Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2009-201032360-VIII nr. 1

32 360 VIII
Jaarverslag en slotwet Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap 2009

nr. 1
JAARVERSLAG VAN HET MINISTERIE VAN ONDERWIJS, CULTUUR EN WETENSCHAP (VIII)

Aangeboden 19 mei 2010

Ontvangsten (x € 1 miljoen)

kst-32360-VIII-1-1.gif

Uitgaven (x € 1 miljoen)

kst-32360-VIII-1-2.gif

INHOUDSOPGAVE blz.

A. ALGEMEEN 6
  Aanbieding en dechargeverlening 6
  Leeswijzer 9
     
B. BELEIDSVERSLAG 11
  Beleidsverslag 11
  De beleidsartikelen 63
  1. Primair onderwijs 63
  3. Voortgezet onderwijs 81
  4. Beroepsonderwijs en volwasseneneducatie 94
  5. Technocentra 113
  6. en 7. Hoger onderwijs 115
  8. Internationaal beleid 130
  9. Arbeidsmarkt en personeelsbeleid 140
  11. Studiefinanciering 150
  12. Tegemoetkoming onderwijsbijdrage en studiekosten 161
  13. Lesgelden 168
  14. Cultuur 170
  15. Media 183
  16. Onderzoek en wetenschapsbeleid 190
  24. Kinderopvang 202
  25. Emancipatie 212
  De niet-beleidsartikelen 219
  17 Nominaal en onvoorzien 219
  18. t/m 20. Ministerie algemeen 223
  De bedrijfsvoeringsparagraaf 226
     
C. JAARREKENING 236
  1. Verantwoordingsstaat van het Ministerie van OCW 236
  2. Verantwoordingsstaat van de baten-lastendiensten 237
  3. Saldibalans 238
  4. Misbruik en oneigenlijk gebruik van wet- en regelgeving 247
  5. Jaarrekening Centrale Financiën Instellingen (CFI) 252
  6. Jaarrekening Nationaal Archief (NA) 257
  7. Topinkomens 263
     
D. BIJLAGEN 264
  1. RWT’s en ZBO’s 264
  2. Inhuur externen 269
  3. Afkortingenlijst 270
  4. Begrippen 276
  5. Trefwoordenregister 291

A. ALGEMEEN

AANBIEDING VAN HET JAARVERSLAG EN VERZOEK TOT DECHARGEVERLENING

Aan de voorzitters van de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal.

Hierbij bied ik, mede namens de staatssecretaris Van Bijsterveldt-Vliegenthart, het departementale jaarverslag van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap over het jaar 2009 aan.

Onder verwijzing naar de artikelen 63 en 64 van de Comptabiliteitswet 2001 verzoek ik de beide Kamers van de Staten-Generaal de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap decharge te verlenen over het in het jaar 2009 gevoerde financiële beheer.

Ten behoeve van de oordeelsvorming van de Staten-Generaal over dit verzoek tot dechargeverlening is door de Algemene Rekenkamer als externe controleur op grond van artikel 82 van de Comptabiliteitswet 2001 een rapport opgesteld. Dit rapport wordt separaat door de Algemene Rekenkamer aan de Staten-Generaal aangeboden. Het rapport bevat de bevindingen en het oordeel van de Rekenkamer met betrekking tot:

a. het gevoerde financieel en materieel beheer;

b. de ten behoeve van dat beheer bijgehouden administraties;

c. de financiële informatie in het jaarverslag;

d. de betrokken saldibalans;

e. de totstandkoming van de informatie over het gevoerde beleid en de bedrijfsvoering;

f. de in het jaarverslag opgenomen informatie over het gevoerde beleid en de bedrijfsvoering.

Bij het besluit tot dechargeverlening dienen verder de volgende, wettelijk voorgeschreven, stukken te worden betrokken:

a. het financieel jaarverslag van het Rijk over 2009;

b. het voorstel van de slotwet over het jaar 2009 die het onderhavige jaarverslag samenhangt;

c. het rapport van de Algemene Rekenkamer over het jaar 2009 met betrekking tot het onderzoek van de centrale administratie van ’s Rijks schatkist en van het Financieel jaarverslag van het Rijk;

d. de verklaring van goedkeuring van de Algemene Rekenkamer met betrekking tot de in het financieel jaarverslag van het Rijk over 2009 opgenomen rekening van uitgaven en ontvangsten van het Rijk over 2009, alsmede met betrekking tot de saldibalans van het Rijk over 2009 (de verklaring van goedkeuring, bedoeld in artikel 83, derde lid, van de Comptabiliteitswet 2001).

Het besluit tot dechargeverlening kan niet worden genomen, voordat de betrokken slotwet is aangenomen en voordat de verklaring van goedkeuring van de Algemene Rekenkamer is ontvangen.

De minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap

A. Rouvoet

Dechargeverlening door de Tweede Kamer

Onder verwijzing naar artikel 64 van de Comptabiliteitswet 2001 verklaart de voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal dat de Tweede Kamer aan het hiervoor gedane verzoek tot dechargeverlening tegemoet is gekomen door een daartoe strekkend besluit, genomen in de vergadering van

De Voorzitter van de Tweede Kamer,

Handtekening:

Datum:

Op grond van artikel 64, tweede lid, van de Comptabiliteitswet 2001 wordt dit originele exemplaar van het onderhavige jaarverslag, na ondertekening van de hierboven opgenomen verklaring, ter behandeling doorgezonden aan de voorzitter van de Eerste Kamer.

Dechargeverlening door de Eerste Kamer

Onder verwijzing naar artikel 64 van de Comptabiliteitswet 2001 verklaart de voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal dat de Eerste Kamer aan het hiervoor gedane verzoek tot dechargeverlening tegemoet is gekomen door een daartoe strekkend besluit, genomen in de vergadering van

De Voorzitter van de Eerste Kamer,

Handtekening:

Datum:

Op grond van artikel 64, derde lid, van de Comptabiliteitswet 2001 wordt dit originele exemplaar van het onderhavige jaarverslag, na ondertekening van de hierboven opgenomen verklaring, doorgezonden aan de Minister van Financiën.

LEESWIJZER

Het departementaal jaarverslag 2009 bestaat uit de volgende onderdelen:

A. Een algemeen deel

B. Het beleidsverslag

C. De jaarrekening

D. Bijlagen

A. Het algemeen deel bevat de aanbieding van het jaarverslag en het verzoek tot dechargeverlening en deze leeswijzer. De leeswijzer bevat naast de vaste onderdelen genoemd onder B een nieuw onderdeel namelijk een groeiparagraaf.

Groeiparagraaf

1. Volgend op het verantwoordingsdebat 2008 nam de Tweede Kamer de motie Pechtold (Tweede Kamer, vergaderjaar 2008–2009, 31 951, nr. 11) aan, waarin het kabinet gevraagd wordt om kabinetdoelstellingen beter controleerbaar en afrekenbaar te maken. De Tweede Kamer stelt voor een heldere en systematische aansluiting te presenteren van de 74 kabinetsdoelstellingen en projecten en de daarvoor beschikbare budgetten. Het ministerie van OCW heeft hier in het jaarverslag 2009 vorm aan gegeven, door in het beleidsverslag per kabinetsdoelstelling of -project een indicatie te geven van het beschikbare budget. Deze gegevens staan verwerkt in de kolom «financieel belang: realisatie jaar t» in de schakeltabel. De comptabliteitswet schrijft voor dat de OCW-begroting wordt ingericht op basis van beleidsartikelen en niet op kabinets-doelstellingen. Dit maakt het lastig om exact de budgetten voor de kabinetsdoelstellingen aan te geven. De cijfers zijn daarom indicatief.

2. De doelstellingen in de begroting 2009 zijn in kwantitatieve zin voorzien van kengetallen, indicatoren en waar mogelijk ook streefwaarden. Deze vormen een stabiele uitgangspositie voor de beleidsverantwoording gedurende deze kabinetsperiode. Het jaarverslag 2009 toont voor alle indicatoren de meest actuele waarden en zoveel mogelijk een toelichting op het behaalde resultaat in relatie tot de beoogde doelen. Niet voor alle indicatoren zijn echter gerealiseerde waarden voor 2009 beschikbaar. Dit heeft zowel te maken met de doorlooptijd als de periodiciteit van metingen en peilingen. Voor het uitvoeren en verwerken van metingen is immers tijd nodig. Ook geldt dat het niet altijd zinvol of wenselijk is, vanuit het oogpunt van de administratieve lasten en het kostenaspect, om jaarlijks te monitoren. Grote internationale onderzoeken zijn bijvoorbeeld erg kostbaar. In de beleidsartikelen bij het jaarverslag is zoveel mogelijk toegelicht wanneer nieuwe gegevens worden verwacht.

B. Het beleidsverslag kent de volgende elementen:

1. Beleidsterugblik

2. De beleidsartikelen (inclusief overzichtsconstructies)

3. De niet-beleidsartikelen

4. Bedrijfsvoeringparagraaf

1. Beleidsterugblik

In de beleidsterugblik kijken we terug op de hoofdpunten van het beleid in 2009. De beleidsterugblik 2009 is ingedeeld aan de hand van de doelstellingen en projecten uit het Coalitieakkoord en het Beleidsprogramma. Aan de hand van deze doelstellingen en projecten wordt via een samenvatting een algemeen oordeel verwoord over de prestaties van OCW in 2009. In deze samenvatting wordt ingegaan op de stand van zaken rond de voortgang van de doelstelling of het project in 2009 en wordt er een doorkijk gegeven naar 2010. De onderwerpen uit de beleidsagenda 2009 komen hierbij terug.

2. De beleidsartikelen

In de begroting 2009 is bij elk artikel aandacht besteed aan de externe factoren die de resultaten van het beleid mogelijk kunnen beïnvloeden. In deze verantwoording wordt alleen op deze factoren teruggekomen indien zij daadwerkelijk van invloed zijn geweest op het al dan niet behalen van de beoogde doelstellingen.

3. De niet-beleidsartikelen

Op artikel 17 (Nominaal en onvoorzien) wordt een overzicht gegeven van de verdelingen van tijdelijk geparkeerde middelen, zoals de loon- en prijsbijstelling. De apparaatsuitgaven van het bestuursdepartement, de inspecties en de adviesraden worden op artikel 18 t/m 20 (ministerie algemeen) verantwoord.

4. Bedrijfsvoeringparagraaf

In de bedrijfsvoeringparagraaf wordt verslag gedaan over de bedrijfsvoering. De paragraaf bevat tevens de mededeling bedrijfsvoering. Deze heeft betrekking op het financieel en materieel beheer en de daarvoor bijgehouden administraties. Met ingang van 2010 is de bijlage Toezeggingen aan de Algemene Rekenkamer (voorheen bijlage 2 van het jaarverslag) geïntegreerd in de bedrijfsvoeringparagraaf.

C. De jaarrekening

De jaarrekening bevat de Departementale Verantwoordingsstaat 2009, de samenvattende verantwoordingsstaat 2009 van de baten-lastendiensten, de saldibalans, misbruik en oneigenlijk gebruik van wet- en regelgeving, de jaarrekeningen van de baten-lastendiensten Centrale Financiën Instellingen (CFI) en het Nationaal Archief (NA) en het overzicht topinkomens.

Dit is de laatste jaarrekening van het agentschap CFI. Met ingang van het 2010 vormen CFI en IB-Groep samen de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) en zal dus voor jaarverslag 2010 verdergaan onder de naam Jaarrekening DUO.

Vanaf dit Jaarverslag wordt in de saldibalans van de jaarrekening een opgave gedaan van bestuurlijke convenanten tussen het ministerie van OCW en de decentrale overheden of sectororganisaties.

D. De volgende bijlagen zijn opgenomen:

1. Toezichtsrelaties ZBO’s en RWT’s

2. Inhuur externen

3. Afkortingen

4. Begrippen

5. Trefwoorden

B. BELEIDSVERSLAG

BELEIDSTERUGBLIK

Inleiding

Dit beleidsverslag blikt terug op de resultaten die in 2009 zijn behaald. 2009 was het jaar waarin de eerste doelstellingen van het kabinet zijn bereikt. De eerste gratis schoolboeken werden uitgereikt, het voortijdig schoolverlaten daalde met bijna 20 procent, 99 procent van de scholen (in schooljaar 2009/2010) in het voortgezet onderwijs ging aan de slag met de maatschappelijke stage. Het aantal brede scholen in het primair onderwijs steeg tot 1200, een aantal dat pas voor 2011 stond gepland en het aantal zeer zwakke scholen in het (voortgezet) special onderwijs reduceerde met bijna de helft, zodat ook daar de doelstelling voor 2011 al werd gerealiseerd. De arbeidsparticipatie van vrouwen steeg tot 60 procent. Daarmee ligt het kabinet met zijn doelstellingen voor onderwijs, cultuur, wetenschap, kinderopvang en emancipatie grotendeels op koers.

OCW in economisch moeilijke tijden

Onderwijs, innovatie en wetenschap zijn belangrijk voor het herstel op de korte termijn en voor groei op de lange termijn. Als de economie aantrekt, moeten we beschikken over goed opgeleide mensen. De behoefte aan hoogopgeleide arbeidskrachten neemt toe. Daarom investeerde het kabinet ondanks de crisis ook in 2009 in de kwaliteit van het onderwijs, de school en de leraar. Er is gewerkt aan de regionale infrastructuur voor een leven lang leren. Het Ervaringscertificaat (EVC) is als arbeidsmarktinstrument op de kaart gezet. Verder werd de strijd tegen de voortijdige schooluitval voortgezet. Verder bleven ondanks de economische crisis het monumentenbeleid, de innovatie van de perssector en de kwaliteit van de publieke omroep hoog op de agenda staan. Discussies over (homo)emancipatie werden gecontinueerd, ook in kringen waar het thema gevoelig ligt.

Kwaliteit van het onderwijs

In de vorige eeuw is ons onderwijs voor iedereen toegankelijk gemaakt. De opdracht voor het onderwijs in de 21e eeuw is eruit te halen wat erin zit. We moeten tot het uiterste gaan om talent te ontdekken en te ontplooien. De basiskwaliteit moet dus op orde zijn. Het kabinet besteedde de eerste jaren veel aandacht aan de basiskwaliteit. Zo zijn de referentieniveaus voor taal en rekenen voor primair onderwijs, (voortgezet) speciaal onderwijs, voortgezet onderwijs en middelbaar beroepsonderwijs naar de Tweede Kamer gestuurd. De referentieniveaus geven leraren en scholen houvast bij het opnieuw uitwerken van hun reken- en taalbeleid. Ook is in 2009 met de Tweede Kamer overeenstemming bereikt over de aanscherping van de exameneis in het voortgezet onderwijs en hebben de hbo-lerarenopleidingen de kennisbasis vastgelegd. Dit agendapunt zal het onderwijs de komende jaren in beweging houden; alles is erop gericht de basiskwaliteit te garanderen en verder te verbeteren.

De economische crisis werkt de jeugdwerkloosheid in de hand. Daarom richtte het kabinet zich op het langer op school houden van leerlingen. Ook steunde het kabinet de inspanningen om ze aan een stageplaats te helpen. Via het School Ex-programma en het Stageoffensief leveren kabinet, mbo-instellingen en leerwerkbedrijven gezamenlijk een bijdrage aan de strijd tegen de jeugdwerkloosheid.

In het hoger onderwijs werd het excellentieprogramma Sirius (bacheloropleidingen) uitgebreid van vijf naar negentien projecten. Met de experimenten investeert het kabinet extra in excellent onderwijs, dat zich internationaal met topopleidingen kan meten.

Het Wetsvoorstel accreditatie werd aan de Tweede Kamer aangeboden. De wet moet leiden tot een beter accreditatiestelsel, en daarmee tot beter toezicht op de kwaliteit van het onderwijs. Verder zijn door wijzigingen van de WSF 2000 (Stb. 2009, nr. 246) de volgende zaken wettelijk vastgelegd:

• Het collegegeld en de aanvullende beurs worden de komende 10 jaar geleidelijk met €22 per jaar verhoogd.

• De terugbetalingsvoorwaarden op studieleningen voor huidige en toekomstige studenten zijn vereenvoudigd en beter afgestemd op de toekomstige draagkracht van studenten.

• Studenten die boven de bijverdiengrens uitkomen, hoeven niet meer terug te betalen dan het bedrag van de overschrijding. Dat gebeurde op uitdrukkelijk verzoek van de Tweede Kamer.

Het kabinet laat verder de toekomstbestendigheid van het Nederlands hoger onderwijsstelsel onderzoeken. De minister van OCW stelde daarvoor een externe commissie van nationale en internationale experts samen, onder voorzitterschap van Cees Veerman.

Passend onderwijs

Ieder kind verdient het onderwijs dat het best bij hem of haar past. Dat is de gedachte achter passend onderwijs. Sommige leerlingen hebben daarbij extra ondersteuning nodig, vanwege een beperking. Het kabinet presenteerde in het najaar van 2009 de nieuwe koers passend onderwijs. (Kamerbrief «heroverweging van passend onderwijs»,Tweede Kamer, 2008–2009, 31 497, nr. 17.) Uitgangspunt is dat uitgaande van de mogelijkheden van de leerling, de school en de wensen van de ouders alle leerlingen een passend onderwijsaanbod krijgen. Als het even kan, dicht bij huis op een reguliere school. Voor leerlingen waarvoor dat een brug te ver is, blijft plaatsing in het speciaal onderwijs mogelijk. Om juist ook die leerlingen zich maximaal te laten ontwikkelen, wordt het speciaal onderwijs verbeterd.

Brede school

Het aantal brede scholen in het primair onderwijs, dat het kabinet zich voor 2011 tot doel stelde, werd al in 2009 gehaald. In de brede school werkt de school structureel samen met andere instellingen, zoals kinderopvang, welzijnswerk, muziekschool en sportvereniging. Doel is het vergroten van de ontwikkelingskansen van kinderen. In totaal zijn er nu 1200 brede scholen in het primair onderwijs en 410 in het voortgezet onderwijs. Het kabinet verhoogde daarom de ambitie voor het aantal brede scholen in het primair onderwijs naar 1500 in 2011.

Voortijdig schoolverlaten en studie-uitval

Het concrete doel voor 2009 was reductie van het aantal vsv’ers met 20% ten opzichte van de 53 100 in het schooljaar 2006–2007. De voorlopige cijfers over het schooljaar 2008–2009 geven aan dat het aantal nieuwe vsv’ers is gedaald naar 42 600. Het doel voor 2009 is dus gehaald. De registratie van schoolverzuim – en uitval is verbeterd en vereenvoudigd door het nieuwe digitale verzuimloket.

Verder werd de maximale verblijfsduur voor leerlingen op het vmbo afgeschaft, kwamen er plusvoorzieningen voor overbelaste jongeren en werden de mogelijkheden voor het stapelen van opleidingen en het doorstromen naar hogere opleidingen verder verruimd. Dat gebeurde mede op advies van de WRR (Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid. «Vertrouwen in de school», 2009).

Ook in het hoger onderwijs blijft het tegengaan van de studie-uitval en verbeteren van rendementen een belangrijke prioriteit. Het is nodig dat studenten meer uit hun studie halen, betere resultaten boeken en bewuster voor een opleiding kiezen.

Met de hogescholen in de vier grote steden is in 2009 afgesproken met hoeveel procent de uitval van niet-westerse allochtone studenten in 2011 omlaag moet en met hoeveel procent de rendementen moeten worden verbeterd.

In 2009 begonnen ook de experimenten met de studiekeuzegesprekken voor wo- en hbo-opleidingen. Met deze intake starten studenten beter geïnformeerd en gemotiveerd met hun studie, wat de kans op uitval vermindert. De pilots zijn onderdeel van het zorgvuldig invoeringstraject van studiekeuzegesprekken in het hele hoger onderwijs dat aan de Tweede Kamer is toegezegd.

Kwaliteit van de school

Het kabinet heeft een verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van het onderwijsstelsel. Het beleid hiervoor werd in 2009 verwoord in het «Actieplan zeer zwakke basisscholen» – waarin ook het (voortgezet) speciaal onderwijs meeloopt – (Tweede Kamer, 2008–2009, 31 293, nr. 28) en het «Actieplan zeer zwakke scholen in het voortgezet onderwijs» (Tweede Kamer, 2008–2009, 31 289, nr. 55.). Onderdeel van die actieplannen is het aanspreken en aanpakken van zeer zwakke en zwakke scholen die – ondanks intensieve ondersteuning – ondermaats blijven presteren. De PO- en VO-raad ondersteunen besturen en schoolleiders van zeer zwakke scholen actief. De VO-raad heeft een steunpunt ingericht en in 2010 zal de PO-raad «Vliegende Brigades» opzetten. Ook nam in januari 2010 de Eerste Kamer het wetsvoorstel «Goed onderwijs, goed bestuur in po en vo» aan. Daardoor wordt het mogelijk om – in het uiterste geval – een school te sluiten als er sprake is van langdurig en ernstig tekortschietende kwaliteit, zodat leerlingen niet onnodig lang slecht onderwijs krijgen. In 2009 zijn, als bij zeer zwakke scholen sprake was van niet-naleving van wettelijke bepalingen, sanctietrajecten ingezet.

In het mbo is ook in 2009 verscherpt toezicht gehouden op de opleidingen van onvoldoende onderwijs- en/of examenkwaliteit. Als een opleiding langdurig onder de maat is, krijgt de opleiding een waarschuwing en kan een licentie worden ingetrokken. In 2009 zijn vier examenlicenties ingetrokken. Daarnaast is OCW in 2009 begonnen met gesprekken met roc’s om het belang van goede onderwijskwaliteit in relatie tot een goede bedrijfsvoering te benadrukken.

Voor het hoger onderwijs werd het wetsvoorstel «Versterking besturing» door de Tweede en Eerste Kamer aangenomen. De wet regelt ondermeer de versterking van de medezeggenschap van studenten binnen hoger onderwijsinstellingen en een sterkere rol van examencommissies. Andere punten uit de wet zijn een wijziging van de collegegeldsystematiek, invoering van joint degrees en het verzorgen van Nederlands onderwijs in het buitenland.

De kwaliteit van de school betreft ook de kwaliteit van het bestuur en management. In dat kader bleef er ook in 2009 aandacht voor de topinkomens in de sectoren onderwijs, cultuur en wetenschap. De WOPT-gegevens (Wet Openbaarmaking uit Publieke middelen gefinancierde Topinkomens) van de OCW-sectoren over 2008 werden geanalyseerd, in voorbereiding op het wetsvoorstel «Normering beloningen topfunctionarissen» (WNT) dat in november 2009 voor externe consultatie werd uitgezet door het ministerie van BZK. Daarnaast bracht de commissie-Don in september 2009 haar rapport uit. De commissie stelt dat het financieel beheer van de onderwijsinstellingen verbeterd kan worden en dat het toezicht op de doelmatigheid van de financiën ook versterkt dient te worden. Het kabinet wil, met de Inspectie van het Onderwijs en de sectororganisaties van primair en voortgezet onderwijs, in 2010 de financiële deskundigheid bij onderwijsinstellingen vergroten, het toezicht versterken en de belemmeringen voor schatkistbankieren wegnemen.

Leraarschap is meesterschap

De leraar maakt het verschil in de ontwikkeling van jongeren. Goede leraren zijn allesbepalend voor de kwaliteit van het onderwijs. Om nu en in de toekomst verzekerd te zijn van voldoende goede leraren, heeft het kabinet ruim één miljard euro uitgetrokken voor de versterking van de kwaliteit en de positie van de leraar.

Meer loopbaanmogelijkheden voor leraren en inkorting van de salarislijnen maken het beroep van leraar aantrekkelijker, onder andere voor academisch opgeleiden. Daarom moeten we blijven investeren in de beloning en de opleiding van leraren.

In 2009 is geïnvesteerd in de beloning van onderwijspersoneel, onder andere door invoering van de functiemix, de inkorting van carrièrepatronen en de beloning van directeuren in het primair onderwijs. De lerarenbeurs vervult een belangrijke rol bij de versterking van de kwaliteit van leraren.

Sinds de introductie van de lerarenbeurs hebben bijna 14 000 leraren een beurs ontvangen. Bovendien is in 2009 voor 416 zijinstromende leraren een subsidie verleend.

Vanuit de kwaliteitsagenda «Krachtig meesterschap» werden in 2009 verschillende initiatieven gestart om meer academici op te leiden tot leraar en de kwaliteit van de lerarenopleidingen in het hbo te versterken. Zo is per 1 september 2009 de «educatieve minor» geïntroduceerd in het wetenschappelijk onderwijs. Deze halfjarige verdieping in didactiek en pedagogiek binnen de vakbachelor leidt tot een nieuwe bevoegdheid voor de theoretische leerweg in het vmbo en voor de eerste drie jaren van het havo en het vwo. In het afgelopen jaar ging ook het project van bedrijfsleven, onderwijs en overheid «Eerst de klas» van start. Twintig excellente pasafgestudeerde academici werken in het voortgezet onderwijs, worden tegelijkertijd opgeleid tot docent en krijgen een leiderschapstraining in het bedrijfsleven.

De lerarenopleidingen in het hoger beroepsonderwijs hebben in 2009 de kennisbases vastgelegd voor rekenen/wiskunde en taal voor de lerarenopleiding basisonderwijs en voor de algemene vakken voor de lerarenopleiding vo/bve. Ook werken zij aan de ontwikkeling van de kennisbases voor de overige vakken en aan kennistoetsen. Op die wijze komt er weer een goede balans tussen het kennen en het kunnen, tussen vakmanschap en meesterschap.

Onderzoek en wetenschap

Onderzoek en wetenschap leveren een belangrijke bijdrage aan de uitdagingen waar onze samenleving voor staat. Een hoge kwaliteit en productiviteit van het wetenschappelijk onderzoek bevorderen bovendien de economische ontwikkeling. In 2009 konden in het eerste jaar van de Vernieuwingsimpuls «nieuwe stijl» een recordaantal talentvolle onderzoekers aan de slag. Ook werd een start gemaakt met de graduate schools, naar Amerikaans model.

Door de inzet van Fes-geld konden zes grootschalige onderzoeksinfrastructuren en vijf maatschappelijke innovatieprojecten van start gaan. Om het dreigend verlies aan kennispotentieel door de economische crisis tegen te gaan, is € 180 miljoen uitgetrokken voor de kenniswerkersregeling. Hiermee konden in totaal ruim 2000 onderzoekers uit bedrijven en jonge onderzoekers aan de slag bij publieke kennisinstellingen, verdeeld over in totaal 179 projecten rond maatschappelijke thema’s.

Kinderopvang

Het wetsvoorstel «Gastoudervang», waarmee onder andere de financiële houdbaarheid van het stelsel en de kwaliteit van de kinderopvang worden verbeterd, werd in 2009 door de Tweede Kamer aangenomen. Het wetsvoorstel «Ontwikkelingskansen door kwaliteit en educatie» (OKE) is in 2009 aangeboden.

Dit laatste wetsvoorstel stuurt aan op een doorlopende leerlijn waarbij voor- en vroegschoolse educatie (vve) goed op elkaar aansluiten, op een hoogwaardig en dekkend vve-aanbod en op een landelijk kwaliteitskader voor peuterspeelzalen. Op 30 juni 2009 ondertekenden vertegenwoordigers van gemeenten, peuterspeelzalen, kinderopvangcentra en ouders hiervoor een convenant. Daarnaast is per 1 januari 2009 de ouderbijdragentabel voor de kinderopvangtoeslag aangepast en de maximum uurprijs bevroren om de financiële beheersbaarheid van het stelsel te verbeteren.

Emancipatie

Ondanks de economisch zware tijden werpt het emancipatiebeleid zijn vruchten af. Na jaren van stilstand is er een stijgende lijn in de economische zelfstandigheid van vrouwen, hun aandeel steeg van 39 procent in 2000 naar meer dan 45 procent.

De doelstelling van 25 procent vrouwen in topposities bij de rijksoverheid in 2011 is ruimschoots binnen handbereik (nu 24,9 procent) en het Charter Talent naar de Top is eind 2009 door meer dan 100 bedrijven ondertekend. Het beloningsverschil tussen vrouwen en mannen is bij de rijksoverheid geslonken tot 1,7 procent, maar met deze gunstige ontwikkelingen zijn we er nog niet.

Met bijna 15 gemeenten zijn afspraken gemaakt over het opzetten van vadercentra (voor participatie van allochtone mannen) en met 19 gemeenten en vijf provincies over het verder in de praktijk brengen van de best practices rondom emancipatieprojecten.

Op het front van homo-emancipatie is ook veel bereikt. Inmiddels voeren 123 gemeenten een actief homobeleid. In orthodox-levensbeschouwelijke groeperingen wordt homoseksualiteit steeds beter bespreekbaar en op steeds meer scholen ontstaan Gay-Straight scholenallianties van homo- en heteroleraren en- leerlingen, die homoseksualiteit zichtbaar en bespreekbaar maken op de school.

Media, Cultuur en Monumenten

Media

In 2009 is verder gewerkt aan een modern medialandschap in Nederland. Allereerst is de «Wet tot wijziging van de Mediawet 2008» aangenomen, over de erkenning en de financiering van de publieke omroep. Daarmee zijn de taak en de organisatie van het omroepbestel aangepast aan de eisen van de huidige tijd.

Het kabinet besloot in 2009 dat nieuwkomers WNL en PowNed als aspirant-omroepen gaan deelnemen aan het bestel. Llink kreeg geen erkenning, na een negatieve beoordeling van drie adviserende instanties.

In december 2009 is een begin gemaakt met het onderzoek naar de toekomst van de publieke omroep. Ook heeft het kabinet extra middelen beschikbaar gesteld om innovatie in de journalistiek te stimuleren en is de «Regeling jonge journalisten» ingegaan, waarmee 60 jonge journalisten bij krantenredacties aan de slag kunnen.

Cultuur

Voor de cultuursector is in 2009 de nieuwe subsidiesystematiek van start gegaan. Deze staat borg voor een kwalitatief hoogstaande, pluriforme en dynamische cultuursector. Om het maatschappelijk draagvlak voor de cultuursector te vergroten, moeten culturele instellingen sinds 2009 ook zelf voor inkomen zorgen. Alle cultuurproducerende instellingen moeten bij toetreding in de BIS (Basisinfrastructuur) in 2013 voldoen aan de minimale eigen inkomstennorm van 17.5 procent. Instellingen met minder dan 30 procent eigen inkomsten moeten hun eigen inkomsten in 2016 met vier procent hebben verhoogd. Drie internationale topinstellingen (het Koninklijk Concertgebouw Orkest, het Mauritshuis en de Design Academy) hebben extra geld ontvangen om hun toppositie te versterken.

De renovatie van het Rijksmuseum is binnen de financiële kaders aanbesteed en op 7 juli 2009 is de eerste paal geslagen. De locatie voor het Nationaal Historisch Museum is bepaald tegenover het Nederlands Openluchtmuseum.

In 2009 is de «Uitvoeringswet UNESCO-verdrag 1970 inzake de onrechtmatige invoer, uitvoer of eigendomsoverdracht van cultuurgoederen» in werking getreden. Daarmee voldoet Nederland aan zijn internationale verplichtingen op het gebied van bescherming van cultureel erfgoed.

Monumentenzorg

In 2009 is de beleidsbrief «Modernisering Monumentenzorg» gepubliceerd. De brief werd opgesteld met burgers, sectororganisaties en overheden. De modernisering biedt burgers meer mogelijkheden om met hun kennis en belangen te participeren in de besluitvorming over cultuurhistorie in ruimtelijke ontwikkelingsplannen. Verder wordt de wet- en regelgeving vereenvoudigd en worden procedures ingekort of eenvoudiger gemaakt.

Herbestemming is een belangrijk thema en wordt met verschillende maatregelen gestimuleerd. Een voorbeeld is de «Stimuleringmaatregel voor de herbestemming van beeldbepalende gebouwen» in de aandachtswijken.

Voor restauratie, herbestemming en gebiedsgerichte monumentenzorg is structureel € 23 miljoen aan de begroting toegevoegd. Dit bedrag compenseert de afschaffing van de vrijstelling van overdrachtsbelasting monumentenpanden.

Vermindering van uitvoeringslasten, administratieve lasten en regeldruk

OCW heeft goede voortgang geboekt met de vermindering van administratieve lasten en regeldruk. (De Kamer ontving hierover in december de Voortgangsrapportage Lastendruk OCW.Tweede Kamer, 2009–2010, 32 123 VIII, nr. 102.) Zo hebben onderwijsinstellingen voordeel van de uniforme meldprocedure bij verzuim en de omkering van de accreditatietoetsen in het hoger onderwijs. Voor burgers en bedrijven is het prettig dat de vergunningaanvraag voor monumenten en de bouwvergunning beter op elkaar aansluiten. Sommige beleidsvoornemens kunnen echter ook tot lastenverzwaringen leiden, zoals de beleidsreactie op het advies van de commissie-Don, de invoering van onderwijstijd en de normering van topinkomens in de (semi)publieke sector. Daarom blijft bij de ontwikkeling van nieuw beleid continue waakzaamheid geboden om de regelgeving en in het bijzonder de informatieverplichtingen voor OCW-instellingen aan het ministerie en aan de Tweede Kamer zo optimaal mogelijk te houden.

Versterking van de aandacht voor uitvoerings- en administratieve lasten is een belangrijke overweging bij de oprichting op 1 januari 2010 van de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO), door fusie van de Informatie Beheer Groep (IB-Groep) en de Centrale Financiën Instellingen (CFI). De DUO wil de dienstverlening aan burgers en instellingen verbeteren door de administratieve lasten te verlagen en de kwaliteit van informatie en diensten te verhogen.

Het ministerie van OCW werkt met het onderwijsveld aan de aanpak van de meest irritante regels voor docenten, o.a. via de ontwikkeling van een professioneel statuut door sociale partners, de afschaffing van de 4e handtekening van de kenniscentra en invoering van Vaste Verandermomenten (VVM).

Toezicht & Handhaving

In 2009 is de Inspectie van het Onderwijs meer risicogericht gaan werken. Dat is efficiënter en daardoor kan de inspectie meer tijd besteden aan scholen met tekortkomingen. Scholen die goed uit de jaarlijkse risicoanalyse komen, krijgen minder toezicht. Deze aanpak bevordert de kwaliteit van het onderwijs. In 2009 ging de inspectie verder de wettelijke voorschriften en rechtmatigheid nadrukkelijker handhaven.

Indeling van het verslag

Om inzichtelijk te maken hoe OCW bijdraagt aan het realiseren van de ambities van het kabinet, is het beleidsverslag ingedeeld op basis van de doelstellingen uit het beleidsprogramma. Per doelstelling worden de resultaten uit 2009 en een beleidsconclusie over de voortgang aangegeven.

Doelstelling 11: Hoger onderwijs met meer kwaliteit en minder uitval

Inzet en doel

Het kabinet wil het studiesucces van studenten en de kwaliteit van het hoger onderwijs verhogen. In de Strategische agenda voor het hoger onderwijs-, onderzoeks- en wetenschapsbeleid «Het Hoogste Goed»(Tweede Kamer, vergaderjaar 2007–2008, 31 288, nr.1) staan de ambities van OCW op dit gebied beschreven. Concreet gaat het om:

• Verhogen van studiesucces en onderwijskwaliteit, en verminderen van uitval van studenten uit de bachelorfase.

• Verhogen van het studierendement van Nederlandse studenten met een niet-westerse achtergrond. Het studierendement van deze studenten is in 2014 zoveel mogelijk ingelopen op het studierendement van autochtonen (verschil is nu nog ca. 20%).

• Verhogen van excellentie in bachelor- en masteropleidingen en het aantrekken van meer excellente studenten.

Ondernomen acties

• Tweede fase Meerjarenafspraken allochtone studenten afgerond (zomer 2009).

• Meerjarenafspraken gemonitord in Kennis in Kaart 2009 (Tweede Kamer, vergaderjaar 2009–2010, bijlage bij 31 288, nr. 82).

• Er zijn 18 pilots voor studiekeuzegesprekken ingezet. De eerste tranche van het door Surf uitgevoerde programma «Studiekeuzegesprekken: wat werkt?» is gestart in maart 2009. De belangstelling van ho-instellingen was groot. In totaal zijn door universiteiten en hogescholen 30 aanvragen ingediend (17 uit het hbo en 13 uit het wo), waarvan er elf konden worden gehonoreerd en van start zijn gegaan. Inmiddels zijn in het kader van deze pilot ruim 4 000 studiekeuzegesprekken met studenten gevoerd. Het programma maakt deel uit van het door de minister aan de Tweede Kamer toegezegde zorgvuldige invoeringstraject van studiekeuzegesprekken. De ervaringen uit de pilots bepalen of en hoe studiekeuzegesprekken over de hele linie van het ho worden ingevoerd. Bedoeling van deze gesprekken vóór de poort, die géén selectiegesprekken zijn, is te voorkomen dat een student met verkeerde verwachtingen (van zichzelf of de studie) met een studie begint, om zijn of haar kans op studiesucces te vergroten en de kans op uitval door een verkeerde keuze te verkleinen.

In de eerste helft van 2010 komen de resultaten van deze eerste tranche breed beschikbaar. Een tweede en laatste tranche van het programma, ter verbreding en inhoudelijke verdieping, is inmiddels van start gegaan. Deze tranche wordt 1 maart 2011 afgerond.

• Vervolg eerste ronde middelen toegekend aan Sirius Programma bacheloropleidingen.

  Uit het Fes is in totaal € 50 miljoen beschikbaar om excellentie in het hoger onderwijs te bevorderen. Hiervan is € 40 miljoen voor bacheloropleidingen en € 10 miljoen voor de tranche gericht op masteropleidingen. In 2009 werd het Sirius Programma uitgebreid van vijf naar 19 projecten. OCW heeft in 2009 € 11 miljoen extra toegevoegd aan dit programma.

• Bij de Tweede Kamer is het wetsvoorstel Ruim Baan voor Talent ingediend.

  Dit wetsvoorstel beoogt bekostigde hoger onderwijsinstellingen meer mogelijkheden te bieden om studenten voor bepaalde opleidingen of opleidingsprogramma’s te selecteren en een hoger collegegeld te vragen. Daarnaast wordt met dit wetsvoorstel beoogd te voorkomen dat studenten aan hun masteropleiding beginnen zonder dat zij hun bachelor hebben afgerond («eerst je bachelor, dan je master»).

Beleidsconclusie

Het jaar 2009 stond, evenals het jaar 2008, in het teken van uitvoeren van de gemaakte meerjarenafspraken met universiteiten en hogescholen over «studiesucces»: reductie van de uitval, verhogen van studierendementen, meer differentiatie (ambitieuze programma’s) en verbetering van de kwaliteit van docenten, en meer docenten. De instellingen krijgen hiervoor extra geld (middelen Coalitieakkoord), dat is toegevoegd aan de lumpsum.

Er wordt een aantal achtergrondvariabelen gemonitord, die samen een indruk geven van de ontwikkeling van kwaliteit en studie-uitval. Daarnaast vindt een kwalitatieve evaluatie plaats door de Inspectie voor het Onderwijs. De kwalitatieve evaluatie van de inspectie is in juni 2009 in gang gezet. Hierbij wordt gekeken naar de inspanningen van de hogescholen en universiteiten en of deze voldoende zijn om de meerjarenafspraken te realiseren. De uitkomsten worden begin 2011 verwacht. Geconcludeerd kan worden dat we met doelstelling 11 op koers liggen.

Nr. Inhoud (doelstellingen en projecten beleidsprogramma) Indicator Meest recente gerealiseerde waarde t.o.v. streefwaarde 2009 Streefwaarde 2011 Fin. budget – realisatie 2009 (x €1 000) Verwijzing Artikel én OD
11. Hoger onderwijsmet meer kwaliteit en minder uitval• meer kwaliteit en minder uitval in de bachelorfase• excellentie in onderwijs: beurzen voor talentvolle ambitieuze studenten % studie-uitval (uit wo) en studie-switchers (binnen wo) na het (verwijzende en bindende) eerste bachelorjaar in bachelor-2 en -3(bron: VSNU/1 cijfer HO) 12% (studenten die zijn gestart met studeren in 2005) peildatum: 2008In de meerjarenafspraak was een percentage van 14 genoemd; na een update van de brongegevens komt dit uit op 12%. Het doel is dit percentage te halveren in 2011. 6% (2011) (Art 6 € 20 898 en art.7 € 2 322) € 23 220 * voor minder uitval en kwaliteitsimpuls, € 1 200 * voor studiekeuzegesprekken, € 2 400 * voor studiekeuze informatie voor het hoger onderwijs, deel middelen lumpsum waar onder met name de middelen «versterking kenniseconomie» (Voorjaarsnota 2006*), verhogen studierendement Nederlandse studenten met een niet- westerse achtergrond € 8 765*, excellentie in onderwijs: binnen – en buitenlands talent (HSP) € 11 385 * en excellentie in onderwijs FES (Sirius Programma) € 4 764*. Art. 6/7, OD 6.3.3
    % wo-studenten dat in vier jaar de bachelor afrondt (bron: VSNU/1 cijfer HO) 48% (studenten die zijn gestart met studeren in 2004)peildatum: 2008 >70% (2014) idem Art. 6/7, OD 6.3.3
    Rendement van hbo-studenten na 6 jaar studie(bron: HBO-raad/1 cijfer HO) 76% (studenten die zijn gestart met studeren in 2002) peildatum: 2008 90%peildatum: 2013 idem Art. 6/7, OD 6.3.3
    Kwaliteit docenten: % hbo-docenten met minimaal een mastergraad(bron: Personeels- en mobiliteitsonderzoek overheidspersoneel 2008) 57% waarvan 4,8% phd (peildatum: 2008) 70% in 2014, waarvan in 2017 10% gepromoveerd of deelneemt in een promotietraject (Art. 6 € 5 478 en art. 7 € 5 414) = € 10 892* voor kwaliteitsverbetering docenten en € 15 778* middelen hogescholen (functiemix docenten*) Art. 6/7, OD 6.3.2

* De bedragen in deze tabel illustreren het financiële belang van een kabinetsdoel of- project. De begroting is ingericht op beleidsartikelen en niet op kabinetsdoelen. Deze bedragen zijn daarom indicatief en niet 1- op 1 uit de departementale administratie te herleiden. Het is in dit overzicht mogelijk dat een bedrag ten goede komt aan meerdere doelstellingen en dus meerdere keren wordt genoemd.

Doelstelling 12: Het versterken van de internationale reputatie van Nederlandse wetenschappelijke instellingen en onderzoeksinstellingen

Inzet en doel

Het doel is dat het Nederlandse onderzoek zich kan meten met de wereldtop en dat de productiviteit van het onderzoek onverminderd hoog is. Dit is goed voor de Nederlandse kenniseconomie en het houden van goede aansluiting bij de zich ontwikkelende Europese Onderzoeksruimte. Momenteel neemt ons land wat betreft de citatiescore mondiaal gezien de vierde plaats in, vorig jaar was dit nog de derde plaats. Dit laatste wordt niet veroorzaakt doordat de kwaliteit van het Nederlandse onderzoek afneemt, maar doordat de kwaliteit in andere landen toeneemt.

Om in ons onderwijs en onderzoek op hoog niveau te kunnen blijven presteren, is een hoogwaardige onderzoeksinfrastructuur van belang en moeten de beste mensen volop ruimte krijgen. Daarom heeft het kabinet ingezet op het versterken van het primaat van ongebonden en zuiver onderzoek, door meer ruimte te bieden aan excellente onderzoekers en aan grensverleggend onderzoek.

Ondernomen acties

• Naar een robuuste kenniseconomie. In het aanvullende beleidsakkoord is afgesproken om de ontwikkeling van onderwijs, innovatie en kennis naar minimaal het niveau van het OESO-gemiddelde te brengen. In de notitie «Naar een robuuste kenniseconomie» (Tweede Kamer, vergaderjaar 2009–2010, 27 406, nr. 153) zijn als uitdagingen voor de wetenschap geformuleerd dat er meer (top-)onderzoekers komen, een groter aantal grootschalige onderzoeksinfrastructuren en meer onderzoekscholen van topkwaliteit. Voorts dat de valorisatie van wetenschappelijk onderzoek verbetert, de beschikbaarheid van wetenschappelijke kennis vergroot en dat het loopbaanbeleid van wetenschappers uitdagender wordt.

• Vernieuwingsimpuls. De eerste call voor de Vernieuwingsimpuls «nieuwe stijl» is eind 2008 uitgegaan. Hiermee kon een recordaantal van 143 Veni’s aan de slag, voor Vidi waren er 89 toekenningen. De toekenningenronde 2009 voor de Vici’s wordt pas in 2010 afgerond.

• Graduate schools. In augustus 2009 konden de eerste block grants voor de graduate schools worden uitgereikt. Vanwege het hoge niveau van de voorstellen stelde NWO uit eigen budget extra middelen beschikbaar, zodat in totaal 9 voorstellen voor graduate schools konden worden gehonoreerd, met een goede spreiding over wetenschapsgebieden. Zo kon een begin worden gemaakt met het aanpassen van onderzoekersopleidingen, waardoor promovendi meer vrijheid krijgen bij keuzes in hun onderzoeksloopbaan.

• Diversiteit. Het beleid om meer vrouwen op hoge onderzoeksposities te krijgen en om meer ruimte te bieden aan wetenschappers van allochtone herkomst, is het afgelopen jaar voortgezet. De startsubsidie voor het Landelijk Netwerk van Vrouwelijke Hoogleraren (LNVH) is verlengd en inmiddels hebben elf van de dertien universiteiten het Charter «Talent naar de Top» ondertekend. Op basis hiervan dient elke instelling organisatiespecifieke kwantitatieve doelstellingen te formuleren voor toestroom, doorstroom en behoud van vrouwelijk talent aan de top van de instelling. Hierover is in 2009 een bijeenkomst geweest van de minister van OCW en de colleges van bestuur van de universiteiten, hogescholen en umc’s. Dat dit nodig is, blijkt wel uit de cijfers over het aandeel van vrouwelijke wetenschappers in de verschillende functiecategorieën. Weliswaar nam ook het aandeel vrouwelijke hoogleraren toe van 6,3 procent in 2000 tot 11,6 procent in 2008 (de cijfers over 2009 komen medio 2010 beschikbaar), maar de streefwaarde van 15 procent vrouwelijke hoogleraren in 2010 zal naar verwachting slechts bij enkele universiteiten worden bereikt. Ondanks de positieve resultaten van het talentprogramma Aspasia zal nog vele jaren een samenhangende inzet nodig zijn. Met NWO wordt op dit moment gekeken naar een nieuwe vormgeving van het programma.

• Grootschalige onderzoeksfaciliteiten. De besluitvorming over de Fes-middelen voor grootschalige onderzoeksfaciliteiten heeft tot een positief resultaat geleid. Naast de vijf projecten die al in 2008 uit enveloppemiddelen voor NWO in het kader van de «nationale roadmap grootschalige onderzoeksfaciliteiten» konden worden gerealiseerd, konden nog eens zes grootschalige onderzoeksfaciliteiten worden gehonoreerd.

• Toponderzoekscholen. In het afgelopen jaar is een begin gemaakt met de evaluatie van toponderzoekscholen. Daarbij is afgesproken dat NWO de kwaliteit en het functioneren van de toponderzoekscholen zal evalueren en dat de KNAW zal bezien of het instrument van toponderzoekscholen nog adequaat functioneert, mede met het oog op het vergroten van de dynamiek.

• Promotiestelsel. Doel is het relatief aantal promoties te verhogen, wat moet leiden tot een betere positie binnen de EU. Binnen de EU heeft Nederland inmiddels een flinke inhaalslag gemaakt. De nieuwe cijfers ten aanzien van de promotiegraad worden medio 2010 verwacht. De verwachting is dat de promotiegraad hooguit licht zal stijgen als gevolg van de lichte terugloop in de omvang van het aantal 25–34 jarigen in de bevolking. Het aantal promoties lijkt te stabiliseren.

• Accreditatiestelsel. Eind vorig jaar is een wetsontwerp ingediend bij de Tweede Kamer (Tweede Kamer, vergaderjaar 2009–2010, 32 210, nr. 2) dat tot doel heeft om de accreditatie te vereenvoudigen en meer te richten op datgene waar het om gaat: inhoud en kwaliteit van het onderwijs. Praktijkproeven met het nieuwe model toonden aan dat het goed werkt.

Beleidsconclusie

Door het achterblijvende percentage vrouwelijke hoogleraren, en omdat Nederland inmiddels op plek 4 ligt wat betreft de internationale citatiescore, luidt de totaalconclusie dat de doelstelling voor 2009 niet gehaald is.

