Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2009-201032267 nr. 4

32 267 Opvang zwerfjongeren 2009

Nr. 4 LIJST VAN VRAGEN EN ANTWOORDEN

Vastgesteld 7 mei 2010

De commissies voor de Rijksuitgaven1, voor Jeugd en Gezin2 en voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport3 hebben een aantal vragen voorgelegd aan de regering inzake het rapport «Opvang zwerfjongeren 2009» van de Algemene Rekenkamer (Kamerstuk 32 267, nrs. 1–2).

De minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport heeft deze vragen mede namens de minister voor Jeugd en Gezin beantwoord bij brief van 6 mei 2010. Vragen en antwoorden zijn hierna afgedrukt.

De voorzitter van de commissie voor de Rijksuitgaven,

Aptroot

De voorzitter van de algemene commissie voor Jeugd en Gezin,

Heijnen

De voorzitter van de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport,

Smeets

De griffier van de commissie voor de Rijksuitgaven,

Groen

1

Is het kabinet van plan de aanbevelingen van Algemene Rekenkamer uit te voeren. Zo ja, op welke termijn? Zo nee, waarom niet?

In mijn reactie op het rapport heb ik aangegeven dat ik de aanbevelingen zal uitvoeren. In het Rekenkamerrapport Opvang Zwerfjongeren 2009 staat op de pagina’s 53 en 54 aangegeven hoe ik daar gevolg aan geef.

2, 5, 7, 22, 23, 24, 28, 31, 32, 33, 38, 40

Geeft dit rapport, waaruit opnieuw blijkt dat de hulp aan (potentiële) zwerfjongeren nog te kort schiet, aanleiding voor het kabinet om het beleid gericht op zwerfjongeren te veranderen?

Hoe gaat het kabinet er voor zorgen dat gemeenten en provincies daadwerkelijk het gewenste aanbod gaan realiseren in de Stedelijk Kompassen en Plannen van Aanpak Maatschappelijke Opvang in G4?

Is het kabinet bereid om te onderzoeken welk voorzieningen onvoldoende op elkaar aansluiten of ontbreken als het gaat om een sluitende aanpak van de zwerfjongerenproblematiek? Zo nee, waarom niet?

Hoe wordt ervoor gezorgd dat de hulp voor zwerfjongeren beter aansluit op de behoefte van de zwerfjongeren zelf, ook op cultureel gebied?

Wat is de voortgang van het Bestuurlijk Overleg, waarin de ambitie «geen zwerfjongere meer op straat» is geuit? Wanneer zijn er concrete resultaten te verwachten?

Is aan de ambitie «Geen zwerfjongere meer op straat» ook een deadline verbonden?

Welke gemeenten kennen een wachtlijst voor de hulp aan zwerfjongeren en wat wordt er aan gedaan om deze wachtlijsten weg te werken?

Wat gaat het kabinet doen om ervoor te zorgen dat in alle centrumgemeenten zowel jongerenpensions als Kamers met Kansen zijn?

Is ook onderzocht of er wachtlijsten zijn voor de betreffende opvangvoorzieningen?

Kan het kabinet aangeven of in de 16 gemeenten waar een sluitende ketenzorg is, deze zorg ook tijdig en voldoende beschikbaar is en voldoende kwaliteit levert? Op welke termijn zullen ook de overige gemeenten over een sluitende ketenzorg beschikken met bijbehorende financiering bijvoorbeeld met een zwerfjongeren gebonden budget?

«Op bladzijde 54 van het rapport staat «Het is de bedoeling dat dit begin 2010 gereed is». Wat verstaat het kabinet onder «begin 2010»?

Kan het kabinet aangeven hoe het mogelijk is dat het oplossen van zwerfjongerenproblematiek niet snel genoeg gaat?

In de rapporten van de Algemene Rekenkamer uit de afgelopen jaren is een gestage stijging in het aantal voorzieningen voor zwerfjongeren te zien. Ook blijkt dat steeds meer centrumgemeenten beleid maken voor zwerfjongeren.

Gegevens over (eventueel toekomstige) wachtlijsten worden echter niet centraal bijgehouden.

Het rapport van de Algemene Rekenkamer onderstreept nog eens de noodzaak tot intensivering van het ingezette beleid. Er wordt momenteel hard gewerkt aan de uitwerking van de afspraken die op 21 september 2009 bestuurlijk zijn gemaakt over de hulp aan en opvang voor zwerfjongeren. Als ambitie heb ik, in bedoeld overleg met de VNG, het IPO, de Federatie Opvang, de MOgroep en Stichting Zwerfjongeren Nederland gekozen voor «alle zwerfjongeren van straat». Uitgangspunt tijdens dat bestuurlijk overleg was dat het primair gaat om gedecentraliseerd beleid, met een regietaak voor de centrumgemeenten. De overige partijen zullen binnen hun eigen verantwoordelijkheid bezien hoe zij de rol van centrumgemeenten met hun inzet extra kunnen ondersteunen. Het gaat hierbij om een aanvulling op de Stedelijke Kompassen van de centrumgemeenten en op de bestuurlijke afspraken tussen rijk en provincies.

