft informatie over de bedrijfsvoering.

De jaarrekening is opgebouwd uit de verantwoordingsstaat van het ministerie van SZW, de saldibalans, de bij deze onderdelen behorende financiële toelichtingen en het onderdeel topinkomens. Als laatste bevat de jaarrekening de paragraaf inzake baten-lastendiensten van het Agentschap SZW en de Inspectie Werk en Inkomen (IWI).

Tot slot bevat het jaarverslag 7 bijlagen, te weten de bijlagen Toezichtrelaties en toezichthouders in het kader van de pensioenwet, Zelfstandige bestuursorganen en rechtpersonen met een wettelijke taak, Inhuur externen, Subsidies, SZW-kader en sociale fondsen, Lijst met afkortingen en Trefwoordenregister.

2.2 Specifieke aandachtspunten

Accountantsverklaring, accountantscontrole

De financiële informatie is opgenomen in de jaarrekening en valt onder de reikwijdte van de accountantsverklaring. Dit geldt ook voor de financiële toelichting bij de budgettaire tabellen die in het beleidsverslag staan.

De niet-financiële informatie valt niet onder de reikwijdte van de accountantsverklaring, maar is wel onderdeel van de accountantscontrole.

De premiegefinancierde sociale zekerheidsuitgaven vallen evenmin onder de reikwijdte van de accountantsverklaring maar vallen wel onder de accountantscontrole. De ZBO’s leggen verantwoording af over de rechtmatigheid van de premiegefinancierde sociale zekerheidsuitgaven. Over de rechtmatigheid van die uitgaven wordt gerapporteerd in bijlage 2 (ZBO’s en RWT’s) van het jaarverslag.

ESF-middelen

De programma-uitgaven voor ESF en EQUAL afkomstig van de Europese Commissie lopen buiten begrotingsverband en zijn dus niet in de verantwoordingsstaat terug te vinden. De Tweede Kamer wordt geïnformeerd over de voortgang van de uitvoering van het ESF-programma via jaarlijkse voortgangsrapportages.

Gegevens oude jaren

In de jaarverantwoording worden ook gegevens gepresenteerd over oude jaren. Hierbij wordt uitgegaan van de meest recente informatie. Dit betekent dat deze gegevens kunnen afwijken van gegevens die in vorige jaarverantwoordingen werden gepresenteerd.

Groeiparagraaf

In de begroting 2010 zijn bij de artikelen 46 en 49 nieuwe kengetallen opgenomen met de resultaten van de nulmetingen van de nalevingniveaus 2008. Vanwege de continuïteit in de informatievoorziening is ervoor gekozen om deze kengetallen in het jaarverslag 2009 op te nemen, aangevuld met de realisatiecijfers 2009. Deze komen in plaats van de oude indicatoren, waarvoor geen realisatiecijfers gepresenteerd kunnen worden.

De paragraaf Beleidsprioriteiten is aangevuld met informatie over de financiële en budgettaire consequenties van de beleidsmaatregelen die genomen zijn teneinde de beleidsprioriteiten te realiseren. De bedragen in deze tabellen illustreren het financiëel belang van een kabinetsdoel. De begroting is ingericht op beleidsartikelen en niet op kabinetsdoelen. Deze bedragen zijn daarom indicatief en niet 1 op 1 uit de departementale administratie te herleiden. Het is in dit overzicht mogelijk dat een bedrag ten goede komt aan meerdere doelstellingen en dus meerdere keren wordt genoemd.

Wijzigingen ten opzichte van de begroting 2009 en jaarverslag 2008

• Afgesloten regelingen: de posten Agenda voor de toekomst, Regeling schoonmaakdiensten particulieren (Rsp), Cofinanciering Equal en praktijkscholing zijn verplaatst van artikel 47 «Re-integratie» naar artikel 97 «Afgesloten regelingen».

• Bijlagen: de bijlagen «Toezichtrelaties» en «Toezichthouders in het kader van de Pensioenwet» uit het jaarverslag 2008 zijn samengevoegd tot één bijlage «Toezichtrelaties».

• Het artikel 44 «Arbeidsomstandigheden en verzuim» (begroting 2009) is hernoemd tot «Gezond en veilig werken».

ONDERDEEL B. BELEIDSVERSLAG

3. BELEIDSPRIORITEITEN

3.1 Inleiding

Beleidsmaatregelen tijdens de recessie

In het jaarverslag over 2008 constateerde het kabinet het einde van een periode met hoogconjunctuur. Het kabinet concludeerde dat het beleid voor 2009 vooral gericht moest zijn op het voorkomen van een negatieve spiraal en op het zo krachtig mogelijk uit de recessie komen.

In het voorjaar van 2009 nam het kabinet in het aanvullend beleidsakkoord maatregelen om werkgevers en werknemers in staat te stellen de recessie zo goed mogelijk op te vangen. Niet door op de rem te trappen, maar door te investeren. Belangrijke beslissingen waren het ingrijpen in de financiële markten, de oplopende uitgaven voor werkloosheid niet vertalen in ombuigingen en het voorkomen van overreacties op de arbeidsmarkt door deeltijd-WW. Daarnaast is de mobiliteit van werknemers verhoogd door het inrichten van een landelijk dekkend netwerk van mobiliteitscentra en een subsidieregeling voor omscholing. Tot slot werden afspraken gemaakt over loonmatiging, omdat onze internationale concurrentiepositie gebaat is bij een beperkte stijging van de loonkosten.

In de loop van 2009 bleek dat het aanvankelijk zeer negatieve scenario niet geheel werkelijkheid werd. De economie ontwikkelde zich mede dankzij gecoördineerd ingrijpen minder negatief dan aanvankelijk werd verwacht op basis van de ontwikkeling van het Bruto Binnenlands Product (BBP). In het derde kwartaal van 2009 was het dieptepunt van de recessie gepasseerd en werd een – zij het broos – herstel ingezet.

Vanuit macro-economische invalshoek viel de recessie dan misschien mee, dat geldt natuurlijk niet voor de mensen die hun baan hebben verloren, voor de bedrijven die failliet zijn gegaan en voor de zelfstandigen die moeten interen op hun reserves. Zo liep de werkloosheid op van minder dan 4% begin 2009 naar bijna 5% ultimo 2009. Gelukkig kent Nederland een stelsel van inkomensondersteunende regelingen om een periode waarin er onvoldoende inkomen is, op te vangen. Tegelijkertijd is het belangrijk om dan niet bij de pakken neer te zitten, maar om zo snel mogelijk nieuwe initiatieven tot (arbeids)participatie te nemen. Immers, hoe langer de periode van werkloosheid, hoe lager de kans op werkhervatting.

UWV en gemeenten kunnen vaak een helpende hand bieden bij het wegnemen van mogelijke belemmeringen om weer te gaan werken. Deze hulp kan liggen op het gebied van bemiddeling, maar ook bij re-integratie, (om)scholing en/of problematische schulden. UWV en gemeenten werken steeds beter samen om belemmeringen vroegtijdig te onderkennen en te bestrijden met behulp van re-integratie, inburgering, scholing of schuldsanering. De mobiliteitscentra hielpen alleen al in 2009 meer dan 100 000 mensen binnen 3 maanden aan een andere baan.

Gevolgen voor de kabinetsdoelstellingen

Het jaar 2009 was het jaar waarin het beleid van het kabinet heeft bijgedragen om de onontkoombare recessie als gevolg van de kredietcrisis te mitigeren. Uiteraard liepen de kabinetsdoelstellingen rond de arbeidsparticipatie door de recessie klappen op. Eind 2008 lagen de streefwaarden nog op koers, inmiddels is duidelijk dat er in 2009 een stap terug is gezet. Dat neemt niet weg dat het belang van de kabinetsdoelstellingen voor een sterke economie onverminderd groot is. Tijdens de herstelfase, maar ook op langere termijn is een toename van de arbeidsparticipatie, een afname van het aantal uitkeringsgerechtigden en het terugdringen van armoede en problematische schulden van groot belang voor een betaalbare sociale zekerheid en gezonde overheidsfinanciën.

Bij de start van dit kabinet in 2008 zijn de doelstellingen vormgegeven en de streefwaarden bepaald. De recessie laat zien dat de streefwaarden niet «vanzelf» worden gehaald, maar dat de realisatie afhankelijk is van externe factoren. De recessie accentueert eveneens het belang van stevige beleidsmaatregelen om de doelstellingen te ondersteunen. Gezien het belang van de doelstellingen handhaaft het kabinet de oorspronkelijk vastgestelde streefwaarden en beoordeelt het kabinet de realisaties en de benodigde vervolgstappen in het licht van de recessie. Niet om weg te lopen voor de verantwoordelijkheid, maar met realiteitszin en de wil om alles in het werk te stellen de kabinetsdoelen te realiseren. In paragraaf 3.3 wordt nader op de individuele kabinetsdoelstellingen ingegaan.

Financiële consequenties

De eerder genoemde investeringen, die tot doel hadden om de economische schade als gevolg van de recessie te beperken, hebben wel een keerzijde. De overheidsfinanciën zijn sterk verslechterd. Het EMU-tekort is opgelopen en de staatsschuld neemt toe. De schulden moeten op termijn, als het beter gaat met de economie, worden terugbetaald. Als het kabinet niet tijdig en rigoureus ingrijpt, komt de rekening bij toekomstige generaties terecht. Omdat het kabinet deze verantwoordelijkheid niet uit de weg wil gaan, zijn er in 2009 19 heroverwegingswerkgroepen in het leven geroepen. Op het terrein van SZW zijn met name de werkgroepen «Op afstand van de arbeidsmarkt» en «Werkloosheid» van belang.

Nu de economie voorzichtig uit het dal klimt, biedt zich een nieuwe uitdaging aan; het op orde krijgen van de overheidsfinanciën. Ook dat zal pijn doen. Maar deze pijn kan over vele schouders en een langere periode worden uitgesmeerd. Dat is minder schadelijk voor de economie dan de vrije val waartoe de recessie ook had kunnen uitgroeien.

3.2 De economische situatie in 2009

Forse krimp economie in eerste helft 2009....

In het laatste kwartaal van 2008 bleek de wereldhandel onverwacht sterk te krimpen. De Nederlandse export daalde in drie maanden tijd met meer dan 20%. De krimpende export was er mede de oorzaak van dat het BBP in het laatste kwartaal van 2008 en eerste kwartaal van 2009 met 0,7% en 4,5% afnam ten opzichte van deze dezelfde periode een jaar eerder (zie figuur 3.1). Het consumenten- en producentenvertrouwen verminderde fors door de stroom van negatieve berichten en de daarbij horende grote onzekerheid. Mede hierdoor daalden in het eerste kwartaal van 2009 naast de export ook de investeringen en consumptie. Deze krimp zette verder door in het tweede kwartaal. Het BBP kromp in het tweede kwartaal zelfs met 5,4% in vergelijking met het jaar ervoor.

De economische krimp in het begin van 2009 was veel sterker dan het beeld dat door het CPB in de MEV 2009 was gepubliceerd. Deze ramingen werden dan ook fors neerwaarts bijgesteld in zowel de CEP 2009 als de MEV 2010. Uiteindelijk werd de raming voor 2009 bijgesteld van 1¼% economische groei in de MEV 2009 naar 4¾% krimp in de MEV 2010.

.... waarna de economie stabiliseerde...

Na de zware klappen in de eerste helft van 2009 stabiliseerde de economie op een verlaagd niveau. De krimp van het BBP is in het derde kwartaal minder groot dan in het tweede kwartaal, namelijk 3,7%. In vergelijking met het tweede kwartaal was er zelfs sprake van enige groei. Het BBP nam volgens voorlopige cijfers van het CBS met 0,5% toe. Deze lichte groei kwam voornamelijk voort uit een herstel van de export en groei van de overheidsconsumptie. Ondanks een opwaartse trend in zowel het producenten- en consumentenvertrouwen bleven de investeringen en private consumptie echter ook in het derde kwartaal verder krimpen. Het CBS rapporteert over het vierde kwartaal een krimp van 2,2%. In de CEP 2010 geeft het CPB aan dat de economie over heel 2009 met 4% is gekrompen. De stabilisatie van de economie leverde een opwaartse bijstelling van de ramingen op.

Figuur 3.1: Economische groei (Bruto Binnenlands Product)

kst-32360-XV-1-4.gif

Bron: CBS en CPB

...bij een relatief geringe daling van de werkgelegenheid...

Nederland ging de crisis in met een lage werkloosheid. De werkloosheid was begin 2009 met 4% ongeveer op evenwichtsniveau. De werkloosheid is sindsdien gestegen naar 5,5% eind 2009. De werkloosheid is hiermee met ongeveer anderhalf procentpunt gestegen in 12 maanden tijd (het gemiddelde van 2009 ligt overigens maar 1%-punt hoger dan 2008). Deze stijging is vrij beperkt in vergelijking met de terugval van de economie. Ook in vergelijking met de ons omringende landen is de oploop van de werkloosheid beperkt.

De werkgelegenheid daalde van 6 035 000 arbeidsjaren in het derde kwartaal 2008 naar 5 931 000 arbeidsjaren een jaar later. Veel van de in 2008 openstaande vacatures zijn niet ingevuld. In het derde kwartaal van 2008 stonden volgens het CBS 247 000 vacatures open terwijl een jaar later nog maar 129 700 open vacatures werden geteld. Er lijkt sprake te zijn van labor hoarding (het proces waarbij werkgevers vasthouden aan werknemers die feitelijk tijdelijk overbodig zijn). Redenen om mensen vast te houden zijn de krappe arbeidsmarkt van voor de crisis, de aankomende vergrijzing en het feit dat vasthouden van werknemers door beleid (zoals deeltijd-WW) gefaciliteerd is. Deze werknemers kunnen bij het herstel van de economie snel weer volledig worden ingezet waardoor zoekkosten worden voorkomen.

... en een stijging van de koopkracht ...

In de aanloop naar de crisis in 2008 nam de inflatie snel toe. Deze inflatie werd aangejaagd door de snelle prijsstijging van grondstoffen. Bij het uitbreken van de crisis daalde de prijs van grondstoffen echter ook weer snel. De crisis leidde – door intensivering van de concurrentie tussen bedrijven – verder tot dalende producentenprijzen. Door beide factoren nam de inflatie in 2009 snel af naar 1,2%, wat veel lager is dan de in de MEV 2009 voorspelde 3¼%. Bij het vastleggen van de loonstijgingen voor 2009 is echter veelal rekening gehouden met de verwachte inflatie, waardoor de gemiddelde CAO-lonen in 2009 nog met 3% zijn gestegen. Dat de CAO-lonen harder zijn gestegen dan de inflatie heeft een positief effect op de koopkracht. De uiteindelijke koopkracht (mediaan van alle huishoudens) komt in 2009 uit op 1,6%, wat veel positiever is dan de eerdere raming van ½% in de MEV 2009.

Figuur 3.2: Ontwikkeling werkloosheid en koopkracht

kst-32360-XV-1-5.gif

Bron: CBS en CPB

In tabel 3.1 zijn voor de meest relevante kerngegevens de prognoses van de begroting (MEV 2009) vergeleken met de uiteindelijke realisatie (CEP 2010).

Tabel 3.2.1 Kerngegevens 2009: verwachting versus realisatie
  MEV 2009 CEP 2010
Economische groei (BBP, %) – 4
Particuliere consumptie (%) 1 – 2,4
Investeringen in vaste activa (%) – 2¾ – 17,5
Uitvoer van goederen en diensten (%) – 9,6
Contractloon marktsector (%) 2,8
Consumentenprijsindex (%) 1,2
Koopkracht, mediaan alle huishoudens (%) ½ 1,6
Werkgelegenheid in arbeidsjaren (%) 0 – 1,4
Werkloosheid (% van de beroepsbevolking) 4,9
Werkloosheid (in dzd personen) 335 379
Arbeidsproductiviteitmarktsector (%) – 2,4
EMU-saldo (% BBP) 1,3 – 4,9

3.3 Beleidsprioriteiten

Doelstelling 33: verhogen arbeidsparticipatie tot 80% in 2016

De Commissie Arbeidsparticipatie schetste in haar rapport «Naar een toekomst die werkt« een beeld van een dreigend structureel tekort aan arbeidskrachten. Een dergelijk tekort zou de welvaart en de betaalbaarheid van de verzorgingsstaat ondermijnen en de benodigde menskracht voor onze publieke voorzieningen in gevaar brengen.

Het kabinet is zich ervan bewust dat er, ongeacht de stand van de conjunctuur, maatregelen moeten worden genomen om de verzorgingsstaat op termijn te handhaven. Het verhogen van de arbeidsparticipatie verbreedt het draagvlak voor onze samenleving en daarmee de houdbaarheid van de verzorgingsstaat.

Het kabinetsbeleid is gericht op het investeren in de toekomst, op het versterken van de arbeidsmobiliteit, de brede inzetbaarheid van werknemers en op het behoud en herstelvermogen van het bedrijfsleven. Met werktijdverkorting en vervolgens deeltijd-WW werd aan bedrijven met een acuut en groot omzetverlies enige adempauze gegeven. In 2009 is er voor bijna 40 000 werknemers deeltijd-WW aangevraagd. Belangrijke beleidsmaatregelen ten behoeve van de brede inzetbaarheid van werknemers hebben betrekking op scholing (subsidieregeling omscholing, scholing als onderdeel van deeltijd-WW, terugdringen aantal vroegtijdige schoolverlaters). In het schooljaar 2008/2009 is het percentage vroegtijdige schoolverlaters bijna 10% lager dan het schooljaar 2007/2008. Mobiliteitscentra hebben in 2009 bijna 100 000 mensen binnen 3 maanden naar ander werk geholpen. De flexibiliteit van de arbeidsmarkt is vergroot doordat werkgevers mogen afwijken van het afspiegelingsbeginsel bij ontslag en door de mogelijkheid om vaker en langer tijdelijke arbeidscontracten af te sluiten. Kabinetsbreed wordt het herstelvermogen van het bedrijfsleven versterkt door het naar voren halen van investeringen en de fiscale faciliteit voor innovatie.

Box 3.1 doelstelling 33: Het kabinet wil een substantiële verhoging van de arbeidsparticipatie. Van 70% nu moet deze toegroeien naar 80% in 2016. In deze kabinetsperiode zal een belangrijke stap in die richting worden gezet.

Indicator: Stijging van de bruto participatiegraad naar 80% in 2016.

De participatiegraad wordt gemeten door de werkenden en de werkzoekenden naar banen van meer dan 12 uur in de leeftijd van 20 tot en met 64 jaar (gemeten in personen) af te zetten tegen de desbetreffende bevolkingsgroep. De cijfers voor 2007, 2008 en 2009 zijn realisaties uit het Centraal Economisch Plan (CEP) 2010 van het CPB.

NB: De maatregelen en realisaties op het gebied van de arbeidsparticipatie (doelstellingen 33 en 34) liggen gedeeltelijk in elkaars verlengde. De maatregelen zoals genoemd onder artikel 33 hebben tevens een positief effect op artikel 34 en andersom.

2007 Participatiegraad 74% (Stand Coalitieakkoord)  
2008 Participatiegraad 76% (realisatie)  
  • Convenant Rijk-VNG (100 000 banen) Artikel 47
  • Beleidsondersteunende maatregelen:  
  – Actieteam 45+ Artikel 42
  – Installatie en werkplan Taskforce Deeltijd+ Artikel 42
  – Stimuleren totstandkoming regionaal arbeidsmarktbeleid Artikel 47
  – Stimuleren leerwerkbanen in regio’s en sectoren Artikel 47
  – Zwangerschapsregeling zelfstandigen Artikel 43
  – Gefaseerd afbouwen overdraagbaarheid algemene heffingskorting Artikel 41
  • Maatregelen vanwege de economische crisis:  
  – Aanpassing regeling werktijdverkorting (wtv) Artikel 43
     
2009 Participatiegraad 76% (realisatie)  
  • Beleidsondersteunende maatregelen:  
  – Premiekorting oudere langdurig werklozen Artikel 47
  – Doorwerkbonus Artikel 42
  – Tijdelijke stimuleringsmiddelen om 90 000 leerwerkbanen te realiseren Artikel 47
  – Inkomensafhankelijke combinatiekorting (IACK) Artikel 41
  – Inkomensafhankelijke verhoging arbeidskorting (IAK) Artikel 41
  • Maatregelen vanwege de economische crisis:  
  – Invoering deeltijd-WW Artikel 46
  – Extra scholing: scholingsbonus, ervaringscertificaat en profiel Artikel 42
  – Structureel maken 40 leerwerkloketten in de regio Artikel 47
  – Uitwerken afspraken met sociale partners over van werk-naar-werk-trajecten en scholing Artikel 47
  – Opzetten van dertig mobiliteitscentra Artikel 47
  – Plan van aanpak Jeugdwerkloosheid Artikel 42

Budgettaire en financiële consequenties

Alle middelen uit artikel 42 «Arbeidsparticipatie» en een deel van de middelen uit de artikelen 46 «Inkomensbescherming met activering» en 47 «Aan het werk: bemiddeling en re-integratie» dragen bij aan het verhogen van de arbeidsparticipatie. Specifiek voor deze doelstelling is het kabinet de volgende extra investeringen overeengekomen.

Tabel 3.3.1 additionele middelen ter bevordering van de arbeidsparticipatie (x € 1 mln)
Jaar 2009
Premiekorting oudere langdurige werklozen (fiscaal) 378
Doorwerkbonus (fiscaal) 265
Leerwerkbanen 0
Deeltijd-WW 63
EVC 0,4
Scholingsbonus 1,2
Leerwerkloketten 1,4
Mobiliteitscentra 8,7
Jeugdwerkloosheid(via Gemeentefonds) 67
Totaal 784,7

De bedragen in deze tabel illustreren het financieel belang van het kabinetsdoel. De begroting is ingericht op beleidsartikelen en niet op kabinetsdoelen. Deze bedragen zijn daarom indicatief en niet 1 op 1 uit de departementale administratie te herleiden. Het is in dit overzicht mogelijk dat een bedrag ten goede komt aan meerdere doelstellingen en dus meerdere keren wordt genoemd.

Conclusie doelstelling 33

Tot en met 2008 lag deze doelstelling op koers (76%). De doelstelling is in 2009 tijdelijk negatief beïnvloed door de gevolgen van de recessie en is stabiel gebleven op 76%. Dit tijdelijke effect ontstaat doordat mensen zich door het afnemend aantal vacatures terugtrekken van de arbeidsmarkt of er voor kiezen langer op school te blijven. De participatiebevorderende beleidsmaatregelen blijven echter onverminderd van kracht. De horizon van doelstelling 33 ligt in 2016. Het is de verwachting dat na de recessie de toename van de participatiegraad zich zal herstellen en daarmee weer op koers komt te liggen.

Doelstelling 34: 200 000 mensen extra aan de slag

Een conjuncturele neergang gaat, met enige vertraging, gepaard met banenverlies en werkloosheid. De inzet van re-integratiebeleid kan dit niet stoppen, hoogstens verzachten. Het terugdringen van het aantal uitkeringsgerechtigden is dan ook de kabinetsdoelstelling die het meest te lijden heeft van de recessie. Het kabinetsbeleid richt zich op het waar mogelijk voorkomen van werkloosheid en op het zo sterk mogelijk uit de recessie tevoorschijn komen.

Een intensieve samenwerking tussen UWV en gemeenten op de werkpleinen, mobiliteitscentra en leerwerkloketten verhoogt de kennis van de regionale arbeidsmarkt en versnelt de mogelijkheid van interventies. De invoering van het participatiebudget draagt bij aan een effectievere inzet van middelen voor integratie, scholing en re-integratie. Verder worden uitkeringsgerechtigden die moeilijk aan een baan kunnen komen, ondersteund met loonkostensubsidies en worden regelingen aangepast zodat het zoeken naar werken wordt ondersteund (via een vraaggerichte werkgeversbenadering) en gaan werken in een reguliere baan bij een reguliere werkgever loont (passende arbeid in de WW, WIJ, Wajong, pilots «werken naar vermogen»).

Box 3.2 doelstelling 34: 200 000 mensen met een grote afstand tot de arbeidsmarkt zullen deze kabinetsperiode extra aan de slag worden geholpen.

Indicator: Het totaal van werkloosheids- arbeidsongeschiktheids en bijstandsuitkeringen in uitkeringsjaren.

De cijfers voor 2007, 2008 en 2009 zijn realisaties uit het Centraal Economisch Plan (CEP) 2010 van het CPB.

NB: De resultaten en maatregelen op het gebied van de arbeidsparticipatie (doelstellingen 33 en 34) liggen gedeeltelijk in elkaars verlengde. De maatregelen zoals genoemd onder artikel 33 hebben tevens een positief effect op artikel 34 en andersom.

     
2007 Realisatie uitkeringsvolume 1 183 000  
2008 Realisatie uitkeringsvolume 1 118 000 (daling van 65 000 tov 2007)  
  • Convenant Rijk-VNG (100 000 banen) Artikel 47
  • Uitbreiding convenant Rijk – VNG extra participatie 10 000 uitkeringsgerechtigden Artikel 47
  • Beleidsondersteunende maatregelen:  
  – Brugbanen gedeeltelijke arbeidsongeschikten Artikel 47
  – Plan van aanpak re-integratie aan Tweede Kamer aangeboden en uitgevoerd Artikel 47
     
2009 Realisatie uitkeringsvolume 1 175 000 (daling van 8 000 tov 2007)  
  • Beleidsondersteunende maatregelen:  
  – Invoering STAP (loonkostensubsidieUWV en participatieplaatsen) Artikel 47
  – Invoering participatiebudget Artikel 47
  – Aanpassing begrip passende arbeid in WW en aanscherping sanctiebeleid Artikel 46
  – Geïntegreerde dienstverlening UWV/Werkbedrijf en gemeenten in regio Artikel 47
  – Invoering Wet Investeren in Jongeren (tot 27 jaar) Artikel 46
  – Verdere uitrol mentaliteitscampagne «Ik kan» Artikel 47
  – Pilots vacaturevervulling in het onderwijs- en de zorgsector Artikel 47
  – Uitwerking maatregelen Commissie-De Vries (Wsw) Artikel 48

Budgettaire en financiële consequenties

Alle middelen uit artikel 47 «Aan het werk: bemiddeling en re-integratie» en een deel van de middelen uit artikel 46 «Inkomensbescherming met activering» zijn gericht op het verminderen van het aantal uitkeringsgerechtigden.

De aanpassing van het begrip passende arbeid en de aanscherping van het sanctiebeleid vergen nagenoeg geen investeringen, maar hebben wel een activerende werking. De netto financiële effecten zijn echter, evenals de netto effectiviteit van re-integratie, moeilijk te kwantificeren. Specifiek voor deze doelstelling is het kabinet de volgende extra investeringen overeengekomen.

Tabel 3.3.2 additionele middelen ter vermindering van het aantal uitkeringsgerechtigden (x € 1 mln)
Jaar Loonkostensubsidies Mentaliteits-campagne «ik kan» Pilot’s werken naar vermogen Totaal
2007        
2008 1     1,0
2009 19 3,5 4 26,5

De bedragen in deze tabel illustreren het financieel belang van het kabinetsdoel. De begroting is ingericht op beleidsartikelen en niet op kabinetsdoelen. Deze bedragen zijn daarom indicatief en niet 1 op 1 uit de departementale administratie te herleiden. Het is in dit overzicht mogelijk dat een bedrag ten goede komt aan meerdere doelstellingen en dus meerdere keren wordt genoemd.

Conclusie doelstelling 34

Doelstelling 34 streeft naar een daling van 200 000 uitkeringen in 2011. Ten opzichte van 2007 is het uitkeringsvolume in 2009 met ongeveer 8 000 gedaald. Ondanks de goede uitgangspositie (relatief lage werkloosheid en inflatie) en de talrijke maatregelen die al zijn genomen, is in het licht van de recessie het vooruitzicht met betrekking tot deze doelstelling niet rooskleurig. Naar verwachting neemt het aantal werklozen de komende periode nog toe, de werkloosheid reageert immers met een vertraging van 6 tot 12 maanden op de conjunctuur. Het kabinetsbeleid kan de door de crisis ontstane werkloosheid niet keren. Het is duidelijk dat de streefwaarde van doelstelling 34 als gevolg van de recessie in deze kabinetsperiode tijdelijk uit het zicht raakt. Juist daarom zet het kabinet onverminderd in op het creëren van een goede uitgangspositie voor deze groep. Samen met sociale partners en uitvoeringsinstellingen is het kabinet in gesprek over de uitwerking van de verschillende plannen, zoals het verbeteren van de inzetbaarheid van werknemers door scholing en het stimuleren van van-werk-naar-werk transities.

Doelstelling 43: meer ruimte voor gemeenten voor gericht armoedebeleid

Armoede is meer dan alleen een laag inkomen, het is vooral een gebrek aan kansen om mee te kunnen doen. Belemmeringen om mee te kunnen doen in de samenleving moeten worden weggenomen. Het aantal huishoudens op of net boven het sociaal minimum zal naar verwachting toenemen onder invloed van de oplopende werkloosheid. Daarom zet het kabinet extra in op de realisatie van de bestuurlijke afspraken die met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) zijn gemaakt.

Het gaat daarbij concreet over afspraken met betrekking tot de participatie van kinderen in arme gezinnen en het bevorderen van het gebruik van inkomensvoorzieningen.

Participatie van kinderen in arme gezinnen

In 2008 zijn met 202 gemeenten convenanten afgesloten, waarin de gezamenlijke politieke ambitie met betrekking tot de deelname van kinderen aan sport en cultuur is vastgelegd. Hierbij is voor 2008 en 2009 € 40 mln per jaar extra aan het Gemeentefonds beschikbaar gesteld.

Het Sociaal Cultureel Planbureau (SCP) heeft een landelijke nulmeting (stand van zaken 2008) uitgevoerd. Hieruit is gebleken dat bij huishoudens onder 120% van het sociaal minimum ongeveer 66 000 kinderen om financiële redenen niet participeren. Bij de vervolgmeting in 2010 (rapportage in 2011) zal blijken of dit aantal daalt.

Het bevorderen van het gebruik van inkomensvoorzieningen

De voornaamste oorzaken voor het niet gebruiken van inkomensvoorzieningen zijn dat burgers de regeling niet kennen, dat ze denken geen recht te hebben op de regeling, dat ze er geen behoefte aan hebben of dat de transactiekosten te hoog worden geschat («Geld op de plank», SCP 2007). Het kabinet heeft verschillende maatregelen genomen om het niet-gebruik terug te dringen:

• Uitrol van de website «Bereken uw recht.nl»;

• Verantwoordelijkheid voor de uitvoering van aanvullende bijstand aan ouderen gaat naar de SVB;

• Voorbereiding beleidsdoorlichting art 49, specifiek het niet gebruik van WWB65+, AOW, TW en Anw;

• Vereenvoudiging van de regelingen langdurigheidstoeslag, Tegemoetkoming Onderwijskosten en Schoolbijdrage, huurtoeslag;

• Geautomatiseerde kwijtscheldingstoets;

• Aanvragen uitkering eenvoudiger met formulierenbrigade;

• Stimulering samenwerking gemeenten en intermediaire organisaties.

In de brief «Maatregelen armoedebestrijding» van 7 december 2009 zijn deze maatregelen verder uitgewerkt (Tweede Kamer, 2009–2010, 24 515, nr. 170).

Box 3.3 doelstelling 43: Meer ruimte voor gemeenten voor gericht armoedebeleid.

Indicator: Het aantal kinderen dat om financiële redenen niet mee kan doen in de maatschappij.

Het SCP heeft in 2008 een nulmeting verricht. Uit huishoudens onder 120% van het sociaal minimum participeren ongeveer 66 000 kinderen om financiële redenen niet. Bij de vervolgmeting in 2010 (rapportage in 2011) zal blijken of dit aantal daalt.

2007 • Deelakkoord Participatie SZW-VNG (bestuursakkoord); hierin zijn maatregelen afgesproken om armoede te bestrijden (en schulden tegen te gaan). Artikel 46OD5
     
2008 • Extra geld kabinet voor armoedebestrijding en schuldhulpverlening naar Gemeentefonds. In de periode 2007 tot en met 2011 gaat het om ruim € 200 mln.• (Daarbovenop) 2 x € 40 miljoen toegevoegd aan Gemeentefonds (2008 en 2009) om participatie van kinderen in arme gezinnen te bevorderen.• Innovatieve projecten gestart voor nieuwe mogelijkheden van gemeentelijk armoedebeleid.• Bestuurlijke (prestatie-)afspraken ruim 200 gemeenten om participatie van kinderen in arme gezinnen te bevorderen.• Handreiking gemeentelijke armoedebeleiduitgebracht. • Doorlichting samenwerking gemeenten en voedselbanken.• € 50 miljoen toegevoegd aan Gemeentefonds voor eenmalige eindejaarsuitkering voor minima van € 50.• Inwerkingtreding Wetsvoorstel dereguleren langdurigheidstoeslag en uitbreiden mogelijkheden gerichte ondersteuning gezinnen met schoolgaande kinderen per 1 januari 2009.• In het kader van de Open Coördinatie Methode is het Nationaal Actieplan Armoedebestrijding en Participatiebevordering 2008 (NAP 2008, onderdeel van de Nationaal Strategische Rapportage sociale bescherming en insluiting), opgesteld. Artikel 46OD5
     
2009 • Juridisch en praktisch mogelijk maken bestandskoppeling in het kader van niet-gebruik van voorzieningen.• Analyse van de achtergronden en omvang van armoede onder werkenden.• Ondersteunen van gemeenten bij het tegengaan van niet-gebruik en vormgeven van integraal armoedebeleid (in het kader van het Europese jaar van de armoede 2010, met actieteam armoede en schulden).• Langdurigheidstoeslaggedecentraliseerd. Artikel 46OD5

Budgettaire en financiële consequenties

Gemeenten bepalen zelf het budget voor lokaal beleid voor armoedebestrijding en schuldhulpverlening. Middelen voor bijstand (inclusief bijzondere bijstand en de langdurigheidstoeslag) zijn middelen die bijvoorbeeld gerekend kunnen worden tot middelen voor armoedebestrijding. Het budget voor armoedebeleid is dus niet geoormerkt.

Daarnaast heeft de regering deze kabinetsperiode extra middelen voor armoedebestrijding beschikbaar gesteld via het Gemeentefonds. Deze zijn geoormerkt via de gerichte afspraken in het Bestuursakkoord, deelakkoord Participatie van 2007. De verdeling van de gelden voor armoedebestrijding en schuldhulpverlening over deze kabinetsperiode ziet er als volgt uit:

Tabel 3.3.3 additionele middelen armoedebestrijding en schuldhulpverlening (x € 1 mln)
Jaar Coalitieakkoord Armoede en schulden Schuldhulp-verlening Armoede kinderen 50 euro extra voor minima Totaal
2007 0 31,75     31,75
2008 5 20,28 40 50 115,28
2009 10 16,52 40   66,52

De bedragen in deze tabel illustreren het financieel belang van de kabinetsdoelen 43 (armoede) en 44 (schuldhulpverlening). De begroting is ingericht op beleidsartikelen en niet op kabinetsdoelen. Deze bedragen zijn daarom indicatief en niet 1 op 1 uit de departementale administratie te herleiden. Het is in dit overzicht mogelijk dat een bedrag ten goede komt aan meerdere doelstellingen en dus meerdere keren wordt genoemd.

Conclusie doelstelling 43

De maatregelen die moeten leiden tot realisatie van de doelstelling (halvering van het aantal kinderen dat om financiële redenen niet mee kan doen in de maatschappij) zijn genomen. De doelstelling ligt procesmatig op koers. Aan de hand van actuele inzichten (monitor bestuursakkoord, gestarte of te starten onderzoeken, gestarte of te starten innovatieve projecten) zal de komende jaren de voortgang en eventuele noodzaak van nieuwe maatregelen worden bezien. Dit is een continu proces.

Doelstelling 44: het tot een minimum beperken van de wachtlijsten voor schuldhulpverlening in 2011

Een problematische schuld is een belangrijke belemmerende factor voor (volwaardige) participatie. Daarom heeft het kabinet de ambitie om problematische schulden zoveel mogelijk te voorkomen dan wel op te lossen. Het beperken van de wachttijden voor schuldhulpverlening is hierbij een cruciale randvoorwaarde.

In het wetsvoorstel gemeentelijke schuldhulpverlening dat de regering bij de Tweede Kamer heeft ingediend (Kamerstukken II, vergaderjaar 09/10, 32 291, nr. 1), is opgenomen dat de wachttijd maximaal 4 weken mag bedragen. Ingeval van bedreigende schulden (huisuitzetting, afsluiten van gas, water, licht en beëindiging van de zorgverzekering) is de wachttijd maximaal 3 werkdagen. Met de extra middelen die in verband met de economische crisis voor de schuldhulpverlening beschikbaar komen, kunnen gemeenten een beperking van de wachttijden, zonder dat dit tot langere doorlooptijd leidt, realiseren. Het is primair aan de gemeenteraad hierop toe te zien.

Een recent afgeronde nulmeting (maart 2010) laat zien dat de wachttijd in de schuldhulpverlening in januari 2010 gemiddeld 32 dagen was. In het najaar 2010 en 2011 wordt de Tweede Kamer geïnformeerd over de dan geldende wachttijden.

Op basis van het onderzoek «Schulden? De gemeente helpt!» heeft het kabinet besloten om de zorgplicht van gemeenten op het terrein van de schuldhulpverlening een wettelijke basis te geven. Er wordt daarbij onder meer aandacht besteed aan integraliteit van de schuldhulpverlening, preventie, nazorg en kwaliteit. Er is in dit kader overlap met doelstelling 43 over armoedebeleid.

Daarnaast besteden de gemeenten aandacht aan de uitwerking van:

• het amendement van het lid Spekman c.s. (Tweede Kamer, 2008–2009, 31 700 XV, nr. 33), waarmee € 4 mln is vrijgemaakt voor pilots waarin buurtdiensten, hulpverleners en gemeenten op adequate en efficiënte wijze hulp kunnen bieden aan personen die problematische schulden hebben of dreigen te krijgen. Aan 15 gemeenten met een aandachtswijk zijn middelen toegekend ten behoeve van pilots voor nieuwe initiatieven in de wijken waarbij wordt geïnvesteerd in de samenwerking tussen vrijwilligers en professionele hulporganisaties. Er wordt een extern bureau ingeschakeld dat de maatregelen zal monitoren en die het overdragen van succesfactoren aan andere wijken of gemeenten zal ondersteunen.

• de motie van het lid Ortega (Tweede Kamer, 2009–2010, 24 515, nr. 166), ter verbetering van de samenwerking tussen vrijwilligers en professionele organisaties die zich met schuldhulpverlening bezig houden.

Box 3.4 doelstelling 44: Het tot een minimum beperken van de wachtlijsten voor schuldhulpverlening in 2011.

Indicator: Wachttijd in de schuldhulpverlening.

Een recent afgeronde nulmeting (maart 2010) laat zien dat de wachttijd in de schuldhulpverlening in januari 2010 gemiddeld 32 dagen was. Eind 2010 en eind 2011 worden vervolgonderzoeken uitgevoerd.

