32 269
Wijziging van de Wet op het primair onderwijs in verband met onder meer een discretionaire bevoegdheid van de minister ten aanzien van kwalitatief goede scholen met minder dan 23 leerlingen met perspectief op hoger aantal leerlingen

nr. 7
NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG

Ontvangen 25 maart 2010

I ALGEMEEN DEEL

1. Aanleiding

Met genoegen heeft de regering kennisgenomen van de reactie van de diverse fracties op het wetsvoorstel. Uit deze inbreng spreekt waardering voor de doelstelling van het wetsvoorstel. De regering spreekt in dit verband waardering uit voor de initiatiefnota van het lid Jan Jacob van Dijk (CDA) die de aanzet vormde voor dit wetsvoorstel. In deze nota naar aanleiding van het verslag gaat de regering in op de vragen die zijn gesteld. Daarbij wordt de indeling van het verslag als uitgangspunt genomen. Waar dit de beantwoording ten goede komt zijn gelijkluidende vragen samengenomen.

De leden van de PvdA-fractie merken op dat de regering in het wetsvoorstel aankondigt dat regionale ontwikkelingen in de bevolkingsomvang en prognoses over de landelijke bevolkingsontwikkeling aanleiding vormen voor een onderzoek of het huidige stelsel van stichting en opheffing of beëindiging van bekostiging van scholen ook in de toekomst zal voldoen. Zij vragen wanneer de resultaten van dit onderzoek kunnen worden verwacht.

De bekendmaking van de uitkomsten van dat onderzoek zal – zoals aangekondigd in het Interbestuurlijk Actieplan Bevolkingsdaling (Kamerstukken II 2009/10, 31 757, nr. 13) – eind 2010 zijn.

De leden van de SP-fractie vragen of de regering een prognose kan geven van het aantal keren dat de minister de komende tien jaren zijn discretionaire bevoegdheid zal moeten gebruiken.

Naar de huidige inzichten zal jaarlijks slechts een beperkt aantal scholen (2 à 3) een beroep doen op de mogelijkheid die dit wetsvoorstel biedt. De vraag naar de prognose voor de komende tien jaar laat zich lastig beantwoorden. Vanwege de krimp in bevolkingsaantallen in bepaalde regio’s kan het aantal scholen dat vanuit de systematiek van de gemiddelde schoolgrootte onder de 23 leerlingen zakt, in de toekomst toenemen. Het is echter de vraag of in dergelijke gevallen met succes op beroep kan worden gedaan op toepassing van de discretionaire bevoegdheid. Eén van de voorwaarden is namelijk dat er sprake moet zijn van een reëel perspectief op toename van het aantal leerlingen tot ten minste 23. Dit perspectief zal er niet altijd zijn indien de school in kwestie is gelegen in een gebied waarin sprake is van een structurele leerlingdaling.

Ook vragen de leden van genoemde fractie of de regering nog meer mogelijkheden ziet om kleine scholen langer in stand te houden.

Het in stand houden van kleine scholen moet niet worden gezien als doel op zich. De kwaliteit van het onderwijs staat op elke school, ongeacht de omvang, centraal. De regering beperkt zich tot de aanvullende mogelijkheid die dit wetsvoorstel biedt. Daarnaast wordt in de Wet op het primair onderwijs (WPO) zowel door middel van de opheffingssystematiek als de bekostigingssystematiek rekening gehouden met een terugloop in het leerlingaantal. Zo kent de WPO gedifferentieerde opheffingsnormen die afhankelijk zijn gesteld van de leerlingdichtheid in een gemeente en ontvangen scholen met een leerlingaantal onder de 145 een zogenoemde kleine scholentoeslag. Zoals hiervoor al is aangegeven wordt deze systematiek in het kader van de demografische ontwikkelingen tegen het licht gehouden. Dit valt echter buiten de reikwijdte van het onderhavige wetsvoorstel.

De leden van de SGP-fractie vragen waarop het minimumaantal van 23 leerlingen in het verleden is gebaseerd.

Allereerst heeft dit een historisch reden. Bij de overgang in 1985 van het kleuter- en lager onderwijs naar het basisonderwijs werd de kleinste basisschool gevormd door een lagere school met 15 leerlingen en een kleuterschool met 8 leerlingen. Het aantal van 23 leerlingen werd daarmee als ondergrens gehanteerd. Dit gegeven werd ook vertaald in het toen geldende Formatiebesluit WPO. Vanaf de ondergrens van 23 leerlingen kwam een school in aanmerking voor een basisformatie van 2 fte’s. Dit is het mimimum om een basisschool in staat te stellen om (in de regel via een combinatiegroep voor respectievelijk de onderbouw en de bovenbouw) te kunnen functioneren.

