32 329 (R1909)
Regionaal Samenwerkingsverdrag inzake de bestrijding van piraterij en gewapende overvallen op zee in Azië (ReCaap); Tokyo, 11 november 2004 (Trb. 2009, 80)

A
nr. 1
BRIEF VAN DE MINISTER VAN BUITENLANDSE ZAKEN

Aan de Voorzitters van de Eerste en van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 15 februari 2010

Ter griffie van de Eerste en van de Tweede Kamer der Staten-Generaal ontvangen op 26 februari 2010.

De wens dat het verdrag aan de uitdrukkelijke goedkeuring van de Staten-Generaal wordt onderworpen kan door of namens een van de Kamers of door ten minste vijftien leden van de Eerste Kamer dan wel dertig leden van de Tweede Kamer of door de Gevolmachtigde Ministers van de Nederlandse Antillen onderscheidenlijk van Aruba te kennen worden gegeven uiterlijk op 28 maart 2010.

Overeenkomstig het bepaalde in artikel 2, eerste en tweede lid, en artikel 5, eerste en tweede lid, van de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen, de Raad van State van het Koninkrijk gehoord, heb ik de eer u hierbij ter stilzwijgende goedkeuring over te leggen het op 11 november 2004 te Tokyo totstandgekomen Regionaal Samenwerkingsverdrag inzake de bestrijding van piraterij en gewapende overvallen op zee in Azië (ReCAAP) (Trb. 2009, 80).1

Een toelichtende nota bij dit verdrag treft u eveneens hierbij aan.

De goedkeuring wordt voor het gehele Koninkrijk gevraagd.

Aan de Gouverneurs van de Nederlandse Antillen en van Aruba is verzocht hogergenoemde stukken op 26 februari 2010 over te leggen aan de Staten van de Nederlandse Antillen en de Staten van Aruba.

De Gevolmachtigde Ministers van de Nederlandse Antillen en van Aruba zijn van deze overlegging in kennis gesteld.

De minister van Buitenlandse Zaken,

M. J. M. Verhagen

Toelichtende nota

1. Algemeen

Het Regionale Samenwerkingsverdrag inzake de bestrijding van piraterij en gewapende overvallen op zee in Azië, hierna te noemen «het Verdrag», betreft een tussen in eerste instantie zestien Aziatische landen1 gesloten samenwerkingsverdrag, gericht op het voorkomen en bestrijden van piraterij en gewapende overvallen op zee in het gehele gebied van Zuidoost-Azië. Het op 11 november 2004 te Singapore totstandgekomen Verdrag is voortgekomen uit een toenemend bewustzijn voor en zorg over de toename van gevallen van piraterij en gewapende overvallen op zee, niet in de laatste plaats in het Zuidoost-Aziatische gebied, in het bijzonder in het gebied van de Straat van Malakka. Het Verdrag is ook ingekaderd in verschillende resoluties, zowel van de Verenigde Naties (VN) als van de Internatonale Maritieme Organisatie (IMO), waarin deze zorg wordt uitgesproken en tot samenwerking wordt opgeroepen. Het Verdrag is op 4 september 2006 in werking getreden.

De voornaamste gebieden waar piraterij plaatsvindt zijn de Perzische Golf, de Arabische Zee, de Golf van Aden, de Rode Zee (in het bijzonder het zeegebied voor de kust van Somalië) en Zuidoost-Azië (vooral de Indonesische kustwateren, de Straat van Malakka en de Zuid-Chinese Zee). In Zuidoost-Azië zijn georganiseerde groepen op vrij grote schaal actief, al lijken inmiddels de gezamenlijke inspanningen van de kuststaten ter bestrijding van de piraterij en gewapende overvallen op zee de eerste resultaten op te leveren.

Kwetsbare vaarroutes in het Aziatische zeegebied zijn onder meer de Straat van Hormuz, waar dagelijks 17 miljoen vaten olie in tankers passeren, de Straat van Malakka, één van de belangrijkste scheepvaartroutes voor een groot deel van de energietoevoer naar Japan, Korea en China, en de Golf van Aden, cruciaal voor de energietoevoer naar Europa.

