Kamerstuk
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer |
|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 2025-2026 | 32336 nr. 173 |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer |
|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 2025-2026 | 32336 nr. 173 |
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 5 juni 2026
Met deze brief informeer ik de Kamer over mijn inzet op dierproeven en de transitie naar proefdiervrije innovatie (paragraaf I), gevolgd door de uitvoering van diverse moties en toezeggingen op dit beleidsterrein (paragraaf II). Hiermee kom ik, vooruitlopend op het Commissiedebat dieren buiten de veehouderij van d.d. 3 september 2026, tegemoet aan de wens van de Kamer om te vernemen wat mijn inzet is op dit beleidsterrein.
Er is een brede maatschappelijke wens om dierproeven af te bouwen. Niet alleen vanwege het ethische aspect, maar ook omdat dierproeven geregeld onvoldoende opleveren bij het ontwikkelen van nieuwe behandelingen voor de mens. Afbouwen kan echter niet van de één op de andere dag, maar vergt een lange adem. Zo zijn er nog niet voor alle dierproeven bewezen proefdiervrije methoden, en kan één proefdiervrije methode meestal niet een dierproef in het geheel vervangen. Nieuwe geneesmiddelen en chemicaliën moeten getest worden op hun veiligheid en werkzaamheid. Ook voor dit soort testen zijn er nog niet voldoende proefdiervrije methoden om zonder gebruik van dierproeven het huidige beschermingsniveau van mens, dier en milieu te waarborgen.
Alle dierproeven worden geregistreerd en daar wordt jaarlijkse over gerapporteerd in de Zodoende. In 2024 zijn totaal 435.263 dierproeven uitgevoerd in Nederland (bijlage 1). Dit betekent een lichte stijging ten opzichte van 2023, maar nog steeds een daling ten opzichte van 2022. Het aantal dierproeven schommelt daarmee jaarlijks rond de 450.000. Hoewel de Zodoende cijfers inzicht geven in de totale aantallen, biedt het weinig informatie over hoe het dierproevengebruik in Nederland zich ontwikkelt per domein. Immers, de inzet ervan fluctueert sterk per toepassing, zo maakten de wettelijk verplichte dierproeven in 2024 ongeveer een derde van het totaal uit, en fundamenteel onderzoek en toegepast onderzoek elk minder dan 20%. Ieder jaar bied ik deze cijfers aan aan de Kamer, echter zijn de cijfers over 2024 wat later dan gebruikelijk. Dit is het gevolg van een wijziging in de uitvoering van de registratie van dierproeven. Per 2025 is de wettelijke taak voor registratie overgedragen van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) naar de organisatie die tevens de werkzaamheden van het CCD en de NCad ondersteunt, het Ondersteunend Bureau Dierproeven en Alternatieven (OBDA). Hiermee zijn een aantal taken die samenhangen met het dierproevenbeleid logisch bij elkaar gebracht. De cijfers over 2025 zullen naar verwachting op het gebruikelijke tijdstip worden gepubliceerd (uiterlijk Q1 2027). Om meer inzicht te krijgen in de trends per toepassingsdomein over de jaren heen, werkt het Nationaal Comité advies dierproevenbeleid (NCad) momenteel aan een duiding van de dierproevencijfers. Deze adviesvraag zal meer inzicht bieden in hoe domeinen, waar dierproeven worden ingezet, zich ontwikkelen, welke trends er zijn en waar aangrijpingspunten liggen voor beleid. Deze duiding wordt half juni verwacht.
Dierproeven mogen niet zomaar uitgevoerd worden in Nederland, dat is geregeld in de Wet op Dierproeven. De Centrale Commissie Dierproeven (CCD) ziet toe op het gebruik van dierproeven en geeft pas een vergunning af wanneer het belang van de proef zwaarder weegt dan het dierenleed. Hierbij geldt een «nee, tenzij» principe wat betekent dat een dierproef in beginsel verboden is, tenzij er geen proefdiervrije methoden beschikbaar zijn. De kern van mijn beleid is dan ook om in te blijven zetten op opbouw van proefdiervrije innovatie, zodat over de tijd steeds meer afbouw van dierproeven mogelijk wordt. Hiervoor moeten proefdiervrije methoden doorontwikkeld worden tot gevalideerde, reproduceerbare en breed erkende proefdiervrije methoden, die bewezen minstens even goede of betere resultaten leveren dan dierproeven. Dit vraagt niet alleen om technologische ontwikkelingen maar ook om transparantie (bijv. Preclinicaltrials.eu1), vindbaarheid van onderzoeksmodellen (o.a. via AI) en laagdrempelige toegang tot experts op het gebied van proefdiervrije innovaties.