2007 • Extra middelen kabinet voor schuldhulpverlening (€ 200 mln, zie ook doelstelling 43).• In het deelakkoord Participatie SZW-VNG (onderdeel bestuursakkoord Rijk-Gemeenten) zijn afspraken gemaakt om het aantal huishoudens met problematische schulden terug te dringen en de effectiviteit van schuldhulpverlening te verbeteren.• Het onderzoek naar de effectiviteit van minnelijke schuldhulpverlening is gestart. Dit onderzoek geeft onder anderen inzicht in omvang en achtergrond van de wachtlijstproblematiek.• Het Innovatieprogramma WWB (IPW) project, programmalijn 5 «huishoudens met problematische schulden» is gestart. Dit moet meer inzicht in wachtlijstproblematiek geven. Artikel 46 OD 5
     
2008 • Het onderzoek effectiviteit schuldhulpverlening is medio 2008 afgerond.• Het kabinet heeft op grond van de resultaten van het onderzoek zijn standpunt geformuleerd over de aanvullende maatregelen die het neemt ten aanzien van onder anderen de wachttijdenproblematiek.• Implementatie van de monitor van de afspraken uit het bestuursakkoord.• De monitor betalingsachterstand is tot stand gekomen en de eerste meting is verricht. Er is inzicht verkregen in het aantal mensen met betalingsachterstanden. Artikel 46 OD 5
     
2009 • De maatregelen die genoemd zijn in de kabinetsbrief van 15 september 2008, o.a. naar aanleiding van het onderzoek naar de effectiviteit («Schulden? De gemeente helpt!») zijn nader uitgewerkt en geïmplementeerd. De uitvoering wordt ondersteund bij de implementatie van de in de brief genoemde maatregelen.• Er is een notitie aan de Tweede Kamer gestuurd waarin de materiële inhoud van het wetsvoorstel gemeentelijke schuldhulpverlening is geschetst. In vervolg hierop is het wetsvoorstel gemeentelijke schuldhulpverlening opgesteld en voor advies aan de Raad van State voorgelegd.• Op basis van het onderzoek «Huishoudens in de rode cijfers» is inzicht verkregen in de achtergronden van huishoudens met betalingsachterstanden. Dit onderzoek is met een beleidsreactie van het kabinet aan de Tweede Kamer gestuurd.• Het amendement Spekman is nader uitgewerkt. Hiermee is een extra impuls gegeven aan de schuldhulpverlening als onderdeel van het buurtwerk (Kamerstukken II, 2008/09, 31 700 XV, nr. 33).• De 2e monitor betalingsachterstanden is voorzien van een beleidsreactie aan de Tweede Kamer gestuurd. Artikel 46 OD 5

Budgettaire en financiële consequenties

Het financiële belang van kabinetsdoelstelling 43 (armoede) en 44 (schuldhulpverlening) is gezamenlijk verwoord in de paragraaf over doelstelling 43.

Conclusie doelstelling 44

Het kabinet is zich ervan bewust dat het niet alle problemen op het terrein van schulden zal kunnen voorkomen of oplossen. De overheid kan en wil niet alles regelen. Veel moet gebeuren door burgers zelf, maatschappelijke organisaties, schuldeisers en schuldbemiddelaars. Daarom betrekt het kabinet hen actief bij de totstandkoming van het beoogde stelsel van schuldhulpverlening. Het kabinet ligt op schema bij het scheppen van de randvoorwaarden die noodzakelijk zijn voor het realiseren van het door het kabinet beoogde stelsel van schuldhulpverlening. Aan de hand van de actuele inzichten (monitor bestuursakkoord, gestarte of te starten onderzoeken, gestarte of te starten innovatieve projecten) wordt de komende jaren de noodzaak van nieuwe maatregelen bezien.

Project 6: Iedereen doet mee

In het coalitieakkoord werd besloten tot een project «Iedereen doet mee» in het kader waarvan de verschillende op participatie gerichte activiteiten en maatregelen op elkaar zouden worden afgestemd.

In het licht van de huidige economische situatie heeft het project nog slechts een beperkte toegevoegde waarde. Daarom is het project geherdefinieerd tot een project waarbinnen de samenhang tussen onderwijs, zorg en werk (Wajong, AWBZ, speciaal onderwijs) gericht op jongeren met een arbeidsbeperking versterkt wordt met als doel de kansen op arbeidsparticipatie van deze groep te vergroten.

In 2010 zal op interdepartementaal niveau een visie en werkprogramma worden opgesteld (OCW, VWS, J&G, WWI, Justitie, Financiën, UWV).

Samenvattend:

  Beleidsartikel Financieel belang (realisatie 2009) Behaalde tussenresultaat
doelstelling 33: Het kabinet wil een substantiële verhoging van de arbeidsparticipatie. Van 70% nu moet deze toegroeien naar 80% in 2016. In deze kabinetsperiode zal een belangrijke stap in die richting worden gezet Artikel 42Artikel 46Artikel 47 € 784,7 mln De realisatie is beïnvloed door de economische ontwikkelingen, maar met het oog op 2016 ligt de doelstelling op koers.
       
doelstelling 34: 200 000 mensen met een grote afstand tot de arbeidsmarkt zullen deze kabinetsperiode extra aan de slag worden geholpen. Artikel 46Artikel 47 € 26,5 mln De huidige prognose voor de economie en de daaruit voortvloeiende stijging van de WW-uitkeringen maken het bereiken van de doelstelling, ondanks de positieve impulsen van het ingezette beleid, voor de komende jaren niet mogelijk.
       
doelstelling 43: Meer ruimte voor gemeenten voor gericht armoedebeleid Artikel 46, OD 5 € 66,5 mln De in het beleidsprogramma en bestuursakkoord afgesproken maatregelen zijn in gang gezet en daarmee ligt deze doelstelling op koers.
       
doelstelling 44: Het tot een minimum beperken van de wachtlijsten voor schuldhulpverlening in 2011 Artikel 46, OD 5 € 66,5 mln De afgesproken maatregelen zijn in gang gezet en daarmee ligt deze doelstelling op koers.
       
Project 6: Iedereen doet mee SZW in samenwerking met de ministeries van OCW, VWS, J&G, WWI, Justitie en Financiën Voortgang van het geherdefinieerde project is nog niet meetbaar.

De bedragen in deze tabel illustreren het financieel belang van de kabinetsdoelen. De begroting is ingericht op beleidsartikelen en niet op kabinetsdoelen. Deze bedragen zijn daarom indicatief en niet 1 op 1 uit de departementale administratie te herleiden. Het is in dit overzicht mogelijk dat een bedrag ten goede komt aan meerdere doelstellingen en dus meerdere keren wordt genoemd.

4. BELEIDSARTIKELEN

Artikel

41 Inkomensbeleid

Algemene doelstelling

Zorgdragen voor een evenwichtige en activerende inkomensontwikkeling

Motivering

Om een evenwichtige inkomensontwikkeling te bereiken en tegelijkertijd financiële prikkels voor werkaanvaarding in stand te houden en te verbeteren.

Doelbereiking en maatschappelijke effecten

De inkomensontwikkeling is voor alle getoonde voorbeeldhuishoudens beduidend gunstiger dan oorspronkelijk is geraamd in de begroting 2009.

De financiële prikkel voor werkaanvaarding is verbeterd ten opzichte van de oorspronkelijke raming voor een alleenstaande ouder die 4 dagen gaat werken en 120% minimumloon gaat verdienen en ook voor een alleenstaande zonder kinderen die 120% minimumloon gaat verdienen.

Externe factoren

In de aanloop van de economische crisis nam de inflatie in 2008 snel toe. Bij het uitbreken van de crisis daalde de prijs van grondstoffen ook weer snel. De crisis leidde verder tot dalende producentenprijzen waardoor de inflatie in 2009 2%-punt lager uitkwam dan verwacht. Deze lager dan verwachte inflatie zorgt ervoor dat het koopkrachtbeeld voor 2009 over het algemeen positiever is dan verwacht. Daar tegenover staat dat het minimumloon 0,3%-punt lager is uitgekomen dan geraamd met een vergelijkbaar effect op de uitkeringen. De loonstijging is 0,75%-punt lager dan verwacht en de aanvullende pensioenen zijn 2,5%-punt minder geïndexeerd dan verwacht.

Realisatie meetbare gegevens

Niet van toepassing

Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 41.1 Begrotingsuitgaven Artikel 41 (x € 1 000)
artikelonderdeel 2005 2006 2007 2008 realisatie 2009 Begroting 2009 Verschil 2009
Verplichtingen 714 633 673 971 1 722 1 663 59
Uitgaven 714 633 673 857 1 359 1 660 – 301
               
Programma uitgaven 0 0 0 169 352 756 – 404
Operationele Doelstelling 2              
Overig 0 0 0 157 312 751 – 439
Subsidies 0 0 0 12 40 5 35
               
Apparaatsuitgaven 714 633 673 688 1 007 904 103
Personeel en materieel 714 633 673 688 1 007 904 103
               
Ontvangsten 0 0 0 0 0 0 0

Toelichting

Op dit artikel worden alleen toegerekende apparaatsuitgaven verantwoord. De verschillen tussen begroting en realisatie zijn beperkt van omvang.

Operationele doelstelling

1 Het bereiken van een zo gelijkmatig mogelijk over de verschillende inkomensgroepen gespreide inkomensontwikkeling

Motivering

Om te komen tot een evenwichtige inkomensverdeling en bescherming van de inkomenspositie van groepen zonder perspectief op de arbeidsmarkt, huishoudens met kinderen en de middeninkomens.

Doelbereiking

De inkomensontwikkeling is voor de meeste huishoudens gunstiger dan oorspronkelijk is geraamd in de begroting 2009.

Instrumenten en activiteiten

In de begroting 2009 zijn de beleidsmaatregelen voor 2009 opgenomen. Na publicatie van de begroting zijn nog de volgende maatregelen genomen samenhangend met het overgaan van de buitengewone uitgavenregeling naar de Wet tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten, de Wtcg (Kamerstukken II, 2008–2009, 31 706, nr. 10):

• Verhoging zorgtoeslag voor alleenstaanden met maximaal € 29 (per saldo dus een verhoging van € 153).

• Verhoging van de AOW tegemoetkoming met € 30 (per saldo dus een verhoging van € 256).

Hiernaast is naar aanleiding van het amendement Sap (Kamerstukken II, 2008–2009, 31 700 XV, nr. 6) in het Belastingplan een verhoging opgenomen van de alleenstaande ouderkorting met € 258 euro (per saldo dus een verlaging van € 582 in 2009) en een verlaging van de combinatiekorting met € 258 (per saldo dus een verlaging van € 114).

Doelgroepen

De verschillende inkomensgroepen met bijzondere aandacht voor groepen zonder perspectief op de arbeidsmarkt, huishoudens met kinderen en de middeninkomens.

Realisatie meetbare gegevens

• De inkomensontwikkeling van burgers wordt gevolgd door middel van standaard koopkrachtcijfers zoals gepresenteerd in tabel 41.2. Deze cijfers laten voor een aantal standaardhuishoudens de inkomensontwikkeling zien als gevolg van de gemiddelde loon- en prijsontwikkeling en als gevolg van generieke maatregelen, zoals aanpassingen in belastingen, (ziektekosten-)premies en kinderbijslag.

• De standaardgroepen zijn er in 2009 tussen de 1% en de 4% op vooruit gegaan terwijl de verwachting was dat de standaardgroepen er tussen de 0% en 2% op vooruit zouden gaan.

• Deze verbetering komt vooral door een 2%-punt lager dan verwachte inflatie. Deze weegt op tegen een 0,3%-punt lager dan verwacht minimumloon en een lagere loonstijging van 0,75%-punt. Dat het minimumloon minder hard daalt dan de loonstijging komt doordat de loonstijging vertraagd doorwerkt in het minimumloon. Verder is de indexatie van de aanvullende pensioenen 2,5%-punt lager uitgekomen dan verwacht, is de pensioenpremie voor werknemers 0,85%-punt lager uitgekomen en is de VUT-premie voor werknemers 0,54%-punt lager dan geraamd.

• Hiernaast dragen de hierboven genoemde beleidsmatige maatregelen, die na de begroting 2009 zijn genomen, bij aan het verbeterde koopkrachtbeeld voor 2009.

• Overigens is er sprake geweest van aanzienlijke spreiding in het koopkrachtbeeld die niet zichtbaar is in het standaard koopkrachtbeeld. Dit komt met name door de overgang van de buitengewone uitgavenregeling naar de Wet tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten (Wtcg).

• De koopkracht van huishoudens is ook sterk afhankelijk van de persoonlijke situatie. Huishoudens die worden getroffen door bijvoorbeeld de gevolgen van de gestegen werkloosheid hebben een aanzienlijk negatief dynamisch koopkrachteffect dat niet tot uiting komt in de hier genoemde (statische) koopkrachtcijfers.

Tabel 41.2 Indicatoren operationele doelstelling 1: Standaard koopkrachteffecten
Actieven Realisatie 2009 Raming 2009
Alleenverdiener met kinderen    
modaal ¾
2 x modaal ½
     
Tweeverdieners    
modaal + ½ x modaal met kinderen
2 x modaal + ½ x modaal met kinderen 2
modaal + modaal zonder kinderen
2 x modaal + modaal zonder kinderen
     
Alleenstaande    
minimumloon ½
modaal
2 x modaal 2
     
Alleenstaande ouder    
minimumloon 4
modaal 4 2
Inactieven Realisatie 2009 Raming 2009
Sociale minima    
paar met kinderen 2 ½
alleenstaande 0
alleenstaande ouder
     
AOW(alleenstaand)    
(alleen) AOW ½
AOW + € 10 000 1 0
     
AOW(paar)    
(alleen) AOW ½
AOW + € 10 000 0

Bron: berekening SZW

Operationele doelstelling

2 In stand houden en verbeteren van financiële prikkels voor werkaanvaarding

Motivering

Bijdragen aan een activerend inkomensbeleid.

Doelbereiking

De financiële prikkels voor werkaanvaarding voor alleenstaande ouders die 4 dagen gaan werken tegen 120% van het minimumloon wijken licht af van de oorspronkelijke raming.

Instrumenten en activiteiten

Zie de instrumenten die genoemd worden onder doelstelling 1.

Doelgroepen

Huishoudens die door een hogere arbeidsparticipatie hun inkomen kunnen verbeteren.

Realisatie meetbare gegevens

De onderstaande tabel presenteert indicatoren voor de werkloosheidsval, de herintredersval en de deeltijdval.

De inkomensverbetering voor de alleenstaande ouder die 4 dagen gaat werken tegen 120% van het minimumloon is 1%-punt hoger dan geraamd (11% in plaats van 10%) in de begroting. De oorzaak is dat in het Belastingplan naar aanleiding van het amendement Sap de combinatiekorting verlaagd is met € 44 en de alleenstaande ouderkorting is verhoogd met € 258. Voor alleenstaande ouders die 4 dagen gaan werken tegen 100% van het minimumloon heeft dit geen gevolgen. De oorzaak is dat dit voorbeeldhuishouden geen belasting betaalt en een extra korting dus niet leidt tot het betalen van minder belasting.

Daarnaast is de pensioenpremie voor werknemers 0,85%-punt lager uitgekomen en de VUT-premie voor werknemers 0,54%-punt lager dan geraamd. Dit is positief voor alle werknemers.

Tabel 41.3 Indicatoren operationele doelstelling 2
  Vooruitgang in %
  Realisatie 2009 Raming 2009
Werkloosheidsval    
(inkomensvooruitgang bij aanvaarden werk in plaats van bijstand)    
     
Aanvaarden werk op minimumloonniveau    
 Alleenverdiener met kinderen 1% 1%
 Alleenstaande 14% 14%
 Alleenstaande ouder (gaat 4 dagen werken) – 2% – 2%
Aanvaarden werk op 120% minimumloonniveau    
 Alleenverdiener met kinderen 6% 6%
 Alleenstaande 25% 24%
 Alleenstaande ouder (gaat 4 dagen werken) 11% 10%
     
Herintredersval    
(inkomensvooruitgang bij 2½ dag werken door niet-werkende partner)    
     
Hoofd minimumloon, partner minimumloonniveau 16% 16%
Hoofd 120% minimumloon, partner 120% minimumloonniveau 24% 23%
     
Deeltijdval minstverdienende partner    
(inkomensvooruitgang bij 1 dag extra werken)    
     
Hoofd minimumloon    
 partner gaat van 2 naar 3 dagen werk (minimumloonniveau) 8% 8%
 partner gaat van 3 naar 4 dagen werk (minimumloonniveau) 8% 8%
Hoofd modaal    
 partner gaat van 2 naar 3 dagen werk (minimumloonniveau) 7% 7%
 partner gaat van 3 naar 4 dagen werk (minimumloonniveau) 6% 6%
 partner gaat van 2 naar 3 dagen werk (120% minimumloonniveau) 8% 8%
 partner gaat van 3 naar 4 dagen werk (120% minimumloonniveau) 8% 8%
 partner gaat van 2 naar 3 dagen werk (modaal niveau) 12% 12%
 partner gaat van 3 naar 4 dagen werk (modaal niveau) 8% 8%

Bron: berekening SZW

Overzicht afgeronde onderzoeken

Tabel 41.4 Overzicht afgeronde onderzoeken
Soort onderzoek Onderwerp onderzoek AD/OD A. StartB. Afgerond Vindplaats
Evaluatieonderzoek ex ante Geen      
Beleidsdoorlichting Artikel 41 AD A. 2010B. 2010  
Effecten onderzoek ex post Geen      
Overig evaluatieonderzoek Geen      

Artikel

42 Arbeidsparticipatie

Algemene doelstelling

Zorgdragen voor een toename van de arbeidsparticipatie

Motivering

Om te bevorderen dat het aandeel werkenden in de beroepsbevolking (verder) toeneemt creëert SZW via wet- en regelgeving, ondersteuning van gemeenten, aansturing van uitvoeringsinstanties en overleg met sociale partners voorwaarden om verhoging van de arbeidsparticipatie te stimuleren.

Doelbereik en maatschappelijke effecten

In 2008 lag de bruto arbeidsparticipatie op 76%. Het CPB heeft recentelijk in het CEP geraamd dat de bruto participatiegraad ook in 2009 en 2010 is uitgekomen op 76%. Als gevolg van de crisis worden sommige mensen ontmoedigd zich aan te bieden op de arbeidsmarkt. Het is de verwachting dat na de crisis de participatiegraad weer zal stijgen.

Externe factoren

Om de gevolgen van de economische crisis voor de arbeidsparticipatie zo goed mogelijk op te vangen, heeft het kabinet een aanvullend beleidsakkoord afgesloten. In het aanvullend beleidsakkoord zijn nieuwe arbeidsmarktmaatregelen overeengekomen, zoals mobiliteitscentra, een omscholingsbonus voor werknemers die met ontslag worden bedreigd (maximaal € 2 500,– per omgeschoolde werknemer), deeltijd-WW inclusief bijscholing van werknemers en extra middelen voor EVC (Ervaringscertificaat) en EVP (Ervaringsprofiel)-trajecten. Deze tijdelijke maatregelen zijn er op gericht om werkloosheid te voorkomen door werknemers via (om)scholing van werk naar werk te begeleiden en werknemers die essentieel zijn voor het herstellend vermogen van het bedrijf te behouden.

Ter bestrijding van de jeugdwerkloosheid is voor de jaren 2009 t/m 2011 € 250 miljoen extra uitgetrokken (waarvan € 174 miljoen op de SZW begroting en € 76 mln op de begroting van het ministerie voor Jeugd en Gezin en van het ministerie van OCW) voor het uitvoeren van het interdepartementaal opgestelde «Actieplan Jeugdwerkloosheid».

Realisatie meetbare gegevens

Bruto arbeidsparticipatie

Onder bruto arbeidsparticipatie wordt verstaan het aantal mensen met een baan of direct beschikbaar voor een baan van minimaal 12 uur per week als percentage van de bevolking van 20–64 jaar. Dit is conform de definitie die de SER in haar MLT-advies van 2007 gebruikte.

Tot en met 2008 was er sprake van een stijging van de arbeidsparticipatie. Deze stijging heeft zich niet doorgezet door de gevolgen van de recessie. Dit tijdelijk effect ontstaat doordat mensen zich door het afnemend aantal vacatures terugtrekken van de arbeidsmarkt of er voor kiezen langer op school te blijven. De participatiebevorderende beleidsmaatregelen blijven echter onverminderd van kracht. Het is de verwachting dat na de recessie de participatiegraad weer zal stijgen tot de streefwaarde van 80% in 2016.

Volume uitkeringen bijstand, werkloosheid en arbeidsongeschiktheid

De doelstelling is een daling van 200 000 uitkeringen in 2011. Ten opzichte van 2007 is het uitkeringsvolume in 2009 met ongeveer 8 000 gedaald. Ondanks de goede uitgangspositie (relatief lage werkloosheid en inflatie) en de talrijke maatregelen die al zijn genomen, is in het licht van de recessie het vooruitzicht met betrekking tot deze doelstelling in deze periode niet rooskleurig. Juist daarom zet het kabinet onverminderd in op het creëren van een goede uitgangspositie voor deze groep. Samen met sociale partners en uitvoeringsinstellingen is het kabinet in gesprek over het uitwerking van de verschillende plannen, zoals het verbeteren van de inzetbaarheid van werknemers door scholing en het stimuleren van van-werk-naar-werk transities.

Tabel 42.1 Indicatoren algemene doelstelling
  Realisatie 2007 Realisatie 2008 Realisatie 2009 Streven 2011
Bruto arbeidsparticipatie 20- 64 jaar (%) 74 76 76
Volume uitkeringen bijstand, ww en ao (in uitkeringsjaren x 1 000) 1 183 1 118 1 175 983

Bron: CPB, Centraal Economisch Plan 2010

Tabel 42.2 Begrotingsuitgaven Artikel 42 (x € 1 000)
artikelonderdeel 2005 2006 2007 2008 realisatie 2009 begroting 2009 verschil 2009
Verplichtingen 37 457 40 452 24 802 28 997 31 664 23 460 8 204
Uitgaven 35 425 38 625 26 487 26 625 33 310 25 561 7 749
               
Programma uitgaven 13 920 15 222 9 334 7 296 12 822 4 995 7 827
               
Operationele Doelstelling 2              
Duale trajecten 0 0 0 0 0 0 0
Scholing en EVC 0 0 0 0 220 0 220
Operationele Doelstelling 3              
Stimulering Arbeidsparticipatie 9 877 11 713 6 367 7 296 5 954 4 995 959
Jeugdwerkloosheid 0 0 0 0 5 117 0 5 117
Overig 4 043 3 509 2 967 0 1 531 0 1 531
               
Apparaatsuitgaven 21 505 23 403 17 153 19 329 20 488 20 566 – 78
Personeel en materieel 21 505 23 403 17 153 19 329 20 488 20 566 – 78
               
Ontvangsten 4 647 25 464 19 431 28 100 20 624 18 898 1 726

Toelichting

Scholing en EVC

In het aanvullend beleidsakkoord heeft het kabinet in 2009 extra middelen (€ 27 mln) beschikbaar gesteld voor nieuwe arbeidsmarktmaatregelen, zoals EVC- (Ervaringscertificaat) en EVP (Ervaringsprofiel)-trajecten. In 2009 is er nog nauwelijks gebruik gemaakt van deze nieuwe regelingen, mede doordat het bestaan ervan nog onvoldoende bekend is bij werkgevers. Het UWV is daarom een communicatie-offensief gestart om het gebruik van de regelingen te stimuleren.

Stimulering Arbeidsparticpatie

De gereserveerde middelen (ca € 0,5 mln) voor de pilots in de zorg zijn in 2009 niet tot besteding gekomen. Het ministerie van VWS had voldoende eigen middelen uit de arbeidsmarktenveloppe, waardoor er geen beroep is gedaan op co-financiering door SZW. Verder zijn de subsidie-uitgaven ad € 1,5 mln die begroot waren onder artikel 47 (re-integratie) overgeboekt naar dit artikel, omdat ook de beleidsmatige verantwoording (zie activiteiten bij OD 3) op dit artikel plaats vindt. Hiermee wordt beter inzichtelijk wat de financiële gevolgen zijn van het gevoerde beleid.

Jeugdwerkloosheid en Overig

In het aanvullend beleidsakkkoord heeft het kabinet in 2009 extra middelen beschikbaar gesteld voor de uitvoering van het «Actieplan Jeugdwerkloosheid». Het grootste deel van de extra verkregen middelen is via het Gemeentefonds beschikbaar gesteld aan de 30 regio’s voor het uitvoeren van de convenantafspraken (€ 60 mln) en zijn daarom niet in dit jaarverslag zichtbaar. De resterende middelen zijn uitgegeven aan communicatieactiviteiten (€ 1,5 mln) en het matching-offensief (€ 5 mln) door UWV.

Ontvangsten

In het kader van de afrekening van de subsidieregeling no-risk polis voor jongeren is een groot deel van de in eerdere jaren verstrekte voorschotten terugontvangen van de gemeenten, omdat van deze subsidieregeling maar beperkt gebruik is gemaakt.

Tabel 42.3 Fiscale uitgaven artikel 42 (lopende prijzen x € 1 mln)
Artikelonderdeel 2005 2006 2007 2008 Realisatie 2009 Begroting 2009 Verschil 2009
Operationele doelstelling 2              
Afdrachtvermindering onderwijs 187 196 242 291 345 231 114
               
Operationele doelstelling 3              
Arbeidskorting voor ouderen 104 190 196 206 227 225 2
Doorwerkbonus         265 280 – 15
Startersaftrek bij arbeidsongeschiktheid     10 13 13 10 3

Bron: Ministerie van Financiën

Toelichting

In het kader van het project Iedereen doet mee is het verbeteren van de aansluiting onderwijs-arbeidsmarkt vice versa een van de prioriteiten. Ten opzichte van begroting 2009 zijn extra fiscale middelen ingezet om het leven lang leren door middel van extra duale opleidingen te stimuleren.

Operationele doelstelling

1 Beheerste ontwikkeling van de arbeidskosten

Motivering

Om ervoor te zorgen dat onze economie innovatief, concurrerend en ondernemend blijft en ook bij toenemende internationale concurrentie de welvaart kan waarborgen is een beheerste ontwikkeling van de arbeidskosten van belang. Een indicatie hiervan geven de arbeidskosten per eenheid product in de industrie in vergelijking met de concurrenten in het eurogebied.

Doelbereiking

Als gevolg van de crisis zijn de arbeidskosten per eenheid product (verhouding tussen productiviteit en loonkosten) gestegen. De stijging is in andere euro-landen echter groter dan in Nederland. Dit heeft tot gevolg dat de relatieve positie van Nederland als het gaat om arbeidskosten per eenheid product is verbeterd.

Instrumenten en activiteiten

• Belastingen en premiedruk;

• Administratieve lasten arbeid: In het coalitieakkoord is voor de periode 2007–2011 een nieuwe rijksbrede administratieve lastenverlichting van netto 25% voor het bedrijfsleven afgesproken. SZW streeft ernaar om in dezelfde periode ook tot netto 25% aan vermindering van administratieve lasten te komen.

Doelgroepen

Burgers en bedrijven

Realisatie meetbare gegevens

• De relatieve ontwikkeling van de arbeidskosten verbetert indien de arbeidskosten per eenheid product van de Nederlandse industrie minder stijgen of meer dalen dan die van de euroconcurrenten (zie ook tabel 42.5). De ontwikkeling van de arbeidskosten per eenheid product in de industrie wordt in belangrijke mate bepaald door de contractlonen die de sociale partners in vrije loononderhandelingen overeenkomen en de ontwikkeling van de productiviteit. Na de relatieve stijging van de arbeidskosten per eenheid product in 2008 van 0,6% ten opzichte van de euroconcurrenten heeft in 2009 een relatieve daling plaatsgevonden met 1,2%.

• De gemiddelde wig op het inkomen uit arbeid (het verschil tussen loonkosten en het netto loon als percentage van de loonkosten) is een goede indicator van de lastendruk zoals werkgevers en werknemers die ervaren. De veranderingen in het stelsel van belastingen en premies komen daarin goed traceerbaar tot uitdrukking. Het CPB gebruikt de indicator bij het opstellen van de loonramingen. De wig op het arbeidsinkomen is in 2009 afgenomen tot 42,3%.

• In het coalitieakkoord is voor de periode 2007 tot 2011 een nieuwe rijksbrede administratieve lastenverlichting van netto 25% voor het bedrijfsleven afgesproken. Over de invulling van de taakstelling door SZW en de realisering ervan wordt periodiek gerapporteerd in de rijksbrede voortgangsrapportages regeldruk bedrijven en burgers. Lastenverlichtingen voor werkgevers zijn in 2009 gerealiseerd door de algemene eerstedagmelding te vervangen door een gerichte eerstedagmelding en het vervallen van de periodieke keuring van liften met een maximale snelheid van 0,15 m/s. Daar tegenover staat ook een aantal lastenverzwaringen door nieuwe regelingen op het gebied van de arbeidsmarkt voor oudere werklozen en oudere werknemers, waardoor per saldo de administratieve lasten het afgelopen jaar iets gestegen zijn.

Tabel 42.4 Indicatoren operationele doelstelling 1
  Realisatie 2007 Realisatie 2008 Realisatie 2009 Streefwaarde 2009
Ontwikkeling arbeidskosten t.o.v. eurogebied (%)1 0,6 0,6 – 1,2 0,75
Omvang van wig inclusief werkgeverslasten (%)1 41,4 42,5 42,3  
Door SZW gerealiseerde reductie van administratieve lasten voor bedrijven ten opzichte van 1 maart 2007 (%)2 0,6 2,1 2,0  

Bronnen:

1 CPB, Centraal Economisch Plan 2010;

2 Ministerie van Financiën, Voortgangsrapportage Reductie Administratieve lasten voor bedrijven.

Kengetallen

Arbeidskosten

De ontwikkeling van de arbeidskosten per eenheid product wordt in belangrijke mate bepaald door de contractlonen die de sociale partners in vrije loononderhandelingen overeenkomen.

Ter aanvulling op de genoemde indicator in tabel 42.4 worden in tabel 42.5 de afzonderlijke waarden weergegeven van de ontwikkeling van de arbeidskosten per eenheid product in de industrie in Nederland en die bij de euroconcurrenten.

Tabel 42.5 Kengetallen operationele doelstelling 1
  Realisatie 2007 Realisatie 2008 Realisatie 2009
Ontwikkeling arbeidskosten per eenheid product industrie      
1. Nederland 0,5 4,8 8,7
2. Euroconcurrenten – 0,1 4,2 9,9

Bron: CPB, Centraal Economisch Plan 2010

Operationele doelstelling

2 Stijging van het aandeel werkenden en werklozen in de beroepsbevolking met een startkwalificatie

Motivering

Om duurzame arbeidsparticipatie te bevorderen. Het minimale niveau voor duurzame arbeidsparticipatie is het startkwalificatieniveau (MBO-2 of havo-vwo).

Doelbereiking

Het kabinet onderneemt verschillende initiatieven om te zorgen dat een groter deel van de beroepsbevolking een startkwalificatie heeft. Het beleid om voortijdig schoolverlaten te voorkomen speelt daarbij een belangrijke rol. Voor jongeren die toch uitvallen, stimuleert het kabinet samenwerking tussen het onderwijsveld, gemeenten, werkgevers en (jeugd)zorg.

Daarnaast zet het kabinet in op duale trajecten en EVC-trajecten voor volwassen werkenden en werkzoekenden zonder startkwalificatie. Dit gebeurt door middel van regionale samenwerkingsverbanden en de leerwerkloketten. Door middel van een EVC-traject kunnen werkenden hun werkervaring verzilveren en, na een eventuele verkorte opleiding, alsnog een startkwalificatie halen. Werkzoekenden kunnen via scholing aan een baan worden geholpen, waarmee duurzame arbeidsdeelname wordt nagestreefd.

Scholing moet een vanzelfsprekend deel worden van het leven van volwassenen en daarvoor moet de leercultuur worden versterkt. In lijn met het advies «Tijd voor ontwikkeling» van de Denktank Leren en Werken (Kamerstukken II, 2009–2010, 30 012, nr. 20) heeft het kabinet hiertoe initiatieven gestart.

Instrumenten en activiteiten

Algemeen

• Fiscale faciliteiten voor werkgevers (Afdrachtvermindering onderwijs waaronder WVA startkwalificatie, zie toelichting bij tabel 42.3);

• Subsidieregeling ESF 2007–2013.

Specifiek Leren en Werken

• Tijdelijke stimuleringsregeling Leren & Werken 2007 en Tijdelijke stimuleringsregeling Leren & Werken 2009. Deze regelingen hebben tot doel de toegankelijkheid van scholing en EVC te bevorderen door het opzetten van een regionale infrastructuur voor een Leven Lang Leren. Dit gebeurt door middel van regionale samenwerking tussen onderwijs, ondernemers en lokale overheid;

• Structurele basisfinanciering voor 40 leerwerkloketten;

• Informatievoorziening (www.lerenenwerken.nlen publiekscampagne);

• Advies van de Denktank Leren en Werken (Kamerstukken II, 2009–2010, 30 012, nr. 20) om leercultuur te bevorderen met voorstellen tot concrete maatregelen.

Deze instrumenten en activiteiten komen voor rekening van de projectdirectie Leren & Werken, een gezamenlijke directie van de ministeries van OCW en SZW. De middelen van de projectdirectie zijn opgenomen in de begroting van het ministerie van OCW.

Crisismaatregelen

• Tijdelijke subsidieregeling omscholing werknemers bij dreigende werkloosheid;

• Tijdelijk extra middelen ten behoeve van Ervaringscertificaten (EVC) en Ervaringsprofielen bij dreigend ontslag (artikel 30a van de wet SUWI).

Doelgroepen

Werkenden (waaronder werkende jongeren zonder startkwalificatie), werkzoekenden en mensen die met werkloosheid worden bedreigd.

Realisatie meetbare gegevens

Aandeel in de beroepsbevolking met startkwalificatie

Het percentage geeft aan welk deel van de beroepsbevolking (25–65 jaar) een startkwalificatie heeft. Het oorspronkelijk streven is dat in 2010 meer dan 80% van de beroepsbevolking een startkwalificatie bezit. Door een veranderde (nauwkeuriger) meetmethode van het CBS komt het realisatiepercentage structureel 1% lager uit, waardoor de streefwaarde voor 2010 feitelijk verlaagd moet worden naar 79% (voor 2009 komt de streefwaarde op 78,5% uit). Een startkwalificatie kan worden behaald door een combinatie van leren en werken. Het is als gevolg van de economische crisis moeilijk om naast het leren ook te kunnen werken (bedrijfsscholing of bbl-traject) en zo een startkwalificatie te behalen.

Tabel 42.6 Indicatoren operationele doelstelling 2
  Realisatie 2007 Realisatie 2008 Realisatie 2009 Streefwaarde 2009
Aandeel (%) in de beroepsbevolking (25–65 jaar) met startkwalificatie 77,5 77,6 77,6 78,5

Bron: CBS, Statline.

Operationele doelstelling

3 Wegnemen van factoren die de arbeidsparticipatie van specifieke groepen belemmeren

Motivering

Om te voorkomen dat de arbeidsparticipatie van specifieke groepen achterblijft (in aanvulling op en ter versterking van het algemene arbeidsmarktbeleid).

Doelbereiking

Netto arbeidsparticipatie ouderen en vrouwen

De netto arbeidsparticipatie van zowel ouderen als vrouwen is in 2009 ondanks de crisis blijven stijgen (terwijl de netto arbeidsparticipatie voor alle groepen gezamenlijk in totaal met 0,3%-punt is afgenomen). De netto arbeidsdeelname van ouderen is met 2,0%-punt gestegen. De netto participatie van vrouwen steeg in 2009 met 0,7%-punt.

Hierbij past wel de kanttekening dat de arbeidsparticipatie van vrouwen en ouderen nog steeds lager is dan gemiddeld. Daarom blijft het van belang om in te zetten op een stijging van de arbeidsdeelname en op een structurele verbetering van de arbeidsmarktpositie van vrouwen en ouderen.

Netto arbeidsparticipatie etnische minderheden

Etnische minderheden zijn net als jongeren relatief vaak werkzaam op basis van flexibele contracten. Door de economische crisis zijn juist in de sectoren waar deze groep het vaakst werkt (bouw en industrie) de hardste klappen gevallen. De netto arbeidsparticipatie van etnische minderheden is daardoor voor het eerst sinds 2005 afgenomen met bijna 2%-punt.

Percentage werkloze jongeren

Er is in 2003 een bandbreedte afgesproken van een jeugdwerkloosheid die zich bevindt tussen maximaal 10–15%.

In 2009 is de jeugdwerkloosheid (15–22 jaar) gestegen naar 12,8%. Als reactie op de stijgende jeugdwerkloosheid is het interdepartementaal «Actieplan Jeugdwerkloosheid» opgesteld, waarmee getracht wordt om de oplopende jeugdwerkloosheid tot stilstand te brengen en indien mogelijk zelfs terug te dringen. In het aanvullend beleidsakkoord zijn hiervoor door het kabinet extra middelen beschikbaar gesteld.

Percentage door AI bezochte bedrijven waarbij overtreding van de WAV is vastgesteld

Het percentage bezochte bedrijven met overtreding van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav) is de afgelopen jaren gedaald van 23% in 2006 naar 17% in 2009. Deze daling hangt samen met de invoering van het vrij werknemersverkeer per 1 mei 2007 voor onderdanen van de lidstaten die in 2004 zijn toegetreden tot de Europese Unie. Hierdoor is niet langer een tewerkstellingsvergunning vereist. Ook de invoering van de bestuurlijke boete voor overtredingen van de Wav per 1 januari 2005 in combinatie met een stijging van het aantal inspecties sinds 2004 heeft een positief effect gehad op de naleving van deze wet. Deze realisatie is conform de verwachtingen en geeft geen aanleiding tot aanvullende maatregelen.

Instrumenten en activiteiten

Instrumenten en activiteiten gericht op ouderen:

• De jaren 2009 en 2010 staan in het teken van het «oogsten» van de resultaten van de Tijdelijke subsidieregeling stimuleren leeftijdsbewust beleid gezien de beëindiging van deze regeling per 1 juli 2010. Activiteiten die in dit kader in 2009 zijn ondernomen zijn o.a.: de organisatie van 4 thematische workshops; het actualiseren en toegankelijker maken van de websitewww.leeftijdophetwerk.nl; het voeren van slotgesprekken met deelnemende organisaties, het opstellen van projectbeschijvingen en de vormgeving van een toolbox met voorbeeldprojecten en producten/instrumenten.

• Actieplan terugdringen werkloosheid 45-plussers(Kamerstukken II, 2006/2007, 27 046, nr. 17). De jaren 2007–2008 waren zeer succesvol in het bewerkstelligen van extra uitstroom van 45-plussers. Ondanks de crisis van het afgelopen jaar zijn in 2009 circa 65 000 45-plussers bemiddeld naar werk. Het Actieteam heeft door het ondersteunen van activiteiten en door informatieoverdracht kunnen bijgedragen aan verbetering van het beeld van en de aandacht voor 45-plussers bij werkgevers, gemeenten en het UWV.

Instrumenten en activiteiten gericht op jongeren:

• Er is opnieuw een financiële en inhoudelijke bijdrage gedaan aan de ontwikkeling van de landelijke jeugdmonitor.

• In 2009 is de Subsidieregeling jongerenprojecten voor de tweede keer opengesteld voor projectaanvragen op het raakvlak van onderwijs en arbeidsmarkt. Het totaal jaarlijks beschikbare subsidiebedrag van € 700 000 is aangewend t.b.v. 16 nieuwe projecten.

• In het kader van de crisismaatregelen is de Tijdelijke stimuleringsregeling Leren & Werken 2009 opengesteld met als doelgroep jongeren zonder startkwalificatie en werklozen en met werkloosheid bedreigden.

• De vier grote steden hebben uitvoering gegeven aan de banenplannen voor ongekwalificeerde jongeren conform het in 2008 afgesloten convenant. De projecten zijn in december 2009 afgerond. Over de resultaten van de banenplannen rapporteert het kabinet in het eerste kwartaal van 2010.

• Het interdepartementaal opgestelde actieplan «Jeugdwerkloosheid» is in 2009 in uitvoering genomen, waarin o.a. convenanten zijn afgesloten met 30 regio’s om de jeugdwerkloosheid in een zo vroeg mogelijk stadium aan te pakken.