Het ingezette traject is erop gericht dat alle centrumgemeenten voor maatschappelijke opvang deze regierol oppakken en de uitvoering ter hand zullen nemen. Hiertoe worden twee sporen gevolgd.

Ten eerste wordt gewerkt aan instrumenten waarvan bekend is dat daar behoefte aan is. Dat zijn in eerste instantie een persoonsgerichte aanpak en een sluitende samenwerking / gerichte preventie, inclusief «warme overdracht». In de persoonsgerichte aanpak kunnen ook de culturele factoren van de zwerfjongere terugkomen. Met het realiseren van een persoonsgerichte aanpak voor alle zwerfjongeren zal ook meer inzicht bestaan in eventuele wachtlijsten respectievelijk het voldoende aanwezig zijn van opvangvoorzieningen.

Het tweede spoor begint met een ronde langs vijftien gemeenten. In deze ronde wordt bekeken hoever de centrumgemeenten werkelijk zijn met de implementatie van de aanpak van zwerfjongeren én wat de centrumgemeenten verder aan instrumenten eventueel nodig hebben om de integrale aanpak van zwerfjongeren te implementeren. De ronde wordt ook gebruikt om goede praktijken en voorbeelden te verzamelen.

Een sluitende keten is één van de centrale onderwerpen in de aanpak van zwerfjongeren. In het kader van de sluitende keten komt capaciteit van de opvang aan de orde. Bovendien kunnen gemeenten ook in de inventariserende ronde capaciteitsgebrek en wachtlijsten aan de orde stellen.

Wanneer de ambitie «Geen zwerfjongere meer op straat» daadwerkelijk gehaald zal zijn, is moeilijk aan te geven. In lijn met de ervaringen van het plan van aanpak maatschappelijke opvang wordt uitgegaan van 4 jaar: vanaf 1 januari 2011 tot en met 2014.

3

In het rapport van de Algemene Rekenkamer worden verschillende onderzoeken genoemd:

  • VIR; Verwijsindex Risicojongeren: doel is risicojongeren kunnen hiermee in een vroeg stadium in beeld komen. (p. 6);

  • Besluit beleidsinformatie Jeugdzorg 2005 en Regeling beleidsinformatie Jeugdzorg 2005: informatieprotocollen over beleidsinformatie over provinciale jeugdzorg (p. 9)

  • Project Verbetering beleidsinformatie Jeugdzorg; registratielast te verminderen (p. 9);

  • Landelijke Jeugdmonitor; samenvatting van informatie over de situatie van de jeugd in Nederland (p. 9);

  • Regeling maatschappelijke ondersteuning 2006 en update van Trimbos in 2009: registratie van de woon- en leefsituatie van de jongere (p. 10);

  • Het effect van de stedelijke kompassen (2010); om te komen tot een samenhangend gemeentelijk beleid (p. 12);

  • Onderzoek naar jongeren in de leeftijd van 17 jaar en het ontvangen van jeugdzorg (2009) (p. 13);

  • Onderzoek Zwerfjongeren (z)onder dak, 2009; knelpunten als jongeren de provinciale jeugdzorg verlaten. (p. 14);

  • Stedelijke kompassen 2009: ambitie geen zwerfjongere meer op straat (p. 15);

  • Enquête onder gemeenten 2008 en 2009; omvang van zwerfjongerenproblematiek en het aantal voorzieningen (p. 16);

  • MOVISIE internationaal; driejarig onderzoek over en met zwerfjongeren (start 2008) (p. 16);

  • Landelijk beleidskader jeugdzorg 2009–2012: beleidsprioriteiten voor het rijksbeleid en het provinciaal jeugdbeleid (p. 19);

  • Bestuursakkoord Samen aan de slag, 2007: afspraak om te komen tot meer laagdrempelige opvoed- en opgroeiondersteuning (p. 20);

  • Opvang Zwerfjongeren; Centra voor Jeugd en Gezien (CJG’s) geven impuls aan samenhangende aanpak zwerfjongeren problematiek (p. 20);

  • Plan van aanpak maatschappelijke opvang 2006 en 2008 (p. 22);

  • Meedoen zonder schulden (p. 23);

  • Tijd voor zwerfjongerenbeleid (2009) gevolgd door Handreiking aanpak zwerfjongerenproblematiek (2009) (p. 23 en 24);

  • TAKE-OFF 2009 (p. 24);

  • Interventieaanpak: Houvast, een passende interventie voor dakloze jongere 2009 (p. 25);

  • Convenant gegevensuitwisseling verwijsindex risicojongeren (p. 37).

Hoe ziet het kabinet de samenhang tussen deze onderzoeken en projecten? Welke concrete actiepunten heeft het kabinet naar aanleiding van deze onderzoeken en projecten uitgevoerd in de periode 2002–2009 en welke resultaten zijn daarmee geboekt?

