32 317 JBZ-Raad

Nr. 22 BRIEF VAN DE MINISTER VAN JUSTITIE EN VAN BINNENLANDSE ZAKEN EN KONINKRIJKSRELATIES

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 27 september 2010

Hierbij bied ik u aan de geannoteerde agenda van de bijeenkomst van het Gemengd Comité en de Raad Justitie en Binnenlandse Zaken van 7-8 oktober a.s.

De vermoedelijke hoofdpunten van bespreking zullen zijn:

  • Een gemeenschappelijk Europees asielstelsel (agendapunt 5 van de Raad);

  • Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad ter bestrijding van seksueel misbruik, seksuele uitbuiting van kinderen en kinderpornografie, en tot intrekking van Kaderbesluit 2004/68/JBZ (agendapunt 7 van de Raad);

  • Mededeling van de Commissie over het verzamelen en behandelen van passagiersgegevens (agendapunt 14 van de Raad).

De minister van Justitie,

Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,

E. M. H. Hirsch Ballin

Geannoteerde agenda van de bijeenkomst van het Gemengd Comité en de Raad Justitie en Binnenlandse Zaken, 7–8 oktober 2010 te Luxemburg

Gemengd Comité

1. Goedkeuring van de agenda

2. VIS– stand van zaken

Naar verwachting zal de Europese Commissie de stand van zaken presenteren inzake de implementatie van het Visum Informatiesysteem (VIS), waaronder een bijgestelde planning. Het VIS is het systeem dat ontwikkeld wordt door de Europese Commissie conform de VIS-verordening en het Raadsbesluit1en beoogt via de uitwisseling van visa-informatie tussen lidstaten:

  • de uitvoering van het gemeenschappelijk visumbeleid te verbeteren;

  • visumshopping tegen te gaan;

  • fraude te bestrijden;

  • de (buiten)grenscontrole te verbeteren;

  • personen te identificeren die niet (langer) voldoen aan de voorwaarden voor binnenkomst, verblijf of vestiging;

  • bij te dragen aan het voorkomen van bedreigingen van de interne veiligheid.

Het kabinet vindt het spijtig dat het project wederom is vertraagd; de Commissie verwacht een vertraging tot eind juni 2011 voor het gereed komen van het centrale systeem. Eerder werd verwacht dat de uitrol eind 2010 plaats zou vinden. Nog steeds is voorzien dat de uitrol regionaal gefaseerd plaatsvindt, te beginnen in Noord-Afrika. De voorbereidingen in Nederland met betrekking tot de implementatie van het VIS lopen op schema.

3. (evt.) Wijziging van Verordening (EG) nr. 539/2001 tot vaststelling van de lijst van derde landen waarvan de onderdanen bij overschrijding van de buitengrenzen in het bezit moeten zijn van een visum en de lijst van derde landen waarvan de onderdanen van deze plicht zijn vrijgesteld

Tijdens de bijeenkomst van de Raad van 30 november – 1 december 2009 is over dit onderwerp gesproken. Toen verwelkomde de Raad de door de Commissie voorgestelde visumvrijstelling voor onderdanen van de Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië (FYROM), Servië en Montenegro. Dit werd gezien als een belangrijke stap in de betrekkingen met de Westelijke Balkan ten behoeve van stabiliteit in de regio, verdere integratie, versterkte mobiliteit en people-to-people contacten. De hoop werd uitgesproken dat ook Albanië en Bosnië-Herzegovina zo spoedig mogelijk aan de voorwaarden voor visumvrijstelling zullen voldoen.

Het is nog onbekend op welke wijze de genoemde verordening zal worden behandeld, maar het is mogelijk dat de Commissie tijdens deze bijeenkomst van de Raad met een voorstel komt voor de visumvrijstelling van Albanië en Bosnië-Herzegovina. Als naar het oordeel van de Commissie aan de voorwaarden voor visumvrijstelling is voldaan, zou het kabinet daarmee kunnen instemmen.

