32 262 Instellen van de tijdelijke baten-lastendienst nieuwe VWA

26 991 Voedselveiligheid

29 683 Dierziektebeleid

Nr. 4 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG

Vastgesteld, 15 december 2010

Binnen de vaste commissie voor Economische Zaken, Landbouw en Innovatie1 hebben enkele fracties de behoefte over de volgende brieven enkele vragen en opmerkingen voor te leggen:

  • 1. Rapportage van de Raad van Advies over het Bureau Risicobeoordeling (BuR) over 2009 (Kamerstuk 32 123-XIV-209) van 11 juni 2010

  • 2. Beantwoording vragen commissie LNV inzake instellen van de tijdelijke baten-lastendienst nieuwe VWA (Kamerstuk 32 262-2) van 17 februari 2010

  • 3. Beoogde wijzigingen van de VWA-tarieven per 1 juli 2010 en over de evaluatie 2009 van het planningskader VWA (Kamerstuk 26 991, nr. 278) van 10 februari 2010

  • 4. Beleidsevaluatie openbaarmaking controlegegevens door de VWA (Kamerstuk 26 991, nr. 276) van 10 december 2009

  • 5. Aanbieding afschrift van de brief die de nieuwe Voedsel en Waren Autoriteit aan EVP de Kempen BV heeft gezonden (2010Z10939) van 14 juli 2010

  • 6. Rapportage verbeterprogramma Dier bij de VWA (Kamerstuk 26 991-279) van 30 juni 2010

  • 7. Voortgang fusie nieuwe Voedsel en Waren Autoriteit (nVWA) (Kamerstuk 32 262-3) van 7 september 2010

  • 8. Beantwoording vragen commissie over de goedkeuring voor kwaliteitssysteem van Veetrans (Kamerstuk 26 991-280) van 6 juli 2010

  • 9. Advies van de directeur bureau Risicobeoordeling en Onderzoeksprogrammering (BuRo) over de risico’s van schapenwol (29 683-59) van 15 september 2010

  • 10. Rapport Berenschot aan naar de effecten en de haalbaarheid van het ontkoppelen van voorschrijven en verkoop van diergeneesmiddelen door dierenartsen (29 683-42) van 9 maart 2010

  • 11. Stand van zaken inzake vermindering van antibioticumgebruik in de veehouderij (Kamerstuk 31 478-5) van 27 september 2010

  • 12. Deskundigenberaad RIVM en reductie antibioticumgebruik (Kamerstuk 29 683-53) van 12 april 2010

  • 13. Stand van zaken over de antibioticaproblematiek in relatie tot de veehouderij (Kamerstuk 29 683-57) van 24 juni 2010

  • 14. Voorhang wijziging tariefbepaling Regeling diervoeders (Kamerstuk 26 991-294) van 23 november 2010

  • 15. Informatie inzake internationale handel in dierlijke eiwitten (Kamerstuk 26 991-293) van 18 november 2010

  • 16. Onafhankelijke autoriteit in relatie tot antibioticagebruik (29 683-62) van 17 november 2010

  • 17. Voorstellen taskforce Antibioticaresistentie Dierhouderij (2010Z18904) van 8 december 2010

De vragen en opmerkingen zijn op 9 december 2010 aan de staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie en de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport voorgelegd. Bij brief van 13 december 2010 zijn ze door de staatssecretaris Economische Zaken, Landbouw en Innovatie en de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport beantwoord.

De voorzitter van de commissie,

Van der Ham

Adjunct-griffier van de commissie,

Van der Velden

Inhoudsopgave

Blz.