Het jaar 2009 stond net als 2008 voor een belangrijk deel in het teken van het verder ontwikkelen van nieuwe beleidsinstrumenten en het versterken van bestaande instrumenten, zoals de Vernieuwingsimpuls. In 2008 heeft hierover besluitvorming plaatsgevonden, 2009 was het jaar van de implementatie. De specifieke doelstelling van 15 procent vrouwelijke hoogleraren in 2010 zal naar verwachting niet gehaald worden. Gelet op ontwikkelingen (pensionering mannelijke hoogleraren uit de babyboomgeneratie, gebleken doorstroming uit de vernieuwingsimpuls, nieuwe vormgeving Aspasia, het Charter «Talent naar de Top») is de verwachting dat binnen afzienbare tijd een verhoging van het aantal vrouwelijke hoogleraren kan worden gerealiseerd. Daardoor kan de doelstelling naar verwachting in een volgende kabinetsperiode worden gehaald.

Nr. Inhoud (doelstellingen en projecten beleidsprogramma) Indicator Meest recente gerealiseerde waarde t.o.v. streefwaarde 2009 Streefwaarde 2011(Tussenwaarde 2009) Fin. budget – realisatie 2009 (x €1 000) Verwijzing Artikel én OD
12. Het versterken van de internationale reputatie van Nederlandse wetenschappelijke instellingen en onderzoeksinstellingen          
             
  • handhaving dan wel versterking van de kwaliteit van het wetenschappelijk onderzoek Relatieve Nederlandse citatiescore (mondiaal gemiddelde is 1) (bron: NOWT/CWTS) 1,33 (= 4de positie mondiaal) voor de periode 2005–2008 Mondiale top 3 (mondiale top 3) 1 167 402 Art 16, AD 16.1
             
  • versterking promotiestelsel Promotiegraad (aantal promoties per 1000 per sonen in de leeftijdsgroep 25–34 jarigen) (bron, VSNU en CBS) 1,61 (2008) verhoging relatief aantal promoties (verhoging relatief aantal promoties) 1 167 402 Art 16, AD 16.1
             
  • toename van het aantal vrouwelijk hoogleraren Het aandeel vrouwelijke hoogleraren (bron: VNSU/WOPI) 11,6% (2008) 15% (in 2010) (13,7%) 6 000 Art 16, OD 16.3.3

De bedragen in deze tabel illustreren het financieel belang van een kabinetsdoel of -project. De begroting is ingericht op beleidsartikelen en niet op kabinetsdoelen. Deze bedragen zijn daarom indicatief en niet 1-op-1 uit de departementale administratie te herleiden. Het is in dit overzicht mogelijk dat een bedrag ten goede komt aan meerdere doelstellingen en dus meerdere keren wordt genoemd.

Doelstelling 14: Het versterken van het innovatief vermogen van de Nederlandse economie

Inzet en doel

Zeker in tijden van economische crisis is het van belang dat kennis beter wordt gekoppeld aan het tot stand brengen van nieuwe bedrijvigheid en aan de grote maatschappelijke opgaven waar ons land voor staat. Actieve communicatie over wetenschap en het zorgen voor een betere benutting van onderzoeksresultaten moeten zorgen voor een stevigere maatschappelijke inbedding van wetenschap. Een belangrijke voorwaarde voor het benutten van onderzoeksresultaten is het investeren in de kwaliteit van het wetenschappelijk onderzoek en het verder ontwikkelen van prikkels voor valorisatie. Meer aandacht voor praktijkgericht onderzoek op hogescholen past hierbij. Kenniswerkers zijn belangrijk voor onze economie en samenleving. Om die kenniswerkers, die als gevolg van de economische crisis hun baan dreigden te verliezen, te kunnen behouden, is door de ministers EZ en OCW in 2009 besloten de kenniswerkersregeling te introduceren. Hierdoor kunnen kenniswerkers uit bedrijven maar ook jonge onderzoekers tijdelijk bij publieke kennisinstellingen aan de slag. In 2010 moet vraagsturing bij TNO en GTI’s integraal zijn ingevoerd. Tot slot heeft OCW aandacht besteed aan (onderzoeks)terreinen die belangrijk zijn voor kenniseconomie en kennissamenleving.

Ondernomen acties 2009

• Kenniswerkersregeling. Voor de kenniswerkersregeling trok het kabinet in 2009 € 180 miljoen uit. In een eerste tranche (€ 135 miljoen) konden in totaal 1472 onderzoekers, waarvan 1336 afkomstig van bedrijven en 136 jonge onderzoekers, aan de slag bij in totaal 128 projecten. In de tweede tranche (€ 45 miljoen) konden 51 projecten starten met 539 kenniswerkers en 55 jonge onderzoekers.

• Vraagsturing TNO/GTI’s. In 2009 heeft een aantal bijeenkomsten plaatsgevonden met als doel het coördineren van activiteiten voor invoering van de vraagsturing.

• Uitvinderregelingen. In 2008 heeft de VSNU een inventarisatie gemaakt van de verschillende uitvinderregelingen bij universiteiten en medische centra. Inmiddels zijn de uitvinderregelingen ook op de websites van de diverse universiteiten terug te vinden. Het is de bedoeling dat onderzoekers door de uitvinderregelingen meer kunnen profiteren van de opbrengst van intellectuele eigendomsrechten.

Beleidsconclusie

De doelstelling ligt op koers.

Nr. Inhoud (doelstellingen en projecten beleidsprogramma) Indicator Behaalde tussenresultaten in 2009 Streefwaarde 2011 (Tussenwaarde 2009) Fin. budget – realisatie 2009 (x €1 000) Verwijzing Artikel én OD
14. Het versterken van het innovatieve vermogen van de Nederlandse economie          
  • aandacht en prioriteit voor toepassings-gericht onderzoek Percentage Raakprojecten met lectoraatsdeelname (bron: SIA, augustus 2008) 95% (peildatum 2009)1 95% (95%) 71 400 Art. 6, OD 6.3.4
  • investeringen in de kwaliteit met behoud van onafhankelijkheid van onderzoek Internationale wetenschappelijke kwaliteit op basis van de relatieve Nederlandse citatiescore (mondiale bemiddelde = 1) (bron: NOWT/CWTS) 1,33 (= 4de positie mondiaal) voor de periode 2005–2008 Mondiale top 3 (Mondiale top 3) 1 167 402 Art 16, AD 16.1

De bedragen in deze tabel illustreren het financieel belang van een kabinetsdoel of -project. De begroting is ingericht op beleidsartikelen en niet op kabinetsdoelen. Deze bedragen zijn daarom indicatief en niet 1-op 1 uit de departementale administratie te herleiden. Het is in dit overzicht mogelijk dat een bedrag ten goede komt aan meerdere doelstellingen en dus meerdere keren wordt genoemd.

1 De streefwaarde voor de indicator samenhang RAAK-lectoren is gehaald. Deze indicator is vooral van belang in de startfase van de ontwikkeling van het praktijkgericht onderzoek door hogescholen. Nu de lectoren en de RAAK-regeling een vaste waarde in het hoger onderwijs zijn, neemt deze indicator in belang af. Gezocht zal worden naar een nieuwe indicator die aansluit bij de huidige ontwikkelingsfase van het praktijkgericht onderzoek.

Doelstelling 36: Het kabinet geeft een nieuwe impuls aan het emancipatiebeleid en aan het homo-emancipatiebeleid

Inzet en doel

Het emancipatiebeleid wordt volop uitgevoerd op landelijk, provinciaal en gemeentelijk niveau. De bedoeling is meer vrouwen aan de top, het vergroten van de arbeidsparticipatie van vrouwen en het wegwerken van beloningsverschillen tussen vrouwen en mannen. Voor lesbiennes en homo’s wil het kabinet de veiligheid en de sociale acceptatie vergroten.

Voor de vernieuwing van het emancipatiebeleid en het emancipatiebeleid voor lesbiennes en homo’s zijn in 2009 activiteiten en programma’s uitgevoerd zoals die zijn aangekondigd in de nota «Meer kansen voor vrouwen» (Tweede Kamer, vergaderjaar 2007–2008, 30 420, nr. 50) en de nota «Gewoon homo zijn» (Tweede Kamer, vergaderjaar 2007–2008, 27 017, nr. 33).

Ondernomen acties

Om de doelstelling te bereiken, heeft OCW in 2009 de volgende activiteiten uitgevoerd:

Meer kansen voor vrouwen

• Koploperovereenkomsten financieel ondersteunen. Eind 2009 zijn bestuurlijke afspraken gemaakt met 25 «koplopergemeenten» over maatschappelijke participatie van vrouwen uit etnische minderheden en met 15 koplopers over tijdbeleid om de combinatie van arbeid en zorg «tussen 7 en 7» te vereenvoudigen.

• Een bijdrage leveren aan de Taskforce DeeltijdPlus. De taskforce heeft veel publiciteit gegenereerd voor het verhogen van het aantal uren dat vrouwen werken. De taskforce houdt in maart 2010 haar slotconferentie met de opbrengsten van de afgelopen periode. Doelstelling van het kabinet was een verhoging van de arbeidsdeelname van vrouwen met een baan van minstens twaalf uur per week van 57 procent in 2007 naar minimaal 65 procent in 2011.

• De charter «Talent naar de top» financieel ondersteunen. De taskforce «Talent naar de top» zet in op een aandeel vrouwen in topposities van het bedrijfsleven van 20 procent in 2011. Inmiddels hebben ruim 100 toonaangevende bedrijven en overheidsinstellingen, die het aantal vrouwen aan de top willen vergroten, zich hierop ingeschreven. Voor de ontwikkelfase is vanuit EZ en OCW gezamenlijk € 1 miljoen beschikbaar gesteld. EZ en OCW financieren ook de vervolgfase.

• De deelname van meisjes aan technische opleidingen stimuleren. In 2009 is een plan voor de bevordering van de deelname van meisjes in technische opleidingen gemaakt. Op basis van dit plan zijn subsidies verstrekt aan het po en het ho voor verdere uitwerking van de deelname van meisjes aan technische opleidingen.

• Meer aandacht besteden aan de emancipatie van mannen. De voornemens zijn opgenomen in de kabinetsreactie op het «Plan van de man» (Tweede Kamer, vergaderjaar 2008–2009, 30 420, nr. 127) en zijn verder uitgewerkt in de nota Gezinsbeleid van de minister voor Jeugd en Gezin (Tweede Kamer, vergaderjaar 2008–2009, 30 512, nr 4). In 2009 is de Vaderdag voor de Moderne Manprijs uitgereikt.

Gewoon homo zijn

• Het aantal actieve gemeenten op dit terrein bedroeg in 2006 nog 43, inmiddels is dat opgelopen tot 123 gemeenten. Daarvan zijn 18 grote steden koplopers. Bij de invulling en vormgeving van lokaal beleid doen gemeenten steeds meer een beroep op de deskundigheid en inzet van lokale homo-organisaties. De koplopergemeenten hebben in 2009 financiële steun (€ 0,5 miljoen) gekregen van OCW. Actieve gemeenten hebben advies en bijstand gekregen van landelijk kenniscentrum MOVISIE inbedding homo-emancipatiebeleid.

• Steeds meer maatschappelijke organisaties werken samen met de homobeweging aan de bevordering van de sociale acceptatie op de terreinen: onderwijs, sport, werkvloer en ouderen. Dat zijn vakbonden van CNV en FNV, de ouderenbond ANBO 50+, NOC*NSF, de Nederlandse Sport Alliantie, Bestuur van Openbaar Onderwijs (CBOO), het Humanistisch Verbond. Deze Gay Straight Allianties hebben in 2009 van OCW financiële steun gekregen. Per alliantie was € 100 000 beschikbaar gesteld in 2009.

• In het afgelopen jaar is een bijdrage geleverd aan de dialoog over homoseksualiteit. Zo kunnen gereformeerde scholen bijvoorbeeld beschikken over een lespakket van ContrariO. De Open up-campagne van de NJR onder jongeren heeft veel jongerenfestivals bereikt, zoals het Christelijk Flevoland festival en Roze Zaterdag in Den Haag. Verder is de NJR in het nieuwe schoolseizoen gestart met een scholentour, waarbij scholen worden bezocht met een theatervoorstelling. Ook de Dialoog met andere levensbeschouwelijke en allochtone groepen is in 2009 gestart.

• Ook afgelopen jaar is bijgedragen aan de landelijke «Uit-de-kast-kom-dag» van COC en andere homo-organisaties.

• Het kabinet was in 2009 zichtbaar op dit thema tijdens de uitreiking van de regeringsprijs voor homo-emancipatie, de Jos Brink Prijs, op de Internationale Dag tegen Homofobie, 17 mei 2009. Verder gaf een kabinetsdelegatie van de staatssecretarissen van Defensie en Economische Zaken en de minister van OCW acte de présence op Roze Zaterdag in Den Haag. Het kabinet was ook vertegenwoordigd tijdens de Canal Parade in Amsterdam.

• Internationaal gezien is het Nederlandse homo-emancipatiebeleid opgemerkt. De mensenrechtencommissaris van de Raad van Europa heeft Nederland in zijn landenrapport gecomplimenteerd voor zijn aanpak. De Europese Commissie heeft Nederland uitgenodigd een Europees Seminar over die aanpak te houden.

Beleidsconclusie

De voortgang van het emancipatiebeleid ligt goed op koers, alle geplande acties zijn in 2009 uitgevoerd. De arbeidsparticipatie van vrouwen stijgt. Gezien de economische crisis wordt wel een vertraging van de groei verwacht. De economische zelfstandigheid van vrouwen is, na jaren van stagnatie, toegenomen tot 45 procent. De verwachting is dat deze groei doorzet en in 2010 een percentage van bijna 48 procent gerealiseerd wordt.

Gerealiseerd zijn de einddoelen van 25 procent vrouwen in topposities bij de Rijksoverheid en een beloningsverschil tussen mannen en vrouwen bij de overheid van maximaal 2 procent.

In de voortgangsrapportage homo-emancipatiebeleid wordt de tussen- balans opgemaakt. Die rapportage zal voor het zomerreces van 2010 verschijnen.

Nr. Inhoud (doelstellingen en projecten beleidsprogramma) Indicator Behaalde tussenresultaten in 2009 Streefwaarde 2011 (Tussenwaarde 2009) Fin. budget – realisatie 2009 (x €1 000) Verwijzing Artikel én OD
36. Nieuwe impuls emancipatiebeleid en lesbisch- en homo-emanci- patiebeleid in uitvoering          
             
  • meer kansen voor vrouwen Arbeidsparticipatie vrouwen (≥ 12 uur) (bron: CBS) 60,2% (3e kwartaal 2009) ≥ 65% (60–62%) Totaal voor meer kansen vrouwen: Art 25, AD 25.1
             
    Aandeel vrouwen in topposities (rijksoverheid) (bron: Ministerie van BZK) 24,9% (2009) 25% (20–22%) € 9 300 Art 25, AD 25.1
             
    Beloningsverschil tussen mannen en vrouwen bij de overheid (bron: Arbeidsinspectie) 2,6% (2006) 2% 2–4%) Art 25, AD 25.1
             
    Economische zelfstandigheid van vrouwen 48% (prognose) 60% (48–52%)   Art. 25, AD 25.1
             
  • gewoon homo zijn Sociale acceptatie van homoseksuelen (bron: SCP) > 85% (2009) >85% (84–86%) € 2 600 Art 25, AD 25.2

De bedragen in deze tabel illustreren het financieel belang van een kabinetsdoel of -project. De begroting is ingericht op beleidsartikelen en niet op kabinetsdoelen. Deze bedragen zijn daarom indicatief en niet 1-op 1 uit de departementale administratie te herleiden. Het is in dit overzicht mogelijk dat een bedrag ten goede komt aan meerdere doelstellingen en dus meerdere keren wordt genoemd.

Doelstelling 37: Verhogen van de kwaliteit van het onderwijs door basis-, voorgezet en beroepsonderwijs (po, vo en bve) naadloos op elkaar en op het hoger onderwijs aan te laten sluiten.

Taal en rekenen

Inzet en doel

Taal en rekenen vormen voor alle leerlingen de basis van een succesvolle schoolcarrière, en daarmee hun verdere loopbaanontwikkeling. Er wordt ingezet op een verbetering van de taal- en rekenprestaties in het po, vo en bve ten opzichte van 2005. Om dit te bereiken wordt, in het kader van de kwaliteitsagenda’s voor primair en voortgezet onderwijs en de strategische agenda voor beroeps- en volwasseneneducatie, fors geïnvesteerd in duurzame verbetering. Ook is het streven om eind 2010 100 procent doelgroepaanbod te hebben van voor- en vroegschoolse educatie.

Ondernomen acties 2009

• Het referentiekader (Tweede Kamer, vergaderjaar 2009–2010, 31 332, nr. 10) is aan de Tweede Kamer gestuurd. Hierin is vastgelegd wat leerlingen aan het eind van elke onderwijssector op het gebied van taal en rekenen moeten kennen en kunnen. Daarmee wordt, door het bieden van een doorlopende leerlijn, de aansluiting van de opeenvolgende onderwijssectoren verbeterd.

• In 2009 heeft OCW in totaal in dit kader ongeveer € 16,5 miljoen beschikbaar gesteld aan de PO-raad. Dit budget is besteed aan het uitvoeren van circa 1 750 verschillende taal- en rekenverbetertrajecten, activiteiten op het gebied van opbrengstgericht werken en het in beweging krijgen van alle scholen. Voor implementatie van de referentieniveaus is ingezet op de verwerking van de referentieniveaus in tussendoelen en leerlijnen. Er is een verkenning gestart van de mogelijkheden om toetsen te ijken aan de referentieniveaus. Er is een actieplan opgezet om het primair onderwijsveld te informeren.

• Het «wetsvoorstel Ontwikkelingskansen door kwaliteit en educatie» (Tweede Kamer, vergaderjaar 2008–2009, 31 989, nr. 2) is ingediend bij en goedgekeurd door de Tweede Kamer. Dit wetsvoorstel regelt de harmonisatie van de kwaliteit van peuterspeelzalen en kinderopvang. Daarnaast stuurt dit wetsvoorstel aan op meer en betere voorschoolse educatie in de kinderopvang en peuterspeelzalen. Door een zo groot mogelijk bereik van doelgroepkinderen met voor- en vroegschoolse educatie worden taalachterstanden sneller gesignaleerd en ingelopen (zie ook doelstelling 39).

• In 2009 ontvingen scholen in het voortgezet onderwijs ruim € 50 miljoen in het kader van de kwaliteitsagenda. Deze middelen moeten in ieder geval ingezet worden voor taal en rekenen. Daarnaast wordt het eindexamen geijkt aan de referentieniveaus. Een rekentoets zal ingevoerd worden voor alle leerlingen als onderdeel van het eindexamen, en het examenprogramma Nederlands wordt aangepast. Onderzocht wordt of het onderdeel schrijven opgenomen kan worden in het centraal examen. Bij de invoering van de referentieniveaus worden scholen ondersteund door het steunpunt taal en rekenen vo. Ook worden diagnostische toetsen, lesmateriaal en leerlijnen, afgestemd op de referentieniveaus, gratis ter beschikking gesteld.

• Ruim 85 procent van de scholen in het voortgezet onderwijs besteedde in 2009 extra aandacht aan taal en rekenen. De verwachting is dat dit aantal nog verder zal groeien. De verschillende maatregelen die scholen treffen zullen de komende periode verder verankerd moeten worden, en de activiteiten op het gebied van taal en rekenen die zij uitvoeren zullen verder in lijn worden gebracht met de referentieniveaus taal en rekenen. Het project Succes in Beeld geeft hieraan een extra stimulans.

• In 2009 is voor het mbo een Uitvoeringsplan taal en rekenen mbo opgesteld voor de periode 2010–2013. Dit uitvoeringsplan beschrijft de invoering van de referentieniveaus voor taal en rekenen voor alle kwalificatieniveaus in het mbo en de toetsing ervan via centraal ontwikkelde examens. In dit kader is in 2009 gestart met de voorbereidingen voor de invoering van centrale examens taal en rekenen voor mbo-4. Verder is in 2009 een Steunpunt taal en rekenen mbo ingericht ter ondersteuning van de onderwijsinstellingen bij het versterken van taal- en rekenonderwijs en worden aan de instellingen diagnostische toetsen, afgestemd op de referentieniveaus, gratis ter beschikking gesteld. Ook is in 2009 de Regeling Intensivering taal- en rekenonderwijs gepubliceerd waarin wordt beschreven op welke wijze, gedurende de looptijd van het Uitvoeringsplan, jaarlijks ruim € 50 miljoen aan de mbo-instellingen ter beschikking wordt gesteld ten gunste van taal en rekenen.

• Overigens is in iedere sector een plan voor de implementatie van het referentiekader taal en rekenen vastgesteld, samen met de betrokken veldpartijen. In het plan staat:

– hoe scholen en leraren ondersteund worden bij het werken met de referentieniveaus;

– hoe lerarenopleidingen hun studenten goed kunnen voorbereiden op de uitdaging die hen te wachten staat;

– hoe de referentieniveaus in de praktijk ingepast kunnen worden (tussendoelen, leerlijnen, leerlingvolgsystemen, (eind)toetsen en examens).

Beleidsconclusie

OCW heeft de randvoorwaarden gecreëerd om het taal- en rekenniveau te verhogen. Over de (duurzame) effecten van het beleid op de prestaties van taal en rekenen zijn nog geen uitspraken te doen. Wel kunnen we stellen dat alle voor 2009 voorgenomen acties zijn uitgevoerd of in gang gezet. Uit de Klankbordbijeenkomsten referentiekader en de jaarlijkse opiniepeiling blijkt dat de acties hebben geleid tot een door het onderwijsveld gedragen focus op de basisvaardigheden taal en rekenen. In 2008 is de nulmeting van de Jaarlijkse Peiling van het Onderwijsniveau (Cito) verschenen. Daarmee worden jaarlijks de taal- en rekenvaardigheden van leerlingen in het basisonderwijs gevolgd. In het voorjaar van 2010 zal de tweede meting beschikbaar zijn. Ook de activiteiten die in de Kwaliteitsagenda VO werden aangekondigd, liggen op koers. De Regeling Kwaliteit VO blijkt voor scholen een belangrijke stimulans om werk te maken van de beleidsprioriteiten.

Nr. Inhoud (doelstellingen en projecten beleidsprogramma) Indicator Behaalde tussenresultaten in 2009 Streefwaarde 2011 (Tussenwaarde 2009) Fin. budget – realisatie 2009 (x €1 000) Verwijzing Artikel én OD
Kwaliteit onderwijs – Taal en rekenen
37. Verhogen van de kwaliteit van onderwijs onder meer door basis-, voort- gezet-, en beroepsonderwijs naadloos op elkaar en op het hoger onderwijs aan te laten sluiten o.a. door middel van:• verbeteren prestaties taal en rekenen en verbeteren kwaliteitszorg Gemiddelde vaardigheidscores in groep 8 van het basisonderwijsa. woordenschat b. spelling c. begrijpend lezen d. rekenen(Bron: Cito – Jaarlijks peilingsonderzoek van het Onderwijsniveau)*     250 250 250 250Peildatum: 2008     ≥ 250 (250)  ≥ 250 (250)  ≥ 250 (250)  ≥ 250 (250) 37 000     a. Art 1, OD 1.3.2.b. Art 1, OD 1.3.2.c. Art 1, OD 1.3.2.
    Percentage 15 jarige leerlingen met lage leesvaardigheid Bron: PISA 2006 15,1% (2006)Nieuwe PISA resultaten voor 2009 komen in 2010 beschikbaar. 8% (2015) (15%)(EU Lissabondoelstelling)Tenminste stabilisatie van de leerlingprestaties in het vo ogv taal in internationale en longitudinale onderzoeken zoals PISA, PIRLS en VOCL ten opzichte van het beeld in het meetjaar 2003.   Art. 3, OD 3.3.2
    Meting mbv COOL is vervangen door directe meting van referentie niveau‘s door CITO * % leerlingen beheersing referentieniveaus 2f naar vaardigheid en schoolsoort Streefwaardes voor 2011VMBO KBLlezen 30%Rekenen 20%VMBO KBL 60%VMBO TLlezen 95%Rekenen 80%HAVO 100%VWO 100%   Art. 3, OD 3.3.2
                       
    % leerlingen dat niveau 2f haalt   BL KL TL H V      
    A taal, luisteren A 26 50 89  99 100      
    B taal, lezen B 21 50 95 100 100      
    C spelling C 23 50 77  95  95      
    D rekenvaardigheid D 13 50 76  97 100      

De in eerdere begrotingen opgenomen indicatoren voor taalvaardigheid- en rekenvaardigheid in groep 8 gebaseerd op het NWO Cohortonderzoek zijn vervangen door deze indicatoren. Deze gegevens zijn gebaseerd op onderzoek dat het Cito tot en met 2011 uitvoert. Daarmee zijn jaarlijks gegevens beschikbaar over de taal- en rekenvaardigheid (in plaats van driejaarlijks). Het gaat om een nulmeting.

Verlagen drempel gewichtenregeling primair onderwijs

Inzet en doel

Onderwijsachterstanden bij kinderen kunnen ontstaan door sociale, culturele en economische omstandigheden. Om deze achterstanden te voorkomen en te bestrijden, kunnen basisscholen hun eigen onderwijsachterstandenbeleid vormgeven met het geld dat zij op basis van de gewichtenregeling ontvangen. Deze middelen zijn opgenomen in de lumpsum. Het einddoel in 2011, zoals geformuleerd in de begroting van OCW voor 2009, is de taalachterstand van doelgroepleerlingen aan het einde van de basisschool te reduceren met 20 procent ten opzichte van 2008.

Ondernomen acties

• Wijziging van de gewichtenregeling door verlaging van de drempel naar 6 procent en invoering van de impulsgebieden (Wijziging Besluit bekostiging WPO van 27 januari 2009, Staatsblad 2009, nr. 57). Met het verlagen van de drempel van 6,4 naar 6 procent kunnen scholen eerder aanspraak maken op extra bekostiging voor bestrijding van onderwijsachterstanden.

• Invoering «Regeling vaststelling impulsgebieden schooljaar 2009–2010 tot en met 2012–2013» (Staatscourant 2009, nr. 107). Deze regeling zorgt voor een gerichte inzet van middelen voor basisscholen in gebieden met hoge werkloosheid en lage inkomens. Door de regeling impulsgebieden kunnen méér scholen (betere spreiding over het land, ook scholen in plattelandsgebieden komen in aanmerking) aanspraak maken op extra middelen voor de bestrijding van onderwijsachterstanden.

• Invoering van een subsidieregeling voor basisscholen bestemd voor onderwijstijdverlenging voor taal en reken en voor het verbeteren van de aansluiting po-vo (Staatscourant 2009, nr. 77). Hiermee wordt gedurende de projectperiode (schooljaar 2009–2010 tot en met schooljaar 2012–2013) in totaal jaarlijks € 15 miljoen beschikbaar gesteld voor scholen die met extra onderwijstijd de taal- en rekenprestaties van achterstandsleerlingen verbeteren. Deze regeling heeft ook tot doel de aansluiting tussen het primair en voortgezet onderwijs te verbeteren en uitval van onderpresteerders te voorkomen.

Beleidsconclusie

Door de wijziging van de gewichtenregeling hebben meer scholen in 2009 extra geld gekregen. Als gevolg van de impulsregeling hebben meer scholen verspreid over het land, vooral in plattelandsgebieden, extra middelen ontvangen om onderwijsachterstanden te bestrijden. Met de regeling onderwijstijdverlenging hebben samenwerkende basis- en vo-scholen op aanvraag extra middelen ontvangen om achterstandsleerlingen gedurende een periode van vier jaar extra taal- en rekenonderwijs aan te bieden in de vorm van zomerscholen of verlengde schooldagen. Tevens zorgen deze scholen voor een «warme overdracht» tussen het primair en het voortgezet onderwijs. De invoering en de effecten van de impulsgebieden worden in 2011 geëvalueerd. Dit kan mogelijk leiden tot een andere samenstelling van de impulsgebieden vanaf het schooljaar 2013–2014. De effecten van de onderwijstijdverlenging worden wetenschappelijk onderzocht (evidence based). In 2011 wordt een tussenstand opgenomen.

Nr. Inhoud (doelstellingen en projecten beleidsprogramma) Indicator Behaalde tussenresultaten in 2009 Streefwaarde 2011 (Tussenwaarde 2009) Fin. budget – realisatie 2009 (x €1 000) Verwijzing Artikel én OD
Kwaliteitonderwijs – gewichtenregeling
37. Verlagen drempel Gewichtenregeling Reductie taalachterstand doelgroepleerlingen aan het einde van de basisschool (nieuwe definitie**)     10 000*** Art 1, OD 1.3.3
    a. begrijpend lezenb. woordenschat(bron: COOL-cohortonderzoek NWO) a. 0% b. 0% a. – 20% (0%) b. – 20% (0%)    

** De reductie van taalachterstand was gebaseerd op twee gegevens: taalvaardigheid en begrijpend lezen. Het eerste gegeven is niet meer beschikbaar. Daarom is overgestapt op een nieuwe definitie. In 2008 (nulmeting) is gestart met twee gegevens: begrijpend lezen en woordenschat. Ten opzichte van 2008 wordt gestreefd naar een reductie van de taalachterstand met 20% in 2011 en met 30% in 2014.

*** Betreft de gewichtenregeling inclusief impulsgebieden en compensatieregeling die wordt betaald aan scholen. De €10 mln. betreft het bedrag dat uit de enveloppen onderwijs in 2009 is toegevoegd aan deze regeling.

Verminderen aantal zeer zwakke scholen primair onderwijs en voortgezet onderwijs

Inzet en doel

Het einddoel voor de scholen in het voortgezet onderwijs is een verlaging van het aantal zeer zwakke vestigingen van 1,8 procent medio 2008 naar 1,4 procent in 2010 en naar 1 procent in 2012. (Zie voor de doelstellingen en realisatie van de aantallen zeer zwakke scholen in het speciaal basisonderwijs en het (voorgezet) speciaal onderwijs de paragraaf over passend onderwijs.) Het einddoel voor het primair onderwijs is een halvering van het aantal zeer zwakke scholen per medio 2011 ten opzichte van november 2007 (0,65 pocent ten opzichte van 1,4 procent van het totale aantal scholen). Er zijn voor het primair onderwijs geen tussendoelen per jaar geformuleerd. OCW heeft in februari en maart 2009 actieplannen voor zeer zwakke scholen in het voortgezet en primair onderwijs naar de Tweede Kamer gestuurd (Tweede Kamer, vergaderjaar 2008–2009, 31 289, nr. 55 en31 293, nr.28), waarin de genomen en nog te nemen maatregelen om de einddoelen te halen zijn opgenomen. De Kamer heeft als aanvulling hierop een motie aangenomen waarin is aangegeven dat een school nooit langer dan een jaar zeer zwak kan zijn. Het is voor leerlingen niet goed als hun school zwak of zeer zwak is. Die scholen moeten dus weer goed worden. Reductie van het aantal zeer zwakke scholen en instellingen is in elke sector van belang.

Ondernomen acties

• De kwaliteitsagenda’s voortgezet en primair onderwijs zijn in uitvoering genomen, waardoor er projecten zijn gestart om (alle) scholen te versterken, bijvoorbeeld op het gebied van taal en rekenen, versterking van onderwijskundig leiderschap en meer aandacht voor leeropbrengsten. Voor zeer zwakke scholen zijn specifieke actieplannen in uitvoering.

• De aanscherping en aanpassing van het toezicht is het meest directe instrument van de overheid. Belangrijke aanpassingen van het toezicht zijn:

– de Inspectie van het Onderwijs onderzoekt op zeer zwakke scholen al na één jaar (was twee) of de kwaliteit voldoende verbeterd is;

– scholen in het voorgezet onderwijs worden niet meer op vestigingsniveau beoordeeld, maar per schoolsoort/leerweg, waardoor de inspectie gerichter tekortkomingen kan vaststellen, waarna besturen dan gerichter verbeteringen kunnen bewerkstelligen.

• Het wetsvoorstel «Goed onderwijs, goed bestuur» – inmiddels door de Tweede en Eerste Kamer – biedt de mogelijkheid om een school te sluiten, als die langdurig en ernstig tekortschiet. Naar verwachting treedt dit wetsvoorstel op korte termijn in werking.

• Er zijn afspraken gemaakt met het veld als er sprake is van concentraties van zeer zwakke basisscholen, zoals bij de vrije scholen, het islamitisch onderwijs, in de gemeente Amsterdam en in de drie noordelijke provincies. De PO-raad ondersteunt besturen en schoolleiders en zet analyseteams in om de problematiek van zwakke en zeer zwakke scholen scherp in beeld te brengen.

• Het project Vliegende Brigades is voor het primair onderwijs opgezet. De brigades moeten zeer zwakke basisscholen gaan helpen bij hun verbetertraject. De brigades gaan in het voorjaar van 2010 aan de slag.

• De VO-raad heeft een steunpunt zeer zwakke scholen ingericht. In overleg met het steunpunt worden aanvullende maatregelen uitgewerkt.

Beleidsconclusie

Basisonderwijs. Op 1 januari 2010 waren er 96 zeer zwakke scholen voor basisonderwijs. Dit is nagenoeg gelijk aan het aantal zeer zwakke scholen in november 2007. Het beleidsdoel is dus nog niet gehaald. De oorzaak hiervan is een aanscherping van het toezicht van de Inspectie van het Onderwijs, terwijl de effecten van sommige genomen maatregelen pas in 2010 merkbaar worden. Zo kan doordat de Inspectie van het Onderwijs al na één (was twee) jaar onderzoekt of de kwaliteit is verbeterd, het aantal zeer zwakke scholen sneller dalen. Omdat het aantal zeer zwakke scholen niet snel genoeg afneemt zijn Vliegende Brigades ingezet, in aanvulling op de reeds genomen maatregelen in het actieplan. De Vliegende Brigades gaan zeer zwakke scholen helpen met het verbeteren van het onderwijsleerproces.

Voortgezet onderwijs. Het aantal zeer zwakke scholen in het voortgezet onderwijs is gedaald van 31 (per 1 januari 2008) naar 23 (per 24 april 2009). Doordat het toezicht nu gerichter is, per schoolsoort/leerweg in plaats van per vestiging, is het niet langer zinvol te spreken van het aantal zeer zwakke vestigingen. Relevant is nu het aantal zeer zwakke schoolsoorten/leerwegen. Op 1 januari 2010 waren er nog vier vestigingen zeer zwak (oude systematiek) en was sprake van 32 zeer zwakke schoolsoorten/leerwegen. Uitgedrukt als percentage van het totale aantal schoolsoorten/leerwegen is er per 1 januari 2010 sprake van een procent zeer zwakke schoolsoorten/leerwegen. Hiermee is de doelstelling 2010 ruimschoots gehaald en is de doelstelling 2012 al bijna gerealiseerd.

Het percentage scholen in het voortgezet onderwijs met goede kwaliteitszorg steeg in schooljaar 2007/2008 naar 54,8 procent en in het schooljaar 2008/2009 naar 66,5 procent. In de Kwaliteitsagenda VO staat dat het percentage scholen met goede kwaliteitszorg moet stijgen: naar 50 procent in 2010, en naar 75 procent in 2012. De sector ligt wat dit betreft dus goed op schema. De doelstelling 2010 is ruimschoots gehaald en de doelstelling 2012 komt in zicht.

Nr. Inhoud (doelstellingen en projecten beleidsprogramma) Indicator Behaalde tussenresultaten in 2009 Streefwaarde 2011 (Tussenwaarde 2009) Fin. budget – realisatie 2009 (x €1 000) Verwijzing Artikel én OD
Kwaliteitonderwijs – Zeer zwakke scholen
37. Verminderen aantal zeer zwakke scholen Percentage zeer zwakke scholena. in het basisonderwijs   b. in het speciaal basisonderwijs   c. in het (voortgezet) speciaal onderwijs  d. in het voortgezet onderwijs(bron: Inspectie van het Onderwijs)   a. 1,3% (01-01-2010)   b. 1,7% (1-1-2010)    c. 2% (1-1-2010)    d. 1,0% (1-1-2010)   a. 0,65% (01-01-2010) (geen tussenwaarde, is nieuwe indicator in delivery)b. 3,2% (2010/2011) (geen tussenwaarde, is nieuwe indicator in delivery)c. 2,5% (2010/2011) (geen tussenwaarde, is nieuwe indicator in delivery)d. 1,4% (2010/2011) (geen tussenwaarde, is nieuwe indicator in delivery) 1 000 ****   a. Art 1, OD 1.3.2    b. Art 1. OD 1.3.3    c. Art. 1 OD 1.3.3    d. Art. 3, OD 3.3.2

**** Dit bedrag omvat voor het merendeel de gelden die beschikbaar zijn gesteld aan de PO-Raad voor de analyseteams zeer zwakke scholen.

De bedragen in deze tabellen illustreren het financieel belang van een kabinetsdoel of -project. De begroting is ingericht op beleidsartikelen en niet op kabinetsdoelen. Deze bedragen zijn daarom indicatief en niet 1-op-1 uit de departementale administratie te herleiden. Het is in dit overzicht mogelijk dat een bedrag ten goede komt aan meerdere doelstellingen en dus meerdere keren wordt genoemd.

Onderwijstijd

Inzet en doel

Voor goed onderwijs is tijd nodig. Leerlingen en hun ouders moeten erop kunnen rekenen dat het onderwijs van goede kwaliteit is, dat de benodigde tijd ook echt wordt gegeven en dat lesuitval wordt voorkomen. Daarom zien we erop toe dat leerlingen de hoeveelheid onderwijs krijgen waarop ze recht hebben, en stimuleren we dat scholen en instellingen met ouders en leerlingen in gesprek blijven over de manier waarop zij voldoende onderwijstijd van goede kwaliteit inplannen en verzorgen. Het einddoel is daarom dat alle scholen en instellingen de wettelijk voorgeschreven onderwijstijd (850 uur per jaar in het mbo en 1000 uur per jaar in het voortgezet onderwijs) realiseren.

Ondernomen acties

Voor het schooljaar 2008–2009 is opnieuw een representatief onderzoek uitgevoerd bij de bekostigde instellingen in het mbo. Ook in het voortgezet onderwijs heeft de inspectie in schooljaar 2008/2009 opnieuw gericht toegezien op de naleving van de wettelijk voorgeschreven onderwijstijd.

In het representatief onderzoek in het mbo is bij eerste controle geconstateerd dat 17 procent van de onderzochte opleidingen de wettelijke voorschriften voor onderwijstijd niet hebben nageleefd. Van deze 17 procent herstelde een aantal opleidingen de tekorten in onderwijstijd en bleef 9 procent van de opleidingen onvoldoende. Tegen deze negen opleidingen worden sanctietrajecten ingezet.

Ook in het voortgezet onderwijs heeft weer een aantal scholen onvoldoende onderwijstijd gerealiseerd. Omdat sprake is van een groeiproces, wordt voor het schooljaar 2008–2009 nog een cesuur gehanteerd; voor dit schooljaar ligt de cesuur bij 75 uur. Dat wil zeggen dat scholen die 1 tot 75 uur (de cesuur) onder de norm bleven, verscherpt toezicht krijgen. Scholen die 75 uur of meer onder de norm bleven, moeten daarnaast een deel van de bekostiging terugbetalen (financiële interventie). In schooljaar 2007/2008 bleken drie scholen meer dan 150 uur (de cesuur voor dat schooljaar) te weinig onderwijstijd te hebben gerealiseerd. In schooljaar 2008/2009 leidt toepassing van een verscherpte cesuur van 75 uur ertoe dat circa negen scholen een financiële interventie tegemoet kunnen zien.

Beleidsconclusie

Dankzij de maatregelen van OCW waaronder verscherpt toezicht op onderwijstijd en sancties bij tekortkomingen, is de naleving van onderwijstijd zowel in het voortgezet onderwijs als in het middelbaar beroepsonderwijs verbeterd. In 2007 (schooljaar 2006/2007) leefden in het mbo nog 24 procent van de scholen de voorschriften voor schooltijd onvoldoende na, in 2009 (schooljaar 2008/2009) daalde dat naar 17 procent. In 2009 werd dus een nalevingresultaat van 83 procent behaald bij de eerste controle. Dit betekent een verbetering van de naleving van de onderwijstijd in de mbo-sector. Het streven is dat 100 procent van de mbo-instellingen de wettelijk verplichte onderwijstijd naleeft. Een 100 procent naleving in 2011 zal moeilijk worden.

De maatregelen voor een verdere verbetering van de onderwijstijd in de mbo sector zijn in 2009: een sanctietraject tegen de negen onvoldoende opleidingen; naming and shaming door de resultaten op internet openbaar te maken; verscherpt toezicht op opleidingen en instellingen die eerder een nalevingtekort lieten zien; een review op de accountantswerkzaamheden die de controle op de programmering van onderwijstijd uitvoeren; in 2011 opnieuw een representatief onderzoek over het schooljaar 2010–2011. Tevens wordt in 2010 in het mbo een representatief onderzoek gedaan naar de naleving van onderwijstijd bij de niet-bekostigde instellingen. Daarnaast wordt er een evaluatie uitgevoerd naar de beoogde en averechtse effecten van de minimale 850 klokurennorm in het mbo.

In het voortgezet onderwijs leiden het interventiebeleid en de, aangekondigde en intussen deels in praktijk gebrachte, beleidsinterventies ertoe dat het aantal scholen dat voldoende onderwijstijd realiseert, is gestegen van 7 procent in 2006/2007 naar 28 procent in 2007/2008 en 68 procent in 2008/2009. Daarmee liggen we in het voortgezet onderwijs op koers, maar we blijven de ontwikkeling nauwgezet volgen. Om op 1-8-2011 tot daadwerkelijke inwerkingtreding van de voorgestelde, meer ruimte biedende, wet- en regelgeving voor onderwijstijd in het voortgezet onderwijs over te gaan, moeten verreweg de meeste scholen voldoende onderwijs hebben gerealiseerd en moet de horizontale dialoog op schoolniveau over de kwantitatieve en kwalitatieve invulling van de onderwijstijd voldoende op orde zijn. Voor ondersteuning van scholen bij het (verder) opzetten van horizontale dialoog over onderwijstijd, worden op dit terrein in 2009/2010 pilots uitgevoerd waarvan de resultaten voor alle scholen beschikbaar gesteld worden. Ook is over dit onderwijs in schooljaar 2009/2010 een viertal conferenties georganiseerd, waaraan meer dan 300 schoolleiders hebben deelgenomen.

Nr. Inhoud (doelstellingen en projecten beleidsprogramma) Indicator Behaalde tussenresultaten in 2009 Streefwaarde 2011 (Tussenwaarde 2009) Fin. budget – realisatie 2009 (x €1 000) Verwijzing Artikel én OD
Kwaliteit Onderwijs – Onderwijstijd
37. Onderwijstijd Mate waarin vo- en vso-scholen aan de normen voor onderwijstijd voldoen(bron: Inspectie van het Onderwijs) 68% (2008/2009)*28% (2007/2008)(dit percentage is gebaseerd op oude definitie onderwijstijd van 1040 uur, m.u.v. het examenjaar)7% (2006/2007)(dit percentage is gebaseerd op oude definitie onderwijstijd van 1040 uur, m.u.v. het examenjaar) Het streven is dat het overgrote deel van de scholen in 2011 voldoet aan de nieuwe norm van 1000 uur, (m.u.v. het examenjaar).N.B. Deze indicator is niet opgenomen in de delivery. Geen Art. 3, OD 3.3.2
             
    Mate waarin mbo opleidingen aan de normen voor onderwijstijd voldoen(bron: Inspectie van het Onderwijs) 76% (2006/2007)83% (2008/2009) 100% (2011).N.B. Deze indicator is niet opgenomen in de delivery.   Art. 4, OD 4.3.2

* Uit het eindrapport van het inspectierapport (januari 2010) naar de naleving van de normen voor onderwijstijd in schooljaar 2008/2009, blijkt dat 68% van de scholen voldoet aan de nieuwe norm van 1000 uur per schooljaar.

(NB. De wettelijke norm van 1040 uur per jaar in de onderbouw wordt pas per 1/8/2011 aangepast, maar in de handhaving wordt uitgegaan van een norm van 1000 uur per jaar. Scholen hoeven in de onderbouw dus niet meer dan 1000 uur te realiseren, al mag het natuurlijk wel. Als zou worden uitgegaan van de niet meer gehanteerde norm van 1040 uur, zou 43% van de scholen aan de wettelijke eisen hebben voldaan.)

Overgang vmbo-mbo-hbo

Inzet en doel

Er wordt gestreefd naar een zo hoog mogelijke kwalificering van de beroepsbevolking, een optimale aansluiting van het beroepsonderwijs op de arbeidsmarkt en zo min mogelijk uitval.

Het beroepsonderwijs is een aantrekkelijke route voor leerlingen door:

• In de wet verankerde experimenten met een programmatisch geïntegreerd traject van vmbo-basisberoepsgerichte leerweg tot en met mbo-niveau 2 op één school en met één pedagogisch-didactische aanpak.

• Pilots voor overbelaste jongeren die in een wijkschool zitten om hun mbo-diploma niveau 1 te halen, met extra begeleiding in de zorg en bemiddeling richting de arbeidsmarkt.

• Efficiënte leerwegen mbo-hbo.

• Experimenten met de Associate degree (Ad) op locatie van een roc.

• Goede aansluiting en overstapmogelijkheden tussen het vo en vavo.

• Assistent-opleiding in het vmbo.

De VM2-experimenten zijn bedoeld voor terugdringen van het voortijdig schoolverlaten, kwalificatiewinst en uitstroom met diploma. De pilots met de Ad op de locatie van een BVE-instelling zijn niet gestart in 2009. Het streven is deze pilots nog in deze kabinetsperiode te starten. Mbo’ers en werkenden die geen volledige hbo-opleiding kunnen of willen volgen, krijgen met de Ad de mogelijkheid om zich toch hoger te scholen. Er zijn twee positieve effecten te verwachten. Ten eerste zal de uitval dalen onder hbo’ers die mbo als vooropleiding hebben. Ten tweede maken deelnemers na het afronden van de Ad sneller de overstap naar het hbo.

Ondernomen acties

• In eerste instantie was een wetsvoorstel beoogd voor verankering van de VM2-experimenten in de WVO en WEB. Nu wordt voor BVE aangehaakt bij de mogelijkheden die de experimenteerbepaling vanuit het wetsvoorstel Competentiegerichte KwalificatieStructuur (CKS) biedt;

• In december 2009 zitten 100 leerlingen in de pilot wijkschool van Rotterdam. De pilot loopt door in 2010 met als doel in 2 010 200leerlingen in pilot te plaatsen.

• Evaluatieonderzoek naar effecten van de wijkschool is gestart.

• De Onderwijsraad heeft eind 2009 advies uitgebracht over het verbeteren van de aansluiting mbo-hbo. Een reactie op dit advies wordt in de loop van 2010 naar de Tweede Kamer gestuurd. Hierin zal worden aangegeven hoe de inhoudelijke doorstroom kan worden verbeterd.

• In de beleidsreactie op de tussenevaluatie op de pilots Ad is aangekondigd dat er deze kabinetsperiode nog een vierde pilotronde Ad wordt gestart. Dit betreft zowel pilots uitsluitend aan hogescholen als pilots waarin hogescholen samenwerken met roc’s.

• Het wetsvoorstel assistent opleiding in het vmbo is in werking getreden op 1 augustus 2009.

• De maximale verblijfsduur in het vmbo wordt afgeschaft, waardoor vmbo-leerlingen niet na vijf jaar noodgedwongen moeten overstappen naar het mbo.

• Het wordt mogelijk dat vo-leerlingen een tweede vo-diploma halen van hetzelfde schoolsoort, waardoor met name vmbo-leerlingen in de basisberoepsgerichte leerweg de gelegenheid krijgen om door te stromen naar de kaderberoepsgerichte leerweg.

• Het voornemen is om het «Besluit samenwerking VO-BVE» aan te passen, zodat ook minderjarige gediplomeerde havo-leerlingen op het vavo een hoger vo-diploma kunnen halen.

De pilots met de Ad op de locatie van een bve-instelling zijn niet gestart in 2009. Het streven is deze pilots nog in deze kabinetsperiode te starten.

Beleidsconclusie

Bovenstaande maatregelen moeten zo veel mogelijk belemmeringen wegnemen voor alternatieve routes. Niet elke school zal van de geboden ruimte gebruik maken. In overleg met de leerling en diens ouders zijn de scholen het beste in staat om te bepalen welke leerroute het beste bij welke leerling past. Daarnaast hebben de maatregelen pas na enige tijd effect.

De aanpassingen van de benodigde wet- en regelgeving moeten aan het einddoel bijdragen, namelijk een hogere kwalificering van de beroepsbevolking die beter voorbereid is op de arbeidsmarkt.

Realiseren passend onderwijs

Inzet en doel

Gestreefd wordt de kwaliteit en de organisatie van het onderwijs aan leerlingen die extra ondersteuning nodig hebben te verbeteren.

