nr. 4
ADVIES RAAD VAN STATE EN NADER RAPPORT1
Hieronder zijn opgenomen het advies van de Raad van State d.d. 20 november
2009 en het nader rapport d.d. 11 januari 2010, aangeboden aan de Koningin
door de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Het advies van de Raad
van State is cursief afgedrukt.
Bij Kabinetsmissive van 9 oktober 2009, no. 09.002831, heeft Uwe
Majesteit, op voordracht van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
bij de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet
tot aanpassing van de Wet arbeid vreemdelingen in verband met de introductie
van de referent in de Vreemdelingenwet 2000 en verkorting van de wachttermijn
voor seizoenswerkers, met memorie van toelichting.
Blijkens de mededeling van de Directeur van Uw Kabinet van 9 oktober
2009, nr. 09.002831, machtigde Uwe Majesteit de Raad van State zijn advies
inzake het bovenvermelde voorstel van wet rechtstreeks aan mij te doen toekomen.
Dit advies, gedateerd 20 november 2009, nr. W12.09.0392/III, bied
ik U hierbij aan.
Naar aanleiding van het advies van de Raad zijn het voorstel van wet en
de memorie van toelichting uitgebreid.
Het wetsvoorstel introduceert een facultatieve weigerings- en intrekkingsgrond
van de tewerkstellingsvergunning wanneer een aanvraag van een werkgever tot
het erkend referentschap is geweigerd op grond van de Vreemdelingenwet 2000
(hierna Vw2000). De Raad van State onderschrijft de strekking van het wetsvoorstel,
maar maakt een opmerking over de toelichting bij de facultatieve weigerings-
en intrekkingsgrond.
Op grond van de voorgestelde artikelen 9 en 12a van de Wet arbeid vreemdelingen
(hierna: Wav) kan een tewerkstellingstellingsvergunning worden geweigerd respectievelijk
worden ingetrokken wanneer de aanvraag van de werkgever tot erkend referentschap
is afgewezen. De toelichting vermeldt dat dit wetvoorstel bijdraagt aan de
handhaving van het migratiebeleid. Als voorbeeld wordt de situatie genoemd
waarin de Immigratie- en Naturalisatiedienst (hierna: IND) van mening is dat
geen versnelde toelatingsprocedure aan de betreffende referent kan worden
toevertrouwd op grond van de Vw2000.2 In dat geval
kan eveneens de tewerkstellingsvergunning van de werkgever worden geweigerd
respectievelijk worden ingetrokken op grond van dit wetsvoorstel.
De Raad wijst er op dat de IND de aanvraag tot het erkend referentschap
ook op andere (formele) gronden kan weigeren dan het ontbreken van een duurzame vertrouwensrelatie.1 Uit de toelichting
bij het voorstel van wet tot wijziging van de Vreemdelingenwet 2000 en enkele
andere wetten in verband met de versterking van de positie van de referent
in het reguliere vreemdelingenrecht en versnelling van de vreemdelingenrechtelijke
procedure (Wetsvoorstel modern migratiebeleid) blijkt dat de erkenning als
referent met name bedoeld is voor ondernemingen, rechtspersonen en andere
organisaties die met enige regelmaat migranten naar Nederland willen laten
overkomen. Voorts vermeldt deze toelichting dat de voorwaarden voor de erkenning
van de diverse te onderscheiden referenten in lagere regelgeving nader worden
uitgewerkt.2 In de toelichting bij het onderhavige
wetsvoorstel wordt geen aandacht geschonken aan de mogelijkheid dat een aanvraag
tot erkend referentschap wordt afgewezen op gronden die niet relevant zijn
voor het toekennen of het behoud van de tewerkstellingsvergunning, bijvoorbeeld
wanneer de referent niet frequent genoeg migranten naar Nederland wil laten
overkomen. De Raad acht een aanvulling van de toelichting bij het onderhavige
wetsvoorstel op dit punt wenselijk, waardoor meer duidelijkheid wordt geboden
over de uitoefening van de discretionaire bevoegdheid op grond van de voorgestelde
artikelen 9 en 12a van de Wav. Voorts acht de Raad het vanuit een oogpunt
van rechtszekerheid wenselijk dat in de toelichting wordt aangegeven hoe lang
na het gewraakte feit als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder k, en artikel
12a, onder b, een werkgever kan worden nagedragen dat hem een bestuurlijke
boete of bestraffing is opgelegd en derhalve de tewerkstellingsvergunning
kan worden geweigerd respectievelijk ingetrokken.
De Raad adviseert de toelichting op deze punten aan te vullen.
Het advies van de Raad om de toelichting uit te breiden om meer duidelijkheid
te bieden in welke gevallen de tewerkstellingsvergunning wordt geweigerd danwel
afgewezen is overgenomen. In de toelichting wordt nu verwezen naar de uitvoeringsregels
behorende bij de Wet arbeid vreemdelingen. In overleg met UWV zal beleid ontwikkeld
worden, waarbij aandacht besteed zal worden in welke gevallen er wel, en in
welke gevallen er geen reden zal zijn voor intrekking of weigering van de
tewerkstellingsvergunning. Dit beleid zal zijn neerslag vinden in een ministeriële
regeling (Uitvoeringsregels Wet arbeid vreemdelingen behorende bij het Delegatie-
en uitvoeringsbesluit Wet arbeid vreemdelingen). Er dient meegewogen te worden
om welke redenen de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) is overgegaan
tot intrekking van het erkend referentschap danwel op welke gronden beboeting
of bestraffing heeft plaatsgevonden. Dit zal in belangrijke mate bepalend
zijn of UWV het noodzakelijk acht om ook de tewerkstellingsvergunning in te
trekken of te weigeren. Daarnaast is van belang of er sprake is van slecht
werkgeverschap.
Het advies van de Raad om een termijn aan te geven hoelang na het feit
waarvoor een boete op grond van de Vreemdelingenwet 2000 is opgelegd of de
werkgever is gestraft op grond van die wet, de tewerkstellingsvergunning kan
worden ingetrokken danwel geweigerd, is overgenomen. Om te voorkomen dat UWV
na een onevenredig lange termijn nadat een boete is opgelegd een tewerkstellingsvergunning
intrekt danwel weigert, is bepaald dat ten hoogste vijf jaar nadat een boete
is opgelegd dit als een weigerings- of intrekkingsgrond voor de tewerkstellingsvergunning
kan gelden. Deze termijn is gekozen in navolging van het wetsvoorstel Modern
Migratiebeleid (TK 2008–2009, 32 052).
De Raad van State geeft U in overweging het voorstel van wet te zenden
aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal, nadat aan het vorenstaande aandacht
zal zijn geschonken.
De Vice-President van de Raad van State,
H. D. Tjeenk Willink
Ik moge U verzoeken het hierbij gevoegde gewijzigde voorstel van wet en
de gewijzigde memorie van toelichting aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal
te zenden.
De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
J. P. H. Donner