   

Vragen en opmerkingen vanuit de fracties

3

°

Vragen en opmerkingen van de leden van het CDA

3

°

Vragen en opmerkingen van de leden van de PvdD

5

   

Reactie van de staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie en de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport

12

I. VRAGEN EN OPMERKINGEN VANUIT DE FRACTIES

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van het CDA

Na een deelevaluatie in 2007 ligt nu een evaluatie van de Voedsel en Waren Autoriteit (VWA) voor over het beoogde effecten, analyse van juridische kader en inventarisatie van de financiële consequenties. De resultaten spreken eigenlijk voor zich. De openbaarmaking heeft wel effect op de risicobeheersing binnen bedrijven en gemeenten. Het hoofddoel te weten het verhogen van het vertrouwen middels transparantie wordt niet gerealiseerd met de openbaarmaking. Toch wordt geconcludeerd dat de openbaarmaking bijdraagt aan het vertrouwen. De leden van de CDA-fractie vragen op welke wijze de openbaarmaking dan bijdraagt aan het vertrouwen. Het effect van openbaarmaking op controlegegevens van de VWA op het keuzegedrag van partijen is gering, maar de bekendheid met openbaarmaking ook. Deze leden vragen welke waarde dit oordeel dan heeft. Kort gezegd meldt de evaluatie dat openbaarmaking in zijn huidige vorm geen doel dient veel geld kost. Deelt de staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie deze mening?

Ook blijven vragen staan over de werkwijze van de VWA in dezen. De VWA controleert bij formulebedrijven steekproefsgewijs en risicogericht. Vervolgens worden deze individuele bedrijven met naam en toenaam openbaar. Het gaat dus om specifieke situaties die vervolgens worden vertaald naar het grotere geheel. De vraag is of dit wel zo zorgvuldig is. Volgens deze leden niet. Brengt deze manier van handelen een (rechts) ongelijkheid van bedrijven met zich mee? Deze leden vragen hoe groot het gevaar is dat zaken totaal uit zijn verband worden gerukt en daarmee schadelijk zijn voor het vertrouwen van de consumenten in het handelen van de overheid, in het voedsel en in andere producten en diensten. Centrale vraag is of de beschikbare resultaten wel bruikbaar zijn voor openbaarmaking? Kan de staatssecretaris nader ingaan op de werkwijze van de VWA in deze? Op welke wijze communiceert het VWA over de context en de interpretatie van gegevens?

Eerder zijn al twijfels geuit over de bestaande regeling. Deze zou «lek» geschoten kunnen worden. De analyse van het juridisch kader is helder, er zijn vraagtekens te zetten. Is de openbaarmaking enkel en alleen informerend bedoelt, dan is het juridisch kader goedgedicht. Is de openbaarmaking punitief bedoeld dan niet. Als deze constatering naast het doel wordt neergelegd blijft de conclusie dat het juridisch kader goedgedicht is dan overeind? Deze leden concluderen van niet. Immers het juridisch kader is niet gedicht als het gaat om het benutten van de openbaarmaking als instrument om de naleving te bevorderen dat heeft namelijk een punitief karakter.

Deze leden zijn van mening dat openbaarmaking als aanvullend sanctie-instrument voor zeer ernstige overtredingen, een mogelijkheid is met gewenst effect. Kleinere overtreding vallen hier, wat betreft deze leden, niet onder. Om de openbaarmaking als instrument te kunnen gebruiken dient wel de wet te worden aangepast. Op welke termijn kan openbaarmaking ingezet worden als instrument om de naleving te bevorderen? Deze leden vragen of niet in overweging is te nemen om alleen een openbaarmakingstraject op te starten wanneer volksgezondheid en wellicht aanvullend diergezondheid en dierenwelzijn in het geding is? Voor de rest voegt de openbaarmaking kennelijk, blijkende uit evaluatie, weinig toe.

Is om de toegevoegde waarde te vergroten een knip in openbaarmaking van VWA controle gegevens ten behoeve van de informerende functie en een sanctionerende functie een oplossing, zo vragen deze leden. Bij de informerende functie moet het toezicht van de VWA, middels generieke rapportages, een bijdrage leveren aan een doeltreffende bescherming van de burger tegen risico’s. Bij de sanctionerende functie moet het toezicht van de VWA, middels de handelswijze van de toezichtspiramide specifiek rapporten, een bijdrage leveren om ondernemers die extreme en/of structurele overtredingssituatie met direct gevaar voor volksgezondheid aan te pakken. Graag ontvangen deze leden op dit punt een reactie.