Activiteiten gericht op etnische minderheden:

• Er is onderzoek gedaan naar de belemmeringen op de arbeidsmarkt onder hoger opgeleide allochtone en autochtone jongeren. Hieruit bleek dat sociale achtergrond van grote invloed is op het vinden van een baan. Zowel allochtone als autochtone jongeren die in «kansarme milieus» zijn opgegroeid hebben vaker culturele en sociale handicaps die een soepele overgang naar de arbeidsmarkt kunnen verhinderen.

• Stimuleren van diversiteitsbeleid bij werkgevers, met focus op MKB-sectoren. Naast vele adviestrajecten heeft het landelijk netwerk Diversiteitsmanagement 13 brancheorganisaties ondersteund bij het opstellen van een strategische diversiteitsagenda.

• Stimuleren van ontwikkeling arbeidsmarktvaardigheden onder allochtone jongeren. Een kleine 40 teams met (V)MBO jongeren zijn getraind in «soft skills» en gestimuleerd te netwerken met werkgevers.

• Faciliteren van organisaties betrokken bij het naar werk bemiddelen van statushouders. UWV heeft van mei 2008 tot december 2009 2 951 statushouders naar werk bemiddeld.

Activiteiten gericht op (allochtone) vrouwen:

• Stimuleren van regionale partners in het begeleiden van allochtone vrouwen naar werk in het verlengde van het landelijke project «1001 kracht» (uitvoering motie Arib,Kamerstukken II, 2007/2008, 30 420, nr. 87). In drie gemeenten wordt gewerkt aan de ontwikkeling van een methodiek.

• De succesvol gebleken methodiek gastouderschap wordt in opdracht van het ministerie van SZW beschreven. De verspreiding vindt in 2010 plaats.

Doelgroepen

• Ouderen;

• Jongeren;

• Etnische minderheden;

• (Allochtone) vrouwen.

Kengetallen

De in tabel 42.7 gepresenteerde participatiecijfers betreffen de netto arbeidsparticipatie. Dit is het aandeel van mensen met een baan van minimaal 12 uur per week in de genoemde specifieke bevolkingsgroep. Het percentage werkloze jongeren is het aandeel van jongeren in de totale werkloosheidcijfers. Overtreding WAV is het percentage bedrijven dat zich niet houdt aan de regels van de Wet Arbeid Vreemdelingen. De toelichtingen zijn opgenomen onder het kopje «doelbereiking» van deze operationele doelstelling.

De regering acht de uitsplitsing van participatiedoelstellingen naar specifieke groepen geen vruchtbare benadering, omdat hier geen specifiek beleid wordt gevoerd. De regering hanteert als doelstelling om tot 80% arbeidsparticipatie te komen in 2016, ongeacht de specifieke groep (indicator wordt weergegeven onder de algemene doelstelling van dit artikel). Om de ontwikkelingen van de netto arbeidsparticipatie van de specifieke groepen wel te kunnen blijven volgen in de begroting, is er voor gekozen om ze als kengetal op te nemen.

Tabel 42.7 Kengetallen operationele doelstelling 3
  Realisatie 2007 Realisatie 2008 Realisatie 2009
Netto-arbeidsparticipatie 15–64 jaar1 66,2 67,5 67,2
Netto-arbeidsparticipatievan etnische minderheden1 53,3 56,5 54,7
Netto arbeidsparticipatie ouderen(%)2 42,7 44,8 46,8
Netto-arbeidsparticipatievrouwen (%)1 57,2 59,0 59,7
Percentage werkloze jongeren (15–22 jaar)2 9,0 8,6 12,8
Percentage door AI bezochte bedrijven waarbij overtreding WAV is vastgesteld3 18 17 17

Bronnen:

1 CBS, Statline

2 CBS, EBB Kernprogramma

3 SZW Arbeidsinspectie, Jaarverslag

Overzicht afgeronde onderzoeken

Tabel 42.8 Overzicht afgeronde onderzoeken
Soort onderzoek Onderwerp onderzoek AD/OD A. StartB. Afgerond Vindplaats
Evaluatieonderzoek ex ante Geen      
Beleidsdoorlichting Geen      
Effecten onderzoek ex post Geen      
Overig evaluatieonderzoek Geen      

Artikel

43 Arbeidsverhoudingen

Algemene doelstelling

Zorgdragen voor een flexibel instrumentarium voor moderne arbeidsverhoudingen en voorwaarden

Motivering

Om bij te dragen aan evenwichtige arbeidsverhoudingen, waarbij werknemers een minimumniveau van arbeidsrechtelijke bescherming wordt geboden dat in overeenstemming is met de maatschappelijke ontwikkelingen en dat sociale partners voldoende ruimte biedt voor eigen verantwoordelijkheid.

Doelbereiking en maatschappelijke effecten

Het instrumentarium op het terrein van arbeidsverhoudingen biedt, dankzij de voortdurende aanpassing daarvan aan actuele ontwikkelingen, functionerende kaders voor de totstandkoming op de verschillende niveaus van moderne arbeidsrelaties tussen (organisaties van) werkgevers en werknemers. Tevens zorgt het instrumentarium voor een niveau van rechtsbescherming dat een adequaat evenwicht vormt tussen de belangen van werkgevers en werknemers en bijdraagt aan de arbeidsparticipatie van zowel degenen die reeds op de arbeidsmarkt participeren als voor degenen die de arbeidsmarkt willen betreden.

Externe factoren

De effectiviteit van het stelsel wordt enerzijds bepaald door de wijze waarop het instrumentarium wordt toegepast door de direct betrokken partijen van werkgevers en werknemers, anderzijds door algemene ontwikkelingen, waaronder de economische situatie die zijn weerslag heeft op de arbeidsmarkt. De gevolgen van de financiële crisis voor de arbeidsmarkt die zich eind 2008 voor het eerst aftekenden, werden in 2009 in grotere mate zichtbaar.

Realisatie meetbare gegevens

Artikel 43 kent geen indicatoren op het niveau van de algemene doelstelling. Het directe effect van het beleid is moeilijk vast te stellen, omdat het beleidseffect niet te isoleren is van andere factoren.

Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 43.1 Begrotingsuitgaven Artikel 43 (x € 1 000)
artikelonderdeel 2005 2006 2007 2008 Realisatie 2009 Begroting 2009 Verschil 2009
Verplichtingen 4 730 10 258 13 214 21 567 21 326 26 091 – 4 765
Uitgaven 9 600 9 953 12 972 20 500 21 675 26 418 – 4 743
               
Programma uitgaven 2 642 2 642 1 909 4 174 4 907 9 658 – 4 751
               
Algemene Doelstelling              
Handhaving   0 0 283 487 646 – 159
Overig   0 0 816 751 2 891 – 2 140
Operationele Doelstelling 1              
Subsidies 288 242 316 427 291 522 – 231
Overig   0 0 168 26 216 – 190
Operationele Doelstelling 2              
Voorlichting   0 0 320 0 0 0
Operationele Doelstelling 3              
Overig 1924 1 676 27 1 078 2 876 4 606 – 1 730
Operationele Doelstelling 4              
Subsidies 430 724 1 566 818 251 577 – 326
Overig   0 0 264 225 200 25
               
Apparaatsuitgaven 6 958 7 311 11 063 16 326 16 768 16 760 8
Personeel en materieel 6 958 7 311 11 063 16 326 16 768 16 760 8
               
Ontvangsten 0 0 998 711 760 1 228 – 468

Toelichting

De onderuitputting op handhaving is voornamelijk veroorzaakt doordat een aantal geplande activiteiten niet of slechts gedeeltelijk zijn gerealiseerd.

De onderuitputting bij «overig» onder de algemene doelstelling (€ 2 140 000) is ontstaan door dat een deel (€ 1 150 000) een algemene reservering betrof, die lopende het jaar grotendeels ten behoeve van andere budgetten en artikelen is herschikt. De resterende onderuitputting van het begrote budget is het gevolg van onder andere het lager uitvallen van kosten voor onderzoek en voorlichting en doordat een aantal onderzoeken niet of voor een deel zijn doorgegaan.

Het onder operationele doelstelling 1 opgenomen subsidiebudget bevat onder andere de Subsidieregeling kwaliteit arbeidsverhoudingen welke nagenoeg volledig tot besteding is gekomen. De onderuitputting van ruim € 200 000 was een algemene reservering die lopende het jaar ten behoeve van andere artikelen en budgetten is herschikt.

De onderuitputting van € 1,7 miljoen van het budget onder operationele doelstelling 3, «overig» is grotendeels het gevolg van een verschuiving van een bedrag van € 900 000 naar 2010 voor activiteiten van de Taskforce DeeltijdPlus. Het resterende verschil tussen begroting en realisatie is voornamelijk veroorzaakt doordat een aantal geplande voorlichtingsactiviteiten geen doorgang hebben kunnen vinden.

Onder operationele doelstelling 4 bedroeg de onderputting € 301 000. Deze onderuitputting is ook ontstaan door een herschikking van budget ten behoeve van andere artikelen en budgetten. Daarnaast is sprake van een feitelijke onderuitputting van € 174 000 vanwege lager uitgevallen subsidies.

Tabel 43.2 Premiegefinancierde uitgaven Artikel 43 (x € 1 000)
Artikelonderdeel 2005 2006 2007 2008 Realisatie 2009 Begroting 2009 Verschil 2009
Uitgaven 817 760 800 000 891 000 1 000 000 1 122 000 950 536 171 464
               
Programmauitgaven 817 760 800 000 891 000 1 000 000 1 122 000 950 536 171 464
Operationele Doelstelling 3              
Zwangerschaps-, bevallings-, en adoptieverlofuitkeringslasten 795 760 788 000 875 000 985 000 1 093 000 899 445 193 555
Zwangerschaps-, bevallings-, en adoptieverlofuitvoeringskosten 22000 12 000 16 000 15 000 29 000 12 612 16 388
               
Nominaal 0 0 0 0 0 38 479 – 38 479
               
Ontvangsten 0 0 0 0 0 0 0

Bron: UWV Jaarverslag

Toelichting

De bijstelling van de uitkeringslasten van het zwangerschaps-, bevallings- en adoptieverlof wordt veroorzaakt door het toegenomen aantal werkende vrouwen in combinatie met de ontwikkeling van hun inkomensniveau.

Tabel 43.3 Fiscale uitgaven Artikel 43 (x € 1 mln)
artikelonderdeel 2005 2006 2007 2008 Realisatie 2009 Begroting 2009 Verschil 2009
Belastinguitgaven   422 372 376 345 506 – 161
               
Operationele doelstelling 3              
Levensloopregeling1   422 372 376 267 428 – 161
w.v. spaarfaciliteit   410 355 349      
w.v. ouderschapsverlofkorting   12 17 28      
Ouderschapsverlofkorting   782 78 0

Bronnen:

1 Berekening SZW, Financiën

2 Ministerie van Financiën, voorlopig cijfer

Toelichting

De ontwikkeling van het gebruik van de ouderschapsverlofkorting is naar verwachting vooral bepaald doordat aan deze fiscale tegemoetkoming vanaf 1 januari 2009 niet langer de voorwaarde is verbonden van deelname aan de levensloopregeling. De gelijktijdige verlenging van het verlof tot 26 weken zal in 2009 waarschijnlijk nog weinig effect hebben gehad op de omvang van het gebruik van het verlof.

De lagere fiscale uitgaven voor de levensloopregeling worden waarschijnlijk voor een deel veroorzaakt doordat vanaf 1 januari 2009 actieve deelname aan de levensloopregeling niet langer een voorwaarde is om aanspraak te kunnen maken op de ouderschapsverlofkorting.

Operationele doelstelling

1 Het bevorderen van stabiele en evenwichtige arbeidsverhoudingen

Motivering

Om stabiele en evenwichtige arbeidsverhoudingen te bevorderen wordt het recht op onderhandeling door sociale partners gewaarborgd en collectieve arbeidsvoorwaardenvorming geregeld.

Om het grondwettelijke recht op medezeggenschap door werknemers te regelen, te waarborgen en te bevorderen.

Om een adequate overlegstructuur tussen het kabinet en sociale partners in stand te houden ten behoeve van onderlinge beleidsafstemming, coördinatie op sociaal en sociaaleconomisch terrein en om zoveel mogelijk draagvlak te verkrijgen voor het kabinetsbeleid.

Doelbereiking

Sociale partners hebben in 2009 wederom blijk gegeven veel belang te hechten aan collectieve arbeidsvoorwaardenvorming en aan medezeggenschap. In totaal zijn er 190 CAO’s afgesloten voor 6,1 miljoen werknemers.

In maart 2009 heeft het kabinet met sociale partners gesproken over de gezamenlijke aanpak van de economische crisis. De beleidsinzet van kabinet en sociale partners richt zich op het tegengaan van (langduriger) werkloosheid en het bevorderen van een verantwoorde kostenontwikkeling.

Instrumenten en activiteiten

• Wet op de collectieve arbeidsovereenkomst (CAO), Wet op het Algemeen verbindend en het onverbindend verklaren van bepalingen van collectieve arbeidsovereenkomsten (AVV) en Wet op de loonvorming;

• Wet op de bedrijfsorganisatie (WBO);

• Wet op de ondernemingsraden (WOR), Wet op de Europese ondernemingsraden (WEOR) en Wet rol werknemers Europese vennootschap;

• Subsidieregeling kwaliteit arbeidsverhoudingen;

• Op 24 maart 2009 is er een sociaal overleg geweest tussen kabinet en de werkgevers- en werknemersorganisaties;

• Op 7 december 2009 is het kabinetsstandpunt over de stand van zaken van de medezeggenschap naar de Tweede Kamer gezonden (Kamerstukken II, 2009/10 29 818, nr. 32).

Doelgroepen

• Sociale partners (werkgevers en werknemers) en hun organisaties;

• Ondernemingsraden en Europese ondernemingsraden;

• (Hoofd)product- en (hoofd)bedrijfschappen en de SER.

Realisatie meetbare gegevens

Output en outcome zijn moeilijk objectief meetbaar. Het toepassen van het voor zelfregulering aangeboden instrumentarium ligt bij de sociale partners. Het overleg met sociale partners kent telkens wisselende onderwerpen. Er zijn daarom geen indicatoren geformuleerd. De gehanteerde kengetallen geven inzicht in het gebruik van de instrumenten, maar zijn geen eenduidige indicatoren voor de doelmatigheid en doeltreffendheid.

Kengetallen

Het gebruik van het instrument cao en avv varieert door de jaren heen. Een reden hiervoor is dat het tijd kost voordat partijen een akkoord hebben bereikt over een nieuwe cao.

Het aandeel Ondernemingsraadplichtige ondernemingen met OR is afgenomen naar 70%. Deze daling doet zich vooral voor onder bedrijven met een omvang van 50 tot 75 werknemers. Opgemerkt moet worden dat de afname mogelijk deels veroorzaakt wordt door wijzigingen in de steekproef.

Tabel 43.4 Kengetallen operationele doelstelling 1
  2006 2007 2008 2009
CAO/AVV1        
Aantal bedrijfstak-CAO’s 140 198 192 190
Aantal direct gebonden werknemers 3 867 000 4 449 500 4 644 500 4 699 500
Aantal door AVV gebonden werknemers 433 000 770 500 676 000 855 500
Aantal ondernemingen-CAO’s 398 517 524 558
Aantal gebonden werknemers 514 500 588 000 543 000 594 500
Totaal aantal CAO’s 538 715 716 748
Totaal aantal werknemers onder CAO’s 4 814 000 5 808 000 5 863 500 6 149 500
Medezeggenschap2 2002 2005 2008  
Percentage OR-plichtige ondernemingen met OR 71 76 70  

Bronnen:

1 SZW, Voorjaarsrapportage cao-afspraken

2 Research voor Beleid (2002 en 2005) en Regioplan (2009), Onderzoek naleving WOR

Operationele doelstelling

2 Zorgdragen voor een goede balans tussen rechten en plichten van werkgevers en werknemers voortvloeiend uit de arbeidsovereenkomst

Motivering

Om de bescherming van werknemers te waarborgen, in evenwicht met de belangen van de onderneming en met inachtneming van de eigen rol en verantwoordelijkheid van werkgevers en werknemers.

Doelbereiking

De wettelijke normering van de diverse aspecten van de arbeidsrelatie biedt, mede als gevolg van regelmatige aanpassing aan zich wijzigende omstandigheden, op hoofdlijnen een adequate bescherming van de belangen van de werknemer binnen de randvoorwaarden die de arbeidsorganisatie daaraan stelt, die ook voldoet aan de internationaal overeengekomen minimumstandaards.

Instrumenten en activiteiten

• Arbeidsovereenkomstenrecht;

• Buitengewoon Besluit arbeidsverhoudingen 1945, Wet melding collectief ontslag en Ontslagbesluit;

• Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag (WML), Besluit minimumjeugdloonregeling en Beleidsregels WML;

• Beleidsregels Werktijdverkorting;

• De Bijzondere beleidsregel verbod op werktijdverkorting in verband met de financiële crisis is per 1 april 2009 opgevolgd door de regeling deeltijd-WW;

• Laatstgenoemde regeling is in december 2009 verlengd tot 1 april 2010;

• Bij de Tweede Kamer is een wetsvoorstel ingediend op grond waarvan vaker (vier in plaats van drie keer) en langer (vier in plaats van drie jaar) gebruik kan worden gemaakt van tijdelijke contracten. Het betreft hier een tijdelijke maatregel tot (in beginsel) 1 januari 2012;

• In het Ontslagbesluit is het zogenoemde onmisbaarheidscriterium tijdelijk verruimd tot – in beginsel – 1 september 2011; op grond hiervan kunnen werkgevers werknemers die zij vanwege hun bijzondere competenties niet willen ontslaan, uitzonderen van de toepassing van de selectiecriteria die bij een ontslag om bedrijfseconomische redenen in aanmerking moeten worden genomen.

Doelgroepen

• Werknemers;

• Werkgevers;

• Zelfstandigen in geval van veiligheidsrisico’s voor derden.

Realisatie meetbare gegevens

Operationele doelstelling 2 kent geen kwantitatieve streefwaarden. De doelstelling van het beleid is te komen tot een transparante regelgeving waarbij op evenwichtige wijze rekening wordt gehouden met de bescherming van de werknemers en de vereisten van de onderneming. Voor dit evenwicht is geen objectieve indicator te geven.

Kengetallen

Als gevolg van de huidige economische crisis is er sprake van een forse stijging van het aantal ontslagaanvragen. De reguliere regeling voor WTV (werktijdtijdverkorting) staat niet open voor de opvang van de gevolgen van economische crises. Vanaf 30 november 2008 is hiervoor een bijzondere WTV-regeling in het leven geroepen. Deze is per 21 maart 2009 beëindigd en vervangen door deeltijd-WW. Gezien deze beëindiging zijn er met betrekking tot WTV uitsluitend gegevens over de reguliere regeling opgenomen. Het aantal WTV-aanvragen en -toekenningen over 2009 ligt op het niveau van 2007. Het aantal in 2009 opgelegde boetes in verband met overtreding van de WML (Wet minimumloon) vertoont een aanzienlijke stijging ten opzichte van dat in 2008. Hieruit kan niet worden afgeleid dat de WML slechter wordt nageleefd.

Tabel 43.5 Kengetallen operationele doelstelling 2
  Realisatie 2007 Realisatie 2008 Realisatie 2009
Ontslagen      
Aantal ontslagaanvragen CWI1 27 547 28 357 60 064
Waarvan via collectieve aanvraag (in %) 16 17 18
Aantal ontbindingsverzoeken rechtbanken2 29 983 23 556 29 854
Totaal aantal aanvragen en verzoeken 57 530 51 913 89 918
       
Aanvragen WTV (werktijdverkorting)3      
Aantal aanvragen 148 243 142
Aantal toegewezen 98 83 82
       
HandhavingWML4      
Aantal inspecties5 10 931 10 381 9 723
Aantal opgelegde boetes n.v.t. 26 58

Bronnen:

1 UWV, jaarverslag;

2 Raad voor de Rechtspraak

3 SZW, onderzoeksrapport werktijdverkorting;

4 SZW Arbeidsinspectie, Jaarverslag 2009

5 Gecombineerde inspecties WAV/WML

Operationele doelstelling

3 Bevorderen van het combineren van arbeid en zorg

Motivering

Om werknemers in staat te stellen de arbeidsduur (tijdelijk) aan te passen in verband met zorgtaken.

Doelbereiking

Het arbeid-en-zorginstrumentarium ondersteunt de hoge graad van met name arbeidsparticipatie van vrouwen in Nederland. Hierdoor is de beleidsopgave verschoven naar verhoging van de arbeidsparticipatie van vrouwen in uren. De levensloopregeling heeft in de praktijk een beperkte betekenis voor de combinatie van arbeid en zorg.

Instrumenten en activiteiten

• Wet arbeid en zorg;

• Wet aanpassing arbeidsduur;

• Levensloopregeling;

• Vanaf 1 januari 2009 is het ouderschapsverlof voor kinderen waarvoor dit verlof nog niet eerder was opgenomen, verlengd tot 26 weken, en geldt voor het recht op de ouderschapsverlofkorting niet langer de voorwaarde dat de betrokkene deelneemt aan de levensloopregeling;

• Op 9 maart 2009 is in samenwerking met het ministerie voor Jeugd en gezin en het ministerie van OCW de conferentie «Werkende gezinnen» gehouden;

• Op 18 mei 2009 is in samenwerking met het ministerie van OCW het symposium «Sluitende dagarrangementen» gehouden;

• Op grond van de uitkomsten van een consultatie bij betrokken maatschappelijke organisaties is op 9 oktober 2009 de Kamer de kabinetsvisie aangeboden (Kamerstukken II, 2009/10, 26 447, nr. 45) op de mogelijkheden die in de Beleidsverkenning modernisering regelingen voor verlof en arbeidstijden waren geschetst voor aanpassing van de huidige regelingen voor arbeid en zorg;

• In de Sociale Raad van 30 november 2009 is een politiek akkoord bereikt over de herziening van de ouderschapsrichtlijn, waarmee een herziene raamovereenkomst tussen de sociale partners op Europees niveau wordt uitgevoerd. Over de implementatie van deze richtlijn zijn de Nederlandse sociale partners op 9 december 2009 om advies gevraagd (Kamerstukken II, 2009/10, 26 447, nr. 52);

• De Taskforce DeeltijdPlus heeft in 2009 zijn activiteiten voortgezet, waaronder:

– het laten verrichten van onderzoek naar de behoeften van werkgevers en vrouwen aan een uitbreiding van de door hen gewerkte uren en naar de ambities van vrouwen over hun arbeidsparticipatie;

– de organisatie van de op 4 en 5 november 2009 gehouden internationale wetenschappelijke conferentie «24ormore»;

– de uitvoering van 27 pilots in de sectoren zorg, onderwijs, zakelijke dienstverlening en detailhandel naar de concrete voorwaarden en mogelijkheden voor uitbreiding van de arbeidsparticipatie van vrouwen.

De Taskforce zal op 31 maart 2010 zijn werkzaamheden beëindigen met de presentatie van een eindverslag.

Doelgroepen

• (potentiële) werknemers;

• werkgevers.

Indicatoren

Voor de arbeid-en-zorgregelingen is als beleidsdoel gehanteerd dat in 2009 het aandeel werknemers dat weliswaar behoefte heeft aan opname van verlof, maar dat niet opneemt, met 25 procent zou zijn gedaald ten opzichte van het referentiejaar 2005. Het gaat hierbij om het ouderschapsverlof en het korten langdurend zorgverlof.

Deze doelstelling blijkt niet te zijn gerealiseerd. De prestatie-indicator bevindt zich op nagenoeg hetzelfde niveau als in 2005. Kennelijk zijn de belemmeringen om gewenst verlof op te nemen niet verminderd. Deze zijn niet alleen van financiële aard, zoals bij het ouderschaps- en langdurend zorgverlof aan de orde kan zijn als daarover bij cao geen betaling is overeengekomen. In vergelijkbare mate zijn belemmeringen gelegen in de arbeidsorganisatie als werknemers aangeven verlof niet op te nemen vanwege de ervaren consequenties voor de loopbaan. Het wegnemen van dergelijke drempels om arbeid en zorg te combineren is een verantwoordelijkheid van de sociale partners. De aangekondigde wijzigingen in de diverse arbeid-en-zorgregelingen, als uitvloeisel van de conclusies die zijn verbonden aan de Beleidsverkenning modernisering regelingen voor verlof en arbeidstijden, kunnen er ook toe bijdragen dat werknemers het verlof kunnen opnemen waaraan zij behoefte hebben.

Bij de huidige prestatie-indicator wordt de behoefte aan verlof als gegeven genomen, ongeacht andere instrumenten die werknemers kunnen benutten voor de combinatie van arbeid en zorg, zoals flexibele arbeidspatronen. Bij de voorbereiding van de begroting voor 2011 zal worden bezien of een indicator kan worden geformuleerd die hierop aansluit.

Tabel 43.6 Indicatoren operationele doelstelling 3
  Realisatie 2007 Realisatie 2008 Realisatie 2009 Streefwaarde 2009
Discrepantie tussen feitelijke en gewenste opname van verlof (%) 45 44 34 (daling met een kwart t.o.v 2005

Bron: CBS, EBB-module arbeid en zorg

Kengetallen

Omdat 2009 het eerste volledige kalenderjaar is waarin zelfstandigen aanspraak konden maken op de zwangerschaps- en bevallingsuitkering ligt het aantal toekenningen aanzienlijk hoger dan dat in 2008.

De stijging van het aantal personen dat de ouderschapsverlofkorting ontvangt, wordt waarschijnlijk vooral bepaald door het vervallen van de voorwaarde dat de betrokkene deelneemt aan de levensloopregeling. De gelijktijdige verlenging van het verlof tot 26 weken zal in 2009 waarschijnlijk nog weinig effect hebben gehad.

Het aantal actieve deelnemers aan de levensloopregeling is in 2009 gedaald van 270 dzd naar 249 dzd. De oorzaak van deze daling is op dit moment nog niet bekend. Het is echter aannemelijk dat de daling samenhangt met de genoemde ontkoppeling van de ouderschapsverlofkorting van de levensloopregeling.

Tabel 43.7 Kengetallen operationele doelstelling 3
  Realisatie 2007 Realisatie 2008 Realisatie 2009
Zwangerschaps- en bevallingsverlofuitkering (x 1 000)      
– aantal toekenningen werknemers1 127 135 139
– aantal toekenningen zelfstandigen1 0,4 4,2 9,0
Adoptieverlof(x 1 000)      
– aantal toekenningen werknemers1 1,1 1,2 1,2
Ouderschapsverlof(x 1 000)      
– Aantal werknemers met ouderschapsverlof (betaald en onbetaald)2 75 67 76
– Aantal ontvangers ouderschapsverlofkorting3 20 22 22
Levensloopregeling (x 1 000)      
– aantal actieve deelnemers4 259 270 249

Bronnen:

1 UWV, jaarverslag

2 CBS, EBB module Arbeid en zorg

3 SZW-berekening, belastingdienst

4 CBS, EBB-module Levensloop

Operationele doelstelling

4 Bevorderen van gelijke kansen op de arbeidsmarkt en toegang tot de arbeidsmarkt door bescherming te bieden tegen ongelijke behandeling bij arbeid en beroep

Motivering

Om werknemers en werkzoekenden bescherming te bieden tegen ongelijke behandeling en te waarborgen dat eenieder gelijke kansen heeft op het terrein van arbeid.

Doelbereiking

Vooral op het vlak van de gelijke behandeling van mannen en vrouwen is een aanzienlijke vooruitgang gerealiseerd. In cao’s is geen sprake meer van direct onderscheid naar geslacht en bij werving en selectie is dat aanmerkelijk afgenomen. De gelijke behandeling van allochtonen, ouderen en arbeidsgehandicapten vergt nog de nodige aandacht, waarbij naast wetgeving ook andere instrumenten worden ingezet onder andere gericht op beeldvorming (zie ook de Beleidsdoorlichting Arbeidsverhoudingen,Kamerstukken II, 2008/2009, 30 982, nr. 4).

Met het oog op de noodzakelijke verhoging van de arbeidsparticipatie van ouderen wordt in het bijzonder aandacht besteed aan leeftijdsbewust personeelsbeleid.

Instrumenten en activiteiten

• Wet gelijke behandeling op grond van leeftijd bij arbeid;

• Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen;

• Wet verbod van onderscheid op grond van arbeidsduur;

• Wet gelijke behandeling van tijdelijke en vaste werknemers;

• Commissie gelijke behandeling;

• Commissie klachtenbehandeling aanstellingskeuringen;

• Subsidie aan Expertisecentrum LEEFtijd voor de uitvoering van de projecten Werk voor alle leeftijden, meerjarentraject 2008–2010 en Vacatures voor alle leeftijden;

• Op 11 juni 2009 is de kabinetsreactie op de evaluatie van de Wet gelijke behandeling op grond van leeftijd de Kamer aangeboden (Kamerstukken II, 2008/2009, 30 347, nr. 2); het tweede deel van de reactie is op 29 september 2009 aangeboden, onder meer betreffende de zogeheten enkele feit-constructie (Kamerstukken II, 2009/2010, 28 481, nr. 6);

• Uitvoering van de discriminatiemonitor niet-westerse allochtonen op de arbeidsmarkt door het SCP, waarvan het onderdeel praktijktests onder de titel «Liever Mark dan Mohammed» op 21 januari 2010 is gepubliceerd; het volledige onderzoek wordt naar verwachting april 2010 met een publicatie afgerond;

• Voortzetting van de website gelijkloon.nl en het netwerk gelijke beloning, waarin naast SZW o.a. BZK, OCW, Stichting de Loonwijzer, de Commissie gelijke behandeling en sociale partners participeren;

• Subsidie aan Forum voor het uitvoeren van de beeldvormingscampagne «Kleur in de zorg«.

Doelgroepen

• Werkgevers, werknemers en hun vertegenwoordigers;

• Relevante belangenorganisaties en organisaties van professionals.

Realisatie meetbare gegevens

Gegevens uit een recent beschikbaar gekomen CBS-analyse van beloningsverschillen worden momenteel bezien op hun bruikbaarheid als indicator voor de begroting 2011.

Tabel 43.8 Indicatoren operationele doelstelling 4
  Realisatie 2007 Realisatie 2008 Streefwaarde 2008
Gecorrigeerdebeloningsverschillen (%)      
Verschil man-vrouw bedrijfsleven <6
Verschil man-vrouw overheid <3
       
Ongecorrigeerde beloningsverschillen (%)  
Verschil man-vrouw bedrijfsleven 20
Verschil man-vrouw overheid 13

Bron: CBS.

Kengetallen

Tabel 43.9 Kengetallen operationele doelstelling 4
  Realisatie 2007 Realisatie 2008 Realisatie 2009
Commissie gelijke behandeling: Aantal oordelen op terrein van arbeid1      
Totaal aantal 159 117 96
waarvan op grond van (%):      
– geslacht 12 15 15
– leeftijd 45 38 41
– handicap 13 9 9
– overig: (inclusief zaken waarin verschillende gronden gelijktijdig aan de orde zijn) 30 38 35
       
Commissie klachtenbehandeling: aanstellingskeuringen2      
Klachten 5 5 9
Vragen 68 33 38
Totaal 73 38 47

Bronnen:

1 Commissie Gelijke Behandeling, jaarverslag 2009: voorlopige opgave

2 Commissie Klachtenbehandeling Aanstellingskeuringen, jaarverslag 2009: voorlopige opgave

Overzicht afgeronde onderzoeken

Tabel 43.10 Overzicht afgeronde onderzoeken
Soort onderzoek Onderwerp onderzoek AD/OD A. StartB. Afgerond Vindplaats
Evaluatieonderzoek ex ante        
Beleidsdoorlichting        
Effecten onderzoek ex post Evaluatie van het toetsingskader AVV OD 1 A. 2009B. 2009 Kamerstukken II, 2009/2010, 29 544, nr. 217
Overig evaluatieonderzoek Levensloopregeling OD 3 A: 2009B: 2010  
  Evaluatie van de Wet gelijke behandeling op grond van leeftijd bij arbeid OD 4 A. 2008B. 2009 Kamerstukken II, 2009/2010, 28 481, nr. 6

Toelichting

In 2009 zijn de werkzaamheden aan de evaluatie van de levensloopregeling afgerond, die in 2010 met een kabinetsreactie aan de Tweede Kamer wordt aangeboden.

Op 29 september 2009 is het tweede deel van de kabinetsreactie op de evaluatie van de Algemene wet gelijke behandeling de Tweede Kamer aangeboden, onder meer betreffende de zogeheten enkele feit-constructie.

Artikel

44 Gezond en veilig werken

Algemene doelstelling

Het bevorderen van veilige en gezonde arbeidsomstandigheden en een goede verzuimaanpak

Motivering

Om de veiligheid en gezondheid van werknemers te beschermen en arbeidsuitval te voorkomen is een goed arbeidsomstandigheden- en verzuimbeleid noodzakelijk. Dit is van belang voor het beperken van het beroep op de Wet Werk en Inkomen naar Arbeidsvermogen (WIA) en de gezondheidszorg en voor het in stand houden van de arbeidsproductiviteit.

Veilige en gezonde arbeidsomstandigheden dragen daarnaast bij aan het inperken van (bedrijfs-)risico’s met ingrijpende effecten op de samenleving, bijvoorbeeld bij bedrijven die werken met grote hoeveelheden gevaarlijke stoffen.

De daadwerkelijke uitvoering van goed arbeidsomstandigheden- en verzuimbeleid is de verantwoordelijkheid van werkgevers en werknemers. SZW stimuleert het arbobeleid van bedrijven en ziet erop toe dat de Arbeidsomstandighedenwet wordt nageleefd.

Doelbereiking en maatschappelijke effecten

In 2009 was het verzuimpercentage gemiddeld 4,3%. Uit de Nationale Enquête Arbeidsomstandigheden (NEA) kwam naar voren dat 91% van de werknemers positief is over de eigen gezondheid. Organisaties met een laag verzuimpercentage hebben (ook) in 2009 aandacht voor preventie van verzuim. In 2009 hebben in het Nederlandse bedrijfsleven 3 incidenten plaatsgevonden met grote hoeveelheden gevaarlijke stoffen. Het aantal incidenten bleef in 2009 op een gelijk (laag) niveau als in de afgelopen jaren.

Externe factoren

Uit cao-onderzoek van SZW blijkt dat in 88% van de onderzochte cao’s afspraken zijn opgenomen over ziekteverzuimaanpak.

Werkgevers en werknemers zetten zich in voor het opstellen van arbocatalogi. Tot eind 2009 zijn 155 arbocatalogi met een positief resultaat marginaal getoetst door de Arbeidsinspectie.

Ketenpartijen hebben verdere invulling gegeven aan hun verantwoordelijkheid om een kwalitatief goede integrale keten van preventie, verzuim en re-integratie tot stand te brengen en te optimaliseren. De ruimte die er is voor maatwerk maakt dat ook op de werkvloer zich een goed functionerende keten ontwikkelt.

Realisatie meetbare gegevens

De streefwaarden voor arbeidsongevallen voor 2006 en verder zijn gebaseerd op de forse daling van het aantal arbeidsongevallen in de jaren 2000 tot en met 2005. Die daling zet sinds 2006 echter niet door. De kans op een arbeidsongeval met verzuim tot gevolg is na 2006 niet significant veranderd. De cijfers van 2009 (3,1%) laten geen ander beeld zien. De stagnatie in de daling van het aantal ongevallen is aanleiding om in de komende jaren beleid in te zetten op het verder verminderen van arbeidsongevallen. Het kabinetsbeleid is gericht op het vergroten van de arbeidsdeelname van ouderen en gedeeltelijk arbeidsgeschikten. De verwachting is dat met de toename van de arbeidsdeelname de behoefte aan verdere aanpassingen de eerstkomende jaren ten minste gelijk blijft aan de realisatie 2007. In 2009 komt dat nog niet in de realisatie tot uitdrukking.

Tabel 44.1 Indicatoren algemene doelstelling
  Realisatie 2007 Realisatie 2008 Realisatie 2009 Streefwaarde 2009
Percentage arbeidsongevallen onder werknemers met verzuim tot gevolg1 3,2 3,4 3,1 3,0
Percentage werknemers dat verdere aanpassingen aan de werkplek of aan de werkzaamheden noodzakelijk acht in verband met zijn of haar gezondheid1 24,1 22,2 19,5 24,0
Percentage ziekteverzuim2 4,4 4,3 4,3 4,3

Bronnen:

1 TNO/CBS; Nationale Enquête Arbeidsomstandigheden

2 CBS; Kwartaalenquête ziekteverzuim

Tabel 44.2 Kengetal algemene doelstelling
  Realisatie 2007 Realisatie 2008 Realisatie 2009
Aantal incidenten met grote hoeveelheden gevaarlijke stoffen 4 0 3

Bron: SZW, Jaarverslag Arbeidsinspectie 2009

Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 44.3 Begrotingsuitgaven Artikel 44 (x € 1 000)
artikelonderdeel 2005 2006 2007 2008 Realisatie 2009 Begroting 2009 Verschil 2009
Verplichtingen 103 502 85 572 72 842 59 970 59 006 64 049 – 5 050
Uitgaven 93 088 93 755 84 463 61 072 58 288 64 570 – 6 282
               
Programma uitgaven 42 337 42 932 33 059 19 728 19 503 23 866 – 4 363
               
Operationele Doelstelling 1              
Arboconvenanten 16 899 13 453 9 092 0 0 0 0
Handhaving 251 675 529 325 317 300 17
Overig 6 712 7 016 6 034 4 725 6 822 4 396 2 426
Subsidies 18 475 21 788 17 404 14 678 12 364 19 170 – 6 806
               
Apparaatsuitgaven 50 751 50 823 51 404 41 344 38 785 40 704 – 1 919
Personeel en materieel 50 751 50 823 51 404 41 344 38 785 40 704 – 1 919
               
Ontvangsten 7 093 3 886 5 251 8 207 11 978 5 132 6 856

Toelichting

Subsidies

Het verschil tussen de begrote en gerealiseerde subsidie-uitgaven wordt voornamelijk veroorzaakt door een kasschuif van € 4 miljoen naar 2010 van de subsidieregeling Stimulering Totstandkoming Arbocatalogi (STA). Deze kasschuif dient ertoe om de eind 2009 ingediende catalogi in 2010 te kunnen financieren.

In 2008 is een achterstand bij de afhandeling van de declaraties Subsidieregeling Preventie Arbeidsuitval (SPA) ontstaan (€ 0,9 mln). Deze achterstand is in 2009 gedeeltelijk weggewerkt. De subsidieregeling SPA is beëindigd met ingang van 1 januari 2008. Het Agentschap.NL verzorgt de uitvoering van de subsidieregeling. In 2010 wordt deze regeling volledig afgerond.

In 2009 heeft een herschikking van subsidies naar overig plaatsgevonden van circa € 1,3 miljoen onder andere voor de lopende ontwikkeling van de SZW website het Arboportaal en de voorlichtingscampagne administratieve lasten Arbowet.

Ontvangsten

De feitelijke inning van boetes in verband met overtreding van de Arbowet en Arbeidstijdenwet is in 2009 aanzienlijk hoger uitgevallen dan begroot. Dat komt door het – evenals in 2008 – inlopen op de werkvoorraad. Die werkvoorraad bevatte relatief meer bestuurlijke boetes naar aanleiding van arbeidsongevallenonderzoeken die gemiddeld hogere boetes betreffen. Het aantal boetebeschikkingen op de Arbowet neemt niet toe.