Kwaliteitsverbetering (voortgezet) speciaal onderwijs – (v)so

In 2011 moeten de leerresultaten op het terrein van taal en rekenen aantoonbaar zijn verbeterd. Ook in het (v)so zijn de referentieniveaus voor die vakken vastgesteld. Scholen houden bij hun onderwijs rekening met deze referentieniveaus en kunnen met behulp van valide en betrouwbare gegevens aangeven waar hun leerlingen zich bevinden. Daarnaast zijn scholen hard bezig ervoor te zorgen dat steeds meer leerlingen van school gaan met een diploma of een duurzame plaats op de arbeidsmarkt bemachtigen. De scholen beschikken daarvoor over de juiste hulp- en leermiddelen.

Organisatie van het onderwijs

Doel is dat alle leerlingen passend onderwijs krijgen. Het huidige systeem is complex, de verantwoordelijkheden zijn niet sluitend geregeld waardoor leerlingen tussen wal en schip vallen en zelfs thuis komen te zitten. Tot slot leidt groei tot overschrijding van het budget voor zorgleerlingen dat is gereserveerd in de Rijksbegroting. Voor een «sluitend systeem» is het nodig dat schoolbesturen verplicht worden alle aangemelde en ingeschreven leerlingen een passend onderwijszorgaanbod aan te bieden. Dat kan op de eigen school zijn, maar ook (deels) op een andere school waarmee wordt samengewerkt. Budgettering leidt tot meer ruimte voor scholen om maatwerk om voor alle leerlingen passend onderwijs te realiseren.

Ondernomen acties

• De kerndoelen in het speciaal onderwijs zijn ingevoerd.

• Scholen voor (v)so en speciaal basisonderwijs (sbo) kunnen net als scholen voor regulier onderwijs participeren in de taal- en rekenverbetertrajecten. Er is een speciaal interventieproject op het terrein van lezen (LIST) gestart en een traject om passende leermiddelen, een aangepast leerlingvolgsysteem en toetsen te ontwikkelen.

• Ter ondersteuning van de invoering van de referentieniveau’s taal en rekenen is een reeks activiteiten gestart (zoals aanpassing leerlijnen, ondersteunende modellen, ontwikkeling leerroutes, etc.).

• Jobcoaches zijn op experimentele basis al beschikbaar in de laatste jaren van voortgezet speciaal onderwijs (en praktijkonderwijs).

• Er is aanzienlijke ESF-subsidie beschikbaar voor ontwikkeling van arbeidstoeleiding door scholen.

• Er zijn afspraken gemaakt met de belangenvertegenwoordigers (WEC-raad, PO-Raad en het SBO-werkverband) om deze verbeteringen in het «onderwijsveld» door te voeren.

• Verschillende werkgroepen hebben uitgewerkt hoe de drie uitstroomprofielen er op hoofdlijnen uitzien.

• Er zijn subsidies verstrekt om de samenwerking tussen scholen te stimuleren (startsubsidies, stimuleringssubsidies, veldinitiatieven).

• Er zijn (brede en smalle) experimenten passend onderwijs gestart.

• In 2009 was er met bovenstaande ongeveer € 32 miljoen gemoeid.

• Er heeft een heroverweging plaatsgevonden die heeft geleid tot een nieuwe koers waarbij meer wordt aangesloten bij de bestaande samenwerkingsverbanden en waarbij de inhoud centraal staat.

Beleidsconclusie

Voor het realiseren van passend onderwijs is in 2009 voortgebouwd op de basis die in voorgaande jaren was gelegd. De ervaringen die zijn opgedaan hebben geleid tot een bijstelling van de koers, waardoor deze nu beter aansluit op de bestaande samenwerkingsverbanden en meer gericht is op het onderwijs en de leraren die dat moeten bieden. Het percentage zeer zwakke scholen in het speciaal basisonderwijs en (voortgezet) speciaal onderwijs is gedaald naar respectievelijk 1.7 procent en 2 procent. Hiermee is de doelstelling ruimschoots en voortijdig behaald (het doel was 3.2 procent en 2.5 procent in 2010/2011).

Leven Lang Leren

Inzet en doel

Door de vergrijzing hebben we in de nabije toekomst iedereen hard nodig voor de arbeidsmarkt. Door de crisis was het in 2009 noodzakelijk extra in te zetten op scholing om mensen duurzaam inzetbaar te houden. Dit zal ook in de komende jaren het geval zijn. De inspanningen van het kabinet voor een leven lang leren waren erop gericht dat in 2010 20 procent van de volwassen beroepsbevolking scholing volgt en 80 procent van de beroepsbevolking een startkwalificatie heeft.

Ondernomen acties

In 2009 is verder geïnvesteerd in de regionale infrastructuur voor een leven lang leren met 47 samenwerkingsverbanden van scholingsinstellingen, bedrijven en overheden en ruim 40 leerwerkloketten. In 2009 zijn de voorbereidingen gestart voor structurele inbedding en financiering van de leerwerkloketten in de werkpleinen. De regionale infrastructuur wordt ingezet voor de realisatie van 90 000 extra leerwerktrajecten in de periode 2008–2011. Medio 2009 is de tweede tranche van start gegaan, gericht op de groepen werkende jongeren zonder startkwalificatie, werkzoekenden en met werkloosheid bedreigden.

In 2009 heeft het kabinet een reactie gegeven op het advies «Tijd voor ontwikkeling» van de Denktank Leren en Werken (Tweede Kamer, 2009–2010, 30 012, nr. 20). Leven lang leren moet een vanzelfsprekend deel worden van het leven van volwassenen en daarvoor moet de leercultuur worden versterkt. Het Ervaringscertificaat (EVC) is als arbeidsmarktinstrument op de kaart gezet. De betekenis van EVC is de afgelopen periode sterk toegenomen. Het is daarmee in een cruciale fase beland waarin de kwaliteit op orde moet worden gebracht en de kwantiteit verder moet groeien.

Beleidsconclusie

Door de economische crisis is het onzeker of de 90 000 leerwerktrajecten eind 2010 gehaald zullen worden. Het zal ook moeilijk zijn om de ambitie van 20 procent van volwassenen die scholing volgen in 2010 te halen. Er moet dan ook permanente aandacht zijn voor leven lang leren. Er is nog winst te behalen bij laagopgeleide en oudere werknemers, werknemers in het MKB en werkzoekenden.

Beroepspraktijkvorming (bpv)

Inzet en doel

In 2011 moeten de nog bestaande serieuze knelpunten in de samenwerking tussen mbo-instellingen, leerbedrijven en kenniscentra rondom de beroepspraktijkvorming zijn opgelost zodat de kwaliteitsborging van de beroepspraktijkvorming (bpv) zo optimaal mogelijk is. In 2009 moest inzichtelijk worden gemaakt welke serieuze knelpunten er nog bestaan voor de uitvoering van de bpv door de betrokken partijen op de werkvloer. Vervolgens moesten voor de nog bestaande knelpunten oplossingen worden geformuleerd. Het effect dat daarmee werd beoogd was het optimaal benutten van het leerpotentieel van de bpv voor mbo-studenten zodat het mbo en de arbeidsmarkt goed op elkaar aansluiten.

Ondernomen acties

• In 2009 is een aantal onderzoeken opgeleverd rondom de kwaliteitsborging van de bpv waarin een aantal aanbevelingen is gedaan voor het verbeteren van de kwaliteit van de bpv (themaonderzoek Inspectie en Dijk 12-onderzoek van MKB/VNO-NCW).

• Op basis daarvan hebben ter oplossing van de nog bestaande serieuze knelpunten in de uitvoering van de bpv betrokken partijen op bestuurlijk niveau (MBO Raad, MKB/VNO-NCW, Colo, OCW) een BPV Protocol opgesteld.

• Het BPV Protocol bevat gedragsregels voor alle partijen op de werkvloer die betrokken zijn bij de bpv. Voor alle verschillende procesonderdelen van de bpv is voortaan duidelijk welke partij welke taak moet verrichten. In de tweede helft van 2009 zijn onderwijs en bedrijfsleven – met ondersteuning van de kenniscentra – op basis van de afspraken in dit protocol samen in gesprek over hoe de kwaliteit van de bpv op onderdelen verbeterd kan worden.

Beleidsconclusie

In alle sectoren wordt momenteel door het onderwijsveld met het bedrijfsleven, ondersteund door de kenniscentra, gewerkt aan een verbetering van de kwaliteit van de bpv. Daartoe worden verfijnde afspraken gemaakt op sectoraal niveau over een ieders rol rondom de bpv.

Competentiegericht onderwijs (cgo)

Inzet en doel

Het wetsvoorstel competentiegerichte kwalificatiestructuur is begin 2010 aan de Tweede Kamer aangeboden. Het streven is dat de wettelijke verankering van de competentiegerichte kwalificatiestructuur per 1 januari 2011 is gerealiseerd. De scholen zijn dan wettelijk verplicht vanaf 1 augustus 2011 alle eerstejaars deelnemers in het mbo op te leiden volgens de competentiegerichte kwalificatie-eisen. In maart 2010 is het wetsvoorstel echter controversieel verklaard, waardoor onduidelijk is of en wanneer het wetsvoorstel in werking zal treden.

In 2009 richtten de kenniscentra beroepsonderwijs bedrijfsleven zich op de doorontwikkeling van de competentiegerichte kwalificatiestructuur om daarmee de transparantie, herkenbaarheid en de uitvoerbaarheid van de kwalificatiedossiers te vergroten. De instellingen passen de opleidingen verder aan op basis van de competentiegerichte kwalificatiestructuur en breiden het aantal competentiegerichte opleidingen (cgo) uit. Dit moet ertoe leiden dat studenten met een mbo-diploma een goede aansluiting hebben op de arbeidsmarkt en het hbo.

Ondernomen acties

• De kenniscentra hebben zich ingespannen om kwalificatiedossiers die veel overlap of verwantschap vertonen, samen te voegen. Bij een aantal kwalificatiedossiers is het aantal kerntaken en competenties al verminderd en zijn de vakkennis en vaardigheden globaler beschreven.

• Het MBO 2010 heeft de scholen vraaggericht ondersteunt bij de invoering van de competentiegerichte kwalificatiestructuur. De implementatie van moderniseringsmaatregelen voor o.a. de bedrijfsvoering en professionalisering die voortvloeien uit de nieuwe kwalificaties was ook in 2009 een belangrijk element.

• In 2009 is bij de beoordeling door het Coördinatiepunt van de kwalificatiedossiers vooral gelet op het terugdringen van de overlap tussen kwalificatiedossiers en vermindering van de detaillering. In 2009 zijn niet meer dan 240 kwalificatiedossiers door het Coördinatiepunt beoordeeld. Dit heeft bij een aantal kwalificatiedossiers geleid tot een compacter dossier. Op de instellingen volgt circa 58 procent van alle deelnemers een cgo-opleiding, van de eerstejaars is dat 71 procent.

• In 2009 is besloten dat de experimenteerperiode ook voor het schooljaar 2010–2011 geldt.

Beleidsconclusie

In 2009 is de overlap tussen kwalificatiedossiers teruggedrongen. In 2010 gaan de kenniscentra, Colo en het Coördinatiepunt hiermee verder. In het schooljaar 2008–2009 is 53 procent van de opleidingen ingericht op basis van de competentiegerichte kwalificatiestructuur. Het streefniveau voor 2009 is hiermee gerealiseerd. Daarnaast volgde in het schooljaar 2008–2009 71 procent van de eerstejaars mbo-deelnemers een competentiegerichte mbo-opleiding. De komende jaren worden de eindtermengerichte opleidingen afgebouwd. Gezien het aantal eerstejaars dat al een competentiegerichte opleiding volgt, gaat het einddoel gehaald worden.

Doelstelling 38: Voldoende gekwalificeerd onderwijspersoneel nu en in de toekomst

Inzet en doel

Evenals in 2008 is in 2009 verder gewerkt aan de doelstellingen uit het actieplan LeerKracht van Nederland, gericht op voldoende gekwalificeerd onderwijspersoneel in 2011. De maatregelen behelzen een aanpak van het tekort aan leraren en schoolleiders en het versterken van de positie en de kwaliteit van de leraar. Voor de uitvoering hiervan is een budget oplopend naar €1 miljard in 2020 beschikbaar.

Ondernomen acties 2009

• De eerste investeringen van in totaal € 285 miljoen in een betere beloning van onderwijspersoneel (waaronder functiemix, de inkorting van de carrièrepatronen en de beloning van directeuren in het PO) zijn gedaan.

• Ter ondersteuning van de invoering van de functiemix, is de sitewww.Functiemix.nlgelanceerd. Deze site helpt scholen en medezeggenschapsraden bij een goede implementatie van de functiemix in hun schoolbeleid. Ook is over dit onderwerp een symposium georganiseerd waar scholen via workshops werden voorgelicht.

• Om personeels- en kwaliteitsbeleid op scholen te ondersteunen en transparant te maken is de sitehttp://bevoegd.minocw.nl/geïntroduceerd.

• Met het oog op het toekomstige lerarentekort zijn voorbereidingen getroffen om innovatie binnen scholen te stimuleren. Hiervoor zal in 2010 de regeling InnovatieImpuls Onderwijs worden geïntroduceerd.

Verder zijn in 2009 de volgende resultaten bereikt:

• Vanaf de invoering van de «Lerarenbeurs voor Scholing» hebben circa 14 000 leraren in PO, VO, BVE en HBO een beurs ontvangen om een opleiding te volgen (voor opscholing of specialisatie).

• Er zijn circa 200 universitaire bachelorstudenten die hebben gekozen voor een educatieve minor.

• Lerarenopleidingen in het hbo hebben kennisbases ontwikkeld voor de Pabo (rekenen en taal) en de tweedegraads lerarenopleidingen (algemene vakken).

• Het project «opleiden in de school» is uitgebreid tot 54 samenwerkingsverbanden van scholen en lerarenopleidingen.

• Bijna 20 studenten zijn begonnen in het traject «Eerst de klas».

• Er zijn circa 800 bachelorstudenten die (als tweede bacheloropleiding) de (tweedegraads) «kopopleiding hbo» hebben voltooid.

• In 2009 is aan 416 zij-instromers in het beroep van leraar een subsidie toegekend.

Beleidsconclusie

Met deze maatregelen wordt de aantrekkelijkheid van het beroep van leraar vergroot en de kwaliteit en de positie van de leraar versterkt. De maatregelen zijn ingevoerd conform de planning.

Nr. Inhoud (doelstellingen en projecten beleidsprogramma) Indicator Behaalde tussenresultaten in 2009 Streefwaarde 2011 (Tussenwaarde 2009) Fin. budget – realisatie 2009 (x € 1 000) Verwijzing Artikel én OD
38. Voldoende gekwalificeerd onderwijspersoneel nu en in de toekomst• Waardering voor het leraarschap verhogen• Leraren beter belonen en zorgen voor een beter loopbaanperspectief• Een sterkere positie van de leraar• Verdere professionalisering van het leraarsberoep en versterking van de kwaliteit van het opleiden van leraren Aantal openstaande vacatures voor leraren en managers in po, vo en bve, in fte’s(bron: Arbeidsmarktbarometer po, vo, bve). 1 270 fte’s (eerste drie kwartalen 2009)De gegevens over heel 2009 zullen in de zomer van 2010 bekend worden. Kleiner dan 2 200 (< 1%; 2010) (Kleiner dan 2 200; < 1%) € 404 000 Art. 9 en AD 9.1

De bedragen in deze tabel illustreren het financieel belang van een kabinetsdoel of -project. De begroting is ingericht op beleidsartikelen en niet op kabinetsdoelen. Deze bedragen zijn daarom indicatief en niet 1-op-1 uit de departementale administratie te herleiden. Het is in dit overzicht mogelijk dat een bedrag ten goede komt aan meerdere doelstellingen en dus meerdere keren wordt genoemd.

Toelichting: Het gemiddeld aantal openstaande vacatures (1 270 fte’s) voor leraren en managers in het po, vo en bve is in 2009 licht gedaald ten opzichte van 2008 (1 450). Het gaat hier in beide jaren om een gemiddelde van de eerste drie kwartalen. Het aantal vacatures als aandeel van de werkgelegenheid bedroeg in 2009 0,6%

Doelstelling 39: Het realiseren van een sluitend systeem voor kinderopvang voor 0–4 jarigen (inclusief arbeidsparticipatie vrouwen)

Harmonisatie kinderopvang en vve

Inzet en doel

Het kabinet wil de kwaliteit van de peuterspeelzalen harmoniseren met die van de kinderopvang. Dit heeft als doel om dezelfde uitgangspunten voor veiligheid en gezondheid te hanteren voor alle voorzieningen voor jonge kinderen. In 2011 moeten alle kinderen die het nodig hebben voor- en vroegschoolse educatie (vve) aangeboden krijgen. Het wetsvoorstel «Ontwikkelingskansen door kwaliteit en educatie» (OKE) treedt in werking per 1 augustus 2010 en zal leiden tot betere en meer uniforme kwaliteit in peuterspeelzalen, groter bereik van vve in de voorschoolse periode, meer uniformiteit in toezicht en handhaving en minder financiële drempels voor deelname aan vve door peuters met een taalachterstand.

Ondernomen acties

In 2009 heeft het kabinet de volgende acties ondernomen om de bovenstaande doelen te bereiken:

• Het wetsvoorstel is bij de Tweede Kamer ingediend. Begin 2010 heeft de Tweede Kamer het wetsvoorstel aangenomen.

• Vertegenwoordigers van gemeenten, peuterspeelzalen, kinderopvangcentra en ouders hebben afgelopen jaar een convenant met kwaliteitseisen voor peuterspeelzalen opgesteld, dat in 2010 kan worden getekend.

• Gemeenten hebben € 20 miljoen extra ontvangen om de ouderbijdrage voor ouders van doelgroepkinderen in peuterspeelzalen in lijn te brengen met de ouderbijdrage voor kinderopvang. Daarmee worden financiële drempels voor deze doelgroep weggenomen.

• Er is een ondersteuningstraject opgezet voor de communicatie over en implementatie van het wetsvoorstel.

• Het opleidingstraject van leidsters loopt goed. Inventarisatie is afgerond, een uitvoeringsplan is in de maak en de uitvoering vindt plaats in 2010.

Beleidsconclusie

Het wetsvoorstel is bij de Tweede Kamer ingediend en is in 2010 aangenomen. Het ondersteunings- en subsidietraject lopen, de monitoring is opgezet, de voorbereiding van het opleidingstraject voor leidsters is bijna afgerond en de voorbereidingen van het convenant peuterspeelzaalwerk zijn rond. De sector zelf is aan de slag om de beleidsdoelstellingen te realiseren.

Verhogen kwaliteit en opleidingsniveau personeel kinderopvang

Inzet en doel

Kinderopvang van goede kwaliteit maakt dat ouders hun kind met een gerust hart naar de opvang laten gaan. Aangezien de kwaliteit van de kinderopvang erg belangrijk is, investeert de overheid in kwaliteitsverbetering. Hiervoor is door de sector kinderopvang het plan «Werken aan excellente kinderopvang» opgesteld. Dit plan heeft als doel de kwaliteit van de medewerkers en de aansluiting tussen opleidingen en de kinderopvangpraktijk te verbeteren. Bureau Kwaliteit kinderopvang (BKK) voert het plan uit. Hiervoor ontvangt BKK voor de jaren 2009 tot en met 2012 € 40 miljoen subsidie. Dit bureau werkt samen met werkgevers, werknemers en ouders in de kinderopvang. Het einddoel is dat de overgrote meerderheid (80 procent) van de kinderopvangorganisaties in 2012 opleidingsplannen heeft uitgevoerd met behulp van middelen vanuit BKK.

Ondernomen acties 2009

In 2009 is het programma daadwerkelijk uitgerold. Daarbij werd aan alle kinderopvangorganisaties het Pedagogisch kader kindercentra 0–4 jaar toegestuurd. Er is opdracht verstrekt om ook voor de buitenschoolse opvang een pedagogisch kader te ontwikkelen. Eind 2009 had 30 procent van alle kinderopvangorganisaties, die samen ruim 70 procent van alle werknemers representeren, bij BKK een opleidingbudget aangevraagd (in totaal voor € 4 miljoen). Met dat budget hebben bijna 15 000 werknemers (16 procent van alle werknemers) extra pedagogische scholing gekregen. Daarnaast investeerde BKK in de samenwerking tussen beroepsonderwijs en werkveld, wat al in 11 van de 20 regio’s in Nederland resulteerde in een convenant met samenwerkingsafspraken. Uit de nulmeting die BKK eind 2009 liet uitvoeren, blijkt dat het pedagogisch kader door het merendeel van de branche gewaardeerd wordt als inhoudelijke basis voor de uitvoeringspraktijk.

Beleidsconclusie

Bovengenoemde acties dragen bij aan kinderopvang van goede kwaliteit. Het bereik van BKK was in het startjaar 2009 boven verwachting goed.

Financiering kinderopvang

Kinderopvang faciliteert de combinatie van arbeid en zorg en ondersteunt een duurzame ontwikkeling van de arbeidsparticipatie. Daarom wil het kabinet de kinderopvang financieel toegankelijk houden voor werkende ouders en draagt het bij in de kosten voor ouders door middel van de kinderopvangtoeslag. Tegelijkertijd moet het stelsel kinderopvang financieel houdbaar en beheersbaar zijn.

Ondernomen acties

In 2009 is een wetswijziging voorbereid om het systeem van gastouderopvang te herzien, om de kwaliteit en betaalbaarheid van gastouderopvang te garanderen en om misbruik tegen te gaan. Deze wetswijziging is per 1 januari 2010 ingegaan. De belangrijkste wijzigingen zijn:

• Er zijn hogere kwaliteitseisen voor gastouders en gastouderbureaus gekomen.

• De GGD houdt voortaan rechtstreeks toezicht op de locatie waar de kinderen opgevangen worden.

• De betaling van ouders aan de gastouders verloopt voortaan via het gastouderbureau.

• Het maximum waarop de kinderopvangtoeslag voor gastouderopvang wordt gebaseerd, bedraagt in 2010 € 5,– per uur.

Daarnaast is de hoogte van de kinderopvangtoeslag per 1 januari 2009 neerwaarts aangepast.

Beleidsconclusie

Door het achterblijvende percentage van 4 en 5-jarigen dat deelneemt aan het vve-programma, luidt de totaalconclusie dat de doelstelling voor 2009 niet gehaald is. Dit percentage 4 en 5-jarigen was 57 procent in het verslagjaar, terwijl de tussentijdse doelstelling 70 procent is. Voor de 2 en 3-jarigen is de doelstelling wel ruim gehaald.

Met de genomen maatregelen blijft de kinderopvang financieel toegankelijk voor werkende ouders en wordt de financiële houdbaarheid van het stelsel en de kwaliteit van de kinderopvang verbeterd. De effecten van de wetswijzigingen voor gastouderopvang worden in 2010 zichtbaar.

Nr. Inhoud (doelstellingen en projecten beleidsprogramma) Indicator Behaalde tussenresultaten in 2009 Streefwaarde 2011 (Tussenwaarde 2009) Fin. budget – realisatie 2009 (x € 1 000) Verwijzing Artikel én OD
39. Het realiseren van een sluitend systeem voor kinderopvang voor 0–4 jarigen (inclusief arbeidsparticipatie vrouwen)• Stimuleren deelname doelgroepleerlingen aan vve• Betere afstemming tussen bestaande voorzieningen van kinderopvang, peuterspeelzalen en voorschoolse educatie Percentage doelgroepleerlingen onder 2- en 3- jarigen dat deelneemt aan een vve-programma (bron: Sardes, 2009) 80% 100% (70%) € 193 000 Art 24, OD 24.3.3
    Percentage doelgroepleerlingen onder 4- en 5-jarigen dat feitelijk deelneemt aan een vve- programma (bron: Sardes, 2009) 57% 100% (70%) Zie toelichting. Art 1, OD 1.3.3
    Gelijktrekken Leidster/kind ratio in peuterspeelzalen en kinderdagverblijven 1:9 (2006) 1:8 (geen indicator in delivery) € 15 000 Art 24, OD 24.3.3

De bedragen in deze tabel illustreren het financieel belang van een kabinetsdoel of -project. De begroting is ingericht op beleidsartikelen en niet op kabinetsdoelen. Deze bedragen zijn daarom indicatief en niet 1-op 1 uit de departementale administratie te herleiden. Het is in dit overzicht mogelijk dat een bedrag ten goede komt aan meerdere doelstellingen en dus meerdere keren wordt genoemd.

Toelichting:

In 2009 is er voor het bereiken van de doelgroep onder 2- en 3-jarigen voor deelname aan een vve-programma € 193 miljoen naar het Gemeente Fonds overgeboekt, waarvan € 70 miljoen uit enveloppegelden en € 13 miljoen voor projectmiddelen versnellen vve. (Bron: Memorie van Toelichting wetsvoorstel Oke,Tweede Kamer, vergaderjaar 2008–2009, 31 989, nr. 3.)

Aan de indicator «percentage doelgroepleerlingen onder 4- en 5-jarigen dat feitelijk deelneemt aan een vve-programma» kan geen financiële budgetrealisatie 2009 worden gekoppeld. De scholen zijn vrij in de besteding van deze middelen, omdat zij geld ontvangen voor achterstandsleerlingen via de gewichtenregeling in de vorm van een lumpsum. Voor de gewichtenregeling, zie doelstelling 37.

Voor het gelijktrekken van de leidster/kindratio (harmonisatie kwaliteit) is in 2009 € 15 miljoen uitgegeven. (Bron: Memorie van Toelichting wetsvoorstel Oke,Tweede Kamer, vergaderjaar 2008–2009, 31 989, nr. 3.)

Doelstelling 40: Het fors uitbreiden van het aantal brede scholen

Inzet en doel

Het kabinet wil het aantal brede scholen fors uitbreiden. Brede scholen bieden door structurele samenwerking met partners uit verschillende sectoren (bijvoorbeeld opvang, sport en cultuur) lokaal maatwerk, waardoor de ontwikkelingskansen van kinderen worden vergroot. In 2011 moeten er 1200 brede scholen zijn in het primair onderwijs. Tussendoel in 2009 is dat er ongeveer 1100 brede basisscholen zijn. In 2011 moeten er 460 brede scholen voor voortgezet onderwijs zijn. Tussendoel in 2009 is dat er ongeveer 410 brede scholen voor voortgezet onderwijs zijn. De inzet van OCW bij het realiseren van meer brede scholen voor 2009 was: het verder invoeren van de Impuls brede scholen, sport en cultuur (combinatiefuncties), het realiseren van een «stimuleringsarrangement huisvesting», het oprichten van het Landelijk Steunpunt Brede Scholen en het starten van een effectonderzoek.

Ondernomen acties

• De tweede tranche van de Impuls brede scholen, sport en cultuur (combinatiefuncties) is van start gegaan. Het was oorspronkelijk de bedoeling om met deze Impuls 2500 combinatiefuncties te realiseren in 2012. Inmiddels is deze ambitie aangepast naar 2250 combinatiefuncties in 2012 (Tweede Kamer, vergaderjaar 2009–2010, 32 123 VIII, nr. 32) omdat het normbedrag per functionaris is verhoogd met gelijkblijvend budget van gemeenten en het Rijk. Deelnemende gemeenten ontvangen van het Rijk middelen en leggen hier hun eigen middelen bij om zo combinatiefuncties tussen onderwijs, sport en cultuur mogelijk te maken. In 2009 was hiervoor € 8,7 miljoen beschikbaar.

• Het «stimuleringsarrangement huisvesting» is in 2009 gerealiseerd. Gemeenten konden een aanvraag doen om bestaande onderwijshuisvesting voor primair onderwijs meer multifunctioneel te maken. Er zijn 606 aanvragen binnengekomen. Over alle aanvragen werd in 2009 een beslissing genomen. Uiteindelijk is aan 129 projecten geld toegekend. In totaal stelde OCW € 28 miljoen beschikbaar. Dit bedrag is in 2009 volledig benut.

• Het Landelijk Steunpunt Brede Scholen is in april 2009 opgericht. Dit steunpunt is een duidelijk aanspreekpunt voor scholen, gemeenten en andere partners en een eerste vraagbaak voor hen die zich (willen gaan) bezighouden met de brede school.

• In 2009 is gestart met een longitudinaal onderzoek naar de effecten van brede scholen op de ontwikkeling van kinderen. Dit onderzoek zorgt ervoor dat inzichtelijk wordt gemaakt wat de meerwaarde is van de ontwikkeling van brede scholen voor kinderen. Dit onderzoek loopt door tot halverwege 2013.

Beleidsconclusie

De doelstelling om 1200 brede basisscholen te realiseren in 2011 is in 2009 al gehaald. Daarom is de ambitie verhoogd naar 1500 brede basisscholen in 2011. De tussenstreefwaarde van 410 brede scholen voor voortgezet onderwijs in 2009 is gehaald. We liggen dan ook op koers om 460 brede scholen voor voortgezet onderwijs te realiseren in 2011. Er zijn geen nieuwe gegevens beschikbaar ten opzichte van 2008 voor gerealiseerde aantallen combinatiefuncties. De verwachting is dat de aangepaste eindstreefwaarde van 2250 fte in 2012 wordt gehaald.

Nr. Inhoud (doelstellingen en projecten beleidsprogramma) Indicator Behaalde tussenresultaten in 2009 Streefwaarde 2011 (Tussenwaarde 2009) Fin. budget – realisatie 2009 (x € 1 000) Verwijzing Artikel én OD
40 Impuls brede scholen, sport en cultuur (combinatiefuncties) Het aantal combinatiefuncties in en om de brede school. (bron: SGBO, monitor combinatiefuncties) 184 fte (aangepaste waarde 2008) 2250 fte (2012) (2010: 900) € 8 000 Art 1, OD 1.3.4
  Uitbreiden aantal brede scholen primair en voortgezet onderwijs Aantal brede scholen primair en voortgezet onderwijs (bron: Jaarbericht 2009 brede scholen in Nederland) PO: 1200 (2009)VO: 410 (2009) PO: 1500 (aangepaste doelstelling 2011) (1100)VO: 460 (2011) (410) € 29 500 (waarvan € 28 000 voor een eenmalige regeling) Art 1, OD 1.3.4

De bedragen in deze tabel illustreren het financieel belang van een kabinetsdoel of -project. De begroting is ingericht op beleidsartikelen en niet op kabinetsdoelen. Deze bedragen zijn daarom indicatief en niet 1-op 1 uit de departementale administratie te herleiden. Het is in dit overzicht mogelijk dat een bedrag ten goede komt aan meerdere doelstellingen en dus meerdere keren wordt genoemd.

Doelstelling 41: Een maatschappelijke stage voor alle leerlingen in het voortgezet onderwijs

Inzet en doel

Via een maatschappelijke stage maken alle jongeren tijdens hun middelbare schoolperiode op een andere manier kennis met de samenleving en ervaren zij wat het betekent om een onbetaalde bijdrage daaraan te leveren. Vanaf schooljaar 2011–2012 hebben alle leerlingen die instromen in het voortgezet onderwijs maatschappelijke stage in hun curriculum.

Het kabinet streefde ernaar dat in het schooljaar 2008–2009 van de 195 000 vo-leerlingen die jaarlijks instromen 20 procent (d.w.z. 39 000 leerlingen), ergens in hun schoolperiode een maatschappelijke stage loopt van een door de school bepaald aantal uren. Voor het schooljaar 2009–2010 is het streefpercentage 35 procent (d.w.z. 68 250 leerlingen).

Ondernomen acties

In 2009 zijn 20 regionale pilots uitgevoerd. In al deze pilots is een structurele samenwerking opgezet. Meer dan 300 scholen namen deel aan de pilots. Ook alle schoolsoorten (praktijkonderwijs, vmbo, havo en vwo) waren in de pilots vertegenwoordigd. Het aantal leerlingen dat in de pilots een maatschappelijke stage van minimaal 30 uur heeft gelopen is ruim 45 000.

Scholen, stagebiedende organisaties, vrijwilligerscentrales en gemeenten worden ondersteund door CPS (Onderwijsontwikkeling en advies) en Movisie (Kennis en advies voor maatschappelijke ontwikkeling) onder andere door het aanbieden van starterspakketten, workshops en netwerkbijeenkomsten. De websitewww.maatschappelijkestage.nlvoorziet in een constante stroom van informatie voor alle doelgroepen. Een maandelijkse nieuwsbrief attendeert doelgroepen op relevante thema’s en ontwikkelingen voor de maatschappelijke stage.

De invoering van de maatschappelijke stage wordt continu gevolgd door middel van monitoring en evaluatie. De evaluatie van twee jaar maatschappelijke stage is in 2009 uitgevoerd. In het voorjaar van 2010 wordt deze verzonden aan de Tweede Kamer.

Beleidsconclusie

De maatschappelijke stage wordt fasegewijs ingevoerd. We liggen op koers. Het aantal scholen dat in het schooljaar 2008–2009 aan maatschappelijke stage deed is 95 procent. In het schooljaar 2009–2010 doet 99 procent van de scholen aan maatschappelijke stage.

In het schooljaar 2008–2009 liep 97% van de 195 000 vo-leerlingen die jaarlijks instromen ergens in hun schoolperiode een maatschappelijke stage van een door de school bepaald aantal uren. In schooljaar 2011–2012 loopt 100 procent van de leerlingen die dan instromen in het VO (195 000) ergens in hun schoolperiode een MaS van 48 uur (praktijkonderwijs/VMBO), 60 uur (HAVO) en 72 uur (VWO).

Nr. Inhoud (doelstellingen en projecten beleidsprogramma) Indicator Behaalde tussenresultaten in 2009 Streefwaarde 2011 (Tussenwaarde 2009) Fin. budget – realisatie 2009 (x €1 000) Verwijzing Artikel én OD
41. Een maatschappelijke stage voor alle leerlingen in het voortgezet onderwijs Percentage VO scholen dat doet aan maatschappelijke stage(bron: Senter Novem) 95% schooljaar 2008–2009 100% (2011/2012) (90%) 38 442 Art. 3, OD 3.3.4
    Percentage van de 195 000 vo-leerlingen die jaarlijks instromen en ergens in hun schoolperiode een maatschappelijke stage lopen van een door de school bepaald aantal uren. 97% (schooljaar 2008–2009)(Hier is een indicator toegevoegd; eerder werd alleen het aantal scholen gemeten, nu ook het aantal leerlingen. Dit sluit aan bij de fasegewijze invoering.) 100 % (2011/2012) (35%)    

De bedragen in deze tabel illustreren het financieel belang van een kabinetsdoel of -project. De begroting is ingericht op beleidsartikelen en niet op kabinetsdoelen. Deze bedragen zijn daarom indicatief en niet 1-op 1 uit de departementale administratie te herleiden. Het is in dit overzicht mogelijk dat een bedrag ten goede komt aan meerdere doelstellingen en dus meerdere keren wordt genoemd.

Doelstelling 42: Het geleidelijk invoeren van gratis schoolboeken in het voortgezet onderwijs m.i.v. schooljaar 2008/2009, en volledig per schooljaar 2009/2010

Inzet en doel

Het einddoel in 2011 is dat ouders niet langer de rekening van schoolboeken betalen en de vo-scholen op een correcte wijze uitvoering geven aan deze wet. Het concrete doel voor 2009 was om de kosten voor de aanschaf van schoolboeken voor ouders te verminderen en om ervoor te zorgen dat scholen hun verantwoordelijkheid namen voor het beschikbaar stellen van schoolboeken aan hun leerlingen. Het kabinet is scholen behulpzaam bij het op correcte wijze en probleemloos uitvoeren van de Wet op het voortgezet onderwijs (WVO).

Een laatste doel is verbetering van de werking van de educatieve boekenmarkt. De wet zal in 2011 geëvalueerd worden.

Ondernomen acties

Om scholen hierbij te ondersteunen is de Taskforce gratis schoolboeken actief geweest. Deze Taskforce heeft door onder meer een helpdesk, een website en regionale bijeenkomsten scholen ondersteund. Hierdoor hebben de vo-scholen zorg gedragen voor «gratis» schoolboeken voor het schooljaar 2009–2010. In 2009 is de Taskforce opgeheven. Per 1 september 2009 zijn de eerste gratis schoolboeken uitgereikt.

Beleidsconclusie

De doelstelling van de wet om de kosten van schoolboeken voor ouders te verlagen is gerealiseerd. Ook is een einde gekomen aan het (groeiende) verschijnsel dat kinderen zonder schoolboeken op school kwamen. Er is nog onvoldoende tijd verstreken om conclusies te trekken over de werking van de educatieve boekenmarkt.

Nr. Inhoud (doelstellingen en projecten beleidsprogramma) Indicator Behaalde tussenresultaten in 2009 Streefwaarde 2011 (Tussenwaarde 2009) Fin. budget – realisatie 2009 (x € 1 000) Verwijzing Artikel én OD
42. Het invoeren van gratis schoolboeken in het voortgezet onderwijs met ingang van schooljaar 2009–2010 De schoolkosten voor ouders met kinderen in het voortgezet onderwijs (bron: inspectie van het Onderwijs) Nnb* Verlaging met gemiddeld € 316 321 129 Art 3, OD 3.3.1

* Deze doelstelling is bereikt. De Wet gratis schoolboeken is op 29 mei 2008 in het Staatsblad gepubliceerd. In 2011, en vervolgens elke vier jaar, zal de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk worden geëvalueerd.

Doelstelling 59: Het tegengaan van radicalisering

Inzet en doel

Het algemene doel is het voorkomen en terugdringen van polarisatie en radicalisering op de OCW-instellingen. Inzet voor 2009 was om de OCW-instellingen en docenten te voorzien van informatie op het gebied van polarisatie en radicalisering en om het beleid voor sociale veiligheid op scholen te verbeteren.

Ondernomen acties

• De instrumenten waar het onderwijsveld behoefte aan heeft, zijn ontwikkeld. Zo zijn instellingen en docenten voorzien van de handleiding radicalisering en van de ondersteuning van de onderwijsspecifieke back-office van het Kennis- en adviescentrum Polarisatie en radicalisering (Nuansa; zie brief aan deTweede Kamer, vergaderjaar 2009–2010, 29 754, nr. 175). Ook de voorlichtingscampagne voor het onderwijs zoals genoemd in de brief aan de Tweede Kamer (vergaderjaar 2008–2009, 29 240, nr. 30) is gestart.

• Zoals aangekondigd in de brief aan de Tweede Kamer (vergaderjaar 2008–2009, 29 240, nr. 30), is het aantal pilots om de definities van incidenten te beoordelen uitgebreid naar twintig.

Beleidsconclusie

Alle geplande activiteiten zijn in 2009 ondernomen.

Doelstelling 73: Alle jongeren tot 18 jaar raken actief of passief vertrouwd met cultuur en kunstvormen en met de Nederlandse geschiedenis.

Inzet en doel

Het kabinet streeft naar een hoogwaardig cultuuraanbod dat voor zoveel mogelijk mensen toegankelijk is. In het cultuurbeleid van het kabinet staan de ontwikkeling van talent en de vergroting van deelname aan cultuur centraal. Het kabinet wil dat alle jongeren tot 18 jaar actief of passief vertrouwd raken met cultuur en kunstvormen en met de Nederlandse geschiedenis. Deze doelstelling heeft het kabinet in de hoofdlijnennotitie over het cultuurbeleid «Kunst van leven» Tweede Kamer, vergaderjaar 2006–2007, 28 989, nr. 44 uitgewerkt in een tienpuntenplan. Alle maatregelen uit het plan zijn gericht op het zelf beoefenen en ervaren van cultuur.

Ondernomen acties

Cultuurkaart

• De Cultuurkaart kende in het schooljaar 2008–2009 een succesvolle introductie. In totaal hebben ongeveer 900 000 leerlingen in het voortgezet onderwijs een Cultuurkaart ontvangen. Aan iedere Cultuurkaart is een tegoed van € 15,– gekoppeld. Leerlingen die het vak CKV volgen, ontvangen van het VSBfonds € 10,– extra. Dit betekent dat er bij 100 procent besteding, ruim 14 miljoen kan worden uitgegeven

• OCW geeft het budget aan scholen. De docent bepaalt welk deel klassikaal en welk deel individueel wordt besteed. Op havo en vwo wordt door scholen meer individueel tegoed beschikbaar gesteld dan op het vmbo. Dit geldt zeker voor de bovenbouw. In de onderbouw, en vooral in het eerste jaar, wordt het merendeel van het tegoed op alle scholen collectief besteed.

• In het schooljaar 2008–2009 werd gestreefd naar een bestedingspercentage van 70 procent, de daaropvolgende jaren naar een percentage van 80 procent. Het streefcijfer van 70 procent is ruimschoots gehaald. Inclusief het budget van het VSBfonds werd 78 procent besteed. De verdeling van de besteding over de verschillende sectoren is goed gespreid, met theaters en kunstcentra als koplopers.

Gratis musea

• Het bleek aanzienlijk duurder om musea voor kinderen gratis toegankelijk te maken dan eerder onderzoek had aangegeven. Ook zijn vraagtekens te zetten bij de effectiviteit ervan. Daarom is besloten om ervan af te zien om alle musea gratis toegankelijk te maken voor kinderen. De Nederlandse Museumvereniging (NMV) is gevraagd een plan in te dienen voor 2010 om kleinschalige experimenten uit te voeren waaruit moet blijken of gratis toegang voor kinderen effectief is of beter effectievere methoden(zoals gratis vervoer) kunnen worden ingezet.

Canon van Nederland en leesbevordering

• Naar verwachting zal de Canon van Nederland met ingang van het schooljaar 2010–2011 in de kerndoelen zijn opgenomen. Dit is een jaar later dan gepland. Op verzoek van de Tweede Kamer is het oorspronkelijke voorstel om de canon op te nemen als «inspiratiebron» ingetrokken.

• Er is een nieuw voorstel opgesteld waarin de canon steviger wordt gepositioneerd en wordt benoemd als «uitgangspunt ter illustratie van de tien historische tijdvakken». Ondertussen zijn er, onder regie van de Stichting Entoen.nu diverse activiteiten ontplooid die scholen en culturele instellingen ondersteunen bij het (gaan) werken met de canon. Zo vinden inmiddels de eerste nascholingsbijeenkomsten voor docenten plaats en is een handreiking voor docenten gepubliceerd. Het Fonds voor Cultuurparticipatie heeft de canon opgenomen in zijn nieuwe subsidieregelingen en er zijn diverse lesvoorbeelden beschikbaar gekomen. Met de opname van de Canon van Nederland in de kerndoelen beoogt het kabinet historische kennis steviger in het onderwijs te verankeren.

• Daarnaast is in 2008 het programma voor leesbevordering «Kunst van Lezen» van start gegaan. Met dit programma komt extra geld beschikbaar voor het reguliere leesbevorderingbeleid. Doel van het programma is om kinderen en jongeren te verleiden tot het lezen van literatuur. Het programma besteedt aandacht aan de canon door Nederlandstalige (jeugd)literatuur en klassieke werken aan de vijftig vensters te verbinden. Ofschoon in de eerste plaats een cultuurprogramma, draagt het ook bij aan een betere taalvaardigheid. In dat kader worden er activiteiten ontwikkeld die complementair zijn aan de (voor)leesprogramma’s voor kinderen van 0–3 en van 5–12 jaar. Het programma leesbevordering loopt tot en met 2011. In 2009 is hiervoor een budget beschikbaar van in totaal € 2 miljoen. De voortgang en resultaten van het programma worden gemonitord. Halverwege de looptijd van het programma wordt de Tweede Kamer hierover geïnformeerd.

Fonds voor Cultuurparticipatie

• Amateurkunst, cultuureducatie en volkscultuur zijn prioriteiten in het Regeerakkoord. Het belang van een brede deelname aan cultuur is groot, voor individuen, maar ook voor de samenleving als geheel. Culturele ontplooiing is verbonden met identiteit, binding en zingeving. Amateurkunst, cultuureducatie en volkscultuur vervullen hierbij een sleutelrol. De opdracht van het Fonds voor Cultuurparticipatie is actieve deelname van burgers aan cultuur stimuleren.

• Naast samenwerking met gemeenten en provincies in de vorm van vierjarenprogramma’s opent het fonds per 1 januari 2010 een nieuwe Plusregeling cultuurparticipatie. Deze regeling staat open voor aanvragen op de terreinen amateurkunst, cultuureducatie en volkscultuur die van landelijke belang zijn.

• Ook heeft het fonds twee programma’s gestart: Het beste van twee werelden (verbinding amateur-professional) en Er zit muziek in ieder kind (bevordering muziekeducatie). Net als elk fonds wordt het Fonds voor Cultuurparticipatie geëvalueerd. Mei 2010 levert het fonds zijn eerste rapportage aan.

Nationaal Historisch Museum

• Het Nationaal Historisch Museum ontwikkelt het concept voor het museum dat als basis voor de bouw dient. Door de locatie van het Nationaal Historisch Museum naast het Nederlands Openluchtmuseum kunnen de mogelijkheden tot synergie optimaal worden benut. Naar aanleiding van het gesprek met de Tweede Kamer zal het Nationaal Historisch Museum een raad van advies oprichten om de brede inhoudelijke en maatschappelijke betrokkenheid te vergroten. Het Nationaal Historisch Museum heeft ten doel het bevorderen van het historisch besef en de kennis van de geschiedenis van Nederland.

• Naast de voorbereiding van de bouw werkt het Nationaal Historisch Museum aan dit doel door via diverse activiteiten nu al zichtbaar te zijn voor het publiek. In het Nationaal Historisch Museum Anno wordt een belangrijk aantal succesvolle activiteiten en projecten van de stichting Actueel Verleden/Anno gecontinueerd.

Beleidsconclusie

Voor het realiseren van de beleidsdoelstelling liggen wij goed op koers. Beleidsvoornemens zoals aangekondigd in Kunst van Leven zijn inmiddels geheel of gedeeltelijk gerealiseerd. Daarnaast is de Cultuurkaart ingevoerd en heeft het Fonds voor Cultuurparticipatie haar deuren geopend.

Nr. Inhoud (doelstellingen en projecten beleidsprogramma) Indicator Behaalde tussenresultaten in 2009 Streefwaarde 2011 (Tussenwaarde 2009) Fin. budget – realisatie 2009 (x € 1 000) Verwijzing Artikel én OD
73. Gratis musea Aantal bezoeken van kinderen in de leeftijd tot en met 12 jaar aan musea die zijn aangesloten bij de Nederlandse Museum Vereniging en/of zijn ingeschreven in het museumregister (bron: SEO Economisch Onderzoek) n.b.* + 30% (geen indicator in de delivery) n.b.* Art. 14, OD 14.3.2
             
  Cultuurkaart Verzilveringspercentage van de cultuurkaart(bron: CJP) 78% 80% (70%) 10 000 Art. 14, OD 14.3.1

* n.b.: niet beschikbaar, besloten is om af te zien van het beleid van de gratis musea. Zie verder de toelichting onder ondernomen acties: «Gratis musea».

Doelstelling 74: Het aanbod van de publieke omroep is kwalitatief hoogwaardig en crossmediaal en richt zich op een breed en divers publiek.

Inzet en doel

Het kabinet wil er met het mediabeleid voor zorgen dat burgers toegang hebben tot een breed en pluriform media-aanbod. In de hedendaagse samenleving betekent dit dat het mediabeleid zich niet beperkt tot omroep en pers, maar zich uitstrekt over de volle breedte van het medialandschap. Alle vormen van contentproductie en -distributie behoren ertoe: de publieke en commerciële omroep, kranten en opiniebladen en journalistieke en culturele uitingen op internet. In 2009 is er met het mediabeleid hard gewerkt aan de bouw van toekomstbestendige media. Zo zijn onder andere de taak en organisatie van de landelijke publieke omroep met twee wetswijzigingen aangepast aan de eisen van deze tijd. Ook is er een speciale commissie ingesteld, de commissie Brinkman, die heeft geadviseerd over de toekomst van en innovatie in de perssector.

Ondernomen acties

• Het Mediawijsheid Expertisecentrum, dat in 2008 van start ging, is in 2009 volledig operationeel geworden. Met een publiekscampagne en de naam Mediawijzer.net is het centrum gelanceerd. Bij het Instituut voor Beeld en Geluid is in 2009 een centraal publieksloket geopend waar ouders, jongeren en professionals worden geïnformeerd over aspecten van modern mediagebruik. Daarnaast zijn er bij dertien bibliotheken pilots uitgevoerd met lokale loketten voor informatie over mediawijsheid.

• De visitatiecommissie van de landelijke publieke omroep presenteerde in april 2009 het rapport De publieke omroep: het spel, de spelers, het doel. Op basis van onder andere dit rapport, nam de minister in het najaar van 2009 een besluit over de erkenningenverlening aan de omroepverenigingen. De aftrap voor de nieuwe concessieperiode is daarmee gedaan. Besloten is om Omroep Llink geen nieuwe erkenning te verlenen. De omroep heeft bezwaar gemaakt. De nieuwe omroepen POWned en WNL mogen vanaf september 2010 als aspiranten gaan deelnemen aan het publieke bestel.

