32 317 JBZ-Raad

Nr. 314 BRIEF VAN DE MINISTER VAN VEILIGHEID EN JUSTITIE

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 9 juli 2015

In aanvulling op de geannoteerde agenda voor de komende informele JBZ-Raad, die u op 25 juni jl. toeging, bericht ik u graag nader over de vragen die in relatie tot het agendapunt EOM aan de orde zullen komen.

Het Voorzitterschap heeft inmiddels een kort discussiestuk onder de lidstaten verspreid onder de titel Judicial control and cross-border measures in the Regulation on the establishment of the European Public Prosecutor’s Office. Uit dit discussiestuk blijkt dat het Voorzitterschap twee vragen aan de orde wil stellen: de eerste vraag is of in geval van grensoverschrijdende samenwerking binnen het EOM een enkele rechterlijke machtiging voor het uitvoeren van een onderzoeksmaatregel zou moeten volstaan, de tweede vraag is of het Hof van Justitie in Luxemburg al dan niet een rol zou moeten toekomen bij het toetsen van procedurele maatregelen waartoe het EOM in individuele strafzaken besluit.

Ten aanzien van de eerste vraag gaat Nederland ervan uit dat bij toepassing van onderzoeksmaatregelen het nationale recht bepalend is. Dit uitgangspunt geldt ook in het geval van een grensoverschrijdend onderzoek van het EOM. Onder een grensoverschrijdend onderzoek wordt in dit verband verstaan dat in lidstaat A het onderzoek loopt en dat in lidstaat B een onderzoeksmaatregel moet worden toegepast. Dat betekent dat al naar gelang de voorschriften in het nationale recht van de betrokken lidstaten dat de rechterlijke instanties in beide lidstaten bij de tenuitvoerlegging van grensoverschrijdende onderzoeksmaatregelen betrokken worden. De gedachte daarbij is dat dit zou kunnen leiden tot dubbele rechterlijke controles, waarbij een enkele controle voldoende wordt geacht. Als de overgrote meerderheid van lidstaten zich op het standpunt zou stellen dat een enkele controle voor een grensoverschrijdend onderzoek zou dienen te volstaan, zou Nederland dat eventueel kunnen aanvaarden, mits die rechterlijke controle dan zou worden uitgevoerd in de lidstaat waar de onderzoeksmaatregel ten uitvoer moet worden gelegd. Dat laat voor Nederland onverlet dat de rechter die de zaak uiteindelijk zal berechten geheel vrij is in zijn naar nationaal recht geldende bevoegdheid tot toetsing van alle aspecten van de zaak, dat met inbegrip van de onderzoeksmaatregelen die in zijn eigen of in een andere lidstaat zijn uitgevoerd.

Ten aanzien van de tweede vraag wil Nederland dat de rechterlijke controle op beslissingen die verband houden met individuele strafrechtelijke onderzoeken van het EOM wordt uitgevoerd door de nationale rechters, in het bijzonder de rechter van de lidstaat waar het onderzoek loopt. Het doet er daarbij niet toe wie binnen het EOM de beslissing heeft genomen. Tegen de mogelijkheid van controle door het Hof van Justitie pleit dat de rechterlijke controle op nationaal niveau mogelijk is, deze controle direct verband houdt met toepassing van nationaal strafrecht en controle door het Hof van Justitie het Hof ertoe zou noodzaken nationaal recht te gaan toepassen.

De Minister van Veiligheid en Justitie, G.A. van der Steur

Naar boven