Operationele doelstelling

1 Bevorderen dat werkgevers en werknemers in bedrijven een effectief en efficiënt arbeidsomstandigheden- en verzuimbeleid voeren

Motivering

Om te bereiken dat werkgevers en werknemers in bedrijven een effectief en efficiënt arbeidsomstandighedenbeleid voeren, voert de overheid een stimuleringsbeleid op dit punt. Met de herziene Arbeidsomstandighedenwet die per 1 januari 2007 van kracht is, hebben werkgevers en werknemers meer ruimte gekregen om, binnen de wettelijke begrenzing, arbeidsomstandighedenbeleid af te stemmen op de eigen onderneming en daarnaast ook op de eigen sector. Ook is met de herziene Arbeidsomstandighedenwet de administratieve lastendruk voor ondernemingen verminderd. Dit verhoogt het draagvlak voor het arbeidsomstandighedenbeleid binnen de onderneming en maakt het meer kostenefficiënt. Hiermee wordt het arbeidsomstandighedenbeleid effectiever. Sluitstuk van de SZW-inzet is het handhavingsbeleid waarmee de naleving van de Arbeidsomstandighedenwet wordt bevorderd.

Doelbereiking

Oogmerk is dat risico’s in arbeidsomstandigheden op de werkvloer met maatregelen worden aangepakt. Uit de monitor «Arbo in bedrijf 2008» van de Arbeidsinspectie blijkt dat het grootste deel van de bedrijven afdoende maatregelen treft tegen de in het bedrijf voorkomende risico’s. Voor specifieke, in het bedrijf voorkomende risico’s, heeft ongeveer 85–90% van de bedrijven maatregelen getroffen die door de Arbeidsinspectie qua effectiviteit als redelijk of goed worden beoordeeld.

Initiatieven gericht op het bevorderen van meer en betere preventiemaatregelen door bedrijven betreffen sectorale initiatieven/programma’s en het stimuleren van de risico-inventarisatie en -evaluatie (RI&E). Belangrijk is de financiële ondersteuning bij de totstandkoming van Arbocatalogi. De totstandkoming daarvan is de verantwoordelijkheid van sociale partners. De Commissie Begeleiding Arbocatalogi (CBA) van de Stichting van de Arbeid heeft dit proces vanaf 2007 begeleid. De CBA verricht zijn werkzaamheden met subsidie van SZW. Deze subsidiëring is in 2009 met een jaar verlengd zodat de CBA ook in 2010 nog werkzaamheden kan uitvoeren. Deze werkzaamheden bestaan uit het bevorderen van het tot stand komen van nieuwe arbocatalogi, de uitbreiding van bestaande arbocatalogi met meerdere risico’s en de implementatie van de arbocatalogus in de sector. De Arbeidsinspectie toetst de catalogi marginaal. Per 31 december 2009 zijn er 155 catalogi (die betreffen in totaal 133 branches) getoetst. De dekkingsgraad geeft aan hoeveel werknemers onder de werking van een arbocatalogus vallen. Per 1 januari 2010 viel circa 49% van de werknemers onder de werking van een arbocatalogus.

Een ander initiatief betreft de vereenvoudiging van de risico-inventarisatie en -evaluatie (RI&E). Bedrijven dienen te beschikken over een schriftelijk vastgelegde RI&E. In de praktijk beschikt minder dan de helft van alle bedrijven over een RI&E (46%). Bij kleine bedrijven ontbreekt die vaak, maar bij grotere bedrijven is een RI&E vrijwel altijd aanwezig. Bedrijven met een RI&E treffen vaker beschermende maatregelen dan bedrijven zonder RI&E; bovendien blijkt de kwaliteit van die maatregelen doorgaans beter te zijn. In 2009 zijn SZW en sociale partners overeengekomen in te zetten op het stimuleren van het gebruik van de RI&E. Daartoe is een vereenvoudiging van het RI&E stelsel voor kleine bedrijven voorbereid. De kosten voor de schriftelijke RI&E kunnen daardoor aanzienlijk worden teruggebracht. De verplichte toets op de RI&E voor bedrijven met maximaal 25 werknemers komt te vervallen indien men gebruik maakt van door het tripartiete Steunpunt RI&E erkende RI&E’s. Verder zal het inzagerecht van werknemers in de RI&E in wetgeving eenduidig worden gegarandeerd.

Instrumenten en activiteiten

Uitgevoerde en lopende sectorale initiatieven/programma’s:

• Tijdelijke subsidieregeling «Stimulering Totstandkoming Arbocatalogi» (STA). In 2009 zijn 37 subsidieaanvragen toegekend. De regeling is afgelopen per 1 januari 2010. Eind december zijn nog 83 aanvragen ingediend die in 2010 worden behandeld.

• De subsidieregeling financiële ondersteuning arbeidsmiddelen (FARBO) is beëindigd. Aanvragen met een factuurdatum vóór 31 december 2008 konden worden ingediend tot 1 april 2009. Er zijn 667 aanvragen gehonoreerd.

• Met het Actieplan Arbeidsveiligheid zijn in 2009 activiteiten gestart om de behaalde resultaten van het programma Versterking Arbeidsveiligheid te implementeren en te verbreden. Het Actieplan Arbeidsveiligheid richt zich op de verbetering van de fysieke veiligheid voor werkgevers en werknemers en de daarmee samenhangende verhoging van de arbeidsproductiviteit en verbetering van arbeidsomstandigheden door in te zetten op interventies in de cultuur en het gedrag op de werkvloer.

EU-regelgeving:

• SZW financiert met andere departementen de Helpdesk REACH (Registratie, Evaluatie en Autorisaties van Chemische stoffen) die het bedrijfsleven ondersteunt bij het voldoen aan EU-verplichtingen voor het op de markt brengen van gevaarlijke stoffen.

Handhaving van wet- en regelgeving.

Communicatie en voorlichting:

• Landelijke voorlichtingscampagne «Samen beter aan de slag» is beëindigd in 2009.

• Er zijn verbeteringen gerealiseerd in de toegankelijkheid van de website Arboportaal. Het aantal bezoeken bedraagt circa 900 000 per jaar.

• Beschikbaar stellen van kennis aan sectororganisaties, bedrijven, arboprofessionals, en sociale partners waarmee zij een gezonde werkomgeving kunnen bevorderen.

Doelgroepen

Werkgevers, werknemers, arboprofessionals (preventiemedewerker, arbeidshygiënist, bedrijfsarts, veiligheidskundige, etc).

Realisatie meetbare gegevens

Percentage bedrijven met een RI&E:

Bedrijven dienen te beschikken over een schriftelijk vastgelegde RI&E. In de praktijk beschikt minder dan de helft van alle bedrijven over een RI&E (46%). Bij kleine bedrijven ontbreekt die vaak, maar bij grotere bedrijven is een RI&E vrijwel altijd aanwezig. In 2008 valt 85% van de werknemers onder de werkingssfeer van de RI&E. De streefwaarde voor 2009 is niet bereikt. Mede als gevolg hiervan is na overleg met de sociale partners een herziening van het RI&E-stelsel voorzien via een wetsvoorstel dat per 2011 in werking treedt.

Percentage werknemers dat onder de werking van een arbocatalogus valt:

Voor 2009 werd gestreefd naar een bereik van 50%. Dit percentage is nagenoeg gehaald (circa 49%). Op 1 januari 2010 waren 155 catalogi door de Arbeidsinspectie marginaal goed getoetst, deze besloegen 133 sectoren.

Tabel 44.4 Indicatoren operationele doelstelling 1
  Realisatie 2007 Realisatie 2008 Realisatie 2009 Streefwaarde 2009
Percentage bedrijven met een RI&E (naleving regelgeving)1 48 46 46 60
Percentage bedrijven dat bij hercontrole voldoet aan de Arbowet2 97 98 98 > 95
Percentage werknemers dat onder de werking van een arbocatalogus valt2   16,5 49 50

Bronnen:

1 SZW-administratie

2 SZW, Jaarverslag Arbeidsinspectie 2009

Tabel 44.5 Kengetallen operationele doelstelling 1
  Realisatie 2007 Realisatie 2008 Realisatie 2009
Aantal actieve inspecties door de Arbeidsinspectie 19 579 20 012 21 386

Bron: SZW, Jaarverslag Arbeidsinspectie 2009

Kengetallen

In 2009 zijn op het terrein van arbeidsomstandigheden 21 386 actieve inspectietrajecten afgerond. Actieve inspecties zijn inspecties op eigen initiatief van de Arbeidsinspectie en doorgaans niet bij het bedrijf aangekondigd, ze kunnen meerdere inspectiebezoeken bij één bedrijf betreffen.

Tabel 44.6 Onderzoek naar de doelmatigheid en doeltreffendheid van beleid
Soort onderzoek Onderwerp onderzoek AD/OD A. StartB. Afgerond Vindplaats
Beleidsdoorlichting Arbeidsomstandigheden AD A: 2009B: 2011  
Evaluatie Arbeidsomstandighedenwet AD A: 2009B: 2011  

Toelichting

Uit oogpunt van efficiency wordt de beleidsdoorlichting gecombineerd met de verplichte (wets)evaluatie Arbowet. Deze wordt eind 2011 naar de Tweede Kamer gestuurd.

In de Begroting 2010 was gemeld dat de Arbeidstijdenwet in 2010 geëvalueerd zou worden. De Minister heeft in oktober 2009 aan de Tweede Kamer geschreven dat de Arbeidstijdenwet in 2012 wordt geëvalueerd. De reden van dit uitstel is dat 3 jaar na inwerkingtreding te kort is om effecten van de wijzigingen op de werkvloer te kunnen verwachten.

Artikel

45 Pensioenbeleid

Algemene doelstelling

Bevorderen en beschermen van arbeidspensioenen

Motivering

Om werkgevers en werknemers te stimuleren afspraken te maken voor aanvullend pensioen en een waarborg te scheppen dat een pensioentoezegging van de werkgever aan zijn werknemers na pensionering gestand wordt gedaan.

Doelbereiking en maatschappelijke effecten

Brede aanpak

De ontwikkelingen op de financiële markten hebben de pensioenfondsen hard geraakt en vormden de aanleiding tot nadenken over herstelmaatregelen. Eind mei heeft het kabinet in een brief de beoogde brede aanpak geschetst (Kamerstukken II, 2008–2009, 30 413, nr. 127).

Bij de vaststelling door pensioenfondsen van hun financiële positie spelen verwachtingen over toekomstige rendementen een belangrijke rol. De commissie Don is in september met een advies gekomen. In haar advies ziet zij geen aanleiding de huidige parameters te wijzigen, maar pensioenfondsen dienen bij hun beleidsontwikkeling rekening te houden met de mogelijkheid van forse afwijkingen van de gehanteerde verwachtingen (Tweede Kamer, 2009–2010, 30 413, nr. 133).

Ook is de wijze waarop het beleggingsbeleid bij pensioenfondsen tot stand komt onder de loep genomen. De commissie Frijns heeft hierover begin 2010 een rapport uitgebracht (Tweede Kamer, 2009–2010, 30 413, nr. 138).

Voorts is door de commissie Goudswaard bekeken of het financieel toetsingskader, het stelsel van aanvullende pensioenen in den brede, en de bestuurs- en medezeggenschapsstructuren van pensioenfondsen voldoende zijn toegesneden op de huidige en toekomstige uitdagingen. Deze commissie beziet ook of de toezichtregels in geval van uitbesteding voldoende effectief zijn. Haar rapportage over de houdbaarheid van het Nederlandse pensioenstelsel is begin 2010 verschenen (Tweede Kamer, 2009–2010, 30 413, nr. 139).

De resultaten van de verschillende studies worden verwerkt in een kabinetsreactie, die begin april 2010 aan de Tweede Kamer zijn gezonden. Daarmee geeft het kabinet invulling aan haar verantwoordelijkheid voor de waarborgfunctie voor het aanvullend pensioen.

Witte vlek

In december 2009 is gerapporteerd over de omvang van de witte vlek in 2007 (werknemers die geen pensioen opbouwen in de tweede pijler). Geconstateerd is dat 9 van de 10 werknemers pensioen opbouwen (Kamerstukken II, 2009–2010, 30 413, nr. 136). De voorlopige cijfers over 2008 laten een witte vlek van 9% zien. Eind 2010 zal de definitieve witte vlek over 2008 en 2009 worden gepubliceerd.

Externe factoren

• De financiële buffers van pensioenfondsen zijn in 2009 door de turbulentie op de financiële markten geslonken. Door de aanhoudende dalende aandelenkoersen en de lagere rente is de gemiddelde dekkingsgraad van pensioenfondsen in veel gevallen onder de 100% gekomen, terwijl de Pensioenwet een minimum dekkingsgraad voorschrijft van 105% en het fonds hier bovenop een buffer moet aanhouden van circa 25%.

• Herstel van de dekkingsgraden van pensioenfondsen is in belangrijke mate afhankelijk van de ontwikkelingen op de financiële markten in de komende jaren.

• Er bestaat in Nederland geen pensioenplicht. Sociale partners zijn vrij om wel of geen pensioen in de arbeidsrelatie overeen te komen.

Realisatie meetbare gegevens

Indicatoren en kengetallen over het pensioenbeleid zijn opgenomen onder de operationele doelstellingen.

Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 45.1 Begrotingsuitgaven Artikel 45 (x € 1 000)
artikelonderdeel 2005 2006 2007 2008 Realisatie 2009 Begroting 2009 Verschil 2009
Verplichtingen 983 61 808 58 547 2 623 1 943 1 890 53
Uitgaven 983 34 008 86 347 2 431 2 011 1 889 122
               
Programma uitgaven 0 32 500 85 000 943 437 402 35
               
Operationele Doelstelling 1              
Eenmalige uitkering Wet Verevening pensioen bij scheiding 0 32 500 85 000 0 0 0 0
Overig 0 0 0 15 138 245 – 107
Operationele Doelstelling 2              
Subsidies 0 0 0 928 299 157 142
               
Apparaatsuitgaven 983 1 508 1 347 1 488 1 574 1 487 87
Personeel en materieel 983 1 508 1 347 1 488 1 574 1 487 87
               
Ontvangsten 0 0 0 13 661 11 0 11

Toelichting

Overig

De onderuitputting bij de «overige activiteiten» in het kader van de operationele doelstelling 1 zijn het gevolg van beleidsonderzoeken, waarvan de betaling niet in 2009 heeft plaatsgevonden. Ook is er sprake van meevallers bij de definitief vastgestelde kosten van onderzoeken.

Subsidies

Op de begroting 2009 was een budget van € 157 000 beschikbaar voor subsidies. Dit bedrag is verhoogd in verband met de honorering van een eindejaarsmargeclaim. In 2009 is subsidie verleend aan de activiteiten van Stichting Pensioenkijker, Centrale Samenwerkende Ouderenorganisaties en Netspar.

Ontvangsten

De ontvangsten hebben betrekking op een terugvordering in verband met een lager vastgestelde subsidie Evaluatie Pension Fund Governance door de SER.

Apparaatsuitgaven

De extra apparaatsuitgaven zijn het gevolg van de personele kosten ten behoeve van de commissie Frijns.

Operationele doelstelling

1 Vergroten van de houdbaarheid en het bereik van het stelsel van aanvullende pensioenen

Motivering

Zoveel mogelijk werknemers in de gelegenheid stellen op collectieve en solidaire wijze een aanvulling op de AOW te verkrijgen om na pensionering hun levensstandaard zo goed mogelijk te kunnen handhaven.

Doelbereiking

De financiële crisis heeft aangetoond dat pensioenfondsen in toenemende mate gevoelig zijn voor lage rente en lage aandelenwaarden. Sturingsinstrumenten, zoals indexatiekorting voor actieven en gepensioneerden, moeten naar verwachting langdurig worden ingezet om de dekkingsgraden weer op peil te brengen. De commissies Frijns en Goudswaard hebben onderzocht in hoeverre de houdbaarheid en de toereikendheid van het pensioenstelsel voldoende zijn om op de langere termijn het hoofd te kunnen bieden aan de vergrijzing. Tevens is gekeken naar het aanvullend pensioen in relatie tot de kapitaalmarkt; daarbij kwamen aan de orde het toezicht, de financiële buffers en de algemene pensioeninstelling. De commissies Frijns en Goudswaard presenteerden begin 2010 de resultaten; de kabinetsreactie daarop is begin april verzonden.

Begin 2009 telde Nederland ruim 630 pensioenfondsen met in totaal bijna 6 miljoen deelnemers. Daarnaast hebben werkgevers circa 22000 pensioenovereenkomsten gesloten bij verzekeraars voor ruim 800 000 deelnemers.

Instrumenten en activiteiten

• De termijn voor het indienen van een korte termijn herstelplan voor pensioenfondsen met een dekkingstekort is bij ministeriële regeling verlengd van 3 naar 5 jaar (maart 2009).

• In 2009 is het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling aangepast. Met de aanpassing wordt beoogd de procedure in het geval van opschorting van de plicht tot waardeoverdracht te verduidelijken.

• Op 13 maart 2009 is het wetsvoorstel betreffende de introductie van de premiepensioeninstelling – waarmee invulling wordt gegeven aan de eerste fase van de Algemene Pensioen Instelling (API) – ter overweging aangeboden aan de Tweede Kamer. Het inhoudelijke voortouw met betrekking tot dit wetsvoorstel ligt bij het ministerie van Financiën. (Kamerstukken II, 2008–2009, 31 891, nr. 4). Door de wetswijziging kan een ondernemingspensioenfonds – door een fusie van de betreffende ondernemingspensioenfondsen – voor meerdere ondernemingen (zonder onderling verband) actief zijn.

• Op 22 september 2009 is het wetsvoorstel tweede fase van de API – inmiddels aangeduid als het multi-ondernemingspensioenfonds (opf) – ter overweging aangeboden aan de Tweede Kamer. (Kamerstukken II, vergaderjaar 2009–2010, 32 141, nr. 4).

• Teneinde het conversierisico en het renterisico van premieovereenkomsten en kapitaalovereenkomsten te beheersen is in de Pensioenwet en de Wet verplichte beroepspensioenregeling de mogelijkheid gecreëerd nadere regels te stellen voor het gesplitst aanwenden van het op de pensioendatum beschikbaar komende kapitaal (pensioenknip).

Doelgroepen

• werkgevers

• werknemers

• pensioenuitvoerders

Realisatie meetbare gegevens

Het aantal fondsen met een reservetekort

De ontwikkelingen op de financiële markten hebben de pensioenfondsen hard geraakt. Uiteindelijk hebben circa 350 fondsen een herstelplan moeten indienen, waarvan ongeveer 300 voor een dekkingstekort (een dekkingsgraad onder 105%). Ultimo 2008 was er sprake van een gemiddelde dekkingsgraad van circa 95%. Sinds maart 2009 is er sprake van herstel. De gemiddelde dekkingsgraad stond eind maart op ongeveer 92%; per ultimo september was die gestegen naar 109%. In het vierde kwartaal is de gemiddelde dekkingsgraad stabiel gebleven op 109%.

Het merendeel van de fondsen kent echter nog steeds een reservetekort (een dekkingsgraad onder 130%) en de bestendigheid van het herstel is onzeker (DNB, kwartaalbericht december 2009). Volgens de laatste, voorlopige, cijfers hebben 338 fondsen een reservetekort, waarvan circa 104 fondsen tevens een dekkingstekort.

Tabel 45.2 Indicatoren operationele doelstelling 1
  Realisatie 2007 Realisatie 2008 Realisatie 2009 Streefwaarde 2009
Aantal fondsen met een reservetekort 154 365 338 80

Bron: DNB, Pensioenmonitor 2009

Kengetallen

Aandeel actieve deelnemers met mogelijkheid tot vrijwillige voortzetting

De huidige financiële crisis is de tweede in nog geen tien jaar tijd, die het pensioenstelsel zwaar onder druk zet. Na de vorige crisis werden op grote schaal eindloonregelingen omgezet in voorwaardelijk geïndexeerde middelloonregelingen, waardoor de schokbestendigheid van het pensioenstelsel werd vergroot, maar de pensioenopbouw en indexatiezekerheid werd verminderd. Het beeld dat in 2007 is geschetst ten aanzien van het opnemen van afspraken over vrijwillige voortzetting van deelname in een pensioenregeling is vrij stabiel. In het kader van het beheersen van de kosten en het streven naar goedkopere en minder risicovolle regelingen is de ontwikkeling van het aantal deelnemers met een eindloonregeling ook stabiel, terwijl het aantal deelnemers met een middelloonregeling toeneemt.

Tabel 45.3 Kengetallen operationele doelstelling 1
  Realisatie 2007 Realisatie 2008 Realisatie 2009
Aandeel actieve deelnemers met mogelijkheid tot vrijwillige voortzetting (%)      
bij vrijwillig ontslag 87 89 87
bij zorgverlof 86 91 91
bij ouderschapsverlof 91 92 93
bij sabbatical leave 86 91 89
bij educatief verlof 84 88 89
Aandeel actieve deelnemers (%)      
Defined Benefit op basis van eindloon 4 1 1
Defined Benefit op basis van middelloon 90 89 90
Beschikbare premieregeling 4 5 5
Overig 2 5 4

Bron: DNB, Pensioenmonitor 2009

2 Verbeteren van de betrokkenheid van deelnemers bij hun pensioenvoorziening

Motivering

Om deelnemers te stimuleren kennis te nemen van hun pensioenregelingen en hun verantwoordelijkheid voor aanvullend pensioen te nemen.

Doelbereiking

In 2008 is onder verantwoordelijkheid van de Sociaal-Economische Raad (SER) onderzoek gedaan naar medezeggenschap en goed pensioenfondsbestuur. Beide rapporten zijn op 19 maart 2009 gepubliceerd. Uit het onderzoek naar de medezeggenschap blijkt dat het aantal pensioenfondsen dat de medezeggenschap van gepensioneerden heeft geregeld sinds de tussenevaluatie in 2005 verder is gestegen. Uit het onderzoek blijkt dat bij de ondernemingspensioenfondsen inmiddels 98% van de fondsen een vorm van medezeggenschap heeft geregeld en bij de bedrijfstakpensioenfondsen geldt dat voor 95% van de fondsen. Wordt strikt aan de medezeggenschapseisen conform het convenant en de Pensioenwet vastgehouden, dan voldoet 68% van de ondernemingspensioenfondsen en 72% van de bedrijfstakpensioenfondsen aan de eisen. In die gevallen gaat het dan bijvoorbeeld om het niet gelijkstellen van zetels van gepensioneerden aan werknemerszetels en om afwijkende voorwaarden ten aanzien van de voordracht van bestuurskandidaten. Bij de deelnemersraden leiden vooral het niet geïnstalleerd zijn van de deelnemersraad en een niet-evenredige zetelverdeling tot het niet voldoen aan de eisen van het convenant.

De inventarisatie van de Principes voor goed pensioenfondsbestuur is volgens de SER door fondsen en verzekeraars goed opgepakt. Een belangrijk deel van hen heeft maatregelen met betrekking tot het functioneren van het bestuur genomen. Verder heeft ruim 80% van de respondenten een verantwoordingsorgaan ingesteld. Ook heeft bijna 80% van de respondenten intern toezicht georganiseerd.

In het kader van de voorlichting over pensioenen is een wijziging van de Pensioenwet ter hand genomen in verband met de invoering van het pensioenregister en worden de activiteiten van stichting Pensioenkijker.nl ondersteund. Het pensioenregister moet het voor iedere burger mogelijk maken om per 1 januari 2011 via een pensioenportaal een overzicht te krijgen van alle door hem opgebouwde pensioenaanspraken bij alle pensioenuitvoerders, alsook van de aanspraken op grond van de Algemene Ouderdomswet.

Instrumenten en activiteiten

• Op 4 december 2009 is de kabinetsreactie governance en medezeggenschap naar de Tweede Kamer gestuurd (Kamerstukken II, 2009–2010, 28 294, nr. 37). In deze brief is toegezegd dat het kabinet de gepresenteerde denkrichtingen ten aanzien van de vormgeving van de governance verder zal uitwerken. Belangrijke aspecten hierbij zijn het wegnemen van bestaande overlap, een adequate vertegenwoordiging van de verschillende partijen (waaronder pensioengerechtigden) die risico’s dragen, versterking van het intern toezicht en waarborging van professionaliteit.

• Op verzoek van de Stichting Pensioenregister is een wijziging van de Pensioenwet voorbereid om de exploitatie en het beheer van het pensioenregister – dat per 1 januari 2011 operationeel moet zijn – zeker te stellen. Aanbieding aan de Tweede Kamer is voor de zomer van 2010 voorzien (Kamerstukken II, 2008–2009, 31 226, nr. 41).

• als gevolg van de financiële crisis is de behoefte aan goede communicatie en objectieve voorlichting over pensioenen toegenomen. Met steun van de overheid heeft stichting Pensioenkijker.nl in 2009 in het bijzonder aan de pensioenrechten bij scheiding en het nabestaandenpensioen extra aandacht besteed.

Doelgroepen

Deelnemers en gepensioneerden in pensioenregelingen.

Realisatie meetbare gegevens

De kennis van de pensioenregeling wordt gemeten als het percentage werkenden in de leeftijd van 20 tot 65 jaar dat aangeeft inzicht te hebben in de hoogte van het eigen aanvullend pensioen. Mensen die zicht hebben op de hoogte, de kosten en de aard van hun pensioen zijn aan te duiden als pensioenbewust. Uit de monitor lijkt het alsof het pensioenbewustzijn is toegenomen. Echter, deze toename is geheel toe te schrijven aan een «herweging» van het kengetal. In voorgaande jaren was dit kengetal namelijk gebaseerd op de beroepsbevolking totaal; in 2009 is het getal gewogen op basis van de werkende beroepsbevolking. Als 2008 ook zou worden herwogen dan is er in feite geen verandering opgetreden in het inzicht in de hoogte van het aanvullend pensioen.

Het cijfer ligt wel lager dan de streefwaarde voor 2009. Dat hangt mogelijk mede samen met het overgangsrecht, waardoor nog niet iedereen de door de Pensioenwet vereiste informatie ontvangt.

Tabel 45.4 Indicatoren operationele doelstelling 2
  Realisatie 2007 Realisatie 2008 Realisatie 2009 Streefwaarde 2009
Inzicht in hoogte aanvullend pensioen (%) 54 57 59 68

Bron: Research voor Beleid, Kennis van ouderdomspensioenen

Kengetallen

Er is een stijgende trend waar te nemen dat men erop rekent dat de overheid, danwel de werkgever zal zorgen voor een adequate oudedagsvoorziening. Kennisverbetering door middel van voorlichting blijft derhalve noodzakelijk.

Ten aanzien van de verwachtingen over de hoogte van het eigen aanvullend pensioen is het percentage mensen dat goed denkt rond te komen op het eerste gezicht gedaald van 48% naar 41%. Hierbij moet echter rekening worden gehouden met het feit dat de percentages zijn gebaseerd op de werkende beroepsbevolking en niet zoals in voorgaande jaren op basis van de beroepsbevolking totaal. Als in 2008 ook deze methode zou zijn gehanteerd dan was het percentage toen 40% geweest. De lage verwachtingen voor 2008 en 2009 hangen mogelijk samen met de verslechterde economische situatie en de turbulentie op de financiële markten.

Tabel 45.5 Kengetallen operationele doelstelling 2
  Realisatie 2007 Realisatie 2008 Realisatie 2009
De verantwoordelijkheid voor het regelen van een ouderdomspensioen ligt (%):      
– bij mijzelf 52 47 45
– bij mijn werkgever 26 26 28
– bij de overheid 16 20 21
– overig/weet niet 6 7 6
Verwachtingen van werkenden met inzicht in de hoogte van het eigen aanvullend pensioen      
Verwacht goed te kunnen rondkomen 54 48 41
Verwacht redelijk te kunnen rondkomen 35 39 40
Verwacht nauwelijks tot niet te kunnen rondkomen 10 11 13
Weet niet 1 2 6

Bron: Research voor Beleid, Kennis van ouderdomspensioenen

Overzicht afgeronde onderzoeken

Tabel 45.6 Overzicht afgeronde onderzoeken
Soort onderzoek Onderwerp onderzoek AD/OD A. StartB. Afgerond Vindplaats
Evaluatieonderzoek ex ante Geen      
Beleidsdoorlichting AD   A. 2012B. 2012  
Effecten onderzoek ex post Inzicht in de praktijk van waardeoverdracht OD 2 A. 2009B. 2010  
         
  Medezeggenschap bij verzekerde regelingen OD 2 A. 2009B. 2010  
         
  Witte vlekken OD 1 A. 2009B. 2010  
         
Overig evaluatieonderzoek Geen      

Toelichting

Het onderzoek naar de praktijk van waardeoverdracht is in 2009 gestart en zal in 2010 worden afgerond. Ook is in 2009 een begin gemaakt met het onderzoek naar medezeggenschap bij verzekerde regelingen. De afronding is voorzien in 2010.

In december zijn aan de Tweede Kamer de resultaten aangeboden van een CBS onderzoek, waaruit blijkt dat in 2007 10% van de werknemers geen pensioen opbouwt bij de werkgever (Tweede Kamer, 2009–2010, 30 413, nr. 136). Het voornemen is om in 2010 de omvang van de zogenaamde witte vlek over 2008 en 2009 in kaart te brengen. Daarna zal de omvang van de witte vlek met een lagere frequentie worden gemonitord. De voorlopige cijfers over 2008 laten een witte vlek van 9% zien.

Artikel

46 Inkomensbescherming met activering

Algemene doelstelling

Zorgdragen voor adequate bescherming met activerende voorwaarden tegen financiële risico’s bij inkomensverlies

Motivering

Om personen te beschermen tegen de financiële risico’s als gevolg van ziekte, werkloosheid of arbeidsongeschiktheid. Daarbij wordt hen een inspanningsverplichting opgelegd om betaalde arbeid te verkrijgen, danwel maatschappelijk te participeren, en worden aan werkgevers, andere private partijen of gemeenten prikkels gegeven die aan preventie en activering bijdragen.

SZW creëert de voorwaarden voor het verlenen van de uitkeringen en zorgt voor de uitvoering door het laten verstrekken van uitkeringen door UWV, gemeenten of private partijen. SZW verstrekt hiertoe de financiële middelen of richt het regelgevend kader in zodat private arrangementen mogelijk en rechtszeker zijn.

Doelbereiking en maatschappelijk effect

De grootste economische neergang sinds de jaren dertig, die eind 2008 is opgetreden, heeft het bereiken van de doelstelling niet in de weg gestaan. Ook in de economisch moeilijke tijden in 2008 en 2009 heeft de combinatie van activering en bescherming tegen inkomensverlies gewerkt. De buitengewone situatie heeft aanleiding gegeven tot additionele maatregelen in de vorm van het opzetten van mobiliteitscentra, deeltijd-WW, extra maatregelen op het terrein van schuldhulpverlening en het programma tegen jeugdwerkloosheid.

Externe factoren

De economische conjunctuur is een belangrijke factor in de volume ontwikkeling en daarmee het budgettaire beslag van een aantal wetten binnen deze algemene doelstelling. Daar waar dat van toepassing is, wordt daar bij de operationele doelstelling op ingegaan.

Realisatie meetbare gegevens

Voor de algemene doelstelling zijn geen aparte prestatie-indicatoren geformuleerd, omdat op dit aggregatieniveau onvoldoende concrete doelstellingen geformuleerd kunnen worden. Verwezen wordt naar de realisatiecijfers voor de operationele doelstellingen.

Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 46.1 Begrotingsuitgaven Artikel 46 (x € 1 000)
artikelonderdeel 2005 2006 2007 2008 realisatie 2009 begroting 2009 verschil 2009
Verplichtingen 6 528 794 6 255 236 5 947 764 6 442 443 7 510 742 6 537 347 973 395
Uitgaven 6 743 187 6 437 928 6 270 136 6 436 837 6 767 571 6 539 047 228 524
               
Programma uitgaven 6 738 129 6 427 894 6 260 279 6 427 209 6 759 259 6 5 28 884 230 375
               
Operationele Doelstelling 3              
WajongUitkeringslasten 1 669 447 1 756 247 1 928 009 2 153 830 2 425 710 2 391 444 34 266
WajongUitvoeringskosten 54 100 57 298 56 377 83 979 102 527 104 104 – 1 577
Operationele Doelstelling 4              
BIAUitkeringslasten 5 941 4 875 5 007 4 179 3 887 4 198 – 311
BIAUitvoeringskosten 672 229 271 281 220 148 72
Tri uitkeringslasten 11 405 17 961 31 719 20 464 7 444 13 581 – 6 137
Tri Uitvoeringskosten 3 080 3 170 6 266 4 054 500 1 139 – 639
Operationele Doelstelling 5              
WWB 4 564 570 4 190 093 3 943 592 3 855 307 3 863 053 3 707 253 155 800
BijstandBuitenland 2 101 1 941 2 198 2 760 2 787 2 600 187
BijstandZelfstandigen 88 102 88 896 87 305 117 364 120 905 95 191 25 714
IOAW 201 782 173 306 112 199 103 733 133 013 108 625 24 388
IOAZ 34 543 39 487 31 625 34 164 30 683 29 402 1 281
WWIKUitkeringslasten 57 032 40 823 26 148 22 698 20 582 23 000 – 2 418
WWIKUitvoeringskosten 0 5 507 5 309 4 734 4 964 4 900 64
Experiment bevordering arbeidsinschakeling alleenstaande ouders 0 0 0 39 142 100 42
Werkleerrecht WIJ 0 0 0 0 0 16 700 – 16 700
Handhaving 17 477 17 515 7 695 7 827 7 892 6 647 1 245
Subsidies 34 0 0 0 0 0 0
Overig 27 843 30 546 16 559 11 796 34 950 19 852 15 098
               
Apparaatsuitgaven 5 058 10 034 9 857 9 628 8 312 10 163 – 1 851
Personeel en materieel 5 058 10 034 9 857 9 628 8 312 10 163 – 1 851
               
Ontvangsten 49 900 101 012 98 317 59 864 57 268 0 57 268

Toelichting

Wajong

De Wajong vormt de inkomensvoorziening voor jonggehandicapten. De uitkeringslasten zijn in 2009 ruim 34 miljoen hoger dan was begroot als gevolg van de toename van het totaal aantal uitkeringen. Het aantal mensen met een Wajong-uitkering blijft de komende jaren toenemen. Omdat het bestand Wajonggerechtigden nog relatief jong is, ligt de uitstroom vanwege het bereiken van de 65-jarige leeftijd op een laag niveau. Daarnaast kan de huidige stijging voor een deel worden toegeschreven aan de doorstroom vanuit de bijstand en de toestroom vanuit het voortgezet speciaal onderwijs en het praktijkonderwijs, waar sprake is van een parallelle stijging van het aantal leerlingen. De uitstroom van jonggehandicapten naar werk was lager dan begroot. De herbeoordelingen die in 2008 plaatshadden, hebben wellicht een deel van de potentiële uitstroom die anders in 2009 zou hebben plaatsgehad, naar voren gehaald. Daarnaast is er de negatieve invloed van de economische crisis op de uitstroom in 2009.

Het kabinet wil met de gewijzigde Wajong die op 1 januari 2010 in werking is getreden, jongeren met een arbeidshandicap die perspectief hebben op het verrichten van arbeid, maximaal ondersteunen bij het vinden en behouden van arbeid. Centraal staat het perspectief op arbeid dat de jongere heeft in plaats van diens arbeidsongeschiktheid.

De uitvoeringskosten Wajong zijn in 2009 gestegen als gevolg van het toenemende aantal uitkeringsgerechtigden, maar de stijging was minder dan begroot.

BIA (beperking inkomensgevolgen arbeidsongeschiktheidscriteria)

Deze tijdelijke wet voorziet sinds 1996 in een uitkering om inkomensgevolgen als gevolg van de Wet terugdringing beroep op de arbeidsongeschiktheidsregelingen te beperken. Omdat er geen nieuwe uitkeringsgerechtigden bijkomen, zijn het volume, de uitkeringslasten en de uitvoeringskosten ten opzichte van 2008 gedaald. De BIA uitvoeringskosten vielen hoger uit dan begroot. Dit is het gevolg van een herschikking tussen BIA en TRI uitvoeringskosten. De BIA vervalt met ingang van 1 december 2016.

TRI (Tijdelijke regeling inkomensgevolgen herbeoordeelde arbeidsongeschikten)

Voor wie, als gevolg van de herbeoordelingen in het kader van de Wet wijziging systematiek herbeoordelingen, een lagere arbeidsongeschiktheidsuitkering heeft gekregen en voor wie de arbeidsongeschiktheidsuitkering stopt, kan recht bestaan op een WW-uitkering. Als deze WW-uitkering minder dan 1 jaar duurt, kan de betrokkene na afloop van de WW-uitkering recht hebben op de tijdelijke compenserende uitkering TRI. De TRI-uitkering duurt maximaal 12 maanden. De TRI-uitkering vult aan tot maximaal de oude WAO-, WAZ-, of Wajong uitkering. De TRI vervalt met ingang van 1 januari 2011.

In de eerste helft van 2009 hebben de laatste herbeoordelingen plaatsgevonden, waarbij de oudste leeftijdscategorie is herbeoordeeld. In deze groep was nauwelijks sprake van inkomensachteruitgang als gevolg van de herbeoordeling, waardoor de instroom in de TRI in 2009 zeer gering is geweest. De uitkeringslasten en uitvoeringskosten zijn in 2009 veel sterker gedaald dan begroot. Dit is het gevolg van het sterker dan geraamd dalende aantal uitkeringsgerechtigden.

WWB (Wet werk en bijstand)

Deze uitgaven hebben betrekking op het inkomensdeel van de Wet werk en bijstand (WWB). Het Inkomensdeel is voor de periode 2008–2011 vastgezet op basis van de Middellange termijnraming van het CPB. De gemeenten ontvangen een vergoeding voor de uitvoeringskosten via de algemene uitkering uit het gemeentefonds.

Het werkdeel van de WWB maakt met ingang van 2009 onderdeel uit van het participatiebudget en is begroot op beleidsartikel 47 (Re-integratie). In het participatiebudget zijn de budgetten voor re-integratie, inburgering en scholing gebundeld om gemeenten in staat te stellen middelen effectiever in te zetten om mensen te stimuleren deel te nemen aan inburgering, werk of school.

De uitgaven WWB ten behoeve van het inkomensdeel zijn € 156 mln hoger dan begroot. Dit komt door de gebruikelijke loon- en prijsbijstelling (€ 111 mln) en de ongunstige ontwikkeling van de conjunctuur (€ 14 mln). Daarnaast heeft nieuw en gewijzigd beleid geleid tot bijstelling van het beschikbare budget. De wijzigingen betreffen de vertraagde invoering van de WIJ (€ 18 mln) en de uitgestelde inwerkingtreding van het wetsvoorstel ter inning van de partneralimentatie door het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen (€ 14 mln). Nieuw waren de door de rechterlijke macht ingevoerde aanscherping van de kinderalimentatie normen (– € 11 mln) en de uitwerking van het belastingplan 2009 (€ 1 mln). Tot slot moesten door technische beperkingen de inkomensbetalingen aan gemeenten ten behoeve van de WIJ (€ 9 mln) worden betaald uit het voor de WWB beschikbare budget.

Vanwege het uitstel van de inwerkingtreding van de WIJ van 1 juli 2009 naar 1 oktober 2009 is het voor de WIJ oorspronkelijk beschikbare budget naar beneden bijgesteld (- € 8 mln).

Bijstand Buitenland

Met ingang van 2009 voert de SVB deze regeling uit. Sinds 1996 worden geen nieuwe gevallen meer toegelaten.

De uitgaven in 2009 zijn iets hoger dan begroot als gevolg van betalingen wegens nagekomen declaraties over 2008 die nog bij het Agentschap SZW zijn ingediend.

Bijstand zelfstandigen (Bbz)

Startende ondernemers en gevestigde zelfstandigen kunnen in een aantal gevallen voor financiële bijstand een beroep doen op het Besluit bijstandverlening zelfstandigen (Bbz).

De uitgaven zijn € 26 mln hoger uitgevallen dan begroot. Dit komt hoofdzakelijk door nabetalingen als gevolg van de verstrekking van te lage voorschotten in 2008 (€ 24 mln) als gevolg van een correctie ten onrechte dubbel verrekende bedragen (€ 4 mln), en als gevolg van herziene vaststellingen van gemeentelijke budgetten (€ 1 mln). Daar tegenover staat dat gemeenten minder uitgaven dan voorzien, doordat zelfstandigen een minder groot beroep op het Bbz deden dan voorzien (– € 3 mln).