Het onderhavige Verdrag richt zich op samenwerking van de betrokken landen bij het voorkomen en bestrijden van piraterij en gewapende overvallen op zee2, in het bijzonder door het verzamelen, evalueren en uitwisselen van informatie en door het verlenen van onderlinge hulp en bijstand bij de ontwikkeling en uitwisseling van kennis en bij het treffen van op het voorkomen en bestrijden van piraterij en gewapende overvallen op zee gerichte maatregelen en voorzieningen.

De kern van het Verdrag vormt de oprichting van een gemeenschappelijk Informatiecentrum. In dit Informatiecentrum, dat is gevestigd in en gefinancierd door Singapore, wordt vanuit de gehele regio binnenkomende informatie over piraterij en gewapende overvallen op zee verzameld, geëvalueerd en via gerichte berichtgeving verspreid naar de bij het Verdrag betrokken landen en partijen.

Het in eerste instantie door zestien landen in de regio gesloten Verdrag staat open voor toetreding door andere landen, zowel binnen als buiten de regio. Recentelijk heeft ook de Internationale Maritieme Organisatie (IMO) een administratieve overeenkomst met het ReCAAP-samenwerkingsverband gesloten, gericht op informatie-uitwisseling en onderlinge hulp en bijstand.

2. Toetreding door het Koninkrijk

Piraterij en gewapende overvallen op zee vormen een groot punt van zorg in de internationale scheepvaartwereld. In totaal zijn in de periode 1984–2005 bijna 4000 gevallen van piraterij en gewapende overvallen op zee bij de IMO aangemeld. Hoewel piraterij en gewapende overvallen op zee niet in het bijzonder tegen schepen varend onder Koninkrijksvlag zijn gericht1, zijn incidenten als deze mede aanleiding geweest voor een grotere Nederlandse aandacht voor het vraagstuk van bestrijding van piraterij en gewapende overvallen op zee.

In augustus 2006 heeft het kabinet daarom een notitie «Bestrijding piraterij en gewapende overvallen op zee» vastgesteld. Het in deze kabinetsnotitie neergelegde beleid ter bestrijding van piraterij en gewapende overvallen op zee vloeit voort uit het nationaal belang, zowel economisch als strategisch, bij ongestoorde zeescheepvaart en vrije vaart over de wereldzeeën. Het meest direct is hier de maritieme sector van ons land bij betrokken, een sector die een omzet draait van bijna 12 miljard euro, ongeveer 2,9% van het BNP. Het directe belang is de bescherming van de schepen varend onder de vlag van het Koninkrijk. Hoewel het Nederlandse beleid zich in eerste instantie richt op deze vloot, zijn veilige zeeroutes voor alle naties van economisch belang, onder meer vanwege zekerheid in de energievoorziening. Nederland werkt in multilateraal en bilateraal verband nauw met andere landen samen om piraterij en gewapende overvallen op zee te bestrijden. De bestrijding van piraterij en gewapende overvallen op zee raakt aan een centraal ijkpunt van het buitenlands beleid van het Koninkrijk: de bevordering van de internationale rechtsorde. Piraterij belemmert de vrijheid op volle zee. Het Koninkrijk bouwt zo mee aan een veilige en stabiele wereld en zet zich in om conflicten en onrecht te bestrijden.

Toetreding van het Koninkrijk tot het Verdrag sluit daarmee rechtstreeks aan bij de kabinetsnotitie «Bestrijding piraterij en gewapende overvallen op zee», en meer in het bijzonder bij de daarin neergelegde beleidslijn om in internationaal verband aansluiting te zoeken bij regionale samenwerkingsverbanden, mede om bij te dragen aan de ontwikkeling en uitwisseling van kennis in en met de betrokken landen. De ondersteuning die Nederland kan leveren aan de bewustwording en kennis- en capaciteitsopbouw van kuststaten die kampen met piraterij draagt bij aan preventie van piraterij en gewapende overvallen op zee. De aandacht gaat hierbij niet alleen uit naar de Straat van Malakka, maar ook naar andere zeegebieden in Azië, zoals de Indische Oceaan en de Golf van Aden.