4. SIS II– stand van zaken= debat– algemene planning– begrotingsraming voor SIS II= debat en bevestiging

Het Gemengd Comité en de Raad zullen de stand van zaken met betrekking tot het Schengen Informatie Systeem II (SIS II) bespreken. Hierbij zal de geactualiseerde begroting van het SIS II op basis van het in september 2010 nieuw afgesloten contract met de leverancier aan de orde worden gesteld. 

Uit een door de Commissie verstrekt document (non-paper) blijkt dat het nieuwe contract om SIS II af te maken duurder uitvalt dan medio 2009 was geraamd, met name door extra investeringen in hardware. De extra kosten komen volledig ten laste van het Commissie-budget en blijven binnen de budget-enveloppe die de Commissie beschikbaar heeft.

De eerder aangegeven opleverdatum van SIS II (eerste kwartaal 2013) blijft gehandhaafd. 

5. Diversen

Er zijn nog geen onderwerpen voor dit agendapunt gemeld.

Raad

1. Goedkeuring van de agenda

Wetgevende besprekingen

2. Goedkeuring van de A-puntenlijst

3. Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de voorwaarden voor toegang en verblijf van onderdanen van derde landen in het kader van een overplaatsing binnen een onderneming– presentatie door de Commissie

De Commissie heeft op 13 juli 2010 een voorstel gepresenteerd voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de voorwaarden voor toegang en verblijf van onderdanen van derde landen in het kader van een overplaatsing binnen een onderneming. Het kabinet heeft zijn standpunt ten aanzien van dit fiche recent, zoals gebruikelijk, in een BNC-fiche neergelegd. Hieronder treft u daarvan een beknopte samenvatting aan.

Het voorstel heeft ten doel de overdracht van deskundigheid binnen een onderneming te vergemakkelijken ter versterking van het concurrentievermogen van de EU-arbeidsmarkt en -economie. Hiertoe wordt het voor het personeel (managers en specialisten) van buiten de EU dat werkzaam is voor een vestiging buiten de EU van een onderneming makkelijker gemaakt om voor diezelfde onderneming tijdelijk bij een vestiging binnen de EU te worden gedetacheerd. De belangrijkste elementen van het voorstel zijn:

  • gemeenschappelijke EU-regels voor procedure voor binnenkomst (binnen 30 dagen);

  • aantrekkelijke voorwaarden voor tijdelijk verblijf voor de werknemer en de gezinsleden;

  • grotere mobiliteit binnen de EU door het inzetten van managers en specialisten in verschillende EU-filialen en -ondernemingen.

Het kabinet steunt het voorstel, omdat het goed past in het Nederlandse beleid om meer hooggekwalificeerde arbeids- en kennismigranten aan te trekken en de intra-EU mobiliteit voor hen te vergroten. Het kabinet meent dat het voorstel kan bijdragen aan het concurrentievermogen en de economische vitaliteit en dat een flexibel immigratiebeleid een belangrijke bijdrage kan leveren aan de economische ontwikkeling en prestaties van Nederland en van de EU op lange termijn.

Dit voorstel is ten opzichte van de EU Blauwe Kaartrichtlijn op het punt van intra-EU mobiliteit ambitieuzer. Het kabinet beoordeelt dit positief en zal zich in de onderhandelingen voor dit punt hard blijven maken. Immers, juist in deze intra EU-mobiliteit laat het voorstel zijn meerwaarde zien voor de internationale concerns in de EU als geheel en in Nederland, waar relatief veel internationale concerns zijn gevestigd, in het bijzonder.

4. Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de voorwaarden voor toegang en verblijf van onderdanen van derde landen met het oog op seizoenarbeid– presentatie door de Commissie

De Commissie heeft op 13 juli 2010 een voorstel gepresenteerd voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de voorwaarden voor toegang en verblijf van onderdanen van derde landen met het oog op seizoenarbeid. Het kabinet heeft zijn standpunt ten aanzien van dit fiche recent, zoals gebruikelijk, in een BNC-fiche neergelegd en heeft inmiddels kennisgenomen van het door de Tweede Kamer hierop gelegde parlementaire voorbehoud. Hieronder treft u daarvan een beknopte samenvatting aan.