Tevens vragen de leden van deze fractie in hoeverre er aanleiding bestaat om dit getal te heroverwegen, mede met het oog op verschijnselen als bevolkingskrimp.

De vraag of er aanleiding bestaat om de minimumnorm aan te passen, wordt meegenomen in het onderzoek waaraan de leden van de PvdA-fractie refereren. Het structureel lager stellen van deze norm ligt daarbij om onderwijskundige en doelmatigheidsredenen niet voor de hand.

De leden van genoemde fractie vragen vervolgens waarom de regering bij het voorstel tot wijziging van de regeling van de gemiddelde schoolgrootte niet heeft aangesloten bij de opheffingsregeling voor scholen die geen gebruik kunnen maken van de regeling voor gemiddelde schoolgrootte. Wordt hierdoor geen ongewenste en ongerechtvaardigde ongelijkheid tussen scholen gecreëerd, zo vragen zij.

De hoofdregel van de WPO is dat een school wordt opgeheven als deze drie jaar onder de reguliere opheffingsnorm (gebaseerd op het principe van leerlingdichtheid) zit. Het instrument van de gemiddelde schoolgrootte is een uitzondering op die hoofdregel. Een school die in stand wordt gehouden met een beroep op de uitzonderingsregel kan, zolang deze minstens 23 leerlingen heeft, onder de opheffingsnorm in stand blijven. In de praktijk betekent dit vaak dat zo’n school langer dan drie jaar onder de reguliere opheffingsnorm zit. De school wordt echter direct opgeheven zodra deze onder de 23 leerlingen zakt. Als deze scholen dan nog eens van rechtswege drie jaar de tijd zou krijgen om tot of boven de 23 leerlingen uit te stijgen, zouden die scholen juist worden bevoordeeld ten opzichte van de scholen die voor de instandhouding geen beroep willen of kunnen doen op de gemiddelde schoolgrootte. Eerstbedoelde scholen kunnen alleen op basis van de voorgestelde discretionaire bevoegdheid in stand worden gehouden.

2. Discretionaire bevoegdheid minister

De leden van de CDA-fractie merken op dat de beslissing om gebruik te maken van de discretionaire bevoegdheid onder andere afhankelijk is van de kwaliteit van de school. Zij vragen of dat oordeel gebaseerd zal zijn op het normale toetsingskader van de onderwijsinspectie of dat hier een apart kader voor zal worden ontwikkeld.

De scholen die een verzoek doen tot instandhouding op grond van dit wetsvoorstel worden niet anders beoordeeld dan andere scholen. Het reguliere toezichtsregime van de Inspectie geldt. Dit houdt in dat wordt gekeken naar onderwijsopbrengsten en de normindicatoren die relevant zijn voor het onderwijsleerproces.

Wordt ook gekeken naar de gevolgen voor de kwaliteit als een school onder de norm zal zakken, zo vragen zij. Tevens willen zij weten op welke wijze wordt gekeken naar scholen die slechte kwaliteit leveren.

Het kwaliteitsoordeel van de Inspectie staat los van het leerlingaantal. Als een school onder de norm van 23 leerlingen zakt wordt deze dus niet anders beoordeeld. Wel is er aanleiding om goed te kijken hoe de school er kwalitatief voor staat. De Inspectie voert, op grond van het reguliere toezichtsregime, ieder jaar per school een risicoanalyse uit onder andere op basis van het jaarverslag en opbrengstgegevens. Dat geldt overigens ook voor de scholen die op grond van dit wetsvoorstel de kans hebben gekregen om boven de norm uit te stijgen. Wanneer het bevoegd gezag van een school met minder dan 23 leerlingen, een verzoek om instandhouding heeft ingediend, wordt nagegaan of de school op basis van de door de Inspectie uitgevoerde risicoanalyse een basistoezicht kent of dat de Inspectie risico’s is tegengekomen, waardoor er sprake is van een aangepast toezichtarrangement. In het laatste geval zal de Inspectie een aanvullend onderzoek op die school uitvoeren zodat de meest actuele informatie kan worden meegenomen bij de besluitvorming over de toepassing van de discretionaire bevoegdheid. Met een inspectieoordeel over de kwaliteit van het onderwijs dat inhoudt «zwak» of «zeer zwak», volgt geen positieve beslissing op het verzoek om instandhouding.

