nr. 5
NOTA VAN WIJZIGING
Ontvangen 8 februari 2010
Het voorstel van wet wordt als volgt gewijzigd:
Artikel I wordt als volgt gewijzigd:
A
Na onderdeel A wordt een onderdeel ingevoegd, luidende:
Aa
In artikel 9a, eerste lid, wordt «de partijen die natuurlijke personen
zijn,» vervangen door: ten minste de helft van de partijen die een woonruimte
huren binnen dat wooncomplex of deel van dat wooncomplex.
B
Er wordt een onderdeel toegevoegd, luidende:
G
Na artikel 16 wordt een artikel ingevoegd, luidende:
Artikel 16a
1. Bij de toepassing van artikel 16, tweede lid, neemt de huurcommissie
in geval van een verzoek als bedoeld in artikel 16, eerste lid, de krachtens
artikel 12, tweede lid, gestelde regels, zoals die luidden op 30 juni
2010, in acht.
2. Dit artikel vervalt met ingang van 1 januari 2012.
C
Na artikel I wordt een artikel ingevoegd, luidende:
ARTIKEL IA
De op het tijdstip van inwerkingtreding van artikel I, onderdeel Aa, van
deze wet bij de huurcommissie aanhangige verzoeken als bedoeld in artikel
9a, eerste lid, van de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte, zoals dat lid
luidde voor de inwerkingtreding van artikel I, onderdeel Aa, van deze wet,
worden behandeld met toepassing van dat lid, zoals dat luidde voor de inwerkingtreding
van artikel I, onderdeel Aa, van deze wet.
Toelichting
Onderdeel A
Als gevolg van de tweede nota van wijziging op het wetsvoorstel tot wijziging
van de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte (instelling van een landelijke
huurcommissie) (Kamerstukken II 2009/10, 31 903, nr. 21) is artikel
9a in de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte opgenomen. In dat artikel is
bepaald dat indien binnen een wooncomplex als bedoeld in artikel 1 van de
Wet op het overleg huurders verhuurder sprake is van gelijksoortige of nagenoeg
gelijksoortige verzoeken deze door de partijen die natuurlijke personen zijn,
collectief kunnen worden ingediend.
Met de thans voorgestelde wijziging die inhoudt dat een collectief verzoek
kan worden ingediend door ten minste de helft van de partijen die een woonruimte
huren binnen een zodanig wooncomplex of deel daarvan, wordt aangesloten bij
de totstandkomingsgeschiedenis van voormeld wetsvoorstel (Handelingen II 2009/10,
nr. 27, p. 2444–2460). De kamerleden Depla en Van Bochove
hadden in eerste instantie een amendement met een vergelijkbare strekking
ingediend (Kamerstukken II 2009/10, 31 903, nr. 11). In reactie
hierop is aangegeven dat de mogelijkheid van collectief procederen zou worden
opgenomen in een nota van wijziging, waarmee het amendement is ingetrokken.
Onderdeel B
Doel
Het wetsvoorstel voorziet in een wettelijke grondslag voor (een deel van)
de voorgenomen aanpassing van het woningwaarderingsstelsel (WWS) en in overgangsrecht
met betrekking tot die aanpassing. Deze aanpassing van het WWS betreft de
opname van de waardering van de energieprestatie op basis van het energieprestatiecertificaat.
Deze nota van wijziging beoogt een overgangsmaatregel toe te voegen voor
de zogenoemde onderhoudsprocedure op grond van artikel 7:257 van het BW juncto
artikel 16 van de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte (hierna: de Uhw)
De onderhoudsprocedure in het kort
Bij achterstallig onderhoud kan de huurcommissie op grond van artikel
16 van de Uhw uitspreken dat een lagere huurprijs in rekening gebracht moet
worden.
Die uitspraak houdt in dat de huurcommissie een korting op de overeengekomen
huurprijs (als percentage van de maximaal redelijke huurprijs) vaststelt,
die in verhouding staat tot de aanwezige gebreken.
Artikel 6 van het Besluit huurprijzen woonruimte bepaalt dat de huurcommissie
daarbij een lagere in rekening te brengen huurprijs kan uitspreken, die –
afhankelijk van de ernst van de gebreken – minimaal20%,
minimaal 30% of minimaal 40% van de maximale huurprijs kan bedragen.
De voorgestelde overgangsmaatregel voor de onderhoudsprocedure
In het wetsvoorstel is een aantal overgangsmaatregelen opgenomen om de
invoeringseffecten van de wijziging van het WWS voor zowel huurders als verhuurders
te mitigeren.
Een belangrijk element van deze overgangsmaatregelen is, dat het vigerende
WWS tot 1 januari 2012 van toepassing blijft voor woningen waarvan de
huurovereenkomst vóór 1 januari 2008 tot stand is gekomen,
tenzij voor die woonruimte een energieprestatiecertificaat is afgegeven. Dit
betekent, dat bij een procedure bij de huurcommissie steeds bewijsstukken
inzake de totstandkomingsdatum van de huurovereenkomst een rol zouden kunnen
spelen. Vervolgens zal de huurcommissie deze ingangsdatum en de aanwezigheid
van een energieprestatiecertificaat steeds moeten toetsen.
De verwachting is echter dat deze toets bij de onderhoudsprocedure in
het merendeel van de gevallen zal leiden tot toepassing van het thans geldende
WWS. Gezien de huidige bij de huurcommissie aanhangige onderhoudsprocedures,
zal namelijk bij circa 80% van de onderhoudsprocedures sprake zijn
van huurovereenkomsten die tot stand gekomen zijn vóór 1 januari
2008. Tegelijkertijd is het niet de verwachting dat verhuurders bij deze woonruimten
met onderhoudsgebreken hebben zorggedragen voor een energieprestatiecertificaat.
Voorts is van belang dat het WWS in de onderhoudsprocedure wel een rol
speelt, maar voor huurders en verhuurders in die procedure veelal van ondergeschikte
aard is. Centrale vraag in de onderhoudsprocedure is immers of gebreken al
dan niet aanwezig zijn en wat de ernst is van die gebreken.
Door bij de zogenaamde onderhoudsprocedure tot 1 januari 2012 altijd
uit te gaan van het thans geldende WWS wordt dan ook recht gedaan aan deze
centrale vraag. Daarbij mitigeert dit in aanzienlijke mate de invoeringseffecten
van het aangepaste WWS voor de huurcommissie.
Artikel 16a van de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte
De krachtens artikel 12, tweede lid, van de Uitvoeringswet huurprijzen
woonruimte gestelde regels zijn het Besluit huurprijzen woonruimte en de bijlagen
I en II bij dat besluit. Het voorgestelde artikel 16a van de Uitvoeringswet
huurprijzen woonruimte betekent dat de huurcommissie tot 1 januari 2012
het op 30 juni 2010 geldende Besluit huurprijzen woonruimte en de daarbij
behorende bijlagen toepast bij de beoordeling van een verzoek op grond van
artikel 7:257 van het Burgerlijk Wetboek.
Onderdeel C
Dit artikel regelt dat de op het tijdstip van inwerkingtreding van de
voorgestelde wijziging van artikel 9a, eerste lid, van de Uitvoeringswet huurprijzen
woonruimte bij de huurcommissie aanhangige verzoeken met toepassing van dat
artikel zoals dat luidde voor dat tijdstip worden behandeld. Verzoeken die
op grond van het geldende artikel 9a als collectief worden aangemerkt en voor
1 juli 2010 zijn ingediend worden ook na 1 juli 2010 nog als collectief
behandeld.
De minister voor Wonen, Wijken en Integratie,
E. E. Van der Laan