Kostendekkende tarieven zijn onderdeel van het maatregelenpakket om financieel evenwicht voor de VWA te bereiken. Op bezwaren over ongelijkheid in de lidstaten is gereageerd. Gebleken is dat geen bewijs is gevonden voor het disfunctioneren van de interne markt als gevolg van de verschillende retributiestelsels en de verschillen in keuringskosten. De diverse studies gaven geen aanleiding af te wijken van het met de Kamer overeengekomen uitgangspunt van volledig kostendekkende tarieven. Desalniettemin blijven sectoren ontevreden omdat de VWA onvoldoende effectief en efficiënt werkt waardoor tarieven nog steeds hoog zijn ten opzichte van de geleverde dienst. Als deze in evenwicht zijn kan sprake zijn van een terecht kostendekkend tarief. In de brief van 5 juni 20092 naar aanleiding van de motie van het lid Snijder-Hazelhoff3 is ingegaan op de verbetering van de efficiency bij de VWA en de stappen die daarin worden gezet. Echter leiden de VWA-tarieven steeds weer tot bezwaren vanuit de sectoren. Deze komen voort uit een gevoel van ongenoegen dat gevoed wordt door een drietal elementen. De bezwaren komen voort uit een aantal overwegingen zoals het feit dat de overheid van mening is dat overheidstoezicht in de dierlijke sectoren met kostendekkende tarieven moet worden vergoed, terwijl dit principe niet gebruikelijk is bij overheidstoezicht in andere sectoren van de levensmiddelenindustrie en bij overheidstoezicht in andere delen van het maatschappelijke leven, het feit dat de staatssecretaris bij de berekening van «kostendekkendheid» meer kosten in rekening brengt dan de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport bij de vaststelling van een aantal tarieven en tot slot het feit dat het principe van «kostendekkendheid» leidt tot start- en uurtarieven die veelal hoger zijn dan tarieven die in de markt gebruikelijk zijn, terwijl de dienstverlening daarbij achterblijft. Dit terwijl de sector nadrukkelijk nog onvoldoende flexibiliteit in de dienstverlening van de VWA ervaart. Weliswaar wijzen de genoemde versoepelingen in het planningskader in de goede richting, maar bieden voor de sector slechts op zeer beperkte wijze soelaas. Wat is de stand van zaken met betrekking tot de tegemoetkoming aan de bezwaren en op welke wijze is bij de berekening van de tarieven de effectiviteit en efficiëntie meegewogen?

Bij de berekening van «kostendekkendheid» wordt het rapport «Maat houden» als uitgangspunt genomen. Deze leden vragen of het klopt dat daarbij te gemakkelijk het profijt beginsel wordt toegepast om een basis te hebben voor het in rekening brengen van het toezicht. Deze leden constateren dat de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport bij een aantal tarieven voor invoercontroles andere maatstaven hanteert. Hierin handelt het in overstemming met artikel 27 en bijlage VI van Verordening (EG) nr. 882/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 inzake officiële controles op de naleving van de wetgeving inzake diervoeders en levensmiddelen en de voorschriften inzake diergezondheid en dierenwelzijn4. Deze verordening bepaalt dat bij de berekening van vergoedingen de criteria gelden dat de salarissen van het personeel dat betrokken is bij de officiële controles, de kosten voor het personeel dat betrokken is bij de uitvoering van de officiële controles, inclusief kosten voor installaties, instrumenten, uitrusting, opleiding, alsmede reis- en daarmee verband houdende kosten en de kosten voor bemonstering en laboratoriumonderzoek. Tarieven die boven deze kosten uitgaan zijn op grond van artikel 27, lid 4 van deze verordening niet toegestaan. Deze leden vernemen graag van waarom de staatssecretaris ten aanzien van de tarieven in de dierlijke sectoren deze criteria niet hanteert. Is deze wijze van berekening van de tarieven aan de Europese Commissie meegedeeld, zoals in de verordening is voorgeschreven, op het feit dat van de voorgeschreven criteria wordt afgeweken zo vragen deze leden. Op welke wijze wordt ingezet om te komen tot volledig transparante retributie/tarieven regelingen?