Toetreding van het Koninkrijk als vlaggenstaat zal daarnaast een belangrijke signaalfunctie hebben in de richting van andere (vlaggen-)staten buiten het betrokken Aziatische gebied met een direct belang bij de veiligheid van de scheepvaart in dat gebied. Vanuit dezelfde overwegingen hebben andere belangrijke Europese vlaggenstaten als Denemarken en Noorwegen inmiddels eveneens blijk gegeven van hun belangstelling om tot het Verdrag toe te treden.Deze mogelijkheid wordt in artikel 18, vijfde lid, van het Verdrag ook expliciet geboden. Daarbij moet overigens worden onderkend dat niet alle in het Verdrag vastgelegde afspraken onverkort van toepassing (kunnen) zijn op buiten de regio gelegen landen, maar deze onderkenning maakt toetreding van Europese landen geenszins vrijblijvend.

De Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat heeft tijdens haar bezoek aan Singapore in oktober 2007 de problematiek aan de orde gesteld, en heeft daarbij uitgesproken dat het Koninkrijk overweegt om toe te treden tot het onderhavige Verdrag. Deze uitspraak heeft geleid tot waardering van verschillende in de regio gelegen landen. Ook sindsdien is in verschillende internationale verbanden regelmatig veel waardering uitgesproken voor het voornemen van Nederland en dat van de genoemde andere Europese landen, waarbij vooral de belangrijke politieke signaalfunctie van toetreding herhaaldelijk is benadrukt.

Vanzelfsprekend is de problematiek van piraterij en gewapende overvallen op zee een zaak die het gehele Koninkrijk aangaat, reden ook waarom de genoemde notitie «Bestrijding piraterij en gewapende overvallen op zee» indertijd in de Rijksministerraad is behandeld. De uitwerking van de kabinetsnotitie in een zgn. «Draaiboek piraterij» beperkt zich echter vooralsnog tot Nederland, één en ander hangende nadere afspraken over het onderwerp met de Nederlandse Antillen en Aruba. Deze beperking laat overigens onverlet dat Nederland de krachtens het Verdrag verstrekte informatie over piraterij en gewapende overvallen op zee ook ter beschikking zal kunnen stellen van schepen die geregistreerd staan in de Nederlandse Antillen of Aruba.

Artikel 9 van het Verdrag bepaalt dat de bij het Verdrag aangesloten landen een focal point dienen aan te wijzen voor de communicatie met het Informatiecentrum, en de soepele en effectieve communicatie tussen het aangewezen focal point en andere nationaal bevoegde autoriteiten dienen te verzekeren. Voorts dienen zij alles in het werk te stellen om te zorgen dat schepen onder hun vlag – dan wel de betrokken reders en scheepsbeheerders – de betrokken nationale autoriteiten en het Informatiecentrum onmiddellijk informeren over incidenten van piraterij of gewapende overvallen op zee. In het geval dat een bij het Verdrag aangesloten land informatie verkrijgt over een incident van piraterij of een gewapende overval op zee, dan wel over een directe dreiging daarvan, dient deze informatie onverwijld via het nationale focal point aan het Informatiecentrum te worden doorgegeven.

Het ligt in de rede om het Kustwachtcentrum als focal point aan te wijzen. Nu reeds fungeert het Kustwachtcentrum in zijn algemeenheid als loket voor verzoeken om ondersteuning bij gevallen van piraterij of gewapende overvallen op zee, en als aanspreekpunt voor schepen en betrokken rederijen, een en ander in aansluiting op bestaande procedures voor onder meer de melding van misdrijven.