IOAW (inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers)

De IOAW is een inkomensvoorziening die oudere langdurige werklozen een inkomensgarantie biedt op het niveau van het sociaal minimum. De uitgaven zijn € 24 mln hoger dan begroot. Dat komt voor een deel door de gebruikelijke loon- en prijsbijstelling (€ 5 mln). De belangrijkste oorzaak van de overschrijding is gelegen in de toegenomen werkloosheid als gevolg van de financiële en economische crisis. Dat leidde ertoe dat ook de werkloosheid onder ouderen toenam en dat bovendien meer oudere WW-gerechtigden het einde van hun uitkeringsrecht bereikten (€ 42 mln). Daarnaast waren er nabetalingen ter correctie van de verstrekking van te lage voorschotten in 2008 (€ 5 mln) en van ten onrechte dubbel verrekende bedragen (€ 1 mln). Hier tegenover staan minder uitgaven aan de IOAW dan voorzien, doordat de gemiddelde uitkering lager bleek dan verondersteld (– € 29 mln).

IOAZ (inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen)

De IOAZ is een inkomensvoorziening die oudere zelfstandigen, die wegens omstandigheden hun beroep of bedrijf moeten beëindigen, een inkomensgarantie biedt op het niveau van het sociaal minimum. De gerealiseerde uitgaven wijken nauwelijks af van de begrote uitgaven (€ 1 mln). Tegenover de lagere gemiddelde uitkering dan geraamd (– € 3 mln) stonden de gebruikelijke loon- en prijsbijstelling (€ 1 mln), nabetalingen als gevolg van de verstrekking van te lage voorschotten in 2008 (€ 2 mln) en herziene vaststellingen van gemeentelijke budgetten (€ 1 mln).

WWIK (Wet werk en inkomen kunstenaars)

De WWIK geeft kunstenaars recht op een aanvulling van hun inkomen als zij met hun werk te weinig verdienen om in hun (totale) levensonderhoud te voorzien. De uitgaven betreffen de uitkeringslasten en uitvoeringskosten van de WWIK die door 20 uitvoerende centrumgemeenten en de organisatie «Kunstenaars & Co» wordt uitgevoerd. De uitkeringslasten zijn € 2 mln lager dan begroot. Weliswaar leidde de gebruikelijke loon- en prijsbijstelling tot een verhoging van het budget (€ 1 mln), maar deze werd meer dan gecompenseerd door een lager beroep op de WWIK dan geraamd (– € 3 mln).

Experiment bevordering arbeidsinschakeling alleenstaande ouders WWB

Het experiment bevordering arbeidsinschakeling alleenstaande ouders WWB is op 1 januari 2009 van start gegaan. Het gaat om een experiment ter voorbereiding van een regeling die werken in deeltijd financieel aantrekkelijk maakt voor sollicitatieplichtige alleenstaande ouders. Doel van het experiment is inzicht te krijgen in de mate waarin een aantal maatregelen, al dan niet in combinatie, de doeltreffendheid van de arbeidsinschakeling van alleenstaande ouders stimuleert. In oktober 2009 is een tussenevaluatie naar de Tweede Kamer gezonden over de periode van 1 januari tot 1 juli 2009. Conclusie hiervan was dat het nog niet mogelijk was uitspraken te doen over de effectiviteit van de ingezette maatregelen. De uitgaven zijn hoger dan begroot als gevolg van doorgeschoven verplichtingen die in 2008 niet tot uitbetaling zijn gekomen.

Werkleerrecht WIJ (Wet investeren in jongeren)

De WIJ is op 1 oktober 2009 in werking getreden. Op grond van de WIJ kunnen jongeren van 16 tot 27 jaar die niet werken of leren de gemeente om een werkleeraanbod vragen. De gemeente is verplicht de jongere die hierom vraagt een werkleeraanbod te doen. Het werkleeraanbod kan een baan zijn, een vorm van scholing of een combinatie van beide, afgestemd op de situatie van de jongere.

De uitgaven voor de WIJ zijn vanwege technische beperkingen betaald uit het voor de WWB beschikbare budget.

Handhaving

Uit deze middelen worden onder meer de uitvoeringskosten van het Inlichtingenbureau voor gemeenten bekostigd. Ook de maatregelen «Activerende bijstandsverlening» van het SZW-Handhavingsprogramma 2007–2010 worden hieruit gefinancierd. De in het kader van dit programma gereserveerde middelen voor Programmatisch Handhaven zijn voor de periode 2007–2010 toegevoegd aan de algemene uitkering van het gemeentefonds.

In 2009 zijn onder regie van de Commissie Handhaving van Divosa maatregelen uitgevoerd op het terrein van Vernieuwende Handhaving. In de in 2009 aan de Tweede Kamer aangeboden Integrale Rapportage Handhaving 2008 (Kamerstukken II, 2008/2009, 17 050, nr. 392) is verslag gedaan over het (uit)gevoerde beleid.

Bijstand overig (waaronder armoede en «sociale insluiting»)

De overige bijstandsuitgaven zijn € 15 mln hoger dan begroot. Dit ondanks het feit dat de gereserveerde middelen voor de uitvoering van de incidentele aanvullende uitkering (IAU) op het inkomensdeel van de WWB niet hoefden te worden aangewend (– € 9 mln). Het oorspronkelijke budget is via de eindejaarsmarge opgehoogd ten behoeve van in 2008 aangegane verplichtingen die niet in 2008 tot uitkering zijn gekomen (€ 4 mln). Daarnaast zijn er middelen toegevoegd om de extra toeloop op de gemeentelijke schuldhulpverlening te kunnen bekostigen (€ 28 mln). Het budget is verlaagd vanwege een overheveling naar de begroting van Jeugd& Gezin ter bekostiging van de (extra) uitvoeringskosten voor het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen (LBIO) als gevolg van het wetsvoorstel partneralimentatie (– € 4 mln). Daarnaast zijn er middelen (– € 4 mln) overgeheveld naar het Gemeentefonds voor de uitvoering door gemeenten van het amendement van het lid Spekman c.s. (Kamerstukken II, 2008/2009, 31 700 XV, nr. 33).

Ontvangsten

De restituties hebben betrekking op verrekeningen van betaalde rijksvergoedingen in voorgaande dienstjaren. Deze ontvangsten hebben betrekking op WWV, Bbz, IOAW, IOAZ, WWIK, WW, Wajong, TRI, BIA en overig artikel 46.

Tabel 46.2 Premiegefinancierde uitgaven Artikel 46 (x € 1 000)
artikelonderdeel 2005 2006 2007 2008 realisatie 2009 begroting 2009 verschil 2009
Uitgaven 17 418 856 15 379 900 14 391 090 14 062 154 16 269 030 14 318 653 1 950 377
               
Programma uitgaven 17 418 856 15 379 900 14 391 090 14 062 154 16 269 030 14 318 653 1 950 377
Operationele Doelstelling 1              
WWuitkeringslasten 4 511 000 3 769 000 2 832 000 2 470 965 4 374 000 2 695 847 1 678 153
WWuitvoeringskosten 688 000 521 342 468 880 377 870 515 790 391 399 124 391
Operationele Doelstelling 2              
WAOuitkeringslasten 8 939 856 8 180 000 8 037 261 8 042 000 7 883 187 7 251 776 631 411
WAOuitvoeringskosten 728 000 477 550 441 380 375 770 272 450 303 246 – 30 796
IVAuitkeringslasten 0 29 000 128 000 208 000 330 000 384 953 – 54 953
IVAuitvoeringskosten 0 63 000 46 000 44 995 41 392 57 283 – 15 891
WGAuitkeringslasten 0 122 000 316 129 562 194 807 444 754 131 53 313
WGAuitvoeringskosten 0 200 000 163 520 206 985 147 177 135 382 11 795
ZW uitkeringslasten 1 723 000 1 252 000 1 181 800 1 061 995 1 222 000 1 188 814 33 186
ZW uitvoeringskosten 318 000 297 008 353 120 300 380 302 590 287 581 15 009
WAZuitkeringslasten 478 000 444 000 393 000 378 000 358 000 332 836 25 164
WAZuitvoeringskosten 33 000 25 000 30 000 33 000 15 000 25 395 – 10 395
               
Nominaal 0 0 0 0 0 510 010 – 510 010
               
Ontvangsten 521 000 519 000 164 530 144 000 170 253 187 496 – 17 243

Bron: UWV Jaarverslag

Toelichting

WW (Werkloosheidswet)

Werknemers die geheel of gedeeltelijk werkloos worden, kunnen het verlies aan inkomen voor een bepaalde periode opvangen met een WW-uitkering.

Als gevolg van de economische crisis zijn de uitkeringslasten WW ruim € 1,5 mld hoger uitgevallen dan begroot door de toename van het aantal reguliere WW-uitkeringen. Ter bestrijding van de gevolgen van de crisis zijn additionele maatregelen als Werktijdverkorting (WTV) en deeltijd-WW getroffen. Hoewel deze maatregelen forse investeringen vergden, zouden zonder deze maatregelen de uitgaven aan reguliere WW-uitkeringen nog verder zijn toegenomen.

Om de door de stijging van de werkloosheid toegenomen werkdruk op te kunnen vangen en de prestaties zoveel mogelijk op peil te kunnen houden, is aan het UWV in de loop van 2009 aanvullend budget voor de uitvoeringskosten WW toegekend. De gerealiseerde WW uitvoeringskosten 2009 vallen hierdoor aanzienlijk hoger uit dan waar bij de SZW-begroting 2009 vanuit werd gegaan.

WAO (Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering)

WAO-gerechtigden zijn personen die vóór 1 januari 2006 arbeidsongeschikt zijn geworden. Door de invoering van de Wet WIA dalen de uitkeringslasten WAO, omdat geen nieuwe WAO-uitkeringen meer worden verstrekt, uitgezonderd herlevingen op basis van oud recht. De WAO kent zodoende geen nieuwe instroom meer en alleen nog uitstroom.

De uitkeringslasten WAO en de uitvoeringskosten WAO laten daarom een daling zien. De daling is in 2009 minder snel verlopen dan geraamd. Dit komt vooral doordat de arbeidsgeschiktheid van de hogere leeftijdscategorieën die in 2009 zijn herbeoordeeld minder groot blijkt dan die van de leeftijdscategorieën die eerder zijn herbeoordeeld.

WIA (Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen)

In de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) staat werk voorop, ligt het accent op wat mensen kunnen en is er tegelijkertijd inkomensbescherming voor mensen die echt niet meer aan de slag kunnen komen. De WIA bestaat uit twee uitkeringsregimes: de Regeling inkomensvoorziening volledig arbeidsongeschikten (IVA) en de Regeling werkhervatting gedeeltelijk arbeidsgeschikten (WGA).

IVA (Inkomensverzekering voor volledig en duurzaam arbeidsongeschikten)

De IVA verzorgt een loonvervangende uitkering voor werknemers die volledig en duurzaam arbeidsongeschikt zijn. De uitkeringslasten IVA zijn gestegen omdat deze uitkeringsregeling zich in de opbouwfase bevindt. Echter, door een lager dan verwachte instroom zijn er minder IVA-gerechtigden dan begroot. Hierdoor zijn de uitkeringslasten en uitvoeringskosten in 2009 minder hard gestegen dan begroot.

WGA (Werkhervattingsuitkering gedeeltelijk arbeidsgeschikten)

De WGA verzorgt een aanvulling op het met arbeid verdiende inkomen voor gedeeltelijk arbeidsgeschikten, of een minimumuitkering als zij niet werken of minder werken dan 50% van hun resterende verdiencapaciteit. De uitkeringslasten WGA zijn gestegen omdat deze uitkeringsregeling zich in de opbouwfase bevindt. De stijging van de uitkeringslasten is hoger dan geraamd. Dit komt doordat er meer instroom in de WGA en minder doorstroom van de WGA naar de IVA heeft plaatsgevonden.

ZW (Ziektewet)

De Ziektewet geeft bepaalde (vangnet)groepen werknemers, die door ziekte, ongeval of gebreken niet in staat zijn om hun arbeid te verrichten, recht op een ZW-uitkering. Het gaat daarbij om werknemers, die geen werkgever meer hebben of waarvan de werkgever niet verplicht is tot loondoorbetaling. Mede als gevolg van de economische crisis en de opgelopen werkloosheid zijn de uitkeringslasten en uitvoeringskosten hoger uitgevallen dan begroot.

WAZ (Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen)

De toegang voor zelfstandige ondernemers tot de WAZ is per 1 augustus 2004 beëindigd. De uitkeringslasten en de uitvoeringskosten van de WAZ laten zodoende een dalende trend zien. De daling in 2009 is lager dan begroot. Dit komt ten eerste doordat het bestand aan het begin van 2009 hoger bleek dan waar in de Begroting 2009 vanuit werd gegaan. Ten tweede heeft in 2009 meer instroom als gevolg van herleving plaatsgevonden dan geraamd en minder uitstroom door werkaanvaarding.

Ontvangsten

De ontvangsten hebben betrekking op de ontvangsten in het Uitvoeringsfonds voor de overheid (Ufo) uit hoofde van het eigenrisicodragerschap van de overheidswerkgevers voor de WW. Deze zijn lager dan begroot vanwege een lager volume Ufo.

Operationele doelstelling

1 Zorgdragen dat werknemers bij werkloosheid een tijdelijk loonvervangend inkomen ontvangen én tot werkhervatting worden gestimuleerd

Motivering

Om de tijdelijke inkomensbescherming van werknemers bij werkloosheid te waarborgen en hen te activeren tot werkhervatting.

Doelbereiking

De uitzonderlijke economische situatie van eind 2008 en 2009 heeft niet in de weg gestaan aan het succesvol blijven hanteren van de combinatie van inkomensbescherming en activering. Deze situatie heeft aanleiding gegeven tot het introduceren van de regeling voor deeltijd WW.

In 2009 is het wetsvoorstel passende arbeid van kracht geworden. In combinatie met de in 2008 doorgevoerde aanpassing van de richtlijn passende arbeid, zorgt de door het wetsvoorstel geïntroduceerde mogelijkheid van inkomstenverrekening voor langdurig werklozen voor een verbetering van de participatiemogelijkheden voor die groep.

Instrumenten en activiteiten

• Werkloosheidswet (WW)

• Richtlijn passende arbeid

• Wetsvoorstel passende arbeid

• Deeltijd-WW

• Inkomensvoorziening oudere werklozen (IOW)

Doelgroepen

Verzekerden (werknemers)

• WW-gerechtigden

• IOW-gerechtigden

Premiebetalers (werkgevers)

Realisatie meetbare gegevens

Instroomkans WW 55+

Het kabinet wil de arbeidsparticipatie van ouderen verhogen, onder meer door het gebruik van de WW door deze groep terug te dringen. De eerste indicator geeft de verhouding weer van de instroom van mensen van 55 jaar en ouder in de WW tot de gemiddelde instroom voor de totale populatie. Als gevolg van de crisis is de algehele instroomkans in de WW voor alle groepen toegenomen. Doordat de instroomkans van ouderen echter relatief conjunctuuronafhankelijk is, is deze minder gestegen dan die van andere groepen. Hierdoor is de relatieve instroomkans van mensen van 55 jaar en ouder gedaald.

Werkhervatting binnen 12 maanden (55+)

Deze indicator geeft weer hoeveel WW-gerechtigden binnen aan jaar na aanvang van hun uitkering, vanwege werkhervattting zijn uitgestroomd. Dit gegeven wordt apart vermeld voor de WW-gerechtigden die bij instroom in de WW 55 jaar of ouder waren. Deze indicator biedt een aanwijzing voor de activerende werking van de WW. Gegevens hierover komen met een jaar vertraging beschikbaar. Voor 2009 zijn dus nog geen gegevens bekend. De realisaties voor 2008 laten zien dat de werkhervatting binnen 12 maanden fors is afgenomen. Enerzijds betreft het een selectie-effect aan de instroomkant van de WW: de arbeidsmarkt was in 2008 nog relatief gunstig waardoor vooral werknemers met een relatief grotere afstand tot de arbeidsmarkt instroomden. De werkhervattingskans van deze groep is lager, waardoor meer werknemers langdurig gebruikmaken van de WW. Anderzijds sloeg eind 2008 de situatie vanwege de crisis om, waardoor er minder kansen waren om uit te stromen naar werk.

Tabel 46.3 Indicatoren operationele doelstelling 1
  Realisatie 2007 Realisatie 2008 Realisatie 2009 Streefwaarde 2009
Instroomkans in de WW van de leeftijdscategorie 55 en ouder t.o.v. de gemiddelde instroomkans1 0,98 1,03 0,85 ≤ 1
Werkhervatting binnen 12 maanden na instroom van WW-gerechtigden (%)2 51 40 n.b.  
Werkhervatting binnen 12 maanden na instroom van WW-gerechtigden die bij instroom 55 jaar of ouder waren (%)2 36 27 n.b.  

Bronnen:

1 UWV Jaarverslag.

2 UWV administratie.

Kengetallen

Volume ontslagwerkloosheid

In 2009 is het WW-bestand toegenomen als gevolg van de economische crisis. De groei van het aantal WW-uitkeringen sinds november 2008 heeft zich in 2009 voortgezet. Het volume van de ontslagwerkloosheid is in 2009 uitgekomen op 197 duizend uitkeringsjaren.

Het aantal nieuwe uitkeringen in 2009 bedroeg 428 duizend. Ook de uitstroom is hoger dan in voorgaande jaren en bedroeg 328 duizend.

Gemiddelde WW-duur

De gemiddelde WW-duur bij uitstroom was de afgelopen jaren tamelijk constant en lag op een periode van iets minder dan een jaar. Door de conjuncturele neergang is de gemiddelde WW-duur bij uitstroom afgenomen. De instroom in de WW bestond in 2009 uit mensen met relatief goede arbeidsmarktkansen en relatief veel jongeren.

IOW

De Inkomensvoorziening oudere werklozen (IOW) is een tijdelijke regeling, waarin oudere werkloze werknemers vanaf 1 december 2009 kunnen instromen. Het volume in 2009 is daardoor nog zeer gering (< 500 personen).

Handhaving

De handhavingscijfers met betrekking tot bekendheid met verplichtingen zijn vanaf 2007 afkomstig van UWV, waarbij een andere meetmethode is toegepast dan voor die tijd is gebruikt.

Het totaal geconstateerde fraudebedrag en de afdoening worden als kengetal in beeld gebracht.

Tabel 46.4 Kengetallen operationele doelstelling 1
  Realisatie 2007 Realisatie 2008 Realisatie 2009
Volume ontslagwerkloosheid (x 1000 uitkeringsjaren)1 183 148 197
Aantal nieuwe WW-uitkeringen (x 1 000)1 251 240 428
Aantal beëindigde WW-uitkeringen (x 1 000)1 307 262 328
Gemiddelde WW duur bij uitstroom (weken)1 48 49 37
Handhaving      
Nalevingsniveau van opgave van inkomsten uit arbeid2   91 90
Kennis van verplichtingen1   91 92
Aantal geconstateerde overtredingen WW (x 1000)1 16 14 18
Totaal fraudebedrag (x € mln)1 19,5 18,4 26,1
Percentage afdoening1 96 99 99

Bronnen:

1 UWV, Jaarverslag;

2 SZW-berekening op basis van UWV- en CBS-informatie.

Operationele doelstelling

2 Zorgdragen voor een inkomensvoorziening voor arbeidsongeschikte en zieke werknemers

Motivering

Om werknemers te beschermen tegen het risico van gebrek aan inkomen als gevolg van ziekte en arbeidsongeschiktheid.

Doelbereiking

Beperking van de instroom van duurzaam volledig arbeidsongeschikten tot maximaal 25 000 per jaar.

Instrumenten en activiteiten

• Loondoorbetaling bij ziekte

• Ziektewet (ZW)

• Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), bestaande uit de IVA- en WGA-regeling

• Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO): deze wet kent geen nieuwe instroom meer

• Wet arbeidsongeschiktheidsuitkering zelfstandigen (WAZ): ook deze wet kent geen nieuwe instroom meer

• Financiële prikkels voor zieke en arbeidsongeschikte werknemers om aan het werk te blijven dan wel het werk te hervatten

• Financiële prikkels voor werkgevers om zieke of arbeidsongeschikte werknemers in dienst te houden of nemen

• Vereenvoudiging van regelgeving

Doelgroepen

• Werknemers;

• Zelfstandigen die voor 1 augustus 2005 arbeidsongeschikt zijn geworden;

• Werkgevers.

Realisatie meetbare gegevens

Het beperken van de instroom van volledige en duurzaam arbeidsongeschikten tot maximaal 25 000 per jaar, is gerealiseerd.

Tabel 46.5 Indicatoren operationele doelstelling 2
  Realisatie 2007 Realisatie 2008 Realisatie 2009 Streefwaarde 2009
Instroom van volledige en duurzaam arbeidsongeschikten 4 300 5 100 5 600 < 25 000

Bron: UWV, Jaarverslag.

Kengetallen

WAO, IVA en WGA

Het aantal arbeidsongeschiktheidsuitkeringen WAO is in 2009 ten opzichte van 2008 afgenomen. Dit wordt veroorzaakt doordat er geen nieuwe instroom meer plaatsvindt. Het aantal IVA- en WGA-uitkeringen neemt minder hard toe dan het WAO-bestand afneemt. Het totaal aantal arbeidsongeschiktheidsuitkeringen WAO en WIA is daardoor in 2009 t.o.v. 2008 afgenomen. De instroomkans is gestegen doordat meer mensen met gemiddeld een hoger arbeidsongeschiktheidsrisico werkzaam zijn op de arbeidsmarkt (ouderen en vrouwen). Daarnaast kent de WIA nog aanloopeffecten (aantal hernieuwde aanvragen na oorspronkelijke afwijzing stijgt nog), waardoor het toekenningspercentage stijgt.

WAZ

Het aantal uitkeringsgerechtigden WAZ is in 2009 met 4 400 gedaald tot 34 300. Dit komt vooral door het beëindigen van de toegang tot de WAZ per 1 augustus 2005. Er is nog wel sprake van overloop en herleving van oude rechten. Het bereiken van de 65-jarige leeftijd is de voornaamste oorzaak van uitstroom uit de WAZ.

ZW

Door een teruglopende werkgelegenheid is het aantal uitzendkrachten gedaald. Mede hierdoor is het aantal toekenningen in de ZW afgenomen.

Tabel 46.6 Kengetallen operationele doelstelling 2
  Realisatie 2007 Realisatie 2008 Realisatie 2009
WAO + IVA + WGA      
Bestand in uitkeringen (ultimo, x1000) 634,3 617,6 604,1
– waarvan WAO 596,0 558,1 521,2
– waarvan IVA 8,4 13,9 20,1
– waarvan WGA 29,9 45,6 62,8
Bestand als percentage van de verzekerde populatie (%) 9,1 8,5 8,4
Instroom in uitkeringen (x1 000) 34,0 33,5 35,3
– waarvan WAO 11,7 8,2 6,0
– waarvan IVA 4,3 5,1 5,6
– waarvan WGA 17,9 20,2 23,8
Instroomkans 0,49 0,46 0,52
Uitstroom in uitkeringen (x1 000) 57,7 50,3 48,9
– waarvan WAO 54,7 46,1 42,9
– waarvan IVA 0,7 1,2 1,6
– waarvan WGA 2,3 3,0 4,4
Uitstroomkans naar werk WAO + WIA 8,8 7,9 7,9
Uitstroomkans WGA naar werk UWV 44 51 47
Uitstroomkans WGA naar werk eigenrisicodragers 40 57 57
Aandeel werkende WAO/IVA/WGA’ers 22 22 21
Aandeel instroom WIA uit ZW (%) 40 44 46
Handhaving      
Nalevingsniveau van opgave van inkomsten uit arbeid1   96 97
Kennis van verplichtingen WAO (%)   85 87
Kennis van verplichtingen WGA (%)   82 81
Aantal geconstateerde overtredingen WAO/WIA (x 1000) 5 5 5
Totaal schadebedrag (x € 1 mln) 9,8 7,7 9,2
Afdoeningspercentage inlichtingenplicht 95,5 99 99
       
WAZ      
Bestand in uitkeringen (ultimo, x 1 000) 43,0 38,7 34,3
Instroom in uitkeringen (x 1 000) 1,2 0,6 0,3
Uitstroom in uitkeringen (x 1 000) 5,5 4,9 4,7
       
ZW      
Bestand in uitkeringen (gemiddeld, x 1 000) 88 80,8 85,7
Instroom in uitkeringen (x 1 000) 341 327 293
Uitstroom in uitkeringen (x 1 000) 488 445 378
Handhaving:      
Aantal overtredingen (x 1 000) 8 8 4
Totaal schadebedrag (x € 1 000) 1 404 2 100 1 949
Afdoeningspercentage inlichtingenplicht 97,7 99 99

Bron: UWV Jaarverslag, behalve:

1 SZW-berekening op basis van UWV- en CBS-informatie

Operationele doelstelling

3 Zorgdragen voor een inkomensvoorziening voor jonggehandicapten

Motivering

Om jonggehandicapten te beschermen tegen het risico van gebrek aan inkomen als gevolg van arbeidsongeschiktheid.

Doelbereiking

Het aantal Wajong-uitkeringen is, net als in de afgelopen jaren gestegen. Omdat het bestand Wajonggerechtigden nog relatief jong is, ligt de uitstroom vanwege het bereiken van de 65-jarige leeftijd op een laag niveau.

Er zijn geen aanwijzingen dat de oorzaak van deze groei komt door een groei van ernstige ziektes of handicaps. Er is hooguit sprake van sterke toename van het aantal jongeren met lichtere beperkingen. De oorzaken liggen dan ook veeleer in de toenemende complexiteit van de samenleving, de toegenomen bekendheid van de Wajong-regeling, vroegere indicatiestelling, en het school- en zorgsysteem voorafgaand aan het 18e jaar, dat te weinig is afgestemd op het stimuleren van wat een jongere wel kan.

Met de op 1 januari 2010 in werking getreden gewijzigde Wajong verwacht het kabinet vooral door uitstroombevordering uiteindelijk een beperking van het beroep op Wajong-uitkeringen.

Instrumenten en activiteiten

Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong);

• De tegemoetkoming voor Wajonggerechtigden volgend uit de Wet tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten;

• Toezien op een doelmatige en rechtmatige wetsuitvoering;

• Voorlichting;

• Wetswijziging van de Wajong waarbij de werkregeling is geïntroduceerd en activering centraal staat.

Doelgroepen

Jonggehandicapten die voor het bereiken van de 18-jarige leeftijd (gedeeltelijk) arbeidsongeschikt zijn geworden, geen arbeidsverleden hebben en daardoor niet volledig zelf in hun levensonderhoud kunnen voorzien; en jongeren die tijdens hun studie arbeidsongeschikt worden.

Realisatie meetbare gegevens

Voor het jaar 2009 is in de begroting geen prestatie-indicator geformuleerd.

Over 2009 wordt alleen via kengetallen over de Wajong gerapporteerd (zie tabel 46.7).

Kengetallen

Het totaal aantal mensen met een Wajong-uitkering steeg in 2009 met 13 900 tot 192 500. De nieuwe instroom was in die periode 17 900, de uitstroom 3 900. In vergelijking met cijfers over 2008 is de nieuwe instroom in 2009 met 11,2% toegenomen, terwijl het aantal beëindigde Wajong-uitkeringen met 7,8% is gedaald.

De instroom blijft hoger dan de uitstroom. De huidige instroomstijging kan voor een deel toegeschreven worden aan de doorstroom vanuit de bijstand. Uit onderzoek van het UWV blijkt verder dat de toegenomen instroom ook afkomstig is uit het voortgezet speciaal onderwijs en het praktijkonderwijs. Deze toename loopt parallel aan de stijging van het aantal leerlingen op deze scholen. Eerdergenoemde algemene factoren (zoals de toegenomen bekendheid van de Wajong-regeling) kunnen eveneens een rol spelen.

Uitstroom Wajong

De realisatie (3 900) is 38% lager dan de raming (5 400). Het UWV wijst ter verklaring op drie mogelijke factoren.

• De herbeoordelingen die in 2008 plaatshadden, hebben wellicht een deel van de potentiële uitstroom die anders in 2009 zou hebben plaatsgehad, naar voren gehaald.

• De negatieve invloed van de economische crisis op de uitstroom in 2009.

• Uit UWV-cijfers blijkt een stijging van het aantal nul-uitkeringen die erop zou kunnen wijzen dat Wajongers die een baan hebben gevonden en daarmee zoveel verdienen dat de uitkering op nihil wordt gezet, gebruik maken van hun recht om de formele binding met de Wajong voor de wettelijk bepaalde maximale termijn te behouden (sinds 1-1-2007 is deze termijn verlengd van drie naar vijf jaar, met als gevolg dat het in deze gevallen langer duurt voor een Wajonguitkering formeel wordt beëindigd.

Tabel 46.7 Kengetallen operationele doelstelling 3
  Realisatie 2007 Realisatie 2008 Realisatie 2009
Wajong      
Bestand in uitkeringen (ultimo, x 1 000) 166,8 178,6 192,5
Waarvan volledig arbeidsongeschikt (%) 98,0 98,1 98,0
Bestand als percentage van de verzekerde populatie (%) 1,6 1,7 1,8
Instroom in uitkeringen (x 1 000) 15,3 16,1 17,9
Uitstroom in uitkeringen (x 1 000) 4,4 4,3 3,9
Aandeel werkende Wajong’ers (%) 25 26 25

Bron: UWV, Jaarverslag

Operationele doelstelling

4 Zorgdragen voor een inkomensvoorziening voor bepaalde herkeurde arbeidsongeschikten

Motivering

Om oudere herkeurde arbeidsongeschikten die op grond van de Wet terugdringing beroep op de arbeidsongeschiktheidsregelingen (TBA) hun arbeidsongeschiktheidsuitkering geheel of gedeeltelijk hebben verloren, een inkomen op minimumniveau te bieden en hen te motiveren te gaan werken.

Om herbeoordeelde arbeidsongeschikten die een lagere uitkering of geen uitkering meer ontvangen, meer gelegenheid te geven om nieuw werk te zoeken.

Doelbereiking

• Ultimo 2016 zal het uitkeringsrecht op grond van de Wet BIA vervallen. De doelgroep BIA loopt terug tot 0 in 2016;

• De TRI-regeling heeft een korte looptijd. De TRI vervalt met ingang van 1 januari 2011.

Instrumenten

• De tijdelijke Wet beperking inkomensgevolgen arbeidsongeschiktheidscriteria (BIA);

• De tijdelijke Regeling inkomensgevolgen herbeoordeelde arbeidsongeschikten (TRI).

Activiteiten

Activiteiten SZW:

• Toezien op een rechtmatige wetsuitvoering;

• Onderhouden van de wet- en regelgeving.

Activiteiten UWV:

• Beoordelen van recht op een uitkering;

• Verstrekken van uitkeringen.

Doelgroepen

• Personen die op 1 augustus 1993 al recht hadden op een arbeidsongeschiktheidsuitkering en op die dag 45 jaar of ouder waren (na afloop van WW-periode) (BIA);

• Personen die op 31 december 1986 in de leeftijd van 35 jaar of ouder waren en zowel op die datum als ook op 31 juli 1993 een arbeidsongeschiktheidsuitkering ontvingen (na afloop van WW-periode) (BIA);

• Herbeoordeelde arbeidsongeschikten, die een lager arbeidsongeschiktheidspercentage hebben gekregen, die niet meer zijn gaan verdienen en die geen recht op WW hebben (TRI).

Indicatoren

De BIA en de TRI zijn overgangsregelingen voor een steeds kleiner wordende groep uitkeringsgerechtigden. Gezien het geringe aantal gerechtigden, het geringe uitkeringsbedrag en de korte looptijd van de TRI-regeling zijn geen indicatoren geformuleerd.

Kengetallen

BIA

Het bestand BIA is nagenoeg op hetzelfde niveau gebleven. Ultimo 2016 zal het uitkeringsrecht op grond van de wet BIA vervallen.

TRI

De laatste nieuwe TRI-toekenningen hebben in de eerste helft van 2009 plaatsgevonden. Het aantal nieuwe uitkeringen is daardoor verder afgenomen. De TRI-uitkering heeft een looptijd van maximaal 12 maanden. De gemiddelde duur is toegenomen tot 12 maanden.

Tabel 46.8 Kengetallen operationele doelstelling 4
  Realisatie 2007 Realisatie 2008 Realisatie 2009
Aantal uitkeringsjaren BIA (x 1 000) 0,5 0,5 0,4
Aantal uitkeringsjaren TRI (x 1 000) 3,5 2,9 1,0
Aantal nieuwe TRI-uitkeringen (x 1 000) 7,5 1,2 0,6
Aantal beëindigde TRI-uitkeringen (x 1 000) 2,5 7,4 1,2
Gemiddelde duur TRI-uitkering in maanden 9,0 9,6 12,0

Bron: UWV, jaarverslag

Operationele doelstelling

5 Zorgdragen dat toereikende middelen worden verstrekt aan gemeenten voor inkomensaanvulling tot minimumniveau aan mensen die niet zelf (volledig) kunnen voorzien in hun levensonderhoud

Motivering

Om inkomensverlies tot onder het niveau van het sociaal minimum te voorkomen en om personen zo spoedig mogelijk zelfstandig in het eigen levensonderhoud te laten voorzien.

Om het gemeenten mogelijk te maken burgers financiële ondersteuning te bieden vanwege uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten.

Doelbereiking

De voortgaande daling van het aantal WWB-uitkeringen is in 2009 als gevolg van de economische crisis tot stilstand gekomen en het volume is ten opzichte van 2008 licht gestegen.

Dit heeft niet in de weg gestaan aan het bereiken van het doel om zorg te dragen dat gemeenten hiervoor toereikende middelen worden verstrekt.

Onderstaande beleidsmaatregelen hebben in 2009 hun beslag gekregen.

• Alleenstaande ouders in de bijstand met kinderen jonger dan vijf jaar moeten met ingang van 2009 verplicht scholing of stage volgen om hun vaardigheden te onderhouden als ze vrijgesteld willen worden van de sollicitatieplicht. Alleenstaande ouders worden maximaal zes jaar ontheven van sollicitatieplicht als ze daarom vragen en bereid zijn zich te laten scholen. Alleenstaande ouders zonder startkwalificatie kunnen van deze mogelijkheid gebruikmaken en krijgen op deze manier de kans alsnog een diploma te behalen. Bijstandsouders mét startkwalificatie kunnen kiezen om met scholing, stage of op een andere manier hun vaardigheden te onderhouden.

• Per 1 januari 2009 is de regeling van de langdurigheidstoeslag aan de gemeenten gedecentraliseerd. De langdurigheidstoeslag is daarmee een bijzondere vorm van categoriale bijzondere bijstand geworden.

• De mogelijkheden voor gemeenten om categoriale bijzondere bijstand te verstrekken op grond van artikel 35 WWB zijn per 1 januari 2009 uitgebreid. Deze wetswijziging stelt gemeenten in staat om ook categoriale bijzondere bijstand te verstrekken aan ouders met schoolgaande kinderen ten behoeve van de bevordering van de maatschappelijke participatie van die kinderen. De wet schrijft voor dat de gemeenten deze voorzieningen in natura (en niet als geldbedrag) zullen verstrekken om deze zoveel mogelijk ten goede te laten komen aan de kinderen zelf.

• Op 1 oktober 2009 is de Wet investeren in jongeren (WIJ) in werking getreden. Het doel van de WIJ is de duurzame arbeidsparticipatie van jongeren tot 27 jaar te bevorderen en te komen tot een substantiële verhoging van hun arbeidsparticipatie. Met de WIJ is een werkleerrecht voor jongeren tot 27 jaar geïntroduceerd dat berust op de uitgangspunten dat jongeren idealiter werken óf leren en dat goed geschoolde dan wel over voldoende kwalificaties beschikkende jongeren makkelijker aan het werk zullen komen en daardoor zelfstandig in hun levensonderhoud kunnen voorzien. Met de inwerkingtreding van de WIJ kunnen jongeren tot 27 jaar geen beroep meer doen op de WWB. Wel geldt voor jongeren die op 30 september 2009 een WWB-uitkering ontvingen een overgangsperiode die eindigt op 1 juli 2010.

Instrumenten en activiteiten

• De Wet werk en bijstand (WWB);

• Bestuursakkoord SZW-VNG;

• De Wet investeren in jongeren (WIJ);

• Het inkomensdeel van de WWB (het re-integratiebudget wordt toegelicht bij artikel 47);

• Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW);

• Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ);

• Besluit bijstandverlening zelfstandigen (Bbz) 2004;

• Wet werk en inkomen kunstenaars (WWIK);

• Inlichtingenbureau gemeenten;

• Financiële middelen, onder meer ter voorkoming en bestrijding van problematische schulden;

• Financiële middelen voor extra maatregelen schuldhulpverlening in verband met de economische crisis;

• Handhavingsprogramma 2007–2010;

• Middelen voor bijzondere bijstand via de algemene uitkering uit het Gemeentefonds.

Het beleid gericht op het tegengaan van niet-gebruik van inkomensondersteunende voorzieningen is met kracht voortgezet. Op 7 december heeft de staatssecretaris de TK geïnformeerd over de maatregelen die zij genomen heeft om de armoede te bestrijden. Een groot deel van die maatregelen betreft het tegengaan van niet-gebruik (Tweede Kamer, vergaderjaar 2009–2010, 24 515, nr. 170 d.d. 7 december 2009).

• De maatregelen die genoemd zijn in de kabinetsbrief van 15 september 2008, o.a. naar aanleiding van het onderzoek naar de effectiviteit van schuldhulpverlening («Schulden? De gemeente helpt!») zijn nader uitgewerkt en geïmplementeerd. De uitvoering wordt ondersteund bij de implementatie van de in de brief genoemde maatregelen.

• Er is een notitie aan de Tweede Kamer (Kamerstukken II, 2009/2010, 24 515, nr. 152) gestuurd waarin de materiële inhoud van het wetsvoorstel gemeentelijke schuldhulpverlening is geschetst. In vervolg hierop is het wetsvoorstel gemeentelijke schuldhulpverlening opgesteld en voor advies aan de Raad van State voorgelegd.

• Op basis van het onderzoek «Huishoudens in de rode cijfers» is inzicht verkregen in de achtergronden van huishoudens met betalingsachterstanden. Dit onderzoek is met een beleidsreactie van het kabinet aan de Tweede Kamer gestuurd.

• Het amendement Spekman is nader uitgewerkt. Hiermee is een extra impuls gegeven aan de schuldhulpverlening als onderdeel van het buurtwerk (Kamerstukken II, 2008/09, 31 700 XV, nr. 33).

• De 2e monitor betalingsachterstanden is voorzien van een beleidsreactie (Kamerstukken II, 2009/2010, 24 515, nr. 171) aan de Tweede Kamer gestuurd.

Doelgroepen

• Jongeren tot 27 jaar die geen werk hebben of opleiding volgen;

• Mensen van 27 tot 65 jaar die niet zelf (volledig) kunnen voorzien in hun levensonderhoud (bijstand als aanvulling op een onvolledige AOW-uitkering komt aan de orde in artikel 49);

• Mensen met een langdurig minimuminkomen en/ of grote afstand tot de arbeidsmarkt;

• Mensen in/met een risico op armoede;

• Mensen met risico op problematische schulden;

• Alleenstaande ouders;

• Beroepsmatig actieve kunstenaars die niet over voldoende middelen kunnen beschikken om te voorzien in hun levensonderhoud en academieverlaters kunstvakopleidingen;

• Burgers met uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten, zonder toereikende eigen middelen.