• In juni 2009 heeft de Tijdelijke Commissie Innovatie en Toekomst Pers haar rapport gepresenteerd over de problemen in de perssector. De commissie deed zeventien concrete aanbevelingen om de innovatie in de sector te stimuleren en de huidige impasse het hoofd te bieden. De minister nam in zijn reactie op het rapport, dat in oktober 2009 naar de Tweede Kamer werd verzonden (Tweede Kamer, vergaderjaar 2009–2010, 31 777, nr. 18), het gros van de aanbevelingen over. Ook stelde hij geld ter beschikking voor de bevordering van innovatie in deze sector en voor de aanstelling van jonge journalisten in tijden van crisis.

• Op 2 juli 2009 werd de wijziging van de Mediawet aangenomen in verband met onder meer de erkenning en de financiering van de publieke omroep, ook wel de Erkenningswet genoemd (Tweede Kamer, vergaderjaar 2008–2009, 31 804, nr. 69). Na de taak van de publieke omroep, is nu ook de organisatie van het bestel aangepast aan de huidige tijd en is duidelijk welke eisen er gesteld worden aan de erkenning van omroepen. De kaders voor de nieuwe concessieperiode zijn daarmee gesteld.

• De financiering van de lokale omroep is in 2009 veranderd. De Tweede Kamer heeft ingestemd met de invoering van een bekostigingsplicht voor gemeenten. Ook is de brief over de regionale omroep in 2009 naar de Tweede Kamer verzonden (Tweede Kamer, vergaderjaar 2009–2010, 32 123, 17). Daarin reageert de minister op de evaluatie van de overheveling van de financiering naar de provincies en op regionaal omroepbeleid.

• Op 19 december 2009 is de Implementatiewet van kracht geworden. Met deze wetswijziging is de Richtlijn Audiovisuele Mediadiensten in de Mediawet geïmplementeerd. De regelgeving op het gebied van omroep en lineaire audiovisuele diensten is daarmee gemoderniseerd en geliberaliseerd.

Beleidsconclusie

Het jaar 2009 was een jaar waarin geoogst kon worden na lang werken aan diverse wetswijzigingen. De gestelde doelen voor 2009 zijn gehaald. De wijzigingen van de Mediawet zijn aangenomen en de Mediawet is klaar voor de nieuwe concessieperiode. Nu de wijzigingen voor de nabije toekomst op orde zijn gebracht, is het tijd voor een visie op de langere termijn. In 2009 is een start gemaakt met een verkennend onderzoek naar de toekomst van de publieke omroep. Na discussie over de problemen in de perssector, kwam de Tijdelijke Commissie Innovatie en Toekomst Pers in 2010 met een handzaam advies met bruikbare aanbevelingen die komende jaren uitgevoerd kunnen worden.

Nr. Inhoud (doelstellingen en projecten beleidsprogramma) Indicator Behaalde tussenresultaten in 2009 Streefwaarde 2011 (Tussenwaarde 2009) Fin. budget – realisatie 2009 (x € 1 000) Verwijzing Artikel én OD
74. Het aanbod van de publieke omroep is kwalitatief hoogwaardig en crossmediaal en richt zich op een breed en divers publiek• mediawijsheid• wijzigingen mediawet• voorbereiden nieuwe concessietermijn publieke omroep Mediawijsheid – expertisecentrum Het centrum is in 2008 gestart met onder meer online dienstverlening via de sitewww.mediawijsheidkaart.nl In 2009 staat de organisatie en is de service uitgebreid met fysieke loketten bij «Beeld en Geluid» en de bibliotheken. In 2011 is er een breed netwerk op het terrein van media-educatie (mediawijsheid-expertisecentrum)! (start dienstverlening Mediawijsheid Expertisecentrum, via fysieke loketten) € 2005 Art 15, AD 15.1
             
    Erkenningswet treedt in werking Erkenningswet is op 17 juli 2009 in werking getreden Erkenningswet treedt in 2009 in werking € 0 Art 15, AD 15.1
             
    Visitatie landelijke publieke omroep en Wereldomroep Visitatie van de Landelijke publieke omroep is op 22 april 2009 afgerond en naar de Tweede Kamer gestuurd. De visitatie Wereldomroep is in september 2009 afgerond en naar de Tweede Kamer gestuurd. Visitatie landelijke publieke omroep en Wereldomroep in 2009 afgerond € 0 Art 15, AD 15.1

De bedragen in deze tabel illustreren het financieel belang van een kabinetsdoel of -project. De begroting is ingericht op beleidsartikelen en niet op kabinetsdoelen. Deze bedragen zijn daarom indicatief en niet 1-op 1 uit de departementale administratie te herleiden. Het is in dit overzicht mogelijk dat een bedrag ten goede komt aan meerdere doelstellingen en dus meerdere keren wordt genoemd.

Project 2: Nederland ondernemend innovatieland

Inzet en doel

Het doel van het project Nederland Ondernemend Innovatieland (NOI) is om zowel de concurrentiekracht van Nederland te versterken als maatschappelijke vraagstukken aan te pakken. Hiervoor worden initiatieven ondernomen op het raakvlak van kennis, innovatie en ondernemerschap. Dit vereist een overheidsbrede inspanning. Daarom is de interdepartementale programmadirectie Kennis en Innovatie opgericht. Deze directie heeft als taak de samenhang in het kabinetsbeleid over kennis, innovatie en ondernemerschap te verbeteren. In de programmadirectie werken inmiddels tien departementen samen. De programmadirectie werkt waar mogelijk samen met het Innovatieplatform.

Kapstok van het werkprogramma NOI zijn drie programmalijnen. De langetermijnstrategie NOI vormt de eerste programmalijn. Hierin zijn toekomstbeelden voor maatschappelijke sectoren en voor de economie geschetst en beleidsperspectieven om deze toekomst te realiseren. Deze strategie is in 2008 aan de Tweede Kamer aangeboden. Eén van de manieren om maatschappelijke opgaven aan te pakken is via de maatschappelijke innovatieprogramma’s; dit is de tweede programmalijn. In deze programma’s wordt geïnvesteerd in nieuwe ideeën, oplossingen en toepassingen in een maatschappelijke sectoren. Dwars door de maatschappelijke innovatieagenda’s zien we gemeenschappelijke thema’s: hardnekkige belemmeringen voor innovatie, waardevolle methoden, etc. Deze transsectorale belemmering en lessen wordt opgepakt in de derde programmalijn: versterking innovatief vermogen.

Ondernomen acties 2009

1. De eerste programmalijn: de basis van het project is de langetermijnstrategie van het NOI. Hierin zijn toekomstbeelden voor maatschappelijke sectoren en voor de economie geschetst. Ook staan hierin beleidsperspectieven om deze toekomst te realiseren.

2. De tweede programmalijn: Maatschappelijke Innovatie Agenda’s (MIA’s).

  In 2009 is gestart met de uitvoering van vier maatschappelijke innovatieagenda’s; energie, gezondheid, veiligheid en water. Het financiële instrumentarium dat binnen deze MIA’s wordt ingezet is in 2009 grotendeels in gang gezet. Vanuit de MIA Gezondheid is de komende drie jaar € 100 miljoen beschikbaar om innovatie in de zorg een extra steun in de rug te geven. Organisaties en bedrijven in de zorg kunnen daarvoor gebruikmaken van vier nieuwe financiële instrumenten: zorg-innovatievouchers, zorginnovatie-prestatiecontracten, prijsvragen en een tenderregeling gebaseerd op de Small Business Innovation Research Programme (SBIR). Voor de MIA Veiligheid is de komende drie jaar via een innovatiesubsidieregeling € 50 miljoen beschikbaar voor ondernemers die met technologische vernieuwingen de veiligheid in Nederland vergroten. De vernieuwingen kunnen zich richten op samenwerken en informatie uitwisselen binnen een netwerk van organisaties, op het opleiden en trainen met behulp van simulatoren en op de fysieke bescherming van hulpverleners. Ook wezenlijk nieuwe toepassingen van bestaande technologie komen voor subsidie in aanmerking. Binnen de innovatieagenda Energie zijn op de verschillende transitiepaden een groot aantal programma’s uitgewerkt voor een bedrag van € 289 miljoen. De tenders hiervoor zijn of worden gepubliceerd. Voorbeelden van projecten zijn «Rijden op Waterstof» en «Aardwarmtegarantie». Binnen de MIA Water lopen sinds eind 2007 twee grote projecten: «Flood Control» en «Building with Nature». In 2009 is in het kader van de human capital-agenda een aantal projecten in het onderwijs gestart. Ook is de publicatie Leren van|Presteren met|Inspireren tot innoveren in de deltaopgeleverd. Er zijn in 2009 twee nieuwe maatschappelijke innovatie agenda’s op het gebied van Agro- en visserijketens en onderwijs aangeboden aan de Tweede Kamer (Onderwijs:Tweede Kamer 27 406 nr. 146en Agro: Tweede Kamer 29 675 nr. 80). Uitvoering van de agenda’s loopt tot 2012. Daarnaast is gestart met de voorbereidingen voor een MIA duurzame mobiliteit.

3. Derde programmalijn: het project NOI richt zich ook op thema’s die meerdere maatschappelijke sectoren aangaan. Deze programmalijn heet versterken innovatief vermogen. Onder deze programmalijn vallen de volgende projecten:

Taskforce Technologie, Onderwijs en Arbeidsmarkt (TOA)

  De Taskforce Technologie, Onderwijs en Arbeidsmarkt (TOA) is in 2008 in vier regio’s, Twente, Zuid-Limburg, Eindhoven en Rotterdam, van start gegaan. De TOA heeft als doel oplossingen te zoeken voor het tekort aan arbeidskrachten in de techniek. De uitkomsten van de evaluatie voor de TOA is voor de betrokken departementen EZ, OCW en SZW aanleiding geweest te besluiten door te gaan met de huidige bestaande pilots en aanvullend daarop de TOA in 2010 uit te breiden met vier nieuwe regio’s (Noord-Holland-Noord, Eemsdelta-Groningen, Arnhem-Nijmegen-De Vallei en Flevoland). In 2010 wordt gewerkt aan het genereren van leereffecten uit de pilots voor een aanpak en concrete activiteiten waar ook andere regio’s hun voordeel mee kunnen doen als eind 2010 de landelijke TOA zal stoppen.

SBIR

  Voor de maatschappelijke innovatie programma’s bieden de SBIR-methoden goede mogelijkheden om tot nieuwe oplossingen te komen voor maatschappelijke problemen. Het aantal SBIR-projecten is in 2009 toegenomen. Er zijn nu 21 SBIR’s in uitvoering dan wel afgerond.

Valorisatie

  In 2009 is de landelijke commissie Valorisatie ingesteld, gericht op het bevorderen van kennisbenutting voor de economie en maatschappij.

Launching Customer

  Launching customer heet voortaan Innovatiegericht Inkopen, omdat dit begrip zowel nationaal als internationaal beter aansluit op het taalgebruik. In 2009 is een brief aan de Tweede Kamer gestuurd ter beantwoording van de motie Aptroot/Besselink (Tweede Kamer, vergaderjaar 27 406 nr. 127). In deze brief worden 20 voorbeelden Innovatiegericht Inkopen gepresenteerd en wordt toelichting gegeven op de indicator Innovatiegericht Inkopen. Deze rijksbrede indicator is opgenomen in de begroting 2010. Verder is een expertisenetwerk Innovatiegericht Inkopen opgericht dat in 2010 verder zal worden uitgebouwd.

Beleidsconclusie

In 2009 zijn de voorgenomen resultaten gerealiseerd. Het project ligt op koers.

Project 8: Voortijdig Schoolverlaten

Inzet en doel

In 2011 (cijfers worden bekend in 2012) moet het einddoel van het project VSV zijn behaald. Reductie van het aantal nieuwe vsv’ers zal worden verminderd van 71 000 in het referentiejaar 2002 naar 35 000 in 2011. Het concrete doel voor 2009 was reductie van het aantal vsv’ers met 20 procent. De voorlopige cijfers over het schooljaar 2008–2009 geven aan dat het aantal nieuwe vsv’ers is gedaald naar 42 600. Het doel voor 2009 is dus gehaald.

De uitval van jongeren kent verschillende oorzaken waardoor een brede benadering noodzakelijk is. Daarom plaatst het kabinet de aanpak van voortijdig schoolverlaten in een breder kader: de pijler «sociale samenhang». Binnen deze geïntegreerde aanpak is OCW verantwoordelijk voor het voorkomen van voortijdig schoolverlaten door met name kwalitatief goed onderwijs te bieden en door zich in te zetten voor jongeren die een extra steuntje in de rug nodig hebben. Het beoogde effect is dat meer jongeren een startkwalificatie halen.

Ondernomen acties

• Monitoring convenanten. De resultaten van vsv-convenanten die in alle 39 RMC-regio’s voor de looptijd van het project (2007–2012) zijn afgesloten met gemeenten en onderwijsinstellingen in het voortgezet onderwijs en het middelbaar beroepsonderwijs worden voortdurend gemonitord.

• Onderwijsprogramma’s. Per RMC-regio is sinds 2008 een subsidie voor onderwijsprogramma’s beschikbaar; deze wordt verstrekt aan onderwijsinstellingen. In 2009 hebben de onderwijsinstellingen deze subsidie aan kunnen vragen voor de jaren 2010 en 2011. Vanwege de complexiteit van de vsv-problemen geldt voor de G4-regio’s een uitzondering. In die regio’s gaat het extra geld rechtstreeks naar de gemeenten.

• Evaluatie en monitoring vsv-maatregelen. In de convenanten en onderwijsprogramma’s is vastgelegd dat scholen voortijdig schoolverlaten aanpakken door een verbeterde zorgstructuur, loopbaanoriëntatie en een verbeterde overgang van vmbo naar mbo. De convenanten en de onderwijsprogramma’s worden op gezette tijden geëvalueerd; daarbij wordt vooral gekeken naar de effectiviteit van de aanpak. De voortgang van de convenanten en de onderwijsprogramma’s wordt zowel per regio als op schoolniveau periodiek gemonitord. In 2009 is een evaluatie-onderzoek door Top Institute for Evidence based Education Research (TIER) en de TU-Delft ingericht. Daarnaast is opdracht gegeven voor diverse onderzoeken die deelaspecten en oplossingen beoordelen. Voorbeelden zijn: kostenbatenanalyse van plusvoorzieningen, vsv en middelengebruik, vsv en sportprojecten., good practices LOB.

• Sluitende registratie van de vsv’ers: invoering van een digitaal verzuimloket, per 1 augustus 2009 voor het voortgezet onderwijs en beroepsonderwijs. Vanaf 1 augustus 2009 is het voor scholen wettelijk verplicht verzuim te melden na ongeoorloofde afwezigheid van 16 uren les-of praktijktijd in een periode van vier weken. Dit is ongeveer gelijk aan 3 dagen afwezigheid. De gegevens over verzuim worden via het Digitaal Verzuimloket automatisch doorgestuurd naar de gemeente zodat leerplicht/RMC gericht actie kunnen ondernemen voor het verzuim. Er is zo directe feedback tussen school en gemeente. Alle scholen zijn in 2009 aangesloten op het Digitaal Verzuimloket, het gebruik en de werking van het loket wordt gemonitord.

• Verbeteren overgang vmbo-mbo door geïntegreerd traject van «vmbo-bb en mbo-2 op één school». Per 1 augustus 2008 zijn de eerste experimenten met de leergang vmbo-mbo2 gestart, waarbij de bovenbouw van de opleiding vmbo-basisberoepsgerichte leerweg wordt samengevoegd met een opleiding mbo-niveau 2 (VM2). Per 1 augustus 2009 is een tweede cohort gestart. De VM2-experimenten worden gemonitord door het Max Goote Instituut.

• Plusvoorzieningen: in samenhang met de aanpak van jeugdwerkloosheid en het kabinetsstandpunt op het WRR-advies, besteedt het kabinet apart aandacht aan de zogenaamde «overbelaste» jongeren. Voor deze groep worden plusvoorzieningen opgezet op de laagste mbo-niveaus. Plusvoorzieningen zijn een combinatie van onderwijs, zorg, en arbeidstoeleiding.

De effecten van deze acties zijn af te lezen aan de opeenvolgende jaarcijfers:

  2002 2005–2006 2006–2007 2007–2008 2008–2009 2010–2011
Aantal nieuwe vsv’ers 71 000 52 700 50 900 46 800 42 600* 35 000

* Dit is een voorlopig cijfer. Het definitieve aantal vsv’ers over 2008/2009 wordt verwacht in oktober 2010.

Beleidsconclusie

De kwantitatieve doelstelling voor 2009 is nagenoeg gehaald. De verschillen tussen regio’s, onderwijssectoren en onderwijsinstellingen zijn echter groot. Deze vereisen in de resterende looptijd van het project nog alle aandacht. Maar het einddoel ligt op koers.

Nr. Inhoud (doelstellingen en projecten beleidsprogramma) Indicator Behaalde tussenresultaten in 2009 Streefwaarde 2011 (Tussenwaarde 2009) Fin. budget – realisatie 2009 (x € 1 000) Verwijzing Artikel én OD
Proj. 8 Aanval op de schooluitval Het aantal nieuwe vsv’ers per schooljaar (nationale indicator).(bron:Tweede Kamer, 2008–2009, 26 695, nr.61) 46 800 (2008)42 600 (2009)Tussenstreefwaarde: jaarlijkse reductie van 4 500. 35 000 (2012) (44 100) € 44 957 Art 4, OD 4.3.4

De bedragen in deze tabel illustreren het financieel belang van een kabinetsdoel of -project. De begroting is ingericht op beleidsartikelen en niet op kabinetsdoelen. Deze bedragen zijn daarom indicatief en niet 1-op 1 uit de departementale administratie te herleiden. Het is in dit overzicht mogelijk dat een bedrag ten goede komt aan meerdere doelstellingen en dus meerdere keren wordt genoemd.

BELEIDSARTIKELEN

ARTIKEL 1. PRIMAIR ONDERWIJS

1.1 Algemene beleidsdoelstelling: het primair onderwijs zorgt dat leerlingen in de eerste fase van de doorlopende leerlijn hun talenten maximaal kunnen ontplooien en vervolgonderwijs kunnen volgen dat het beste past bij hun talenten. Het legt bovendien de basis voor de huidige en toekomstige deelname van deze leerlingen aan de samenleving.

Doelbereiking en maatschappelijke effecten

Alle kinderen hebben recht op passend en kwalitatief goed primair onderwijs in voldoende toegeruste scholen (Grondwet, artikel 23: Staatscourant 2002, 200). De overheid houdt daarvoor een stelsel van (speciale) basisscholen en scholen voor (voortgezet) speciaal onderwijs in stand en waarborgt de kwaliteit van het onderwijs. Voor leerlingen die extra zorg nodig hebben, heeft de overheid als taak om ondersteuning te bieden en onderwijsachterstanden te voorkomen (Wet op het Primair Onderwijs en Wet op de Expertisecentra). Om het recht van ieder kind op onderwijs te borgen, verplicht de overheid de ouders door middel van de Leerplichtwet om hun kinderen onderwijs te laten volgen.

De wijze waarop de minister de algemene beleidsdoelstelling invult, is uitgewerkt in vier operationele beleidsdoelstellingen, te weten: «leerlingen volgen onderwijs op voldoende toegeruste scholen voor primair onderwijs», «leerlingen volgen onderwijs van hoge kwaliteit», «leerlingen kunnen zonder drempels het primair onderwijs volgen dat het beste past bij hun talenten en specifieke behoeften» en «leerlingen krijgen een beter aanbod van aansluitende voorzieningen in en om de school». Om de operationele doelstellingen te bereiken, is een aantal instrumenten ingezet. De resultaten van deze instrumenten dragen bij aan het behalen van de operationele doelstellingen en daarmee aan de algemene beleidsdoelstelling.

Externe factoren

Een kritische succesfactor van het primair onderwijs is de onderwijsarbeidsmarkt; voldoende en goed onderwijspersoneel. De informatie over de onderwijsarbeidsmarkt is opgenomen in beleidsartikel 9 (Arbeidsmarkt en Personeelsbeleid).

Een andere externe factor is de samenstelling van de leerlingpopulatie. Deze staat beschreven in de «Referentieraming». Ten opzichte van de vorige teldatum daalde het aantal leerlingen in het totale primair onderwijs met circa 4 200 (0,25%). De grootste daling trad op in het basisonderwijs met ruim 5 100 leerlingen (0,3%). Het aantal ambulant begeleide leerlingen is daarentegen in 2009 met circa 3 000 toegenomen (7,7%).

Realisatie meetbare gegevens bij de algemene doelstelling

Tabel 1.1 Indicatoren
Indicator Basiswaarde Realisatie 2007 Realisatie 2008 Streefwaarde Realisatie 2009
1. Posities op internationale ranglijst «gemiddelde wiskundeprestaties» in groep 6 van het basisonderwijs. 5/6 9 n.b. Top 5 n.b.
  Bron: TIMSS Peildatum: 1995 Peildatum: 2007 Peildatum: 2008 Peildatum: 2011 Peildatum: 2009
2. Positie op internationale ranglijst «gemiddelde leesvaardigheid» in groep 6 van het basisonderwijs. 21 12 n.b. Top 5 n.b.
  Bron: PIRLS Peildatum: 1995 Peildatum: 2006 Peildatum: 2008 Peildatum: 2011 Peildatum: 2009
3. Percentage scholen waar de resultaten van de leerlingen aan het einde van de schoolperiode ten minste liggen op het niveau dat op grond van de samenstelling van de leerling-populatie mag worden verwacht. vervalt vervalt vervalt vervalt vervalt
4. Percentage leerlingen op basisscholen met havo of vwo advies. 38% n.b. 41,5% 42% n.b.
  Bron: NWO COOL-Cohortonderzoek Peildatum: 2005 Peildatum: 2007 Peildatum: 2008 Peildatum: 2011 Peildatum: 2009
5. Rapportcijfer ouders over de kwaliteit van de school van hun kind. 7,5 7,8 7,5 Tenminste 7,5 n.b.
  Bron: Onderwijsmeter Peildatum: 2001 Peildatum: 2007 Peildatum: 2008 Peildatum: 2010 Peildatum: 2009

Toelichting:

1.-2. Nederland behaalde voor rekenen/wiskunde in 2007 een negende plaats en in 2006 voor begrijpend lezen een twaalfde plaats. Rekenen-wiskunde wordt vierjaarlijks en begrijpend lezen wordt vijfjaarlijks gemeten. De nieuwe gegevens over 2011 zijn beschikbaar in 2012.

3. De indicator over de resultaten van leerlingen uit begroting 2009 is geschrapt, omdat deze relatief is. Daarom wordt gezocht naar een absolute indicator.

4. Het aantal havo/vwo-adviezen aan het eind van de basisschool is toegenomen in de periode 2005 tot en met 2008 van 38% naar 41,5%.

In het schooljaar 2011–2012 komen de nieuwe gegevens beschikbaar van het NWO COOL-Cohortonderzoek; gerealiseerd 2009 is daarom aangegeven met n.b.

5. De ouders zijn over het algemeen positief over de basisschool van hun kind(eren). De Onderwijsmeter, waaruit deze gegevens afkomstig zijn, wordt vanaf 2008 tweejaarlijks afgenomen. In 2010 vindt weer een meting plaats.

Een meer gedetailleerd beeld van het primair onderwijs kan worden verkregen in Bestel in Beeld 2009 en het Onderwijsverslag 2008–2009.

Voor alle operationele doelstellingen zijn naast de kwantitatieve gegevens, voor de mate waarin deze operationele doelstelling wordt behaald, ook de kwalitatieve gegevens relevant. In het «overzicht afgeronde onderzoeken» (tabel 1.14) zijn deze onderzoeken opgenomen.

1.2 Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 1.2 Budgettaire gevolgen van beleid artikel 1 (x € 1 000)
          Realisatie Vastgestelde begroting Verschil
  2005 2006 2007 2008 2009 2009 2009
Verplichtingen 7 922 743 12 891 139 8 789 236 9 282 969 9 625 193 9 111 972 513 221
Waarvan garantieverplichtingen 0 0 0 20 500      
Totale uitgaven 7 881 588 8 314 990 8 599 849 8 981 019 9 567 428 9 113 188 454 240
               
Programma-uitgaven 7 875 870 8 309 235 8 593 248 8 974 817 9 562 350 9 107 224 455 126
               
Leerlingen volgen onderwijs op voldoende toegeruste scholen voor primair onderwijs 7 490 638 7 892 964 8 114 122 8 529 215 9 062 212 8 793 332 268 880
• Personele bekostiging 6 475 172 6 798 731 7 012 084 7 411 429 7 873 478 7 644 629 228 848
• Materiële bekostiging 966 397 1 041 296 1 068 875 1 089 307 1 145 841 1 106 363 39 478
• Verbeteren binnenmilieu 0 0 0 1 354 1 775 2 700 – 926
• Onderwijspersoneelsbeleid 23 033 26 600 8 176 4 603 6 432 5 493 939
• Invoering onderwijsnummer 7 672 5 838 4 409 4 116 3 552 5 224 – 1 672
• Humanistisch vormend en godsdienst onderwijs 0 0 0 1 963 5 529 5 000 529
• Versterken positie ouders 2 417 2 625 2 763 3 113 3 159 3 494 – 335
• Aanpak (zeer) zwakke scholen 0 0 0 180 989 0 989
• Overig 15 946 17 874 17 815 13 150 21 458 20 429 1 029
               
Leerlingen volgen onderwijs van hoge kwaliteit 76 618 80 417 57 348 45 155 49 980 38 988 10 992
• Verbeteren van taal- en rekenopbrengsten 918 4 381 2 638 12 789 20 680 25 940 – 5 260
• Leer- en hulpmiddelen 0 0 0 0 0 0 0
• Excellentie en talentontwikkeling 0 0 0 920 2 970 3 000 – 30
• Vergroten kwaliteitszorg 675 505 411 632 0 600 – 600
• Verbreding techniek in het basisonderwijs 150 230 1 245 7 875 8 071 7 881 190
• Cultuur en school 5 812 7 605 15 700 16 774 18 119 0 18 119
• Schoolbegeleiding 65 473 66 736 35 787 4 142 37 1 298 – 1 261
• Overig 3 590 960 1 567 2 023 102 269 – 167
               
Leerlingen kunnen zonder drempels het primair onderwijs volgen dat het beste past bij hun talenten en specifieke behoeften 257 465 228 642 304 841 353 439 371 147 344 899 26 248
• Passend onderwijs, WSNS en LGF 34 721 34 244 60 512 39 258 58 108 54 405 3 703
• Onderwijsachterstandenbeleid(o.a. GOA/OAB, VVE, schakelklassen) 205 481 170 480 216 493 283 542 266 260 258 282 7 978
• Segregatie 0 0 0 2 092 930 1 000 – 70
• Onderwijsvoorziening jonggehandicapten         16 454 0 16 454
• Faciliteiten zieke leerlingen 6 085 6 126 6 224 6 583 6 872 6 571 301
• Veiligheid op school 8 758 15 906 21 262 21 614 22 217 22 844 – 627
• Overig 2 420 1 886 350 350 306 1 798 – 1 492
               
Leerlingen krijgen een beter aanbod van aansluitende voorzieningen in en om de school 8 514 68 238 68 091 5 776 31 493 28 110 3 383
• Brede scholen 395 28 520 31 676 970 28 931 15 741 13 190
• Dagarrangementen en combinatiefuncties 0 18 466 465 673 2 345 8 000 – 5 655
• Tussenschoolse opvang 8 119 3 298 3 569 3 937 – 5 4 274 – 4 279
• Buitenschoolse opvang 0 17 954 32 121 88 160 85 75
• Overig 0 0 260 108 62 10 52
               
Voorcalculatorische uitdelingen 0 0 0 0 0 – 134 558 134 558
               
Programmakosten-overig 42 635 38 974 48 847 41 232 47 518 36 453 11 065
• Uitvoeringsorganisatie IBG 11 497 10 936 18 616 16 928 23 204 16 629 6 575
• Uitvoeringsorganisatie CFI 31 138 28 038 30 231 24 304 24 314 19 824 4 490
               
Apparaatsuitgaven 5 718 5 754 6 600 6 202 5 078 5 964 – 886
Ontvangsten 43 151 115 932 101 845 71 405 61 435 21 936 39 499

Toelichting:

De realisatie van de uitgaven in het primair onderwijs ligt circa € 454 miljoen hoger dan oorspronkelijk is begroot. De realisatie van de ontvangsten is circa € 39 miljoen hoger dan oorspronkelijk is geraamd. Hieronder worden de grootste verschillen toegelicht.

• Personele en materiële bekostiging: Het verschil tussen de oorspronkelijke raming en de realisatie wordt voor het overgrote deel verklaard door toevoeging van de loon- en prijsbijstelling 2009 aan het oorspronkelijke budget. Daarnaast is ten gevolge van de «leerlingontwikkeling» een bedrag van circa € 16 miljoen aan het oorspronkelijke budget toegevoegd.

• Verbeteren binnenmilieu: De onderuitputting betreft met name de subsidieregeling verbeteren binnenmilieu voor scholen in het primair onderwijs. Van de verwachte 1 677 scholen hebben er 1 183 in 2009 een subsidiebeschikking gekregen. Naar verwachting zullen de resterende scholen in 2010 een beschikking krijgen.

• Invoering Onderwijsnummer: Voor de uitvoeringskosten van het onderwijsnummer is circa € 1,2 miljoen overgeboekt naar IBG en de CFI. In de tabel staan deze uitgaven onder de «programmakosten overig» Daarnaast is circa € 0,5 miljoen aan programmakosten niet gerealiseerd.

• Aanpak zwakke scholen: In de oorspronkelijke begroting waren hiervoor geen aparte middelen opgenomen. Om het aantal zwakke scholen omlaag te krijgen is tot een versnelling van de aanpak besloten en is in 2009 circa € 1 miljoen voor dit doel vrijgemaakt.

• Verbeteren van taal- en rekenopbrengsten: De onderuitputting van ruim € 5 miljoen betreft met name de enveloppenmiddelen die oorspronkelijk voor leermiddelen en compensatie eindtoets bestemd waren. Omdat deze eindtoets niet langer verplicht wordt, worden deze middelen in 2010 voor kwaliteit in brede zin herbestemd.

• Vergroten kwaliteitszorg: Vanaf begroting 2010 is het budget van deze doelstelling toegevoegd aan de doelstelling verbeteren taal- en rekenopbrengsten. Vooruitlopend daarop zijn de uitgaven in 2009 al gerealiseerd op de doelstelling verbeteren taal- en reken opbrengsten.

• Cultuur en School: Het verschil van ruim € 18 miljoen ontstaat omdat in de oorspronkelijke begroting het budget voor Cultuur en School nog op artikel 14 (Cultuur) staat.

• Passend onderwijs, WSNS en LGF: Op dit instrument is ruim € 3 miljoen meer uitgegeven dan oorspronkelijk is begroot. Het betreft met name de toegevoegde loonbijstelling 2009 en een verschuiving van het oorspronkelijke budget ten laste van het instrument «overige uitgaven».

• Onderwijsachterstandenbeleid GOA/OAB, VVE en schakelklassen: Aan het oorspronkelijke budget is circa € 9 miljoen loonbijstelling toegevoegd. Daarnaast zijn voor VVE enveloppenmiddelen en overlopende verplichtingen toegevoegd (circa € 23 miljoen) en heeft een aftrek van € 10 miljoen plaatsgevonden die in 2008 versneld beschikbaar was gesteld aan scholen. Voorts is van het oorspronkelijke budget voor onderwijsachterstanden een bedrag van circa € 14 miljoen uitgeput onder het instrument personele bekostiging.

• Onderwijsvoorziening jonggehandicapten: Vanaf 1 januari 2009 staat het budget voor de verstrekking van de onderwijsvoorzieningen voor jonggehandicapten op de begroting van het ministerie van OCW. Voorheen was het ministerie van SZW hiervoor verantwoordelijk. Voor 2009 is de realisatie iets lager dan oorspronkelijk begroot.

• Overige uitgaven «zonder drempels»: De onderuitputting op dit instrument betreft voor het overgrote deel een verschuiving van het oorspronkelijke budget. Daarin was ten onrechte een bedrag van € 1,3 miljoen opgenomen dat hoorde bij het instrument passend onderwijs, WSNS en LGF.

• Brede scholen: Het oorspronkelijke budget is verhoogd met circa € 24 miljoen aan FES-middelen en verlaagd met circa € 8 miljoen die naar het Gemeentefonds is overgeboekt voor combinatiefuncties onderwijs, sport en cultuur. Daarnaast heeft een onderuitputting plaatsgevonden van circa € 3 miljoen.

• Dagarrangementen en combinatiefuncties: Bij de regeling dagarrangementen en combinatiefuncties is een onderuitputting van circa € 6 miljoen opgetreden. Het gereserveerde bedrag was bedoeld voor de laatste 20% betaling van de aangevraagde bedragen. Veel gemeenten hebben echter minder uitgegeven dan oorspronkelijk was aangevraagd en ontvingen de laatste betaling geheel of gedeeltelijk niet. Daardoor ligt de totale nabetaling lager dan was geraamd.

• Tussenschoolse opvang: Het budget voor de uitvoering van de regeling stimulering tussenschoolse opvang (circa € 4,3 miljoen voor 2009 en 2010) is overgeboekt naar artikel 24 kinderopvang waar het wordt uitgeput.

• Uitvoeringsorganisatie IBG: Aan het oorspronkelijke budget is een bedrag van € 5 miljoen toegevoegd door hogere uitvoeringskosten van de IBG voor de invoering van het persoonsgebonden nummer in het PO. Verder is € 1,9 miljoen aan het budget toegevoegd voor de WIA Onderwijsvoorzieningen. De uitvoering van de WIA is namelijk door het ministerie van OCW overgenomen van het ministerie van SZW. Het restant wordt verklaard door lagere uitvoeringskosten van de Bovenwettelijke WW en de Wachtgeldregeling.

• Uitvoeringsorganisatie CFI: Door een andere verdeling van de uitvoeringskosten van CFI over de directies binnen OCW, zijn de kosten voor reguliere werkzaamheden € 2 miljoen hoger. Het oorspronkelijke budget is ook verhoogd met middelen voor de uitvoering door CFI van onder andere de projecten Passend onderwijs, het Onderwijsnummer, Beleidsinformatie Onderwijsnummer PO, Stimuleringsregeling brede school, en Excellente leerlingen.

• Ontvangsten: Het verschil tussen de realisatie en de oorspronkelijke begroting wordt met name veroorzaakt door de grotere realisatie van de FES-ontvangsten van circa € 25 miljoen, ontvangsten afrekening en voorgaande jaren van circa € 9 miljoen, en een ontvangst van het Participatiefonds van € 5 miljoen die oorspronkelijk niet waren voorzien.

• Apparaatsuitgaven: Het verschil tussen de realisatie en de oorspronkelijke raming wordt grotendeels verklaard door het feit dat de oorspronkelijke raming nog circa € 1 miljoen aan middelen bevatte die inmiddels zijn overgeboekt naar artikel 24 Kinderopvang.

1.3 Operationele beleidsdoelstelling

1.3.1 Leerlingen volgen onderwijs op voldoende toegeruste scholen voor primair onderwijs

De overheid heeft de verantwoordelijkheid om scholen goed toe te rusten, zodat scholen in staat zijn om te voldoen aan eisen voor toegankelijkheid en kwaliteit. Scholen en schoolbesturen moeten kunnen inspelen op de specifieke omstandigheden en onderwijs op maat bieden. De lumpsumbekostiging stelt hen daarbij in staat om zelf af te wegen hoe het beschikbare budget het beste kan worden ingezet. Hierover verantwoordt het bestuur zich.

Doelbereiking

De aanpak van zeer zwakke scholen is in 2009 verder ter hand genomen (zie ook tabel 1.9). In februari 2010 is het wetsvoorstel «Goed Onderwijs, Goed Bestuur» aangenomen door de Eerste Kamer (Eerste Kamer, vergaderjaar 2009–1010, 31 828 A en B). In het belang van de leerlingen beoogt dit wetsvoorstel:

• eisen te stellen voor de minimumkwaliteit van de scholen;

• de daarbij te volgen procedure door de Inspectie van het Onderwijs voor te schrijven;

• mogelijkheid de bekostiging van een school te beëindigen bij aanhoudend slecht onderwijs;

• de minister de mogelijkheid te geven het bestuur van een school een aanwijzing te geven als er sprake is van bestuurlijk wanbeheer. Met deze aanwijzing kan van het schoolbestuur worden verlangd dat bepaalde maatregelen genomen worden. De aanwijzing kan bijvoorbeeld inhouden dat het schoolbestuur wordt gevraagd één of meer bestuurders of toezichthouders te vervangen, of zich te laten ondersteunen door externe deskundigen. Wanneer de aanwijzing niet door het schoolbestuur wordt opgevolgd kan een bekostigingssanctie volgen.

Tot slot bevat het wetsvoorstel bepalingen die de verdere ontwikkeling van principes van goed bestuur stimuleren. Het gaat dan om de functiescheiding van bestuur en intern toezicht binnen de onderwijsorganisatie en om het ontwikkelen van een gedragscode voor goed bestuur per onderwijssector. De PO-raad ontwikkelt deze code in het voorjaar van 2010.

Instrumenten

Tabel 1.3 Instrumenten
Jaar 2009 Realisatie
1. Personele bekostiging: Schoolbesturen ontvangen op basis van leerlingaantallen en leerling-kenmerken, de gemiddelde leeftijd van leraren en het opleidingsniveau van ouders een lumpsumbekostiging van de rijksoverheid om personeel aan te kunnen stellen. Ja
2. Personele bekostiging: In deze kabinetsperiode zal een eerste experimentele stap worden gezet naar decentralisatie van de vervanging van leraren. Nee
3. Materiële bekostiging: Het Rijk verstrekt schoolbesturen een lumpsumbekostiging voor de materiële instandhouding van scholen, die gebaseerd is op programma’s van eisen. Ja
4. Verbeteren binnenmilieu basisscholen: De GGD bezoekt in de komende 5 jaar scholen voor basisonderwijs. Bij deze bezoeken ontvangt de school een informatiepakket, een CO2-meter en een bouwtechnisch advies op maat. Verder krijgen alle scholen in het primair onderwijs een (eenmalige) financiële bijdrage voor verbeteringen van het binnenmilieu. Ja
5. Onderwijspersoneelsbeleid: Zie beleidsartikel 9, Arbeidsmarkt- en Personeelsbeleid. Ja
6. Invoering onderwijsnummer: In 2009 hebben scholen de gelegenheid gekregen om de kwaliteit van de gegevens in hun leerlingenadministratie te verbeteren en daarna om kennis te maken met de nieuwe manier van uitwisseling van persoonsgegevens met de IBG. Ja
7. Invoering onderwijsnummer: In 2009 zullen de softwareleveranciers, CFI en de IBG hun systemen zo testen en verbeteren, dat het zo gemakkelijk mogelijk wordt gemaakt voor de scholen. Ja
8. Invoering onderwijsnummer: Scholen worden geïnformeerd en krijgen ondersteuning via een helpdesk. Het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de besturenorganisaties werken daarin samen. Ja
9. Versterken positie ouders: De vier landelijk ouderorganisaties versterken de medezeggenschapsfunctie van ouders door het geven van cursussen en ondersteuning. Zij voeren projecten uit die de deskundigheid van ouders bevordert en de samenwerking tussen ouders, school en andere opvoeders verbetert. Ja

Toelichting:

2. Voor de experimentele stap, een andere vorm van bekostiging, waren onvoldoende aanmeldingen: deze ging daarom niet door. De werkgevers- en de werknemersorganisaties hebben aangegeven te zoeken naar mogelijkheden het huidige stelsel te moderniseren.

Realisatie meetbare gegevens bij de operationele doelstelling

Tabel 1.4 Indicatoren
Indicator Basiswaarde Realisatie 2007 Realisatie 2008 Streefwaarde Realisatie 2009
Het percentage scholen waar de leraren efficiënt gebruik maken van de geplande onderwijstijd. 92,4% 95,3% 96,6% 97% 96,8%
Bron: Inspectie van het Onderwijs Peildatum: 2003/2004 Peildatum: 2006/2007 Peildatum: 2007/2008 Peildatum: 2010/2011 Peildatum: 2008/2009

Toelichting:

De basiswaarde in de begroting 2009 (91,4%) bevatte een typefout en is daarop gecorrigeerd.

Het percentage scholen dat efficiënt omgaat met de onderwijstijd is in de afgelopen jaren gestegen en wordt hoog genoemd door de Inspectie van het Onderwijs. De lichte daling van de realisatie (0,2%) is een dermate kleine fluctuatie in de meting dat deze vooralsnog als onproblematisch wordt gekarakteriseerd.

Omdat de eerdere streefwaarde (96%) uit de begroting van 2009 is gerealiseerd, is de streefwaarde verhoogd naar 97.

Tabel 1.5: Leerlingen primair onderwijs (x 1 000)
  Realisatie Raming
  2005 2006 2007 2008 2009 2009
Leerlingen basisonderwijs            
– geen gewicht 1 199,8 1 233,2 1 275,9 1 316,6 1 340,9 1 325,0
– 0.25 158,5 116,6 74,6 37,5 0,0 0,0
– 0.3 0,0 36,5 66,0 89,0 119,7 131,9
– 0.4 1,1 1,0 0,7 0,4 0,0 0,0
– 0.7 2,9 2,1 1,4 0,7 0,0 0,0
– 0.9 186,8 137,2 89,8 47,3 0,0 0,0
– 1.2 0,0 21,8 43,5 61,6 87,4 87,9
Subtotaal* 1 549,1 1 548,4 *1 551,8 *1 553,0 *1 548,0 1 544,8
Leerlingen trekkende bevolking 0,5 0,5 0,5 0,4 0,5 0,5
Totaal 1 549,6 1 548,9 1 552,3 1 553,5 1 548,4 1 545,3
Leerlingen in het speciaal basisonderwijs 48,3 46,3 44,9 44,1 43,3 43,1
– waarvan anderstalige leerlingen 9,3 8,7 8,6 8,4 8,4 8,3
Leerlingen in het (voortgezet) speciaal onderwijs 60,1 63,3 65,0 66,8 68,5 69,0
– waarvan anderstalige leerlingen 11,3 11,1 11,5 11,4 11,6 11,7
Ambulant begeleide leerlingen 20,5 29,1 35,5 39,4 42,4 40,2
Aantal leerlingen in eerste opvang leerplichtige asielzoekers 1,2 0,9 0,9 0,9 0,9 0,9

Bron: Referentieraming 2010, raming op teldatum 1 oktober van de respectievelijke jaren. De realisatie voor 2009 is op basis van een voorlopige telling.

* subtotaal geeft een kleine afwijking door het afronden van de aantallen.

NB: De gewichtenregeling is herzien per 1 augustus 2006. Hierdoor zijn twee nieuwe gewichten (0.3 en 1.2) ingevoerd. Per 1 oktober 2009 is de oude gewichtenregeling afgebouwd.

Tabel 1.6: (Gesaldeerde) uitgaven per leerling, excl. IBG, CFI en apparaatskosten (x € 1 000)
  Realisatie Raming
  2005 2006 2007 2008 2009 2009
WPO: basisonderwijs en speciaal basisonderwijs 4,3 4,4 4,5 4,7 5,0 4,8
WEC: (voortgezet) speciaal onderwijs 16,1 17,4 18,7 19,9 21,6 20,3
Primair onderwijs 4,7 4,9 5,1 5,3 5,7 5,5

Bron: CFI-tellingen, op teldatum 1 oktober van de respectievelijke jaren. De realisatie voor 2009 is op basis van een voorlopige telling.

Tabel 1.7: Aantal scholen in het primair onderwijs
  Realisatie Raming
  2005 2006 2007 2008 2009 2009
Scholen voor basisonderwijs 6 953 6 929 6 898 6 892 6 882 6 898
Scholen voor speciaal basisonderwijs 326 320 316 313 311 316
Scholen voor (voortgezet) speciaal onderwijs 323 323 323 323 324 323
Totaal primair onderwijs 7 602 7 572 7 537 7 528 7 517 7 537

Bron: CFI-tellingen, op teldatum 1 oktober van de respectievelijke jaren. De realisatie voor 2009 is op basis van een voorlopige telling.

1.3.2. Leerlingen volgen onderwijs van hoge kwaliteit

Het primair onderwijs moet het voor de leerling mogelijk maken naar die vorm van voortgezet onderwijs te gaan die het beste aansluit bij zijn capaciteiten. Dit vraagt om kwalitatief goed primair onderwijs. De Inspectie van het Onderwijs houdt toezicht op de kwaliteit van het onderwijs en rapporteert hierover in het Onderwijsverslag.

Doelbereiking

De Inspectie van het Onderwijs is over het geheel genomen positief over de ontwikkelingen in het primair onderwijs. Op de meeste gebieden is sprake van stabilisatie of lichte verbetering van de kwaliteit.

In 2009 lag de focus van de «Kwaliteitsagenda Primair Onderwijs, Scholen voor morgen»,Tweede Kamer, 2007–2008, 31 293, nr. 1, op het inzetten en intensiveren van de instrumenten. Eind 2009 is het aantal taal- en rekenverbetertrajecten uitgebreid met 350 scholen en zijn nog eens 60 scholen gestart met intensieve rekentrajecten. Eind 2009 zijn in totaal circa 1 750 basisscholen aan de slag met taal- en rekenverbetertrajecten.

Daarnaast is, om het verspreiden van kennis en uitkomsten van de verbetertrajecten te bevorderen, het project «Alle scholen in beweging» opgezet. Scholen kunnen via internet goede praktijkvoorbeelden raadplegen, informatie opdoen en voorbeeldscholen opzoeken die zelfstandig bezocht kunnen worden. Schoolbesturen kunnen bovendien vouchers aanvragen (500 beschikbaar voor het schooljaar 2009–2010) voor het laten uitvoeren van een taal- of rekenaudit, de komst van de taal/lees- of rekenbus of om samen met een expert een bezoek te brengen aan een «school in beweging». Laatstgenoemde heeft aantoonbaar en duurzaam haar taal- of rekenonderwijs verbeterd en wil collega-scholen stimuleren aan de slag te gaan met dergelijke verbeteringen.

Ook het project «Impuls opbrengstgericht werken» draagt bij aan het verspreiden van hiervoor genoemde effectieve aanpakken. Dit project is het najaar van 2009 gestart om het opbrengstgericht werken op basisscholen extra te stimuleren. In dit kader zijn onder andere vier regionale conferenties georganiseerd; de overige conferenties zijn gepland in 2010.

Om excellentie te stimuleren is gestart met een digitale leeromgevingwww.acadin.nl. Ook is in 2009 het Orion Programma gestart voor het ontwikkelen van wetenschapsknooppunten. Dit zijn samenwerkingsverbanden tussen universiteiten en scholen voor basis- en voortgezet onderwijs, gericht op het bieden van wetenschapsactiviteiten voor (excellente) leerlingen. Hiernaast zijn door de regeling excellentie 28 lokale projecten gesubsidieerd. In deze projecten werken meer dan 350 basisscholen aan innovatieve aanpakken voor cognitief talentvolle leerlingen.

Instrumenten

Tabel 1.8 Instrumenten
Jaar 2009 Realisatie
1. Verbeteren taal- en rekenopbrengsten: Ingezet wordt op de uitwerking en normering van referentieniveaus, zoals geadviseerd door de projectgroep Doorlopende Leerlijnen, en voor het ontwikkelen van didactische leer- en hulpmiddelen om de referentieniveaus te realiseren. Ja
2. Verbeteren taal- en rekenopbrengsten: De referentieniveaus bieden scholen meer duidelijkheid en focus bij het taal- en rekenonderwijs. Om leraren te ondersteunen worden ze in 2009 vertaald naar tussendoelen en leerlijnen taal en rekenen/wiskunde en naar leerlingvolgsystemen en toetsen. Nee
3. Verbeteren taal- en rekenopbrengsten: Voor leerlingen die zwak zijn in taal en rekenen, worden de consequenties van de referentieniveaus zorgvuldig in kaart gebracht. Nee
4. Verbeteren taal- en rekenopbrengsten: Samenwerkende scholen kunnen subsidieaanvragen indienen voor verbetertrajecten waarmee bewezen effectieve aanpakken worden verspreid en toegepast. Ja
5. Toezicht zeer zwakke scholen: De Inspectie van het Onderwijs houdt intensief toezicht op zeer zwakke scholen. Ook besteedt de Inspectie van het Onderwijs veel aandacht aan preventie omdat voorkomen beter is dan genezen. Daarnaast maakt de Inspectie van het Onderwijs analyses van de zeer zwakke scholen. Deze analyses zijn de basis voor afspraken met sectororganisaties en medeoverheden als er sprake is van een concentratie van zeer zwakke scholen. De sectororganisaties ondersteunen ook individuele zeer zwakke scholen en zijn verenigd in het steunpunt «Zeer Zwakke Scholen». Ja
6. Toezicht zeer zwakke scholen: Tegen scholen die er niet in slagen hun prestaties te verbeteren wordt strenger opgetreden. In verband hiermee is het wetsvoorstel «Goed onderwijs en goed bestuur» ontwikkeld. Ja
7. Excellentie en talentontwikkeling: Om excellentie te stimuleren op de basisschool wordt een regeling opgesteld waarmee op lokaal niveau innovatieve projectvoorstellen kunnen worden ontwikkeld die gericht zijn op een duurzame versteviging van de aandacht voor dit onderwerp op de basisscholen. Ja

Toelichting:

1. Op 7 oktober 2009 is het «Referentiekader» naar de Tweede Kamer gestuurd; Tweede Kamer, vergaderjaar 2009–2010, 31 332, nr. 10.