Uit toetreding bij het Verdrag vloeien geen directe financiële verplichtingen voort. Artikel 6 van het Verdrag bepaalt dat het Informatiecentrum wordt gefinancierd door het gastland Singapore en mede uit vrijwillige bijdragen van bij het Verdrag aangesloten landen, internationale organisaties en andere betrokken partijen.

Evenmin noopt het Verdrag Nederland tot specifieke uitvoeringswetgeving. De in het Verdrag vastgelegde afspraken die eventueel tot uitvoeringswetgeving zouden kunnen noodzaken zijn naar hun aard en strekking slechts van toepassing op de betrokken landen in de regio zelf, en niet op buiten de regio gelegen landen zoals Nederland. Voorzover bekend wordt ook in Denemarken en Noorwegen geen aanleiding gezien om de in het Verdrag opgenomen bepalingen in nationale wetgeving uit te werken.

Zo heeft Nederland in onder meer het Wetboek van Strafrecht reeds doeltreffende maatregelen getroffen als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van het Verdrag. En ook de in artikel 9 van het Verdrag neergelegde verplichting, namelijk dat de bij het Verdrag aangesloten landen alles in het werk dienen te stellen om te zorgen dat schepen onder hun vlag de betrokken nationale autoriteiten en het Informatiecentrum onmiddellijk informeren over incidenten van piraterij of gewapende overvallen op zee, behoeft geen specifieke wettelijke bepaling. Mede vanuit het grote belang dat betrokkenen zelf hebben bij dergelijke meldingen en het daaruit te ontwikkelen «dreigingsbeeld», zal het voldoende zijn om de betrokken reders expliciet op de betreffende bepaling te wijzen, onder vermelding van de relevante contactpunten en procedures.

Rond het tijdstip van toetreding zal de Inspectie Verkeer en Waterstaat een officieel bericht aan alle reders doen uitgaan waarin aangegeven wordt dat zij piraterij-incidenten conform de Nederlandse wet- en regelgeving en internationale verdragsverplichtingen moeten melden. Dit bericht aan de reders zal eveneens verstrekt worden aan de Nederlandse vlaggenstaatinspecteurs, zodat zij tijdens inspecties genoemde verplichtingen ook aan boord aan de orde kunnen stellen. Voorts zal via de Dienst der Hydrografie van de Koninklijke Marine een officieel«Bericht aan Zeevarenden» (Notice to Mariners) uitgegeven worden van gelijke inhoud.

3. Het Verdrag

Algemeen

Het Verdrag legt de rechten en verplichtingen van de bij het Verdrag aangesloten landen vast, zowel op het punt van algemene samenwerkingsafspraken als op het punt van meer operationeel gerichte afspraken bij de feitelijke bestrijding van piraterij en gewapende overvallen op zee. Voorts voorziet het Verdrag in de instelling van het Informatiecentrum, in de functies, taken, besturing, bemensing en financiering daarvan, en in de instelling van een Raad van Bestuur bestaande uit vertegenwoordigers van de bij het Verdrag aangesloten landen. Ook gaat het Verdrag in op concrete afspraken en te hanteren procedures voor de onderlinge communicatie, op de onderlinge kennisuitwisseling en verlening van hulp en bijstand, en op de onderlinge uitlevering van personen die zich schuldig hebben gemaakt aan piraterij of gewapende overvallen op zee.

Het Verdrag richt zich primair op het voorkomen en bestrijden van piraterij en gewapende overvallen in de Aziatische zeegebieden. Veel van de uit het Verdrag voortkomende verplichtingen hebben daarmee slechts relatieve betekenis voor Nederland als kuststaat, bijvoorbeeld omdat het Verdrag niet ziet op gevallen van piraterij en gewapende overvallen in het Nederlandse zeegebied, en omdat ons land gezien haar ligging geen directe betrokkenheid zal hebben bij de feitelijke bestrijding van dergelijke incidenten.