Wordt alleen de actuele situatie meegenomen of wordt er ook gekeken of er verbetering mogelijk is, zo vragen zij.

Het oordeel van de Inspectie is gebaseerd op de actuele situatie op het moment dat de minister een beslissing moet nemen over het al of niet gebruik maken van zijn discretionaire bevoegdheid. In lijn met de Initiatiefnota van Jan Jacob van Dijk (CDA) is een voorwaarde dat de kwaliteit van het onderwijs voldoende is op het moment van beoordeling van het verzoek tot instandhouding op grond van dit wetsvoorstel. Een oordeel «zwak» of «zeer zwak» zal dus leiden tot afwijzing van het verzoek.

De leden van genoemde fractie stellen tevens de vraag hoe de regering wil voorkomen dat op basis van de jurisprudentie er een informele ondergrens zal komen.

Het perspectief op toename van het aantal leerlingen tot 23 of meer is leidend in het kader van de toepassing van de discretionaire bevoegdheid. Het moet van te voren vaststaan dat de school perspectief heeft op toename van het leerlingaantal binnen een bepaalde termijn. Pas na afloop van de termijn wordt er gekeken naar het leerlingaantal. Als een school na afloop van de termijn niet voldoet aan de structurele norm van 23 leerlingen, wordt de school alsnog opgeheven. De discretionaire bevoegdheid is dus niet bedoeld om een structureel lagere minimumnorm te introduceren. De omstandigheid dat een school minder dan 23 leerlingen heeft, moet dus tijdelijk zijn.

De leden van de PvdA-fractie willen weten of een gemeente gehoord zal worden bij een discretionaire beslissing van de minister en zo ja, hoe de procedure dan is.

Om tot een afgewogen beoordeling van de aanvullende omstandigheden te komen, zal het in de regel verstandig zijn om contact te leggen met de gemeente waarin de betrokken school is gevestigd. Zo kan afhankelijk van de omstandigheden de betrokken gemeente voor de besluitvorming relevante informatie verstrekken over bijvoorbeeld de huisvesting van de school, eventuele plannen met betrekking tot de woningbouw, realiteitswaarde van leerlingprognoses en aspecten met betrekking tot de functie en bereikbaarheid van de school. Het inschakelen van de gemeente kan daarmee dus onderdeel vormen van een zorgvuldige voorbereiding van de besluitvorming. De afweging of en in hoeverre dat aan de orde is, is aan de minister. De ruimte die hij daarbij heeft, past bij het discretionaire karakter van de bevoegdheid die hem wordt gegeven om tijdelijk af te wijken van de werking van de wet.

De leden willen voorts weten of de garantie van kwaliteit voldoende geborgd is bij de controle van het basistoezicht.

Het basisarrangement wordt toegepast als de inspectie geen risico’s heeft aangetroffen. Als er wel risico’s zijn aangetroffen wordt, conform het huidige toezichtkader van de Inspectie, aanvullend onderzoek gedaan, zo nodig op de school. Als daar aanleiding voor is, wordt het onderzoek geïntensiveerd. Juist omdat het expliciete oordeel van de Inspectie wordt gevraagd in het kader van de beoordeling van het verzoek is voldoende gegarandeerd dat er in het specifieke geval een actuele beoordeling van de basiskwaliteit van de school ten grondslag ligt aan de beslissing van de minister.

Termijn

De leden van de PvdA-fractie merken op dat de regering aankondigt dat wordt bezien of het juist wel of juist niet wenselijk is om een maximum te verbinden aan de termijn voor het gebruik maken van de discretionaire bevoegdheid in een concreet geval. Zij vragen de regering op welke termijn de regering hierover op basis van opgedane ervaringen een uitspraak zal kunnen doen en hoe zij de Kamer hierover gaat inlichten. De leden van de ChristenUnie-fractie stellen vergelijkbare vragen.

