Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2019-202032336 nr. 107

32 336 Dierproeven

Nr. 107 BRIEF VAN DE MINISTER VAN LANDBOUW, NATUUR EN VOEDSELKWALITEIT

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 31 januari 2020

Met deze brief bied ik uw Kamer de «Zo doende 2018», het jaarverslag van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA), aan over de in Nederland verrichte dierproeven en het toezicht op de Wet op de dierproeven (Wod)1.

Met de «Zo doende» informeert de NVWA de samenleving ieder jaar over de aantallen dieren en diersoorten die zijn gebruikt in dierproeven, voor welke doeleinden en met welke mate van ongerief. De NVWA wil de «Zo doende 2019» in digitale vorm opleveren.

In 2018 registreerden de Nederlandse vergunninghouders 448.399 dierproeven. Dat zijn 82.169 (– 15,5%) dierproeven minder dan in 2017. Het gebruik van één proefdier telt daarbij als één dierproef. In 2018 vonden minder proeven plaats met onder andere muizen, zebravissen en vogels. De gebruikte dieren worden geregistreerd in het jaar dat het onderzoek is afgerond. Indien grote onderzoekstrajecten over meerdere jaren lopen worden de gebruikte proefdieren pas in het laatste jaar van het onderzoek geregistreerd.

In deze rapportage heeft de NVWA een tabel toegevoegd aan de «Zo doende» die aansluit bij de Europese registratie van dierproeven. In deze tabel is het onderzoek verder uitgesplitst in subdoelen met het aantal dierproeven die hiervoor gedaan zijn. Hierdoor kan de Nederlandse registratie vergeleken worden met de registratie van andere lidstaten. Deze registratiegegevens worden binnenkort gepubliceerd op de website van de Europese Commissie.

Ook dit jaar heeft de NVWA vergunninghouders verzocht om uitleg te geven over onderzoek waar opvallende stijgingen zijn gesignaleerd. Hierbij bleek dat er in 2018 meer proeven met (zee)vissen zijn gedaan voor bijvoorbeeld onderzoek naar vismigratie, naar het effect van zandsuppleties en naar de selectiviteit van vistuigen in de visserij. Meer konijnen werden ingezet voor de behandeling van erfelijke aandoeningen bij de mens. Daarnaast zijn er 107 honden meer ingezet in dierproeven dan in 2017. Dit is vooral terug te voeren op een toename van het onderzoek voor de ontwikkeling van geneesmiddelen tegen kanker, neurologische-, immunologische- en cardiovasculaire ziekten.

In 2018 voerde de NVWA in totaal 225 inspecties uit bij vergunninghouders, 31,9% van de inspecties gebeurde onaangekondigd. Voor 2020 zal worden gekeken of het percentage onaangekondigde inspecties nog enigszins verhoogd kan worden, als onderdeel van het risicogericht toezicht door de NVWA. Een bepaald aantal inspecties moet echter worden aangekondigd om de vergunninghouder de gelegenheid te geven om de administratie beschikbaar te stellen. De NVWA inspecteert alle vergunninghouders die actief dierproeven verrichten of proefdieren fokken minimaal één keer per jaar. De naleving is daarbij hoog, slechts bij één inspectie is proces-verbaal opgemaakt. Eind 2018 waren 79 instellingen in het bezit van een vergunning voor het verrichten van dierproeven. Deze instellingsvergunninghouders zijn bijvoorbeeld universiteiten, universitaire ziekenhuizen, onderzoeksinstellingen en farmaceutische bedrijven.

Naast de registratie van dierproeven rapporteert de NVWA ook het aantal dieren dat is gefokt voor dierproeven maar niet daarvoor is ingezet. Het aantal proefdieren dat is gedood of is doodgegaan zonder dat de dieren onderdeel waren van een dierproef, is ten opzichte van het vorige verslagjaar licht gedaald met 2,4% tot 437.506 dieren. Ongeveer een kwart van deze dieren had wel een bestemming als fokdier. Het overgrote merendeel van proefdieren dat niet gebruikt is in fok óf dierproef zijn genetisch gemodificeerde muizen en zebravissen. Deze dieren kunnen meestal niet worden ingezet in het onderzoek omdat zij niet over de nodige genetische eigenschappen beschikken. Genetisch gemodificeerde dieren worden in biomedisch onderzoek gebruikt om ziekte bij de mens beter te kunnen begrijpen en nieuwe geneesmiddelen te ontwikkelen. Bij het fokken van dieren met de gewenste genetische eigenschappen worden er meer dieren geboren dan in de dierproef of voor de fok gebruikt kunnen worden.

Ik blijf me samen met de onderzoeksinstellingen inzetten voor goed welzijn van proefdieren en vermindering van het aantal dierproeven. En ik richt me zoals u weet samen met de partners in het programma TPI op de ontwikkeling van alternatieven voor dierproeven vanuit het perspectief van betere wetenschap, betere gezondheid en meer veiligheid.

De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, C.J. Schouten


X Noot
1

Raadpleegbaar via www.tweedekamer.nl