Realisatie meetbare gegevens

Volumereductie WWB

In het Bestuurlijk Akkoord «Participatie» hebben SZW en VNG afgesproken zich sterk te maken voor het realiseren van een vermindering van het aantal mensen dat een beroep doet op de WWB. In de begroting van 2009 zijn hiervoor concrete streefcijfers opgenomen voor het aantal WWB-uitkeringen in 2008 en 2009. In tabel 46.9 zijn de streefcijfers en realisatiecijfers voor deze jaren opgenomen. Hieruit blijkt dat de streefwaarde zoals vermeld in de SZW-begroting van 2009 niet is gehaald. Dit is een direct gevolg van de conjunctuur. Het vermelde streefcijfer is gebaseerd de middellangetermijn-verkenning (MLT) uit 2007 waarin nog geen economische crisis was voorzien. Als gevolg van de crisis is het aantal WWB-uitkeringen toegenomen.

Toereikendheid macrobudget WWB

Ten aanzien van het macrobudget WWB is het uitgangspunt dat dit budget, met inachtneming van de afspraken uit het Bestuurlijk Akkoord, toereikend is.

Aantal huishoudens met problematische schulden

In het Bestuurlijk Akkoord is afgesproken het aantal huishoudens met problematische schulden terug te dringen. In aansluiting daarop is de ambitie voor 2011 bepaald op de helft van het aantal gezinnen. Uit het onderzoek «Huishoudens in de rode cijfers» van juli 2009 blijkt dat 693 000 Nederlandse huishoudens problematische schulden hebben en dat 148 000 huishoudens een risico op problematische schulden lopen. Vervolg onderzoek zal plaatsvinden in 2012.

Aantal kinderen dat om financiële redenen niet participeert

In het verlengde van het Bestuursakkoord is als doel gesteld om, gedurende deze kabinetsperiode, het aantal kinderen dat om financiële redenen niet mee kan doen in de maatschappij fors terug te dringen.

In mei 2009 heeft het SCP haar rapport betreffende «Kinderen doen mee!» uitgebracht. In het rapport wordt verslag gedaan van de landelijke nulmeting (stand van zaken 2008) van het aantal kinderen dat om financiële redenen niet maatschappelijk meedoet. Hierin is de vraag beantwoord: «Wat is het aantal kinderen dat niet maatschappelijk meedoet om financiële redenen? En wat zijn de andere redenen?». Het blijkt dat 122000 kinderen, waarvan naar schatting 66 000 kinderen uit huishoudens onder de 120% van het sociaal minimum, nergens aan meedoen vanwege financiële redenen.

Tabel 46.9 Indicatoren operationele doelstelling 5
  Realisatie 2007 Realisatie 2008 Realisatie 2009 Streefwaarde 2009
Volumereductie WWB1 267 000 269 000 237 000
Toereikendheid macrobudget WWB2 toereikend toereikend toereikend toereikend
Aantal huishoudens met problematische schulden3 * Zie toelichting 693 000   n.v.t.
Aantal kinderen dat om financiële redenen niet participeert4 * Zie toelichting 66 000 Vervolgmeting komt in 2011 Vervolgmeting komt in 2011

Bronnen:

1 CBS, Bijstandsuitkeringenstatistiek (obv eindstanden).

2 SZW administratie

3 EIM, Onderzoek huishoudens in de rode cijfers.

4 SCP, Onderzoek kinderen, armoede en sociale uitsluiting.

Kengetallen

Bijzondere bijstand

De bevoegdheden op het terrein van de bijzondere bijstand zijn integraal bij gemeenten belegd en worden gefinancierd uit de algemene uitkering uit het Gemeentefonds. De bijzondere bijstand is daardoor moeilijk meetbaar. Er is daarom alleen een kengetal over de uitgaven bijzondere bijstand opgenomen. De sterke stijging ten opzichte van 2008 is het gevolg van het feit dat de langdurigheidstoeslag met ingang van 2009 tot de bijzondere bijstand wordt gerekend, wat voorheen niet het geval was.

Armoede en schuldhulpverlening

Uit de resultaten van het onderzoek «Huishoudens in de rode cijfers» uit 2008 blijkt niet alleen dat de schuldenproblematiek groot is. De realisatie van de ambities van de regering staat onder druk door de economische crisis en doordat de belangrijkste oorzaken van problematische schulden, zoals die uit dit onderzoek blijken, niet of nauwelijks op korte termijn door beleid te beïnvloeden zijn. (Zie Kamerstukken II, 2009/2010, 25 515, nr. 161).

Wet investeren in jongeren

De WIJ is per 1 oktober 2009 in werking getreden. Als kengetallen hiervoor zijn opgenomen: het aantal inkomensvoorzieningen. Met de gemeenten is voor het eerste halfjaar registratie van de Wij binnen de WWB overeengekomen.

Tabel 46.10 Kengetallen operationele doelstelling 5
  Realisatie 2007 Realisatie 2008 Realisatie 2009
Volume ontwikkelingen      
Volume WWB thuiswonenden, periodiek < 65 jaar (x 1 000)1 288 267 269
Volume WWB thuiswonenden, periodiek = 65 jaar (x 1 000)1 30 32 35
Volume IOAW (x 1 000)1 6 6 7
Volume IOAZ (x 1 000)1 2 2 1
Volume bijstand buitenland (x 1 000)2 <0,5 <0,5 <0,5
Volume Bbz (x 1 000)1 2 3 3
Volume WWIK (x 1 000)1 2 2 1
Bijzondere bijstand (x 1 mln)4 196 230 300
Armoede en schuldhulpverlening      
Bedrag leenbijstand t.o.v. totale bijzondere bijstand (%)4 12 12 13
Aantal huishoudens met bijzondere bijstand t.o.v. aantal huishoudens met een laag inkomen (%)4 37 41 n.n.b.
Beperken wachtlijsten schuldhulpverlening5    
Handhaving      
Aantal geconstateerde fraudegevallen3 32 520 29 180
Totaal fraudebedrag (€ mln)3 122 111
Incassoratio %3 13 12 11
Nalevingsniveau van de opgaven van inkomsten (%) 93 94
Nalevingsniveau melden samenwoning (%)   99,8
       
Wet investeren in jongeren      
Inkomensvoorzieningen Wet investeren in jongeren1 (x 1 000)     1

Bronnen:

1 CBS, Bijstandsuitkeringsstatistiek (jaargemiddelden).

2 Vanaf 2009: jaarverslag SVB. Tot 2009: SZW administratie.

3 CBS, Bijstandsdebiteuren- en fraudestatistiek.

4 CBS, Bijstandsuitkeringenstatistiek (jaartotalen).

5 In 2010 zullen twee onderzoeken worden uitgevoerd naar de wachttijden voor de gemeentelijke schuldhulpverlening.

Overzicht afgeronde onderzoeken

Tabel 46.11 Onderzoek naar de doelmatigheid en doeltreffendheid van beleid
Soort onderzoek Onderwerp onderzoek AD/OD A. StartB. Afgerond Vindplaats
Evaluatieonderzoek ex ante        
Beleidsdoorlichting Zie Effecten onderzoek ex post      
Effecten onderzoek ex post Zelfstandig uit de WW. (evaluatie starters-regeling in de WW) OD 1 A. 2009B. 2009 Kamerstukken II, 2009–2010, 32 123 XV, nr. 5
  Evaluatie IOW OD 1 A. 2010B. 2010  
  Evaluatie einde WAZ OD 2 A. 2007B. 2009 Kamerstukken II, 2009–2010, 32 135, nr. 1
  Evaluatie WIA OD 2 A. 2010B. 2011  
  Pilots borgstellingsregeling starterskredieten OD 5 A. 2008B. 2011  
  Tijdelijke ondersteuning kunstenaars (wettelijke evaluatie WWIK) OD 5 A. 2009B. 2010  
  Evaluatie WIJ (tevens beleidsdoorlichting) OD 5 A. 2009B. 2011  
Overig evaluatieonderzoek Evaluatie WGA OD 2 A. 2009B. 2010  
  Gemeentelijk invorderingsbeleid ten onrechte verstrekte bijstand OD 5 A. 2008B. 2009 Kamerstukken II, 2009–2010, 17 050, nr. 394
  Experiment bevordering arbeidsinschakeling alleenstaande ouders OD 5 A. 2008B. 2011 Tussenrapportage 2009,Kamerstukken II, 2009–2010, 30 545, nr. 79
  Aantal huishoudens met (risico op) problematische schulden OD 5 A. 2008B. 2009 Kamerstukken II 2009/10, 24 515, nr. 161
  Kinderen, armoede en sociale uitsluiting: 0-meting aantal kinderen OD 5 A. 2008B. 2009 Kamerstukken II 2008/2009, 24 515, nr. 150
  Kinderen, armoede en sociale uitsluiting; achtergronden OD 5 A. 2008B. 2010  
  Kinderen, armoede en sociale uitsluiting; langetermijneffect OD 5 A. 2009B. 2010  
  Kinderen, armoede en sociale uitsluiting: nameting aantal kinderen OD 5 A. 2010B. 2011  
  Effecten Bestuurlijk Akkoord met gemeenten OD 5 A. 2010B. 2011 Samen aan de Slag. Nulmeting,Kamer-stukken II, 2008–2009, 29 544, nr. 185

Toelichting

De evaluatie van de Pilots borgstellingsregeling starterskredieten was oorspronkelijk gepland voor 2009. Door tussentijdse verlenging van de pilots is deze verschoven naar 2011.

Artikel

47 Aan het Werk: bemiddeling en Re-integratie

Algemene doelstelling

Arbeidsinpassing in regulier werk voor uitkeringsgerechtigden en werklozen

Motivering

Om mensen met of zonder uitkering te laten deelnemen aan betaald werk en, waar dat nog niet mogelijk is, mensen tot andere vormen van maatschappelijke participatie te brengen. Dit is in het belang van de mensen zelf en draagt bij aan de sociale cohesie én het bevorderen van de arbeidsparticipatie. SZW schept de voorwaarden zodat het UWV en gemeenten personen met een sociale zekerheidsuitkering en niet-uitkeringsgerechtigden kunnen re-integreren in reguliere arbeid. Enerzijds aan de aanbodkant: onder andere door het wegnemen van (persoonlijke) barrières voor re-integratie en door het handhaven van de sociale zekerheidsregelgeving waar die re-integratieverplichtingen oplegt. Anderzijds aan de vraagkant: door het bedienen en beïnvloeden van de vraag van werkgevers en hen actief te benaderen.

De inzet van re-integratieondersteuning richt zich op het verkleinen van de afstand tot regulier werk, opdat de kans op het verkrijgen van regulier werk wordt vergroot. Het doel van re-integratie is (uiteindelijk) arbeidsinpassing in regulier werk, waarmee wordt bijgedragen aan de vergroting van de netto arbeidsparticipatie en de vermindering van uitkeringsafhankelijkheid.

Niet iedereen heeft re-integratieondersteuning nodig. Met behulp van diagnose-instrumenten bepalen het UWV en de gemeenten bij de intake wie ondersteuning nodig heeft en wat voor soort ondersteuning effectief is. De ondersteuning wordt geleverd via de werkpleinen. De werkpleinen bieden basisdienstverlening voor iedereen. Voor personen met een afstand tot regulier werk wordt re-integratieondersteuning ingezet.

De inzet van re-integratiemiddelen dient selectief en vraaggericht te gebeuren. Selectiviteit vraagt nadrukkelijk ook van gemeenten om beter zichtbaar te maken welke inzet van re-integratiemiddelen en -instrumenten zij plegen, mede opdat zij ook van elkaar kunnen leren. Het gaat dan over wat, voor wie, wanneer wordt ingezet, hoe het werkt en welke resultaten worden bereikt. In het vergroten van de vraaggerichtheid spelen de werkpleinen een belangrijke rol. Dit wordt gerealiseerd binnen de geïntegreerde dienstverlening aan werkzoekenden en werkgevers.

Doelbereiking en maatschappelijke effecten

Uiteraard liepen de kabinetsdoelstellingen door de recessie klappen op. Eind 2008 lagen de streefwaarden nog op koers, inmiddels is duidelijk dat er in 2009 een stap terug is gezet. Dat neemt niet weg dat het belang van het re-integratiebeleid voor een sterke economie onverminderd groot is. Tijdens de herstelfase, maar ook op langere termijn is een toename van de arbeidsparticipatie en een afname van het aantal uitkeringsgerechtigden van groot belang voor een betaalbare sociale zekerheid en gezonde overheidsfinanciën.

Een conjuncturele neergang gaat, met enige vertraging, gepaard met banenverlies en werkloosheid. De inzet van re-integratiebeleid kan dit niet stoppen, hoogstens verzachten.

Een intensieve samenwerking tussen UWV en gemeenten op de werkpleinen, mobiliteitscentra en leerwerkloketten verhoogt de kennis van de regionale arbeidsmarkt en versnelt de mogelijkheid van interventies. De invoering van het participatiebudget draagt bij aan een effectievere inzet van middelen voor integratie, scholing en re-integratie. Verder worden uitkeringsgerechtigden die moeilijk aan een baan kunnen komen ondersteund met loonkostensubsidies en worden regelingen aangepast zodat het zoeken naar werk wordt ondersteund (via een vraaggerichte werkgeversbenadering) en gaan werken in een reguliere baan bij een reguliere werkgever loont (passende arbeid in de WW, WIJ, Wajong, pilots «werken naar vermogen»).

De recessie accentueerde het belang van een stevige beleidsinzet. Gezien het belang van de lange termijn doelstellingen heeft het kabinet de in de begroting gestelde streefwaarden niet aangepast. De realisaties in 2009 zullen uiteraard wel in het licht van de recessie moeten worden beoordeeld.

Externe factoren

De slechte conjuncturele situatie die in de tweede helft van 2008 begon, heeft in 2009 grote gevolgen voor de arbeidsmarkt. Het aantal banen en daarmee samenhangend het aantal vacatures is fors gedaald. Met name in de tweede helft van 2009 nam het aantal werklozen en werkloosheidsuitkeringen toe. Zo liep de werkloosheid op van minder dan 4% begin 2009 naar bijna 5% ultimo 2009.

Realisatie meetbare gegevens

Ten aanzien van het realiseren van de algemene doelstelling zijn geen aparte indicatoren geformuleerd, omdat die terugkomen bij de operationele doelstellingen.

Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 47.1 Begrotingsuitgaven Artikel 47 (x € 1 000)
artikelonderdeel 2005 2006 2007 2008 realisatie 2009 begroting 2009 verschil 2009
Verplichtingen 1 997 675 2 026 839 2 013 219 538 832 4 065 838 2 314 152 1 751 686
Uitgaven 2 149 657 2 084 281 2 034 149 2 095 153 2 228 175 2 316 152 – 87 977
               
Programma uitgaven 2 138 807 2 072 966 2 025 248 2 081 527 2 212 893 2 302 799 – 89 906
               
Operationele Doelstelling 1              
Basisdienstverlening UWV 367 541 367 778 352 500 315 119 331 866 328 612 3 254
Bkwi 8 511 8 600 8 615 10 198 11 000 9 431 1 569
Ketensamenwerking   0 0 15 000 2 623 0 2 623
Operationele Doelstelling 2 en 3              
Flexibel Re-integratiebudget (Participatiebudget) 1 618 471 1 630 743 1 592 259 1 580 789 1 758 438 1 752 240 6 198
Stimuleringsregeling Id-banen 73 086 8 558 5 852 2 333 346 6 000 – 5 654
Risicovoorziening ESF 3 0 0 0 58 900 3 673 95 000 – 91 327
Rwi/Svww 14 324 11 270 9 078 5 977 5 952 6 079 – 127
Re-integratieWajong 43 324 31 258 43 219 81 353 71 093 86 987 – 15 894
Re-integratieWajongUitvoeringskosten 6 183 6 577 5 064 3 320 19 830 6 403 13 427
Handhaving 0 231 40 0 0 0 0
Subsidies 7 139 7 246 7 023 4 497 2 916 3 220 – 304
Beleidsondersteunende uitgaven 228 705 1 598 4 041 5 156 8 827 – 3 671
               
Apparaatsuitgaven 10 850 11 315 8 901 13 626 15 282 1 3 353 1 929
Personeel en materieel 2 816 3 136 3 569 4 344 3 993 4 839 – 846
Agentschap SZW 8 034 8 179 5 332 9 282 11 289 8 514 2 775
               
Ontvangsten 102 770 210 321 198 244 87 076 290 344 223 470 66 874

Toelichting

Basisdienstverlening UWV

De kosten voor Basisdienstverlening zijn iets hoger uitgevallen dan begroot. Dit is enerzijds het gevolg van enkele herschikkingen binnen het totale budget UWV en anderzijds van een aantal aanvullende budgettoekenningen in verband met de crisis.

Bkwi (Bureau keteninformatisering werk en inkomen)

Aan Bkwi is totaal € 11 mln uitgegeven. Het verschil ten opzichte van de stand in de SZW-begroting 2009 is te verklaren door diverse projecttoekenningen aan BKWI: € 0,3 mln voor het project ontsluiting gegevensbronnen, € 0,5 mln voor automatisering interventieteams, € 0,2 mln voor de werkplaats naleving, € 0,2 mln voor de migratie van de Regionale Coördinatiepunten Fraudebestrijding en € 0,2 mln voor regelhulp. Het overige wordt verklaard door de toegekende loon/prijsbijstelling 2009.

Ketensamenwerking

De realisatie 2009 van € 2,6 mln betreft de eigenbijdrage van het gemeentelijk domein aan het programma Digitaal Klant Dossier fase II. Deze eigenbijdrage is in 2009 via een eenmalige uitname uit het Gemeentefonds gerealiseerd en centraal aan het UWV (als eindverantwoordelijke voor de uitvoering van het programma Digitaal Klant Dossier) beschikbaar gesteld.

Flexibel Re-integratiebudget (Participatiebudget)

Het volledige participatiebudget 2009 is uitgekeerd aan de gemeenten. De bijdragen voor OCW en WWI zijn vergeleken met de ontwerpbegroting 2009 nog geïndexeerd voor loonprijsbijstelling. De bijdragen in het participatiebudget van de ministeries van SZW, OCW en WWI bedroegen daardoor respectievelijk € 1 529 mln, € 124 mln en € 104 mln.

In de DIVOSA-monitor 2010, die na de zomer van 2010 verschijnt, wordt aangegeven hoe dit bedrag over de verschillende re-integratieactiviteiten is verdeeld.

Stimuleringsregeling Id-banen

Doordat niet alle leer-werktrajecten zijn omgezet in een reguliere baan zijn er bijna geen uitstroomsubsidies toegekend. Daarnaast liep een aantal leer-werktrajecten nog door in 2009, waardoor de eindverantwoording (via Sisa 2009) en de subsidievaststelling aan de gemeenten pas in 2010 kan plaatsvinden.

Risicovoorziening ESF 3

De afwikkeling van de ESF-programma’s ESF-3 (2000–2006) en Equal bevindt zich in de eindfase. De risicovoorziening is nauwelijks aangesproken, hetgeen vooral samenhangt met het intrekken van subsidieaanvragen, het afwijzen van verzoeken tot verlenging van de subsidieperiode of tot andere wijzigingen van projecten en door lagere realisaties bij de projecten in het algemeen. Er is één schadevergoeding toegekend ter grootte van € 3,7 mln.

Rwi/Svww

Op het bedrag van € 6,1 mln is de financiële bijdrage van de RWI aan de Stichting Blik op Werk in mindering gebracht (€ 0,3 mln). Daarnaast heeft de RWI € 0,2 mln aan loon/prijsbijstelling voor 2009 ontvangen. Dit resulteert in uitgaven van € 5,9 mln.

Re-integratie Wajong

De begrotingsuitgaven voor re-integratie Wajong zijn € 15,9 mln lager dan begroot wegens een overheveling van onderwijsvoorzieningen naar OCW.

Re-integratie Wajong Uitvoeringskosten

Binnen de begroting van het UWV zijn de uitvoeringskosten herschikt over de verschillende regelingen.

Subsidies

Doordat een aantal eindafrekeningen van gesubsidieerde projecten lager uitviel dan het bedrag dat aan maximale subsidie was toegekend is er een kleine meevaller ontstaan op dit budget.

Beleidsondersteunende uitgaven

In verband met het beëindigen van het ESF en EQUAL programma 2000–2006 zijn er in het afgelopen jaar geen nieuwe activiteiten gestart ten laste van dit budget.

Agentschap SZW

De bij de Europese Commissie declareerbare uitvoeringskosten zijn gemaximeerd tot een vast percentage van het na decommitteren beschikbare Europese budget. Een deel van de door het Agentschap SZW gemaakte uitvoeringskosten voor de subsidieregelingen EQUAL en ESF kan daardoor niet worden gedeclareerd bij de Europese Commissie en zijn daarom ten laste van dit budget gebracht.

Ontvangsten

Door de verrekening van de gemeentelijke overschotten van het flexibel re-integratiebudget 2008 is € 45,8 mln meer aan ontvangsten gerealiseerd. Daarnaast is voor de betaling van het participatiebudget aan gemeenten € 3,9 mln loonprijsbijstelling van OCW ontvangen. Tenslotte is een deel van de voorziening voor de overschrijding op het ESF budget 2000–2006 komen te vervallen, doordat de eindafrekeningen van de subsidieontvangers lager zijn uitgevallen dan verwacht. Hierdoor is een meevaller ontstaan van € 14,8 mln.

Tabel 47.2 Premiegefinancierde uitgaven Artikel 47 (x € 1 000)
artikelonderdeel 2005 2006 2007 2008 Realisatie 2009 Begroting 2009 Verschil 2009
Uitgaven 430 493 623 058 521 136 499 000 579 514 544 710 34 804
               
Programma uitgaven 430 493 623 058 521 136 499 000 579 514 544 710 34 804
Operationele Doelstelling 2              
Re-integratieWAZ/WAO/WIA 349 676 277 058 201 200 188 000 183 514 172 076 11 438
Re-integratieWW   159 000 142000 118 000 151 000 152 726 – 1 726
Uitvoeringskosten re-integratieWAZ/WAO/WIA 80 817 106 000 79 936 95 000 71 000 89 074 – 18 074
Uitvoeringskosten re-integratieWW   81 000 98 000 98 000 174 000 112 931 61 069
               
Nominaal 0 0 0 0 0 17 903 – 17 903
               
Ontvangsten 0 0 0 0 0 0 0

Toelichting:

Re-integratie WAZ/WAO/WIA en Re-integratie Wajong

Voor re-integratie Gedeelteiljk Arbeidsgeschikten (AG) (inclusief Wajong) is voor 2009 totaal € 259 mln beschikbaar gesteld. Hiervan was € 105 mln bestemd voor trajecten, € 126 mln voor voorzieningen en € 28 mln voor loonkostensubsidies. De uitgaven voor re-integratietrajecten waren € 22 mln hoger dan begroot. De uitgaven voor voorzieningen en loonkostensubsidies waren samen € 26 mln lager dan begroot.

Per regeling bezien zijn de uitgaven van re-integratie Wajong € 15,9 mln lager dan begroot en re-integratie Wao/Wia/Waz € 11,4 mln hoger dan begroot.

Re-integratie WW

Voor re-integratie WW is in 2009 totaal € 152,7 mln beschikbaar gesteld, waarvan € 20 mln in het kader van de arbeidsmarktenveloppe ter beschikking is gesteld. Hiervan is € 126 mln bestemd voor trajecten en € 25,7 mln voor loonkostensubsidies.

Per saldo komen de uitgaven re-integratie WW in 2009 € 1.7 mln lager uit dan begroot. Daarbij was enerzijds sprake van een overschrijding van € 24 mln op trajecten en anderzijds een onderuitputting van € 25,7 mln op loonkostensubisidies.

De overschrijding op trajecten AG en WW wordt veroorzaakt doordat verhoudingsgewijs meer trajecten zijn ingekocht dan begroot en doordat in het laatste kwartaal van 2009 een wijziging in het inkoopkader is doorgevoerd waardoor een groter percentage van de trajectprijs al bij de eerste factuur wordt afgerekend.

De verklaring voor de onderuitputting op loonkostensubsidies van AG en WW is dat er minder personen dan geraamd zijn geplaatst met loonkostensubsidie. Hierbij wordt opgemerkt dat de inzet van loonkostensubsidie geen doel op zichzelf is, maar een middel om personen met een grote afstand tot de arbeidsmarkt aan het werk te helpen. UWV past een selectieve en vraaggerichte inzet van het instrument toe. Dat betekent dat werkzoekenden ook langs andere weg en door inzet van andere re-integratieinstrumenten aan de slag kunnen worden geholpen.

Uitvoeringskosten re-integratie WW

De uitvoeringskosten re-integratie WW zijn door de bestrijding van de stijgende werkloosheid als gevolg van de recessie hoger uitgevallen dan begroot.

Operationele doelstelling

1 Ondersteuning bij het vinden van regulier werk aan die uitkeringsgerechtigden en werklozen die zónder re-integratieondersteuning kunnen

Motivering

Niet iedereen heeft re-integratieondersteuning nodig. Een groot deel van de uitkeringsgerechtigden en werklozen komt op eigen kracht weer aan de slag. De basisdienstverlening van UWV is daarbij ondersteunend. Met deze doelstelling wordt inzichtelijk gemaakt welk deel van de instroom in een uitkering of werkloosheid zonder re-integratieondersteuning aan de slag komt.

Met re-integratieondersteuning wordt bedoeld trajecten – waaronder ook inburgeringstrajecten – extra ondersteuning van de casemanager bij gemeenten en de re-integratiecoach bij het UWV.

Instrumenten en activiteiten

Instrumenten:

Bevorderen van de ontwikkeling van geïntegreerde dienstverlening op de werkpleinen

Voor de invoering van geïntegreerde dienstverlening op de werkpleinen is € 15 mln beschikbaar gesteld voor de jaren 2008 en 2009. De invoering vond plaats in een tijd dat de economische vooruitzichten drastisch zijn gewijzigd, hetgeen tot een zekere temporisering van de invoering heeft geleid. Er is een kopgroep die als voorbeeld dient voor de andere werkpleinen. Ultimo 2009 is op 55 werkpleinen de geïntegreerde dienstverlening (nagenoeg) ingevoerd. De overige werkpleinen zullen in 2010 volgen.

Activiteiten ketenpartners:

Totstandkoming van circa 100 werkpleinen

Arbeidsmarktinformatie

Sinds mei 2009 is er een regionale basisset arbeidsmarktinformatie beschikbaar gesteld in de 30 arbeidsmarktregio’s. In december was een eerste arbeidsmarktschets per regio beschikbaar waarin ook prognoses zijn opgenomen. De doelstelling voor 2010 is de kwaliteit van de informatie verder te verbeteren en uit te breiden met sectorinformatie.

Diagnose

Gelet op het belang van een adequate diagnose voor selectieve inzet van re-integratie, heeft RWI in 2009 onderzoek gedaan naar de diagnoseinstrumenten. De uitkomsten (bestaande uit een analyse en aanbevelingen) zijn in juni 2009 gepubliceerd en onder de aandacht van UWV en gemeenten gebracht.

Mobiliteitscentra

De 33 mobiliteitscentra fungeren sinds 1 maart 2009 met een tijdelijke financiering, die eind 2010 afloopt. Het is de bedoeling dat per 1 januari 2011 de regionale netwerken van werk, inkomen en scholing die mede door de mobiliteitscentra tot stand worden gebracht, zijn ingebed in de reguliere uitvoeringsorganisatie. De mobiliteitscentra hebben in 2009 13 duizend mensen van werk naar werk begeleid en (gemeten tot en met 31 december 2009) 95 duizend WW-ers binnen 3 maanden naar werk begeleid.

Doelgroepen

• Ingeschreven werkzoekenden;

• Werkgevers.

Realisatie meetbare gegevens

Het werkbedrijf UWV biedt via het internet en fysiek op werkpleinen basisdienstverlening aan. Werkzoekenden worden geholpen bij het op eigen kracht weer aan het werk komen. Werkgevers worden geholpen bij het vervullen van vacatures. Van werkzoekenden worden cv’s verzameld.

In 2009 werden 635 duizend nieuwe cv’s verwerkt. Ultimo 2009 waren er voor werkgevers 234 duizend cv’s beschikbaar, waarvan 81 duizend via Werk.nl.

In 2009 melden werkgevers 603 duizend nieuwe vacatures, waarvan 246 duizend via werk.nl, 239 duizend bij het WERKbedrijf en 118 duizend bij intermediairs. Ultimo 2009 waren er 67 duizend openstaande vacatures, waarvan 22 duizend op Werk.nl, 40 duizend via WERKbedrijf en 5 duizend bij intermediairs.

In 2009 werden 92 duizend vacatures door het UWV WERKbedrijf vervuld en circa 210 000 werklozen en 13 duizend met werkloosheid bedreigde werkzoekenden aan het werk geholpen.

Het uitgangspunt is het niveau van de dienstverlening te verbeteren. Daartoe is het oordeel van de klanten een belangrijke stimulans.

De indicatoren in tabel 47.3 geven aan in welke mate werkgevers en werkzoekenden tevreden zijn over de aangeboden basisdienstverlening op de werkpleinen.

Tabel 47.3 Indicatoren operationele doelstelling 1
  Realisatie 2007 Realisatie 2008 Realisatie 2009 Streefwaarde 2009
Klanttevredenheid werkgevers Niet bekend Niet bekend 7 Voldoende
Klanttevredenheid werkzoekenden 6,4 6,5 6,8 6,81

Bron: UWV, Algemeen Keten Overleg (AKO), rapportage 3de tertaal 2009

1 Ketenprogramma 2008

Kengetallen

Het kengetal in tabel 47.4 geeft inzicht in de mate waarin personen zonder de inzet van re-integratieondersteuning de weg naar regulier werk vinden. De invloed van de recessie is duidelijk zichtbaar. Zoals verwacht wordt de gemeentelijke populatie relatief gezien hard getroffen, maar ook de WW-populatie had duidelijk meer moeite om zelfstandig een baan te vinden.

Tabel 47.4 Kengetallen operationele doelstelling 1 (aantallen x 1 000)
  Totaal AO WW Bijstand Nug
Arbeidsinpassing van ketenpopulatie naar werk in eerste halfjaar 2009 zonder inzet re-integratie-ondersteuning 95 29 48 9 8
Arbeidsinpassing van ketenpopulatie naar werk in eerste halfjaar 2008 zonder inzet re-integratie-ondersteuning 109 30 54 12 13

Bron: CBS, Aan het werk met of zonder re-integratieondersteuning

Operationele doelstelling

2 Ondersteuning bij uitstroom naar regulier werk aan die uitkeringsgerechtigden en werklozen die dat niet op eigen kracht kunnen

Motivering

Het re-integratiebeleid is gericht op uitkeringsgerechtigden en werklozen met een afstand tot regulier werk. Daar waar de afstand tot de arbeidsmarkt klein genoeg is, is het directe doel uitstroom naar regulier werk (arbeidsinpassing). Deze vorm van re-integratieondersteuning wordt selectief en vraaggericht ingezet voor die personen die ondersteuning nodig hebben. Hiertoe worden door gemeenten en UWV diagnoseinstrumenten ingezet. Tegelijkertijd met de begroting 2009 is aan de Tweede Kamer het Plan van Aanpak re-integratie aangeboden (Kamerstukken II, 28 719, nr. 60). Dit Plan van Aanpak geeft inzicht in de wijze waarop het kabinet streeft naar het meer vraaggericht en selectief inzetten van re-integratieondersteuning.

Instrumenten en activiteiten

Instrumenten:

Invoering van het Participatiebudget met ingang van 1 januari 2009

De gemeentelijke budgetten voor volwasseneneducatie (ministerie van OCW), inburgering (ministerie voor WWI) en re-integratie (ministerie van SZW) zijn gebundeld. Hierdoor wordt bereikt dat gemeenten meer ruimte hebben om eigen beleidsafwegingen te maken in de nadruk die ze op de verschillende doelen (bevordering van de arbeidsparticipatie, inburgering en maatschappelijke participatie door deelname aan volwasseneneducatie) willen leggen, om te bepalen wie in aanmerking komt voor een voorziening of opleiding, en om combinatietrajecten in te zetten. Het wordt daardoor voor gemeenten mogelijk om meer maatwerk aan hun inwoners te leveren, en daarmee de effectiviteit van de bestedingen te verhogen.

Invoering van het Wetsvoorstel investeren in jongeren (WIJ) voor jongeren tot 27 jaar

De WIJ is op 1 oktober 2009 in werking getreden. De doelgroep van de WIJ zijn jongeren die niet leren en niet werken. De gemeente is verplicht een aanbod te doen aan jongeren die zich bij hen melden. Het aanbod kan een werkaanbod zijn of een leeraanbod of een combinatie van beide. Bij de WIJ bestaat het recht op een inkomensvoorziening alleen als de jongere het aanbod accepteert, tenzij de jongere niet in staat is om uitvoering te geven aan het aanbod.

Beschikbaar stellen van instrumenten aan UWV en gemeenten ten behoeve van werkgevers, uitkeringsgerechtigden en niet-uitkeringsgerechtigden

Sinds 1 januari 2009 is de Wet Stimulering Arbeidsparticipatie (STAP) van kracht. Hierdoor beschikt het UWV over het instrument loonkostensubsidie. UWV kan hiermee werkgevers over de streep trekken om mensen met een grote afstand tot de arbeidsmarkt in loondienst te nemen. Ook kunnen gemeenten en UWV participatieplaatsen inzetten om uitkeringsgerechtigden met een grote afstand tot de arbeidsmarkt met behoud van uitkering werkervaring op te laten doen.

Activiteiten:

Ontsluiten van goede praktijkvoorbeelden via onder andere www.interventiesnaarwerk.nl. De website www.interventiesnaarwerk.nl(INW) is, als gezamenlijk initiatief van SZW, RWI, UWV WERKbedrijf, Boaborea en enkele gemeenten, vanaf 2008 opgezet om de bewustwording over de onderbouwing en de effectiviteit van re-integratie-interventies (verder) te vergroten. Eind 2009 staan er op de website 60 interventies, good practices van gemeenten, UWV en re-integratiebureaus op het gebied van re-integratie en participatie. De website wordt verder doorontwikkeld. Aandachtspunten zijn kennisdeling, bereik eindgebruikers en relatie met andere kennisbanken.

Re-integratie Wajonggerechtigden

In de aanloop naar de invoering van de Wet Wajong per 1 januari 2010 zijn in 2009 de inspanningen met betrekking tot de re-integratie van Wajongers geïntensiveerd. Zo is er actie ondernomen om de dienstverlening aan werkgevers te verbeteren, zijn er 10 000 Wajongers uit het zittend bestand gescreend op participatiemogelijkheden en is de Wajong adviesvoucher ontwikkeld. Ook zijn verschillende inspanningen gepleegd om de match tussen Wajonger en werkgever te verbeteren; UWV ontwikkelt een competentietest-centrum en bouwt een informatiebestand op over de instroom in de nieuwe Wajong (Sonar). Met de re-integratiebranche zijn afspraken gemaakt over het uitwisselen van vacatures om sneller Wajongers te kunnen plaatsen. Profielen van Wajongers en vacatures van werkgevers worden geplaatst op www.Wajongwerkt.nl.

Via acties vanuit het Programma Cultuuromslag Wajong wordt een cultuurverandering ten aanzien van Wajongers gestimuleerd. De Ik-kancampagne zorgt tot slot voor brede voorlichting over de mogelijkheden van Wajongers.

Voorzieningen aan startende ondernemers met een handicap

De verstrekking van voorzieningen aan mensen met ziekte of handicap die willen starten als zelfstandige is met ingang van 2010 niet meer beperkt tot de re-integratieperiode in de opstartfase, maar kan na afloop daarvan structureel worden gecontinueerd. Hiermee wordt het aantrekkelijker gemaakt om te starten als zelfstandige. Dit draagt bij aan de doelstelling om de participatie van mensen met een ziekte of handicap te bevorderen en daarmee het beroep op een uitkering te verminderen. Het gaat om voorzieningen zoals een doventolk, vervoer of een aangepaste werkplek.

Detacheringstoolkit zieke werknemers

In overleg met sociale partners is een detacheringstoolkit ontwikkeld om de mogelijke inzet van detachering in de eerste twee ziektejaren in de praktijk toegankelijker te maken. De Tweede Kamer is hierover geïnformeerd bij brief van 15 december 2009 (Kamerstukken II, 28 719, nr. 70). De toolkit is aangeboden aan betrokken partijen met het oog op een optimaal gebruik in de praktijk.

Doelgroepen

• Bijstandsgerechtigden met een afstand tot de arbeidsmarkt

• Niet-uitkeringsgerechtigden met een afstand tot de arbeidsmarkt

• Anw-ers met een afstand tot de arbeidsmarkt

• WW-ers met een afstand tot de arbeidsmarkt

• Gedeeltelijk arbeids(on)geschikten (WAZ, Wajong, WAO, WIA) met een afstand tot de arbeidsmarkt.

Realisatie meetbare gegevens

Arbeidsinpassing in regulier werk binnen 24 maanden na start re-integratieondersteuning gericht op regulier werk.

Deze indicator is de opvolger van de indicator «Uitstroom naar regulier werk met re-integratieondersteuning». In tegenstelling tot de oude indicator geeft deze indicator specifiek inzicht in het resultaat van alleen die re-integratieondersteuning die als oogmerk heeft arbeidsinpassing in regulier werk. Niet alle re-integratieondersteuning is direct gericht op arbeidsinpassing in regulier werk. Voorheen was hierin echter geen splitsing te maken.

Per 1 januari 2009 is de Statistiek Re-integratie Gemeenten uitgebreid en kan op basis van de registratie van gemeenten bepaald worden welk deel van de re-integratieondersteuning direct gericht is op uitstroom naar regulier werk. Het duurt enige tijd voordat de statistieken op basis van deze nieuwe informatie beschikbaar komt. Voor het eerst bij het jaarverslag 2010 en de begroting 2012 kan op basis van deze registratie invulling gegeven worden aan deze indicator. Tot die tijd wordt in begroting en jaarverslag gerapporteerd op basis van de oude indicator, teneinde inzicht te verschaffen in de mate waarin re-integratieondersteuning leidt tot uitstroom naar regulier werk.

Uitstroom naar regulier werk na einde loonkostensubsidie

Deze indicator geeft aan welk percentage van beëindigde loonkostensubsidies resulteert in niet-gesubsidieerd regulier werk. Met de wet STAP zet het kabinet in op een resultaat van 50%.

Tabel 47.5 Indicatoren operationele doelstelling 2
  Realisatie 2007 Realisatie 2008 Realisatie 2009 Streefwaarde 2009
Arbeidsinpassing in regulier werk binnen 24 maanden na start re-integratieondersteuning gericht op regulier werk (x 1 000).1 56 61 57  
Uitstroom naar regulier werk na einde loonkostensubsidie in 2008 (%)a, 2 60% 47% 50%

Bronnen:

1 CBS, Tweemeeting uitstroomdoelstelling re-integratieondersteuning.

2 CBS, Aan het werk met of zonder re-integratieondersteuning.

a Betreft alleen beëindigde loonkostensubsidie gemeenten, incl. beëindigde ID/WIW-banen.

Kengetallen

De kengetallen in tabel 47.6 geven per uitkeringssituatie inzicht in de mate waarin re-integratieondersteuning gericht op arbeidsinpassing in regulier werk wordt ingezet en in welke mate personen met re-integratieondersteuning aan het werk gaan. Tevens wordt inzicht gegeven in welke mate de arbeidsinpassing duurzaam is (minimale duur van 6 maanden na re-integratieondersteuning). Het huidige onderzoek geeft inzicht in de mate waarin arbeidsinpassing voorafgegaan is door re-integratieondersteuning. Daarbij kan echter nog geen onderscheid worden gemaakt in re-integratieondersteuning direct gericht op arbeidsinpassing en re-integratieondersteuning gericht op het verkleinen van de afstand tot regulier werk.

Loonkostensubsidies

Als kengetallen wordt gemeld hoeveel loonkostensubsidies zijn gestart en beëindigd.