De staatssecretaris heeft tijdens de plenaire behandeling van de begroting van het ministerie toegezegd om te kijken naar toezichtmethoden en in sommige gevallen naar wat men noemt «metatoezicht». Er moet toezicht op het kwaliteitstoezicht van de organisatie zelf worden doorgevoerd in plaats van altijd het nVWA toezicht. De Kamer wordt daarover voor 1 juni 2011 geïnformeerd. Deze leden krijgen ondermeer signalen van dubbele controles met betrekking tot importcontrole op hoog risico producten uit derde landen. Een drama voor bijvoorbeeld aardbeien uit Egypte. Sommige importeurs hadden afspraken met laboratoria om dezelfde dag nog van iedere container over een eigen analyse te beschikken. Het door de nVWA aangewezen laboratorium in Wageningen lukt dit niet. Het gevolg is dat bedrijven van eigen controle af zien en productstromen verschuiven naar andere landen. Zijn dit soort problemen bekend? Zo, ja op welke wijze wordt deze problematiek opgepakt?

De vele discussies in de Kamer over diverse kwaliteitsregelingen alsook de oproep van de staatssecretaris om te komen tot één systeem heeft geleid tot een nieuwe privaatrechtelijke stichting kwaliteitsregeling voor het transport en het verzamelen van als landbouw gehouden dieren. Het systeem wordt «een huis» genoemd. Het streven is om een alomvattend systeem te maken. Dit is mogelijk door te werken aan de koppeling met de verschillende Integrale Ketenbeheersing (IKB) systemen, te weten IKB Varken, IKB Nederland Varkens en IKB Kalf. Door het opnemen van voorschriften in de IKB systemen zijn ook alle schakels in de keten betrokken, zodat in de toekomst het transport en het verzamelen van dieren uitsluitend plaatsvindt door deelnemers aan «een huis» dan wel aan daardoor erkende buitenlandse systemen. In oktober 2010 werd gemeld dat de nVWA de laatste hand aan de goedkeuringsprocedure legde. Wat is de huidige stand van zaken?

Waar wordt overigens het Bureau Risicobeoordeling in de toekomst ondergebracht?

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van de PvdD

De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren zijn het niet eens met de fusering van de Voedsel en Waren Autoriteit (VWA), de Algemene Inspectiedienst (AID) en de Plantenziektekundige Dienst (PD). Dankzij de rapporten van Hoekstra en Vanthemsche is het duidelijk wat de knelpunten zijn bij de VWA. Ditzelfde moet worden gedaan bij de AID. Alleen zo kan er serieus gekeken worden of en in hoeverre er sprake kan zijn van een vruchtbare samenwerking of fusie tussen de diensten. Is de staatssecretaris bereid tot zo’n onafhankelijk onderzoek?

Het advies van de ondernemingsraad (OR) van de AID inzake de fusie wijst ook op de problemen. De ondernemingsraad maakt zich zorgen over het voornemen om medewerkers om de drie tot vijf jaar van functie te wisselen. De OR schrijft in haar advies over de fusie van januari 2009 dat het voornemen volledig voorbij gaat aan de kracht van de organisatie, zijnde de kennis en ervaring van de medewerkers. De huidige krimptaakstelling ervaart de OR als zeer risicovol. De OR laakt het vertrouwen op zelfregulering en beroept zich op wetenschappers die wijzen op de gevaren ervan. Wat gaat de staatssecretaris doen met deze bezwaren van de OR?

En wie zullen er uiteindelijk de dupe van zijn als blijkt dat de fusie niet leidt tot een betere controlerende instantie: de mensen en vooral ook de dieren zelf. Tijdens het eerder gehouden schriftelijk overleg zijn al vragen gesteld over hoe het belang van dierenwelzijn gewaarborgd kan worden bij de reorganisatie. Hier is door de toenmalige minister toen amper op gereageerd. Terwijl er alleen al in de zomer van 2010 talloze incidenten hebben plaats gevonden. De klapper op de vuurpijl was de Nederlandse transporteur die in Spanje aankomt met 300 dode biggen. Deze transporteur heeft alleen een waarschuwing gekregen. Daarna kon hij gewoon weer doorgaan met het transporteren van dieren. Kan de staatssecretaris aangeven of hij dit een gepaste maatregel vindt voor een dergelijk incident? Waarom is de vergunning van deze transporteur niet ingetrokken?