Om toegang tot die expertise te verbeteren heb ik een haalbaarheidsstudie laten doen (bijlage 2). Het rapport benadrukt het belang van kennisverbinding: hoewel er veel informatie over New Approach Methodologies (NAMs, een in het veld gangbare term voor proefdiervrije innovaties) beschikbaar is, is niet altijd duidelijk of deze methoden passen bij specifieke onderzoeksvragen. Experts kunnen hierin adviseren en daarvoor is nu een helpdesk beschikbaar genaamd Suppo3Rt. Er is enthousiasme voor Suppo3Rt, inmiddels zijn er drie casussen succesvol behandeld. De Universiteit Utrecht geeft in het rapport de volgende vijf adviezen:
1. Implementatie Suppo3Rt met kosteloze deelname voor bekendheid en financieel plan.
2. Succesverhalen delen via nieuwsbrieven, sociale media en congressen.
3. Betrek IvD’s, DEC’s en financiers om hulpvragen te stimuleren.
4. Onderzoek Europese profilering en verduurzaming financiële basis.
5. Overweeg dringend advies bij vergunningsaanvragen met veel proefdieren of ernstig ongerief.
De eerste drie adviezen zijn al uitgevoerd met een 2-jarige subsidie. Ik neem de overige twee adviezen ook over en ga hier ook nader met de CCD over in gesprek.
Een transitie is een dynamisch proces, dat zich niet in een rechte lijn laat plannen en waar veel factoren van invloed zijn. En blijft, zoals gezegd, het gebruik van proefdieren nog noodzakelijk. Zo is het onderzoeken en testen op bepaalde complexe processen in het lichaam, zoals het immuunsysteem, nog niet mogelijk zonder proefdieren. Waar proefdieren nog nodig zijn is het natuurlijk van belang dat het welzijn van proefdieren goed geborgd is. Daar zet ik op in met het zogenoemde 3V-beleid, gericht op het vervangen, verminderen en verfijnen van proefdieronderzoek. Aan de andere kant zien we dat bijvoorbeeld bij het onderzoek gericht op individuele organen van de mens proefdiervrije innovaties inmiddels veelbelovende resultaten laten zien. Voor onderzoek naar schadelijkheid voor de lever van potentieel nieuwe geneesmiddelen, zijn deze nieuwe testsystemen geschikter dan dierproeven. Ook wordt er binnen Ombion2 gewerkt aan een model waarmee met cellen van een patiënt zogenoemde organoïden (een soort mini-orgaantjes) kunnen worden gemaakt. Hiermee kan voor patiënten met taaislijmziekte beter worden ingeschat welke behandeling bij hen zal aanslaan.
Onderzoeksvelden verschillen in de mate waarin proefdiervrije innovaties toegepast kunnen worden, daarom blijft het nodig de focus te houden op waar de meeste kansen liggen.
Ik zet mij onverminderd in om de transitie te versnellen en ben daarom blij dat een steeds grotere groep zich aansluit bij de missie «Beter voorspellen zonder proefdieren» van het TPI-partnerprogramma. In dit programma werk ik, met inmiddels 13 partners, samen aan de ambitie om Nederland als katalysator van de Europese transitie naar proefdiervrije innovatie verder te positioneren. Dat samenwerking met partners van tot succes kan leiden blijkt wel uit de toekenning van € 124,5 miljoen uit het Nationaal Groeifonds voor het Ombion centrum. Hiermee heeft Nederland een gespecialiseerd centrum voor proefdiervrije biomedische translatie gekregen wat werkelijk uniek is in Europa. Samen met 60 partners, van academie tot industriële toepassing en regulatoire implementatie wordt over de hele kennisketen gewerkt aan het opschalen van proefdiervrije innovatie, mét daarbij het creëren van bedrijvigheid. De betrokkenheid van de steeds groter wordende en diverse groep aan stakeholders binnen Ombion en het TPI-partnerprogramma laat zien dat deze aanpak werkt en dat dit steeds meer kansen biedt voor allerlei partijen.Stichting Young TPI maakt daar ook onderdeel vanuit, zij spelen een belangrijke rol in het betrekken van de volgende generaties bij de transitie. Daarom blijf ik stichting Young TPI ondersteunen3, zodat ook de volgende generatie meedenkt over de transitie en waar mogelijk proefdiervrije keuzes maakt.