De Algemene Rekenkamer heeft in haar rapport diverse onderzoeken aangehaald die direct of indirect betrekking hebben op het beleid voor zwerfjongeren. De onderzoeken betreffen uiteenlopende onderwerpen, variërend van brede landelijke beleidsnotities tot registraties over aantallen en over beleid om die informatie te verbeteren, respectievelijk over concrete projecten om de leefsituatie van (onder andere) zwerfjongeren te verbeteren. De gemene deler is dat (delen van) de onderzoeken betrekking hebben op zwerfjongeren. Daar waar opportuun krijgen deze elementen hun plek in de in het vorige antwoord genoemde plan om de zwerfjongerenproblematiek beter aan te pakken.

Ten aanzien van zwerfjongeren hebben de publicaties voorts geleid tot meer aandacht op de diverse bestuursniveaus voor zwerfjongeren. De Algemene Rekenkamer geeft daarvan in haar rapport een weergave.

4, 8, 10 en 11

Hoe gaat het kabinet de motie-De Roos (29 325-45) uitvoeren die verzoekt ervoor te zorgen dat het kabinet in het onderzoek dat in 2010 wordt verricht naar zwerfjongeren een eenduidige definitie van zwerfjongeren hanteert?

Hoe kan het dat we nog steeds geen landelijk beeld hebben van het aantal, de positie en de kenmerken van zwerfjongeren?

Hoe kan het dat het kabinet na herhaald verzoek nog steeds niet tot een definitie van zwerfjongeren kan komen en kan de regering toezeggen dat de definitie van zwerfjongeren, die een breed draagvlak geniet, uiterlijk in maart 2010 beschikbaar is?

Wat is precies het probleem om tot een nieuwe definitie te komen? Heeft het onderzoeksbureau dat deze definitie moet maken geen in tijd begrensde opdracht gekregen? Wat zijn de obstakels om draagvlak voor deze definitie te krijgen?

Met diverse betrokken partijen is de bestaande definitie geëvalueerd en is gesproken over de inhoud van en draagvlak voor een nieuwe eenduidige definitie. De discussie ging onder andere over de breedte van de definitie voor de groep zwerfjongeren en de toepassing ervan in verschillende sectoren. De definitie is nu als volgt afgesproken: zwerfjongeren zijn feitelijk of residentieel daklozen onder de 23 jaar met meervoudige problemen. Over deze definitie en de toelichting die hier bij hoort, wordt u separaat geïnformeerd.

In het onderzoek dat in 2010 wordt verricht wordt de nieuwe definitie gebruikt. De motie De Roos (29 325-45) is daarmee uitgevoerd.

De groep zwerfjongeren is niet eenvoudig te tellen. Deels komt dit doordat de groep niet altijd goed zichtbaar is, deels doordat in de diverse gemeenten en instellingen met uiteenlopende definities en tellingen gewerkt wordt. Momenteel wordt met schattingen gewerkt, een methode die ook de Algemene Rekenkamer gebruikt. Met de nieuwe definitie komt er meer zicht op aantallen, positie en de kenmerken van zwerfjongeren.

6

Wat gaat het kabinet doen aan het probleem dat de Maatschappelijke Opvang niet als opvangmogelijkheid wordt gebruikt door de Bureaus Jeugdzorg omdat er in de reguliere jeugdzorg geen plek zou zijn?

Er zijn geen signalen dat maatschappelijke opvanginstellingen door bureaus jeugdzorg worden benut om een tekort aan plekken in de jeugdzorg op te vangen. Waar opvoed- en opgroeiproblemen aan de orde zijn, moet binnen de jeugdzorg voor adequate hulp worden gezorgd. In het Afsprakenkader over de financiering van de jeugdzorg in 2010 en 2011 dat ik met het IPO ben overeengekomen, is opgenomen aan alle kinderen op tijd de zorg geboden zal worden die nodig is.

9

Hoe verhoudt de melding dat er nog onderzoek wordt verricht in 2010 zich tot de mededeling op dezelfde pagina, dat begin 2010 een plan gereed zal zijn voor de aanpak van de problemen van zwerfjongeren?

Het onderzoek dat in 2010 wordt uitgevoerd betreft een toezegging naar aanleiding van het Rapport over zwerfjongeren uit 2007 om een breed onderzoek te doen naar zwerfjongeren en de stand van zaken rond het beleid voor deze groep. Zoals in antwoord op vraag 2 en verder is aangegeven is naar aanleiding van het Bestuurlijk Overleg van 21 september 2009 een traject ingezet voor de aanpak van het zwerfjongerenbeleid. De uitkomsten van bedoeld onderzoek zullen benut worden bij de verdere vormgeving van die aanpak.

12

Wanneer kunnen we het Burger Service Nummer verwachten in de jeugdzorg?

Een wetsvoorstel met betrekking tot invoering van het Burger Service Nummer in de jeugdzorg zal naar verwachting nog voor de zomer voor consultatie naar de veldorganisaties gezonden worden.

13

Is het kabinet nog steeds van plan de Regeling Maatschappelijke Ondersteuning aan te passen, zodat ook zwerfjongeren in de opvang erin meegenomen worden? Zo nee, waarom niet. En zo ja, wanneer is het voorstel voor de aanpassing gereed?

Ja, dat zijn wij van plan. Op dit moment wordt door het Trimbosinstituut in opdracht van het ministerie van VWS gewerkt aan een advies over de invulling van de dataset die in de nieuwe Regeling Maatschappelijke Ondersteuning zal worden opgenomen.