In antwoord op schriftelijke vragen van deze leden over het vervoeren van varkens in extreme hitte heeft de toenmalige minister aangegeven dat er maar vijftien temperatuurregistraties van de zomer zijn opgevraagd. Nu staat dit niet in verhouding met het aantal transporten die dagelijks worden uitgevoerd. Heeft de beoordeling van de temperatuurregistraties inmiddels plaatsgevonden? En heeft de sector al aangegeven op welke wijze ze kan garanderen dat tijdens het vervoer aan de temperatuurseisen wordt voldaan? Deze leden wil diertransporten, wanneer een temperatuur van boven de 28 graden Celsius wordt voorspeld, verbieden. Kan de staatssecretaris zijn visie geven op dit voorstel?

Dan het probleem met de stahoogte. De toenmalige minister heeft vorig jaar aangegeven te onderzoeken welke ruimte of stahoogte tijdens diertransport minimaal nodig is zodat de dieren in natuurlijke houding rechtop kunnen staan. Is dit onderzoek inmiddels al af en zo ja, wat is de uitkomst van het onderzoek?

Begin 2009 is de transportsector door de toenmalige minister gevraagd een plan op te stellen met voorstellen om te komen tot verbetering van de condities op de wagen voor langeafstandstransporten. In de voortgangsrapportage nota dierenwelzijn van maart 2010 staat dat de toenmalige minister nog steeds niets heeft ontvangen. Dit is alweer een voorbeeld waaruit blijkt dat zelfregulering voor deze sector niet werkt. Heeft de staatssecretaris het plan inmiddels ontvangen? Zo niet, dan willen deze leden graag weten welke consequenties dit heeft voor de transportsector.

De intensieve veehouderij importeert en exporteert meer dieren dan ooit. Dit betekent dat de langeafstandstransporten ook steeds meer toenemen. Hoe kan het dierenwelzijn worden gewaarborgd als de staatssecretaris alles overlaat aan de sector zelf? Deze leden zijn van mening dat steekproeven op lange afstandstransporten niet genoeg zijn. Zelfcontrole, tevoren aangekondigde controles en controles op eigen verzoek passen niet bij een sector die structureel en op grote schaal de wet blijkt te overtreden. Kan de staatssecretaris aangeven waarom er niet voor wordt gekozen om structurele controles uit te voeren? De duur van de transporten zou tevens moeten worden verkort. Nu dit ook één van de doelstellingen is uit het regeerakkoord, zouden deze leden graag willen weten wat de concrete plannen zijn om te komen tot een verkorting van de veetransporten. Wat verstaat de staatssecretaris onder verkorten? Kan de staatssecretaris aangeven hoe het met de herziening van de Transportverordening staat en wat de inzet van de staatssecretaris zal zijn?

Deze leden zijn geschrokken van de conclusies van de tweede evaluatie kwaliteitssysteem Dierwaardig Vervoer en NBW-Q. In de evaluatie wordt aangegeven dat de effectiviteit van de audits moet worden verbeterd. De verbeterpunten zien onder andere op de maximale belading voor varkens, de audits bij verzamelcentra en de naleving van dierenwelzijnsvoorschriften. Deze leden zullen deze punten stapsgewijs doornemen. In de evaluatie is aangegeven dat het van belang is dat er helderheid komt over de interpretatie van de Europese Transportverordening ten aanzien van de maximale belading voor varkens. Het risico bestaat dat de sector haar eigen interpretatie hanteert en dat verschillende interpretaties naast elkaar bestaan. Deze leden willen van de staatssecretaris weten waar deze onduidelijkheid vandaan komt. Hoe is de staatssecretaris van plan om deze onduidelijkheid weg te nemen? Is de staatssecretaris bereid om regelgeving op te stellen zodat de onduidelijkheid wordt weggenomen? Uit de evaluatie blijkt dat tijdens de audits van Vianorm bij transporteurs er geen dieren aanwezig zijn en dat de audits van SGS allemaal vooraf aangekondigd zijn voordat ze plaats vonden. Deze leden vragen hoe de zelfregulering van de sector serieus kan worden genomen als de controlerende instanties zo met hun bevoegdheden omgaan. Hoe verhoudt de uitspraak van de staatssecretaris dat het toezicht op het terrein diertransporten en slachthuizen is verbeterd, zich met deze informatie? Welke acties is de staatssecretaris van plan om te gaan ondernemen om deze situatie drastisch te verbeteren? Deelt de staatssecretaris de conclusie in de evaluatie dat een vorm van metatoezicht vanuit de overheid op de controlerende instanties noodzakelijk is?