Voor wettelijk vereiste veiligheidstests waar dierproeven nog nodig zijn is internationale afstemming noodzakelijk. Veel dierproeven die voor dit doeleinde worden ingezet zijn vastgelegd in internationale richtlijnen. Daarnaast gelden in verband met het gelijke speelveld binnen de hele EU dezelfde regels gelden voor het gebruik van dierproeven. Dit maakt dat sturen op de transitie niet alleen in Nederland kan maar juist ook op Europees en internationaal niveau moet. Nederland wordt in Europa als voorloper in de transitie naar proefdiervrije innovatie gezien. Dat biedt kansen voor samenwerking met de Europese Commissie en andere lidstaten om gericht de validatie van proefdiervrije innovaties te ondersteunen, met internationale impact. Ik zal daarom in Europa blijven pleiten voor versnelling van de internationale acceptatie van proefdiervrije innovaties. Dit doe ik in twee Europese trajecten:
European Research Area beleidsvoorstel (ERA)
Met het ERA-voorstel gaat het innovatiebeleid rondom proefdiervrije innovaties tussen EU-lidstaten en de Europese Commissie gestroomlijnd worden. Als een van de initiators vormt Nederland samen met de Commissie en stakeholder EU-life de stuurgroep van de ERA. We hebben 18 lidstaten aan het New Approach Methodology4 ERA-voorstel weten te binden. Nu ook de experts uit alle deelnemende lidstaten zijn betrokken is het project definitief van start gegaan. Vier werkgroepen gaan werken aan belangrijke thema’s in de transitie naar proefdiervrije innovatie, specifiek binnen biomedisch onderzoek en het testen van geneesmiddelen:
• Prioritering van ontwikkeling van NAMs die effectief bepaalde dierproeven kunnen vervangen en het stroomlijnen van Europese onderzoekinfrastructuren;
• Opstellen van criteria waar NAMs aan moeten voldoen om gekwalificeerd te worden voor opname in wettelijk vereiste tests van geneesmiddelen en het aanwijzen van kansrijke NAMs;
• Identificeren en verspreiden van best practices binnen onderwijsprogramma’s door Europa en het opstellen van onderwijsmodules, voor de opleiding van studenten, wetenschappers en autoriteiten in de toepassing van NAMs;
• Werken aan bewustzijn rondom het gebruik van NAMs en dierproeven, het vergroten van transparantie van resultaten en bijdragen aan Open Science.
Nederland kan een grote bijdrage leveren aan de doelen van de ERA. Nederlandse partijen, waaronder TPI-partners, zijn goed vertegenwoordigd in de werkgroepen. Voor de financiering van de activiteiten binnen de ERA is er onder leiding van Ombion een subsidieaanvraag bij de Commissie ingediend. Samen met mijn trekkersrol vanuit de ERA-stuurgroep, biedt dit project de ideale gelegenheid om het TPI-beleid breder te verspreiden binnen Europa.
Roadmap van Europese Commissie
Ik ben blij dat de Europese Commissie het langverwachte stappenplan voor uitfasering van dierproeven voor het testen van chemische stoffen recent heeft gepubliceerd. Volgens de gebruikelijke procedure zal ik de Kamer informeren over mijn appreciatie en inzet ten aanzien van dit stappenplan door middel van een BNC-fiche. Deze hoop ik halverwege juli met de Kamer te kunnen delen.
Ik vind het belangrijk dat die Roadmap effect gaat hebben en wil dat Nederland daar een bijdrage aan gaat leveren. Daarom laat ik in kaart brengen welke stappen belangrijk zijn in het proces van ontwikkeling naar implementatie van NAMs op het gebied van chemische stoffen. Deze kennis zal inzicht bieden in wat beleidsmakers kunnen doen om implementatie van NAMs te bespoedigen, en is daardoor ook relevant voor het stappenplan van de Commissie. Het overzicht dat ik laat maken zal ik in een workshop laten toetsen met internationale beleidsadviseurs. Het doel is om, samen met de Commissie en vertegenwoordigers uit verschillende landen te verkennen welke beleidsinterventies effectief zijn om verschillende fases van het NAMs implementatieproces te versnellen, en zo ook bij te dragen aan de implementatie van het stappenplan van de Commissie.