Het voorstel regelt een meer uniforme toelatingsprocedure voor toelating en verblijf van seizoensarbeiders van buiten de EU en bevat bepalingen die uitbuiting moeten tegengaan. Afzonderlijke tewerkstellingsvergunningen voor deze categorie worden afgeschaft. Lidstaten houden wel de mogelijkheid om via een quotum of arbeidsmarkttoets zelf het aantal toe te laten seizoensarbeiders uit derde landen te bepalen.

In de richtlijn worden de EU-criteria en -voorwaarden voor toegang en verblijf van seizoensarbeiders vastgelegd. De Europese Commissie stelt dat dit voorstel nodig is omdat er een constante vraag is naar seizoensarbeiders, bijvoorbeeld in de sectoren landbouw en toerisme. De richtlijn moet illegale migratie tegengaan en seizoensarbeiders uit derde landen bescherming geven tegen uitbuiting. De belangrijkste elementen in het voorstel zijn:

  • EU-toelatingscriteria en -voorwaarden, bijvoorbeeld dat er een arbeidsovereenkomst is waarin een salaris wordt opgenomen en dat de werkgever moet aantonen dat er passende huisvesting is;

  • het verblijf van seizoensarbeiders beperken tot maximaal 26 weken per kalenderjaar; daarnaast verplicht de richtlijn tot invoering van een multi-entry vergunning, waarmee de houder maximaal drie opeenvolgende jaren seizoenswerk mag verrichten, of een vereenvoudigde toelatingsprocedure voor seizoenswerkers die eerder zijn toegelaten;

  • speciale toelatingsprocedure van maximaal 30 dagen, waarbij geen aparte tewerkstellingsvergunning nodig is;

  • rechten op onder meer het gebied van adequate huisvesting en arbeidsvoorwaarden.

Het Nederlandse belang bij dit voorstel is beperkt, aangezien Nederland voor laaggeschoolde arbeidsmigratie (seizoensmigratie inbegrepen) een restrictief beleid voert. Voorts heeft het kabinet zorgen over de handhaafbaarheid van dit voorstel. Door het wegvallen van de tewerkstellingsvergunningsplicht en het verbod op extra documenten als bewijs dat de betrokkene is toegelaten tot de arbeidsmarkt, verliest de Arbeidsinspectie een belangrijk instrument in de strijd tegen illegale tewerkstelling en bestrijding van uitbuiting. Evenals in het voorstel voor de richtlijn inzake één toelatingsprocedure voor één gecombineerde vergunning, is het voor Nederland van essentieel belang dat de bijlage bij de verblijfsvergunning met daarop arbeidsgegevens wordt toegestaan. Aangezien op een visum geen arbeidsgegevens kunnen worden geplaatst is handhaving van de tewerkstellingsvergunningsplicht bij arbeid korter dan drie maanden van groot belang. Ook vindt het kabinet de voorgestelde maximale duur van het seizoenswerk (26 weken per kalenderjaar) te lang, omdat deze kan leiden tot WW-aanspraken. Het kabinet wil derhalve deze termijn zodanig aanpassen dat de in de Wet modern migratiebeleid opgenomen termijn voor seizoensarbeid (24 weken binnen 38 weken) mogelijk blijft.

5. Een gemeenschappelijk Europees asielstelsel– stand van zaken

Het Voorzitterschap heeft binnen het Gemeenschappelijk Europees Asielstelsel (GEAS) een aantal onderwerpen geprioriteerd, namelijk aanpassing van de Eurodac-verordening, de Dublin-verordening, de Kwalificatierichtlijn en de richtlijn Langdurig Ingezetenen. De andere dossiers die momenteel in onderhandeling zijn, te weten de Procedurerichtlijn en de Opvangrichtlijn, genieten geen prioriteit onder het Belgisch Voorzitterschap.

Om ook vooruitgang te boeken in de onderhandelingen over de laatstgenoemde onderwerpen is door het Voorzitterschap op 13–14 september jl. een conferentie georganiseerd over kwaliteit en efficiëntie van asielprocedures. Hier is met name gesproken over de verhouding tussen wetgevende instrumenten en praktische samenwerking en is uitvoerig stilgestaan bij de rol die EASO («European Asylum Support Office») hierin kan vervullen.

