nr. 3
MEMORIE VAN TOELICHTING
ALGEMEEN DEEL
Het doel van dit wetvoorstel is om gevallen te voorkomen waarin kort na
de verkiezingen in verband met de instelling van een nieuw waterschap tevens
de vierjaarlijkse reguliere verkiezingen moeten worden gehouden. Wanneer de
instelling van een waterschap eerder of later plaatsvindt dan de reguliere
waterschapsverkiezingen moeten ook voor de instelling van het nieuwe waterschap
verkiezingen worden gehouden. Dit kan tot gevolg hebben dat in korte tijd
achter elkaar verkiezingen plaatsvinden.
De Waterschapswet, bij wijziging van de Wet modernisering waterschapsbestel1, geeft in beginsel de voorkeur aan het instellen van
waterschappen op het moment dat alle algemene besturen van de waterschappen
aftreden in verband met het aflopen van de normale zittingsduur van vier jaar
en de daarmee samenhangende reguliere waterschapsverkiezingen op grond van
artikel 23 van de Waterschapswet. Echter, er kunnen gevallen zijn waarin een
fusie of herindeling niet tijdig kan worden afgerond. In dat geval biedt artikel
27 van de Waterschapswet de mogelijkheid om met het oog op het instellen van
een nieuw waterschap de zittingsperiode van een zittend bestuur te verkorten
of te verlengen met twee jaar. Wanneer de normale zittingsperiode van vier
jaar maximaal wordt verkort of verlengd moet het algemeen bestuur, dat wordt
gevormd na het instellen van een waterschap, al na twee jaar aftreden. In
die situatie zullen binnen twee jaar nieuwe verkiezingen moeten plaatsvinden.
Dit is een ongewenste situatie.
Het komt de opkomst bij de verkiezingen, de continuïteit van bestuur
en de besluitvorming niet ten goede. Daarbij brengt het zeer vaak wisselen
van het gehele algemeen bestuur de nodige bestuurslasten en -kosten met zich
mee, bijvoorbeeld in het kader van rekrutering en inwerken van waterschapsbestuurders,
alsmede het financieren van verkiezingen.
Om die redenen maakt deze voorgestelde wijziging het mogelijk om voor
een nieuw waterschap de reguliere waterschapsverkiezingen éénmalig
over te slaan. Dit heeft tot gevolg dat de zittingstermijn van een nieuw gevormd
algemeen bestuur maximaal kan oplopen tot zes jaren. Deze zittingstermijn
was al mogelijk onder artikel 27 van de Waterschapswet en is in Europees perspectief
een gangbare termijn voor besturen van decentrale overheden2.
In de praktijk van gemeentelijke herindelingen komt het éénmalig
overslaan van verkiezingen na een fusie vaker voor. Zo wordt onder meer in
de Wet samenvoeging gemeenten Bergschenhoek, Berkel en Rodenrijs en Bleiswijk,
de Wet gemeentelijke herindeling deel provincie Utrecht, de Wet gemeentelijke
herindeling Den Haag en omgeving en de Gemeentelijke herindeling van het Westland
de onwenselijkheid onderkend om verkiezingen onnodig kort na elkaar te laten
plaatsvinden.
In voorbereiding op dit voorstel heeft een consultatie van de Unie van
Waterschappen (UvW), de Kiesraad en het Interprovinciaal Overleg plaatsgevonden.
De Kiesraad en de UvW hebben een reactie gegeven. Naar aanleiding daarvan
is deze toelichting gewijzigd en uitvoeriger gemaakt. Daarnaast werden suggesties
gedaan om de regelgeving te verbeteren, echter dit zal per algemene maatregel
van bestuur moeten worden geregeld.
Ten slotte heeft de Kiesraad in overweging gegeven de samenloop, van een
maximale verlenging van de zittingsduur met twee jaren in combinatie met het
overslaan van de verkiezingen, waardoor de zittingsduur tweemaal achtereen
zes jaar bedraagt, wettelijk uit te sluiten. Uitgangspunt bij fusie is echter
dat voorafgaand aan de fusie verkiezingen plaatsvinden. Als daarvoor tussentijds
verkiezingen plaatsvinden, maakt deze wetswijziging het mogelijk de volgende
verkiezingen over te slaan. De kiezer weet dan ook dat een bestuurder voor
zes jaar wordt gekozen. Het schrappen van de mogelijkheid om de zittingsduur
te verlengen betekent dat vlak na elkaar verkiezingen plaatsvinden bij een
tussentijdse fusie. Ook dat is onwenselijk. Daarom wordt ervoor gekozen om
de bestaande mogelijkheid van zittingsduurverlenging ex artikel 27 niet in
te perken.
ARTIKELSGEWIJS
A
Het aanduiden dat het hier gaat om een «gewone zittingsperiode»
kan verwarring met zich meebrengen. Een bestuur zal altijd moeten aftreden
wanneer de vierjaarlijkse zittingsperiode van de waterschappen eindigt. Dit
is het geval na afloop van de zittingsperiode, bedoeld in artikel 23 van de
Waterschapswet, maar ook wanneer er sprake is van een verlenging of verkorting
van een zittingsperiode uit hoofde van artikel 27, eerste lid, van de Waterschapswet.
Zoals uit de artikelsgewijze toelichting op artikel 29 van de Waterschapswet
blijkt, is deze bepaling erop gericht om alle waterschappen te laten deelnemen
aan de reguliere verkiezingen1.
B
Met de voorgestelde tekst wordt in overeenstemming met de memorie van
toelichting bij de Wet modernisering waterschapsbestel2 verduidelijkt dat het hier gaat om het verlengen of verkorten van
de zittingsperiode van zittende algemene besturen. Dit komt voor wanneer (interprovinciale)
fusieonderhandelingen niet op tijd voor de reguliere verkiezingen zijn afgerond
of wanneer een bepaald ander fusie tijdstip meer gewenst is. Voor de zittingsduur
van een bestuur van een nieuw ingesteld waterschap is artikel 23 van de Waterschapswet
het uitgangspunt.
C
In dit onderdeel wordt voorgesteld dat een algemeen bestuur van een nieuw
ingesteld waterschap niet binnen twee jaar en acht dagen met de andere besturen
van de overige waterschappen hoeft af te treden omwille van de reguliere verkiezingen.
Het bestuur zal in deze situatie aftreden bij het eerstvolgende aftreden van
de algemene besturen. Dit heeft tot gevolg dat een algemeen bestuur
in dat geval maximaal zes jaren kan zitten. Het gaat hier telkens om het gehele
algemeen bestuur inclusief geborgde zetels, bedoeld in artikel 12 van de Waterschapswet.
De acht dagen zijn bij de termijn van twee jaar gevoegd om een waterschap
altijd per 1 januari in te kunnen stellen in verband met het begrotingsjaar
dat conform artikel 99, vijfde lid, van de Waterschapswet een kalenderjaar
moet beslaan. Op deze wijze doorkruisen de perioden gesteld in artikel 23,
tweede lid, en artikel 27 van de Waterschapswet niet het bepaalde in artikel
99, vijfde lid, van de Waterschapswet.
De staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat,
J. C. Huizinga-Heringa