a) Inzet van AI voor vinden van proefdiervrije innovatie
Deze motie van lid Wassenberg (Kamerstuk 32 336 nr. 129, van d.d. 7 juni 2022) verzoekt de regering om te zorgen dat kunstmatige intelligentie (AI) ingezet wordt om het zoeken naar het beste onderzoeksmodel eenvoudig te maken en zo onnodige dierproeven te voorkomen. Ter uitvoering van deze motie heeft TNO in opdracht van LVVN een digitaal platform INoVAhub5 ontwikkeld. Dit platform is in het najaar van 2025 gelanceerd. Dit gratis platform biedt onderzoekers een tool om te zoeken naar het beste model voor een onderzoeksvraag, waarbij beschikbare proefdiervrije innovaties zichtbaar en vergelijkbaar worden gemaakt. Ik beschouw daarmee deze motie als afgedaan.
b) Knelpunten van lab naar praktijk
In het debat van 29 januari 2025 is toegezegd om de Kamer te informeren over de voortgang op zowel de validatie- als de financiële routekaart (TZ202502-024). Deze toezegging houdt verband met twee eerdere moties:
i. Motie van de leden De Groot en Valstar van d.d. 20 mei 2021 (Kamerstuk 32 336, nr. 117) die de regering oproept in kaart te brengen hoe de knelpunten op de route van laboratorium naar praktijk voor dierproefvrije innovaties kunnen worden weggenomen en
ii. Motie van de leden De Groot en Haverkort van d.d. 7 juni 2022 (Kamerstuk 32 336, nr. 139) die de regering verzoekt waar mogelijk knelpunten op de route van lab naar praktijk op te lossen, en hierover jaarlijks te rapporteren aan de Kamer.
Als invulling van deze moties zijn zowel een validatie- als een financiële routekaart ontwikkeld6. De validatie routekaart, de NAM Navigator genoemd, is als eerste in gebruik genomen, de Kamer is in juni vorig jaar over de lancering geïnformeerd7. De tweede routekaart, de NAMs Funding Compass, is nu ook gereed. Deze webapp biedt een uitgebreid overzicht aan financieringsinstrumenten die aansluiten bij de eerste ontwikkeling tot en met het naar de markt brengen van proefdiervrije innovaties. De tool is beschikbaar op de website van het TPI-programma8.
Zoals de tweede motie verzocht, is de Kamer gedurende de ontwikkeling jaarlijks over de voortgang, op de routekaarten en aanvullende activiteiten om knelpunten aan te pakken, geïnformeerd. Met de oplevering van beide routekaarten beschouw ik deze twee moties en de toezegging9 als afgedaan.
c) Inzetten op proefdiervrije innovatie
Met de motie van leden Graus, Van Campen en Flach van d.d. 20 februari 2025 (Kamerstuk 32 336 nr. 163) wordt de regering verzocht, waar en indien mogelijk in te zetten op proefdiervrije modellen en testen. Het stimuleren van ontwikkeling, validatie en implementatie van proefdiervrije innovaties en het terugdringen van dierproeven, zijn de kern van mijn TPI-beleid. Ter uitvoering van deze motie geef ik een extra impuls in een specifiek domein. Ik ga Wageningen Food Safety Research (WFSR) opdracht geven om een volledig diervrije NAM op het terrein van voedselveiligheid te ontwikkelen. WFSR heeft veel ervaring met ontwikkeling en implementatie van NAMs. De goede contacten van WFSR met de regelgevende instanties op het terrein van voedselveiligheid, zorgen voor goede kansen op een uiteindelijke implementatie van de methode in de internationaal geaccepteerde testrichtlijn. Ook zal er binnen dit project gewerkt worden aan volledig diervrij maken van al geaccepteerde NAMs, aangezien sommige NAMs bijvoorbeeld nog wel gebruik maken van dierlijke producten. Hiermee beschouw ik deze motie als afgedaan.
d) Proefdiervrije methoden meer stimuleren, bijvoorbeeld door overheidssubsidies voor dierproeven stapsgewijs over te hevelen
Met deze motie van leden Kostić, den Hollander, Grinwis en Graus (Kamerstuk 36 600 XIV nr. 53, d.d. 17 oktober 2024) wordt de regering verzocht om te onderzoeken hoe de ontwikkeling en toepassing van innovatieve, proefdiervrije methoden meer kan worden gestimuleerd, bijvoorbeeld door overheidssubsidies voor dierproeven stapsgewijs over te hevelen, zonder gevolgen voor noodzakelijk onderzoek naar levensbedreigende ziekten en infectieziekten. Adviesbureau Andersson Elffers Felix (AEF) bracht in opdracht van LVVN vijf beleidsopties in kaart, deze zijn in het bijgevoegde rapport «Slim versnellen» (bijlage 3) beschreven. Uit gesprekken die AEF voerde bleek dat de ambitie om de transitie te versnellen breed wordt gedeeld, al verschillen de meningen over route, tempo en eindpunt. Hieronder ga ik in op de 5 beleidsopties uit het rapport.