Zwerfjongeren worden daarin volgens de nieuwe definitie meegenomen. Het streven is dat de aanpassing van de nieuwe Regeling Maatschappelijke Ondersteuning begin 2011 gereed is.

14

Op welke wijze heeft lokaal beleid voorkomen dat tienermoeders of slachtoffers van huiselijk geweld uit huis worden gezet. Op welke wijze voorzien deze werkwijzen in preventie en nazorg? En hoe wordt dit gemonitord?

Voor slachtoffers van huiselijk geweld en tienermoeders geldt het generieke beleid rond het voorkomen van huisuitzettingen; zie antwoord op vraag 15. Verder is vorig jaar de Wet Tijdelijk Huisverbod van kracht geworden. Die beoogt om bij dreiging van huiselijk geweld de pleger voor tien dagen uit huis te halen.

15

Wat gaat het kabinet doen om huisuitzettingen te voorkomen?

In de eerste fase van het plan van aanpak maatschappelijke opvang is al veel aandacht geweest voor huisuitzettingen. In overleg met de sector is een protocol opgesteld dat tot doel heeft huisuitzettingen zoveel mogelijk te voorkomen. Dat protocol is in de G4 nu al een aantal jaren in werking, mede waardoor de G4, tegen de landelijke trend in, een daling laat zien van het aantal huisuitzettingen.

Kern van de aanpak is om, zowel bij huurachterstand als bij overlast, er snel bij te zijn en aan oplossingen te werken. Deze aanpak wordt breder toegepast in de Stedelijke Kompassen.

Ook in de tweede fase van het plan van aanpak maatschappelijke opvang zal er aandacht zijn voor het voorkómen van huisuitzettingen. Sleutel tot succes is om betere afspraken te maken tussen gemeenten en corporaties.  De aanpak van de G4 op dit punt zal ook in de andere centrumgemeenten worden ingevoerd. In de bestuurlijke monitor van het plan van aanpak maatschappelijke opvang worden huisuitzettingen die leiden tot dakloosheid gemeten. Verder monitoren de corporaties jaarlijks het aantal huisuitzettingen.

16

Wanneer is het onderzoek naar de stand van zaken met betrekking tot zwerfjongeren in Nederland te verwachten? Hoe verhoudt dit onderzoek zich tot de andere onderzoeken en monitoren (zoals de Landelijke Jeugdmonitor)?

Het streven is om het onderzoek rond de jaarwisseling 2010 af te ronden.

Het onderzoek is er op gericht de actuele stand te geven van gegevens als aantallen zwerfjongeren en het gemeentelijk en provinciaal beleid terzake. Andere onderzoeken gaan veelal in op deelaspecten en beperken zich tot een enkele gemeente. Het onderzoek naar de stand van zaken beoogt een integraal onderzoek te zijn. De uitkomsten daarvan kunnen worden opgenomen in de Landelijke Jeugdmonitor.

17

Is inmiddels duidelijk wat de precieze vraagstelling en het tijdpad van het onderzoek over kinderen en jongeren in de Maatschappelijke Opvang in 2010 is?

Het onderzoek naar «kinderen in de opvang» is in 2009 afgerond. Dat onderzoek heeft als onderwerp kinderen die met hun ouders meekomen naar de maatschappelijke of vrouwenopvang. In de voortgangsrapportage Maatschappelijke Opvang die voor de zomer naar de Kamer wordt gestuurd, wordt u hierover nader bericht.

18

Heeft de precieze invulling van het onderzoek in overleg met het veld en met de Algemene Rekenkamer nog plaatsgevonden in 2009?

Ik ga ervan uit dat u hier doelt op hetzelfde onderzoek dat in vraag 16 aan de orde komt. In 2009 hebben enkele bijeenkomsten plaatsgevonden met het veld en de Algemene Rekenkamer over de invulling van het onderzoek naar zwerfjongeren. De precieze invulling zal in de eerste helft van 2010 worden afgerond.

19

Wat is de uitkomst van het gesprek met de verantwoordelijken in de Jeugd- en volwassenenzorg over aanpak van de knelpunten met betrekking tot 18+ers? Komt er een groepspecifieke aanpak?

Deze gesprekken worden momenteel voorbereid. Insteek van de gesprekken zal zijn om het aanbod voor deze doelgroep beter af te stemmen op de behoeften, overdracht tussen jeugd- en volwassenzorg te verbeteren, verbeteren van de expertise voor het behandelen van en omgaan met de doelgroep. Mijn inzet is allereerst gericht op het wegnemen van de algemene drempels binnen de hulpverlening én het verbreden van het algemene zorgaanbod voor jongeren van 18 jaar en ouder. Ik verwijs u graag naar de brief over de «Aanpak knelpunten in de hulpverlening van jongeren van 18 jaar en ouder» (31 839-20) die ik 30 oktober 2009 aan uw Kamer heb verzonden.