In de praktijk vormen momenten van aanlevering van dieren op het verzamelcentrum een zogenaamde «blinde vlek» in het toezicht. In de evaluatie wordt dan ook aanbevolen om hier op te gaan controleren. Deze leden willen van de staatssecretaris weten waarom niet wordt gecontroleerd op aanlevermomenten, en hoe de staatssecretaris dit probleem gaat oplossen.

Deze leden zijn van mening dat op basis van de conclusies van de evaluatie en de misstanden die nog steeds plaatsvinden ten aanzien van diertransporten, kan worden geconstateerd dat de 100 procent klepcontrole zal moeten worden heringevoerd. In de evaluatie wordt aangegeven dat de keuringsarts, na de stalkeuring, zichzelf afvraagt wie daadwerkelijk controleert of de goedgekeurde dieren worden geladen, dat de wrakke dieren achterblijven, dat er niet meer dieren op het veetransportmiddel worden toegelaten dan in het kader van dierenwelzijn is toegestaan, dat op de juiste wijze wordt beladen en dat de juiste voorzieningen zoals drinkwater en dergelijke zijn getroffen. Blijkbaar is het vertrouwen van dierenartsen volledig verdwenen. Deze leden vragen wat de staatssecretaris van deze informatie vindt. Is de staatssecretaris bereid om te onderzoeken hoe het komt dat dit vertrouwen er niet (meer) is?

Kan de staatssecretaris aangeven wat in de evaluatie wordt bedoeld met de conclusie dat er een zekere «vermoeidheid» is ontstaan rondom de discussie over zorgvee met dierenartsen? Betekent dit dat er een frictie bestaat tussen dierenartsen en de controlerende instanties? Waaruit bestaat die frictie precies en wat is daar de uitkomst van? Waarom is er überhaupt een discussie nodig over dieren die te ziek zijn om op transport te gaan? Deze leden vinden het uiterst merkwaardig dat er wordt gesproken van «vermoeidheid» rondom de discussie over zorgvee en wil dan ook uitleg van de staatssecretaris.

In de begeleidende brief van de staatssecretaris over de evaluatie van Dierwaardig Vervoer wordt aangegeven dat de VWA in 2009 een inventarisatie heeft uitgevoerd naar het onbedwelmd slachten en dat in 2010 eenzelfde inventarisatie zal plaatsvinden. Deze leden verzoeken de staatssecretaris deze inventarisatie(s) zo snel mogelijk naar de Kamer toe te zenden.

Dan de openbaarmaking van gegevens. Deze leden snappen niet waarom niet alle gegevens openbaar worden gemaakt. Individuele gegevens uit steekproeven zijn niet openbaar. Kan de staatssecretaris aangeven waarom niet alle gegevens openbaar worden gemaakt? Nu blijkt dat bij openbaarmaking bedrijven meer aandacht besteden aan risicobeheersing zou dit effect waarschijnlijk alleen maar toenemen als alle gegevens openbaar zijn. Graag een reactie van de staatssecretaris.

Deze leden hebben kennis genomen van de plannen van de staatssecretaris om het antibioticagebruik in de intensieve veehouderij naar beneden te krijgen. Het valt deze leden op dat er in deze aanpak alleen aandacht is voor het eigenlijke antibioticagebruik. Deze leden lezen niets over het inzetten van robuustere rassen en huisvestingssystemen die het dier weerbaar maken en houden, over beter drinkwater en betere voeding, om zo te komen tot een betere gezondheid van het dier, zodat automatisch minder antibiotica nodig zijn. Waarom is hiervoor gekozen? Op welke wijze worden deze aspecten meegenomen, en wordt aldus gekomen tot een integrale aanpak van het probleem?