Het kabinet is van mening, en heeft op de conferentie uitgedragen, dat de kwaliteit en efficiëntie van asielprocedures van groot belang is, maar dat niet alles op detailniveau in wetgeving hoeft te worden vastgelegd. Nederland heeft uiteengezet hoe de nieuwe asielprocedure en het stelsel waarbij in één procedure alle gronden van bescherming worden getoetst, bijdraagt aan kwaliteit en efficiëntie. Om de praktijk in lidstaten nader tot elkaar te brengen is praktische samenwerking en het delen van ervaringen nodig. Het EASO kan hier een grote rol in spelen en zou zich prioritair moeten richten op het organiseren van «Asylum Support Teams», het verzamelen en analyseren van informatie over landen van herkomst en het verder ontwikkelen en uitrollen van het asielcurriculum.

6. (evt.) Wijziging van Verordening (EG) nr. 539/2001 tot vaststelling van de lijst van derde landen waarvan de onderdanen bij overschrijding van de buitengrenzen in het bezit moeten zijn van een visum en de lijst van derde landen waarvan de onderdanen van deze plicht zijn vrijgesteld– aanneming

Dit is hetzelfde onderwerp als GC3. Zie de daar opgenomen annotatie.

7. (evt.) Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad ter bestrijding van seksueel misbruik, seksuele uitbuiting van kinderen en kinderpornografie, en tot intrekking van Kaderbesluit 2004/68/JBZ– oriënterend debat

Tijdens deze bijeenkomst van de Raad zal een oriënterend debat plaatsvinden over het bovenstaande voorstel.

Het voorstel vervangt het kaderbesluit uit 2004 (2004/68/JBZ) door een richtlijn met een ruimere strekking. De Commissie brengt met deze richtlijn het beschermingsniveau binnen de EU in overeenstemming met de in het Verdrag van Lanzarote neergelegde internationale rechtsnorm voor de bescherming van kinderen tegen seksueel misbruik en seksuele uitbuiting. Zo wordt voorgesteld de definitie van kinderpornografie in overeenstemming te brengen met het Verdrag van Lanzarote. Ook wordt voorgesteld het nieuwe misdrijf «grooming» (online kinderlokken) in de richtlijn op te nemen, waarbij de formulering die in het Verdrag van Lanzarote is overeen- gekomen, zoveel mogelijk wordt overgenomen.

Het voorstel heeft op een aantal punten materiële meerwaarde ten opzichte van het Verdrag van Lanzarote. Die meerwaarde wordt onder andere gevonden in de verdere harmonisatie van straffen en verdergaande extraterritoriale rechtsmacht. Voorts beoogt het voorstel te voorzien in doorwerking binnen de EU van ontzettingen uit het beroep die verband houden met veroordelingen voor zedenmisdrijven. Ten slotte worden maatregelen voorgesteld op het terrein van het filtreren en blokkeren van kinderpornografie op het internet.

Het kabinet verwelkomt het voorliggende voorstel voor een richtlijn in zijn algemeenheid. De bestrijding van seksuele uitbuiting en seksueel misbruik van kinderen, in het bijzonder kinderpornografie en kinderprostitutie, behoeft een krachtige internationale aanpak. Iedere zinvolle inspanning om de internationale samenwerking te intensiveren en verder te verbeteren, wordt door Nederland toegejuicht.

Het voorstel sluit goed aan bij het in Nederland geldende beleid van een krachtige aanpak van seksuele uitbuiting en seksueel misbruik van kinderen.

8. Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende het recht op informatie in strafprocedures– presentatie door de Commissie

Tijdens de bijeenkomst van de Raad zal de Commissie het bovenstaande voorstel – dat op 20 juli jl. is ingediend – presenteren. Het kabinet heeft zijn standpunt ten aanzien van dit fiche recent, zoals gebruikelijk, in een BNC-fiche neergelegd. Hieronder treft u daarvan een beknopte samenvatting aan.