In vervolg op het traject «zorg in en om de school» dat in 2009 samen met de gemeente Rotterdam en de twee Rotterdamse ROC’s is afgerond, zijn met de gemeente Utrecht afspraken gemaakt over het uitvoeren van een vergelijkbaar traject waarbij de gemeente Utrecht zelf het voortouw neemt. Utrecht onderzoekt daarbij ook specifiek de knelpunten zoals die benoemd zijn in het onderzoek en de Utrechtse praktijk. Dit traject volg ik nauwlettend.

20

Wat gaat het kabinet doen om de hulpverlening aan 18+ ers te verbeteren?

Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik u graag naar de brief over de «Aanpak knelpunten in de hulpverlening van jongeren van 18 jaar en ouder» (31 839-20) die ik 30 oktober 2009 aan uw kamer heb verzonden. Daarin staat onder meer dat gemeenten expliciet de regierol toebedeeld krijgen om er zorg voor te dragen dat alle betrokken partijen op het terrein van zorg voor jongeren efficiënt en effectief met elkaar samenwerken. Dat geldt ook voor jongeren tussen de 18 en 23 jaar. Bureau jeugdzorg heeft deze rol voor zover het gaat om door jeugdzorg geïndiceerde jongeren.

Ter ondersteuning van de regierol van gemeenten zijn ook de volgende trajecten relevant: Wetsvoorstel Zorg in en om de School, Verplichte samenwerkingspartners rondom het onderwijs, Decentralisatie-uitkering Jeugd, Wet Investeren in Jongeren.

Daarnaast zijn de volgende acties relevant om de samenwerking tussen partijen te verbeteren, het zorgaanbod te verbreden en beter aan te laten sluiten op de doelgroep. Dit doe ik door het verspreiden van best practices, zoals het project «Zorg in en om de School» in Rotterdam en de pilot van MKB-NL en de MO-groep waarin partijen verkennen hoe jeugdzorg, onderwijs en arbeidsmarkt met elkaar verbonden kunnen worden zodat het voor jongeren uit de jeugdzorg makkelijker wordt om passend werk te vinden en door de databank effectieve interventies. Met het NJI wordt overlegd hoe meer effectieve interventies voor de doelgroep 18+ in de databank kunnen worden opgenomen.

Het is belangrijk te investeren in de motivatie van jongeren om jeugdzorg te blijven ontvangen dan wel in de volwassenenzorg of bij gemeentelijke voorzieningen de hulp te aanvaarden die nodig is. De volgende acties zijn in dit verband relevant: door middel van «dranggesprekken» wordt getracht om jongeren het belang van voortgezette jeugdzorg op vrijwillige basis in te laten zien. Met deze gesprekken wordt in het project «Zorg in en om de School» in Rotterdam geëxperimenteerd, de resultaten van dit project worden begin 2010 geëvalueerd. Binnen het project nazorg van het programma Aanpak jeugdcriminaliteit van de minister van Justitie loopt momenteel een onderzoek naar de motivatiefactoren van jongeren. Ik zie uit naar de resultaten van dit onderzoek.

De knelpunten in de zorg- en hulpverlening aan 18+ers zijn meegenomen in het standpunt «Perspectief voor Jeugd en Gezin», dat recent naar uw Kamer is gestuurd.

21

Bieden de wettelijke regeling van de wet Bijzondere Opneming Psychiatrisch Ziekenhuizen (BOPZ) en de nieuwe wet verplichte geestelijke gezondheidszorg voldoende mogelijkheden om de zwerfjongere eventueel onder dwang een behandeling aan te bieden?

Personen van wie vermoed wordt dat zij gevaar vormen als gevolg van hun psychische stoornis, kunnen gedwongen worden opgenomen op grond van de Wet bopz. Daarbij geldt dat bij een Inbewaringstelling (IBS) sprake moet zijn van een ernstig vermoeden dat het gevaar wordt veroorzaakt door een geestesstoornis. Bij een voorlopige machtiging moet er een causaal verband zijn tussen de «stoornis van de geestvermogens» en het gevaar.

De Wet BOPZ geeft een ruime definiëring van gevaar en benoemt 3 elementen als nadere omschrijving van het begrip gevaar: 1. gevaar voor degene die het veroorzaakt (o.a. levensgevaar, maatschappelijk ten gronde gaan, ernstige zelfverwaarlozing, agressie van anderen oproepen), 2. gevaar voor een of meer anderen (o.a. levensgevaar, psychische gezondheid anderen, verwaarlozing van iemand aan zijn zorg toevertrouwd), 3. gevaar voor de algemene veiligheid van personen of goederen.

Voorheen kon een gedwongen opgenomen patiënt alleen onder dwang behandeld worden voor zover dit volstrekt noodzakelijk was om het gevaar (binnen de inrichting) af te wenden. Dit had tot gevolg dat patiënten in situaties waarin het gevaar binnen de inrichting was geweken, maar het gevaar dat aanleiding was voor de gedwongen opneming nog niet was afgewend, niet behandeld konden worden, maar evenmin konden worden ontslagen. Per 1 juni 2008 is het criterium voor dwangbehandeling verruimd. De psychiater kan nu ook de onderliggende stoornis of het daaruit voortvloeiende gevaar behandelen,voor zover «het aannemelijk is dat zonder die behandeling het gevaar dat betrokkene door de stoornis van de geestvermogens doet veroorzaken niet binnen een redelijke termijn kan worden weggenomen».