  Het proces van de instrumenten 2 en 3 loopt.

2. In 2009 zijn de marktpartijen gestart hun producten aan te passen aan het «Referentiekader». De Stichting Leerplan Ontwikkeling (SLO) heeft als startpunt onderzocht in welke mate de referentieniveaus in de actuele methoden aan bod komen. OCW stimuleert de onderlinge samenhang tussen methoden van leerlijnen en toetsen. Hiertoe heeft in 2009 een conferentie plaatsgevonden van de gemeenschappelijke educatieve uitgeverijen, waarbij tevens toetsmakers en leerlijnontwikkelaars samen zijn gebracht. Om vast te stellen of toetsen de referentieniveaus dekken, wordt in 2010 een onafhankelijke ijkingscommissie ingesteld.

3. De eerste aanzet is medio 2009 gegeven in een expertmeeting. Om het huidige niveau te bepalen, onderzoekt het Cito begin 2010 waar de zorgleerlingen in het speciaal (basis-)onderwijs ten opzichte van de referentieniveaus staan. Deze meting zal ook dienen als een nulmeting. De zorgleerlingen in het basisonderwijs worden in de tweede meting meegenomen. Ter borging van de zorgvuldige invoering van de referentieniveaus voor de zorgleerlingen, zijn activiteiten ontplooid. Voorbeelden hiervan zijn: het ontwikkelen van leerroutes, het opstellen van het protocol «Ernstige RekenWiskunde-problemen en Dyscalculie (ERWD)» en de ontwikkeling van een leerlingvolgsysteem voor leerlingen in het speciaal basisonderwijs en in het speciaal onderwijs.

Realisatie meetbare gegevens bij de operationele doelstelling

Tabel 1.9 Indicatoren
Indicator Basiswaarde Realisatie Realisatie Streefwaarde Realisatie
    2007 2008   2009
1. Gemiddelde vaardigheidscores taal in groep 8. vervalt vervalt vervalt vervalt vervalt
2. Gemiddelde vaardigheidscores begrijpend lezen in groep 8. vervalt vervalt vervalt vervalt vervalt
3. Gemiddelde vaardigheidscores rekenen in groep 8. vervalt vervalt vervalt vervalt vervalt
4. Nieuw gemiddelde taalvaardigheidscores in groep 8 van het basisonderwijs          
  a. woordenschat 250 nieuw 250 ≥ 250 249
  b. spelling 250 nieuw 250 ≥ 250 250
  c. begrijpend lezen. 250 nieuw 250 ≥ 250 252
  Bron: Cito – Jaarlijks Peilingsonderzoek van het Onderwijsniveau Peildatum: 2008 Peildatum: 2007 Peildatum: 2008 Peildatum: 2009 Peildatum: 2008/2009
5. Gemiddelde rekenvaardigheidscores in groep 8 van het basisonderwijs          
  a. Getallen en bewerkingen 250 nieuw 250 ≥ 250 250
  b. Breuken, procenten en verhoudingen 250 nieuw 250 ≥ 250 250
  c. Meten, meetkunde, tijd en geld. 250 nieuw 250 ≥ 250 249
  Bron: Cito – Jaarlijks Peilingsonderzoek van het Onderwijsniveau Peildatum: 2008 Peildatum: 2007 Peildatum: 2008 Peildatum: 2009 Peildatum: 2008/2009
6. Percentage scholen dat systematisch de kwaliteit evalueert van haar opbrengsten en het leren en onderwijzen. 43,6% 38,7% 52,4% 58% 54,1%
  Bron: Inspectie van het Onderwijs Peildatum: 2003/2004 Peildatum: 2006/2007 Peildatum: 2007/2008 Peildatum: 2008/2009 Peildatum: 2008/2009
7. Percentage scholen dat voldoende scoort op kwaliteitskenmerk instructie. 96,7% 96,6% 94,9% 96% 97,2%
  Bron: Inspectie van het Onderwijs Peildatum: 2003/2004 Peildatum: 2006/2007 Peildatum: 2007/2008 Peildatum: 2008/2009 Peildatum: 2008/2009
8. Rapportcijfers ouders over de kwaliteit van de leraar van het kind. 7,7 7,9 7,7 7,7 n.b.
  Bron: Onderwijsmeter Peildatum: 2005 Peildatum: 2007 Peildatum: 2008 Peildatum: 2011 Peildatum: 2009
9. Percentage zeer zwakke scholen in het basisonderwijs. 1,4% 1,4% 1,5% 0.65% 1.3%
  Bron: Inspectie van het Onderwijs Peildatum: 01.01.2006 Peildatum: 01.01.2008 Peildatum: 01.01.2009 Peildatum: 01.01.2011 Peildatum: 01.01.2010

Toelichting:

1.–3. De indicatoren 1, 2 en 3 voor taal- en rekenvaardigheid in groep 8, gebaseerd op het NWO Cohortonderzoek zijn vervangen door de indicatoren 4 en 5. Deze gegevens zijn gebaseerd op onderzoek dat het Cito tot en met 2011 uitvoert; nulmeting in 2008. Daarmee zijn jaarlijks gegevens beschikbaar over taal- en rekenvaardigheid in plaats van driejaarlijks. Deze indicatoren sluiten ook aan bij de doelstellingen van de «Kwaliteitsagenda Primair Onderwijs, Scholen voor morgen».

4. De resultaten van het jaarlijkse peilingonderzoek naar het onderwijsniveau van het CITO laten zien dat de prestaties van de leerlingen in 2009 stabiel zijn ten opzichte van de prestaties in 2008. Dat geldt voor basisvaardigheden taal en rekenen. Dat de resultaten van de leerlingen niet in grote mate verschillen is logisch. Het vergt enige tijd voordat de activiteiten van scholen effect hebben op de leerlingprestaties. Dat geldt in nog veel sterker mate voor activiteiten die vanuit het departement worden ondernomen. Uit de resultaten blijkt dat de achteruitgang van de basisvaardigheden tot stilstand is gekomen.

5. Zie opmerkingen toelichting 4.

6. De streefwaarde: scholen die systematisch de kwaliteit evalueren, is in de «Kwaliteitsagenda Primair Onderwijs, Scholen voor morgen» verhoogd naar 58% voor het schooljaar 2008–2009. Door de constatering dat de ontwikkelingen op het gebied van kwaliteitszorg geen gelijke tred hielden met de ambities, heeft in het najaar van 2009 een beleidsintensivering plaatsgevonden: de «Impuls opbrengstgericht werken».

7. Het kwaliteitskenmerk instructie is met ruim 2% verbeterd ten opzichte van het vorige jaar en daarmee is de streefwaarde 2008–2009 gehaald. De streefwaarde 98% voor 2011 komt hiermee in zicht.

8. De resultaten van de Onderwijsmeter zijn medio 2010 beschikbaar. De realisatie 2009 is daarom aangegeven met n.b.

9. Op 1 januari 2010 waren er 96 zeer zwakke scholen voor basisonderwijs; nagenoeg gelijk aan het aantal zeer zwakke scholen in november 2007. Het beleidsdoel is dus nog niet gehaald. De oorzaak hiervan is een aanscherping van het toezicht van de Inspectie van het Onderwijs, waardoor scholen eerder als zeer zwak worden beoordeeld, terwijl de effecten van enkele genomen maatregelen pas in 2010 zichtbaar worden. Voorbeelden van deze maatregelen zijn de projecten uit de «Kwaliteitsagenda Primair Onderwijs, Scholen voor morgen» (zie eerder in deze paragraaf), ondersteuning van besturen en schoolleiders van zeer zwakke scholen, bestuurlijke krachtenbundeling waar concentraties van zeer zwakke scholen zijn en de inzet van analyseteams door de PO-raad. Omdat het aantal zeer zwakke scholen niet snel genoeg afneemt is, in aanvulling op de eerder genomen maatregelen, het project «Vliegende Brigades» gestart. Zij helpen zeer zwakke scholen met het verbeteren van het onderwijsleerproces.

1.3.3. Leerlingen kunnen zonder drempels primair onderwijs volgen dat het beste past bij hun talenten en specifieke behoeften

Sommige leerlingen zijn zonder extra zorg niet of niet goed in staat om (regulier) onderwijs te volgen, bijvoorbeeld leerlingen met leermoeilijkheden, grote leerachterstanden of leerlingen met een handicap of stoornis. Voor kinderen met laag opgeleide ouders, die een grotere kans hebben op onderwijsachterstand, en voor scholen in achterstandsgebieden (impulsgebieden) biedt de gewichtenregeling extra middelen voor de basisscholen. Voor leerlingen met een handicap of stoornis zijn er speciale basisscholen en scholen voor (voortgezet) speciaal onderwijs. Leerlingen met een indicatie voor (voortgezet) speciaal onderwijs kunnen ook, met een rugzakje (Leerlinggebonden Financiering, LGF), naar een reguliere basisschool.

Voor leerlingen die extra ondersteuning nodig hebben, wordt in de beleidsuitvoering nauw aangesloten bij het beleidsprogramma van de minister voor Jeugd en Gezin. Hij is namelijk verantwoordelijk voor de zorg in de school die vanuit het gemeentelijke en het preventieve domein wordt geleverd.

Doelbereiking

Het doel is: aanbod van passend onderwijs aan alle leerlingen. Daartoe wordt gestreefd naar verbetering van de organisatie en de kwaliteit van het onderwijs aan deze leerlingen.

Medio 2009 is het project «Passend onderwijs» heroverwogen en in november is gekozen voor een andere koers;Tweede Kamer, vergaderjaar 2009–2010, 31 497, nr. 17.

De kerndoelen voor het speciaal onderwijs zijn in 2009 van kracht geworden. Ook de taal- en rekenverbetertrajecten zijn in volle gang. De ontwikkeling van een aangepast leerlingvolgsysteem voor het speciaal onderwijs en voor zorgleerlingen in het reguliere onderwijs verloopt goed; zie ook paragraaf 1.3.2. De belangstelling uit het veld is groot.

De gewichtenregeling is per schooljaar 2009–2010 iets aangepast: de drempel is verlaagd van 6,4 naar 6%, zodat scholen eerder in aanmerking kunnen komen voor extra financiering. Tevens zijn er impulsgebieden ingevoerd: elke school in zo’n gebied met een leerling met een gewicht hoger dan 1, krijgt een extra bedrag; voor de impulsregeling geldt géén drempel. De impulsgebieden zijn die (postcode)gebieden waar volgens het CBS/SCP «Armoedemonitor» een opeenstapeling is van lage inkomens en veel uitkeringen (hoge werkloosheid). Door deze regeling komen ook plattelandsgebieden eerder in aanmerking voor extra financiering (de beschikbare middelen worden breder over het land en de schoolbesturen verdeeld).

Uit monitorgegevens van Sardes blijkt dat het bereik van de voorschoolse doelgroep inmiddels op 80% ligt. Het wetsvoorstel «Ontwikkelingskansen door kwaliteit en educatie» dat verdere harmonisering van kwaliteit van peuterspeelzalen en voorschoolse educatie tot stand zal brengen, is in 2010 bij de Eerste Kamer ingediend; Eerste Kamer, vergaderjaar 2009–2010, 31 989, A.

Instrumenten

Tabel 1.10 Instrumenten
Jaar 2009 Realisatie
1. Passend onderwijs: In het schooljaar 2008–2009 starten de eerste experimenten en veldinitiatieven. Het gaat om regionale netwerken die «passend onderwijs» vormgeven. Ja
2. Passend onderwijs: In het schooljaar 2008–2009 worden de kerndoelen in het speciaal onderwijsingevoerd. Scholen worden gestimuleerd om te werken met leerlijnen om deze kerndoelen te halen en om hun leermiddelen aan te passen. Ja
3. Passend onderwijs: Ingezet wordt op activiteiten om personeel (na) te scholen. Hierbij zijn de Pabo’s, de lerarenopleidingen en de leerkrachten in het reguliere en het speciale onderwijs betrokken. Ja
4. Onderwijsvoorzieningen voor jongeren met een handicap: Het kabinet beoogt de verantwoordelijkheid voor onderwijsvoorzieningen voor jongeren met een handicap met ingang van 2009 over te hevelen van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid naar de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Ja
5. Onderwijsachterstandenbeleid– gewichtenregeling/impulsgebieden: Het storten van een extra bedrag per gewichtenleerling in de impulsgebieden; zijn postcodegebieden met veel lage inkomens en/of uitkeringen. Ja
6. Onderwijsachterstandenbeleid– voor- en vroegschoolse educatie: Met de besturen- en schoolleiderorganisaties wordt gewerkt aan een agenda «focus op vroegschoolse educatie» om het aanbod van de vroegschoolse educatie uit te breiden en de kwaliteit ervan te verhogen. Ja
7. Onderwijsachterstandenbeleid – Regeling subsidie onderwijstijdverlenging basisonderwijs. Bestemd voor extra onderwijstijd voor taal en rekenen én voor begeleiding bij de overgang van primair naar voortgezet onderwijs (zomerscholen of verlengde schooldag). Ja
8. Onderwijsachterstandenbeleid– voor- en vroegschoolse educatie: Voorstellen voor wet- en regelgeving harmonisatie van de financiering van het peuterspeelzaalwerk, kinderopvang en VVE voorgelegd aan de Eerste Kamer (voor verdere toelichting zie beleidsartikel 24). Ja
9. Segregatie: Uitvoering van pilots in 11 gemeenten om na te gaan welke instrumenten het meest effectief zijn bij het bevorderen van gemengde scholen. Ja
10. Veiligheid op school: OCW houdt door het regelmatig laten uitvoeren van de «quick scan veiligheid» zicht op de ontwikkelingen van het veiligheidsbeleid op scholen. Ja

Realisatie meetbare gegevens bij de operationele doelstelling

Tabel 1.11 Indicatoren
Indicator Basiswaarde Realisatie 2007 Realisatie 2008 Streefwaarde Realisatie 2009
1. Dekkende infrastructuur van regionale verbanden voor zorgleerlingen. wordt herzien wordt herzien wordt herzien wordt herzien wordtherzien
2. Percentage scholen onder geïntensiveerd toezicht: risicovolle, zwakke en zeer zwakke scholen          
  a. voor speciaal basisonderwijs vervalt vervalt vervalt vervalt vervalt
  b. voor (voortgezet) speciaal onderwijs. vervalt vervalt vervalt vervalt vervalt
3. Percentage zeer zwakke scholen:          
  a. in het speciaal basisonderwijs 6,4% n.b. n.b. 3,2% 1,7%
  b. in het (voortgezet) speciaal onderwijs. 5,0% n.b. n.b. 2,5% 2,0%.
  Bron: Inspectie van het Onderwijs Peildatum: 01.01.2007 Peildatum: 01.01.2008 Peildatum: 01.01.2009 Peildatum: 01.01.2012 Peildatum: 01.01.2010
4. Percentage doelgroepleerlingen onder 4- en 5-jarigen dat feitelijk deelneemt aan het VVE-programma. 68% 68% 63% 70% 57%
  Bron: Landelijke monitor VVE, Sardes Peildatum: 2005 Peildatum: 2007 Peildatum: 2008 Peildatum: 2009 Peildatum: 2009
5. Reductie taalachterstand doelgroepleerlingen aan het einde van de basisschool. vervalt vervalt vervalt vervalt vervalt
6. Reductie taalachterstand doelgroepleerlingen aan het einde van de basisschool (nieuwe definitie)          
  a. begrijpend lezen 0% nieuw 0% – 20% n.b.
  b. woordenschat. 0% nieuw 0% – 20% n.b.
  Bron: NWO Cohortonderzoek Peildatum: 2008 Peildatum: 2007 Peildatum: 2008 Peildatum: 2011 Peildatum: 2009

Toelichting:

1. Naar aanleiding van de heroverweging passend onderwijs is het beleid gericht op het vormen van regionale netwerken vervallen. Het bieden van een dekkend aanbod van onderwijszorg komt bij de samenwerkingsverbanden po en vo te liggen, in samenwerking met het (v)so. Daarom komt de huidige indicator te vervallen. Op basis van de uitwerking van de nieuwe beleidsvoornemens worden nieuwe indicatoren bepaald.

2. De indicator over het percentage scholen onder geïntensiveerd toezicht is geschrapt. Hiervoor is indicator 3 in de plaats gekomen. De keuze van indicatoren sluit nu beter aan bij die in de «Kwaliteitsagenda Primair Onderwijs, Scholen voor morgen».

3. De inspanningen voor het bestrijden van het aantal zeer zwakke scholen in het speciaal onderwijs zijn succesvol. De streefwaardes voor volgend jaar zijn nu al ruimschoots gehaald.

  Voor de realisatie 2007 en 2008 is n.b. aangegeven, omdat het onderzoek niet ieder jaar plaatsvond.

4. Scholen hebben tot eind 2009 de gelegenheid gehad om het stimuleringsgeld van € 20 miljoen (in 2008 ter beschikking gesteld voor 2008 en 2009) in te zetten voor vroegschoolse educatie. De effecten daarvan zijn dus nog niet volledig zichtbaar in de realisatie 2009, te weten 57%.

  Hiernaast is in het wetsvoorstel «Ontwikkelingskansen door kwaliteit en educatie» (Eerste Kamer 2009–2010, 31 989, A; geplande datum van inwerkingtreding: 1 augustus 2010) ook een aantal stimulerende maatregelen rond vroegschoolse educatie opgenomen. Ten eerste worden gemeenten en schoolbesturen verplicht om afspraken te maken over de resultaten van vroegschoolse educatie. Ten tweede worden gemeenten, schoolbesturen en houders van peuterspeelzalen en kinderdagverblijven verplicht om gezamenlijk de doorlopende leerlijn te organiseren. Ten derde worden houders van peuterspeelzalen en kinderdagverblijven verplicht om VVE-gegevens over de kinderen over te dragen aan de schoolbesturen.

5. In de periode 2001–2005 nam de taalachterstand af (-21%). De reductie van de taalachterstand was gebaseerd op twee gegevens: taalvaardigheid en begrijpend lezen. Het eerste gegeven is niet meer beschikbaar. Daarom wordt overgestapt op een nieuwe indicator: nummer 6.

6. In 2008 (nulmeting) is gestart met twee gegevens: begrijpend lezen en woordenschat. Ten opzichte van 2008 wordt gestreefd naar een reductie van de taalachterstand met 20% in 2011 en met 30% in 2014. De eerstvolgende meting vindt plaats in 2011. De realisatie 2009 is daarom aangegeven met n.b.

1.3.4. Leerlingen krijgen een beter aanbod van aansluitende voorzieningen in en om de school

De samenhang van voorzieningen, zoals in een brede school, vergroot de ontwikkelingskansen van 0- tot 12-jarigen, vergemakkelijkt de combinatie van arbeid en zorg voor de ouders van deze kinderen en draagt bij aan het verminderen van de achterstanden, de uitval, de leer- en de gedragsmoeilijkheden.

Doelbereiking

In 2009 is de doelstelling voor 2011 al gehaald: de realisatie van 1 200 brede basisscholen. Zie de toelichting van indicator 1 van tabel 1.13 voor de verhoging van de ambitie . De ontwikkeling van brede scholen in het voortgezet onderwijs verloopt conform verwachting.

In navolging van de G-30 in 2008 is in 2009 de tweede tranche van de Impuls brede scholen, sport en cultuur (combinatiefuncties) van start gegaan voor 99 andere gemeenten; een cofinanciering van de gemeenten en het Rijk (OCW en VWS).

Het was de bedoeling met deze Impuls 2 500 combinatiefuncties te realiseren in 2012. Inmiddels is deze ambitie bijgesteld tot 2 250 combinatiefuncties in 2012;Tweede Kamer, vergaderjaar 2009–2010, 32 123 VIII, nr. 32).

Daarnaast is in 2009 het «stimuleringsarrangement huisvesting» gerealiseerd, waarbij gemeenten een aanvraag konden doen om bestaande onderwijshuisvesting voor primair onderwijs meer multifunctioneel te maken. In het kader van deze regeling zijn 129 projecten gehonoreerd. Ook is in april 2009 het Landelijk Steunpunt Brede Scholen opgericht. Dit steunpunt is een aanspreekpunt voor scholen, gemeenten en andere partners en een eerste vraagbaak voor hen die zich bezighouden met de brede school. Tevens is in 2009 gestart met een longitudinaal onderzoek naar de effecten van brede scholen op de ontwikkeling van kinderen tot 12 jaar. Dit onderzoek loopt tot halverwege 2013.

In het voorjaar 2010 is aan de Tweede Kamer gerapporteerd over de stimulering van brede scholen in onder andere de zogenoemde 40 krachtwijken.

Instrumenten

Tabel 1.12 Instrumenten
Jaar 2009 Realisatie
1. Brede scholen: Het ministerie van OCW steunt lokale initiatieven door middel van onderzoek en verschillende activiteiten op het terrein van voorlichting en communicatie, bijvoorbeeld viahttp://www.bredeschool.nl Ja
2. Brede scholen: Het ministerie van OCW start een meerjarig onderzoek naar de effectiviteit van de brede school. Ja
3. Brede scholen: In 2009 wordt een «steunpunt brede scholen» opgericht. Ja
4. Brede scholen: Het ministerie van OCW investeert in multifunctionele accommodaties. Ja
5. Brede scholen: Er komt geld beschikbaar voor de realisatie van brede scholen. Ja
6. Tussenschoolse opvang: Scholen zijn verantwoordelijk voor het (laten) organiseren van een overblijfvoorziening. Dit wordt via de lumpsum bekostigd. Ja
7. Tussenschoolse opvang: Naast de lumpsum bekostiging is geld beschikbaar voor scholing overblijfmedewerkers en voor voorlichting, onderzoek en communicatie. Ja

Realisatie meetbare gegevens bij de operationele doelstelling

Tabel 1.13 Indicatoren
Indicator Basiswaarde Realisatie 2007 Realisatie 2008 Streefwaarde Realisatie 2009
1. Aantal brede scholen:          
  – in het primair onderwijs 600 1 000 n.b. 1100 1 200
  – in het voortgezet onderwijs. 260 360 n.b. 410 410
  Bron: Jaarberichten brede scholen in Nederland Peildatum: 2005 Peildatum: 2007 Peildatum: 2008 Peildatum: 2009 Peildatum: 2009
2. Het aantal combinatiefuncties in fte’s in en om de brede school. 0 n.b. 184 1 000 n.b.
  Bron: SGBO-monitor Peildatum: 2007 Peildatum: Peildatum: 2008 Peildatum: 2010 Peildatum: 2009
3. Aantal geschoolde overblijfmedewerkers tussenschoolse opvang per schooljaar. 7 167 6 637 6 645 6 800 6 596
  Bron: CFI Peildatum: 2006 Peildatum: 2007 Peildatum: 2008 Peildatum: 2009 Peildatum: 2009

n.b: niet beschikbaar, omdat het des betreffende onderzoek niet ieder jaar plaatsvindt. Zie verder de toelichting.

Toelichting:

1. De doelstelling om 1 200 brede basisscholen te realiseren in 2011 is al gehaald in 2009, de streefwaarde is daarom verhoogd tot 1 500 brede basisscholen in 2011. Het streven om ongeveer 410 brede scholen voor voortgezet onderwijs te realiseren in 2009 is gehaald. De verdere realisatie ligt op koers.

2. De eerstvolgende meting over de periode tot en met 2009 komt beschikbaar in 2010.

3. De streefwaarde voor het aantal geschoolde overblijfmedewerkers is gebaseerd op de beschikbare middelen voor dit doel. Van de lange opleidingen is wat meer en van de korte opleidingen wat minder gebruik gemaakt dan was verwacht. Hierdoor is het totaal aantal opgeleiden iets lager dan de streefwaarde.

1.4 Overzicht afgeronde onderzoeken

Tabel 1.14 Overzicht afgeronde onderzoeken
  Onderzoek onderwerp AD of OD Start Afgerond Vindplaats
Beleidsdoorlichting Sociaal-institutionele context basisschool OD3 2008 2009 www.sco-kohnstamminstituut.uva.nl
  Innovatie/kwaliteitszorg/schoolverbetering OD2 2008 2009 www.minocw.nl/kwaliteitsagendaprimaironderwijs
Overig evaluatieonderzoek Evaluatie medezeggenschap OD1 2008 2009 www.its-nijmegen.nl
  Gebruik leerlingvolgsysteem basisscholen (opbrengstgericht werken) OD2 2008 2009 www.sco-kohnstamminstituut.uva.nl
  Prestaties leerlingen basisschool OD2 2008 2009 www.its-nijmegen.nl
  Vervangend onderwijs (voor kinderen met ouders met richtingbezwaar) OD2 2008 2009 www.sco-kohnstamminstituut.uva.nl
  Administratieve lasten en taken buitenschoolse opvang OD4 2008 2009 www.minocw.nl/documenten/6668 .pdf

Toelichting:

De twee beleidsdoorlichtingen over de sociaal-institutionele context van basisscholen en innovatie/kwaliteitszorg/schoolverbetering zijn in 2009 afgerond en met de Tweede Kamer besproken;Tweede Kamer, vergaderjaar 2009–2010, 31 511, nr. 3 enTweede Kamer, vergaderjaar 2009–2010, 31 511, nr. 4.

ARTIKEL 3. VOORTGEZET ONDERWIJS

3.1 Algemene beleidsdoelstelling: het voortgezet onderwijs zorgt dat leerlingen in deze fase van de doorlopende leerlijn hun talenten maximaal kunnen ontplooien en vervolgonderwijs kunnen volgen dat het best past bij hun talenten. Het bereidt hen voor op volwaardige deelname aan de samenleving en een bij hun talenten passende (toekomstige) positie op de arbeidsmarkt.

Doelbereiking en maatschappelijke effecten

Het voortgezet onderwijs biedt de leerlingen daarvoor verschillende leerroutes aan, van praktijkonderwijs tot vwo. Het voortgezet onderwijs heeft de taak om voor kwalitatief goed onderwijs te zorgen. De afgelopen periode stond de onderwijskwaliteit meer dan ooit centraal in het beleid van het voortgezet onderwijs. Het voortgezet onderwijs heeft de kwaliteitsagenda voortgezet onderwijs «Onderwijs met ambitie» in 2008 uitgebracht met als doel een duurzame kwaliteitsverbetering en herstel van het vertrouwen in de sector. De uitvoering hiervan is ongeveer halverwege en de resultaten en successen beginnen zichtbaar te worden.

Taal en rekenen

Eén van de beleidsprioriteiten van de Kwaliteitsagenda VO is duurzame kwaliteitsverbetering en herstel van het vertrouwen in de sector. Met meer aandacht voor taal en rekenen wil vo de basiskwaliteit verhogen en de doorlopende leerlijn van leerlingen verbeteren. Inmiddels zijn de referentieniveaus taal en rekenen in 2009 vastgesteld. Daarnaast willen we alle leerlingen uitdagen en in staat stellen om het beste uit zichzelf te halen en uit te blinken. Voor het vertrouwen in de sector zijn goede en betrouwbare examens essentieel en is een op verbetering gerichte cultuur onontbeerlijk. Scholen die zwak of zeer zwak zijn moeten weer goed worden, goede scholen moeten gestimuleerd worden om nog beter te worden.

Uitblinken op alle niveaus

Om te voorkomen dat leerlingen onder hun kunnen presteren of vroegtijdig schoolverlaten is een aantal maatregelen genomen. Om doorstroom van vmbo-ers naar het mbo te bevorderen is het VM2-traject in het schooljaar 2008/2009 gestart. Hierin volgen leerlingen in één leergang van vijf jaar de volledige opleiding vmbo en mbo-2.

Verder is in 2009 het, door de VO-raad ontwikkelde, Stimuleringsplan Loopbaanoriëntatie en Begeleiding (LOB) van start gegaan.

Burgerschap: Maatschappelijke stage

De meeste scholen hebben inmiddels een visie op burgerschap. Leerdoelen zijn geformuleerd en projecten uitgevoerd. In 2009 heeft 95% van de vo-scholen maatschappelijk stage aan hun leerlingen aangeboden.

Externe factoren

• Onderwijsarbeidsmarkt: Kengetallen over de onderwijsarbeidsmarkt in het voortgezet onderwijs zijn opgenomen in de overzichtsconstructie Arbeidsmarkt en Personeelsbeleid (artikel 9).

• Demografische ontwikkelingen: Veranderingen in de samenstelling van de leerlingenpopulatie worden gemeten in de referentieraming. Ten opzichte van de vorige begroting steeg het aantal leerlingen in het schooljaar 2009/2010 voor het totale voortgezet onderwijs met circa 0,34%.

Realisatie meetbare gegevens bij de algemene doelstelling

Tabel 3.1 Indicatoren
Indicator Basiswaarde Realisatie 2007 Realisatie 2008 Streefwaarde Realisatie 2009
1. Percentage 20–24 jarigen met tenminste hoger secundair onderwijs Bron: Eurostat 71.9%Peildatum: 2000 76.2% 76.2% 85%Peildatum: 2010  
2. Percentage 15 jarige leerlingen met lage leesvaardighedenBron: PISA 2006 11.5% Peildatum: 2003 n.b.* n.b.* 8% Peildatum: 2010 n.b.*
3. Het percentage vsv’ers van de totale bevolking 18–24 jaarBron: Eurostat 15.4% Peildatum: 2000 11.7% 11.4% 8.5% Peildatum: 2012 n.b.**
4. Rapportcijfer van ouders over de kwaliteit van de school van hun kind Bron: OCW, Onderwijsmeter 7.3Peildatum: 2005 7.4 7.3 7.5Peildatum: 2008 n.b.***
5. Percentage scholen van het voortgezet onderwijs met voldoende opbrengsten ten opzichte van het niveau dat op grond van de kenmerken van de leerlingpopulatie mag worden verwachtBron: Onderwijsverslag van de inspectie van het onderwijs 84.7%Peildatum: Schooljaar 2003/2004 82% Schooljaar 2006/2007 Zie toelichting    

* Pisa Onderzoek wordt om de 3 jaar uitgevoerd, De laatste gegevens zijn van 2006. De volgende publicatie komt in december 2010

** Cijfers Eurostat worden geleverd in mei/juni 2010

*** OCW, Onderwijsmeter: laatst beschikbare waarde was van 2008

Toelichting:

1. Indicator is gebaseerd op jaarlijkse gegevens uit de Labour Force Survey. Streefwaarde voor deze indicator is een Europese afspraak waaraan Nederland zich heeft gecommitteerd (Lissabondoelstelling). Het behalen van een startkwalificatie (hoger secundair onderwijs = mbo-2, havo, vwo) is een gezamenlijke verantwoordelijkheid van de beleidsterreinen voortgezet onderwijs en beroepsonderwijs en volwasseneneducatie (artikel 4).

3. Eurostat heeft de definitie van een voortijdig schoolverlater verbeterd, waardoor de percentages enigszins verschillen ten opzichte van de voorafgaande begrotingen en jaarverslagen.

  Het onderwijsbeleid is erop gericht het aantal voortijdig schoolverlaters te reduceren. Het beleid om uitval te voorkomen is opgenomen in het beleidsterrein beroepsonderwijs en volwasseneneducatie (artikel 4). Vmbo-leerlingen die wel hun diploma hebben gehaald maar niet doorstromen in het vervolgonderwijs hebben nog geen startkwalificatie en behoren derhalve ook tot voortijdig schoolverlaters.

5. Deze indicator «Percentage scholen van het voortgezet onderwijs met voldoende opbrengsten ten opzichte van het niveau dat op grond van de kenmerken van de leerlingenpopulatie mag worden verwacht» is een relatieve meting. Daarom wordt deze indicator niet meer gevolgd en is deze indicator ook niet in de begroting 2010 opgenomen.

  In de begroting 2009 is aangegeven dat met het onderzoek «Over leerwinst al stelselindicator: een verkennend onderzoek» van prof. Dr. J.L. Peschar wordt gekeken of een absolute meting mogelijk is. Uit het onderzoek blijkt dat het niet mogelijk is om een goede indicator te vinden om leerwinst te meten.

Tabel 3.2 Budgettaire gevolgen van beleid artikel 3 (x € 1 000)
          Realisatie Vastgestelde begroting Verschil
  2005 2006 2007 2008 2009 2009 2009
Verplichtingen 7 460 600 5 964 651 6 102 888 6 651 112 7 183 021 6 493 710 689 311
Waarvan garantieverplichtingen   1 000          
Totale uitgaven 5 570 761 5 735 256 5 998 974 6 484 945 6 788 278 6 525 202 263 076
               
Programma-uitgaven 5 565 198 5 729 541 5 993 307 6 479 381 6 782 445 6 520 896 261 549
               
Leerlingen volgen onderwijs op voldoende toegeruste scholen voor voortgezet onderwijs 5 540 069 5 689 864 5 952 801 6 368 852 6 654 087 6 397 784 256 303
• Personele en materiële bekostiging 5 470 803 5 620 540 5 886 018 5 971 703 6 224 643 5 971 943 252 700
• Onderwijs Bewijs (voorheen Efficiency in het onderwijs (FES))     948 749 3 243 2 500 743
• Onderwijsverzorging 52 232 50 956 50 980 50 605 51 849 51 301 548
• Projecten 17 034 18 368 14 855 19 444 18 069 19 500 – 1 431
• Gratis schoolboeken       294 245 321 129 320 940 189
• Belangenbeht.dienstverl. ICT (po, vo, be) 0* 0* 0* 32 106 35 154 31 600 3 554
               
Leerlingen volgen voortgezet onderwijs van hoge kwaliteit 0 5 214 5 848 56 880 61 181 15 888 45 293
• Kwaliteitsprojecten via VO-Raad   5 214 5 848 5 025 5 535 3 867 1 668
• Kwaliteitsbeleidvo (w.o. Rekenen en Taal)       51 855 55 646 12 021 43 625
               
Leerlingen kunnen zonder drempels het voortgezet onderwijs volgen dat het beste past bij hun talenten en specifieke behoeften 0 0 0 990 2 071 4 571 – 2 500
• Uitbreiding zorgstructuur naar havo/vwo       990 2 071 2 071 0
• Doeltreffendheid hoog-begaafde leerlingen (FES): zie Onderwijs Bewijs           2 500 – 2 500
               
Leerlingen ervaren een goede aansluiting tussen onderwijsfases in hun doorlopende leerlijn 0 0 0 0 0 42 000 – 42 000
• Innovatiebox VO/LOB           42 000 – 42 000
               
Leerlingen krijgen een beter leeraanbod gericht op sociale en maatschappelijke vaardigheden 0 8 905 11 264 27 970 38 325 39 049 – 724
• Maatschappelijke stage   8 905 11 264 27 970 38 325 39 049 – 724
               
Programmakosten-overig 25 129 25 558 23 394 24 689 26 781 21 604 5 177
• Uitvoeringsorganisatie IBG 14 590 15 147 13 814 15 347 16 129 12 639 3 490
• Uitvoeringsorganisatie CFI 10 539 10 411 9 580 9 342 10 652 8 965 1 687
               
Apparaatsuitgaven 5 563 5 715 5 667 5 564 5 833 4 306 1 527
Ontvangsten 4 886 99 675 122 991 67 658 63 729 56 383 7 346

* Tot en met 2007 zijn deze posten onderdeel van artikel ICT (artikel 10). Met ingang van 2008 zijn deze posten in de begroting van dit artikel verwerkt.

NB: door herformulering van de operationele doelstellingen kunnen de uitgaven op instrumentniveau en/of het niveau van de operationele doelstelling afwijken van voorgaande jaarverslagen.

Toelichting:

De totale onderwijsuitgaven op dit beleidsartikel zijn € 263,1 miljoen hoger uitgevallen dan geraamd in de oorspronkelijke begroting. De belangrijkste mutaties zijn hieronder weergegeven:

De loonbijstellingen (voornamelijk premies) en prijsbijstellingen hebben gesommeerd tot een verhoging geleid van € 253,6 miljoen, voornamelijk bij de operationele doelstelling «Leerlingen volgen onderwijs op voldoende toegeruste scholen voor voortgezet onderwijs». Voorts zijn bij deze operationele doelstelling middelen aan de begroting toegevoegd voor een bedrag van € 10,6 miljoen, omdat er in dit jaar meer leerlingen in het voortgezet onderwijs waren dan in de oorspronkelijke raming. Daarnaast de interne overheveling van middelen bij de operationele doelstelling «Leerlingen ervaren een goede aansluiting tussen onderwijsfases in hun doorlopende leerlijn» ad. € 42 miljoen naar de operationele doelstelling «Leerlingen volgen voortgezet onderwijs van hoge kwaliteit» in verband met de Kwaliteitsagenda voortgezet onderwijs. Resteert een bedrag van – € 1,1 miljoen, verdeeld over diverse operationele doelstellingen en voornamelijk bestaand uit diverse overboekingen van en naar andere artikelen en departementen en uit diverse kasschuiven.

De ontvangsten zijn ten opzichte van de ontwerpbegroting 2009 met € 7,3 miljoen verhoogd als gevolg van extra gerealiseerde ontvangsten (€ 4,8 miljoen) en van technische mutaties (desaldering; € 2,5 miljoen).

De stijging van de aangegane verplichtingen met ongeveer€ 689 miljoen wordt verklaard door de hiervoor toegelichte stijging van de uitgaven en door de aanpassing aan de gerealiseerde stand van de verplichtingen per ultimo 2009.

3.3 Operationele beleidsdoelstelling

3.3.1 Leerlingen volgen onderwijs op voldoende toegeruste scholen voor voortgezet onderwijs

Doelbereiking

De reguliere personele en materiële vergoeding betreft het overgrote deel van de bekostiging die naar de scholen gaat. Zij bekostigen daarmee hun primaire onderwijsproces, waardoor zij hun leerlingen zo goed mogelijk onderwijs bieden. Daarbij gaat het zowel om de kwantiteit (voldoende onderwijstijd) als de kwaliteit (leerlingen ontwikkelen hun talenten en halen hun diploma op een zo hoog mogelijk niveau). In 2009 hebben de vo-scholen een lumpsum bekostiging ontvangen om invulling te geven aan de eigen ruimte.

Op basis van artikel 65, vijfde lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs zoals geldend met ingang van 1 augustus 2008, zijn in 2009 in totaal vijf nieuwe scholengemeenschappen voor bekostiging in aanmerking gebracht (waarvan twee door splitsing van reeds bestaande scholengemeenschappen). De daadwerkelijke bekostiging zal niet eerder dan per 1 augustus 2010 starten, afhankelijk van beschikbare huisvesting. De betreffende besluiten zijn gepubliceerd in de Staatscourant 2009, nr. 110 van 18 juni 2009. Voornoemd aantal nieuw gestichte scholengemeenschappen ligt in lijn met het gemiddelde aantal onder de betreffende wet- en regelgeving van voor 1 augustus 2008.1

In 2008 is het actieprogramma Onderwijs Bewijs vormgegeven. Doel van dit programma is experimenteel onderzoek mogelijk maken binnen het onderwijs, gericht op de thema»s efficiency in het onderwijs (verder uitgesplitst in «taal- en rekenonderwijs», «lerarentekort» en «relatie jeugdzorg en onderwijs») en doeltreffendheid begeleiding hoogbegaafde leerlingen. Middels dit onderzoek dient te worden aangetoond welke interventies en/of lesmethoden effectief zijn.

In april 2009 heeft de jury van het actieprogramma Onderwijs Bewijs 111 voorstellen beoordeeld. Er zijn achttien onderzoeksvoorstellen gehonoreerd; twee binnen het thema hoogbegaafdheid, drie binnen het thema lerarentekort, één binnen het thema jeugdzorg en de overige twaalf binnen het thema taal en rekenen. Deze onderzoeken zijn op één na in het schooljaar 2009–2010 gestart en lopen tot uiterlijk 2015 door. De toekenning van de achttien projecten in de eerste ronde heeft niet tot uitputting van het volledige beschikbare budget geleid. In 2010 wordt een nieuwe ronde geopend met nieuwe thema’s. Hiervoor is een bedrag van € 10,5 miljoen gereserveerd.

2009 is het eerste jaar dat de onderwijsondersteunende instellingen (LPC en SLO) gewerkt hebben met een budget dat is afgebouwd ten gunste van de sectororganisaties.

Een externe referent heeft de subsidieverzoeken van één van de programmalijnen, «Onderwijs anders organiseren», beoordeeld op het Research & Development-aspect.

Op grond van de Vaststellingsovereenkomst afronding evaluatie subsidiëring landelijke onderwijsondersteunende activiteiten (SLOA) hebben de sectororganisaties po en vo een eigen budget gekregen om de vraagsturing te versterken.

In 2009 zijn diverse incidentele projecten gesubsidieerd die de beleidsdoelstellingen van het voortgezet onderwijs ondersteunen, waaronder de doelstellingen in het kader van de Kwaliteitsagenda VO.

Kennisnet voert activiteiten uit in drie programmalijnen (professionalisering, flexibele organisatie en beschikbaar en (her) bruikbaar leermateriaal). Kennisnet verantwoordt zich onder andere door jaarlijks een kwaliteitsindex (norm = 100) te bepalen. De index kijkt naar de toegevoegde waarde van Kennisnet en de tevredenheid van klantgroepen. In 2007 was de kwaliteitsindex 131, in 2008 bedroeg deze 118. De portal van Kennisnet wordt bijna 1 miljoen keer per week bezocht. De centrale voorziening Edurep bevat ruim 700 000 bronnen met (digitaal) leermateriaal te vinden op internet. Daarnaast is door Kennisnet samen met SURFnet extra aandacht besteed aan innovatie. Een voorbeeld is de Talenten Challenge, een project waarin kinderen met cognitief talent worden uitgedaagd in een online samenwerkings- en onderzoeksomgeving op basis van principes uit de gaming-industrie. In het kader van het interdepartementale programma maatschappelijke sectoren&ict hebben drie onderwijsprojecten een prijsvraag gewonnen en financiering gekregen voor hun project: «De lange staart», «MCTlive» en «GPS? Reken maar!». In 2009 heeft Kennisnet in het kader van het programma «Stimuleren digitaal lesmateriaal» onder andere een rapport over auteursrecht van digitaal lesmateriaal en een inventarisatie per onderwijssector van bronnen van bruikbaar digitaal lesmateriaal opgeleverd.

Het belangrijkste doel van de wet «gratis» schoolboeken was het verlagen van schoolkosten voor ouders. Dat is in twee stappen gerealiseerd. Voor het schooljaar 2008–2009 ontvingen ouders van de overheid een tegemoetkoming van € 316,– per leerling. Met ingang van het schooljaar 2009–2010 zijn scholen verantwoordelijk voor de beschikbaarheid van schoolboeken en lesmateriaal. Het bedrag per leerling is voor het schooljaar 2009/2010 geïndexeerd tot € 321,50. Hiermee is het belangrijkste doel van de wet gerealiseerd. Een tweede belangrijk doel van de wet is een oplossing te bieden voor een groeiende groep leerlingen die zonder boeken op school kwamen, omdat de ouders de rekening niet (konden) betalen. Door de scholen verantwoordelijk te maken voor de aanwezigheid van schoolboeken, is dit probleem opgelost.

Een derde doel is verbetering van de werking van de educatieve boekenmarkt. Er is nog onvoldoende tijd verstreken om hier conclusies te trekken. Dit aspect maakt deel uit van de evaluatie van de wet in 2011.

Instrumenten

Tabel 3.3 Instrumenten
Jaar 2009 Realisatie
1. Personele en materiele bekostiging: toerusting vo-scholen Ja
2. Prijsvraag uitzetten en experimenteerbudget verschaffen Gedeeltelijk
3. Projecten Ja
4. Onderwijsverzorging en projecten: Innovatieprogramma Surfnet en Kennisnet, Stimuleren gebruik digitaal lesmateriaal Ja
5. Gratis schoolboeken: invoering gratis lesmateriaal, overgangsjaar tegemoetkoming ouders Ja

Toelichting:

2. De toekenning van de achttien projecten in de eerste ronde heeft niet tot uitputting van het volledige beschikbare budget geleid. In 2010 wordt een nieuwe ronde geopend met nieuwe thema’s. Hiervoor is een bedrag van € 10,5 miljoen gereserveerd.

Realisatie meetbare gegevens bij de operationele doelstelling

Tabel 3.4 Indicatoren
Indicator Basiswaarde Realisatie 2007 Realisatie 2008 Streefwaarde 2009 Realisatie 2009
1. Verwachte slaagkans, in procenten van de instroom in de onderwijssectorBron: OCW Bestel in Beeld 2007 78% Peildatum: 2001 85% 85% Handhaving hoge percentage n.n.b.*
2. De schoolkosten voor ouders met kinderen in het voortgezet onderwijs Bron: Schoolkostenmonitor en vervolgonderzoek Nulmeting Peildatum: 2009 n.v.t. n.v.t. Verlaging met gemiddeld € 316 n.n.b.**

* OCW, Bestel in Beeld 2009 wordt in mei 2010 gepubliceerd

** De schoolkostenmonitor wordt gepubliceerd in april 2010

Tabel 3.5: Diverse kerncijfers voortgezet onderwijs
Totaal aantal ingeschreven leerlingen, teldatum 1-10-2009 910 000
Uitgaven per onderwijsdeelnemer (x €1) 7 405
Totaal aantal scholen 645
Gemiddelde aantal leerlingen per school 1 411

Bron: CFI en Begrotingsadministratie OCW

3.3.2. Leerlingen volgen onderwijs van hoge kwaliteit

Doelbereiking

Onder regie van de VO-raad wordt het meerjarige innovatieproject «Durven, Delen, Doen» uitgevoerd. In 2009 hebben de deelnemende scholen nieuwe onderwijspraktijken beproefd met als doel om de onderwijskwaliteit te vergroten. De scholen zijn daarbij in de praktijk ondersteund door de projectmedewerkers. Daarnaast zijn de innovaties wetenschappelijk onderzocht. In 2010 wordt de wetenschappelijke kennisbasis van succesvolle op kwaliteitsverbetering gerichte innovatie gepubliceerd en worden de goede voorbeelden verder verspreid door de VO-raad, zodat ook de andere vo-scholen daarvan kunnen profiteren.

Om scholen (financieel) te ondersteunen en werk te maken van de doelstellingen van de Kwaliteitsagenda VO, is eind 2008 de Regeling Kwaliteit VO gepubliceerd. Op basis daarvan ontvangen scholen in de periode 2008–2011 in totaal € 218,2 miljoen. Scholen kunnen eigen accenten leggen bij de besteding van dat geld. Er moet in elk geval aandacht besteed worden aan rekenen en taal. Een belangrijk aspect van de Regeling Kwaliteit VO is dat ouders, leerlingen en leraren via de medezeggenschapsraad nadrukkelijk betrokken moeten worden bij de keuzes die scholen maken.

De uitvoering van de Kwaliteitsagenda VO is ongeveer halverwege en de scholen zijn voortvarend aan de slag. Uit een eerste monitor naar de uitvoering van de Regeling Kwaliteit VO (april 2009) blijkt dat ruim 85% van de scholen extra activiteiten ontplooit op het terrein van rekenen en taal. Het belang van taal en rekenen wordt dan ook algemeen gedeeld. Er is ook breed draagvlak voor het wettelijk vastleggen van de op verschillende momenten in de schoolloopbaan verwachte basiskennis en basisvaardigheden op het gebied van taal en rekenen. Het definitieve advies voor het referentiekader taal en rekenen is in juni 2009 opgeleverd.

De VO-raad heeft de richtlijn «Standaard Borging Kwaliteit Schoolexamens» ontwikkeld. Scholen gebruiken deze standaard om de kwaliteit te borgen en ervoor te zorgen dat de examens in orde zijn en correct worden afgenomen. De standaard wordt al op veel scholen door docenten en schoolleiding gebruikt. De VO-raad en de AOC Raad hebben daarnaast de «Toolkit Schoolexamens» ontwikkeld. Met de toolkit kunnen scholen de kwaliteit van hun schoolexamens onderzoeken en eventueel verbeteren.

Het aantal zeer zwakke scholen is gedaald en het aantal scholen waar sprake is van goede kwaliteitszorg is gestegen naar bijna tweederde. De sector ligt op schema. Om de doelen te bereiken, houdt de Inspectie intensiever toezicht op zwakke scholen. Dat voorkomt dat ze verder afglijden naar zeer zwak. Daarnaast hebben de VO-raad en AOC-raad in 2008 het Steunpunt Zeer Zwakke Scholen opgericht en dit is van start gegaan. Ook heeft de Inspectie haar proces op onderdelen versneld, waardoor een school sneller het predicaat zeer zwak kwijt kan raken.