Vervolgens willen deze leden wijzen op het grote risico voor de volksgezondheid dat de toenemende resistenties vanuit de veehouderij veroorzaakt. Het is voor deze leden dan ook niet duidelijk waarom, na de scherpe adviezen van de commissie Van Dijk in het kader van de evaluatie van de aanpak rond Q-koorts, de staatssecretaris de Kamerbrief heeft ondertekend. Deze leden zijn van mening dat de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport de regie zou moeten hebben in de aanpak van dit probleem. Waarom is daar nog niet voor gekozen, en is het kabinet bereid dit in overweging te nemen? Zo nee, waarom niet?

De gekozen aanpak doet deze leden vrijblijvend aan. De hoop wordt gevestigd op zelfregulering via het verkrijgen van inzicht in het gebruik op dierenartsen- en op bedrijfsniveau. Waarom is er bij dit belangrijke volksgezondheidsvraagstuk gekozen voor zelfregulering, en niet voor een algemeen geldende wettelijke verplichting?

Kan er meer inzicht gegeven worden in de taakstelling en in de verantwoordelijkheden van de stichting Diergeneesmiddelenautoriteit (SDa)? Op welke wijze moet deze stichting gaan functioneren, en welke bevoegdheden krijgt deze stichting? Wie draagt de politieke verantwoordelijkheid over de SDa? Op welke wijze zal het benchmarken van antibioticagebruik vorm krijgen? Wordt hierin alleen gekeken naar het antibioticagebruik op bedrijfsniveau, of ook naar aanvullende maatregelen die de veehouder neemt om de gezondheid van zijn dieren te waarborgen? Hoe wordt deze veehouder vervolgens tot voorbeeld gesteld aan andere veehouders die veel meer antibiotica gebruiken? Deze leden krijgen graag meer inzicht in de ideeën die hier over leven. Ook krijgen zij graag meer inzicht in het de normen die de SDa zal ontwikkelen. Aan welke normen wordt hier gedacht, kan het kabinet daar enkele voorbeelden van geven? Welke functie en status zullen deze normen krijgen, en in hoeverre kan er gegarandeerd worden dat deze normen vervolgens ook worden nageleefd? Wanneer wordt er verwacht dat men van start kan gaan met de SDa, en wanneer moet het hele systeem werkend zijn?

De staatssecretaris stelt dat er onverkort wordt vastgehouden aan de toegezegde vermindering van antibioticagebruik met 20 procent in 2011 en een halvering in 2013 ten opzichte van 2009. Deze leden vragen waarom dan voor een convenantaanpak is gekozen. Immers, convenanten in de landbouw hebben zelden tot de beloofde resultaten geleid. Welke stok achter de deur heeft het kabinet om naleving van het convenant te verzekeren? Wat gebeurt er wanneer onverhoopt blijkt in 2013 dat de beloofde reductie niet is gerealiseerd? Hoe groot achten de bewindspersonen de kans dat de beloofde reductie niet wordt behaald, en welke vervolgstappen zullen dan genomen worden? En delen de bewindspersonen in dit kader de mening dat het van belang is om al van te voren te kunnen anticiperen op het eventueel niet bereiken van de overeengekomen resultaten? Op welke wijze en met welke frequentie zal de SDa aan de betrokken ministeries communiceren over de voortgang van de aanpak? Is er sprake van een wettelijke rapportageverplichting? Deze leden zijn van mening dat het van belang is dat de Kamer de voortgang van het convenant ook goed kan volgen. Op welke wijze wordt hieraan tegemoet gekomen? Is het kabinet bereid twee keer per jaar de Kamer uitvoerig te informeren over de stand van zaken met betrekking tot de reductie van het gebruik van antibiotica in de veehouderij?