Het voorstel beoogt minimumregels vast te stellen met betrekking tot het recht van de verdachte geïnformeerd te worden over een aantal essentiële strafprocessuele rechten die hem toekomen (zoals het recht op bijstand door een raadsman en het recht op vertolking) alsmede het recht om geïnformeerd te worden over de zaak die tegen hem loopt (het feit waarvan hij wordt verdacht en toegang tot processtukken). Het voorstel maakt deel uit van een reeks voorstellen die beogen de bestaande (in EVRM en Handvest gewaarborgde) rechten van verdachten te versterken. Deze voorstellen zijn aangekondigd in de routekaart inzake procedurele rechten van verdachten (PbEU 2009, C 295). De richtlijn inzake het recht op vertolking en vertaling is de eerste maatregel uit de routekaart, de voorliggende richtlijn betreft de tweede maatregel. Hierna volgen er nog vier.

Het kabinet staat in zijn algemeenheid positief tegenover het voorstel. Het voorstel kan bijdragen aan het bevorderen van een gelijkwaardig niveau van rechtsbescherming van verdachten in de EU en daarmee aan het vergroten van het vertrouwen van de lidstaten in elkaar strafrechtspleging. Het sluit aan bij een reeds in Nederland in gang gezette ontwikkeling om de verdachte door middel van een folder schriftelijk te informeren over het recht een raadsman te consulteren alvorens door de politie te worden gehoord.

9. (evt.) Initiatief voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende het Europees beschermingsbevel– informatie van het Voorzitterschap

Tijdens de bijeenkomst van de Raad van 3-4 juni jl. is over de rechtsgrondslag van dit initiatief gesproken.

De Spaanse Voorzitter heeft in juni geconstateerd dat er een gekwalificeerde meerderheid was voor een algemene oriëntatie door de Raad. Een aantal lidstaten en de Commissie waren het hiermee niet eens. Zij stemden niet in met de reikwijdte van de voorgestelde richtlijn, in relatie tot de rechtsgrondslag in het Werkingsverdrag EU.

De tekst van het Voorzitterschap is aan het Europees Parlement voorgelegd.

In het Europees Parlement zijn inmiddels amendementen ingediend, op basis van het oorspronkelijke voorstel. Hierover zal op 29 september a.s. een oriënterende stemming plaatshebben in de commissies Burgerlijke vrijheden en justitie (LIBE) en Vrouwenrechten en seksegelijkheid (FEMM).

Tijdens deze bijeenkomst van de Raad zal het Voorzitterschap waarschijnlijk een stand van zaken geven ten aanzien van de behandeling van het voorstel in het Europees Parlement. Het Voorzitterschap zal mogelijk ook laten weten hoe de procedure zal worden vervolgd, gezien de standpunten die in de Raad van juni 2010 zijn geuit.

Het initiatief voor een Europees beschermingsbevel (EB) beoogt te regelen dat de bescherming die een persoon in één lidstaat geniet op basis van een beschermingsmaatregel, zoals een contact- of gebiedsverbod gehandhaafd en voortgezet wordt in elke andere lidstaat waar deze persoon verblijft. Een EB-maatregel kan door een justitiële of vergelijkbare autoriteit worden afgegeven wanneer de beschermde persoon besluit of besloten heeft om in een andere lidstaat te wonen of te verblijven. Dit kan zowel strafrechtelijke, bestuursrechtelijke als civielrechtelijke maatregelen betreffen. Uitgangspunt is dat de richtlijn de lidstaten niet verplicht tot aanpassing van hun nationale systemen op het gebied van beschermingsmaatregelen.

Nederland is positief over initiatieven tot bescherming van slachtoffers op het grondgebied van de EU. In Nederland is de bescherming van slachtoffers een prioriteit, in het bijzonder de aanpak van huiselijk geweld.

10. Voorstel voor een verordening (EU) van de Raad betreffende de totstandbrenging van nauwere samenwerking op het gebied van het toepasselijke recht inzake echtscheiding en scheiding van tafel en bed– stand van zaken

Tijdens deze bijeenkomst zal de Raad door het Voorzitterschap worden geïnformeerd over de stand van de besprekingen over de genoemde ontwerp-verordening (Rome III).