Tabel 47.6 Kengetallen operationele doelstelling 2
  Totaal AO WW Bijstand Niet-uitkerings- gerechtigden
Arbeidsinpassing in eerste halfjaar 2009 van ketenpopulatiea met re-integratieondersteuning gericht op regulier werk (aantallen x 1 000)a, 1 104 11 66 23 4
Aandeel duurzame arbeidsinpassing in 2008 (%)1 75 75 80 72 72
           
Aantal gestarte loonkostensubsidies in eerste halfjaar van 20092 (x 1 000) 7 6 0,6
Beëindigde loonkostensubsidies in eerste halfjaar van 20092 (x 1 000) 5 5 0,4

Bronnen:

1 CBS, Aan het werk met of zonder re-integratieondersteuning

2 CBS, Statistiek re-integratie gemeenten

a Inclusief start met loonkostensubsidie

Toelichting

Afbouw gesubsidieerde arbeid

Gemeenten zetten een deel van het flexibel re-integratiebudget in voor de financiering van oude vormen van gesubsidieerde arbeid (WIW en ID). Sinds het stopzetten van de regelingen Instroom-Doorstroombanen en Wet inschakeling werkzoekenden bouwen gemeenten het aantal gesubsidieerde banen af. Met onderstaande grafiek wordt inzicht gegeven in deze afbouw. In de Monitor Arbeidsmarkt (december 2009, blz. 40) is beschreven wat de bestemming is van die personen die op een afgebouwde gesubsidieerde baan werkzaam waren.

Afbouw oude gesubsidieerde banen (ID/WIW)

kst-32360-XV-1-6.gif

Bron: CBS, Statistiek Re-integratie gemeenten.

Operationele doelstelling

3 Ondersteuning bij het verkleinen van de afstand tot regulier werk aan die uitkeringsgerechtigden en werklozen die dat niet op eigen kracht kunnen

Motivering

Uitstroom naar regulier werk is niet altijd direct haalbaar. Soms is de afstand tot regulier werk zo groot dat er eerst re-integratieondersteuning moet worden ingezet om deze afstand tot regulier werk te verkleinen. Het directe doel is dan het zetten van een stap op de re-integratieladder, die veel gemeenten als hulpmiddel bij de uitvoering van het re-integratiebeleid gebruiken. Gemeenten en UWV hebben de verantwoordelijkheid en de middelen om via maatwerk een passende voorziening aan te bieden om deze afstand te verkleinen. Hiertoe zetten zij onder andere participatieplaatsen en sociale activering in.

Met de invoering van het instrument participatieplaatsen streeft het kabinet naar een aanvulling op het instrumentarium van gemeenten en UWV om personen met een zeer grote afstand tot regulier werk stapjes te laten zetten.

Activiteiten

Beschikbaar stellen van instrumenten aan UWV en gemeenten ten behoeve van werkgevers, uitkeringsgerechtigden en niet-uitkeringsgerechtigden

Sinds 1 januari 2009 is de Wet Stimulering Arbeidsparticipatie (STAP) van kracht. Gemeenten en UWV kunnen participatieplaatsen inzetten om uitkeringsgerechtigden met een grote afstand tot de arbeidsmarkt met behoud van uitkering werkervaring op te laten doen.

Doelgroepen

• Bijstandsgerechtigden met een zeer grote afstand tot de arbeidsmarkt

• Niet-uitkeringsgerechtigden met een zeer grote afstand tot de arbeidsmarkt

• Anw-ers met een zeer grote afstand tot de arbeidsmarkt

Kengetallen

Op dit moment ontbreekt de informatievoorziening om de beoogde kengetallen van realisatiewaarden te voorzien.

Per 1 januari 2009 is de Statistiek Re-integratie Gemeenten uitgebreid met een re-integratiepositie waarmee bepaald worden welk deel van de re-integratieondersteuning nog niet direct gericht is op uitstroom naar regulier werk. Het duurt enige tijd voordat de statistieken op basis van deze nieuwe informatie beschikbaar komen. Voor het eerst bij het jaarverslag 2010 en de begroting 2012 kan op basis van deze registratie invulling gegeven worden aan de wens om te zien dat de afstand van werklozen tot de arbeidsmarkt daadwerkelijk wordt verkleind.

Tabel 47.7 Beoogde kengetallen operationele doelstelling 3 onderscheiden naar wetsdoelgroep
– Aantal re-integratieondersteuningen gericht op verkleinen afstand tot de arbeidsmarkt in een kalenderjaarw.v. participatieplaatsen  
– Doorstroom naar re-integratieondersteuning gericht op arbeidsinpassing in regulier werk in een kalenderjaar  
– Aantal bewegingen in het bestand in een kalenderjaar  

Samenvattende tabel

Op diverse plekken in dit beleidsartikel is een toelichting gegevens op begrotings- en premiegefinancierde uitgaven, alsmede de activiteiten die worden verricht. In de overzichtstabel 47.8 is deze informatie bij elkaar geplaatst.

Tabel 47.8 Uitgaven, trajecten en resultaten re-integratie in 2009
  Totaal   UWV gemeenten
    AO1 WW1 WWB Nug/Anw
Uitgaven (x € mln) 2 1563 255 151 1 7503
Uitvoeringskosten (x € mln) 91 174 uit Gemeentefonds
Totaal uitgaven 346 325  
           
Re-integratieondersteuning (x 1 000)2          
• gestart in 2009 (gemeenten eerste halfjaar) 48 82 49 3
• lopend ultimo 2009 (gemeenten eerste halfjaar) 69 67 221 12
• beëindigd in 2009 (gemeenten eerste halfjaar) 35 51 31 3

Bronnen:

1 UWV, jaarverslag

2 CBS, Statistiek re-integratie gemeenten voor WWB, Nug

3 Voorlopige raming op basis van voorlopige opgaven gemeenten

Overzicht onderzoek naar doelmatigheid en doeltreffendheid van beleid

Tabel 47.9 Overzicht afgeronde onderzoeken
Soort onderzoek Onderwerp onderzoek AD/OD A. StartB. Afgerond Vindplaats
Evaluatieonderzoek ex ante Geen      
Beleidsdoorlichting Geen      
Effecten onderzoek ex post Geen      
Overig evaluatieonderzoek Geen      

Toelichting

Naar aanleiding van de Tweede Kamerbehandeling van de Beleidsdoorlichting re-integratie zijn stappen gezet voor het verbeteren van de resultaten van het re-integratiebeleid. Deze stappen zijn uitgebreid beschreven in het tegelijkertijd met de begroting 2009 aan de Tweede Kamer aangeboden Plan van Aanpak re-integratie. Het gaat dan om het vraaggerichter maken en selectiever inzetten van re-integratie ondersteuning, naast een grotere transparantie van de inzet van middelen en de bereikte resultaten. De komende jaren moeten hiervan de vruchten worden geplukt. Uiterlijk bij de eerstvolgende Beleidsdoorlichting (2012–2013) zal hierover een integrale verantwoording worden afgelegd.

Naar aanleiding van de SZW begrotingsbehandeling voor 2010 is een motie aangenomen van de heer Meeuwis (VVD) en mevrouw Koser Kaya (D66) die «de regering verzoekt onafhankelijk onderzoek te laten doen naar de totale kosten van re-integratie voor Rijk en gemeenten, alsmede naar de effectiviteit van de besteding van deze middelen, en de resultaten hiervan voor de zomer van 2010 naar de Kamer te zenden.» (Kamerstukken II, 2009–2010, 32 123 XV, nr. 26)

Artikel

48 Sociale werkvoorziening

Algemene doelstelling

Het faciliteren van de arbeidsparticipatie van personen met lichamelijke, verstandelijke en/of psychische beperkingen, die uitsluitend onder aangepaste omstandigheden tot regelmatige arbeid in staat zijn

Motivering

Arbeidsparticipatie mogelijk maken voor personen uit de doelgroep door het aanbieden van aangepaste arbeid. Arbeid die past bij hun capaciteiten en mogelijkheden en tevens een bijdrage levert aan het behouden en bevorderen van hun arbeidsbekwaamheid.

Doelbereiking en maatschappelijk effect

Uit de realisatiecijfers van 2009 blijkt dat de problemen die aanleiding waren voor het instellen van de Commissie Fundamentele herbezinning Wsw, zoals lange wachtlijsten en het niet naar vermogen participeren van de doelgroep voortbestaan.

In 2009 zijn de pilots Werken naar vermogen gestart naar aanleiding van het advies van de Commissie Fundamentele Herbezinning Wsw. De eerste resultaten van de pilots worden verwacht in de loop van 2011.

Externe factoren

Behalen van deze doelstelling hangt af van:

• de mate waarin personen een beroep doen op de Wsw;

• beschikbaarheid van aangepaste arbeid die bijdraagt aan het behouden en bevorderen van de arbeidsbekwaamheid van personen uit de doelgroep.

Kengetallen

Het kengetal in tabel 48.1 geeft aan in welke mate de algemene doelstelling wordt gerealiseerd.

Als het aantal personen dat een beroep doet op de Wsw toeneemt, in vergelijking tot de uitstroom uit het Wsw-werknemersbestand, zal dit resulteren in groeiende wachtlijsten en een daling van het aantal personen in het Wsw-werknemersbestand in verhouding tot de totale doelgroep. De realisaties worden toegelicht bij tabel 48.4.

Tabel 48.1 Kengetal algemene doelstelling
  Realisatie 2007 Realisatie 2008 Realisatie 2009
Aantal personen in Wsw werknemersbestand tegenover de totale doelgroep (%) 83 85 85*

Bron: Research voor Beleid, Wsw-statistiek

* Voorlopig cijfer

Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 48.2 Begrotingsuitgaven Artikel 48 (x € 1 000)
artikelonderdeel 2005 2006 2007 2008 Realisatie 2009 Begroting 2009 Verschil 2009
Verplichtingen 2 227 419 2 300 849 2 417 603 2 511 991 2 578 336 2 436 693 141 643
Uitgaven 2 222 496 2 248 184 2 335 882 2 426 391 2 503 787 2 436 693 67 094
               
Programma uitgaven 2 221 884 2 247 081 2 334 551 2 425 209 2 502 838 2 435 795 67 043
               
Operationele Doelstelling 1              
Wet Sociale Werkvoorziening 2 221 884 2 224 981 2 306 551 2 399 909 2 478 238 2 410 542 67 696
Uitvoeringskosten Wsw indicatiestelling 0 22 100 28 000 25 300 24 600 25 253 – 653
               
Apparaatsuitgaven 612 1 103 1 331 1 182 949 898 51
Personeel en materieel 612 1 103 1 331 1 182 949 898 51
               
Ontvangsten 459 693 473 895 473 108 488 720 509 690 522 706 – 13 016

Toelichting

Wet sociale werkvoorziening

• In vergelijking met de begroting zijn de middelen voor de Wsw structureel met ca. € 73 mln verhoogd als gevolg van de loonbijstelling in 2009.

• Het budget voor de stimuleringsuitkering begeleid werken voor 2009 bedroeg € 18 mln. Hiervan is ca. € 10 mln uitgekeerd aan de gemeenten op basis van de verantwoordingsinformatie Wsw over 2008 met daarin de opgegeven gerealiseerde begeleid werkenplekken.

• In 2009 is ca. € 4 mln besteed aan de voorbereiding en uitvoering van de pilots Werken naar vermogen.

Ontvangsten

• Voor Wsw-werknemers met recht op een arbeidsongeschiktheidsuitkering draagt UWV de vrijvallende uitkeringen af aan SZW. In 2009 heeft UWV ca. € 507 mln aan anticumulatiebaten aan SZW afgedragen.

• In 2009 is ca € 3 mln Wsw-subsidie over de jaren 2007 en 2008 terugontvangen als gevolg van onderrealisatie Wsw-plaatsen.

Operationele doelstelling

1 Het realiseren van aangepaste arbeid voor personen met een Wsw-indicatie, waar mogelijk in een zo regulier mogelijke werkomgeving

Motivering

Om arbeidsgehandicapten die willen deelnemen aan het arbeidsproces de mogelijkheid van arbeidsparticipatie te bieden, wordt voor Wsw-geïndiceerden aangepaste arbeid gerealiseerd waar mogelijk in een zo regulier mogelijke arbeidsomgeving.

Doelbereiking

Zoals in tabel 48.4 is te zien wordt door een oplopende wachtlijst in mindere mate voldaan aan de doelstelling om voor Wsw-geïndiceerden aangepaste arbeid te realiseren. Daarentegen wordt door het groeiende aantal detacheringen en begeleid werkplekken in iets grotere mate voldaan aan de doelstelling om aangepaste arbeid te realiseren in een zo regulier mogelijke omgeving.

Activiteiten

Zoals elk jaar is er subsidie verstrekt aan gemeenten voor het realiseren van Wsw-arbeidsplaatsen. Daarnaast is er gewerkt aan de voorbereiding en uitvoering van pilots Werken naar vermogen:

• Het creëren van werkplekken voor personen met een beperking bij reguliere werkgevers;

• De omslag van bedrijven in de sociale werkvoorziening van productiegerichtheid naar gerichtheid op het ontwikkelen van arbeidsvaardigheden;

• Betere dienstverlening op de werkpleinen (bemiddelen naar werk) voor mensen met een beperking;

• Het toetsen van een nieuwe systematiek waarbij het instrument loondispensatie centraal staat.

De eerste uitkomsten van de pilots worden verwacht in de loop van 2011.

Doelgroep

Personen met een Wsw-indicatie (personen met lichamelijke, verstandelijke en/of psychische beperkingen, die niet in staat zijn te re-integreren naar een reguliere arbeidsplaats en uitsluitend onder aangepaste omstandigheden regelmatige arbeid kunnen verrichten).

Realisatie meetbare gegevens

Het bereiken van de operationele doelstelling in 2009 wordt aan de hand van twee indicatoren weergegeven:

• De eerste indicator toont de realisatie van Wsw-plaatsen in relatie tot het aantal waarvoor subsidie is toegekend (90 804 arbeidsjaren). Wsw-plaatsen worden uitgedrukt in arbeidsjaren, waarbij een arbeidsjaar overeen komt met 1 fte van een Wsw-werknemer ingedeeld in de arbeidshandicapcategorie matig. Voor 1 fte van iemand ingedeeld in de arbeidshandicapcategorie ernstig wordt 1,25 arbeidsjaar gerekend. Uit tabel 48.3 blijkt dat het aantal Wsw-plaatsen waarvoor subsidie is verstrekt, meer dan volledig is gerealiseerd.

• De tweede indicator geeft inzicht in het bereiken van de doelstelling van de Wsw, namelijk zoveel mogelijk werken in een zo regulier mogelijke arbeidsomgeving. De vorm begeleid werken is de meest reguliere vorm van werken voor de doelgroep. De stimuleringsuitkering begeleid werken beoogt een financiële prikkel te geven aan gemeenten om de doelstelling – zoveel mogelijk werken in een zo regulier mogelijke arbeidsomgeving – verder te stimuleren. In 2009 is een lichte stijging te zien ten opzichte van 2008.

Tabel 48.3 Indicatoren operationele doelstelling 1
  Realisatie 2007 Realisatie 2008 Realisatie 2009 Streefwaarde 2009
Realisatie van arbeidsplaatsen in relatie tot het aantal waarvoor subsidie is toegekend (%) 102 105 104* 100
Aantal gerealiseerde plaatsen in begeleid werken als percentage van het totaal aantal arbeidsplaatsen (jaargemiddelde in %) 3 4 5* 7

Bron: Research voor Beleid, Wsw-statistiek

* Voorlopige cijfers

Kengetallen

• Het werknemersbestand is in 2009 vrijwel gelijk gebleven.

• Het aantal personen op de wachtlijst is in 2009 wederom toegenomen. De trendbreuk in 2008 wordt toegeschreven aan de opschoonactie van de wachtlijst op grond van de criteria voor beschikbaarheid voor arbeid in het kader van de gewijzigde Wsw, in werking getreden op 1 januari 2008. Gezien de stijging in 2009 blijft de fundamentele (wachtlijst) problematiek onverminderd voortduren.

• De gemiddelde verblijfsduur op de wachtlijst is in 2009 licht afgenomen.

• Het percentage detacheringen is licht toegenomen in 2009.

Tabel 48.4 Kengetallen operationele doelstelling 1
  Realisatie 2007 Realisatie 2008 Realisatie 2009
Werknemersbestand (personen) (ultimostand) 100 493 102 168 102 174*
Wachtlijst (personen) (ultimostand) 19 676 17 753 18 706*
Gemiddelde verblijfsduur op de wachtlijst (maanden) 14,4 15,2 14,9*
Aantal detacheringen als percentage van het totaal aantal Wsw-dienstbetrekkingen 22 23 24*

Bron: Research voor Beleid, Wsw-statistiek

* Voorlopige cijfers

Overzicht afgeronde onderzoeken

Tabel 48.5 Overzicht afgeronde onderzoeken
Soort onderzoek Onderwerp onderzoek AD/OD A. StartB. Afgerond Vindplaats
Evaluatieonderzoek ex ante Geen      
Beleidsdoorlichting Geen      
Effecten onderzoek ex post Geen      
Overig evaluatieonderzoek Pilots Werken naar vermogen AD A. 2009B. 2013  

Toelichting

Zie Operationele Doelstelling 1 onderdeel Activiteiten voor meer informatie over de pilots Werken naar vermogen.

Artikel

49 Overige inkomensbescherming

Algemene doelstelling

Zorgdragen voor adequate bescherming zonder activerende voorwaarden tegen de financiële risico’s bij inkomensverlies

Motivering

Om inkomensbescherming op minimumniveau te bieden. SZW creëert de voorwaarden voor de toekenning van een uitkering of toeslag en SVB, gemeenten en UWV zijn verantwoordelijk voor de uitvoering hiervan.

Doelbereiking en maatschappelijke effecten

Mensen vanaf 65 jaar en nabestaanden ontvangen een ouderdomspensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW) respectievelijk een nabestaandenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (Anw), gerelateerd aan het minimumloon.

Als een 65-plusser een AOW-uitkering ontvangt waarop een korting is toegepast in verband met niet-verzekerde jaren, kan deze een beroep doen op algemene bijstand op grond van de Wet Werk en Bijstand (WWB) ingeval het inkomen onder het sociaal minimum komt.

Zieke, arbeidsongeschikte en werkloze werknemers ontvangen een toeslag op grond van de Toeslagenwet tot het relevante sociaal minimum als de betrokkene daar met het gezinsinkomen onder blijft.

Externe factoren

Het behalen van de doelstelling hangt van enkele externe factoren af:

• Effectieve uitvoering van de wetten door de uitvoeringsorganisaties;

• De mate van naleving van wet- en regelgeving door uitkeringsgerechtigden.

Realisatie meetbare gegevens

Voor de algemene doelstelling zijn geen aparte indicatoren geformuleerd. Verwezen wordt naar de realisatiecijfers voor de operationele doelstellingen.

Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 49.1 Begrotingsuitgaven Artikel 49 (x € 1 000)
artikelonderdeel 2005 2006 2007 2008 realisatie 2009 begroting 2009 verschil 2009
Verplichtingen 345 065 372 308 335 281 367 111 386 214 347 520 38 694
Uitgaven 345 065 372 308 335 281 367 111 386 214 347 520 38 694
               
Programma uitgaven 344 388 371 593 334 516 366 255 385 403 346 110 39 293
               
Operationele Doelstelling 2              
Uitvoeringskosten WWB 65+ 0 0 0 0 2 500 0 2 500
               
Operationele Doelstelling 3              
ToeslagenwetUitkeringslasten 332 830 371 586 334 516 366 255 382 903 346 1 10 36 793
ToeslagenwetUitvoeringskosten 11 558 7 0 0 0 0 0
               
Apparaatsuitgaven 677 715 765 856 811 1 410 – 599
Personeel en materieel 677 715 765 856 811 1 410 – 599
               
Ontvangsten 8 655 5 358 1 866 2 955 2 410 0 2 410

Toelichting

Wet werk en bijstand (WWB) 65+

Per 1 januari 2010 voert de SVB de WWB voor 65-plussers uit. De eenmalige implementatiekosten in 2009 in verband met de invoering van deze nieuwe regeling waren € 2,5 mln. De uitkeringslasten in 2009 van de WWB 65+ maken onderdeel uit van het Inkomensdeel WWB. De ontwikkeling daarvan is in artikel 46 toegelicht.

Toeslagenwet

De Toeslagenwet (TW) verleent aan bepaalde uitkeringsgerechtigden toeslagen tot het relevante sociaal minimum. Daar waar nodig komen toeslagen op uitkeringen, waarvan de belangrijkste zijn de zogeheten moederwetten WAO, WAZ, Wajong, WIA, WW en ZW. De uitvoeringskosten voor de Toeslagenwet worden gedragen door de fondsen van de betreffende moederwetten.

De uitgaven TW worden vooral bepaald door volume-ontwikkelingen in de genoemde moederwetten. De ontwikkelingen in deze uitkeringsvolumes variëren. Het aantal uitkeringen WAO en WAZ is afgenomen, maar die van de WW, ZW, WIA en Wajong zijn toegenomen. Grootste invloed gaat hierbij uit van de WW, die als gevolg van de economische crisis behoorlijk is gestegen.

Tabel 49.2 Premiegefinancierde uitgaven Artikel 49 (x € 1 000)
artikelonderdeel 2005 2006 2007 2008 Realisatie 2009 Begroting 2009 Verschil 2009
Uitgaven 25 134 259 25 945 038 27 084 400 28 297 062 30 094 970 30 113 361 – 18 391
               
Programmauitgaven 25 134 259 25 945 038 27 084 400 28 297 062 30 094 970 30 113 361 – 18 391
Operationele Doelstelling 1              
ANW uitkeringslasten 1 367 755 1 321 785 1 264 523 1 203 536 1 147 398 1 132 903 14 495
ANW tegemoetkoming 0 15 319 21 399 21 560 22 671 22 530 141
ANW uitvoeringskosten 32 334 28 279 30 651 23 801 19 973 27 336 – 7 363
Operationele Doelstelling 2              
AOWuitkeringslasten 23 369 232 24 168 966 25 198 000 26 446 126 27 580 144 27 071 496 508 648
AOWtegemoetkoming 251 983 299 341 438 606 483 094 1 217 152 1 118 673 98 479
AOWuitvoeringskosten 112 955 111 348 131 221 118 945 107 632 120 632 – 13 000
               
Nominaal 0 0 0 0 0 619 791 – 619 791
               
Ontvangsten 0 0 0 0 0 0 0

Bron: SVB Jaarverslag

Toelichting

Algemene nabestaandenwet (Anw)

De Anw is een financiële ondersteuning na het overlijden van een van de partners of ouders. Voor mensen die naast hun Anw-uitkering werken, geldt dat een deel van het inkomen wordt verrekend met de uitkering. Voor mensen die na 1950 zijn geboren gelden andere toelatingseisen tot de Anw dan voor mensen die voor 1950 zijn geboren. De groep Anw-gerechtigden die voor 1950 geboren zijn, is aanzienlijk afgenomen. Immers, als deze nabestaanden 65 jaar of ouder worden vervalt hun recht op een Anw-uitkering. Deze ontwikkeling verloopt zoals voorzien. De uitkeringslasten wijken slechts marginaal af van de begroting. De uitvoeringskosten Anw zijn lager dan begroot, vooral als gevolg van een herijking van de kosten door de SVB, maar ook door efficiencymaatregelen.

Algemene ouderdomswet (AOW)

De AOW is een basispensioen voor mensen die 65 jaar of ouder zijn. De nominale bijstelling bij de premiegefinancierde uitgaven is circa € 620 miljoen. Deze prijsbijstelling verklaart vrijwel geheel de toename van de uitkeringslasten AOW, inclusief de tegemoetkoming. Het verschil tussen de realisatie en de begroting van de AOW uitvoeringskosten wordt grotendeels verklaard door het project SVB Tien, waar een deel van de kosten is gefinancierd uit de beschikbare reserves.

Operationele doelstelling

1 Zorgdragen dat een aanvulling tot inkomen op minimumniveau wordt verstrekt aan alleenstaande nabestaanden, wezen of halfwezen voor wie het niet mogelijk is om zelfstandig in hun levensonderhoud te voorzien

Motivering

Om personen die geconfronteerd zijn met het overlijden van een partner of ouders en die vanwege leeftijd, de zorg voor een jong kind, of arbeidsongeschiktheid niet (volledig) een eigen inkomen kunnen verwerven, te voorzien van een minimuminkomen.

Doelbereiking

Nabestaanden ontvangen een nabestaandenuitkering van 70% van het minimumloon. Deze uitkering is inkomensafhankelijk. De nabestaande kan ook aanspraak maken op een halfwezenuitkering van 20% van het minimumloon voor een halfwees jonger dan 18 jaar die tot het huishouden behoort. Wezen kunnen aanspraak maken op een wezenuitkering. De wezenuitkering bedraagt een leeftijdsafhankelijk percentage van de nabestaandenuitkering. De halfwezen- en wezenuitkering zijn onafhankelijk van het inkomen. Naast de nabestaanden-, halfwezen-, of wezenuitkering ontvangen nabestaanden of wezen maandelijks een inkomensonafhankelijke tegemoetkoming. Deze tegemoetkoming bedroeg in 2009 € 16,78 per maand.

Instrumenten en activiteiten

Instrumenten

• Uitkeringen op grond van de Anw;

Activiteiten SZW

• Opstellen en onderhouden van beleid, wet- en regelgeving;

• Aanpassen tweemaal per jaar van het niveau van uitkeringen aan minimumloonontwikkeling;

• Aansturen van en toezicht houden op de SVB

• Als onderdeel van de crisismaatregelen is besloten de Anw-tegemoetkoming in 2010 en 2011 niet te indexeren.

Doelgroepen

Alleenstaande nabestaanden, verzorgers van halfwezen en wezen.

Kengetallen

De omvang van het Anw bestand neemt af vanwege de aanpassing die in 1996 in de toetredingsvoorwaarden is aangebracht.

Voor de Anw zijn kengetallen ontwikkeld gericht op handhaving. De kengetallen geven ondermeer het niveau weer waarin gerechtigden de in de wet opgenomen informatieplicht ten aanzien van de leefsituatie en het inkomen naleven.

Tabel 49.3 Kengetallen operationele doelstelling 1
Volume (x 1 000 uitkeringsjaren): Realisatie 2007 Realisatie 2008 Realisatie 2009
Nabestaandenuitkering      
Volume: Ingang recht voor 1 juli 19961 37 32 27
w.v. nabestaande + halfwezenuitkering 2 1 1
 w.v. nabestaande uitkering 35 30 26
       
Volume: Ingang recht na 1 juli 19961 67 66 63
 w.v. nabestaande + halfwezenuitkering 10 10 9
 w.v. alleen nabestaandenuitkering 44 42 40
 w.v. alleen halfwezenuitkering 13 14 14
       
Wezenuitkering1 1 1 1
Totaal volume uitkeringsjaren (x 1 000) 105 99 92
Totaal aantal uitkeringsgerechtigden (x 1 000 personen) 127 119 111
       
Handhaving:      
Nalevingsniveau melden samenwonen (%)2   98 98
Nalevingsniveau van opgave inkomen uit arbeid (%)3   9 95
Bekendheid met regels samenwonen (%)1 92 85 92
Bekendheid met regels inkomen (%)1 96 93 95
Aantal onderzochte fraudesignalen1 916 961 1 117
Totaal schadebedrag fraude (x € 1 mln)1 4,7 2,8 2,9
Incassoratio (%)1   92 91

Bronnen:

1 SVB, Jaarverslag

2 SZW-berekeningen op basis van SVB-informatie

3 SZW-berekeningen op basis van informatie SVB en CBS

Operationele doelstelling

2 Zorgdragen dat een minimuminkomen wordt verstrekt aan personen van 65 jaar en ouder

Motivering

Om personen die de leeftijd van 65 jaar hebben bereikt inkomensbescherming te bieden.

Doelbereiking

65-plussers ontvangen een uitkering gerelateerd aan het minimumloon (afhankelijk van leefsituatie 50%, 70% of 90%). Onder bepaalde voorwaarden wordt bij een (vanwege onvoldoende opbouw) gekort AOW-pensioen, aanvulling vanuit de algemene bijstand verstrekt. Naast de AOW-uitkering ontvangen rechthebbenden een maandelijkse inkomensonafhankelijke tegemoetkoming, die in 2009 bruto € 36,45 bedroeg.

Instrumenten en activiteiten

Instrumenten:

• Ouderdomspensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW);

• AOW-toeslag ten behoeve van de partner jonger dan 65 jaar aan personen die een ouderdomspensioen op grond van de AOW ontvangen;

• Aanvullende uitkering op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) indien een onvolledig AOW-pensioen wordt verstrekt in verband met niet-verzekerde jaren en indien geen toereikende middelen aanwezig zijn.

Activiteiten SZW:

• Opstellen en onderhouden beleid, wet- en regelgeving;

• Halfjaarlijks aanpassen van het uitkeringsniveau aan de minimumloonontwikkeling;

• Op 30 december 2009 is de wet gepubliceerd die de verantwoordelijkheid voor en de uitvoering van de aanvullende bijstand overhevelt van gemeenten naar de Sociale Verzekeringsbank (Stb. 2009, 596). Met ingang van 1 januari 2010 verstrekt de SVB deze uitkering in de vorm van een aanvullende inkomensvoorziening ouderen;

• Op 2 december is het wetsontwerp leeftijdsverhoging AOW naar de Tweede Kamer gestuurd (Kamerstukken II, 2009/2010, 32 247);

• Op 23 december zijn drie voorontwerpen van flankerende maatregelen ten aanzien van de leeftijdsverhoging AOW naar de Tweede Kamer gestuurd (Kamerstukken II, 2009/2010, 32 163).

Activiteiten SVB:

• Beoordelen recht op AOW;

• Verstrekken van uitkeringen;

• Verwerken van mutatiemeldingen;

• Handhaven van wet- en regelgeving.

Activiteiten gemeenten:

• Beoordelen recht op aanvullende bijstand;

• Verstrekken van aanvullende bijstand.

Doelgroepen

Personen van 65 jaar en ouder.

Kengetallen

• Het volume AOW-uitkeringen stijgt, conform de verwachtingen ten aanzien van de vergrijzing.

• Volgens het rapport «Herhaalmeting Kennis over de AOW-partnertoeslag» (Intomart GfK bv, 20 mei 2009) is de bekendheid met de afschaffing in 2015 van de partnertoeslag AOW in 2009 19%. Dit percentage is vergelijkbaar met het percentage van 2008, toen 21% van de respondenten wist dat de AOW-partnertoeslag wordt afgeschaft. Het kabinet heeft voor 2010 € 300 000 uitgetrokken om door middel van voorlichting de bekendheid verder te vergroten.

Tabel 49.4 Kengetallen operationele doelstelling 2
Volume uitkeringsjaren (x 1 000): Realisatie 2007 Realisatie 2008 Realisatie 2009
90% uitkering (alleenstaande met kind)1 0,3 0,3 0,3
70% uitkering (totaal)1 977 988 999
 w.v. partner < 65 jaar1 3 3 2
50% uitkering (totaal)1 1 447 1 490 1 543
w.v. partner < 65 jaar1 228 237 246
Totaal volume uitkeringsjaren1 (90%+70%+50%) 2 426 2 478 2 542
Volume (x 1 000 personen)1 2 635 2 698 2 774
       
Korting op de AOW-uitkering in verband met niet-verzekerde jaren en bekendheid afschaffen partnertoeslag:
Aantal personen met korting (% van totaal)1 16 17 17
Gemiddeld kortingspercentage (%)1 49 49 49
Volume aanvullende WWB > 65 jaar (* 1 000 personen)2 30 32 35
Bekendheid met afschaffen partnertoeslag3 21 19
       
Handhaving:      
Nalevingsniveau melden samenwonen (%)4   99 99
Bekendheid met regels samenwonen (%) 88 80 82
Bekendheid met regels inkomen (%) 81 81 74
Aantal onderzochte fraudesignalen 2 086 3 338 3 794
Totaal schadebedrag fraude (x € 1 mln) 3,1 2,4 0,7
Incassoratio (%)   96 95

Bronnen:

1 SVB Jaarverslag

2 CBS, Bijstandsuitkeringenstatistiek

3 Intomart GfK bv, (20 mei 2009), «Herhaalmeting Kennis over de AOW-partnertoeslag».

4 SZW-berekeningen op basis van SVB-informatie

Operationele doelstelling

3 Zorgdragen dat een aanvulling tot inkomen op minimumniveau wordt verstrekt aan zieke, arbeidsongeschikte en werkloze werknemers

Motivering

Om personen die een uitkering op grond van de WW, WIA, ZW, WAO, WAZO, Wajong, WAMIL of loondoorbetaling in het tweede ziektejaar ontvangen, te voorzien van een minimuminkomen.

Doelbereiking

Zieke, arbeidsongeschikte en werkloze werknemers ontvangen een toeslag tot het minimumniveau als de betrokkene daar met zijn gezinsinkomen onder blijft.

Instrumenten en activiteiten

Instrumenten:

• Toeslag op grond van de Toeslagenwet (TW);

Wijziging m.b.t. TW:

• Met ingang van 1 december 2009 is de Wet inkomensvoorziening oudere werklozen in werking getreden. Ook IOW-gerechtigden kunnen recht hebben op een toeslag op grond van de TW.

• Met de Wet Wajong is geregeld dat met ingang van 1 januari 2010 geen recht op toeslag bestaat voor de Wajonggerechtigde die inkomensondersteuning ontvangt tijdens studie of scholing.

Doelgroepen

Personen die een loondervingsuitkering of loondoorbetaling ontvangen (volgens de definitie van de TW) en per dag een inkomen hebben dat lager is dan het relevante sociaal minimum.

Realisatie meetbare gegevens

Output en outcome zijn in beginsel wel meetbaar maar dit is in verhouding tot de uitgaven en/of administratieve lasten relatief kostbaar en tijdrovend. Er is daarom geen indicator opgenomen. Recht op een toeslag uit hoofde van de toeslagenwet is slechts aan de orde bovenop een ander uitkeringsrecht.

Kengetallen

Ten opzichte van 2008 is het volume TW toegenomen. Dat komt doordat per saldo de volumes van de moederwetten waarop de toeslagen komen zijn gestegen. Grootste invloed is hierbij uitgegaan van de WW.

Tabel 49.5 Kengetallen operationele doelstelling 3
  Realisatie 2007 Realisatie 2008 Realisatie 2009
Gemiddeld jaarvolume TW (* 1000 uitkeringsjaren) 78 168 180
Gemiddelde toeslag (x € 1) 4 181 2 177 2 132
Handhaving      
Aantal geconstateerde overtredingen   2 549 3 214
Totaal schadebedrag (x € 1 mln) 6,8 5,1 8,4
Afdoeningspercentage 93,4 91,3 93,2

Bron: UWV, Jaarverslag

Overzicht afgeronde onderzoeken

Tabel 49.6 Overzicht afgeronde onderzoeken
Soort onderzoek Onderwerp onderzoek AD/OD A. StartB. Afgerond Vindplaats
Evaluatieonderzoek ex ante        
Beleidsdoorlichting Artikel 49 AD A. 2008B. 2010  
Effecten onderzoek ex post        
Overig evaluatieonderzoek        

Artikel

50 Tegemoetkoming specifieke kosten

Algemene doelstelling

Zorgdragen voor een tegemoetkoming in specifieke kosten alsmede maatschappelijke erkenning van het leed van asbestslachtoffers in werksituaties

Motivering

Om bepaalde personen een financiële tegemoetkoming te verstrekken voor specifieke kosten of als maatschappelijke erkenning. SZW creëert de voorwaarden voor het toekennen van deze tegemoetkomingen en zorgt ervoor dat deze tegemoetkomingen door de SVB worden uitgekeerd.

Doelbereiking en maatschappelijke effecten

Ouders en verzorgers met een thuiswonend ernstig gehandicapt kind van 3 tot 18 jaar ontvangen een tegemoetkoming in de kosten op grond van de regeling Tegemoetkoming onderhoudskosten thuiswonende gehandicapte kinderen 2000 (TOG). De TOG is daarnaast ook een blijk van waardering voor het thuis verzorgen van een gehandicapt kind.

Door middel van het verstrekken van een tegemoetkoming op grond van de regeling Tegemoetkoming asbestslachtoffers (TAS) aan asbestslachtoffers, wordt uiting gegeven aan de maatschappelijke betrokkenheid bij de slachtoffers.

Externe factoren

Het behalen van de doelstelling hangt van enkele externe factoren af:

• Effectieve uitvoering van de regelingen door de uitvoeringsorganisaties SVB (Sociale Verzekeringsbank) en IAS (Instituut Asbestslachtoffers);

• De mate van naleving van regelgeving door uitkeringsgerechtigden.

Realisatie meetbare gegevens

De realisatie wordt toegelicht bij de operationele doelstelling.

Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 50.1 Begrotingsuitgaven Artikel 50 (x € 1 000)
artikelonderdeel 2005 2006 2007 2008 realisatie 2009 begroting 2009 verschil 2009
Verplichtingen 116 404 120 387 129 282 130 187 147 817 143 859 3 958
Uitgaven 116 404 120 387 129 316 130 187 147 817 143 859 3 958
               
Programma uitgaven 115 969 119 178 128 143 129 204 147 230 142 915 4 315
               
Operationele Doelstelling 1              
TOG Uitkeringslasten 32 790 37 615 49 373 53 408 58 909 59 920 – 1 011
TOG Uitvoeringskosten 1 879 1 989 2 357 2 401 3 385 2 815 570
Akw Uitvoeringskosten 78 200 76 500 73 043 67 939 77 462 73 642 3 820
Kinderregelingen uitvoeringskosten 0 0 0 2000 3 759 2 924 835
Operationele Doelstelling 2              
TAS uitkeringslasten 1 917 2 398 2 525 2 448 2 836 2 735 101
TAS uitvoeringskosten 1 183 676 845 1 008 879 879 0
               
Apparaatsuitgaven 435 1 209 1 173 983 587 944 – 357
Personeel en materieel 435 1 209 1 173 983 587 944 – 357
               
Ontvangsten 8 135 16 214 6 018 12 695 828 0 828

Toelichting

Tegemoetkoming onderhoudskosten thuiswonende gehandicapte kinderen (TOG)

De gerealiseerde uitkeringslasten zijn ca. € 1 mln lager dan begroot. Dit is de resultante van twee tegengestelde effecten:

• een hoger aantal kinderen voor de TOG dan geraamd;

• een lager aantal uitkeringen met terugwerkende kracht dan geraamd.

De kosten voor de keuringen ten behoeve van de TOG-indicatiestellingen worden verantwoord op de begroting van het ministerie van VWS.

Algemene Kinderbijslagwet (AKW)

De uitkeringslasten AKW worden verantwoord op de begroting van het ministerie voor Jeugd en Gezin. De ontwikkeling van de uitvoeringskosten AKW volgt de ontwikkeling van het volume.

Tegemoetkoming asbestslachtoffers (TAS)

De gerealiseerde uitkeringslasten en uitvoeringskosten TAS komen nagenoeg overeen met de raming ten tijde van de begroting.

Uitvoeringskosten

De gerealiseerde uitvoeringskosten AKW, TOG en Kinderregelingen zijn in 2009 hoger dan begroot vanwege een aantal nabetalingen over 2008.

Operationele doelstelling

1 Zorgdragen dat een extra financiële tegemoetkoming in de kosten van kinderen wordt verstrekt aan ouders of verzorgers

Motivering

Om ouders of verzorgers van een thuiswonend gehandicapt kind meer financiële ruimte te bieden.

Doelbereiking

In 2009 zijn bijna 62000 TOG-tegemoetkomingen verstrekt.

Instrumenten en activiteiten

Instrument:

• Tegemoetkoming op grond van de TOG-regeling.