De meest relevante verplichtingen die evenwel uit het Verdrag voortvloeien zijn:

• het aanwijzen van een vertegenwoordiger in de Raad van Bestuur van het Informatiecentrum;

• het aanwijzen van een focal point voor de communicatie met het Informatiecentrum en betrokken nationaal bevoegde autoriteiten; het verzekeren van een soepele en effectieve communicatie tussen het aangewezen focal point en andere nationaal bevoegde autoriteiten;

• het zorgen dat schepen onder Koninkrijksvlag -dan wel de betrokken reders of scheepsbeheerders- de betrokken nationale autoriteiten en, voor zover van toepassing, het Informatiecentrum onmiddellijk informeren over incidenten van piraterij of gewapende overvallen op zee;

• het – via het focal point – onverwijld aan het Informatiecentrum doorgeven van verkregen informatie over een incident van piraterij of een gewapende overval op zee, dan wel van informatie over een directe dreiging daarvan;

• het stimuleren van onder de Koninkrijksvlag varende schepen en betrokken reders en beheerders van schepen om beschermende maatregelen tegen piraterij en gewapende overvallen op zee te treffen, één en ander in overeenstemming met internationale bepalingen zoals aanbevelingen ter zake van de IMO.

Daarnaast bevat het Verdrag inspanningsverplichtingen gericht op:

• uitlevering van personen die zich schuldig hebben gemaakt aan piraterij of gewapende overvallen op zee;

• verlening van strafrechtelijke bijstand, zoals het leveren van bewijsmateriaal over piraterij en gewapende overvallen op zee;

• verlening van bijstand in de vorm van uitwisseling van kennis met betrekking tot het voorkomen en bestrijden van piraterij en gewapende overvallen op zee.

Tegenover deze uit het Verdrag voortvloeiende verplichtingen staat dat het Koninkrijk – en daarmee de scheepvaart onder Koninkrijksvlag – door toe te treden tot de Verdrag nadrukkelijk kan profiteren van de informatie over piraterij en gewapende overvallen in het Aziatische zeegebied die door de krachtens het Verdrag getroffen voorzieningen aan bij de Verdrag aangesloten landen ter beschikking wordt gesteld. Dit maakt het Koninkrijk als vlaggenstaat mogelijk om schepen onder haar vlag – en/of de betrokken reders – tijdig en pro-actief te informeren over risicovolle gebieden en concrete dreigingen van piraterij of gewapende overvallen op zee.

In meer concrete zin zal het Koninkrijk na toetreding tot het Verdrag gebruik kunnen maken van de volgende diensten van het Informatiecentrum:

• informatievoorziening over en analyses van incidenten op het punt van piraterij en gewapende overvallen op zee, dan wel over de dreiging van dergelijke incidenten;

• directe alarmering indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat een daad van piraterij of een gewapende overval op zee ophanden is;

• informatie- en communicatiekanaal bij concrete incidenten en ten behoeve van verzoeken om onderlinge hulp en bijstand.

Daarnaast kan ook het Koninkrijk in voorkomende gevallen gebruikmaken van de diverse onderlinge verplichtingen die de bij het Verdrag aangesloten landen jegens elkaar aangaan.

Artikelgewijs

Artikel 1: definities

Dit artikel geeft definities voor de begrippen «piraterij» en «gewapende overvallen op zee». Deze definities sluiten aan bij de internationaal (VN, IMO) gebruikelijke definities voor deze begrippen.

Artikel 2: algemene bepalingen

Dit artikel omvat in zijn algemeenheid de verplichting om uitvoering te geven aan de in het Verdrag neergelegde afspraken. Het artikel omvat verder een aantal algemene (uitzonderings-)bepalingen in overeenstemming met algemene soevereiniteitsbeginselen en met het VN-Zeerechtverdrag.