Het is lastig en ook ongewenst om daar vooraf een termijn voor te stellen. Juist gezien het discretionaire karakter van zijn bevoegdheid, dient de minister hierin enige ruimte te hebben die niet op voorhand is beperkt. Dit is ook in lijn met de initiatiefnota. Daarbij is het zeer wel mogelijk dat in de loop der tijd zich op dit punt een duidelijke lijn aftekent. Dat hangt ook af van de aard van en de mate waarin beroep wordt gedaan op de mogelijkheid die dit wetsvoorstel biedt. Ik kan me voorstellen dat in ieder geval 5 jaar na inwerkingtreding van de wet het effect van het wetsvoorstel zal worden geëvalueerd, waarbij ook het aspect van de termijn aan bod komt.

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen of voor scholen duidelijk is wat de minister als afzienbare termijn acht om boven de ondergrens van 23 leerlingen te raken. Zij vragen of er niet een precedent wordt geschapen nadat de minister een aantal beslissingen heeft genomen, waardoor in de praktijk alsnog een maximumtermijn gaat gelden.

Zoals hiervoor al is aangegeven kan de ervaring die wordt opgedaan met toepassing van de discretionaire bevoegdheid gaandeweg in de praktijk leiden tot een nadere begrenzing van de termijn. Maar dat is een andere benadering dan op voorhand een nadere begrenzing aan te geven. Dit perkt de flexibiliteit onnodig in. De minister zal altijd goed motiveren waarom in dat specifieke geval de desbetreffende termijn wordt verleend. Scholen in gelijke omstandigheden worden gelijk behandeld.

Hoe blijft gegarandeerd dat kwantiteit niet leidend wordt in de beslissing van de minister, zo vragen de leden.

Allereerst is de kwaliteit een kernelement in de beoordeling van een verzoek door de minister. De basiskwaliteit moet op het moment van beoordeling van het verzoek op orde zijn. Als de kwaliteit onvoldoende is wordt het verzoek afgewezen. Maar een voldoende kwaliteit is niet allesbepalend. Als de kwaliteit voldoende is maar er is geen reëel perspectief op toename van het aantal leerlingen volgt ook een negatief besluit. Er moet altijd een vooruitzicht zijn op een leerlingaantal van 23 of meer. Als een school binnen de afgesproken termijn niet op 23 leerlingen of meer is uitgekomen, wordt de school, eventueel na een eenmalige verlenging, alsnog opgeheven. Bij het gebruikmaken van de discretionaire bevoegdheid gaat het dus om een onlosmakelijke combinatie van kwalitatieve en kwantitatieve aspecten.

De mate van beschikbaarheid van basisscholen in de directe omgeving van de school

De leden van de PvdA-fractie zijn erg blij dat het aspect leefbaarheid een belangrijk aspect is van de aanvullende omstandigheden. Zij willen weten hoe de minister dit aspect kan objectiveren. Hoe gaat de minister ermee om als de school, de ouders of het schoolbestuur een ander beeld van de leefbaarheid geven dan de gemeente, zo willen zij weten.

Het aspect van het al dan niet aanwezig zijn van scholen in de omgeving is geen zelfstandige grond op basis waarvan de minister zijn besluit neemt. Zoals hiervoor aangegeven zijn een reëel perspectief op toename van het leerlingaantal en de onderwijskwaliteit daarin leidend. Bij het wegen van de aspecten kwaliteit en reëel perspectief op ten minste 23 leerlingen kan de aan- of afwezigheid van scholen in de omgeving een aanvullende rol spelen. Op basis van dat aspect kan bijvoorbeeld een langere termijn worden gegeven om het aantal van 23 leerlingen te behalen. Een verzoek kan ook eerder worden afgewezen als er twijfel is over het perspectief op toename van het leerlingenaantal of de kwaliteit van het onderwijs en er nog andere scholen in de directe omgeving zijn. Dat aanvullende aspect wordt niet op voorhand geobjectiveerd. De aard van de discretionaire bevoegdheid verlangt dat de minister de ruimte heeft de omstandigheden van het specifieke geval naar redelijkheid en billijkheid te beoordelen.

3. Samenwerkingsovereenkomst als alternatief voor een besturenfusie

De leden van de CDA-fractie vragen wat er gebeurt als de samenwerkingsovereenkomst wordt beëindigd. Betekent dat direct het einde van de school die onder de gemeentelijke en wettelijke opheffingsnorm uitkomt, zo vragen zij.