Om scholen te ondersteunen bij het ter hand nemen van de beleidsprioriteiten uit de Kwaliteitsagenda VO is onder meer het traject «Succes in Beeld» gestart. Tot juli 2010 wordt ruim 100 scholen voor voortgezet onderwijs de mogelijkheid geboden om samen met collega-experts het eigen schoolbeleid, de eigen knelpunten en de eigen successen ten aanzien van kwaliteitsbeleid beter zichtbaar te maken.

Instrumenten

Tabel 3.6 Instrumenten
Jaar 2009 Realisatie
1. Kwaliteit en innovatie via de VO-raad: durven, delen en doen Ja
2. Regeling Kwaliteitsagenda VO Ja

Toelichting:

1. Een verslag over kwaliteitsverbetering wordt gepresenteerd in 2010.

Realisatie meetbare gegevens bij de operationele doelstelling

Tabel 3.7 Indicatoren
Indicator Basiswaarde Realisatie 2007 Realisatie 2008 Streefwaarde 2009 Realisatie 2009
1. Percentage scholen dat voldoende scoort op kwaliteitskenmerk aanbodBron: Inspectie van het onderwijs, Onderwijsverslag 2008/2009 94,6%Peildatum: Schooljaar 2005/2006 98,6%Peildatum: Schooljaar 2006/2007 99,7% Handhaving hoge percentage 99,1%
2. Percentage scholen dat voldoende scoort op kwaliteitskenmerk tijdBron: Inspectie van het onderwijs, Onderwijsverslag 2008/2009 91,4%Peildatum: Schooljaar 2005/2006 83.3%Peildatum: Schooljaar 2006/2007 90,3% Handhaving hoge percentage 94,8%
3. Percentage scholen dat voldoende scoort op kwaliteitskenmerk instructieBron: Inspectie van het onderwijs, Onderwijsverslag 2008/2009 89,3%Peildatum: Schooljaar 2005/2006 87,4%Peildatum: Schooljaar 2006/2007 81,4% Handhaving hoge percentage 85,1%
4. Percentage scholen dat voldoende scoort op kwaliteitskenmerk zorg en begeleidingBron: Inspectie van het onderwijs, Onderwijsverslag 2008/2009 83,7%Peildatum: Schooljaar 2005/2006 86%Peildatum: Schooljaar 2006/2007 85,8% Handhaving hoge percentage 88,7%
5. Percentage scholen dat voldoende scoort op kwaliteitskenmerk kwaliteitszorgBron: Inspectie van het onderwijs, Onderwijsverslag 2008/2009 37,6%Peildatum: Schooljaar 2005/2006 33,6%Peildatum: Schooljaar 2006/2007 54,8% hoger 66,5%
6. Rapportcijfer van ouders over de kwaliteit van de leraar van het kindBron: Onderwijsmeter 2008 7Peildatum: 2005 7,1Peildatum: 2007 7.1Peildatum: 2008 7.1Peildatum: 2008 n.n.b.*

n.n.b.* De onderwijsmeter wordt sinds vorig jaar tweejaarlijks gemaakt en zal in 2010 weer verschijnen.

3.3.3 Leerlingen kunnen zonder drempel het voortgezet onderwijs volgen dat het beste past bij hun talenten en specifieke behoeften

Doelbereiking

Lange tijd is gedacht dat extra zorg voor de havo/vwo leerlingen niet nodig is. Dat blijkt niet zo te zijn. Hierdoor bestaat er een kans dat deze leerlingen uitstromen, dan wel afstromen (dat wil zeggen doorstromen naar een lager niveau). Met een eerstelijnsvoorziening zou dit kunnen worden voorkomen. Een eerstelijnsvoorziening in havo/vwo betekent dat de taken van de samenwerkingsverbanden vo worden uitgebreid met de zorgstructuur voor havo/vwo-leerlingen. Met ingang van 2008 is de regeling regionaal zorgbudget, subsidie regionale verwijzingscommissies voortgezet onderwijs en reboundvoorziening aangepast. Ook voor 2009 is het regionale zorgbudget opgehoogd om meer leerlingen in havo/vwo met een extra zorgvraag middels het regionale zorgbudget te kunnen ondersteunen.

Doeltreffendheid voor hoogbegaafde kinderen is onderdeel van het actieprogramma «Onderwijs bewijs». Dit actieprogramma is beschreven onder doelstelling 3.3.1.

Instrumenten

Tabel 3.8 Instrumenten
Jaar 2009 Realisatie
1. Regeling regionaal zorgbudget, subsidie regionale verwijzingscommissies voortgezet onderwijs en reboundvoorziening Ja
2. Leren door te experimenteren in het onderwijs: doeltreffendheid voor hoogbegaafde kinderen: actieprogramma onderwijsbewijs Ja

Realisatie meetbare gegevens bij de operationele doelstelling

Tabel 3.9 Indicatoren
Indicator Basiswaarde «peildatum» Realisatie 2007 Realisatie 2008 Streefwaarde 2009 Realisatie 2009
1. Percentage uitvalhavo/vwo 0.9% Peildatum: 2005 1% 1.1% 0.9% n.n.b.*
  Bron: OCW, Kerncijfers 2004–2008          

* OCW Kerncijfers 2005–2009 pas in mei 2010 beschikbaar

3.3.4 Leerlingen ervaren een goede aansluiting tussen onderwijsfases in hun doorlopende leerlijn

Doelbereiking

Een goede aansluiting tussen en binnen de onderwijsfases en schoolsoorten is om verschillende redenen van belang. Op stelselniveau wordt gezorgd dat de doorlopende leerlijnen beter aansluiten. Sinds het schooljaar 2008/2009 is het mogelijk één leergang vmbo-mbo 2 (VM2) te volgen. In totaal nemen ongeveer 3 500 leerlingen deel aan de experimenten met een geïntegreerde leergang vmbo basisberoepsgerichte leerweg – mbo 2, waarbij de leerlingen op één locatie, begeleid door één gezamenlijk docententeam en één pedagogisch-didactische visie een startkwalificatie behalen.

Om verkeerde loopbaankeuzes van leerlingen te (helpen) voorkomen, is in 2009 door de VO-raad een Stimuleringsplan LOB (Loopbaanoriëntatie en Begeleiding) ontwikkeld en in uitvoering genomen. Ook de Landelijke Pedagogische Centra voeren met scholen verschillende LOB-projecten uit. De Regeling Kwaliteit VO is voor ruim de helft van de scholen aanleiding geweest om projecten en activiteiten te starten specifiek gericht op talentontwikkeling, uitblinken, voorkomen van uitval en tegengaan en wegwerken van achterstanden. In het kader van het stimuleringsplan LOB zijn er diverse stimuleringsactiviteiten voor schoolleiders, docenten en decanen. De ontwikkeling van een landelijke LOB-portal, de ontwikkeling van een landelijk aanbod van cursussen en trainingen voor schoolleiders en docenten, en de ontwikkeling van een landelijke standaard voor loopbaan oriëntatie en -begeleiding zijn in uitvoering genomen.

Instrumenten

Tabel 3.10 Instrumenten
Jaar 2009 Realisatie
1. Stimuleringsplan LOB VO-raad Ja
2. Ministeriele regeling VM2-projecten Ja
3. Regeling KwaliteitVO Ja

Toelichting:

Zowel het eerste als het tweede cohort van de VM2 experimenten is van start gegaan. In cohort 1: 1 030 leerlingen en in cohort 2: circa 2 400 leerlingen.

Realisatie meetbare gegevens bij de operationele doelstelling

Tabel 3.11 Meetbare gegevens
Indicator Basiswaarde «peildatum» Realisatie 2007 Realisatie 2008 Streefwaarde 2009 Realisatie 2009
1. Gediplomeerden naar bestemming: overgang vmbo naar mbo 84,5% 84,2% 83% Handhaving hoog percentage n.n.b.*
  Bron: OCW, Kerncijfers 2004–2008          
2. Gediplomeerden naar bestemming overgang havo/vwo naar ho 81,1% 80,6% 80% Handhaving hoog percentage n.n.b*
  Bron: OW, Kerncijfers 2004–2008 peildatum: 2006 Peildatum: 2007 Peildatum: 2008    

* OCW, Kerncijfers 2005–2009 wordt gepubliceerd in mei 2010

3.3.5 Leerlingen krijgen een beter leeraanbod gericht op sociale en maatschappelijk vaardigheden

Doelbereiking

In 2009 zijn 20 regionale pilots maatschappelijke stage uitgevoerd. In al deze pilots is een structurele samenwerking opgezet. Er participeerden meer dan 300 scholen in de pilots. Ook alle schoolsoorten (praktijkonderwijs, vmbo, havo en vwo) waren in de pilots vertegenwoordigd. Het aantal leerlingen dat in de pilots een maatschappelijke stage van minimaal 30 uur heeft gelopen is ruim 45 000.

De evaluatie van twee jaar maatschappelijke stage is uitgevoerd. In het voorjaar van 2010 wordt deze verzonden aan de Tweede Kamer.

Het wetsvoorstel maatschappelijke stage loopt volgens planning (inwerkingtreding 1-8-2011) en is 18 december in de CSEIB behandeld.

Instrumenten

Tabel 3.12 Instrumenten
Jaar 2009 Realisatie
1. Maatschappelijke stage: 20 pilots, 45 000 leerlingen, wetgevingstraject inwerking Ja

Realisatie meetbare gegevens bij de operationele doelstelling

Tabel 3.13 Meetbare gegevens
Indicator Basiswaarde 2004 Realisatie 2007 Realisatie 2008 Streefwaarde 2009 Realisatie 2009
1. Percentages van alle vo-scholen dat een maatschappelijke stage aan hun leerlingen biedt.Bron: SenterNovem   73% 81% 95% 95%
2. Percentages van de telleerlingen van alle vo-scholen dat een maatschappelijke stage loopt 0% n.v.t. 10% 20% 21%
  Bron: SenterNovem          

3.4 Overzicht afgeronde onderzoeken

Tabel 3.14 Overzicht afgerond onderzoek Voortgezet onderwijs 2009
  Onderzoek onderwerp AD of OD A. StartB. Afgerond Vindplaats
Effectenonderzoek ex post Evaluatie effecten praktijklokalen OD 3.3.1 A. 2007B. 2009 Burger advies en EB management
  Evaluatie doorontwikkeling vmbo OD 3.3.3 A 2009B 2009 http://www.its.kun.nl
  Evaluatie doorontwikkeling praktijkonderwijs OD 3.3.3 A 2009B 2009 http://www.regioplan.n l/
  Evaluatie effecten leerplusarrangement OD 3.3.3 A. 2007B. 2009 http://www.regioplan.nl/
  Monitor maatschappelijke stages OD 3.3.4 A 2008B 2009 http://www.regioplan.nl/
Overig evaluatieonderzoek Onderzoek naar ouderbetrokkenheid OD 3.3.1 A 2008B 2009 http://www.voo.nl/
  Evaluatie pilots Internationaal baccalaureaat Nl leerlingen, OD 3.3.3 A 2008B 2009 http://www.ens.nl
  Onderzoek naar de menselijke maat OD 3.3.1 A 2008B 2009 http://www.regioplan.nl/
  Nulmeting rekenen en taal COOL toetsen   A 2008B 2009 http://www.rug.nl/gion
  Mogelijkheden doorstroom en stapelen OD 3.3.4 A 2009B 2009 http://www.regioplan.nl/
  Onderzoek naar versterking kwaliteitszorg OD 3.3.2 A 2009B 2010 http://www.eim.nl
  Doordecentralisatie huisvesting. OD 3.3.1 A. 2008B. 2009 http://www.regioplan.nl/
  Onderzoek indicatie en passend onderwijs hoogbegaafde leerlingen, casestudies en literatuuronderzoek. OD 3.3.2 A. 2008B. 2009 http://www.sco-kohnstamminstituut.uva.nl/
  IEA onderzoek TIMSS advanced (int vgl beste bèta leerlingen). OD 3.3.2 A. 2007B. 2009 http://www.utwente.nl/
  Mogelijkheden doorstroom en stapelen. OD 3.3.3 A. 2008B. 2009 http://www.regioplan.nl/
  Europees aanbesteden lesmateriaal OD 3.3.1 A 2009B 2009 http://www.regioplan.nl/

ARTIKEL 4. BEROEPSONDERWIJS EN VOLWASSENENEDUCATIE

4.1 Algemene beleidsdoelstelling: het beroepsonderwijs en de volwasseneneducatie zorgen ervoor dat deelnemers hun talenten maximaal kunnen ontplooien en volwaardig kunnen deelnemen aan de samenleving. Deelnemers worden voorbereid op passend vervolgonderwijs en/of een positie op de arbeidsmarkt die optimaal aansluit bij hun talenten.

Doelbereiking en maatschappelijke effecten

Het jaar 2009 was een bewogen jaar, waarin de economische crisis ook gevolgen had voor het beroepsonderwijs en de volwasseneneducatie. Voor het middelbaar beroepsonderwijs is € 250 miljoen uitgetrokken. Daarmee wordt een belangrijke bijdrage geleverd aan de uitvoering van het Actieplan Jeugdwerkloosheid. Een regionale aanpak van de problemen staat hierbij centraal. Doel van het Actieplan is om jongeren langer op school te houden en te voorkomen dat ze werkloos raken (School Ex). Bovendien is er een stageoffensief gestart om een tekort aan stageplaatsen te voorkomen. Om de kwaliteit van de stageplaatsen te verbeteren is in 2009 door de betrokken partijen het BPV-protocol opgesteld. Hierin zijn duidelijke afspraken gemaakt over de aanpak van de stages, de voorbereiding van de studenten hierop en de begeleiding en communicatie tussen de school en het leerbedrijf. Daarnaast is er geld beschikbaar gesteld voor regionale initiatieven van mbo-instellingen om de aansluiting op de arbeidsmarkt te verbeteren.

Zowel in 2009 als in 2010 zijn gelden beschikbaar gesteld voor extra voorzieningen voor kwetsbare jongeren met een meervoudige problematiek («Plusvoorzieningen»). Ook is er vanaf 2009 structureel € 15 miljoen beschikbaar voor mbo-instellingen voor het tegengaan van voortijdig schoolverlaten door een uitbreiding van het schoolmaatschappelijk werk. Deze gelden zijn gericht ingezet om de begeleiding van leerlingen, die hulp nodig hebben, te versterken.

Externe factoren

Het onderwijs wordt ook bepaald door de inzet van schoolleiders, bestuurders, toezichthouders, deelnemers, ouders, docenten, bedrijven, brancheorganisaties, maatschappelijke organisaties (bijvoorbeeld jeugdzorg) en andere overheden. De minister is daarom afhankelijk van de beschikbaarheid, capaciteiten en faciliteiten van deze actoren. Andere factoren die de minister slechts beperkt kan beïnvloeden, maar waarvan hij wel afhankelijk is, zijn: ontwikkelingen op de (internationale) arbeidsmarkt, demografische ontwikkelingen in de leerlingen-, deelnemer- en studentenpopulatie en conjuncturele ontwikkelingen.

Tabel 4.1 Indicatoren
Indicator Basiswaarde Realisatie Realisatie Streefwaarde Realisatie
1. Het percentage 20 – 24 jarigen met tenminste hoger secundair onderwijs 71,9% 76,2% 76,2% 85% n.n.b.
  Bron: Eurostat 2000 2007 2008 2010 2009
2. Het percentage voortijdig schoolverlaters van de totale bevolking van 18 – 24 jaar 15,4% 11,7% 11,4% 8% n.n.b.
  Bron: Eurostat 2000 2007 2008 2010 2009
3. Het percentage afgestudeerde mbo 4-deelnemers dat succesvol een opleiding op HBO niveau afrondt 62,1% 63,5% 63,7% 70% 63,7%
  Bron: CFI 2006 2007 2008 2011 2009
4. Werkloosheid van gediplomeerde mbo’ers anderhalf jaar na het beëindigen van de opleiding          
  – BOL– BBL 14,6% 5,3%2,0% 5,3%1,0%   n.n.b.
  Bron: Schoolverlaters tussen onderwijs en arbeidsmarkt, ROA (cohort 2002/2003) 2004 (cohort 2005/2006) 2007 (cohort 2006/2007) 2008   2009
5. Het percentage gediplomeerden dat aangeeft dat hun opleiding voldoende basis was om te starten op de arbeidmarkt.          
  – BOL– BBL 43% 46%56% 48%59% 60%60% n.n.b.
  Bron: Schoolverlaters tussen onderwijs en arbeidsmarkt, ROA (cohort 2004/2005) 2006 (cohort 2005/2006) 2007 (cohort 2006/2007) 2008 2011 2009

Toelichting:

1. Indicator is gebaseerd op jaarlijkse gegevens uit de Labour Force Survey. Streefwaarde voor deze indicator is een Europese afspraak waaraan Nederland zich heeft gecommitteerd (Lissabondoelstelling). Het behalen van een startkwalificatie (hoger secundair onderwijs = mbo-2, havo, vwo) is een gezamenlijke verantwoordelijkheid van de beleidsterreinen Voortgezet onderwijs (artikel 3) en Beroepsonderwijs en volwasseneneducatie. Eurostat publiceert de realisatie 2009 waarschijnlijk in mei/juni 2010.

2. Eurostat heeft de definitie van een voortijdig schoolverlater verbeterd, waardoor de percentages enigszins verschillen ten opzichte van de voorgaande begrotingen en jaarverslagen. Het onderwijsbeleid is erop gericht het aantal voortijdig schoolverlaters te reduceren. Vmbo-leerlingen die wel hun diploma hebben gehaald maar niet doorstromen in het vervolgonderwijs hebben nog geen startkwalificatie en behoren derhalve ook tot de voortijdig schoolverlaters. Eurostat publiceert de realisatie 2009 waarschijnlijk in mei/juni 2010.

3. In de begroting 2009 was de streefwaarde voor 2011 62%. In de begroting 2010 is deze streefwaarde opgehoogd naar 70%.

4. Voor deze indicator is geen streefwaarde geformuleerd, omdat deze sterk afhankelijk is van de conjuncturele ontwikkeling.

4.+5. Het realisatiecijfer voor 2009 van deze indicatoren is in mei 2010 bekend.

4.2 Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 4.2 Budgettaire gevolgen van beleid artikel 4 (x € 1 000)
          Realisatie Vastgestelde begroting Verschil
  2005 2006 2007 2008 2009 2009 2009
Verplichtingen 2 974 676 3 371 806 3 354 224 3 520 349 3 846 651 3 327 268 519 383
Waarvan garantieverplichtingen 41 755 60 645 17 500 90 817 143 934    
Totale uitgaven 2 848 372 3 138 140 3 195 298 3 336 258 3 507 340 3 311 261 196 079
               
Programma-uitgaven 2 828 474 3 134 508 3 191 666 3 332 952 3 503 474 3 307 374 196 100
               
Deelnemers volgen onderwijs in voldoende toegeruste instellingen voor beroepsonderwijs en volwasseneneducatie 0 0 2 704 963 2 815 181 2 976 121 2 802 726 173 395
• Bekostigingroc’s/overige regelingen     2 574 981 2 692 786 2 873 217 2 696 365 176 852
• Korting 2e teldatum (coalitieakkoord)     0 0 – 38 892 – 38 892 0
• BekostigingKBB’s     114 302 111 939 115 821 108 796 7 025
• School-ex programma         8 485 0 8 485
• Kosten OV MBO-leerlingen jonger dan 18 jaar         0 15 000 – 15 000
• Overig     15 680 10 456 17 490 21 457 – 3 967
               
Deelnemers volgen onderwijs van hoge kwaliteit in innovatieve instellingen en via hoogwaardige stageplekken 0 0 183 323 191 376 124 661 120 550 4 111
• Competentiegerichte kwalificatiestructuur     5 000 5 000 5 000 9 742 – 4 742
• Taal en Rekenen       9 237 10 155 10 490 – 335
• Innovatiearrangement     17 000 20 000 21 500 20 000 1 500
• Innovatiebox regulier     36 742 44 495 43 151 43 138 13
• Innovatiebox FES     71 750 73 129 0 0 0
• Regeling stagebox     35 000 35 000 35 362 35 000 362
• Stage en leerbaanoffensief Kenniscentra         7 000 0 7 000
• Toezicht kwaliteit examens mbo     11 300 0 0 0 0
• Overig     6 531 4 515 2 493 2 180 313
               
Deelnemers kunnen zonder drempels beroepsonderwijs en volwasseneneducatie volgen dat het best past bij hun talenten en specifieke behoeften 0 0 243 815 248 286 285 890 272 815 13 075
• Leerlinggebonden financiering(LGF)     16 488 23 066 32 847 22 064 10 783
• Educatie     189 843 197 591 202 401 195 743 6 658
• Aanvalsplan Laaggeletterdheid     4 000 4 000 4 200 4 000 200
• Leven Lang Leren en EVC     25 899 16 142 22 444 24 465 – 2 021
• Schoolmaatschappelijk werk         15 000 15 000 0
• Overig     7 585 7 487 8 998 11 543 – 2 545
               
Er vallen minder leerlingen gedurende hun schoolloopbaan voortijdig uit het onderwijs 0 0 46 457 64 190 103 476 100 754 2 722
• RMC’s/GSB     37 828 39 225 53 251 39 855 13 396
• Covenanten met RMC-regio’s     6 720 13 597 21 146 22 720 – 1 574
• Versterking handhaving leerplicht         0 13 000 – 13 000
• Programmagelden regio’s       6 800 15 170 15 180 – 10
• Aanvullende vergoeding experimenten vmbo-mbo       1 200 0 3 200 – 3 200
• Verbetering melding verzuim         0 2 000 – 2 000
• Plusvoorziening «overbelaste jongeren»         11 900 0 11 900
• Overig     1 909 3 368 2009 4 799 – 2 790
               
Programmakosten-overig 16 318 17 410 13 108 13 919 13 326 10 529 2 797
• Uitvoeringsorganisatie IBG 6 932 5 152 7 878 5 606 7 010 3 114 3 896
• Uitvoeringsorganisatie CFI 9 386 12 258 5 230 8 313 6 316 7 415 – 1 099
               
Apparaatsuitgaven 3 580 3 632 3 632 3 306 3 866 3 887 – 21
Ontvangsten 2 852 97 558 90 276 79 462 24 099 10 000 14 099

* Door herformulering van de operationele doelstellingen zijn de uitgaven op instrumentniveau en/of het niveau van de operationele doelstelling in de jaren 2005 en 2006 niet meer te reconstrueren.

Toelichting:

De uitgaven voor het beroepsonderwijs en de volwasseneneducatie zijn in 2009 € 217,6 miljoen hoger dan de vastgestelde begroting. Dit komt met name door het saldo van de volgende mutaties:

• De stimuleringsmiddelen uit het aanvullend beleidsakkoord (€ 108 miljoen incl. een overboeking van € 10 miljoen naar artikel 11).

• De loon- en prijsbijstelling en indexering van het lesgeld (€ 99,5 miljoen).

In het aanvullend beleidsakkoord zijn voor het beroepsonderwijs en volwasseneneducatie vanuit twee enveloppen middelen beschikbaar gesteld. Hierbij gaat het om de enveloppen: «Arbeidsmarkt: jeugdwerkloosheid» en «Onderwijs: versterking mbo». Vanuit de envelop «Onderwijs: versterking mbo» is voor 2009 € 100 miljoen door het kabinet beschikbaar gesteld. Daarvan is € 4 miljoen overgeboekt naar LNV. De resterende € 96 miljoen voor OCW is besteed aan:

• Het opvangen van de gevolgen van de conjunctuur op de omvang en samenstelling van de deelnemersaantallen in het mbo (€ 71,6 miljoen). Hierbij gaat het bijvoorbeeld om jongeren die overstappen van de bbl naar de bol. Daarvan is er € 10 miljoen overgeboekt naar artikel 11 «studiefinanciering» en maakt daar onderdeel uit van de relevante uitgaven aan basisbeurs en aanvullende beurs bol.

• De versterking van de aansluiting tussen het beroepsonderwijs en de arbeidsmarkt (€ 9,5 miljoen).

• Het opzetten van «plusvoorzieningen» voor overbelaste jongeren. Voor 2009 was er € 30 miljoen beschikbaar, waarvan € 15 miljoen afkomstig was van het ministerie van Jeugd & Gezin. Er is € 18 miljoen doorgeschoven naar 2010, omdat dit beter aansluit bij de liquiditeitsbehoefte van de instellingen.

Uit de envelop «Arbeidsmarkt: jeugdwerkloosheid» is € 15 miljoen beschikbaar gesteld voor het beroepsonderwijs en volwasseneneducatie. Deze middelen zijn besteed aan:

• Het uitvoeren van het School Exit en Extension programma (€ 9,0 miljoen).

• Het uitvoeren van een «stageoffensief» door de kenniscentra beroepsonderwijs en het bedrijfsleven (€ 7,0 miljoen). Hiervan is€ 6 miljoen betaald vanuit de stimuleringsmiddelen en € 1 miljoen uit eigen middelen.

Daarnaast hebben zich nog een aantal mutaties voor gedaan waarvan de volgende worden genoemd:

• Aan de begroting is in 2009, 2010 en 2011 € 5 miljoen toegevoegd voor sport en bewegen. Deze middelen zijn naar aanleiding van de Algemene Politieke Beschouwingen van 2008 aan de begroting 2009 toegevoegd.

• Voor 2009 en latere jaren waren er middelen beschikbaar gesteld voor een reisvoorziening voor minderjarige deelnemers in de bol (€ 15 miljoen in 2009 en € 30 miljoen structureel). Er is onderzocht hoe deze middelen het beste konden worden ingezet. Het bleek niet mogelijk om een efficiënte en effectieve voorziening te maken zonder grote praktische problemen. De Tweede Kamer is hierover geïnformeerd per brief van 15 september 2009 (Tweede Kamer, vergaderjaar 2009–2010, 32 123, nr. 5). In verband met de economische crisis is besloten de middelen in te zetten voor het ombuigingspakket.

• Naar aanleiding van de Algemene Politieke Beschouwingen van 2008 is er vanaf 2009 structureel € 15 miljoen per jaar beschikbaar voor schoolmaatschappelijk werk.

• De middelen voor verbetering melding verzuim zijn overgeboekt naar het budget van IBG voor de uitvoering van de activiteiten van het verzuimloket.

• Het budget voor de leerlinggebonden financiering (LGF) is verhoogd met € 6 miljoen vanwege een (verwachte) stijging van het aantal aanvragen en een prijsverhoging per LGF deelnemer.

• Het bedrag van € 13 miljoen voor de versterking handhaving leerplicht is overgeboekt naar de post RMC’s/GSB.

4.3 Operationele beleidsdoelstelling

4.3.1 Deelnemers volgen onderwijs in voldoende toegeruste instellingen voor beroepsonderwijs en volwasseneneducatie

Het stelsel van beroepsonderwijs en volwasseneneducatie moet zodanig zijn toegerust dat regionale opleidingencentra (roc’s) en kenniscentra voor beroepsonderwijs en bedrijfsleven (kbb’s) bij het verzorgen van beroepsonderwijs en volwasseneneducatie kunnen voldoen aan de door de Wet educatie en beroepsonderwijs (WEB) gestelde toegankelijkheids-, doelmatigheids- en kwaliteitseisen.

Doelbereiking

• Bekostiging

  In de brief van 23 december 2008 (Tweede Kamer, vergaderjaar 2008–2009, 27 451, nr. 101) heeft het kabinet de Tweede Kamer nader geïnformeerd over de richting van de modernisering van de bekostiging van het middelbaar beroepsonderwijs (mbo). Naast een goede aansluiting tussen onderwijs en arbeidsmarkt wil het kabinet de modernisering van de bekostiging ook aangrijpen om enkele perverse prikkels weg te nemen, de administratieve lasten te beperken en optimaal gebruik te maken van het zogenaamde onderwijsnummer. Op 15 april 2009 was de brief aan de orde tijdens het notaoverleg over competentiegericht onderwijs. In de periode daarna is, in lijn met de voorstellen in de brief, de concrete uitwerking daarvan ter hand genomen. Deze is erop gericht medio 2010 een samenhangende wijziging van de WEB en UWEB in verband met de modernisering van de mbo-bekostiging te presenteren.

• Werking tweede teldatum

  De tweede teldatum is bedoeld om instellingen te prikkelen tot het voorkomen van voortijdige schooluitval. In 2009 is de tweede teldatum als correctiefactor in de reguliere bekostiging opgenomen.

• Opvang conjuncturele effecten in het mbo

  Het School Ex (School Exit en Extension) programma richt zich in 2009 en 2010 op examenkandidaten in het mbo. Examenkandidaten, die twijfelen tussen verder leren of werken, worden gestimuleerd door te leren om hun kansen op de arbeidsmarkt te vergroten. Dit gebeurt door het aanbieden van een individueel opleidingsadvies. Examenkandidaten die willen gaan werken, maar nog geen baan hebben, worden «warm overgedragen» aan het UWV Werkbedrijf voor ondersteuning bij het vinden van een baan. Ruim 77 000 mbo examenkandidaten (tweederde van alle mbo examenkandidaten) zijn met School Ex bereikt. Naar schatting heeft ongeveer 40% van de examenkandidaten een persoonlijk gesprek gevoerd met de school over zijn toekomstplannen. Met name de meest kwetsbare jongeren zijn door de instellingen extra geïnformeerd. Daardoor hebben meer jongeren voor een vervolgopleiding gekozen. De verwachting was dat er 10 000 deelnemers door zouden stromen. Inmiddels is duidelijk dat het aantal deelnemers in het mbo op de peildatum 1 oktober 2009 met ruim 12 000 deelnemers is gestegen. Van de circa 16 000 examenkandidaten die twijfelden tussen verder doorleren of werken, heeft de helft toestemming gegeven om hun gegevens aan het UWV Werkbedrijf aan te leveren. Dit is minder dan verwacht, met name vanwege de onbekendheid van het UWV Werkbedrijf onder jongeren.

Daarnaast zijn er middelen beschikbaar gesteld om een stijging van het aantal deelnemers ten gevolge van de economische crisis op te vangen. Ook zijn middelen beschikbaar voor de leerlingen die vanuit de beroepsbegeleidende leerweg zullen overstappen naar de beroepsopleidende leerweg. Aangezien beroepsopleidende-deelnemers duurder zijn, worden de instellingen gecompenseerd voor de deelnemers die overstappen. Uit de voorlopige telling blijkt dat het aantal deelnemers in de beroepsopleidende leerweg (bol) per 1 oktober 2009 per saldo met ruim 10 000 is gestegen ten opzichte van 1 oktober 2008.

Tabel 4.3 Instrumenten
Jaar 2009 Realisatie
1. Bekostiging Ja
2. Werking tweede teldatum Ja
3. Opvang conjuncturele effecten in het mbo Ja
Tabel 4.4 Indicatoren
Indicator Basiswaarde Realisatie Realisatie Streefwaarde Realisatie
1. Deelnemersucces per niveau niveau 1: 37%niveau 2: 47%niveau 3: 68%niveau 4: 70% niveau 1: 42%niveau 2: 49%niveau 3: 69%niveau 4: 77% n.n.b. niveau 1: 50%niveau 2: 60%niveau 3: 75%niveau 4: 80% n.n.b.
  Bron: Benchmark Mbo Raad 2004–2005(eerste Benchmark) 2006–2007(derde Benchmark) 2007–2008 2011 2008–2009
Tabel 4.5: Kengetallen
1. Aantal deelnemers mbo(x 1000) 451,8 449,2 453,6 464,4 476,8 479,6
  bol-vt 280,8 300,2 314,9 322,0 318,8 310,4
  bbl 151,0 133,5 124,5 129,4 146,9 159,5
  bol-dt 20,0 15,5 14,3 13,0 11,1 9,7
  Bron: bekostigingstelling mbo 2003–2004 2004–2005 2005–2006 2006–2007 2007–2008 2008–2009
2. Gemiddelde prijs per mbo-deelnemer (x € 1 000) 5,4 5,7 6,1 6,3 6,7 7,2
  Bron: Lumpsumbudget/specifieke regelingen en gewogen bekostigingsdeelnemers mbo 2004 2005 2006 2007 2008 2009

4.3.2 Deelnemers volgen onderwijs van hoge kwaliteit in innovatieve instellingen en via hoogwaardige stageplekken

Om de kwaliteit van het middelbaar beroepsonderwijs te verbeteren moeten mbo-opleidingen voldoende onderwijstijd bieden en moeten zij de examens op orde hebben. Ouders, studenten en werkgevers moeten kunnen vertrouwen op de kwaliteit van de opleidingen en de uitgereikte diploma’s. De invoering van de nieuwe competentiegerichte kwalificatiestructuur is erop gericht studenten beter voor te bereiden op beroepsuitoefening, doorstroom naar vervolgonderwijs en deelname aan de samenleving. Ook een grotere betrokkenheid en een intensievere samenwerking tussen onderwijsinstellingen, kenniscentra en (leer)bedrijven in de regio kunnen bevorderen dat de kwaliteit en de aantrekkelijkheid van het onderwijs, inclusief de stage, van een hoog niveau is. Daarnaast is het van belang dat innovatieve projecten in en vanuit het beroepsonderwijs een blijvend positief effect hebben op de kwaliteit van het beroepsonderwijs. Verder wordt de positie van het middelbaar beroepsonderwijs versterkt door de doorlopende leerlijnen in de beroepskolom (vmbo-mbo-hbo) te bevorderen.

Doelbereiking

• Competentiegerichte kwalificatiestructuur

  Vanaf 1 augustus 2011 volgen alle eerstejaars mbo-deelnemers opleidingen op basis van de competentiegerichte kwalificatiestructuur. Het jaar 2009 is gebruikt om de transparantie, uitvoerbaarheid en herkenbaarheid van de kwalificatiestructuur verder te verhogen. De instellingen hebben tijdens de experimenteerperiode tot 2010–2011 al een groot deel van opleidingen omgezet in competentiegericht onderwijs. In 2008–2009 bestaat 53% van het aanbod uit competentiegerichte opleidingen, 71% van de mbo-deelnemers in het eerste jaar volgt competentiegericht onderwijs.

• Taal- en rekenonderwijs

  Er is een start gemaakt met de intensivering van het taal- en rekenonderwijs in het mbo, gericht op de verhoging van het beheersingsniveau. Het Uitvoeringsplan taal en rekenen mbo (Tweede Kamer, vergaderjaar 2008–2009, 31 332, nr. 9, 1 juli 2009) beschrijft de aanpak hiervan. In de Regeling intensivering Nederlandse taal en rekenen mbo (Staatscourant nr. 16 810, 9 november 2009) is uitgewerkt welke middelen instellingen hiervoor ontvangen en welke prestaties hiervoor worden verwacht. Het Steunpunt taal en rekenen mbo ondersteunt de mbo-instellingen hier bij.

  Er zijn voorstellen ontwikkeld voor beschrijvingen van de referentieniveaus voor taal en rekenen en toewijzing aan de verschillende mbo-opleidingen, in samenhang met de toewijzing aan de onderwijssoorten in het voortgezet onderwijs, zodat een goede basis is ontstaan voor doorlopende leerlijnen. Zie ook de Voortgangsrapportage doorlopende leerlijnen taal en rekenen van oktober 2009 (Tweede Kamer, vergaderjaar 2008–2009, 31 332, nr. 10). De wet- en regelgevingtrajecten (gericht op verankering in 2010) zijn in uitvoering.

  De kaders voor centrale examinering van Nederlandse taal en rekenen zijn vastgesteld. Zie de brief van 9 december 2009 (BVE/Stelsel/174 415) aan de Tweede Kamer over centrale examinering van taal en rekenen. Hierbij wordt aangesloten bij de infrastructuur voor het voortgezet onderwijs (zoals het College voor Examens). De centrale examens starten bij niveau 4 van het mbo, met het cohort dat in 2010 aan de vierjarige opleiding start. Eindniveau en cesuur zijn zo veel mogelijk gelijk aan het havo. Een Examenbesluit mbo is in voorbereiding.

• Afspraken met kenniscentra voor beroepsonderwijs en bedrijfsleven

  De ontwikkeling van de nieuwe kwalificatiestructuur door de kenniscentra is nagenoeg afgerond. Beoogd is de nieuwe kwalificatiestructuur per 1 augustus 2011 in te voeren. In 2009 is intensief overleg gevoerd met de kenniscentra voor de ontwikkeling van een nieuw bekostigingsmodel. In 2010 zal het wetgevingstraject worden voorbereid voor de aanpassing van het Uitvoeringsbesluit WEB.

• Regelingen innovatiebox, innovatiearrangement en stagebox

  De middelen uit de innovatiebox, het innovatiearrangement en de stagebox geven instellingen en kenniscentra de ruimte om samen met het bedrijfsleven in te spelen op de nodige innovaties in de regio. 2009 was het laatste jaar dat de FES-middelen door de instellingen mochten worden besteed aan de in de Innovatiebox genoemde doelen. Resultaten voor het jaar 2009 zijn nog niet beschikbaar. In het najaar van 2010 zal een overall-evaluatie plaatsvinden, waarin naast een onderzoek naar de resultaten ook een onderzoek naar de effectiviteit van de instrumenten (Innovatie- en Stagebox) zal plaatsvinden. Wel heeft er in 2009 een kwalitatief onderzoek naar les- en examenmateriaal en docentstages plaatsgevonden. Dit zijn twee van de drie doelen welke door FES-middelen gefinancierd zijn. Uit dit onderzoek is gebleken dat de FES-middelen een positieve bijdrage hebben geleverd aan de verbetering van de relatie onderwijs-arbeidsmarkt.

  De regeling Innovatiearrangement maakt onderdeel uit van de bezuinigingsmaatregelen vanaf 2011. De regeling Innovatiearrangement zal nog met twee jaar verlengd worden waarbij het oorspronkelijke jaarlijkse budget gehalveerd wordt (€ 10 miljoen voor 2010 en € 10 miljoen voor 2011). Reden om op dit budget te bezuinigingen is de keuze voor een pakket aan maatregelen waardoor de kerntaak van het middelbaar beroepsonderwijs zo min mogelijk wordt geraakt.

• Verbeteren aansluiting onderwijs en arbeidsmarkt

  In 2009 zijn in 4 regio’s (Twente, Rotterdam Rijnmond, Leiden e.o. en Zuid-Limburg) pilots uitgevoerd waarbij roc’s met partners in hun regio (gemeenten en bedrijfsleven) tot afspraken zijn gekomen over verbetering van de aansluiting onderwijs en arbeidsmarkt. Vanwege de economische crisis zijn deze afspraken met name gericht op het behoud van voldoende stageplaatsen en aanpak van de jeugdwerkloosheid. De ervaringen in de 4 pilots worden verwerkt tot een handreiking voor alle roc’s. Deze is in het voorjaar van 2010 gereed.

  Medio 2009 is het BPV-protocol gerealiseerd. Hierin staan gedragsregels over voorbereiding, matching, begeleiding en samenwerking tussen de instellingen, kenniscentra en leerbedrijven. Het BPV-protocol is een gezamenlijk initiatief van MKB-Nederland, VNO-NCW, Colo en de MBO Raad. Met dit protocol worden verbeteringen rond de kwaliteit van de beroepspraktijkvorming (bpv) gerealiseerd.

  Dit jaar is de inventarisatie van de bedrijfsscholen voltooid. Uit deze inventarisatie komt naar voren dat er in de praktijk veel verschillende varianten van bedrijfsscholen bestaan. Er is echter geen sprake van een eenduidig beeld van de bedrijfsschool.

• Bevorderen doorstroom naar hoger onderwijs

  De pilots met de Associate degree (Ad) op de locatie van een mbo-instelling zijn niet gestart in 2009. Het streven is deze pilots nog in deze kabinetsperiode te starten.

  Eind 2009 heeft de Onderwijsraad het advies «De weg naar de hogeschool» gepubliceerd. In dit advies doet de raad aanbevelingen om de doorstroom tussen het mbo en het hbo te verbeteren. In februari 2010 zal een beleidsreactie naar de Tweede Kamer worden gestuurd.

• Handhaven onderwijstijd

  In 2007 voldeed 76% van de onderzochte opleidingen aan de norm van onderwijstijd bij een controle van de 850 urennorm voor de bol. Na gelegenheid tot herstel voldeed uiteindelijk 92% van de onderzochte opleidingen aan de norm. Als één van de maatregelen werd verscherpt toezicht aangekondigd in het reguliere onderzoek bij de mbo-instellingen.

  In 2009 voldeed 83% van de onderzochte opleidingen aan de norm bij een eerste controle. Na gelegenheid tot herstel voldeed uiteindelijk 91% van de onderzochte opleidingen aan de norm. Er is dus enige progressie geboekt maar nog niet voldoende. Als maatregelen zijn daarom in 2009 genomen: een sanctietraject t.a.v. de 9 onvoldoende opleidingen; naming en shaming door de resultaten in een overzicht op internet openbaar te maken; verscherpt toezicht met name op opleidingen en instellingen die eerder een nalevingtekort lieten zien; een review op de accountantswerkzaamheden die de controle op de programmering van onderwijstijd uitvoeren en in 2011 opnieuw een representatief onderzoek. Tevens wordt in 2010 een representatief onderzoek naar de naleving van onderwijstijd bij de niet-bekostigde instellingen gedaan in het mbo en een evaluatie gehouden naar de beoogde en averechtse effecten van de minimale 850 klokurennorm in het mbo.

• Stage- en Leerbanenoffensief kenniscentra

  Het Stage- en Leerbanenoffensief van de kenniscentra beroepsonderwijs en bedrijfsleven wordt uitgevoerd in de jaren 2009 tot en met 2011. Het doel van het Stage- en Leerbanenoffensief is om bestaande stageplaatsen en leerbanen bij erkende leerbedrijven zoveel mogelijk te behouden, nieuwe stageplaatsen en leerbanen te werven en een betere kwalitatieve afstemming van vraag en aanbod van stageplaatsen en leerbanen te realiseren. Zo zijn er, ondanks de crisis, nog steeds sectoren waar vraag is naar stagairs. Door bijvoorbeeld een betere voorlichting (http://www.stagemarkt.nl/) worden jongeren gestimuleerd hiervan goed gebruik te maken.

  Het Stage- en Leerbanenoffensief heeft in 2009 geresulteerd in een vruchtbare aanpak van de (dreigende) tekorten aan stageplaatsen en leerbanen voor mbo-studenten. Aan het begin van het schooljaar 2009–2010 was het aantal stageplaatsen en leerbanen voor mbo-studenten landelijk voldoende op peil.

• Toezicht en handhaving kwaliteit examens mbo

  De Inspectie van het Onderwijs voert het toezicht uit op de kwaliteit van examens mbo. Uit de onderzoeken van de Inspectie blijkt dat de instellingen de examenkwaliteit over het algemeen serieus nemen en veel inzet plegen om de examenkwaliteit op orde te houden of te krijgen. Dit komt tot uitdrukking in het oordeel van de toezichthouder. Het gerealiseerde percentage van opleidingen met voldoende examenkwaliteit in het studiejaar 2007–2008 bedraagt 78% en dat ligt boven het landelijke streefdoel van tenminste 70% voor het jaar 2010. Gezien de uitkomst is de streefwaarde verhoogd naar 85% in 2011 (conform de begroting 2009).

  Onvoldoende examenkwaliteit blijft niet zonder gevolgen: in totaal is voor 218 opleidingen een officiële waarschuwing (een «gele kaart») gegeven en voor 4 opleidingen bij 4 instellingen is de examenlicentie ingetrokken (een «rode kaart»). Tevens wordt uitwerking gegeven aan een aantal maatregelen ter versteviging van de examinering. Zoals de start van experimenten voor de ontwikkeling van examenprofielen, waarin onderwijsveld en bedrijfsleven gezamenlijke afspraken maken over de (standaardisering van de) beroepsgerichte examinering en de betrokkenheid van het bedrijfsleven. De Tweede Kamer is geïnformeerd over de stand van zaken van respectievelijk de examenkwaliteit, de bestuurlijke interventiemaatregelen in geval van onvoldoende examenkwaliteit en de maatregelen ter versteviging van de examinering (Tweede Kamer, vergaderjaar 2008–2009, 27 451, nr. 99). Eerder is de Tweede Kamer geïnformeerd over de beleidsvoornemens voor het examenbeleid mbo op de langere termijn (Tweede Kamer, vergaderjaar 2007–2008, 27 451, nr. 88).

  De inspectieonderzoeken bij instellingen naar de examenkwaliteit 2009 zijn nog niet afgerond. Daarom bevat het Onderwijsverslag 2008/2009 niet de bevindingen hiervan. De inspectie zal die daarom weergeven in het Examenverslag 2009, dat ik naar verwachting voor het zomerreces 2010 voorzien van een beleidsreactie naar de Tweede Kamer zal sturen.

  Wat het reeds uitgevoerde onderzoek naar de kwaliteit van examenproducten en -diensten van examenleveranciers betreft, constateert de inspectie dat een deel ervan niet aan de eisen voldoet. Instellingen kunnen de uitkomsten benutten bij hun afwegingen over eventuele inkoop. Het staat hen vrij om al dan niet in te kopen. Betreffende leveranciers is er veel aan gelegen om geconstateerde tekortkomingen snel te verbeteren. De inspectie voert gesprekken met deze leveranciers over de verbeteringen en volgt de voortgang.

Tabel 4.6 Instrumenten
Jaar 2009 Realisatie
1. Competentiegerichte kwalificatiestructuur Ja
2. Taal- en rekenonderwijs Ja
3. Afspraken met kenniscentra voor beroepsonderwijs en bedrijfsleven Ja
4. Regelingen innovatiebox, innovatiearrangement en stagebox n.n.b.
5. Verbeteren aansluiting onderwijs en arbeidmarkt Ja
6. Bevorderen doorstroom naar hoger onderwijs Nee
7. Handhaven onderwijstijd Ja
8. Stage- en Leerbanenoffensief kenniscentra Ja
9. Toezicht en handhaving kwaliteit examens mbo Ja

Toelichting:

2. In 2009 zijn alle stappen gezet, die nodig zijn om per augustus 2010 te zorgen voor wettelijke verankering van de referentieniveaus en het van kracht worden van het Examenbesluit mbo.

4. De evaluatie vindt voor de zomer van 2010 plaats. Nu zijn nog geen resultaten bekend.

6. De beleidsreactie op de Tussenevaluatie pilots Ad in het hoger beroepsonderwijs is medio oktober 2009 naar de Tweede Kamer gestuurd. De beleidsreactie en het algemeen overleg in de Tweede Kamer was het aangrijpingspunt voor de realisatie van de pilots met de Ad op locatie van een mbo-instelling. Om de pilots te kunnen realiseren is een ministeriële regeling nodig. De grondslag voor deze regeling is art. 1.7 van de WHW, na in werking treding van het wetsvoorstel Versterking besturing.

Tabel 4.7 Indicatoren
Indicator Basiswaarde Realisatie Realisatie Streefwaarde Realisatie
1. Percentage opleidingen met voldoende examenkwaliteit 52% 60% 78% 85% n.n.b.
  Bron: Examenverslag mbo 2005 2007 2008 2011 2009
2. Percentage deelnemers dat positief is over de beroepspraktijkvormingsplek (BPV) 48% 48% 59% 75%  
  Bron: ODIN 2005(ODIN 3) 2007(ODIN 4) 2008(ODIN 5) 2011  
3. Het oordeel van de deelnemer over de opleiding 6,7 6,6 6,9 7,0  
  Bron: ODIN 2005 (ODIN 3) 2007(ODIN 4) 2008(ODIN 5) 2011  
4. Het percentage opleidingen dat onderwijs geeft volgens de richtlijnen van de 850 uren norm (BOL) 75% 76% 91% 100% 83%
  Bron: Inspectie van het Onderwijs 2006 2007 2008 2011 2009
5. Het percentage opleidingen, ingericht op basis van de nieuwe kwalificatiedossiers 12% 26% 39% 53% 53%
  Bron: Cfi 2005–2006 2006–2007 2007–2008 2008–2009 2008–2009
6. Het percentage deelnemers in nieuwe opleidingen 11% 26% 41% 58% 58%
  Bron: Cfi 2005–2006 2006–2007 2007–2008 2008–2009 2008–2009

4. In de begroting 2009 is de streefwaarde voor 2008 nog opgenomen. Deze is met een streefwaarde van 100% gelijk aan het percentage voor 2011.

Toelichting:

1. De inspectie is nog bezig met de onderzoeken naar de examenkwaliteit 2009. Het landelijke totaalbeeld van de uitkomsten hiervan zal de inspectie weergeven in het Examenverslag 2009 dat in juni 2010 uitkomt.