Artikel 3: algemene verplichtingen

Dit artikel omvat de algemene verplichting voor bij het Verdrag aangesloten landen om effectieve maatregelen te treffen teneinde:

• piraterij en gewapende overvallen op zee te voorkomen en terug te dringen;

• piraten of personen die gewapende overvallen op zee hebben gepleegd aan te houden;

• schepen of vliegtuigen gebruikt voor piraterij of gewapende overvallen op zee, en schepen die het slachtoffer zijn van piraterij of een gewapende overval op zee, aan te houden en in beslag te nemen;

• schepen en personen die het slachtoffer zijn van piraterij of gewapende overvallen op zee te redden.

Onderhavig artikel verplicht verdragspartijen niet tot het specifiek strafbaarstellen van de gedraging piraterij en gewapende overvallen op zee. Het verplicht meer in het algemeen tot het nemen van doeltreffende maatregelen teneinde piraterij en gewapende overvallen op zee te voorkomen en te bestrijden.

Nederland kent voor het misdrijf piraterij een specifieke strafbaarstelling in artikel 381 Sr. Ten aanzien van gewapende overvallen op zee kan de strafbaarstelling worden gevonden in diverse commune strafbepalingen die in hun onderlinge samenhang overeenkomen met het materiële bereik van de gedraging gewapende overvallen op zee. Hierbij kan worden gewezen op de artikelen 310 (diefstal), 311 (gekwalificeerde diefstal), 312 (diefstal met geweldpleging), 383 (uitrusten van een vaartuig met bestemming tot geweldpleging), 384 (medewerking aan verhuur etc. van voor geweldpleging bestemd vaartuig), 385 (vaartuig in macht van zeerovers brengen), 385a (kaping) en 385b (geweld aan boord van een vaartuig).

Artikelen 4 t/m 8: Informatiecentrum

Artikel 4 voorziet in de instelling van het Informatiecentrum te Singapore en in de instelling van een bijbehorende Raad van Bestuur en een Secretariaat. De Raad van Bestuur bestaat uit vertegenwoordigers van alle bij het Verdrag aangesloten landen, en is belast met de bepaling en vaststelling van het algemene beleid met betrekking tot het Informatiecentrum.

Het Secretariaat staat onder leiding van een Directeur en is verantwoordelijk voor de dagelijkse administratieve, operationele en financiële gang van zaken met betrekking tot het Informatiecentrum.

Artikel 5 regelt de internationaalrechtelijke aspecten van het Informatiecentrum, zoals de privileges en immuniteiten van de – uit diverse aangesloten landen gerekruteerde – medewerkers van het centrum.

Artikel 6 bepaalt dat het Informatiecentrum wordt gefinancierd door het gastland Singapore en mede uit vrijwillige bijdragen van bij het Verdrag aangesloten landen, internationale organisaties en andere betrokken partijen. Het artikel regelt voorts het toezicht op het financieel beheer via een jaarlijkse externe accountantscontrole.

Artikel 7 specificeert de verschillende functies van het Informatiecentrum. Dit zijn:

• het beheren en onderhouden van informatiestromen rond piraterij en gewapende overvallen op zee tussen de bij het Verdrag aangesloten landen;

• het verzamelen, verwerken en analyseren van informatie met betrekking tot piraterij en gewapende overvallen op zee, met inbegrip van informatie over personen en criminele organisaties die als dader betrokken zijn bij piraterij of gewapende overvallen op zee;

• het verzorgen van statistieken en rapportages op basis van de verzamelde informatie; het verspreiden daarvan over de bij het Verdrag aangesloten landen;

• het alarmeren van de bij het Verdrag aangesloten landen indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat een daad van piraterij of een gewapende overval op zee ophanden is;

• het voorzien in een informatie- en communicatiekanaal bij verzoeken van bij het Verdrag aangesloten landen om onderlinge hulp en bijstand;

• het verzorgen van niet-vertrouwelijke statistieken en rapporten en verspreiding daarvan aan de scheepvaartsector en de IMO;

• het vervullen van andere door de Raad van Bestuur bepaalde functies gericht op het voorkomen en bestrijden van piraterij en gewapende roofovervallen op zee.

