Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2016-201732317 nr. 483

32 317 JBZ-Raad

Nr. 483 BRIEF VAN DE MINISTER VAN VEILIGHEID EN JUSTITIE

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 17 augustus 2017

Hierbij informeer ik u over het advies van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 26 juli 2017 ten aanzien van de voorgenomen overeenkomst tussen de Europese Unie en Canada betreffende de doorgifte van persoonsgegevens van passagiers door luchtvaartmaatschappijen. Het betreft hier de zogenaamde PNR-data (Passenger Name Records). Mijn ambtsvoorganger heeft in antwoord op Kamervragen in oktober 2016 toegezegd uw Kamer op de hoogte te zullen houden van de uitspraak van het Hof en een reactie te zullen sturen nadat de Europese Commissie en het Europees Parlement het advies hebben beoordeeld (Aanhangsel Handelingen II 2016/17, nr. 102).

De PNR-overeenkomst tussen de EU en Canada is ondertekend in 2014, waarna de Raad van de Europese Unie de goedkeuring heeft gevraagd van het Europees Parlement. Het Parlement heeft toen besloten om zich tot het Hof te wenden met de vraag of de voorgenomen overeenkomst verenigbaar is met het recht van de Unie. Het Parlement heeft onder meer gevraagd of, ondanks de in de overeenkomst neergelegde waarborgen, de inmenging in het grondrecht op bescherming van persoonsgegevens gerechtvaardigd is. Het inwinnen van het advies van het Hof van Justitie is gebaseerd op artikel 218, elfde lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU). Het advies is bindend.

De conclusie van het Hof is dat de PNR-overeenkomst niet in de huidige vorm mag worden afgesloten, omdat verschillende bepalingen ervan onverenigbaar zijn met de door de Unie erkende grondrechten (eerbiediging van het privéleven en bescherming van persoonsgegevens). Volgens het Hof is het weliswaar in wezen toegestaan om stelselmatig alle gegevens van passagiers door te geven, te bewaren en te gebruiken, maar verschillende bepalingen van de ontwerpovereenkomst beantwoorden niet aan de vereisten die voortvloeien uit de grondrechten van de Unie. Het advies van het Hof van Justitie voeg ik bij deze brief, evenals een persbericht van het Hof waarin het advies is samengevat1.

Op grond van artikel 218, elfde lid, VWEU heeft een afwijzend advies tot gevolg dat de voorgenomen overeenkomst niet in werking kan treden. Het Europees Parlement kan de voorgelegde tekst van de overeenkomst niet goedkeuren. Het initiatief om verdere stappen te nemen ligt nu bij de Europese Commissie, als onderhandelaar namens de EU. Inmiddels heeft de Europese Commissaris voor Veiligheidsunie Julian King in een openbare verklaring laten weten dat de Commissie het advies en de mogelijke gevolgen hiervan nauwkeurig analyseert. Verder staat de Commissie klaar om in overleg te treden met Canada om na te gaan hoe in de voorgenomen overeenkomst aan de bezwaren van het Hof van Justitie kan worden tegemoet gekomen. Ook merkt de Commissie op dat uitwisseling van informatie, waaronder PNR, cruciaal is voor de veiligheid van de burgers en dat zij zal doen wat nodig is om te verzekeren dat de uitwisseling kan worden voortgezet overeenkomstig het advies van het Hof, waarbij de grondrechten volledig worden gerespecteerd, in het bijzonder het recht op bescherming van persoonsgegevens. De verklaring van de Commissaris voeg ik eveneens bij deze brief2.

De uitwisseling van PNR-gegevens met Canada zal worden voortgezet op basis van de huidige afspraken.

De Minister van Veiligheid en Justitie, S.A. Blok


X Noot
1

Raadpleegbaar via www.tweedekamer.nl

X Noot
2

Raadpleegbaar via www.tweedekamer.nl