4. Het percentage van 91% over het jaar 2008 is niet vergelijkbaar met 2006, 2007 en 2009 omdat dit resultaat afkomstig is uit het reguliere risicogerichte (en dus selectieve) toezicht. In 2009 is wederom een representatief onderzoek gedaan en de 83% voldoende (17% onvoldoende bij controle en na geboden hersteltijd 9% uiteindelijk onvoldoende) laat dus wel enige verbetering zien ten opzichte van 2007 (24% onvoldoende bij de eerste controle en uiteindelijk 8% na herstelacties). De progressie is echter niet voldoende. Van instellingen wordt verwacht dat zij de wettelijke eis van 850 uur in de bol 100% naleven. De operationele doelstelling van 100% blijft dan ook overeind als streven. In de praktijk zal er echter rekening mee gehouden moeten worden dat 100% naleving moeilijk haalbaar zal zijn. Een marge van 5% behoort tot de geaccepteerde risico’s.

5. De streefwaarde voor 2008–2009 is gerealiseerd. Door het verlengen van de experimenteerperiode tot 2011 blijft echter de situatie, waarin competentiegericht onderwijs naast eindtermengericht onderwijs wordt aangeboden, langer bestaan. Met nog twee instroommomenten te gaan, worden in de komende jaren in toenemende mate eindtermengerichte opleidingen afgebouwd.

6. De streefwaarde voor 2009 is gerealiseerd. De doelstelling voor augustus 2011 is dat alle eerstejaars mbo-deelnemers competentiegericht onderwijs volgen. In 2009 gold dat al voor 71% van de eerstejaars in het mbo.

4.3.3 Deelnemers kunnen zonder drempels beroepsonderwijs en volwasseneneducatie volgen dat het best past bij hun talenten en specifieke behoeften

Deelnemers aan het beroepsonderwijs en de volwasseneneducatie moeten de mogelijkheid krijgen om hun talenten te ontplooien in een leeromgeving en op een manier die het beste past bij hun specifieke behoeften. Het gaat daarbij ook om jongeren die een extra steuntje in de rug nodig hebben bij het volgen van een mbo-opleiding. En om volwassenen die door het volgen van een cursus of opleiding beter in staat zijn te participeren op de arbeidsmarkt en in de samenleving.

Doelbereiking

• Leerlinggebonden financiering

  Leerlinggebonden financiering (LGF) is in 2006 ingevoerd in het mbo en sinds augustus 2008 opgenomen in de Wet educatie en beroepsonderwijs. Sinds de invoering van LGF zijn de aanvragen voor LGF sterk toegenomen tot 5 900 in 2009 (incl. LNV). Het merendeel van de aanvragen (70%) betreft deelnemers met een psychische stoornis of gedragsproblematiek.

• Van Rijksbijdrage volwasseneneducatie naar participatiebudget

  De Nederlandse gemeenten ontvangen jaarlijks geld van het Rijk voor educatie. Op grond van de WEB zijn zij verplicht overeenkomsten te sluiten met regionale opleidingencentra over de inkoop van educatieve activiteiten. Ambities op het terrein van de educatie zijn bijvoorbeeld het vergroten van de sociale redzaamheid en het terugdringen van het aantal laaggeletterden (zie ook onder het volgende instrument), het verzorgen van tweede kans onderwijs (vavo) en het bevorderen van de doorstroom naar het middelbaar beroepsonderwijs. Met de Wet participatiebudget die per 1 januari 2009 in werking is getreden, streeft de regering ernaar de middelen die gemeenten ontvangen voor de volwasseneneducatie, de inburgering en de integratie van werkzoekenden, samen te voegen tot één «participatiebudget». Doel hiervan is een grotere beleidsvrijheid en minder administratieve lasten voor gemeenten. Het eindperspectief is één volledig «ontschot» budget dat gemeenten via aanbesteding in de markt zetten. Bij wijze van overgang zijn gemeenten tot 2013 verplicht het budget dat zij binnen het participatiebudget voor educatie ontvangen aan de inkoop van educatietrajecten bij roc’s te besteden.

• Verminderen laaggeletterdheid

  In Nederland hebben ongeveer 1,5 miljoen mensen moeite met lezen, schrijven of rekenen. Eind mei 2009 heeft de Tweede Kamer de derde voortgangsrapportage over 2008 ontvangen, inclusief de monitor van het aantal deelnemers aan een lees-, schrijf- of rekencursus in dat kalenderjaar(Tweede Kamer, vergaderjaar 2008–2009, 28 760, nr. 20). Hieruit blijkt dat de aanpak van laaggeletterdheid een steviger fundament heeft gekregen. Eén van de mijlpalen uit het Aanvalsplan (12 500 cursisten die een cursus lezen en schrijven bij het roc volgen) is in dit jaar al nagenoeg behaald. De vooruitzichten zijn dan ook, dat de meeste mijlpalen uit het «aanvalsplan» worden gehaald.

• Bevorderen leren en werken

  In 2009 heeft het kabinet een reactie gegeven op het advies «Tijd voor ontwikkeling» van de Denktank Leren en Werken (Tweede Kamer, vergaderjaar 2009–2010, 30 012, nr. 20). Het kabinet is het met de constatering van de Denktank eens dat een leven lang leren nodig is en dat een cultuurverandering hiervoor een vereiste is. Leren kan niet langer een vrijblijvende optie zijn. Deze cultuurverandering is essentieel voor een omslag op de arbeidsmarkt, waar flexibiliteit en mobiliteit steeds belangrijker worden.

  In 2009 is verder geïnvesteerd in de regionale infrastructuur voor een leven lang leren. Vanuit een gezamenlijk vastgestelde regionale scholingsbehoefte werken 47 samenwerkingsverbanden van scholingsinstellingen, bedrijven en overheden aan een duurzame infrastructuur. Werkzoekenden, werknemers en werkgevers kunnen met hun vragen over scholing in hun eigen regio terecht bij een fysiek leerwerkloket. Er zijn ruim 40 leerwerkloketten. In 2009 zijn de voorbereidingen gestart voor de structurele inbedding van de leerwerkloketten in de werkpleinen en de financiering daarvan.

  De regionale infrastructuur wordt ingezet voor de realisatie van 90 000 extra leerwerktrajecten in de periode 2008 tot 2011. De ambitie vanuit de regio om daarvan eind 2009, 40 000 trajecten te realiseren, is ruimschoots behaald. Eind 2009 stond de teller op 57 497. Medio 2009 zijn nieuwe ambities geformuleerd voor de resterende 50 000 trajecten. Door de economische crisis is het onzeker of deze aantallen eind 2010 gehaald zullen worden.

  Het Ervaringscertificaat (EVC) is als arbeidsmarktinstrument op de kaart gezet en de bekendheid van het Ervaringscertificaat is tijdens de publiekscampagne gestegen.

  De betekenis van het Ervaringscertificaat is de afgelopen periode sterk toegenomen. Het is daarmee in een cruciale fase beland, waarin de kwaliteit op orde moet worden gebracht en de kwantiteit verder moet groeien. De komende drie jaar zal de staatssecretaris van OCW daarin de regie nemen.

• Schoolmaatschappelijk werk

  In september 2008 is bij de algemene politieke beschouwingen als antwoord op de motie van Hamer, Slob en Van Geel (Tweede Kamer, vergaderjaar 2008–2009, 31 700, nr. 15) meerjarig € 15 miljoen beschikbaar gekomen voor mbo-instellingen voor het tegengaan van voortijdig schoolverlaten door het schoolmaatschappelijk werk uit te breiden. Het schoolmaatschappelijk werk is gericht op het tijdig en adequaat verlenen van hulp aan leerlingen met problemen. Met deze bijdrage krijgen de mbo-instellingen de mogelijkheid en de plicht de hulpverlening aan deze leerlingen verder uit te bouwen.

Tabel 4.8 Instrumenten
Jaar 2009 Realisatie
1. Leerlinggebonden financiering Ja
2. Van Rijksbijdragevolwasseneneducatie naar participatiebudget Ja
3. Verminderen laaggeletterdheid Ja
4. Bevorderen leren en werken Ja
5. Schoolmaatschappelijk werk Ja

Toelichting:

3. Onderzoek naar het aantal laaggeletterden in Nederland wordt niet jaarlijks uitgevoerd. In het Aanvalsplan Laaggeletterdheid zijn zes mijlpalen opgenomen die grotendeels wel worden gemonitord. Uit de monitor blijkt dat er steeds meer mensen zijn die een cursus lezen en schrijven volgen, meer aandacht komt voor het onderwerp laaggeletterdheid (bijvoorbeeld in bibliotheken) en dat er steeds meer gemeenten en provincies zijn die activiteiten op dit onderwerp ontwikkelen. Gezien deze ontwikkelingen is de verwachting dat het aantal laaggeletterden afneemt, of hun kennis van lezen en schrijven is toegenomen.

Tabel 4.9 Indicatoren
Indicator Basiswaarde Realisatie Realisatie Streefwaarde Realisatie
1. Aantal nieuwe leerwerktrajecten (duaal + EVC) 11 575 44 162 29 865 90 000 65 166
  Bron: monitoring door Cinop 2006 2007 2008 2010 2009
2. Deelnameaan leeractiviteiten door 25–64 jarigen 15,5% 16,6% 17,0% 20% n.n.b.
  Bron: Eurostat 2000 2007 2008 2010 2009
3. Het percentage deelnemers dat tevreden is over de begeleiding bij de studie 38% 39% 44% 65%  
  Bron: ODIN 2005 (ODIN 3) 2007 (ODIN 4) 2008 (ODIN 5) 2011  
4. Dekkingsgraad zorg- en adviesteams 42% 75% 82% 100% n.n.b.
  Bron: Nederlands Jeugdinstituut 2003 2007 2008 2011 2009

Toelichting:

1. In de periode 2005–2007 zijn 44 162 extra leerwerktrajecten (duaal en EVC) gerealiseerd. Met de verlenging van de projectdirectie Leren en Werken tot 2011 is voor de periode 2008–2011 een nieuwe streefwaarde bepaald. In de periode 2008 tot 2011 moeten 90 000 extra leerwerktrajecten gerealiseerd worden. Het startmoment voor deze nieuwe ambitie is 2008. In dat jaar zijn 29 865 trajecten gerealiseerd. In 2009 is dit aantal opgelopen tot 65 166 trajecten.

2. De Lissabondoelstelling voor leven lang leren: 12,5% van de beroepsbevolking tussen de 25 en 64 jaar neemt in 2010 deel aan een cursus of opleiding. Het kabinet heeft een ambitieuzere doelstelling: 20% in 2010. De Lissabondoelstelling is de afgelopen jaren behaald en Nederland behoort nog steeds tot de best presterende landen. Het zal moeilijk zijn om de nationale ambitie van 20% in 2010 te gaan halen. Er moet dan ook permanente aandacht zijn voor leven lang leren. De realisatie 2009 wordt waarschijnlijk in mei/juni 2010 gepubliceerd.

4. De realisatie 2009 wordt in februari 2010 verwacht.

4.3.4 Er vallen minder leerlingen gedurende hun schoolloopbaan voortijdig uit het onderwijs

Uit oogpunt van maatschappelijke cohesie en economische ontwikkeling is het van belang dat zoveel mogelijk jongeren minimaal een startkwalificatie halen. De nationale doelstelling is halvering van het jaarlijks aantal nieuwe voortijdig schoolverlaters (vsv’ers) in 2012 ten opzichte van 2002. Een voortijdig schoolverlater is een jongere van 12 tot 23 jaar die geen onderwijs volgt en nog geen startkwalificatie heeft. Een startkwalificatie is een vwo-, havo-, of mbo-diploma op niveau 2. In de uitvoeringsbrief «Aanval op de schooluitval: een kwestie van uitvoeren en doorzetten»(Tweede Kamer, vergaderjaar 2007–2008, 26 695, nr. 42) staat op welke wijze voortijdig schoolverlaten (vsv) wordt aangepakt. De uitval van jongeren kent verschillende oorzaken waardoor een brede benadering noodzakelijk is. Daarom plaatst het kabinet de aanpak van voortijdig schoolverlaten in een breder kader: de pijler «sociale samenhang». Binnen deze geïntegreerde aanpak is OCW verantwoordelijk voor het voorkomen van voortijdig schoolverlaten door met name kwalitatief goed onderwijs te bieden en door zich in te zetten voor jongeren die een extra steuntje in de rug nodig hebben.

Doelbereiking

• Meerjarige convenanten

  In 2008 zijn nieuwe vierjarige convenanten afgesloten met scholen en gemeenten in alle 39 RMC-regio’s. Het doel is in de schooljaren 2007–2008 tot en met 2010–2011 een reductie te realiseren in het aantal nieuwe vsv’ers van 40% ten opzichte van het aantal in schooljaar 2005–2006. Dit betekent dat de uitval jaarlijks cumulatief met 10% moet verminderen; 10% in schooljaar 2007–2008 oplopend naar 40% reductie in 2010–2011. In 2009 zijn de resultaten over het schooljaar 2007–2008 bekend geworden. Hieruit blijkt dat het aantal nieuwe vsv’ers over schooljaar 2007–2008 ten opzichte van schooljaar 2005–2006 gemiddeld over alle regio’s gedaald is met 10%. Daarmee is op landelijk niveau de doelstelling voor het eerste convenantjaar gehaald. In januari 2010 zijn de voorlopige cijfers over het schooljaar 2008–2009 bekend geworden. Hieruit blijkt dat de reductie van gemiddeld 20% ook is gehaald.

• Specifieke programma’s voor de regio’s

  Aan de meerjarige convenanten is extra geld toegevoegd voor onderwijsinstellingen voor specifieke programma’s voor de regio’s. Voor de RMC-regio’s Agglomeratie Amsterdam, Haaglanden/Westland, Rijnmond en Utrecht geldt een uitzondering. Deze subsidie biedt een extra stimulans om de doelstelling van maximaal 35 000 nieuwe vsv’ers in 2012 te realiseren. De onderwijsinstellingen moeten hiervoor gezamenlijk en in overeenstemming met de RMC-contactgemeente een programma van maatregelen opstellen. In de 35 RMC-regio’s, waar de onderwijsinstellingen in aanmerking komen voor deze subsidie, is in 2009 namens de contactscholen een aanvraag voor de jaren 2010 en 2011 ingediend. Uiterlijk op 1 februari 2010 wordt beslist of de aanvraag wordt goedgekeurd. Verder dienen de contactscholen uiterlijk 1 juli 2010 een tussenrapportage in, waarin een beschrijving wordt gegeven van de resultaten van het uitgevoerde onderwijsprogramma.

• Experimenten vmbo-mbo

  De eerste tranche experimenten vmbo-mbo is van start gegaan. In deze experimenten stellen scholen voor voortgezet onderwijs en mbo-instellingen één leergang samen, die erop gericht is de leerlingen in 3 of 4 jaar naar een mbo-niveau 2 kwalificatie toe te leiden. De leerlingen blijven gedurende het experiment onderwijs volgen op de locatie waar ze de leergang zijn gestart.

  Uit de evaluatie VM2-leergang zal moeten blijken of VM2 leidt tot reductie van het voortijdig schoolverlaten. De veronderstelling is dat deze leerlingen door de «knip» tussen vmbo en mbo, er niet in slagen een mbo-opleiding niveau 2 met succes af te ronden.

  Op basis van voortgangsverwachtingen van de scholen blijkt dat 70% van de in totaal 1030 deelnemende leerlingen, die meedoen aan de eerste tranche experimenten, doorgaan. Dit blijkt uit de rapportage «Eén jaar VM2, rapportage 2008–2009 experimenten 1e tranche» van het Ecbo.

  Vanaf 1 augustus 2009 is de tweede tranche experimenten gestart, met 3 200 leerlingen. Dit is een voorlopig cijfer en gebaseerd op het aantal leerlingen op basis waarvan aan scholen voor de tweede tranche is beschikt. Het definitieve aantal wordt in juli 2010 vastgesteld, na accountantscontrole.

• Verbetering melding relatief verzuim door scholen

  Indien er sprake is van relatief verzuim (een leerling is gedurende langere tijd afwezig, maar staat wel ingeschreven) moet een school dit melden aan de gemeente. Uit onderzoek bleek dat scholen en onderwijsinstellingen in veel gevallen niet goed omgaan met de wettelijke verplichting om tijdig verzuim te melden en dat het meldingsproces moest worden verbeterd. Gemeenten moeten kunnen beschikken over tijdige, juiste en volledige informatie over verzuimende leerlingen zodat zij adequaat kunnen reageren. In 2007 is een pilot gestart van de «digitale één-loket route», waarbij de scholen de verzuimgegevens verplicht aan de DUO (voorheen IB-Groep) melden en de DUO deze gegevens verrijkt met gegevens uit BRON en aan de juiste gemeenten verstrekt. Vanaf 1 augustus 2009 is het voor scholen wettelijk verplicht verzuim te melden na ongeoorloofde afwezigheid van 16 uren les- of praktijktijd in een periode van vier weken. Dit is ongeveer gelijk aan 3 dagen afwezigheid. De gegevens over verzuim worden via het Digitaal Verzuimloket automatisch doorgestuurd naar de gemeente zodat leerplicht / RMC gericht actie kunnen ondernemen met betrekking tot het verzuim. Er is zo directe feedback tussen school en gemeente.

  Alle scholen zijn nu aangesloten op het Digitaal Verzuimloket, het gebruik en de werking van het loket zal de komende tijd worden gemonitord.

• Plusvoorzieningen

  In samenhang met de aanpak van jeugdwerkloosheid en het kabinetsstandpunt op het WRR-advies, besteedt het kabinet apart aandacht aan de zogenaamde «overbelaste» jongeren. Het betreft een kabinetsbrede aanpak waarvoor drie ministeries (J&G, BZK, SZW) budgetten hebben ingezet. Voor de groep «overbelasten» worden plusvoorzieningen opgezet op de laagste mbo-niveaus. Plusvoorzieningen zijn een combinatie van onderwijs, zorg, en arbeidstoeleiding. In september 2009 is de subsidieregeling plusvoorzieningen gepubliceerd. In alle regio’s zijn afspraken vastgelegd over de contactschool. De contactscholen hebben in oktober een technische aanvraag ingediend om namens de RMC-regio aanspraak te maken op de beschikbare middelen. De beschikkingen voor deze aanvragen zijn in november aan alle contactscholen verstuurd. De plannen van aanpak moeten uiterlijk 1 maart zijn ingediend.

• Curatieve maatregelen

  Als jongeren toch uitvallen, zijn er andere inspanningen nodig om ze alsnog op te leiden tot een startkwalificatie. Hiervoor zet het kabinet in op samenwerking tussen het onderwijsveld, gemeenten, werkgevers en (jeugd)zorg. De ambitie is om in deze kabinetsperiode 20 000 werkende jongeren alsnog aan een startkwalificatie te helpen door middel van EVC- en/of duale trajecten. Deze ambitie is onderdeel van de ambitie om in de periode 2008–2011 in totaal 90 000 EVC- en/of duale trajecten te realiseren.

  Nu het economisch slechter gaat en de werkgelegenheid daardoor afneemt, worden jongeren zonder startkwalificatie zwaar getroffen. Met werkgevers zijn in de regio in 2009 afspraken gemaakt om jongeren die op straat (dreigen te) komen extra te scholen. Zo wordt hun positie op de arbeidsmarkt duurzaam verbeterd. Hier is aansluiting gezocht bij het Actieplan Jeugdwerkloosheid dat het kabinet in juni 2009 presenteerde.

  Uit de monitoring van juni 2009 blijkt dat er door de projecten Leren en Werken inmiddels ruim 4 500 jongeren in trajecten zitten op weg naar een startkwalificatie. De nieuwe subsidieregeling Leren en Werken voor doelgroepen, gepubliceerd in februari 2009, stimuleert projecten om nog gerichter met de groep werkende jongeren zonder startkwalificatie aan de slag te gaan. Eind 2010 wordt de eindstand opgemaakt.

Tabel 4.10 Instrumenten
Jaar 2009 Realisatie
1. Meerjarige convenanten Ja
2. Specifieke programma’s voor de regio’s Ja
3. Experimenten vmbo-mbo Ja
4. Verbetering melding relatief verzuim door scholen Ja
5. Plusvoorzieningen Ja
6. Curatieve maatregelen Geen

Toelichting:

3. Zoals gezegd is de verwachting dat 70% van de leerlingen van de eerste tranche experimenten doorgaat. Twintig procent van deze leerlingen stapt over naar hetzij een kader- hetzij reguliere basisberoepsgerichte leerweg, naar het mbo of praktijkonderwijs. Van 10% van de leerlingen was bij het uitkomen van bovengenoemde rapportage van het Ecbo nog niet bekend wat ze in schooljaar 2009–2010 gaan doen.

5. De gemaakte afspraken en instrumenten lopen door tot het einde van de kabinetsperiode. Dan wordt pas de stand van zaken opgemaakt.

Tabel 4.11 Indicatoren
Indicator Basiswaarde 2002 Realisatie 2007 Realisatie** 2008 Streefwaarde 2012 Realisatie** 2009
1. Het aantal nieuwe vsv’ers per kalenderjaar (nationale indicator) 71 000 52 700 46 800 35 000 42 600*
  Bron:Tweede Kamer, vergaderjaar 2008–2009, 26 695, nr. 61          
2. Aantal herplaatste voortijdig schoolverlaters (inclusief oude voortijdig schoolverlaters) 20 000 39 545 33 794   n.n.b.
  Bron: Analyse RMC-effectrapportages 2007–2008, Kenniscentrum Beroepsonderwijs Arbeidsmarkt          

* Dit is een voorlopig cijfer. Het definitieve aantal vsv-ers over 2008–2009 wordt verwacht in oktober 2010.

** Er is een statistische correctie op de landelijke cijfers van 2004–2005 en verder doorgevoerd. De doorstroom van leerlingen uit het regulier voortgezet onderwijs naar het voortgezet speciaal onderwijs (vso) bleek niet in de volle omvang verwerkt te zijn. Een jongere die doorstroomt naar het vso is geen vsv-er, omdat het vso in principe niet opleidt tot een startkwalificatie. Dit is nu gecorrigeerd. Dit deed zich niet voor in de cijfers over 2002 die op een andere bron (RMC-registratie) gebaseerd zijn.

Toelichting:

2. Voor deze indicator is geen landelijke streefwaarde afgesproken. De realisatie 2009 is in april 2010 bekend.

4.4 Overzicht afgeronde onderzoeken

  Onderzoek onderwerp AD of OD Start Afgerond Vindplaats
Overig evaluatieonderzoek Effectiviteit VSV maatregelen/Convenanten(kwalitatief) OD 4 2008 1e tussenrapportage wordt mei 2010 verwacht. De definitieve rapportage wordt gecombineerd met een TIER-publicatie. TU Delft & Berenschot
  Effectmeting duale en evc-trajecten op deelname arbeidsparticipatie OD 3 2008    
  Project Onderwijs-Arbeidsmarkt 2006 (POA) AD   Jaarlijks in juli ROA
  Registratie en bestemming uitstroomschoolverlaters (SIS) AD   Jaarlijks in september ROA
  Monitor Sociale Veiligheid AD   Jaarlijks Cinop
  Arbeidsmarkt barometer leraren (incl. bve) AD   Jaarlijks Onderwijsarbeidsmarktbarometer
  Monitor alfabetisering OD 3   Jaarlijks in het voorjaar Cinop
  Monitor leerlinggebonden financiering OD 3 2006 2009 RISBO
  Financiële belasting roc’s als gevolg van WGBhcz OD 3 2008 2009 RISBO/SEOR

Toelichting:

De «Effectmeting duale en evc-trajecten op deelname arbeidsparticipatie» bleek te zijn overgedragen aan PLW (Projectdirectie Leren en Werken). Daar is besloten het op de voorgestelde wijze niet van start te laten gaan; onderzoekstechnisch te gecompliceerd. PLW verwerkt de onderzoeksvraag in de beleidsdoorlichting, uit te voeren in 2010–2011.

ARTIKEL 5. TECHNOCENTRA

5.1 Algemene beleidsdoelstelling: het ondersteunen van technocentra ter versterking van de kennisinfrastructuur in de regio ter verbetering van de aansluiting tussen het technische beroepsonderwijs en het bedrijfsleven.

Doelbereiking en maatschappelijke effecten

Het Platform Bèta Techniek (PBT) heeft net als voorgaande jaren op verzoek van het ministerie van OCW een evaluatie verricht naar de jaarverslagen 2008 van de technocentra. Het PBT heeft zich hierbij gebaseerd op de kaders uit de Kaderregeling Technocentra. Bij de evaluatie is gekeken naar de resultaten van de afzonderlijke activiteiten, de relatie met de doelstellingen van de kaderregeling en naar de werking en effectiviteit van de kaderregeling. Uit de evaluatie blijkt dat de activiteiten van de technocentra elk op hun eigen wijze een bijdrage leveren aan de oplossing van de in de regio gesignaleerde knelpunten. De technocentra creëren draagvlak voor hun activiteiten door in te zetten op netwerkvorming en andere vormen van samenwerkingsverbanden waarin onderwijs en bedrijfsleven zijn betrokken. Deze betrokkenheid blijkt ook uit de gerealiseerde cofinanciering (ook al is sprake van grote verschillen).

Externe factoren

Conjuncturele ontwikkelingen in de technische sector.

5.2 Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 5.1 Budgettaire gevolgen van beleid artikel 5 (x € 1 000)
          Realisatie Vastgestelde begroting Verschil
  2005 2006 2007 2008 2009 2009 2009
Verplichtingen 280 9 037 9 025 8 988 10 189 9 433 756
Waarvan garantieverplichtingen              
Totale uitgaven 9 207 9 037 9 025 8 988 10 189 9 434 755
               
Programma-uitgaven 0 0 9 025 8 988 10 189 9 434 755
• Basissubsidie     7 000 7 000 7 000 7 000 0
• Speerpuntsubsidie     1 700 1 688 2 889 2 134 755
• Overig     325 300 300 300 0
Ontvangsten 9 076 9 199 9 084 9 017 9 801 9 136 665

* Door herformulering van de operationele doelstellingen zijn de uitgaven op instrumentniveau en/of het niveau van de operationele doelstelling in de jaren 2005 en 2006 niet meer te reconstrueren.

5.3 Doelstellingen nieuwe Kaderregeling

Voor de jaren 2006 tot en met 2010 is de Kaderregeling Technocentra(Stb. 2006, nr. 50) vastgesteld met als doel het verstrekken en vernieuwen van de kennisinfrastructuur en verbetering van de aansluiting tussen beroepsonderwijs en bedrijfsleven in de technische sector. De drie daarvan afgeleide doelstellingen zijn:

a. het bevorderen van de circulatie en toepassing van kennis tussen instellingen, tussen instellingen en ondernemingen of tussen instellingen, ondernemingen en derden;

b. een gezamenlijke benutting door verschillende instellingen van hoogwaardige en moderne apparatuur voor technisch beroepsonderwijs;

c. het bevorderen van een goede aansluiting van technisch beroepsonderwijs op de opleidingsbehoeften van de arbeidsmarkt.

Binnen deze doelstellingen moeten de technocentra zich laten leiden door regionale knelpunten en uitdagingen. Ook moet daarbij een duidelijke focus liggen op het aanpakken van de tekorten aan bèta’s en technici.

Doelbereiking

Doelstelling a: De kennisdeling wordt gezien als basis van het totale activiteitenscala. Veel technocentra bouwen hun activiteiten op langs subregionale en/of sectoraal georganiseerde platforms. De nadruk ligt hierbij op kennisuitwisseling tussen onderwijs en arbeidsmarkt. Hoewel er steeds vaker meerdere onderwijsinstellingen betrokken worden bij één platform blijkt het moeilijker om kennisuitwisseling te realiseren vanwege onderlinge concurrentie.

Doelstelling b: Het gezamenlijk benutten van apparatuur blijkt een lang en moeizaam proces te zijn vanwege de al eerder genoemde concurrentie tussen onderwijsinstellingen.

Doelstelling c: De activiteiten ter bevordering van een goede aansluiting van technisch beroepsonderwijs op de opleidingsbehoeften om techniek te promoten zoals Careerday, First Lego League, en Technowijzer. Hierbij gaat het om de beïnvloeding van het keuzeproces van leerlingen en hun ouders.

Instrumenten

De instrumenten die zijn ingezet om de drie doelstellingen te realiseren zijn de basissubsidie en de speerpuntsubsidie. De resultaten die hierbij zijn behaald, staan opgenomen in dit artikel en zijn gebaseerd op de doelstellingen die zijn geformuleerd in de kaderregeling.

Tabel 5.2 Instrumenten
Jaar 2009 Realisatie
1. Het beschikbaar stellen van basissubsidie aan de technocentra Ja
2. Het beschikbaar stellen van speerpuntsubsidie aan de technocentra Ja

Realisatie meetbare gegevens

Het nieuwe meetinstrument dat sinds 2008 wordt gebruikt, levert te weinig gegevens op om harde uitspraken te doen over de causale verbanden tussen de activiteiten en de doelen uit de kaderregeling enerzijds en de effecten van de activiteiten anderzijds.

ARTIKEL 6. HOGER ONDERWIJS

6.1 Algemene beleidsdoelstelling: het stelsel van hoger onderwijs en onderzoek zorgt dat studenten en (wetenschappelijk) personeel hun talenten en onderzoekend vermogen maximaal kunnen ontwikkelen. Het leidt hen op voor een positie op de nationale en internationale arbeidsmarkt en het vervullen van hun rol in de intellectuele voorhoede van onze samenleving

Doelbereiking en maatschappelijke effecten

In 2008 zijn met de VSNU en de HBO-raad meerjarenafspraken (Tweede Kamer, vergaderjaar 2007–2008, 31 288, nr. 31 enTweede Kamer, vergaderjaar 2007–2008, 31 288, nr. 33) gemaakt over «studiesucces»: reductie van de uitval, verhogen van rendementen, meer differentiatie (ambitieuze programma’s) en verbetering van de kwaliteit van docenten, en meer docenten.

De instellingen krijgen hiervoor extra geld (coalitieakkoord-middelen), dat is toegevoegd aan de lumpsum. De voortgang van deze afspraken wordt gevolgd via Kennis in Kaart (Tweede Kamer, vergaderjaar 2009–2010, bijlage bij 31 288, nr. 82). Daarnaast vindt een kwalitatieve evaluatie plaats door de Inspectie voor het Onderwijs. Deze is in juni 2009 in gang gezet. De uitkomsten worden begin 2011 verwacht.

De ambities van het hoger onderwijs zijn terug te vinden in de algemene doelstelling en de operationele doelstellingen van artikel 6 en 7.

Om de operationele doelstellingen optimaal te ondersteunen is in 2009 per operationele doelstelling een aantal instrumenten ingezet dat hieraan een bijdrage levert.

Externe factoren

Het onderwijs en onderzoek ter plaatse is mede bepaald door de inzet van studenten, docenten, onderzoekers, bestuurders, toezichthouders, brancheorganisaties, maatschappelijke en internationale organisaties, andere overheden en bedrijven (stages en aansluiting arbeidsmarkt). De minister was daarom mede afhankelijk van de beschikbaarheid, capaciteiten en faciliteiten van deze actoren. Andere factoren die de minister slechts beperkt kon beïnvloeden, maar waarvan hij wel afhankelijk was, zijn: ontwikkelingen op de (internationale) arbeidsmarkt (kengetallen over de onderwijsarbeidsmarkt zijn opgenomen in beleidsartikel 9), demografische ontwikkelingen in de studentenpopulatie en conjuncturele ontwikkelingen.

Realisatie meetbare gegevens bij de algemene doelstelling

Tabel 6.1 Indicatoren
Indicator Basis waarde 20031 Realisatie 2007 Realisatie 2008 Streefwaarde 2020 Realisatie 2009
1. Percentage hoger opgeleiden in de leeftijdsgroep 25–44 jarigen van de beroepsbevolking 31,5% 34,9 36,8% 46,0% 37,4%
  Bron: CBS (EBB)          

1 Door een nieuwe weegmehode van de EBB wijkt het cijfer voor 2003 iets af van het in de begroting 2009 gepubliceerde cijfer.

Tabel 6.2 Kengetallen1
Kengetal 2005 2006 2007 2008
1. Percentage afgestudeerden met een eerste baan op tenminste hbo respectievelijk wo-niveau        
  – Hbo 78% 82% 85% 85%
  – Wo 61% 65% 64% 67%
  Bron: Hbo en Wo-monitor        
2. Percentage afgestudeerden dat anderhalf jaar na afstuderen in het buitenland werkt        
  – Hbo 3% 3% 3% 2%
  – Wo 4% 5% 2 5%
  Bron: Hbo en Wo-monitor        
3. Percentage werkenden dat aangeeft dat opleiding voldoende basis was om te starten op arbeidsmarkt        
  – Hbo 48% 53% 59% 62%
  – Wo 52% 57% 60% 63%
  Bron: Hbo en Wo-monitor        

1 De cijfers 2009 komen in september 2010 beschikbaar.

2 Er is voor indicator 2 geen landelijk cijfer beschikbaar voor het wo, omdat een aantal universiteiten dit onderwerp niet in de vragenlijst heeft opgenomen.

Toelichting:

De kengetallen uit tabel 6.2 geven een beeld of de student optimaal is voorbereid op deelname aan de samenleving en een positie op de nationale en internationale arbeidsmarkt. Door in tabel 6.2 een tijdreeks te presenteren, kan de ontwikkeling worden gevolgd. Er is sprake van een stijging.

6.2 Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 6.3 Budgettaire gevolgen van beleid artikel 6 (x € 1 000)*
          Realisatie Vastgestelde begroting Verschil
  2005 2006 2007 2008 2009 2009 2009
Verplichtingen 1 858 290 2 039 503 2 287 731 2 377 498 2 692 061 2 241 242 450 819
Waarvan garantieverplichtingen 31 500 39 000 108 000 92 333 176 362    
Totale uitgaven 1 802 921 1 881 795 2 030 854 2 158 944 2 323 653 2 229 452 94 201
               
Programma-uitgaven 1 797 739 1 876 798 2 025 779 2 153 863 2 317 618 2 223 492 94 126
               
Studenten volgen onderwijs, en (wetenschappelijk) personeel doet onderzoek, in voldoende toegeruste instellingen voor hoger onderwijs 1 758 453 1 819 302 1 927 700 2 044 634 2 186 555 2 083 717 102 838
• Reguliere bekostiging(lumpsum)1 1 758 453 1 819 302 1 927 700 2 044 634 2 186 555 2 083 717 102 838
               
Binnen- en buitenlandse studenten volgen hoger onderwijs, en (wetenschappelijk) personeel doet onderzoek, van hoge en excellente kwaliteit 1 960 2 259 4 561 6 848 5 478 5 285 193
• Kwaliteitsverbetering docenten (lumpsum)   1 500 4 083 6 848 5 478 5 285 193
• Toelatingsbeleid in het hoger onderwijs («Ruim baan voor talent») 1 960 759 478       0
               
Studenten volgen zonder drempels het hoger onderwijs dat het best past bij hun talenten en specifieke behoeften, en worden gestimuleerd om hun opleiding succesvol af te ronden 1 983 4 128 3 869 14 725 32 163 31 258 905
• Minder uitval en kwaliteitsimpuls (lumpsum)       6 726 20 898 20 162 736
• Verhogen studierendement Nederlandse studenten met een niet-westerse achtergrond (lumpsum)2 150 1 448 1 486 5 600 8 765 8 464 301
• Studiekeuze informatie voor het hoger onderwijs 1 733 2 580 2 303 2 299 2 400 2 400 0
• Erkenning van verworven competenties         0 132 – 132
• Emancipatie 100 100 80 100 100 100 0
               
De samenleving (bedrijven en maatschappelijke organisaties) benut optimaal de kennis van het hoger onderwijs en onderzoek en vice versa 28 777 35 835 76 933 73 544 78 854 88 891 – 10 037
• Praktijkgericht onderzoek (Raak) 6 000 8 800 13 300 11 300 13 100 13 100 0
• Praktijkgericht onderzoek (Lectoren en kenniskringen) (lumpsum)3         1 254 1 210 44
• Nieuwe hbo-masteropleidingen       5 044 0 10 081 – 10 081
• Deltaplan bèta/technie4 22 777 27 035 61 308 50 000 58 500 58 500 0
• FES: Investeringsagenda bèta en techniek hoger onderwijs     2 325 7 200 6 000 6 000 0
               
Programmakosten overig5 6 566 15 274 12 716 14 112 14 568 14 341 227
• Uitvoeringsorganisatie IBG 1 946 7 865 7 857 8 690 10 287 9 438 849
• Uitvoeringsorganisatie CFI 4 620 7 409 4 859 5 422 4 281 4 903 – 622
               
Apparaatsuitgaven Hoger Onderwijs en Studiefinanciering6 5 182 4 997 5 075 5 081 6 035 5 960 75
Ontvangsten 1 798 46 848 6 955 9 580 11 404 6 017 5 387

* De bedragen per operationele doelstelling kunnen voor de jaren 2005 t/m 2008 afwijken van de betreffende bedragen in de jaarverslagen van die jaren, omdat in het jaarverslag 2009 is aangesloten bij de indeling van de begroting 2009.

1 In de middelen voor «Reguliere bekostiging» zijn ook enkele posten voor overige uitgaven verwerkt.

2 De middelen voor 2006 t/m 2008 hebben ook betrekking op de universiteiten.

3 Naast deze extra middelen uit het coalitieakkoord is in de «Reguliere bekostiging» (lumpsum) voor lectoren en kenniskringen voor 2009 een bedrag van € 57,0 miljoen opgenomen.

4 De middelen voor het Deltaplan bèta/techniek hebben niet alleen betrekking op het hbo maar zijn onderwijsbreed.

5 De middelen hebben betrekking op de sector hoger onderwijs.

6 In verband met de samenvoeging van de directies Hoger Onderwijs en Studiefinanciering zijn de apparaatsuitgaven van beide directies vanaf 2009 samengevoegd.

Toelichting:

De realisatie van de uitgaven voor het hoger beroepsonderwijs ligt in 2009 € 94,2 miljoen hoger dan de vastgestelde begrotingsstand. De realisatie van de ontvangsten is € 5,4 miljoen hoger dan geraamd.

De belangrijkste oorzaken van deze hogere realisaties zijn:

• Reguliere bekostiging: Verwerking van € 79,0 miljoen aan loon- en prijsbijstelling 2009, een verhoging van € 15,8 miljoen voor de toename van het aantal studenten in het hbo, en een toevoeging van € 7,4 miljoen voor extra lectoren lerarenopleidingen, voor scholingsmaatregelen hbo-docenten (actieplan «LeerKracht van Nederland»;Tweede Kamer 2007–2008, 27 923, nr. 45) en voor summercourses op het gebied van taal en/of rekenen-wiskunde.

• Nieuwe hbo-masteropleidingen: Gelet op de publicatiedatum van de betreffende subsidieregeling zijn in 2009 geen uitgaven gerealiseerd. De middelen zijn toegevoegd aan het budgettair kader 2010.

• Ontvangsten: De hogere ontvangsten zijn het gevolg van niet geraamde afrekeningen van batige saldi van afgeronde projecten en verrekeningen in het kader van het dossier Schutte.

Tabel 6.4 Budgettaire gevolgen van beleid artikel 7* (x € 1 000)
          Realisatie Vastgestelde begroting Verschil
  2005 2006 2007 2008 2009 2009 2009
Verplichtingen 3 445 978 3 531 959 3 656 718 3 784 930 4 052 409 3 692 102 360 307
Waarvan garantieverplichtingen         50 000    
Totale uitgaven 3 337 895 3 396 597 3 511 532 3 676 678 3 781 800 3 664 366 117 434
               
Programma-uitgaven 3 337 895 3 396 597 3 511 532 3 676 678 3 781 800 3 664 366 117 434
               
Studenten volgen onderwijs, en (wetenschappelijk) personeel doet onderzoek, in voldoende toegeruste instellingen voor hoger onderwijs 3 332 575 3 380 433 3 481 375 3 636 794 3 740 028 3 613 243 126 785
• Reguliere bekostiging(lumpsum) 3 326 575 3 374 433 3 475 375 3 628 327 3 728 322 3 601 922 126 400
• Geesteswetenschappen         2 128 2 058 70
• Alfa/Gamma-onderzoek (lumpsum) 6 000 6 000 6 000 8 467 9 578 9 263 315
               
Binnen- en buitenlandse studenten volgen hoger onderwijs, en (wetenschappelijk) personeel doet onderzoek, van hoge en excellente kwaliteit 5 210 13 469 17 883 26 299 32 049 36 418 – 4 369
• Kwaliteitsverbetering docenten (lumpsum)   1 000 3 000 5 000 5 414 5 000 414
• Toelatingsbeleid in het hoger onderwijs («Ruim baan voor talent») 1 235 1 567 382        
• Excellentie in onderwijs: FES       575 4 764 10 000 – 5 236
• Excellentie in onderwijs: binnen- en buitenlands talent (HSP)   4 650 4 800 11 112 11 385 11 175 210
• Nederlandse Instituten in het Buitenland (NIB’s), Netherlands Education Support Offices (NESO’s), Beeldmerk   3 057 6 331 6 242 7 116 6 966 150
• Noodfonds voor internationale hulpacties   1 000 1 000 1 000 1 000 1 000 0
• Internationale samenwerking en beurzenprogramma’s 3 975 2 195 2 370 2 370 2 370 2 277 93
               
Studenten volgen zonder drempels het hoger onderwijs dat het best past bij hun talenten en specifieke behoeften, en worden gestimuleerd om hun opleiding succesvol af te ronden 110 2 695 2 208 3 519 2 657 2 581 76
• Minder uitval en kwaliteitsimpuls (lumpsum)       1 407 2 322 2 246 76
• Verhoging deelname studenten met een handicap 110 2 695 2 208 2 112 335 335 0
               
De samenleving (bedrijven en maatschappelijke organisaties) benut optimaal de kennis van het hoger onderwijs en onderzoek en vice versa 0 0 10 066 10 066 7 066 12 124 – 5 058
• 3 TU’s samenwerking     10 066 10 066 7 066 12 124 – 5 058
Ontvangsten 2 081 1 478 11 508 11 645 13 894 20 082 – 6 188

* De bedragen per operationele doelstelling kunnen voor de jaren 2005 t/m 2008 afwijken van de betreffende bedragen in de jaarverslagen van die jaren, omdat in het jaarverslag 2009 is aangesloten bij de indeling van de begroting 2009.

Toelichting:

De realisatie van de uitgaven voor het wetenschappelijk onderwijs ligt in 2009 € 117,4 miljoen hoger dan de vastgestelde begrotingsstand. De realisatie van de ontvangsten is € 6,2 miljoen lager dan geraamd.

Hieronder worden de belangrijkste oorzaken toegelicht.

• Reguliere bekostiging: Het verschil ad € 126,4 miljoen wordt verklaard door:

– een verhoging van € 6,0 miljoen voor de toename van het aantal studenten in het wetenschappelijk onderwijs,

– een verhoging van € 117,8 miljoen voor de loon- en prijsbijstelling 2009,

– een verhoging van € 2,1 miljoen voor loon- en prijsbijstellingen Homoge Groep Internationale Samenwerking,

– overboekingen van de ministeries van LNV en VWS ad € 5,4 miljoen,

– een verlaging van € 4,9 miljoen in verband met diverse bijstellingen.

  In laatstgenoemd (saldo)bedrag van – € 4,9 miljoen is een bedrag van € 3,5 miljoen opgenomen voor gedeeltelijke dekking van de effecten van de invoering van de bachelor-masterstructuur op de financiering van de universiteiten.

• Excellentie in onderwijs: FES: De verlaging met € 5,2 miljoen laat zich verklaren door gerealiseerde subsidietoekenningen in 2008 en die in het kader van een tweede ronde Sirius Programma in juli 2009. Op basis van deze toekenningen dient de meerjarenraming voor dit programma te worden geactualiseerd en zal het bedrag van € 5,2 miljoen in latere jaren tot uitkering komen.

• 3 TU’s samenwerking: De verlaging met € 5,1 miljoen wordt als volgt verklaard:

– € 3 miljoen door een wijziging van het meerjarige kasritme voor het programma Centres of Excellence van de 3TU Federatie, en

– € 2,1 miljoen door een toevoeging aan het onderdeel Reguliere bekostiging (lumpsum) ter gedeeltelijke dekking van de effecten van de invoering van de bachelor-masterstructuur op de financiering van de universiteiten (zie hiervoor).

• Ontvangsten: Deze zijn gedaald met een bedrag van € 6,2 miljoen als gevolg van een hogere realisatie van € 2,0 miljoen, veroorzaakt door niet geraamde afrekeningen van batige saldi van afgeronde projecten, en een desaldering van – € 8,2 miljoen in verband met de FES-projecten Excellentie in onderwijs en 3 TU’s samenwerking (zie de toelichtingen hiervoor).

6.3 Operationele beleidsdoelstelling

6.3.1 Studenten volgen onderwijs, en (wetenschappelijk) personeel doet onderzoek, in voldoende toegeruste instellingen voor hoger onderwijs

Doelbereiking

Het stelsel van hoger onderwijs en onderzoek is zodanig toegerust dat voldaan is aan de door de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW) gestelde toegankelijkheid-, doelmatigheid- en kwaliteitseisen bij het verzorgen van hoger onderwijs en het verrichten van onderzoek.

Instrumenten

Tabel 6.5 Instrumenten
Jaar 2009 Realisatie
1. Reguliere bekostiging(lumpsum) Ja
2. Subsidies overige organisaties hoger onderwijs Ja
3. Geesteswetenschappen Ja
4. Alfa- en gammaonderzoek bij de universiteiten Ja
5. Optimalisering taal- en rekenonderwijs Ja

Toelichting:

1. Op 7 december 2009 is de Tweede Kamer het ontwerp tot wijziging van het Uitvoeringsbesluit WHW 2008 toegestuurd (Tweede Kamer, vergaderjaar 2009–2010, 31 288, nr. 74), waarmee de met VSNU en HBO-raad afgesproken wijziging van de instellingsbekostiging vanaf het begrotingsjaar 2011 wordt geregeld.

Realisatie meetbare gegevens bij de operationele doelstelling

De aantallen eerstejaars, ingeschreven studenten en gediplomeerden zijn stelselindicatoren. Zij geven een beeld van de ontwikkeling in de in- en uitstroom

Tabel 6.6 Indicatoren
Kengetallen 2005/2006 2006/2007 2007/2008 2008/2009 2009/2010
1. Eerstejaars aantal studenten (excl. «groen onderwijs») x 1000          
  • Hbo voltijd 74,8 77,8 80,4 81,6 87,3
  • Hbo deeltijd 13,9 13,2 12,5 13,1 13,8
  • Wo 40,5 41,4 43,5 45,5 50,3
  Bron: OCW Referentieraming 2010 telling 1 oktober 2009 (eerstejaars en ingeschrevenen conform de OCW-begrotingsraming)          
2. Ingeschreven aantal studenten (excl. «groen onderwijs») x 1000          
  • Hbo voltijd 280,8 294,1 303,4 311,4 331,1
  • Hbo deeltijd 60,6 59,8 59,3 59,9 62,6
  • Wo 199,9 202,7 206,8 214,0 226,1
  Bron: OCW Referentieraming 2010 telling 1 oktober 2009 (eerstejaars en ingeschrevenen conform de OCW-begrotingsraming)          
2. Gediplomeerden (excl. «groen onderwijs») x 1000          
  • Hbo voltijd 47,4 49,4 50,2 51,3
  • Hbo deeltijd 14,6 13,3 13,4 12,3
  • Wo (master/doctoraal) 27,7 29,5 27,2 27,2
  Bron: OCW Referentieraming 2010 telling 1 oktober 2009 (eerstejaars en ingeschrevenen conform de OCW-begrotingsraming)          
3. Onderwijsuitgaven per student x € 1 000 Realisatie 2006 Realisatie 2007 Realisatie 2008 Realisatie 2009  
  • Hbo 5,7 5,8 5,9 6,0  
  • Wo 5,9 5,9 6,0 5,9  

1 De cijfers wijken iets af van eerder gepubliceerde cijfers, omdat er nog mutaties zijn geweest in de inschrijvingsgegevens van voorgaande jaren.

Toelichting:

1. De toename van de aantallen eerstejaars in het hbo en wo is hoger dan was geraamd in de referentieraming. Dit is gezien de wenselijkheid van een goed opgeleide bevolking en de doelstelling om circa 50% hoger opgeleiden te hebben in 2020 een verheugende ontwikkeling.

3. Onderwijsuitgaven per student in constanteprijzen 2009 (dat wil zeggen gecorrigeerd voor de loon en prijsbijstellingen).

6.3.2. Binnen- en buitenlandse studenten volgen hoger onderwijs, en (wetenschappelijk) personeel doet onderzoek, van hoge en excellente kwaliteit

Doelbereiking

De kwaliteit van het Nederlandse hoger onderwijs moet beter en het excellente talent onder studenten moet meer gestimuleerd worden. Aan de basis is deze in orde, maar in relatie tot de ambities van Nederland als innovatieve, concurrerende economie moet de kwaliteit verbeteren. Het hoger onderwijs moet intensiever en persoonlijker worden. Het Nederlandse hoger onderwijs bevindt zich in een internationaal speelveld. Studenten moeten de mogelijkheid hebben zich voor te bereiden op een loopbaan in een internationale context: de arbeidsmarkt wordt immers ook meer internationaal. De concurrentie om de beste studenten neemt toe. Instellingen moeten ruimte hebben zich voor de buitenwereld te profileren en partnerships aan te gaan met buitenlandse instellingen.