Artikel 8 bevat enige nadere bepalingen over de wijze van opereren van het Informatiecentrum, zoals over de vertrouwelijkheid van informatie en over effectiviteit en transparantie in de operationele werkzaamheden.

Artikel 9: informatie-uitwisseling

Dit artikel bepaalt in de eerste plaats dat de bij het Verdrag aangesloten landen een focal point dienen aan te wijzen voor de communicatie met het Informatiecentrum. Het bepaalt verder dat de bij het Verdrag aangesloten landen de soepele en effectieve communicatie tussen het aangewezen focal point en andere nationaal bevoegde autoriteiten, waaronder reddingscoördinatiecentra, dienen te verzekeren. Voorts dienen bij het Verdrag aangesloten landen alles in het werk te stellen om te zorgen dat schepen onder hun vlag – dan wel de betrokken reders en scheepsbeheerders – de betrokken nationale autoriteiten en, voor zover van toepassing, het Informatiecentrum onmiddellijk informeren over incidenten van piraterij of gewapende overvallen op zee.

In het geval dat een bij het Verdrag aangesloten land informatie verkrijgt over een incident van piraterij of een gewapende overval op zee, dan wel informatie over een directe dreiging daarvan, dient deze informatie onverwijld via het nationale focal point aan het Informatiecentrum te worden doorgegeven. In het geval dat een bij het Verdrag aangesloten land door het Informatiecentrum wordt gealarmeerd dat redelijkerwijs kan worden aangenomen dat een daad van piraterij of een gewapende overval op zee ophanden is, dient dat land zorg te dragen voor de informatie van de schepen in het gebied waar de concrete dreiging speelt. Daarbij zij tevens verwezen naar de laatste alinea onder 2.

Artikelen 10 en 11: feitelijke samenwerking

Artikel 10 regelt hoe de bij het Verdrag aangesloten landen in een concreet geval van piraterij of een gewapende overval op zee een verzoek tot samenwerking bij een ander aangesloten land kunnen doen, gericht op het aanhouden van betrokken personen of schepen, dan wel gericht op het redden van personen of schepen die het slachtoffer zijn van het betreffende incident. Artikel 11 bepaalt hoe een bij het Verdrag betrokken land dat een dergelijk verzoek ontvangt hierop dient te reageren.

Artikel 12: uitlevering

Dit artikel bepaalt dat de bij het Verdrag aangesloten landen zich, met inachtneming van hun nationale wet- en regelgeving, zullen inspannen om daders van piraterij of gewapende overvallen op zee die zich op hun grondgebied bevinden desgevraagd aan een ander bij het Verdrag aangesloten land uit te leveren.

Artikel 13: onderlinge strafrechtelijke bijstand

Dit artikel bepaalt dat de bij het Verdrag aangesloten landen zich, met inachtneming van hun nationale wet- en regelgeving, zullen inspannen om op verzoek van een ander bij het Verdrag aangesloten land strafrechtelijke bijstand te verlenen, zoals het leveren van bewijsmateriaal over piraterij en gewapende overvallen op zee.

Artikel 14: kennisuitwisseling

Dit artikel bepaalt dat de bij het Verdrag aangesloten landen zich zullen inspannen om elkaar desgevraagd bij te staan bij het opbouwen, ontwikkelen en uitwisselen van kennis ter voorkoming en bestrijding van piraterij en gewapende overvallen op zee. Ook het Informatiecentrum heeft hierin een rol.

Artikel 15: samenwerkingsregelingen

De bij het Verdrag aangesloten landen kunnen onderlinge afspraken maken over nadere onderlinge samenwerking, bijvoorbeeld het houden van gezamenlijke oefeningen.

Artikel 16: beschermende maatregelen voor schepen

Dit artikel verplicht de bij het Verdrag aangesloten landen om onder hun vlag varende schepen en betrokken reders en beheerders van schepen te stimuleren om beschermende maatregelen tegen piraterij en gewapende overvallen op zee te treffen, één en ander in overeenstemming met internationale bepalingen zoals aanbevelingen ter zake van de IMO.