AEF concludeert dat het verplaatsen van publieke middelen van proefdier- naar proefdiervrij onderzoek weinig effect zal hebben, omdat er nauwelijks specifieke budgetten voor proefdieronderzoek bestaan. Bovendien kan rigide financiële druk de polarisatie vergroten en de transitie vertragen. Zowel het huidige AEF-rapport als eerdere bevindingen van Technopolis Group (2020)10 bevestigen dat deze optie zowel qua doeltreffendheid als doelmatigheid tekortschiet. Op basis hiervan oordeel ik dat overhevelen van financiering geen doelmatige of effectieve ingreep is.
Het rapport bevestigt de positieve werking van zachte stimulering van prijzenswaardige initiatieven uit het veld. Ik onderschrijf dit en maak hier al gebruik van in mijn beleid. Voorbeelden zijn de streefbeelden, deze visies zijn door de onderzoeksdomeinen zelf geformuleerd, en schetsen de gewenste toekomst voor hun vakgebied ten aanzien van de ontwikkeling van proefdiervrije innovaties. Ik steun deze initiatieven en versterk ze met een nieuwe prijs voor jonge onderzoekers: de NAM-stimuleringsprijs (€ 3.000/jaar). Onderzoeksfinancier ZonMw zal deze prijs de komende 10 jaar uitreiken, eerst voor het cardiovasculair onderzoeksdomein en later ook voor neurologie en immunologie.
AEF adviseert om in te zetten op financiering van het hele NAM-onderzoekstraject, van ontwikkeling tot validatie en implementatie. Dit helpt de «valley of death» weg te nemen en heeft brede steun in het veld. Ik onderschrijf dit advies, dat ook onderdeel is van mijn beleid. Een voorbeeld is het groeifondsproject Ombion, binnen dit centrum is er bij uitstek aandacht voor de financiering van de gehele kennisketen. Maar ook andere initiateven zoals de Nederlandse Wetenschaps Agenda-subsidie «Do-React» en het ERA-project zijn gericht op validatie en implementatie van NAMs. Ook TPI-partners zetten hierop in, zoals de organ-on-chip oproep van Health-Holland.
In het rapport wordt publiek-private samenwerking voor de transitie benadrukt. De ervaring is dat bedrijven vaak pas na de academische proof-of-conceptfase betrokken worden, wat de ontwikkeling van NAMs kan vertragen. De private partijen zijn vaak de eindgebruikers en ik onderschrijf het belang dat zij eerder in het proces moeten worden betrokken. Het TPI-partnerprogramma en financieringsinstrumenten, zoals genoemd onder het kopje over de trajectfinanciering, stimuleren deze samenwerking. Ombion speelt ook daar een belangrijke rol, inmiddels hebben zij al 59 stakeholders, waaronder veel bedrijven, aan zich gebonden. Ik ben ervan overtuigd dat op basis hiervan er op dit moment voldoende ruimte is voor publiek-private samenwerking en ook voor het vroegtijdig betrekken van het bedrijfsleven, zoals AEF adviseert.
Het rapport adviseert de inzet op bewustzijn en infrastructuur van NAMs voor het onderwijs te versterken. Bestaande initiatieven, zoals opleidingen via Ombion, de minor en master aan de Hogeschool Utrecht11, het FCS-free project van het Utrecht 3R centre (3RCU) en het ERA-beleidstraject, dragen hier al aan bij. Ik onderschrijf het belang van onderwijs voor de implementatie van nieuwe methoden en zal de Kamer jaarlijks informeren over de voortgang binnen de ERA-werkgroep die de beschikbaarheid van trainingen & opleidingen in beeld brengt.