Er is ook de mogelijkheid van de Voorwaardelijke machtiging; met instemming van de patiënt wordt een aantal voorwaarden vastgelegd in het behandelingsplan. Houdt de patiënt zich niet aan de voorwaarden of vormt de patiënt alsnog een gevaar dan kan hij alsnog gedwongen worden opgenomen.

Het bovenstaande is ook van toepassing voor zwerfjongeren boven de achttien als het gaat om de vraag of zij onder dwang een aanbod voor behandeling kunnen krijgen.

25

Welke definitie van zwerfjongeren wordt er in de verschillende lokale onderzoeken gebruikt? Worden deze definities betrokken bij de totstandkoming van een landelijke definitie van zwerfjongeren?

In lokale onderzoeken worden uiteenlopende definities gebruikt. Deze variëren bijvoorbeeld in meegenomen leeftijdscategorie, verblijfsplaats (bijvoorbeeld wel of niet in de jeugdzorg), aantal probleemgebieden of daadwerkelijke dakloosheid (inclusief risico op dakloos worden). In de besluitvorming over een eensluidende landelijke de definitie zijn de verschillende definities en criteria meegewogen.

26

De Algemene Rekenkamer heeft al in 2002 aandacht gevraagd voor de problematiek van knelpunten die zwerfjongeren ervaren als zij de jeugdzorg verlaten. Wat is er in de tussentijd aan stappen ondernomen om aan deze problematiek een einde te maken?

Naar aanleiding van signalen dat de aansluiting tussen jeugdzorg en maatschappelijke opvang niet goed zou verlopen, is het onderzoek «Zwerfjongeren (z)onder dak» gestart. Het onderzoeksresultaat is de basis geweest om met de betrokken partners een bestuurlijk overleg te entameren dat geleid heeft tot de afspraak dat de problematiek van zwerfjongeren gezamenlijk opgepakt gaat worden. Een persoonsgerichte aanpak en een goede overdracht tussen hulpverleningsstelsels maakt daar onderdeel van uit. In het Landelijk Beleidskader Jeugdzorg 2009–2012 is al opgenomen dat provincies met gemeenten sluitende afspraken moeten maken over de afstemming van het beleid voor zwerfjongeren.

27

Waarom is er gekozen voor een indicatiestelling waarbij veel nadruk ligt op het behandelen en niet op het begeleiden van opgroeien en hoe verhoudt zich dit tot de ambitie «geen zwerfjongere meer op straat»?

De klaarblijkelijke nadruk op behandeling bij de indicatiestelling door bureau jeugdzorg is een in de praktijk gegroeide. Dit wil overigens niet zeggen dat hierdoor de door zwerfjongeren gevraagde zorg niet wordt gerealiseerd, zoals ook de Algemene Rekenkamer constateert.

De indicatiestelling door bureau jeugdzorg is onderdeel van mijn brief «Perspectief voor jeugd en gezin».

29

Hoe verhoudt het landelijk beleidskader Jeugdzorg zich tot de initiatiefgroep onder regie van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG)?

De afspraken die in het kader van het Landelijk Beleidskader Jeugdzorg 2009–2012 door de provincies met de gemeenten zijn gemaakt over de samenhang en afstemming van het beleid voor zwerfjongeren, zullen onderdeel vormen van de gemeentelijke aanpakken voor zwerfjongeren in het kader van de Stedelijke Kompassen. Waar nodig kunnen aanvullende afspraken worden gemaakt.

Een initiatiefgroep onder leiding van de VNG is mij niet bekend. De VNG evenals het IPO zijn nauw betrokken bij de verdere voortgang van de aanpak rond zwerfjongeren.

30

Waaruit blijkt dat de Zorg- en adviesteams (ZAT’s) de kwaliteit van de samenwerking onvoldoende verbeteren? Wat wordt hieraan gedaan?

Doelstelling van het kabinet is om in alle onderwijssectoren 100% dekking van goed functionerende ZAT's te hebben. Uit de jaarlijkse ZAT-monitor van het Nederlands Jeugdinstituut blijkt dat de kwaliteit van samenwerking in ZAT’s, uitgedrukt in deelnemende kernpartijen en het aantal schriftelijke afspraken, al een aantal jaren op rij gestaag verbetert. De samenwerking is echter nog te vrijblijvend. Het kabinet is daarom tot de conclusie gekomen dat wettelijke borging van ZAT’s en de samenwerking voor zorg in en om de school een belangrijke bijdrage levert aan snelle en passende hulp voor ieder kind en iedere jongere van 0 tot 23 jaar. Hiermee voorkomen we dat leerlingen met onderwijsoverstijgende problemen tussen wal en schip terechtkomen, voortijdig de school verlaten of maatschappelijk uitvallen.

34

Alle gemeenten voeren op een heel eigen wijze beleid om een sluitende keten te krijgen. Hoe staat dit in verhouding tot de landelijke en provinciale kaders? Is bekend welke gemeente de beste resultaten boekt? Zo ja, kan deze situatie dan ook voor de andere gemeenten als voorbeeld gesteld worden?