De bedoelde samenwerkingsovereenkomst geeft aan de samenwerkende schoolbesturen de mogelijkheid om gezamenlijk de gemiddelde schoolgrootte toe te passen en daarmee één of meer basisscholen onder de reguliere opheffingsnorm in stand te houden. Een samenwerkingsovereenkomst wordt altijd aangegaan voor ten minste 10 jaar (artikel 157, derde lid, onder b, WPO). Als na 10 jaar de overeenkomst eindigt of binnen die 10 jaar de overeenkomst wordt beëindigd, wordt, als niets aan de situatie is veranderd, de school opgeheven die op grond van die overeenkomst onder de opheffingsnorm in stand wordt gehouden. In het geval van een bijzondere school wordt dan de bekostiging beëindigd. Dat gebeurt met ingang van 1 augustus volgend op de beëindiging van de samenwerkingsovereenkomst. Als de school inmiddels boven de opheffingsnorm zit of de school op een andere manier in stand kan worden gehouden, wordt de school uiteraard niet opgeheven. De samenwerkende bevoegde gezagsorganen hebben dit dus in belangrijke mate zelf in de hand. Zij gaan namelijk zelf over het al dan niet beëindigen van de samenwerkingsovereenkomst.

Overigens kan een school die valt onder de samenwerkingsovereenkomst en met directe sluiting worden bedreigd omdat deze tijdelijk onder de 23 leerlingen zakt, eveneens een beroep doen op toepassing van de discretionaire bevoegdheid.

De leden van de CDA-fractie hebben in dit verband voorts een vraag over de werking van artikel 157, lid 3, Wet op het primair onderwijs. Dit artikel vereist dat de samenwerkingsovereenkomst langer dan een jaar bestaat voordat de school niet meer aan de opheffingsnorm voldoet. Zij vragen of dit strikt moet worden uitgelegd of dat dit betekent dat er nog ruimte is om dit te realiseren binnen de drie jaar voordat daadwerkelijk een beroep op de gemiddelde schoolgrootte moet worden gedaan. Zij merken op dat voor voornamelijk de «éénpitters» een strikte uitleg grote gevolgen kan hebben. Door het vertrek van een paar gezinnen met kinderen op een school kan hierdoor al een onomkeerbare situatie ontstaan: de school moet bestuurlijk fuseren, alhoewel een samenwerkingsovereenkomst verre de voorkeur geniet. Gaarne een toelichting van de regering, zo vragen zij.

Mogelijk is hier sprake van een misverstand. Het is juist dat het nu geldende artikel 157, derde lid, WPO voorschrijft dat de samenwerkingsovereenkomst reeds langer dan een jaar voor het niet meer voldoen van een van de scholen aan de voor die school geldende opheffingsnorm moet zijn gesloten om gebruik te kunnen maken van de regeling over de gemiddelde schoolgrootte. Dit is een strikt geformuleerde voorwaarde. In artikel I, onderdeel A, subonderdeel 1 van het voorliggende wetsvoorstel wordt echter voorgesteld om deze voorwaarde te laten vervallen. Het aangaan van een samenwerkingsovereenkomst wordt hierdoor eenvoudiger dan nu het geval is. De samenwerkingsovereenkomst wordt daarmee een gelijkwaardig alternatief voor een besturenfusie. Dit geldt óók voor de door de leden van genoemde fractie aangehaalde positie van de «eenpitters».

De leden van de PvdA-fractie kunnen zich vinden in de verruiming van de mogelijkheden voor schoolbesturen om een samenwerkingsovereenkomst aan te gaan. Zij vragen hoe dit element zich verhoudt tot het wetsvoorstel Wijziging van enige onderwijswetten inzake samenwerkingsscholen. Wordt er nu tegelijkertijd via verschillende wetten geregeld dat samenwerkingsscholen beter mogelijk worden?

De samenwerkingsovereenkomst moet worden onderscheiden van de samenwerkingsschool.

Met het wetsvoorstel Wijziging van enige onderwijswetten inzake samenwerkingsscholen wordt de mogelijkheid gecreëerd dat een bijzondere school en een openbare school fuseren tot een samenwerkingsschool met behoud van het bijzonder respectievelijk openbaar karakter van het onderwijs. Voorwaarde is wel dat één school of beide scholen met opheffing wordt/worden bedreigd. Dat is een andere situatie dan die waarin een samenwerkingsovereenkomst kan worden aangegaan. Een samenwerkingsovereenkomst wordt tussen twee of meer schoolbesturen gesloten om scholen onder de opheffingsnorm met gebruikmaking van de gemiddelde schoolgrootte in stand te kunnen houden. Er is in dat geval geen sprake van een fusie tussen scholen. De samenwerkingsovereenkomst is een bestaand instrument dat met dit wetsvoorstel op onderdelen wordt versoepeld. Dat moet los worden gezien van de mogelijkheid om in bepaalde gevallen een samenwerkingsschool te starten. De wetsvoorstellen hebben dus betrekking op verschillende situaties, zij het dat in beide gevallen gaat om mogelijkheden om het aanbod van onderwijs te kunnen behouden.