Met de aanbieding van het AEF-rapport en mijn zienswijze hierop, beschouw ik de motie en toezegging (TZ202502-023), om de resultaten van het onderzoek met de Kamer te delen, als afgedaan. In september van dit jaar ontvang ik bovendien nog het NCad-advies over de transitie naar een proefdiervrije samenleving, ik verwacht dat dat rapport ook adviezen zal bevatten die helpen bij het verder aanjagen van de transitie.
e) Actieplan voor een snelle verlaging van het aantal in voorraad gedode proefdieren
Ter invulling van deze motie van lid Wassenberg (Kamerstuk 32 336, nr. 140 d.d. 7 juni 2022), ontving de Kamer in november 2025 (Kamerstuk 32 336, nr. 155) een rapportage van de werkgroep fok-coördinatoren met daarin aanbevelingen voor het terugdringen van het aantal gedode dieren zonder voorafgaande handeling. Een van deze aanbevelingen ging over na- en bijscholing van fok-coördinatoren en andere geïnteresseerden om zo het kennisniveau op dit gebied in Nederland op peil te houden en verder door te ontwikkelen. In mijn opdracht is er een e-learning module gemaakt die zich richt op het fokken van proefdieren op een zo efficiënt mogelijke manier, met als doel het aantal benodigde dieren te minimaliseren. In de module wordt doorverwezen naar verdere achtergrondinformatie. De e-learning module als ook de map met achtergrondinformatie zijn toegankelijk voor professionals werkzaam binnen de proefdierkunde12. Met de oplevering van deze e-learning module beschouw ik deze motie als afgedaan.
Afsluiting
De transitie naar proefdiervrije innovaties vordert gestaag, zowel nationaal als internationaal en de ambitie om de transitie te versnellen wordt breed gedeeld. Ik ben blij om te zien dat het momentum duidelijk toeneemt, niet in de laatste plaats door inspanningen vanuit Nederland. Zowel hier als op Europees niveau zien we dat proefdiervrij onderzoek een steeds prominentere plek inneemt. De potentie van NAMs wordt steeds meer erkend. Binnen de Rijksbrede visie op biotechnologie13, de Nationale Technologie Strategie14 en het Wennink rapport15 worden organ-on-chip en organoid-technologie, naast de potentie voor efficiëntere geneesmiddelontwikkeling en het afbouwen van dierproeven, ook benoemd als economische kans voor Nederland. Ik zal in Europa blijven pleiten voor het opschalen van NAMs. Ik heb ook oog voor de weerstand, ik begrijp dat meningen uiteenlopen over de route, tempo en eventueel gewenste eindpunt van de transitie, daarom blijf ik ook inzetten op dialoog met alle betrokkenen om gezamenlijk vooruitgang te blijven boeken. Zoals gezegd verwacht ik de Kamer nog voor het zomerreces te kunnen informeren over het rapport van het NCad met een duiding van de proefdiercijfers en na de zomer over het NCad advies over de transitie naar een proefdiervrije samenleving.
De Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, S.P.A. Erkens
Dit is een online register waar protocollen van dierproeven en de resultaten daaruit kunnen worden gepubliceerd, met als doel transparanter te maken welke diermodellen zijn gebruikt voor een bepaalde proef, onder welke omstandigheden, en welke resulaten daaruit zijn gekomen. Dit kan onnodige herhaling van dierproeven helpen voorkomen omdat inzichtelijk is welk model waarvoor geschikt is.
Motie (leden de Groot en Valstar) Kamerstuk 32 336, nr. 117 d.d. 20 mei 2021, motie (leden De Groot en Haverkort) Kamerstuk 32 336, nr. 139 d.d. 7 juni 2022 en toezegging TZ202502-024
Aanbod Hogeschool Utrecht «Innovative Testing in Health and Disease» (minor) en de deeltijdmaster «Veranderkunde binnen Dierproefvrije Innovaties»
Dit is een online register waar protocollen van dierproeven en de resultaten daaruit kunnen worden gepubliceerd, met als doel transparanter te maken welke diermodellen zijn gebruikt voor een bepaalde proef, onder welke omstandigheden, en welke resulaten daaruit zijn gekomen. Dit kan onnodige herhaling van dierproeven helpen voorkomen omdat inzichtelijk is welk model waarvoor geschikt is.
Motie (leden de Groot en Valstar) Kamerstuk 32 336, nr. 117 d.d. 20 mei 2021, motie (leden De Groot en Haverkort) Kamerstuk 32 336, nr. 139 d.d. 7 juni 2022 en toezegging TZ202502-024
Aanbod Hogeschool Utrecht «Innovative Testing in Health and Disease» (minor) en de deeltijdmaster «Veranderkunde binnen Dierproefvrije Innovaties»
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-32336-173.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.