In grote lijnen is het beleid van de centrumgemeenten gericht op het bereiken van een sluitende keten voor zwerfjongeren. De vijf te onderscheiden voorzieningen – preventie, signalering, jongerenopvang, hulpverlening en nazorg – komen daarbij in steeds meer gemeenten beschikbaar. Daarbij wordt gekeken naar de lokale behoeften en samenwerking met andere beleidsterreinen. Het Landelijk Beleidskader Jeugdzorg 2009–2012 laat – terecht – die gemeentelijke vrijheid in stand.

In 2009 waren in 28 van de 43 centrumgemeenten vier of vijf soorten voorzieningen aanwezig. Terecht constateert de Algemene Rekenkamer dat dit niet aangeeft of deze voorzieningen in voldoende mate en tijdig aanwezig zijn. Een beter beeld daarvan zal ontstaan met de eerder genoemde aanpak zwerfjongeren, waarbij gemeenten ook onderling zullen kunnen profiteren van succesvolle aanpakken elders.

35

Zijn de concrete plannen voor de toekomst die de 43 centrumgemeenten maken ook kwantitatief te maken?

Via de monitor voor de Stedelijke Kompassen en de monitor maatschappelijke opvang zullen de ontwikkelingen gevolgd worden. Hierover wordt u geïnformeerd in de jaarlijkse voortgangsrapportage maatschappelijke opvang. Dit betreft voor een deel kwantificeerbare gegevens, zoals het aantal opvangplekken en het aantal voorzieningen in de keten. Op grond van de nader overeen gekomen definitie van zwerfjongeren en de ambitie van alle partijen zal ook het aantal zwerfjongeren «op straat» op termijn gevolgd moeten (kunnen) worden.

36

Zijn alle instanties die werken met zwerfjongeren ook aangemeld aan de verwijsindex en werken alle instanties mee? Zo nee, waarom niet?

Het ontwerpbesluit dat meldingsbevoegde instanties en functionarissen voor de verwijsindex aanwijst, is inmiddels voor advies aan de Raad van State voorgelegd. In het eerste lid, van artikel 1e, van het ontwerpbesluit worden onder andere instanties voor maatschappelijke ondersteuning die in prestatieveld zeven van de Wmo opereren, aangewezen. Het zevende prestatieveld betreft het bieden van maatschappelijke opvang, onder meer aan zwerfjongeren. Hiermee krijgen instanties die opvang verlenen aan zwerfjongeren de bevoegdheid jeugdigen aan de verwijsindex te melden. De wet met betrekking tot de verwijsindex en het ontwerpbesluit zijn nog niet in werking getreden. Daarom zijn nog niet alle gemeenten op de verwijsindex aangesloten en werken nog niet alle aangewezen instanties mee. Overigens geldt er geen aansluitverplichting voor instanties en moeten er – bij wijze van kwaliteitsborging voor de hulpverleningsprocessen – samenwerkingsafspraken met de betrokken gemeente en overige betrokken partijen worden gemaakt.

37

Zijn er concrete aanwijzingen voor stapeling van beleid, zoals genoemd?

Zoals ik in mijn reactie op het rapport van de Algemene Rekenkamer heb aangegeven wordt er juist naar gestreefd om stapeling van beleid te voorkomen door aan te sluiten bij de reeds bestaande Stedelijke Kompassen en beleidsonderdelen van de Aanpak zwerfjongeren daarin te laten samenkomen.

39

Waarom is het kabinet zo verheugd met de constatering dat er meer gemeenten onderzoek verrichten naar zwerfjongeren? Immers, in de zin erna constateren zij zelf dat de onderzoeken moeilijk onderling te vergelijken zijn.

Wij zijn hierover verheugd, omdat dat betekent dat meer centrumgemeenten zwerfjongeren beter in beeld willen krijgen. Dat is het begin van een beter beleid voor zwerfjongeren, dat eerst en vooral op lokaal niveau effectief kan zijn. Dat men daarbij in eerste instantie kijkt naar de lokale omstandigheden en niet naar de landelijke vergelijkbaarheid, is begrijpelijk vanuit het oogpunt van de gemeenten zelf en het toekomstperspectief van de zwerfjongeren.


XNoot
1

Samenstelling:

Leden: Vlies, B.J. van der (SGP), Blok, S.A. (VVD), Hoopen, J. ten (CDA), Weekers, F.H.H. (VVD), Haersma Buma, S. van (CDA), Nerée tot Babberich, F.J.F.M. de (CDA), Aptroot, Ch.B. (VVD), voorzitter, Dezentjé Hamming-Bluemink, I. (VVD), Omtzigt, P.H. (CDA), Koşer Kaya, F. (D66), Luijben, A.P.M. (SP), Veen, E. Van der (PvdA), Kalma, P. (PvdA), Gerven, H.P.J. Van (SP), Blanksma-van den Heuvel, P.J.M.G. (CDA), Cramer, E.A. (CU), Dijck, A.P.C. van (PVV), Gesthuizen, S.M.J.G. (SP), Ouwehand, E. (PvdD), Heijnen, P.M.M. (PvdA), Tang, P.J.G. (PvdA), Vos, M.L. (PvdA), ondervoorzitter, Bashir, F (SP), Sap, J.C.M. (GL) en Vacature, (CDA).