Het doel van het voorstel is meer rechtszekerheid, voorspelbaarheid en flexibiliteit te bieden door echtgenoten binnen de Europese Unie zelf een (beperkte) keuze van het toepasselijk recht te geven en voor de lidstaten die deelnemen aan de nauwere samenwerking tot een uniform conflictenrecht te komen.

De regels zullen van toepassing zijn binnen de lidstaten die meedoen aan de nauwere samenwerking. De regels kunnen ertoe leiden dat vaker dan nu het geval is het recht van een staat buiten de groep die meedoet aan de nauwere samenwerking of buiten de EU van toepassing is.

Tijdens de bijeenkomst van 3 en 4 juni jl. heeft de Raad een besluit genomen tot nauwere samenwerking met betrekking tot het toepasselijk recht inzake echtscheiding en scheiding van tafel en bed. Uiteindelijk hebben veertien lidstaten aangegeven deze nauwere samenwerking te willen aangaan. Deze lidstaten zijn: België, Bulgarije, Duitsland, Spanje, Frankrijk, Hongarije, Italië, Letland, Luxemburg, Malta, Oostenrijk, Portugal, Roemenië en Slovenië.

Nederland heeft zich niet tegen deze nauwere samenwerking verzet, maar doet vooralsnog niet mee. De reden hiervoor is dat Nederland steeds bezwaar heeft gehad tegen de in de ontwerp-verordening opgenomen aanknopingsladder aan de hand waarvan het toepasselijk recht op de echtscheiding wordt bepaald in de situatie dat door partijen geen rechtskeuze is gemaakt. De voorgestelde aanknopingsladder zou voor Nederland tot gevolg hebben dat de Nederlandse rechter vaker dan nu het echtscheidingsrecht van een andere EU-lidstaat of van een niet-EU-land dient toe te passen in internationale echtscheidingen in plaats van Nederlands recht.

De Staatscommissie voor het internationaal privaatrecht is verzocht om in kaart te brengen wat voor Nederland de gevolgen zouden zijn van deelname aan de nauwere samenwerking. Het advies van de Staatscommissie wordt afgewacht, alvorens terzake een besluit te nemen.

Niet-wetgevende besprekingen

11. SIS II– algemene planning – begrotingsraming voor SIS II = bevestiging

Dit is hetzelfde onderwerp als GC4. Zie de daar opgenomen annotatie.

12. Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad – het terrorismebestrijdingsbeleid van de EU: belangrijkste resultaten en nieuwe uitdagingen– presentatie door de Commissie

Op 20 juli 2010 heeft de Commissie een mededeling uitgebracht over het terrorismebestrijdingsbeleid van de EU: belangrijkste resultaten en nieuwe uitdagingen. Het kabinet heeft zijn standpunt ten aanzien van dit fiche recent, zoals gebruikelijk, in een BNC-fiche neergelegd. Hieronder treft u daarvan een beknopte samenvatting aan.

Deze mededeling is een uitvloeisel van en een aanvulling op de in het Stockholm-programma vastgestelde maaatregelen en initiatieven ter bestrijding van terrorisme en van het bijbehorende actieplan. De mededeling volgt de structuur van de EU-terrorismebestrijdingsstrategie 2005, die uit vier takken bestaat: voorkomen, beschermen, achtervolgen en reageren. De mededeling gaat hoofdzakelijk over het gevaar van terrorisme voor de interne veiligheid van de EU. De Commissie heeft afzonderlijke mededelingen aangekondigd over de evaluatie van specifieke instrumenten voor gegevensverzameling en -beheer.

Het kabinet waardeert het overzicht dat in de mededeling wordt gegeven van het terrorismebestrijdingsbeleid van de Unie. Ook kunnen veel van de voorstellen die in de mededeling zijn opgenomen, in beginsel op steun van het kabinet rekenen.