Activiteiten SZW:

• Opstellen en onderhouden van beleid en regelgeving;

Activiteiten SVB:

• Beoordelen recht op TOG-tegemoetkomingen;

• Verstrekken TOG-tegemoetkomingen;

• Handhaven van wet- en regelgeving.

Doelgroepen

Ouders of verzorgers van gehandicapte kinderen van 3 tot 18 jaar.

Realisatie meetbare gegevens

Voor het recht op een tegemoetkoming is bepalend of een kind thuis woont en gehandicapt is. Deze voorwaarden worden op basis van GBA en medische indicatie getoetst. Omdat de criteria vast liggen kan niet worden gestuurd op het aantal rechthebbenden. Het gebruik van prestatie-indicatoren heeft daarom, naast de informatie die al uit de kengetallen naar voren komt, geen toegevoegde waarde.

Kengetallen

In 2009 ontvingen 62000 ouders van een gehandicapt kind een TOG-tegemoetkoming, dit is 1 000 meer dan begroot voor het jaar 2009. Het aantal kinderen voor de TOG neemt, zoals blijkt uit de realisatiecijfers, toe. Deze stijgende trend wordt in 2010 omgebogen doordat de regeling per 1 april 2010 wordt aangepast.

Tabel 50.2 Kengetallen operationele doelstelling 1
  Realisatie 2007 Realisatie 2008 Realisatie 2009
Volume      
Aantal telkinderen TOG (x 1000) 48 56 62

Bron: SZW, berekening op basis van SVB-informatie

Operationele doelstelling

2 Het zoveel mogelijk bij leven verstrekken van een eenmalige financiële tegemoetkoming in de immateriële schade aan werknemers, of huisgenoten van werknemers, met maligne mesothelioom door asbestblootstelling, die niet via de voormalige werkgever een schadevergoeding kunnen verkrijgen

Motivering

Om uiting te geven aan de maatschappelijke betrokkenheid bij het leed van asbestslachtoffers.

Doelbereiking

Door middel van het verstrekken van een tegemoetkoming op grond van de TAS-regeling aan asbestslachtoffers, wordt uiting gegeven aan de maatschappelijke betrokkenheid bij de slachtoffers en wordt het doel van de regeling bereikt.

Instrumenten en activiteiten

Tegemoetkoming op grond van de TAS-regeling.

Doelgroepen

(Ex-)werknemers met maligne mesothelioom, die veroorzaakt is door asbestblootstelling in het werk, die via de (voormalige) werkgever geen schadevergoeding kunnen krijgen;

Huisgenoten van werknemers die met asbest hebben gewerkt en die zelf maligne mesothelioom hebben gekregen.

Realisatie meetbare gegevens

Output en outcome zijn in beginsel wel meetbaar maar in verhouding tot de uitgaven en/of administratieve lasten relatief kostbaar en tijdrovend. Gezien het geringe aantal gerechtigden en het geringe uitkeringsbedrag zijn daarom geen indicatoren geformuleerd.

Het aantal voorschotten is afhankelijk van het aantal goedgekeurde aanvragen voor schadevergoeding van (voormalige) werknemers met de ziekte maligne mesothelioom. De afgelopen jaren is er een lichte stijging van het aantal voorschotten waarneembaar. Vanwege het lage aantal zieken en de lange incubatieperiode (tot 50 jaar) is het moeilijk om de ontwikkeling voor de komende jaren te ramen.

Kengetallen

Vanaf 2008 worden in principe geen eenmalige uitkeringen meer verstrekt, tenzij deze expliciet worden aangevraagd.

Tabel 50.3 Kengetallen operationele doelstelling 2
  Realisatie 2007 Realisatie 2008 Realisatie 2009
Toekenningen voorschot 266 305 319
Toekenningen eenmalige uitkering 24 0 0
Aantal terugontvangen TAS voorschotten 149 185 150
Toekenningen bij leven t.o.v. totaal aantal toekenningen 87% 82% 83%

Bron: SVB, Jaarverslag

Overzicht afgeronde onderzoeken

Tabel 50.4 Overzicht afgeronde onderzoeken
Soort onderzoek Onderwerp onderzoek AD/OD A. StartB. Afgerond Vindplaats
Evaluatieonderzoek ex ante Geen      
Beleidsdoorlichting Geen      
Effecten onderzoek ex post Geen      
Overig evaluatieonderzoek Geen      

Artikel

51 Rijksbijdragen aan sociale fondsen en spaarfonds AOW

Algemene doelstelling

Borgen van voldoende dekking in sociale fondsen en spaarfonds AOW

Motivering

Om tekorten in de fondsen van de volksverzekeringen te dekken. Om tekorten in de fondsen van sociale verzekeringen te voorkomen indien premieheffing niet wenselijk of onmogelijk is. Om er mede voor te zorgen dat er bij het Ouderdomsfonds vanaf 2020, ondanks de vergrijzing, geen tekorten optreden.

Doelbereiking en maatschappelijke effecten

In 2009 is voldoende dekking in de sociale fondsen en het spaarfonds AOW geborgd. De algemene doelstelling is daarmee gehaald.

Externe factoren

In dit artikel wordt de algemene doelstelling behaald door middel van in de wet vastgelegde instrumenten. Er zijn daarom geen externe factoren die van invloed zijn op het behalen van de doelstelling.

Realisatie meetbare gegevens

Output en outcome zijn niet te vatten in zinvolle indicatoren of kengetallen. Wanneer de budgettaire overheveling van begroting naar fondsen is geschied, is het beoogde effect gerealiseerd. De vermogenspositie van de fondsen is dan verbeterd in de mate die was beoogd.

Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 51.1 Begrotingsuitgaven Artikel 51 (x € 1 000)
artikelonderdeel 2005 2006 2007 2008 Realisatie 2009 Begroting 2009 Verschil 2009
Verplichtingen 8 194 703 10 404 301 12 022 106 10 135 147 14 561 020 13 288 012 1 273 008
Uitgaven 8 194 703 10 404 301 12 022 106 10 135 147 14 561 020 13 288 012 1 273 008
               
Programma uitgaven 8 194 385 10 403 417 12 021 256 10 134 356 14 560 353 13 287 134 1 273 219
               
Operationele Doelstelling 1              
Bijdragen in de Kosten Kortingen AOW 2 341 400 2 612 600 2 921 800 2 995 300 3 086 400 3 075 600 10 800
Bijdragen in de Kosten Kortingen Anw 157 900 180 700 210 900 39 900 45 500 45 300 200
RijksbijdrageVermogenstekort Ouderdomsfonds 2 694 000 4 432 500 5 457 100 3 490 600 6 662 100 5 428 800 1 233 300
Premiebijdragen gemoedsbezwaarden 2 015 3 947 20 1 0 0 0
Rijksbijdragetegemoetkoming arbeidsongeschikten 2000 4 004 500 955 286 459 288 967 – 7 508
Rijksbijdragetegemoetkoming AOW-gerechtigden 251 700 295 183 437 119 482 086 1 213 152 1 200 536 12 616
Rijksbijdragetegemoetkoming ANW-gerechtigden 0 15 668 21 557 21 652 22 401 22 530 – 129
RijksbijdrageSpaarfonds AOW 2 745 370 2 858 815 2 972 260 3 085 705 3 199 151 3 199 151 0
Rijksbijdragezwangere zelfstandigen 0 0 0 18 157 45 190 26 250 23 940
               
Apparaatsuitgaven 318 884 850 791 667 878 – 211
Personeel en materieel 318 884 850 791 667 878 – 211
               
Ontvangsten 55 733 10 900 580 0 1 955 0 1 955

Toelichting

Bijdrage in de Kosten van Kortingen AOW en Anw

Deze rijksbijdragen compenseren de gewijzigde premieopbrengst als gevolg van de invoering van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Bijdrage In kosten heffingskortingen (Bikk).

De kosten van de heffingskortingen die in 2009 aan het Ouderdomsfonds worden toegerekend, zijn in dat jaar hoger dan bij de begroting geraamd werd. Hierdoor is de definitieve Bikk AOW voor 2009 € 10,8 mln hoger vastgesteld.

De kosten van de heffingskortingen die in 2009 aan het Nabestaandenfonds worden toegerekend, zijn in dat jaar hoger dan bij de begroting geraamd werd. Hierdoor is de definitieve Bikk Anw voor 2009 € 0,2 mln hoger vastgesteld.

Rijksbijdrage Vermogenstekort Ouderdomsfonds

De uitgaven uit het Ouderdomsfonds worden grotendeels gedekt door de premie-inkomsten. De rijksbijdrage Ouderdomsfonds is bedoeld om het exploitatietekort in het Ouderdomsfonds aan te vullen zodat er een neutrale kaspositie voor dit fonds bestaat. De rijksbijdrage bedroeg in 2009 € 6,7 mld. Dit was aanmerkelijk hoger dan begroot (€ 5,4 mld), omdat de premie-inkomsten als gevolg van de economische crisis tegenvielen met ongeveer € 2 mld. Daar staat tegenover dat het vermogensoverschot uit 2008 groter was dan geraamd. Het vermogensoverschot uit het voorgaande jaar wordt verrekend met de rijksbijdrage over het lopende jaar. De lagere rijksbijdrage in 2008 wordt verklaard door een naheffing over eerdere jaren die in dat jaar is ontvangen. Hierdoor waren de inkomsten eenmalig hoger, waardoor het fonds af kon met een lagere rijksbijdrage.

Na verschijning van het jaarverslag van de SVB is gebleken dat in het Ouderdomsfonds een vermogen van € 735 mln is ontstaan. Verrekening van dit bedrag vindt plaats met de Rijksbijdrage Vermogenstekort Ouderdomsfonds 2010.

Rijksbijdrage tegemoetkoming arbeidsongeschikten

De Wet Tegemoetkoming Chronisch zieken en Gehandicapten (Wtcg) kent vanaf 2009 onder meer een jaarlijkse tegemoetkoming aan personen die ten minste 35% arbeidsongeschikt zijn en een uitkering ontvangen van UWV (in plaats van de fiscale aftrek van buitengewone uitgaven). De tegemoetkomingen voor de categorieën WAO, WAZ, IVA en WGA worden gefinancierd uit een rijksbijdrage die in het Toeslagenfonds wordt gestort. De tenaamstelling van deze rijksbijdrage is aangepast ten opzichte van de begroting (was Rijksbijdrage Aof). De realisatie 2009 komt nagenoeg overeen met de raming ten tijde van de begroting. De tegemoetkomingen voor Wajonggerechtigden worden verantwoord onder artikel 46.

Rijksbijdragen tegemoetkoming AOW en Anw

Deze rijksbijdragen zijn ter financiering van de in artikel 49 verantwoorde tegemoetkoming AOW en Anw. De gerealiseerde uitgaven 2009 wijken licht af van de begrote uitgaven. De verhoging ten opzichte van 2008 wordt veroorzaakt door een verhoging van de AOW-tegemoetkoming, ter compensatie van afschaffing van de BU-regeling (buitengewone uitgaven) en een stijging van het aantal uitkeringsgerechtigden.

Rijksbijdrage Spaarfonds AOW

Voor wat betreft een toelichting op de inkomsten en uitgaven uit het Spaarfonds AOW wordt verwezen naar het Jaarverslag Spaarfonds AOW 2009.

Rijksbijdrage zwangere zelfstandigen

Deze regeling voorziet sinds juni 2008 in een uitkering aan zelfstandigen voorafgaand aan en volgend op de bevalling. De realisatie 2009 ad. € 45,2 mln komt aanmerkelijk hoger uit dan begroot (€ 26,3 mln). Dit wordt in hoofdzaak verklaard door een hoger aantal zwangere zelfstandigen dan verwacht (ca. 9 000 uitkeringen in plaats van 5 000 uitkeringen). De uitkeringslasten komen uit op € 42,8 mln, de uitvoeringskosten belopen bijna € 2,4 mln.

Operationele doelstelling

1 Het medebekostigen van de sociale verzekeringen uit de schatkist ter dekking of voorkoming van tekorten in de fondsen

Motivering

Om tekorten in de fondsen van de volksverzekeringen te dekken of tekorten in de fondsen van sociale verzekeringen te voorkomen indien premieheffing niet wenselijk of onmogelijk is.

Om er mede voor te zorgen dat er bij het Ouderdomsfonds vanaf 2020, ondanks de vergrijzing, geen tekorten optreden.

Doelbereiking

De doelstelling is behaald door middel van in de wet vastgelegde instrumenten.

Instrumenten en activiteiten

In de wet vastgelegde instrumenten:

• Bijdrage in de kosten van kortingen (Bikk) voor de AOW en de Anw;

• Rijksbijdrage Vermogenstekort Ouderdomsfonds;

• Rijksbijdrage tegemoetkoming arbeidsongeschikten;

• Rijksbijdrage tegemoetkoming AOW-gerechtigden en Anw-gerechtigden;

• Rijksbijdrage Spaarfonds AOW;

• Rijksbijdrage zwangere zelfstandigen.

Doelgroepen

De sociale fondsen en het Spaarfonds AOW.

Realisatie meetbare gegevens

Niet van toepassing.

Overzicht afgeronde onderzoeken

Tabel 51.2 Overzicht afgeronde onderzoeken
Soort onderzoek Onderwerp onderzoek AD/OD A. StartB. Afgerond Vindplaats
Evaluatieonderzoek ex ante Geen      
Beleidsdoorlichting Geen      
         
Effecten onderzoek ex post Geen      
         
Overig evaluatieonderzoek Geen      

HOOFDSTUK 5: NIET-BELEIDSARTIKELEN

Artikel

97 Aflopende regelingen

Voor de financiële afwikkeling en verantwoording van een aantal afgesloten regelingen is in de begroting een aparte voorziening getroffen. Het gaat hier uitsluitend om nadeclaraties of vergoedingen van nabetalingen op grond van gerechtelijke uitspraken (bezwaar- en beroepsprocedures) naar aanleiding van geschillen in het verleden.

Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 97.1 Begrotingsuitgaven Artikel 97 (x € 1 000)
artikelonderdeel 2005 2006 2007 2008 Realisatie 2009 Begroting 2009 Verschil 2009
Verplichtingen 118 096 31 064 10 282 2 447 431 154 277
Uitgaven 118 425 31 181 8 854 2 678 1 033 336 697
               
Programma uitgaven 118 271 31 163 8 731 2 615 1 006 305 701
Operationele Doelstelling 1              
Afgesloten Regelingen 117 799 30 946 8 431 2 384 774 0 774
Regeling Ex-Mijnwerkers 182 182 182 182 182 182 0
Ondersteuning vorming BVG’en 142 23 118 49 50 123 – 73
Overig afwikkeling SUWI 148 12 0 0 0 0 0
               
Apparaatsuitgaven 154 18 123 63 27 31 – 4
Personeel en materieel 63 18 18 18 27 19 8
Agentschap SZW 91 0 105 45 0 12 – 12
               
Ontvangsten 11 071 1 302 9 254 1 756 8 811 0 8 811

Toelichting

Financiële afwikkeling afgesloten regelingen

Een aantal wetten en regelingen zijn financieel afgewikkeld. Er vinden nog wel nabetalingen plaats. Het gaat dan uitsluitend om nadeclaraties of vergoedingen van nabetalingen op grond van gerechtelijke uitspraken (bezwaar- en beroepsprocedures) naar aanleiding van geschillen in het verleden.

Met ingang van 2009 is de financiële afwikkeling van de afgesloten regelingen «Agenda voor de Toekomst», «Regeling schoonmaakkosten particulieren» (RSP), «Cofinanciering Equal» en «Praktijkscholing» opgenomen onder deze voorziening.

De uitgaven 2009 hebben betrekking op de RSP (€ 0,501 mln) en op de WWV (€ 0,273 mln).

Regeling ex-mijnwerkers

De Regeling vervroegde uittreding ex-mijnwerkers en de Silicoseregeling mijnwerkers zijn financieel afgewikkeld. Per 1 januari 2000 zijn alle rechthebbenden uitgestroomd, zodat uitsluitend nog nabetalingen worden verantwoord. Op deze voorziening wordt tevens de Rijksbijdrage aan het algemeen mijnwerkersfonds (€ 0,182 mln) verantwoord.

Ondersteuning vorming Bedrijfsverzamelgebouwen (BVG-en)

De tijdelijke stimuleringsregeling bedrijfsverzamelgebouwen bestaat uit twee subsidies, een startsubsidie en een vervolgsubsidie. De vaststelling van de startsubsidies en de verlening van de vervolgsubsidie zijn in 2004 afgerond. De vaststelling van de vervolgsubsidie, na opening van het bedrijfsverzamelgebouw, wordt tot en met het jaar 2011 voorzien. De regeling wordt uitgevoerd door het Agentschap SZW.

Artikel

98 Algemeen

Op dit artikel worden de niet naar beleidsartikelen toe te rekenen posten Handhaving, Onderzoek en beleidsinformatie, Subsidies en Overig toegelicht. Verder worden de apparaatsuitgaven toegelicht die niet direct kunnen worden toegerekend aan één van de andere beleidsartikelen. In dit artikel wordt tevens verslag gedaan van de personele en materiële inzet van SIOD en AI.

Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 98.1 Begrotingsuitgaven Artikel 98 (x € 1 000)
artikelonderdeel 2005 2006 2007 2008 Realisatie 2009 Begroting 2009 Verschil 2009
Verplichtingen 189 821 197 648 194 880 185 081 187 395 201 666 – 14 271
Uitgaven 188 344 189 094 187 634 183 895 188 357 201 114 – 12 757
               
Programma uitgaven 18 111 23 399 15 893 13 770 17 652 26 187 – 8 535
Operationele Doelstelling 1              
Handhaving 2 690 7 722 2 124 1 941 1 299 12 823 – 11 524
Onderzoek& Beleidsinformatie 6 631 7 961 6 765 4 795 4 463 6 850 – 2 387
Subsidies 434 261 110 1 355 1 144 – 789
Verzameluitkering SZW 0 0 0 0 3 165 1 500 1 665
Overig/voorlichting 8 356 7 455 6 894 7 033 8 370 3 870 4 500
               
Apparaatsuitgaven 170 233 165 695 171 741 170 125 170 705 174 927 – 4 222
Automatisering   19 304 24 288 25 992 16 691 16 893 – 202
Huisvesting   28 570 31 222 29 616 30 894 30 728 166
Personeel en materieel 145 397 93 068 90 941 93 433 100 790 104 911 – 4 121
Bijdrage aan IWI 24 836 24 753 25 290 21 084 22 330 22 395 – 65
               
Ontvangsten 7 647 13 031 12 396 12 121 8 720 5 496 3 224

Toelichting

Programma-uitgaven artikel 98

De programma-uitgaven op dit artikel zijn Handhaving, Onderzoek en beleidsinformatie, Subsidies en Overig. Delen van deze beleidsuitgaven zijn toegerekend naar beleidsartikelen en zullen daar worden verantwoord. Indien van toepassing zal voor het behoud van een totaaloverzicht per uitgavencategorie inzicht worden gegeven in de totale omvang van de budgetten.

Handhaving

Van het handhavingsbudget is gedurende de begrotingsuitvoering circa € 11 mln overgeboekt naar andere handhavingsbudgetten, apparaat, voorlichting, onderzoek en automatisering voor noodzakelijke voorzieningen ten behoeve van het handhavingsprogramma. De resterende onderuitputting op het handhavingsbudget van artikel 98 (€ 0,5 mln) betreft afwijkingen op enkele projecten.

Onderzoek en subsidies

Op artikel 98 is vooral als gevolg van overboekingen van onderzoek- en subsidiegelden naar beleidsartikelen € 2,4 mln en € 0,8 mln minder uitgegeven dan geraamd.

Verzameluitkering SZW

De uitgaven aan de verzameluitkering zijn € 1,7 mln hoger dan geraamd. De hogere uitgaven hebben betrekking op handhavingsmiddelen waarvan oorspronkelijk beoogd was om deze als een subsidie via Divosa ter beschikking te stellen aan gemeenten. Uiteindelijk is gekozen deze middelen onder te brengen in de Verzameluitkering SZW.

Overig/Voorlichting

In de loop van het jaar is een aantal extra voorlichtingsactiviteiten (voorlichting handhavingsprogramma, werkleerrecht, ik kan, AOW en Wsw) ondernomen.

Apparaatuitgaven

De apparaatsuitgaven op artikel 98 bestaan uit personeel, materieel, huisvesting en automatisering. Totaal is € 4,2 mln minder uitgegeven dan oorspronkelijk geraamd. Zie hieronder voor een toelichting per onderdeel.

Automatisering en huisvesting

De uitputting van de automatiserings- en huisvestingsbudgetten wijkt ondanks diverse uitvoeringsmutaties (zowel plus als min) nauwelijks af van de oorspronkelijke ramingen.

Personeel en materieel

De lagere uitgaven (€ 4,1 mln) zijn het saldo van enerzijds de loon- en prijsbijstelling en anderzijds de uitbesteding van de ICT dienstverlening naar het Ministerie van V&W en een aantal relatief kleine overschotten en tekorten op de personele en materiële directiebudgetten. Ook op de apparaatsuitgaven van de beleidsartikelen staan overschotten en tekorten. Het totaalbeeld van de personele en materiële uitgaven wordt in het vervolg nader toegelicht.

Bijdrage aan IWI

De bijdrage is als gevolg van verrekeningen met het moederdepartement lager dan geraamd.

Ontvangsten

De gerealiseerde ontvangsten zijn € 3,2 mln hoger dan geraamd. Het betreft de som van een groot aantal «diverse ontvangsten» van relatief geringe omvang.

98.1 Apparaatsuitgaven

In tabel 98.2 worden de apparaatsuitgaven en programma-uitgaven per artikel weergegeven. Het betreft zowel de bedragen die in artikel 98 worden verantwoord, als de bedragen die in de beleidsartikelen worden verantwoord. Vervolgens worden enkele uitgavencategorieën nader toegelicht.

Tabel 98.2 Totaaloverzicht gerealiseerde apparaat- en algemene programma-uitgaven 2009 (x € 1 000)
  Apparaatsuitgaven Programma-uitgaven  
    Personeel& Materieel Overige* Primair Proc. Onderzoek Voorlichting Subsidies Handhaving
41 Inkomensbeleid 1 007   20 292   40  
42 Arbeidsparticipatie 20 488     100 1 431 1 354  
43 Arbeidsverhoudingen 16 768   434 482 1 519 1 985 487
44 Gezond en Veilig Werken 38 785   4 793 536 1 493 12 364 317
45 Pensioenbeleid 1 574     138   299  
46 Inkomensbeschermingmet activering 8 312     743 1 841   7 892
47 Aan het werk: Bemiddeling en Re-integratie 3 993     798 4 138 3 136  
48 Sociale werkvoorziening 949            
49 Overige inkomensbescherming 811            
50 Tegemoetkomingen specifieke kosten 587            
51 Rijksbijdragen aan sociale fondsen 667            
                 
97 Aflopende regelingen 27         182  
98 Algemeen 100 790 69 915* 959 4 463 7 411 355 1 299
99 Nominaal en onvoorzien              
                 
  Totaal gerealiseerde uitgaven 2009 194 758 69 915 6 206 7 552 17 833 19 715 9 995
  Vastgestelde Begroting 2009 205 117 70 016 7 168 11 980 6 997 29 790 20 416
  Verschil 2009 – 10 359 – 101 – 962 – 4 428 10 836 – 10 075 – 10 421

Bron : SZW administratie

* Dit betreft Huisvesting (€ 30 894), Automatisering (€ 16 691) en Bijdrage moederdepartement (€ 22 330).

Tabel 98.3 Formatie en bezettingsontwikkeling (fte)
  2005 2006 2007 2008 2009
Formatie totaal SZW ultimo 3 047 2 963 2 894 2 794 2 659
 waarvan batenlastendiensten 363 355 352 325 311
           
Bezetting ultimo 2 944 2 922 2 758 2 582 2 470
Bezetting gemiddeld 3 007 2 955 2 825 2 670 2 526
           
Vacatures ultimo (aantal) 103 41 136 212 189

Toelichting

Aan het eind van 2009 bestond de formatie inclusief de baten-lastendiensten uit 2 659 formatieplaatsen (fte). Dat is 135 lager dan de formatie van 2008. De formatie is afgenomen als gevolg van de doorwerking van de taakstelling. De bezetting per 31 december 2009 bedroeg 2 470 fte. Ten opzichte van 31 december 2008 is de bezetting gedaald met 112 fte.

Tabel 98.4 Realisaties personeel, materieel, huisvesting en automatisering (x € 1 mln)
  2005 2006 2007 2008 2009
Personeel (excl IWI en AG SZW) 161 159 158 158,6 161,0
Materieel 28,7 37,2 31,8 31,8 33,8
Huisvesting 29,5 28,6 31,2 29,6 30,9
Automatisering 19,7 19,3 24,3 26,0 16,7
Bijdrage moederdepartement aan IWI 24,8 24,8 25,3 21,1 22,3
           
Gemiddelde realisatie per fte (x € 1 000)          
Personeel 53,5 53,8 55,9 59,4 63,7
Materieel 9,5 12,6 11,3 11,9 13,4
Huisvesting 9,8 9,7 11,0 11,1 12,2
Automatisering 6,6 6,5 8,6 9,7 6,6

Bron: SZW administratie

Toelichting

In 2009 is € 161,0 mln uitgegeven aan personeelskosten. Dit is inclusief € 2,7 mln aan post-actieven, € 7,0 mln aan inhuur van personeel en € 1,4 mln aan flankerend beleid. Deze bedragen zijn exclusief de baten-lastendiensten IWI en Agentschap SZW.

98.2 Programma-uitgaven

Handhaving

In 2009 bedroeg het totale beleidsbudget voor handhaving € 20,4 mln, verdeeld over de artikelen 43, 44, 46 en 98. De realisatie op het totale handhavingsbudget bedroeg uiteindelijk circa € 10,0 mln. Het verschil heeft twee oorzaken. Ten eerste is het beleidsbudget tussentijds verlaagd als gevolg van overboekingen naar apparaat, voorlichting, onderzoek en automatisering voor noodzakelijke voorzieningen ten behoeve van het handhavingsprogramma (€ 10 mln). Daarnaast was er sprake van onderuitputting omdat projecten vertraging hebben opgelopen dan wel niet zijn uitgevoerd.

Voorlichting

In de loop van het jaar is een aantal extra voorlichtingsactiviteiten (voorlichting handhavingsprogramma, werkleerrecht, ik kan, AOW en Wsw) ondernomen.

De totale voorlichtingsuitgaven 2009 bedroegen € 17,8 mln. Naast de uitgaven «postbus 51», bibliotheek, documentatie etc., beloopt het totale bedrag dat aan voorlichtingscampagnes is uitgegeven € 17,2 mln. Dit is als volgt over de beleidsterreinen verdeeld.

Tabel 98.5 Uitgaven voorlichtingscampagnes naar beleidsterrein (x € 1 000)
  Realisatie 2009
Arbeidsparticipatie 1 431
Arbeidsverhoudingen 1 520
Arbeidsomstandigheden 1 493
Schuldhulpverlening 1 841
Iedereen doet mee 4 138
Overig (dienstverlening aan huis, Wav, overig) 6 886

Bron: SZW-administratie

Publieksinformatie

In 2009 zijn de volgende aantallen vragen door de afdeling publieksinformatie afgehandeld:

• 14 958 e-mails via vooral het Algemeen loket (53,5%), de site van de arbeidsinspectie, diverse andere loketten en postbus 51;

• 1 896 brieven van burgers;

• 11 804 telefonische vragen op het gratis telefoonnummer 0800–9051.

Tabel 98.6 Verdeling van de gestelde vragen naar beleidsterrein (%)
  Realisatie 2009
Arbeidsmarkt 7,8
Arbeidsomstandigheden 14,3
Arbeidsverhoudingen 28,9
Arbeidsongeschiktheid 3,8
Werkloosheid 4,1
Overig SV 7,7
Werk en Bijstand 8,8
Overig 24,6

Bron: SZW-administratie

Onderzoek en beleidsinformatie

Het totale onderzoeksbudget 2009 bedroeg € 12,0 mln. De gerealiseerde uitgaven 2009 zijn uitgekomen op € 7,6 mln. Ten eerste is het onderzoeksbudget tussentijds verlaagd voor overboekingen naar andere departementen, voorlichting, automatisering en subsidies. Daarnaast was er sprake van onderuitputting omdat projecten vertraging hebben opgelopen dan wel niet zijn uitgevoerd.

Subsidies

Voor een totaaloverzicht van alle SZW subsidiemiddelen verwijs ik naar bijlage 4 Subsidies.

98.3 Sociale Inlichtingen en Opsporingsdienst (SIOD)

De Sociale Inlichtingen- en Opsporingsdienst (SIOD) is de bijzondere opsporingsdienst (BOD) van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Hij is opgericht om de strafrechtelijke handhaving van de wet- en regelgeving op het terrein van werk en inkomen op te pakken. De aanpak is repressief met een beoogd preventief effect. De SIOD spoort feitelijk fraude op over de volle breedte van het SZW-beleidsterrein, van georganiseerde uitkeringsfraude tot georganiseerde illegale tewerkstelling en uitbuiting en fraude met reïntegratiesubsidies. Naast fraude op het terrein van het ministerie van SZW spoort de SIOD ook fraude op ten behoeve van andere departementen, bijvoorbeeld fraude met de APPA-regeling voor het ministerie van BZK en incidenteel op verzoek van het Functioneel Parket fraude met persoonsgebonden budgetten (ministerie van VWS). Daarnaast voert de SIOD incidenteel verkennende onderzoeken uit voor andere departementen: in 2009 bijvoorbeeld een onderzoek naar de fraudegevoeligheid van studiefinanciering voor uitwonende studenten in opdracht van het ministerie van OCW.

De SIOD heeft in 2009 48 opsporingsonderzoeken afgerond. Bij deze opsporingsonderzoeken waren 106 verdachte natuurlijke personenbetrokken en 31 verdachte rechtspersonen. Hierbij is door de SIOD een totaal benadelingsbedrag opgespoord van € 14,6 mln, waarvan € 334 000 premiefraude, € 1,3 mln uitkeringsfraude,€ 3,7 mln belastingfraude, € 3,6 mln subsidiefraude, € 1,7 mln identiteitsfraude/maatschappelijk nadeel en € 3,9 mln wederrechtelijk genoten voordeel.

De financiële opbrengsten van de SIOD zullen altijd van jaar tot jaar sterk fluctueren om de eenvoudige reden dat een paar afgeronde onderzoeken met een zeer hoog benadelingsbedrag een enorme invloed hebben op de totale opbrengst in een jaar.

De digitale recherche van de SIOD heeft in 2009 47 SIOD onderzoeken of projecten ondersteund. Daarnaast zijn 5 onderzoeken van de Arbeidsinspectie ondersteund, 4 onderzoeken van sociale recherches van gemeenten, 1 van de Rijksrecherche, 2 onderzoeken van de Zorg Authoriteit en 1 onderzoek van de Inspectie Volksgezondheid in 2009. De SIOD ondersteunt gemeenten en andere samenwerkingspartners als daarvoor ruimte is. Helaas heeft de SIOD in 2009 ook 9 ondersteuningsverzoeken van gemeenten moeten afwijzen. Naar verwachting zal het aantal ondersteuningsverzoeken vanuit gemeenten in 2010 fors toenemen.

De criminaliteits-analisten van de SIOD hebben in 2009 27 maal analyserapporten verstrekt aan de Interventieteams, en 1 aan een individuele gemeente, waardoor controles van de betrokken partijen effectiever worden.

In 2009 kwamen er 2 186 fraudemeldingen binnen bij het Informatieknooppunt SZW (IKP). Het aantal meldingen was wat lager dan in 2008, hetgeen vermoedelijk samenhing met het negatief in het nieuws komen van MMA (Meld Misdaad Anoniem) doordat een anonieme melder tijdens een strafrechtelijk onderzoek bleek te zijn afgeluisterd. De meeste IKP meldingen worden bij de uitvoeringsorganisaties in de keten van Werk en Inkomen weggezet, maar daarnaast waren 159 meldingen relevant voor de SIOD.

De samenwerkingspilot met de gemeente Arnhem, waarbij de SIOD opsporingsonderzoeken voor Arnhem uitvoerde, heeft tot een positief evaluatierapport geleid. In november 2009 is een dienstverleningovereenkomst getekend tussen de gemeente Arnhem en de SIOD, waarmee de overdracht van de opsporing van bijstandsfraude aan de SIOD is geformaliseerd. Eind 2009 is de SIOD ook met gemeentelijk samenwerkingsverband Drechtsteden tot overeenstemming gekomen over de overdracht van de opsporing aan de SIOD.

In opdracht van de Landelijke Stuurgroep Interventieteams en met toestemming van het College Bescherming Persoonsgegevens is de SIOD gestart met een zgn. Black Box project waarmee de Interventieteams in staat worden gesteld om bestanden te koppelen in een beveiligde omgeving waardoor de privacy van burgers zoveel mogelijk wordt gewaarborgd. Dit project resulteert uiteindelijk in een set van risicoprofielen die bestandskoppelingen overbodig maken. In april 2010 wordt gerapporteerd aan de Tweede Kamer.

In 2009 is er naast onderzoeken op het terrein van georganiseerde illegale tewerkstelling en onderzoeken naar uitkeringsfraude, ook een aantal bijzondere onderzoeken uitgevoerd, bijvoorbeeld een onderzoek naar georganiseerde gastouderopvangfraude, een aantal onderzoeken naar constructies met schijn-ZZP’ers, een onderzoek naar een transportbedrijf dat bestuurdersattesten vervalste, een onderzoek naar georganiseerde fraude met schijn-trainees in de horeca en een onderzoek naar fraude met de witte werksterregeling. Verder zijn er in 2009 twee onderzoeken naar arbeidsuitbuiting afgerond.

98.4 Arbeidsinspectie (AI)

De Arbeidsinspectie ziet toe op de Arbeidsomstandighedenwet (Arbowet), de Arbeidstijdenwet (ATW), de Wet Arbeid Vreemdelingen (WAV), de Wet Minimum loon (WML), het Besluit Risico’s Zware Ongevallen (BRZO) en een aantal andere aspecten in sociale wet- en regelgeving.

De Arbeidsinspectie draagt door dit toezicht bij aan veilige en gezonde arbeidsomstandigheden en het bestrijden van illegale tewerkstelling of het ontduiken van het wettelijk minimumloon. In de aanpak ligt de prioriteit bij het opsporen en wegnemen van ernstige overtredingen.

Een gedetailleerd verslag van activiteiten en uitkomsten van het toezicht door de Arbeidsinspectie wordt gegeven in het Jaarverslag Arbeidsinspectie 2009 dat gelijktijdig met het SZW-jaarverslag verschijnt (zie www.arbeidsinspectie.nl).

Resultaten

De streefwaarde in de begroting 2009 op het terrein van arbeidsomstandigheden en arbeidstijden bedroeg 20 000 actieve inspecties. In 2009 zijn 21 386 actieve inspectietrajecten afgerond. Actieve inspecties zijn inspecties op eigen initiatief van de Arbeidsinspectie en doorgaans niet bij het bedrijf aangekondigd. Inspectietrajecten kunnen meerdere inspectiebezoeken bij één bedrijf betreffen.

In 2009 zijn 2 290 ongevallen bij de Arbeidsinspectie gemeld en zijn er 1 628 ongevalsonderzoeken afgehandeld (met hantering van een handhavingsinstrument).

In 2009 zijn 1 453 klachten gemeld, waarvan er 866 zijn afgehandeld (met hantering van een handhavingsinstrument). In totaliteit is in 58% van de gevallen op enigerlei wijze handhavend opgetreden.

De streefwaarde in de begroting 2009 met betrekking tot de effectiviteit van het interventiebeleid en de nalevingsbereidheid bedroeg 95%. Deze streefwaarde is in 2009 gerealiseerd, feitelijk voldoet 98% bij hercontrole aan de Arbowet.

De streefwaarde in de begroting 2009 op het terrein van ramppreventie en naleving van het Besluit Risico’s Zware Ongevallen en de ARIE-regeling bedroeg drie meldingen van majeure incidenten aan de EU per jaar. In 2009 zijn er door de Arbeidsinspectie feitelijk ook drie meldingen van incidenten aan de Onderzoeksraad voor de Veiligheid (OVV) gedaan voor doormelding aan de EU.

Bij het toezicht ter voorkoming van zware ongevallen bij bedrijven met grote hoeveelheden gevaarlijke stoffen heeft de Arbeidsinspectie in totaal 520 trajecten uitgevoerd. Het betreft vooral systeeminspecties samen met gemeenten, provincies en waterschappen en de brandweer op de kwaliteit van de veiligheidsbeheerssystemen van risicovolle processen.

De begroting 2009 bevatte kengetallen voor de toezichtsinspanning op naleving van het wettelijke minimumloon, te weten 9 600 inspecties en 200 opgelegde boetes.

Actieve inspecties van de Arbeidsinspectie op naleving van de Wet Arbeid Vreemdelingen en de Wet Minimumloon gebeuren gecombineerd. Daarnaast vinden inspecties plaats op basis van klachten over minimumloon en meldingen van illegale tewerkstelling.

In 2009 zijn 9 700 inspectietrajecten uitgevoerd waarbij 12 300 werkgevers zijn gecontroleerd op naleving van WAV plus WML. In 17% van het aantal geïnspecteerde bedrijven werd illegale tewerkstelling geconstateerd en bij 1% overtreding van de Wet Minimumloon. Er werden in 2009 2 276 boeterapporten WAV en 84 boeterapporten WML opgemaakt.

Boetes

De feitelijke inning van boetes in verband met overtreding van de Arbowet en ATW zijn in 2009 aanzienlijk hoger uitgevallen dan begroot. Dat komt door het inlopen op de werkvoorraad waaronder ook meer ongevallen die gemiddeld hogere boetes kennen. De inning van WAV- en WML-boetes valt lager uit dan begroot. Specifiek voor de WML gaat het om een bescheiden bedrag waarvan de ontvangsten vertekend worden doordat betalingsregelingen die hier aan de orde zijn pas als ontvangsten worden geboekt als de boetes daadwerkelijk zijn betaald.

Tabel 98.7 Boeteontvangsten Arbeidsinspectie (bedragen x € 1 000)
Wet Opgelegde boetes Ontvangen boetes Terugbetaalde boetes Totaal ontvangsten Begroting 2009 Overschot/tekort Innings-percentages
  A B C D=B-C E F=D-E J=D/A
ARBO 13 329 12 099 257 11 842 5 132 6 710 89%
ATW 522 648 36 612 303 309 117%1
WAV 26 453 19 908 3 533 16 375 18 898 – 2 523 62%
WML 932 66 7 59 925 – 866 6%

Bron: SZW/Arbeidsinspectie

1 Aangezien tussen beschikking en inning tijdsverschil zit gaat de inning niet over de in dat jaar opgelegde boetes. Dat verklaart waarom een percentage boven de 100% kan uitkomen. Dit cijfer is slechts een indicator van de inning per wet.

Artikel

99 Nominaal en onvoorzien

Op dit artikel staan tijdelijk middelen voor onvoorziene uitgaven, loon- en prijsbijstelling. De beschikbare middelen voor de loon- en prijsontwikkeling zijn gedurende het begrotingsjaar 2008 naar de in aanmerking komende artikelen overgeboekt.

Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 99.1 Begrotingsuitgaven Artikel 99 (x € 1 000)
artikelonderdeel 2008 2009 2010 2011 Realisatie 2009 Begroting 2009 Verschil 2009
Verplichtingen 0 0 0 0 0 24 738 – 24 738
Uitgaven 0 0 0 0 0 24 738 – 24 738
               
Programma uitgaven 0 0 0 0 0 24 738 – 24 738
Operationele Doelstelling 1              
Loonbijstelling 0 0 0 0 0 24 738 – 24 738
Prijsbijstelling 0 0 0 0 0 0 0
Onvoorzien 0 0 0 0 0 0 0
               
Ontvangsten