Instrumenten

Tabel 6.7 Instrumenten
Jaar 2009 Realisatie
1. Kwaliteitsverbetering docenten Ja
2. Excellentie in onderwijs, tijdelijke impuls (bijdrage uit het Fonds Economische Structuurversterking) Nee
3. Excellentie in onderwijs: binnen- en buitenlands talent Ja
4. Nederlandse (wetenschappelijke) instituten in het buitenland (NIB’s en NWIB’s), Netherlands Education Support Offices (NESO’s) Ja
5. Subsidie voor een noodfonds (Libertas) Ja
6. Subsidie voor projecten internationale samenwerking en beurzenprogramma’s Ja
7. Secretariaatsrol in het Bolognaproces Ja

Toelichting:

2. Vervolg van de eerste ronde middelen toegekend aan Sirius Programma bacheloropleidingen.

  Uit het FES is in totaal € 50 miljoen beschikbaar om excellentie in het hoger onderwijs te bevorderen. In 2008 zijn in de eerste ronde, die gericht is op de bacheloropleidingen, vijf projecten goedgekeurd. In 2009 zijn veertien projecten die hun voorstel verbeterd hebben, alsnog goedgekeurd. Instellingen kunnen in de tweede tranche experimenteel gebruik maken van selectie aan de poort en collegegelddifferentiatie. De juridische basis hiervoor wordt geregeld in het wetsvoorstel versterking besturing (Eerste Kamer, vergaderjaar 2008–2009, 31 821, A). Dit wetsvoorstel is in februari 2010 door de Eerste Kamer aanvaard. De start van de tweede tranche, die gericht is op de masteropleidingen, is doorgeschoven van 2009 naar 2010.

Realisatie meetbare gegevens bij de operationele doelstelling

In de meerjarenafspraken over studiesucces: reductie van de uitval, verhogen van rendementen, meer differentiatie (ambitieuze programma’s), verbetering van de kwaliteit van docenten, en meer docenten, is een aantal indicatoren opgenomen op basis waarvan de realisatie van bovengenoemde ambities wordt gemonitord.

Ook is afgesproken een aantal achtergrondvariabelen te monitoren, die in samenhang een indruk geven van de ontwikkeling van de kwaliteit. Deze zijn ook weergegeven in figuur 1 en 2 van Kennis in Kaart 2009. Deze achtergrondvariabelen zijn relevant, maar er is geen sprake van een een-op-een relatie met de kwaliteit van het onderwijs. Deze indicatoren moeten in samenhang bekeken worden en ingebed zijn in een kwalitatief oordeel.

Tabel 6.8 Indicatoren
Indicator Basiswaarde Realisatie Realisatie Streefrichting Realisatie 2009
1. Percentage hbo-docenten dat minimaal beschikt over een mastergraad 50% (waarvan 3,7% PhD) 57% (waarvan 4,8% PhD) 70% (waarvan 10% PhD)
  Bron: POMO 2008 (Personeels- en mobiliteitsonderzoek) peildatum: 2007   peildatum: 2008 peildatum: 2014  
2. Percentage studenten dat als «gemotiveerd» kan worden beschouwd 18,0% 18,7% 18,3% stijging
  Bron: Studentenmonitor peildatum: 2004 peildatum: 2007 peildatum: 2008    
3. Studietijd, contacturen en schaal          
  a. Onderwijsintensiteit: gem. tijdsbesteding aan studiegerelateerde activiteiten in uren per week (perceptie student)          
  – Hbo 33 35 34 stijging
  – Wo 31 33 32 stijging
  Bron: Studentenmonitor peildatum: 2005 peildatum: 2007 peildatum: 2008    
b. Onderwijstijd: gem. aantal uren per week (contacturen; perceptie student)          
  – Hbo 13 13 14 stijging
  – Wo 11 12 14 stijging
  Bron: Studentenmonitor peildatum: 2005 peildatum: 2007 peildatum: 2008    
  c. Student/stafratio          
  – Hbo: student/onderwijzend personeel 25,0 24,5 22,7 daling
  – Wo: student/wetenschappelijk personeel 9,2 10,0 10,1 daling
  Bron: Kerncijfers 2005–2009 peildatum: 2004 peildatum 2007 peildatum: 2008    
4. Aantal Nederlandse instellingen in top 100 van beste instellingen ter wereld 2 in top 100 2 in top 100 waarvan 1 in top 50 2 in top 100 waarvan 1 in top 50 3 in top 100 en hoogste omhoog
  Bron: Sjanghai-ranking peildatum: 2005 peildatum: 2007 peildatum: 2008 peildatum: 2011  
Indicator Internationalisering diplomamobiliteit1          
5. Aantal buitenlandse studenten als % van totale inschrijving in Nederland 4,5% 6,4% 6,9% 7,4% 7,4%
  Percentage EU-gemiddelde 6,9% 8,0%
  Bron: IMON-monitor 2009 peildatum: 2003/2004 peildatum: 2006/2007 peildatum: 2007/2008 peildatum: 2010 peildatum: 2008/2009
6. Percentage Nederlandse studenten dat een opleiding in Nederland volgt en een deel hiervan in het buitenland doet. 14% (hbo 12%; wo 17%)   12% (hbo:10%; wo 14%) 25%  
  Bron: Studentenmonitor peildatum: 2007   peildatum: 2008 peildatum: 2013  

1 Het monitorsysteem (de internationaliseringsmonitor, voorheen mobiliteitsmonitor en Bisonmonitor) wordt niet langer toereikend geacht voor het meten van de benoemde beleidsdoelen en instrumenten. Aan vervanging van deze indicatoren wordt gewerkt.

Toelichting:

2. en 3. In de meerjarenafspraken is een aantal achtergrondvariabelen (2 en 3) opgenomen op basis waarvan de ambities voor studiesucces en kwaliteit van het onderwijs worden gemonitord. Samen geven deze achtergrondvariabelen een indruk van de ontwikkeling van de kwaliteit. Ze zijn relevant maar er is geen sprake van een een-op-een relatie met de kwaliteit van het onderwijs. Deze indicatoren moeten in samenhang bezien worden en ingebed in een kwalitatief oordeel. Om deze redenen zijn er ook geen streefwaarden geformuleerd. Meer achtergrondvariabelen zijn te vinden in Kennis in Kaart.

3. Deze gegevens zijn gebaseerd op de studentenmonitor, en dus op ondervraging van studenten. Deze indicatoren geven dan ook de percepties van studenten weer.

5. De wereldwijde mobiliteit is de jaren waar de indicator betrekking op heeft, sterker gegroeid dan was voorzien. De Nederlandse instellingen hebben hiervan meegeprofiteerd en zich effectief weten te positioneren. Derhalve is de streefwaarde voor 2010 reeds in 2009 bereikt.

6. In de begroting 2009 is aangegeven dan het monitoringssysteem voor internationalisering niet langer toereikend wordt geacht. Daarom deze nieuwe indicator die een beeld geeft van de ontwikkeling van de internationale competenties van Nederlandse studenten. De indicator daalt tussen 2007 en 2008. Gericht beleid dat moet leiden naar het bereiken van de streefwaarde in 2013 is in 2009 in gang gezet.

6.3.3 Studenten volgen zonder drempels het hoger onderwijs dat het beste past bij hun talenten en specifieke behoeften, en worden gestimuleerd om hun opleiding succesvol af te ronden

Doelbereiking

In het streven naar meer en betere hoger opgeleiden, liggen er specifiek voor het hoger onderwijs de volgende opdrachten:

• een goede doorstroom binnen het onderwijs;

• minder uitval uit het hoger onderwijs;

• een leven lang leren.

Deze vormen de basis van een gezonde kenniseconomie en een goed opgeleide beroepsbevolking.

Instrumenten

Tabel 6.9 Instrumenten
Jaar 2009 Realisatie
1. Minder uitval en kwaliteitsimpuls hoger onderwijs Ja
2. Verhogen studierendementNederlandse studenten met een niet-westerse achtergrond Ja
3. Subsidie voor verhogen deelname studenten met een handicap Ja
4. Subsidie voor studiekeuze informatie voor het hoger onderwijs Ja
5. Subsidie voor erkenning van verworven competenties (EVC) Ja
6. Voortzetting ondersteuning van de VHTO (Landelijk expertisebureau meisjes/vrouwen in bèta/techniek) Ja

Toelichting:

2. In 2009 zijn er met 5 hogescholen in de Randstad convenanten afgesloten met als doel het verbeteren van het studiesucces van Nederlandse studenten met een niet-westerse achtergrond. Per hogeschool zijn er concrete prestatieafspraken gemaakt over de streefcijfers voor uitval en rendement in 2011.

3. In het najaar 2009 is de commissie Maatstaf ingesteld die zal adviseren over wat instellingen in huis moeten hebben om studenten met een functiebeperking te helpen. Tevens zal zij adviseren over het toekomstige beleidsinstrumentarium, binnen de huidige financiële kaders. In 2010 brengt de commissie advies uit.

4. De eerste tranche van het door Surf uitgevoerde programma «studiekeuzegesprekken: wat werkt?» is gestart in maart 2009. De belangstelling van ho-instellingen was groot. Inmiddels zijn in het kader van deze pilot ruim 4000 studiekeuzegesprekken met studenten gevoerd. Het programma maakt deel uit van het door de minister aan de Tweede Kamer toegezegde zorgvuldige invoeringstraject van studiekeuzegesprekken.

5. Het programma EVC wordt uitgevoerd door de Projectdirectie Leren en Werken. Er is circa € 5 miljoen overgeboekt naar artikel 4.

  Eind 2009 is aan 7 door het rijk bekostigde hogescholen een subsidie toegekend om zich te ontwikkelen tot instituut voor een leven lang leren. Hiermee is aangesloten op de aanbeveling van de Onderwijsraad (Verkenning «Middelbaar en hoger onderwijs voor volwassenen», 2009) een beperkt aantal, regionaal gespreide, ho-instellingen de kans te geven zich te specialiseren in onderwijs voor volwassenen.

Realisatie meetbare gegevens bij de operationele doelstelling

Tabel 6.10 Indicatoren
Indicator Basiswaarde Realisatie Streefwaarde Realisatie 2009
Voor het wo1, 4:        
1. Percentage studie-uitval (uit wo) en studie-switchers (binnen wo) na het (verwijzende en bindende) eerste bachelorjaar in bachelor-2 en 3 12% (studenten die zijn gestart met studeren in 2004) 12% (studenten die zijn gestart met studeren in 2005) 6%2
  Bron: 1 cijfer HO/VSNU peildatum: 2007 peildatum: 2008 peildatum: 2011  
2. Percentage studenten (herinschrijvers4) dat in vier jaar de bachelorfase afrondt 47% (studenten die zijn gestart met studeren in 2003) 48% (studenten die zijn gestart met studeren in 2004) >70%
  Bron: 1 cijfer HO/VSNU peildatum: 2007 peildatum: 2008 peildatum: 2014  
Voor het hbo1 :        
1. Rendement van studenten (herinschrijvers3 na het eerste studiejaar4) na 6 jaar studie 77% (studenten die gestart zijn met studeren in 2001) 76% (studenten die zijn gestart met studeren in 2002) 90%
  Bron: 1 cijfer HO/HBO-raad peildatum; 2007 peildatum: 2008 peildatum: 2013  
4. Studierendement na 6 jaar van voltijdstudenten hbo en wo        
  • Hbo autochtoon 66,2% 67,4% 67,0%
  • Hbo student met een niet-westerse achtergrond 48,0% 51,0% 51,6%
  • Wo autochtoon 47,5% 47,1% 43,9%
  • Wo student met een niet-westerse achtergrond 35,0% 35,3% 35,2%
  Bron: 1 cijfer HO/CFI peildatum: 2006 cohort 2000 peildatum: 2008 cohort 2002 peildatum: 2014 (zie toelichting) peildatum: 2009 cohort 2003

1 Gegevens 2009 zijn medio november 2010 beschikbaar.

2 In de meerjarenafspraak was hier een percentage van 14 genoemd; na herberekening met definitieve gegevens komt dit uit op 12,3. Het doel was dit percentage te halveren in 2011. Daarom hier 6% als ambitie opgenomen, in plaats van de 7% uit de begroting 2009.

3 In de meerjarenafspraak met de HBO-raad is afgesproken dat er gekeken zal worden naar studenten in de post-propedeutische fase, in plaats van herinschrijvers na het eerste studiejaar.

4 Het gaat bij de indicatoren 1 t/m 3 steeds om studenten die zich na het eerste studiejaar opnieuw hebben ingeschreven in het wo (indicator 1 en 2) dan wel in het hbo (indicator 3). Wanneer we het cohort 2001 bekijken, gaat het dus om de studenten die gestart zijn in 2001, maar die in 2002 nog steeds waren ingeschreven. Van die overgebleven groep is naar switchgedrag, uitval en rendement gekeken. De reden om naar deze herinschrijvers te kijken, en niet naar het totale start-cohort is om recht te doen aan de oriënterende, selecterende en verwijzende functie van het eerste studiejaar.

Toelichting:

4. Er is nog geen duidelijke ontwikkeling van deze indicatoren zichtbaar ten opzichte van vorig jaar. Dit is te verklaren vanuit de nog korte periode dat deze zijn ingevoerd. De meerjarenafspraken zijn afgesloten in het voorjaar van 2008, en de statische gegevens over rendement en uitval hebben betrekking op de stand van zaken in oktober 2008. Inspanningen om het studiesucces te verbeteren zijn vooral gericht op de nieuwe cohorten studenten en kunnen zich ook pas op wat langere termijn doorvertalen in lagere uitval en hogere rendementen.

6.3.4 De samenleving (bedrijven en maatschappelijke organisaties) benut optimaal de kennis van het hoger onderwijs en onderzoek en vice versa

Doelbereiking

De ontwikkelingen in de samenleving en de noodzaak van een krachtige economie vereisen dat het hoger onderwijs afgestudeerden levert die een innovatieve bijdrage aan de samenleving kunnen leveren en op de arbeidsmarkt kunnen floreren. Daarom stimuleert het kabinet krachtige interactie tussen het hoger onderwijs en de arbeidsmarkt en focus en massa in wetenschappelijke opleidingen en onderzoek. In het hbo worden daartoe lectoraten gestimuleerd, worden RAAK-subsidies voor praktijkgericht onderzoek ingezet, tijdelijk nieuwe hbo-masters mogelijk gemaakt en ondernemerschap gestimuleerd. In het wo wordt ingezet op de bundeling van krachten van de 3 TU’s .

Instrumenten

Tabel 6.11 Instrumenten
Jaar 2009 Realisatie
1. Praktijkgericht onderzoek (lectoren en kenniskringen, en RAAK) Ja
2. Nieuwe hbo-masteropleidingen Nee
3. Deltaplan bèta/techniek Ja
4. FESinvesteringsagenda bèta/techniek hoger onderwijs Ja
5. Subsidie aan de 3TU’s Nee
6. Ondernemerschap Ja

Toelichting:

2. De subsidieregeling postinitiële masters hoger beroepsonderwijs is gepubliceerd. Er zijn in oktober 2009 16 aanvragen ingediend. Hiervan zijn 6 aanvragen in december 2009 gehonoreerd. Deze masters worden m.i.v. 2010 gesubsidieerd.

5. De 3TU’s (TU Delft, TU Eindhoven en Universiteit Twente) krijgen uit het FES voor de periode 2007–2011 € 50,3 miljoen voor gezamenlijke toponderzoeksinstituten (Centres of Excellence). Omdat de TU’s in 2009 de middelen niet volgens planning besteed kregen (te weinig personeel kunnen aantrekken) wordt de resterende € 30 miljoen over meer jaren gespreid: in 2009 t/m 2014 wordt de reeks € 7, € 6, € 6, € 6, € 3,5 en € 1,5 miljoen. Daarnaast werkt de 3TU Federatie aan een strategisch plan 2009–2012. In 2009 was hiervoor € 2 miljoen beschikbaar. Omdat het strategisch plan naar de overtuiging van OCW nog niet voldoende uitgekristalliseerd was, is besloten de € 2 miljoen toe te voegen aan het onderdeel Reguliere bekostiging (zie de toelichting bij tabel 6.4).

Realisatie meetbare gegevens bij de operationele doelstelling

Tabel 6.12 Indicatoren
Indicator Basiswaarde Realisatie Realisatie Streefwaarde Realisatie 2009
Raak-mkb          
1. In projecten betrokken ondernemers 2 430 6 450 3 500
  Bron: SIA, december 2009 peildatum: 2007     peildatum 2011 peildatum: dec. 2009
Raak-publiek          
2. In projecten betrokken professionals van publieke instellingen 1 073 3 350 1 500
  Bron: SIA, december 2009 peildatum: 2007     peildatum: 2011 peildatum: dec. 2009
Samenhang Raak-lectoren          
3. Percentage Raak-projecten met lectoraatsdeelname 85% 95% 95,3%
  Bron: SIA, december 2009 peildatum: 2007     peildatum: 2011 peildatum: dec. 2009
Lectoren          
4. Gemiddelde omvang kenniskring extern en intern          
  – in fte 0,6 2,6 Max 3,0
  – in personen 3,8 10,5 Max 12,0
  Bron: SKO 2008 peildatum: 2003     peildatum: 2008 peildatum: 2011
Deltaplan bèta/ techniek          
5. Percentage instroom t.o.v. 20001          
  • Hbo 0% – 5,1% – 0,6% 5,9%
  • Wo 0% 31,1% 38,3% 51,4%
6. Percentage uitstroom t.o.v. 20001          
  • Hbo 0% – 4,0% – 5,5% 15% – 4,6%
  • Wo 0% 40,0% 33,3% 15% 33,5%
  • Totaal hbo+wo (gewogen gemiddelde) 0% 7,7% 4,9% 15% 5,5%
  Bron: CFI: 1 cijfer HO peildatum: 2000 peildatum: 2007 peildatum: 2008 peildatum: 2010 peildatum: 2009

1 De cijfers voor de indicatoren 5 en 6 wijken iets af van eerder gepubliceerde cijfers. In het hbo is een opleiding toegevoegd aan het onderdeel bèta-techniek die eerder tot de snijvlakopleidingen werd gerekend. Verder is zowel in het hbo als het wo de diplomatelling verbeterd. Beide factoren zijn met terugwerkende kracht toegepast op de berekeningen.

Toelichting:

1. en 2. Bij het vaststellen van de streefwaarde is uitgegaan van een mogelijke continue groei, die gezien de aard van de projecten niet realistisch is. In de begroting 2011 zullen de steefwaarden worden aangepast.

3. De streefwaarde voor de indicator samenhang RAAK-lectoren is inmiddels gehaald. Deze indicator is vooral van belang in de startfase van de ontwikkeling van het praktijkgericht onderzoek door hogescholen. Nu de lectoren en de RAAK-regeling inmiddels een vaste waarde in het hoger onderwijs zijn, neemt deze indicator in belang af.

6.4 Overzicht afgeronde onderzoeken

Tabel 6.13 Overzicht afgeronde onderzoeken
  Onderzoek onderwerp AD of OD Start Afgerond Vindplaats
Beleidsdoorlichting RAAK/Lectoren/Kenniskringen OD 4 2008 2010  
           
Overig evaluatieonderzoek Studentenmonitor 2007 o.a. OD 2   2009 www.studentenmonitor.nl
  HSP (Huygens Scholarship Programme) OD 2   2009 http://www.nuffic.nl/
  Deelnamestudenten met een handicap (eerste meting) OD 3   2009 www.overheid.nl,Tweede Kamer, vergaderjaar 2009–2010, 29 355, nr. 42
  Het in de begroting 2009 opgenomen onderzoek Associate degree betreft een tussenevaluatie. De eindevaluatie staat gepland voor 2010     2010 www.minocw.nl/documenten/91 002a.pdf

ARTIKEL 8. INTERNATIONAAL BELEID

8.1 Algemene beleidsdoelstelling: bevorderen van internationale samenwerking, om daarmee de kwaliteit van onderwijs, cultuur en wetenschap een impuls te geven en de internationale competenties van lerenden, docenten, kunstenaars en wetenschappers te vergroten.

Doelbereiking en maatschappelijke effecten

Ook in 2009 is verder gewerkt aan de internationale oriëntatie en competenties van de generaties van de toekomst. Dit is gebeurd door educatieve, culturele en wetenschappelijke uitwisseling en samenwerking. Deze samenwerking vond plaats in EU-verband, met multilaterale organisaties zoals de UNESCO en via bilaterale samenwerking. Zie daarvoor de toelichting bij de doelbereiking bij de operationele doelstellingen 8.3.1. en 8.3.2.

Externe factoren

• Inzet van instellingen, organisaties, lerenden, docenten, wetenschappers en kunstenaars zelf.

• De buitenlandpolitieke situatie.

Realisatie meetbare gegevens bij de algemene doelstelling

Goed meetbaar is de internationale mobiliteit van scholieren, studenten, docenten etc. OCW brengt hierover jaarlijks verslag uit via de publicatie «Internationale Mobiliteit in het Onderwijs in Nederland» (IMON), dat wordt opgesteld door de organisaties die mobiliteitsprogramma’s uitvoeren (Nuffic, CINOP en Europees Platform). Het IMON-rapport over het jaar 2008 is per brief van 2 september 2009 (Tweede Kamer, vergaderjaar 2008–2009, 31 700 VIII, nr.226) aan de Voorzitters van de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal gezonden.

Met ingang van het jaar 2009 zijn bij dit artikel in de begroting indicatoren opgenomen. Deze indicatoren zijn gebaseerd op het IMON-rapport

8.2 Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 8.1 Budgettaire gevolgen van beleid artikel 8 (x € 1 000)
          Realisatie Vastgestelde begroting Verschil HGIS realisatie
  2005 2006 2007 2008 2009 2009 2009 2009
Verplichtingen 18 515 17 815 17 794 28 899 29 277 17 970 11 307 1 654
Waarvan garantieverplichtingen                
Totale uitgaven 15 903 16 507 18 083 18 849 24 418 19 018 5 400 1 654
                 
Programma-uitgaven 12 700 13 592 15 050 16 329 21 364 16 684 4 680 1 654
                 
Stimuleren van internationalisering, grensoverschrijdende mobiliteit en institutionele samenwerking teneinde de internationale competenties van lerenden, docenten, kunstenaars en wetenschappers te vergroten 8 653 8 802 9 576 10 658 10 889 10 773 116 600
• Mobiliteitsprogramma’s 5 764 6 312 6 318 7 885 7 906 7 509 397  
• Bilaterale samenwerking met andere landen 2 889 2 490 3 258 2 773 2 983 3 264 – 281 600
                 
In internationaal verband waarbogen van de OCW-belangen en benutten van internationale kennis voor de kwaliteit van nationaal beleid 4 047 4 790 5 474 5 671 6 482 5 911 571 1 054
• OCW-vertegenwoordiging in het buitenland 572 1 436 1 764 1 783 1 660 1 671 – 11 150
• Participeren in multilaterale organisaties 3 266 3 044 3 088 3 263 3 427 3 353 74  
• Stimuleren van internationale uitwisseling van kennis en cultuur, beleidsonderzoek en benchmarking 209 310 622 625 1 395 887 508 904
                 
Het integreren van de BES-eilanden in Nederland voor wat betreft de OCW – beleidsterreinen en het onderhouden van de relaties met de andere landen in het Koninkrijk         3 993   3 993  
• Verbetering van het onderwijs op de BES-eilanden         3 043 3 043    
• StudiefinancieringNederlandse Antillen en Aruba         950 950    
Apparaatsuitgaven 3 203 2 915 3 033 2 520 3 054 2 334 720  
Ontvangsten 106 81 842 430 84 99 – 15  

Toelichting:

Op het artikel is in het jaar 2009 € 5,4 miljoen meer gerealiseerd dan begroot. Een aantal begrotingsmutaties ligt hieraan ten grondslag.

Het verschil wordt voornamelijk veroorzaakt doordat in het jaar 2009 een extra operationele doelstelling aan dit artikel is toegevoegd: het integreren van de BES-eilanden in Nederland op het gebied van de OCW – beleidsterreinen en het onderhouden van de relaties met de andere landen in het Koninkrijk.

Hiervoor zijn middelen van het ministerie van BZK naar dit artikel overgeboekt.

Er zijn toezeggingen gedaan aan de BES-eilanden dat in totaal ruim € 12 miljoen wordt geïnvesteerd in het onderwijs op de BES-eilanden in de jaren 2009 en 2010. Aangezien de besluitvorming tussen de minister en de gedeputeerden over de aanwending van een deel van het budget voor het jaar 2009 in het jaar 2010 wordt afgerond, is een bedrag van € 3 miljoen niet besteed in het jaar 2009.

Dit bedrag is bij Najaarsnota 2009 als intertemporele compensatie overgeheveld naar het jaar 2010 om de toezeggingen gestand te doen.

Binnen het artikel hebben verschuivingen plaatsgevonden. De uitgaven voor een aantal onderdelen zijn hoger uitgevallen dan geraamd. Daarnaast zijn de loon- en prijsbijstellingen van invloed geweest op de hogere uitgaven.

8.3 Operationele beleidsdoelstelling

8.3.1 Stimuleren van internationalisering, grensoverschrijdende mobiliteit en institutionele samenwerking teneinde de internationale competenties van lerenden, docenten, kunstenaars en wetenschappers te vergroten

Doelbereiking

Binnen het primair onderwijs is sprake van een duidelijke stijging in de mobiliteit van docenten en leerlingen. Het aantal deelnemende docenten is gestegen met ruim 10%, het aantal deelnemende leerlingen met ruim 25%. Bovendien is het aantal scholen met vroeg vreemdetalenonderwijs gestegen met 70%. In het voortgezet onderwijs is in 2008 sprake geweest van stabilisatie. Dit wordt waarschijnlijke veroorzaakt doordat de nieuwe subsidie-condities (Bios) pas in een laat stadium bekend werden.

De geregistreerde uitgaande studentenmobiliteit in het middelbaar beroepsonderwijs is licht gestegen naar 0,54%. Het overgrote deel van de mobiliteit komt voor rekening van het Leonardo da Vinci programma. Die groeide met 18%, overigens grotendeels richting de buurlanden én Turkije. In het Duits-Nederlandse BAND-project nam het aantal leerlinguitwisselingen verder af, mogelijk als gevolg van concurrentie met het Leonardo da Vinci programma.

Studentenmobiliteit is de belangrijkste indicator voor het meten van internationalisering in het hoger onderwijs. Steeds meer Nederlandse studenten zijn voor een hele studie in het buitenlands hoger onderwijs ingeschreven. Was dat in 2002–2003 2,37% van de Nederlandse studentenpopulatie, in het laatste jaar van meting 2006–2007, was dit inmiddels 2,5%. Sinds 2007–2008 is studiefinanciering wereldwijd meeneembaar. In 2008–2009 maakten 6 500 studenten hiervan gebruik. Het aantal buitenlandse studenten dat voor een diploma in Nederland studeert steeg tussen 2004–2005 en 2008–2009 spectaculair, van ruim 28 000 tot bijna 45 000. Deze stijging vond vooral plaats in het wetenschappelijk onderwijs. Zowel wat uitstroom als instroom betreft liggen de Nederlandse percentages overigens onder het Europees gemiddelde (zie tabel 8.4).

Wat studiepuntmobiliteit betreft is na 3 jaar weer sprake van een lichte stijging van het percentage van afgestudeerden met buitenlandervaring gedurende de studie.

Instrumenten

Tabel 8.2 Instrumenten
Jaar 2009 Realisatie
1. Nationale programma’s voor internationalisering in het primair onderwijs en het voortgezet onderwijs, gericht op leerlingenuitwisseling, docentenmobiliteit, tweetalig onderwijs en internationalisering door middel van onder meer ict en overige programma’s van het Europees Platform. ja
2. Programma Leven Lang Leren 2007–2013 uitgevoerd door het Nationaal Agentschap. ja
3. Koninkrijk der Nederlanden, algemeen programma voor nauwe samenwerking tussen scholen (KANS) uitgevoerd door het Europees Platform. ja
4. Duitsland Instituut Amsterdam (DIA). ja
5. Frans Nederlandse Academie voor hoger onderwijs en onderzoek (FNA). ja
6. Samenwerking met Rusland en de (pre-)accessielanden in Zuid-Oost Europa uitgevoerd door de Economische Voorlichtingsdienst (EVD internationaal ondernemen en samenwerken). ja
7. Fulbright-beurzenprogramma. Binationaal beurzenprogramma tussen Nederland en de Verenigde Staten van Amerika voor afgestudeerden in het hoger onderwijs, promovendi en wetenschappers. Ja
8. Vlaams Nederlands Huis. ja
9. Stichting Internationale Culturele Activiteiten voor Het Cultural Contact Point. ja
10. Stichting Ons Erfdeel ja

Internationale uitgaven OCW

Het vergroten van internationale mobiliteit en grensoverschrijdende samenwerking tussen instellingen draagt in belangrijke mate bij aan de algemene beleidsdoelstelling. Het betreft beleid dat niet alleen op dit artikel wordt gerealiseerd. Veel internationaliseringsbeleid is elders ondergebracht binnen de OCW-begroting, derhalve is hieronder in de eerste plaats een overzicht opgenomen van de totale internationale uitgaven van OCW per beleidsartikel en daaraan gekoppeld welk deel daarvan deel uitmaakt van de Homogene Groep Internationale Samenwerking (HGIS), die wordt gecoördineerd door het ministerie van Buitenlandse Zaken.

Tabel 8.3 Internationale uitgaven OCW (x € 1 000)
          Realisatie Vastgestelde begroting Verschil HGIS realisatie
  2005 2006 2007 2008 2009 2009 2009 2009
Primair onderwijs (artikel 1) 15 489 15 806 16 522 17 657 19 198 17 317 1 881  
Voortgezet onderwijs (artikel 3) 2 115 2 539 2 627 3 061 3 914 3 426 488  
Beroepsonderwijsen volwasseneneducatie (artikel 4) 835 728 989 611 1 172 868 304  
Hoger beroepsonderwijs (artikel 6) 7 358 4 006 3 453 3 453 3 453 3 453   3 453
Wetenschappelijk onderwijs (artikel 7) 69 765 72 340 78 606 84 906 86 428 83 382 3 046 61 827
Internationaal onderwijsbeleid (artikel 8) 12 700 13 592 15 050 16 329 17 371 16 684 687 1 654
Informatie en communicatietechnologie (artikel 10) 100 100 100          
Studiefinanciering(artikel 11)   577 14 401 10 378 4 363 55 500 – 51 137  
Internationaal cultuurbeleid (artikel 14)* 2 369 2 430            
Kunsten (artikel 14) 4 487 6 864 6 370 11 818 19 379 12 066 7 313 6 242
Cultureel erfgoed (artikel 14) 1 098 1 049 950 1 598 1 389 1 068 321 395
Media letteren en bibliotheken (artikel 15 en 14.02) 45 207 44 468 44 356 47 401 50 478 47 325 3 153 466
Onderzoek en wetenschappen (artikel 16) 74 584 74 940 72 487 83 950 88 675 79 526 9 149 454
Totaal 236 107 239 439 255 911 281 162 295 820 320 615 – 24 795 74 491

* De gelden voor internationaal cultuurbeleid zijn met ingang van het jaar 2007 verdeeld over de artikelen 08, 14, en 15.

Toelichting:

De uitgaven op de Homogene groep internationale samenwerking (HGIS) maken deel uit van de totale realisaties in het jaar 2009. De beleidsprestaties zijn toegelicht bij de betreffende beleidsartikelen.

Voor de realisaties op artikel 11 «Studiefinanciering» geldt het volgende. Voor de totale meeneembaarheid van de studiefinanciering naar het buitenland is voor 2009 € 55,5 miljoen begroot. De uitgaven aan meeneembaarheid zijn niet specifiek herkenbaar in de realisatiegegevens, maar maken onderdeel uit van de uitgaven van de verschillende onderdelen van de studiefinanciering zoals de basisbeurs, de aanvullende beurs, de reisvoorziening en de rentedragende lening. Zie verder artikel 11 onderdeel 11.3.5 Stimuleren van internationale studentenmobiliteit.

Meetbare gegevens bij de operationele doelstelling

Onderstaande tabellen 8.4, 8.5, 8.6 en 8.7 geven per onderwijssector aan wat basiswaarden, actuele waarden en streefwaarden zijn op de belangrijkste indicatoren op stelselniveau, voor zover het althans mobiliteit betreft. In de eerdergenoemde IMON is een verdieping te vinden met informatie over verschillen tussen landen, instellingen en opleidingen.

Ter toelichting geldt het volgende. Vrijwel alle in onderstaande tabellen genoemde streefwaarden zullen – conform de in de tabellen afleesbare trends – in 2010 worden gehaald, c.q. zijn gehaald. Een uitzondering vormt de realisatie van de uitstroom van ho-studenten uit Nederland naar het buitenland (tabel 8.4). De streefwaarde van 6% wordt zeker niet gehaald en is zeer waarschijnlijk veel te hoog ingezet: het EU-gemiddelde bedraagt 2.9% en dat is – gezien de scores van vergelijkbare Europese landen – voor Nederland een realistischer streefcijfer.

Tabel 8.4 : Indicatoren internationalisering
Diplomamobiliteit ho Basiswaarde Realisatie Streefwaarde Realisatie
Prestatie-indicator: 2003/2004 2006/2007 2010 2008/2009
1. ho-Studenten uit het buitenland in Nederland (instroom)        
percentage van de totale Nederlandse ho studentenpopulatie: 4,5% (b) 6,4% (d) 7,4% 7,4%
percentage EU gemiddelde: 6,9% (a) 8,0% (d)   n.b.
2. wo-studenten uit het buitenland in Nederland (instroom)        
percentage van de totale Nederlandse wo studentenpopulatie: 4,2% (b) 7,0% (b) 9,0% 9,0%
3. hbo-studenten uit het buitenland in Nederland (instroom)        
percentage van de totale Nederlandse hbo studentenpopulatie: 4,6% (b) 6,0 % (b) 6,8% 6,5%
4. ho-studenten uit Nederland in het buitenland (uitstroom) (c)        
percentage van de totale Nederlandse studentenpopulatie: 2,4% (a) 2,5%(d) 6,0% n.b.
percentage EU gemiddelde: 2,6% (a) 2,9%(d)    

BRON: IMON 2008 (Nuffic, Europees Platform, Cinop, 2009), Key figures 2009 (Nuffic, 2009)

noten:

n.b. nog geen gegevens beschikbaar

a. Uitgegaan van de vorig jaar bekende EU data, van 19 landen: uit jaar 2003/2004 (OESO 2007)

b. CFI 2009

c. Geen internationale data over hbo en wo bekend (internationaal geen eenduidig onderscheid tussen hbo en wo)

d. OESO, 2009

Tabel 8.5 : Indicatoren internationalisering
Studiepuntmobiliteit ho (afgestudeerden) Basiswaarde Realisatie Streefwaarde Realisatie
Prestatie-indicator: 2004/2005 2005/2006 2010 2006/2007
1. ho-studenten uit Nederland in het buitenland        
percentage van de totale Nederlandse studentenpopulatie: 22,0% (a) 22,8% (b) 25% (c) 23,1%(d)
2. wo-studenten uit Nederland in het buitenland        
percentage van de totale Nederlandse studentenpopulatie: 31,6% (a) 31,3% (b) 35% 29,1%(d)
3. hbo-studenten uit Nederland in het buitenland        
percentage van de totale Nederlandse studentenpopulatie: 17,2% (a) 18,3% (b) 20% 20,2%(d)

BRON: IMON 2008 (Nuffic, Europees Platform, Cinop, 2009)

noten:

a. Uitgaande mobiliteit gedurende de studie van afgestudeerden in het jaar 2004/2005 (ROA 2007)

b. Uitgaande mobiliteit gedurende de studie van afgestudeerde in het jaar 2005/2006 (ROA 2008)

c. Dit is gelijk aan het EU gemiddelde dat conform het Europese REFLEX onderzoek (2007) in het jaar 2000 werd gerealiseerd.

d. Uitgaande mobiliteit gedurende de studie van afgestudeerde in het jaar 2006/2007 (ROA 2009)

Tabel 8.6: indicatoren internationalisering mbo
Prestatie-indicator: Basiswaarde 2006 Realisatie 2007 streefwaarde 2010 Realisatie 2008
1. Percentage mbo-studenten dat uit Nederland voor minimaal 2 weken naar het buitenland vertrekt voor studie of stage, van de totale Nederlandse studentenpopulatie: 0,44% 0,48% 0,65% 0,54%
2. Percentage docenten in de mbo-sector dat voor minimaal 1 week naar het buitenland vertrekt, van de totale Nederlandse docentenpopulatie: 3,47% 3,30% 3,50% 3,1%
3. Aantal actieve partners (bedrijven, onderwijsinstellingen) in het buitenland: * 520 550 452
4. Percentage van de Nederlandse onderwijsinstellingen met buitenlandse partners: * 53% 58% 53%

BRON: IMON 2008 (Nuffic, Europees Platform, Cinop, 2009)

* tot het jaar 2005/06 niet onderzocht

Nota bene: Bovenstaande gegevens hebben uitsluitend betrekking op internationalisering in het kader van de programma’s Leonardo da Vinci (van de EU) en BAND .

Tabel 8.7 : indicatoren internationalisering po/vo
Prestatie-indicator: Basiswaarde 2005/2006 Realisatie 2006/2007 Streefwaarde 2010 Realisatie 2007/2008
1. Percentage po-scholen met een internationale activiteit, met steun van het Europees Platform: 5,8% 7,3% 8% 6,4%
2. Percentage vo-scholen met een buitenlandse partnerinstelling waarmee onderwijsprojecten worden uitgevoerd: 57,9% 58,4% 60% 59,5%
3. Percentage vo-leerlingen met een meerdaagse uitwisseling met het buitenland in het kader van onderwijskundige samenwerking: 2,4% 2,4% 2,5% 2,4%
4. Percentage vo-docenten met een meerdaags studiebezoek, i.h.k.v. nascholing, aan het buitenland, exclusief leerlingenbegeleiding: 1,64% 1,78% 1,8% 1,8%
5. Percentage vo-scholen met een tweetalige opleiding: 16,36% 18,05% 20% 19,0%

BRON: IMON 2008 (Nuffic, Europees Platform, Cinop, 2009)

8.3.2 In internationaal verband waarborgen van de OCW-belangen en benutten van internationale kennis voor de kwaliteit van nationaal beleid

Doelbereiking

De invloed van Europa op onderwijs en cultuur wordt steeds duidelijker merkbaar. In EU-verband is er op toegezien dat de eigen verantwoordelijkheid van de lidstaten op die terreinen goed wordt bewaakt. Belangrijke thema’s in 2009 waren Europese samenwerking in het beroepsonderwijs, meertaligheid, de omroepmededeling en de kabinetsreactie op het Groenboek Mobiliteit. In bilateraal verband is specifieke aandacht geschonken aan de viering van het 400-jarig bestaan van New York. Hoogtepunt bij de internationale culturele uitwisseling in 2009 werd gevormd door de Koninkrijkspelen in Suriname.

Instrumenten

Tabel 8.8 Instrumenten
Jaar 2009 Realisatie
1. Nederlandse Taalunie (NTU). Samen met de Vlaamse Gemeenschap en Suriname neemt Nederland deel aan de Taalunie. ja
2. Europa College Brugge. In Europees verband neemt Nederland hieraan deel. Het betreft het Nederlands aandeel in de jaarlijkse bijdrage aan het Europa College. ja
3. Permanente Vertegenwoordiging UNESCO. Vanuit OCW is bij de UNESCO een plaatsvervangend vertegenwoordiger gedetacheerd, om de OCW belangen te behartigen. ja
4. Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO). ja
5. OCW-vertegenwoordiging te Brussel. ja
6. Steunpunt Nederlands Onderwijs te Brussel ter ondersteuning van vertegenwoordigers van Nederlandse organisaties op OCW- terrein bij hu optreden in Brussel. ja
7. Stimuleren van internationale uitwisseling van cultuur. ja
8. Internationaal beleidsonderzoek, kennisuitwisseling en benchmarking 8.4 «onderzoeken»). ja
9. Project New Amsterdam Festival ja
10. Europees jaar 2009 creativiteit en innovatie ja
11. Cultureel programma Wereldtentoonstelling ja

8.3.3. Het integreren van de BES-eilanden in Nederland op het gebied van de OCW – beleidsterreinen en het onderhouden van de relaties met de andere landen in het Koninkrijk.

Doelbereiking

Bonaire, Sint Eustatius en Saba (verder met «BES» aangeduid) hebben de wens te kennen gegeven deel te gaan uitmaken van Nederland. Zij treden op 10 oktober 2010 uit het land Nederlandse Antillen en worden «openbare lichamen» binnen Nederland, een rechtsvorm die te vergelijken is met die van een gemeente. De bewindslieden van OCW zullen dan politiek (eind)verantwoordelijk worden voor alle OCW-aangelegenheden op de BES. Het overnemen van deze verantwoordelijkheid vindt plaats tegen de achtergrond van een rapport van de Inspectie van het Onderwijs in het najaar van 2008 waarin wordt geconstateerd dat het niveau van het onderwijs op de BES zeer laag is. Via een wetgevingstraject, waarbij de huidige landsverordeningen op de BES worden omgezet in (Nederlandse) wetten, zullen de bewindslieden beschikken over een wettelijke basis die hen in staat zal stellen de verbetering van het onderwijs daadwerkelijk ter hand te nemen. Gelet op de gewenste snelle verbetering van het onderwijs, wordt deze operatie beleidsrijk ingevuld. Het ministerie van BZK coördineert dit proces rijksbreed. Voor de onderwijssector is door OCW een verbeterprogramma gestart ter voorbereiding op de transitie. Hiervoor is bij voorjaarsnota voor de jaren 2009 en 2010 in totaal ruim € 12 miljoen (incidenteel) beschikbaar gesteld. Dit budget is gevoed doordat het ministerie van BZK het onderwijs- en jongerensamenwerkingsprogramma (OJSP) voor wat betreft de BES aan OCW heeft overgedragen (voor de jaren 2009 en 2010 in totaal € 4,56 miljoen). Verder heeft de ministerraad incidentele middelen beschikbaar gesteld voor het realiseren van zichtbare verbeteringen op het terrein van onderwijs (voor de jaren 2009 en 2010 in totaal € 8 miljoen). In het kader van het verbeterprogramma onderwijs zijn in 2009 de middelen besteed aan een aantal projecten waarmee concrete en zichtbare resultaten zijn geboekt.

• in het voortgezet onderwijs zijn schoolboeken aangeschaft, zodat de leerlingen hier (gratis) over kunnen beschikken.

• In het funderend onderwijs en voortgezet onderwijs zijn toetsen afgenomen om te bepalen wat het onderwijsniveau is.

• De gegevens zijn vervolgens door de onderwijsdeskundigen geanalyseerd waarbij nagegaan is welke aanpak het beste is om de lees- en rekenprestaties van de leerlingen te verbeteren.

• Er zijn toetsen aangeschaft voor het LeerlingVolgSysteem (LVS) voor het funderend onderwijs alsmede het Volg en Advies Systeem (VAS) voor het voortgezet onderwijs.

• Voorts hebben alle scholen op de BES in het jaar 2009 middelen gekregen voor het aanschaffen van remediërend en aanvullend onderwijsmateriaal.

• Voor het laten volgen van cursussen met het oog op het versterken van de zorgstructuur is budget verstrekt.

Instrumenten

Op de eerste plaats wordt beleid gevoerd met regelgeving die geënt is op het Nederlandse beleid. Op die manier kan ook begeleiding vanuit het ministerie worden gegeven en kan toezicht worden gehouden. Naast wet- en regelgeving zijn de volgende instrumenten ingezet:

Tabel 8.9 Instrumenten
Jaar 2009 Realisatie
1. Begeleiden van scholen ja
2. Versterking van de bestuurlijke kracht op de eilanden (onderwijsdiensten) ja
3. Verbetering materiële positie van de scholen (door subsidies op basis van de WOOS en de Wet SLO) ja
4. Verbetering van de huisvesting van de scholen ja

Meetbare gegevens bij de operationele doelstelling

Aangezien het onderhavige project van beperkte duur is – na de transitie wordt het OCW-beleid op de BES geïntegreerd in de reguliere processen – heeft dit artikelonderdeel slechts betrekking op de jaren 2009 en 2010. Het hanteren van prestatie-indicatoren is daarmee hier weinig zinvol. De Inspectie van het Onderwijs heeft in het najaar van 2008 vastgesteld dat bijna alle scholen op de BES, naar Nederlandse maatstaven, als «zeer zwak» kunnen worden gekwalificeerd. Op basis van de bevindingen van de Inspectie van het Onderwijs is de volgende doelstelling van het verbeterprogramma geformuleerd: Verhoging van de leerprestaties van alle leerlingen op de BES-eilanden in de kernvakken tot een niveau dat naar Nederlandse maatstaven aanvaardbaar is. De eerste uitkomsten van het evaluatie onderzoek naar de effecten van de onderwijsverbetering op de BES worden pas bekend na 2010.

8.4 Overzicht afgeronde onderzoeken

Tabel 8.10 Onderzoeken
  Onderzoek onderwerp Operationele Doelstelling Start Afgerond Vindplaats
Overig evaluatie-onderzoek Rapport Internationale Mobiliteit in het Onderwijs in Nederland (IMON-rapport 2008): Onderzoek naar effecten (internationaliserings)beleid op mobiliteit in PO, VO, Beroepsonderwijs, HO 8.3.1 2009 (jaarlijks uitgevoerd) 2009 http://www.nuffic.nl
           
  Evaluatie KANS-programma 8.3.1 2009 2009  
Overig onderzoek Onderzoek Internationale functie binnen OCW 8.3.1 en 8.3.2 2009 2009  

ARTIKEL 9. ARBEIDSMARKT- EN PERSONEELSBELEID

9.1 Algemene beleidsdoelstelling: de kwaliteit van het onderwijs wordt gewaarborgd door de beschikbaarheid van voldoende personeel van voldoende kwaliteit voor alle onderwijsdeelnemers

Doelbereiking en maatschappelijke effecten

Het afgelopen jaar is het aandeel vacatures in het onderwijs gedaald door de ingezette beleidsmaatregelen en de gewijzigde economische omstandigheden. De onderwijsarbeidsmarkt is daarmee vooralsnog uit de gevarenzone (dat wil zeggen minder dan 1 procent vacatures). Desondanks zijn er – met name in het primair onderwijs – in weerwil van de economische crises nog altijd een fors aantal vacatures. Daar waar naar verwachting de uitstroom naar de markt het afgelopen jaar zal zijn verminderd zorgt de vergrijzing nog altijd voor een robuuste vraag naar leraren. De in 2009 ingezette beloningsmaatregelen (€ 290 miljoen) en maatregelen ter verbetering van de kwaliteit (€ 120 miljoen) uit het actieplan «LeerKracht van Nederland» en de kwaliteitsagenda «Krachtig meesterschap» stellen de onderwijswerkgevers beter in staat om in de vraag naar goed opgeleide leraren te kunnen voorzien. Het is een belangrijke eerste stap. In de komende jaren loopt de hoogte van deze investeringen nog aanmerkelijk op. Uit eerste monitoring blijkt dat de middelen volledig daar terecht zijn gekomen waar ze behoren terecht te komen, en dat is bij de leraar (zie de Nota Werken in het Onderwijs 2010,Tweede Kamer, vergaderjaar 2009–2010, 27 923, nr. 88).

Het aandeel onbevoegd gegeven lessen is in 2008–2009 iets opgelopen in het voortgezet onderwijs. Ook in het MBO is het aandeel onbevoegd gegeven lessen door onderwijsgevend en onderwijsondersteunend personeel een belangrijke aandachtgebied. Inmiddels zijn een aantal maatregelen in gang gezet om dit tij te keren.

Externe factoren

Het onderwijs is afhankelijk van de inzet van leerlingen en studenten, ouders, docenten, schoolleiders, bestuurders, toezichthouders, brancheorganisaties, maatschappelijke organisaties, gemeenten en bedrijven (aansluiting arbeidsmarkt). De minister is daarom mede afhankelijk van de beschikbaarheid, capaciteiten en faciliteiten van deze actoren. Andere factoren die de minister beperkt kan beïnvloeden maar waarvan hij wel afhankelijk is, zijn:

• De invloed van de conjunctuur op de onderwijsarbeidsmarkt en de loonontwikkeling;

• Demografische ontwikkelingen in de leerlingenpopulatie en het lerarenbestand.

Realisatie meetbare gegevens bij de algemene doelstelling