De leden van de PvdA-fractie willen vervolgens weten hoe de regering staat tegenover de gedachte om de term «samenwerkingsschool» wettelijk te reserveren voor scholen die dit zijn in de zin van wetsvoorstel Wijziging van enige onderwijswetten inzake samenwerkingsscholen.

De term «samenwerkingsscholen» is op dit moment geen wettelijke term. Het door de leden van de PvdA-fractie genoemde wetsvoorstel zal pas voor het eerst het begrip samenwerkingsschool in de wet introduceren. Samenwerkingsscholen zijn wettelijk gezien straks dan ook uitsluitend die scholen. Overigens is het niet uitgesloten dat scholen die op enigerlei wijze samenwerken zich samenwerkingsscholen noemen. Dat zijn dan echter geen samenwerkingsscholen in de zin van bovengenoemd wetsvoorstel.

De leden van genoemde fractie voegen daar nog de vraag aan toe of ook is overwogen om de regeling nog verder op te rekken door ook meerdere locaties toe te staan. Concreet vragen zij: als er een bijzondere school en een openbare school in het hoofddorp een eigen locatie hebben en in stand kunnen houden, maar voor de locatie in de kleine kern wel een samenwerkingsschool nodig zou zijn, kan dat dan straks binnen de grenzen van de wet.

Ik ga ervan uit dat de leden van de PvdA-fractie met «de regeling» het wetsvoorstel over de samenwerkingsscholen bedoelen. Ook het wetsvoorstel over de samenwerkingsscholen heeft betrekking op scholen in de zin van de WPO en niet op dependances/dislocaties. De WPO kent geen opheffingsnormen voor dependances/dislocaties en ook om die reden kunnen zij niet onder het wetsvoorstel samenwerkingsscholen vallen. Dat wetsvoorstel maakt immers alleen samenwerkingsscholen mogelijk als één of beide scholen met opheffing worden bedreigd.

II ARTIKELSGEWIJS

Artikel II

De leden van de CDA-fractie merken op dat dit wetsvoorstel met terugwerkende kracht in werking zal treden vanaf 1 augustus 2008. Hoeveel scholen hebben sindsdien een verzoek ingediend op grond van deze wet om in stand te mogen blijven, ondanks dat ze minder leerlingen telden dan 23 en in hoeveel gevallen heeft de minister gebruik gemaakt van zijn discretionaire bevoegdheid, zo vragen zij.

Het wetsvoorstel zal niet met terugwerkende kracht in werking treden (artikel III), maar er is voorzien in een overgangsbepaling (artikel II) die materieel hetzelfde effect heeft. Die bepaling regelt het «herleven» van een school die is opgeheven vanwege het feit dat de school na toepassing van de gemiddelde schoolgrootte minder dan 23 leerlingen had. Tot het moment van herleven op basis van artikel II ontvangt de school waaraan de opgeheven school nu als dislocatie is verbonden op aanvraag extra bekostiging in verband met bijzondere omstandigheden. De tijdelijke aanvullende bekostiging vindt plaats tot het niveau waarop de school en de opgeheven school gezamenlijk als zelfstandige scholen aanspraak zouden hebben op grond van de reguliere bekostiging, inclusief de groeibekostiging.

Scholen hebben nog geen verzoek ingediend tot instandhouding op grond van dit wetsvoorstel omdat dat pas kan zodra de wet in werking is getreden. Wel wordt voor tot nu toe 2 scholen (en mogelijk nog 2 scholen per 1 augustus 2010) voorzien in de hiervoor beschreven overgangssituatie. Hierdoor kunnen de scholen met behulp van bijzondere bekostiging nu als locatie voortbestaan en straks na inwerkingtreding van het onderhavige wetsvoorstel een verzoek indienen tot instandhouding als school. De weging of die locaties daarvoor in aanmerking komen vindt dan plaats.

De minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

A. Rouvoet

Naar boven