Plv. leden: Staaij, C.G. van der (SGP), Burg, B.I. van der (VVD), Jonker, C.W.A. (CDA), Snijder-Hazelhoff, J.F. (VVD), Vries, J.M. de (CDA), Hijum, Y.J. Van (CDA), Beek, W.I.I. van (VVD), Krom, P. de (VVD), Pater-van der Meer, M.L. de (CDA), Ham, B. van der (D66), Gerkens, A.M.V. (SP), Vermeij, R. (PvdA), Vacature, (PvdA), Kant, A.C. (SP), Vacature, (CDA), Anker, E.W. (CU), Roon, R. de (PVV), Irrgang, E. (SP), Thieme, M.L. (PvdD), Linhard, P. (PvdA), Besselink, M. (PvdA), Vacature, (PvdA), Roemer, E.G.M. (SP), Vendrik, C.C.M. (GL) en Mastwijk, J.J. (CDA).

XNoot
2

Samenstelling:

Leden: Vlies, B.J. van der (SGP), Dijsselbloem, J.R.V.A. (PvdA), Çörüz, C. (CDA), Gerkens, A.M.V. (SP), ondervoorzitter, Sterk, W.R.C. (CDA), Miltenburg, A. van (VVD), Dijken, M.J. van (PvdA), Dezentjé Hamming-Bluemink, I. (VVD), Aasted Madsen-van Stiphout, J.D.M.P. (CDA), Koşer Kaya, F. (D66), Jonker, C.W.A. (CDA), Teeven, F. (VVD), Wolbert, A.G. (PvdA), Voordewind, J.S. (CU), Zijlstra, H. (VVD), Bouchibti, S. (PvdA), Langkamp, M.C. (SP), Ouwehand, E. (PvdD), Agema, M. (PVV), Leijten, R.M. (SP), Dibi, T. (GL), Heijnen, P.M.M. (PvdA), voorzitter, Toorenburg, M.M. van (CDA), Uitslag, A.S. (CDA) en Vacature, (SP).

Plv. leden: Vacature, (SGP), Heerts, A.J.M. (PvdA), Omtzigt, P.H. (CDA), Kant, A.C. (SP), Blanksma-van den Heuvel, P.J.M.G. (CDA), Burg, B.I. van der (VVD), Eijsink, A.M.C. (PvdA), Meeuwis, CLM (VVD), Biskop, J.J.G.M. (CDA), Ham, B. van der (D66), Pater-van der Meer, M.L. de (CDA), Verdonk, M.C.F. (Verdonk), Bouwmeester, L.T. (PvdA), Wiegman-van Meppelen Scheppink, E.E. (CU), Schippers, E.I. (VVD), Timmer, A.J. (PvdA), Gesthuizen, S.M.J.G. (SP), Vacature, (PvdD), Mos, R. De (PVV), Wit, J.M.A.M. de (SP), Azough, N. (GL), Arib, K. (PvdA), Vries, J.M. de (CDA), Dijk, J.J. van (CDA) en Karabulut, S. (SP).

XNoot
3

Samenstelling:

Leden: Vlies, B.J. van der (SGP), Kant, A.C. (SP), Ferrier, K.G. (CDA), ondervoorzitter, Joldersma, F. (CDA), Vries, J.M. de (CDA), Smeets, P.E. (PvdA), voorzitter, Miltenburg, A. van (VVD), Schippers, E.I. (VVD), Smilde, M.C.A. (CDA), Timmer, A.J. (PvdA), Koşer Kaya, F. (D66), Willemse-van der Ploeg, A.A.M. (CDA), Veen, E. Van der (PvdA), Schermers, J.P. (CDA), Gerven, H.P.J. Van (SP), Wolbert, A.G. (PvdA), Zijlstra, H. (VVD), Ouwehand, E. (PvdD), Agema, M. (PVV), Leijten, R.M. (SP), Bouwmeester, L.T. (PvdA), Wiegman-van Meppelen Scheppink, E.E. (CU), Sap, J.C.M. (GL), Roos-Consemulder, B. De (SP), Harbers en M.G.J. (VVD).

Plv. leden: , Staaij, C.G. van der (SGP), Velzen, K. van (SP), Atsma, J.J. (CDA), Aasted Madsen-van Stiphout, J.D.M.P. (CDA), Ormel, H.J. (CDA), Dijken, M.J. van (PvdA), Verdonk, M.C.F. (Verdonk), Dezentjé Hamming-Bluemink, I. (VVD), Vietsch, C.A. (CDA), Arib, K. (PvdA), Ham, B. van der (D66), Uitslag, A.S. (CDA), Yücel, K (PvdA), Omtzigt, P.H. (CDA), Langkamp, M.C. (SP), Vermeij, R. (PvdA), Krom, P. de (VVD), Thieme, M.L. (PvdD), Mos, R. De (PVV), Luijben, A.P.M. (SP), Heerts, A.J.M. (PvdA), Ortega-Martijn, C.A. (CU), Halsema, F. (GL), Wit, J.M.A.M. de (SP) en Neppérus, H. (VVD).