Artikel 17: beslechting van geschillen

Dit artikel bepaalt dat geschillen over de interpretatie of toepassing van het Verdrag tussen de bij het geschil betrokken landen zullen worden beslecht door middel van vriendschappelijke onderhandelingen en in overeenstemming met toepasselijk internationaal recht.

Artikel 18: ondertekening en inwerkingtreding

In dit artikel zijn de initiële zestien bij het Verdrag aangesloten landen opgenomen, en wordt Singapore aangewezen als depositaris van het Verdrag. Voorts regelt dit artikel de wijze van inwerkingtreding van het Verdrag.

Het vijfde lid van dit artikel regelt de toetreding van andere landen. Landen die tot het Verdrag willen toetreden dienen dit kenbaar te maken bij de depositaris, die op haar beurt zorg draagt voor het informeren van alle andere bij het Verdrag aangesloten landen. Indien er niet binnen 90 dagen schriftelijke bezwaren worden ingebracht is de kandidaat-lidstaat gerechtigd om een akte van toetreding bij de depositaris neder te leggen, om vervolgens 60 dagen daarna partij bij het Verdrag te worden.

Artikelen 19 en 20: wijziging en opzegging van het Verdrag

Wijzigingen van het Verdrag kunnen door partijen bij het Verdrag worden voorgesteld. Zij behoeven de instemming van alle bij het Verdrag aangesloten landen, en treden in werking 90 dagen nadat van die instemming is gebleken.

Partijen kunnen het Verdrag te allen tijde opzeggen. Opzeggingen worden van kracht 180 dagen na een notificatie van opzegging.

4. Koninkrijkspositie

De Regeringen van de Nederlandse Antillen en Aruba beraden zich nog op de wenselijkheid van medegelding van het Verdrag voor hun land. Teneinde het mogelijk te maken dat, wanneer de Regering van de Nederlandse Antillen en/of Aruba medegelding wenselijk acht, die medegelding direct tot stand kan worden gebracht, wordt de goedkeuring van het Verdrag voor het gehele Koninkrijk gevraagd.

Het is de bedoeling dat na de staatkundige hervorming, waarbij Bonaire, Sint Eustatius en Saba zich aansluiten bij Nederland, het Verdrag op die eilanden van toepassing wordt. Voor deze toepassing dient de desbetreffende regelgeving voor de BES-eilanden nog te worden opgesteld.

De staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat,

J. C. Huizinga-Heringa

De minister van Buitenlandse Zaken,

M. J. M. Verhagen


XNoot
1

Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer.

XNoot
1

Bangladesh, Brunei, Cambodja, China, Filipijnen, India, Indonesië, Japan, Laos, Maleisië, Myanmar, Singapore, Sri Lanka, Thailand, Vietnam en Zuid-Korea.

XNoot
2

Bij zowel piraterij als gewapende overvallen op zee gaat het om wederrechtelijke geweldsdaden, vrijheidsberoving of diefstal, of het dreigen daarmee, gericht tegen een schip of tegen personen of goederen aan boord daarvan. Binnen de systematiek van het Zeerechtverdrag van de Verenigde Naties (UNCLOS) wordt gesproken over piraterij wanneer genoemde criminele activiteiten worden uitgevoerd op volle zee, en over gewapende overvallen op zee wanneer de activiteiten plaatsvinden in gebieden vallend onder de jurisdictie van een staat (veelal de territoriale wateren).

XNoot
1

Sinds 1993 zijn 55 schepen varend onder de vlag van het Koninkrijk het doelwit van piraten geweest. De onder de vlag van het Koninkrijk varende vloot bestaat uit ongeveer 1100 schepen. Daarvan opereren schepen in nichemarkten, waarin Nederlandse vervoerders actief zijn (zware lading en berging). Vanwege de lage bouw en lage snelheid van deze schepen zijn zij extra gevoelig voor piraterij en gewapende overvallen.

Naar boven