Het kabinet onderschrijft het horizontale belang dat in de mededeling wordt toegeschreven aan bescherming van mensenrechten, zoals neergelegd in het EU Handvest voor de Grondrechten. Voorts merkt het kabinet op dat voor elk specifiek voorstel telkens een nieuwe afweging zal moeten worden gemaakt, zodat vorm kan worden gegeven aan het feit dat mensenrechtenbescherming een essentiële randvoorwaarde is voor een (op lange termijn) effectief terrorismebestrijdingsbeleid.

13. Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad – Overzicht van het informatiebeheer op het gebied van vrijheid, veiligheid en recht– presentatie door de Commissie

De Commissie geeft in het document een volledig overzicht van alle EU-instrumenten op het gebied van verzameling, opslag en grensover- schrijdende uitwisseling van persoonsgegevens met het oog op rechts- handhaving en migratiebeheer die al zijn ingevoerd (zoals SIS, VIS, Eurodac, Europol, en Prüm) of waarover wordt gesproken (zoals PNR, inreis/uitreis-systeem, en Europees systeem voor reisvergunningen). Het document beschrijft het belangrijkste doel van deze instrumenten, de structuur, de soorten persoonsgegevens die worden verwerkt, de lijst van autoriteiten die toegang hebben tot de gegevens en de bepalingen die de gegevensbescherming en -bewaring regelen. Daarnaast bevat het document een beperkt aantal voorbeelden dat laat zien hoe deze instrumenten in de praktijk werken. Ten slotte schetst deze mededeling de beginselen die ten grondslag zouden moeten liggen aan de verzameling, opslag en uitwisseling van persoonsgegevens.

De Raad heeft vorig jaar zijn beginselen vastgesteld door middel van de Informatie Management Strategie voor EU interne veiligheid. De Raad heeft ten behoeve van de uitwerking van dit document de Commissie gevraagd om deze beginselen ook toe te passen.

Nederland zal vragen naar de samenhang tussen de beginselen van de Commissie en de Raad.

14. Mededeling van de Commissie over het verzamelen en behandelen van passagiersgegevens– oriënterend debat

De Commissie zaltijdens de Raad de op 21 september jl. gepubliceerde mededeling presenteren over het verzamelen en behandelen van passagiersgegevens. In de mededeling wordt voorgesteld om criteria vast te stellen die de basis moeten vormen voor toekomstige onderhandelingen met derde landen over de verstrekking van Passenger Name Records (gegevens van vliegtuigpassagiers). Vooralsnog wordt het voorstel voor het tot stand brengen van een EU-kader als positief beoordeeld. Ook is Nederland positief over de nadruk op een goede waarborging van de privacyaspecten van de Passenger Name Records van reizigers uit de Europese Unie die zijn verstrekt aan derde landen, al verdienen deze criteria op onderdelen nog nadere bestudering. Het kabinet zal zijn standpunt ten aanzien van deze mededeling, zoals gebruikelijk, in een BNC-fiche neerleggen.

15. Gerechtelijke dimensie van de strijd tegen het terrorisme

Op 1–2 juli jl. vond in Brussel een expert-bijeenkomst plaats over de gerechtelijke dimensie van de strijd tegen het terrorisme. Op basis van de discussies tijdens die bijeenkomst heeft de Europese coördinator terrorismebestrijding enkele aanbevelingen opgesteld. De aanbevelingen betreffen:

  • justitiële organisatie;

  • speciale opsporingstechnieken en financiering van terrorisme;

  • rechten van de verdachte;

  • justitiële samenwerking;

  • internationaal perspectief.

De Raad voor de rechtspraak en het College van procureurs-generaal is verzocht hun zienswijze op de aanbevelingen te geven en aan te geven welke bijdrage de rechtspraak en het openbaar ministerie reeds leveren en/of kunnen leveren aan de realisering van de beoogde doelen die uit de aanbevelingen spreken. Na kennis te hebben genomen van de reactie van de Raad voor de rechtspraak en het College van procureurs-generaal, zal het kabinet zijn standpunt bepalen.

16. Diversen

Er zijn nog geen onderwerpen voor dit agendapunt gemeld.


XNoot
1

Verordening (EG) Nr. 767/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 9 juli 2008 en Besluit 2008/633/JBZ van de Raad van 23 juni 2008.

Naar boven