Deze leden maken zich zorgen om het feit dat niet alle veehouders en dierenartsen worden verplicht om deel te nemen aan de vereiste reductie. Op welke termijn kan de Kamer het wetsvoorstel verwachten waarmee de registratieafspraken algemeen verbindend worden verklaard? Welke partijen zullen daar dan onder vallen, en welke niet? Is het waar dat een groot deel van de veehouders niet wordt meegenomen in deze aanpak? Kan het kabinet deze groep kwantificeren, over hoeveel veehouders met hoeveel dieren gaat het hier? Deelt het kabinet de zorg dat juist in gevallen waar de veehouder geen deel neemt aan kwaliteitssystemen, en dus ook buiten deze aanpak valt, het vaak gaat om veehouders die veel antibiotica gebruiken op hun bedrijf? Deelt het kabinet de mening dat het zorgelijk is dat niet alle veehouders meegenomen worden in deze aanpak? Is het niet zo dat juist met het aanpakken van resistenties het van groot belang is dat er geen freeriders zijn, omdat de resistente bacteriën die zich in deze veehouderijen ontwikkelen zich snel kunnen verspreiden, en dat dit de groep deelnemers ook negatief kan beïnvloeden? Ook de veehouders zelf hebben aangegeven dat dit niet goed is voor de motivatie van diegenen die wel deelnemen aan vermindering van antibiotica. Kan het kabinet inzicht geven in het aantal dierenartsen dat buiten deze aanpak valt? Het rapport van Berenschot concludeert dat slechts vijf procent van de dierenartsen verantwoordelijk is voor de uitgave van 80 procent van de voorgeschreven middelen. Deze leden zijn van mening dat een aanpak die niet deze vijf procent meeneemt, gedoemd is om te mislukken, deelt het kabinet die mening? Is het kabinet bekend of deze vijf procent van de dierenartsen straks gaat meewerken aan de registratie van het gebruik? Zo neen, waarom niet? Zo ja, welke garanties heeft u daarvoor? Met andere woorden, was het niet veel effectiever geweest om iedereen te verplichten mee te doen aan dit systeem? En is dit niet ook juist een advies van de commissie Werner? Waarom is hier niet voor gekozen?

De staatssecretaris stelt dat hij verwacht dat alle veehouderijsectoren ook zelf in hun kwaliteitssystemen het centraal registreren van antibiotica door dierenartsen verplicht zullen stellen. Het bevreemd deze leden dat hier kennelijk nog geen afspraken over gemaakt zijn, zij krijgen hier graag een toelichting op. Wat houdt «aanspreken» in, in dit kader? Wat zijn de consequenties wanneer niet alle veehouderijsectoren zich hieraan conformeren?

Er wordt gesproken van versterkte controle, die zich toespitst op niet deelnemende dierenartsen. Moeten deze leden hieruit concluderen dat er geen controle plaatsvindt bij wel deelnemende dierenartsen en veehouders? Dit lijkt deze leden niet wenselijk. Hoe sluitend is het Vetcis systeem? Is het denkbaar en mogelijk dat een dierenarts een deel van zijn verkoop registreert, en van onder de toonbank extra en zwaardere middelen blijft verkopen die hij niet invoert in het registratiesysteem? Hoe wordt daarop gecontroleerd, door wie, en hoe vaak?

De versterkte controle van de nVWA kan op steun van deze leden rekenen, maar genoemde leden vragen wel waarom pas nu, vijf jaar nadat Zembla dit probleem al op de kaart zette, en bijna een jaar nadat de eerste sterfgeval als gevolg van extended spectrum bèta-lactamase (esbl) is vastgesteld, wordt ingesteld. Hoe verklaren de bewindspersonen dat? En hoe zal deze versterking van de controle worden ingekleed? Hoeveel extra fulltime eenheden (fte) worden er ingezet voor deze controles? En waarop richt de controle zich dan? Op welke wijze kan de overheid een boer houden aan zijn deel van de verplichting van de sector om te halveren in gebruik, als hij niet individueel wordt gebonden aan een reductieverplichting?

Deze leden vragen wat het concreet inhoudt dat in beginsel niet meer is toegestaan om koppels dieren preventief te behandelen met antibiotica? Hoe moet «in beginsel» hier geduid worden? Is bijvoorbeeld het sprayen van antibiotica over eieren en in stallen dan nu verboden? En is het dan ook verboden om gemedicineerd diervoeder of drinkwater te gebruiken? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe zal dit wettelijk geregeld worden, en hoe zal hierop gehandhaafd gaan worden? Welke sancties staan op het overtreden van deze verboden? Graag meer toelichting over deze maatregel. Ook de samenhang tussen de verschillende genoemde maatregelen is deze leden niet duidelijk. Als er geen preventieve behandeling meer is toegestaan, waarom wordt er dan ingezet op een Europese norm voor toelaatbare versleping van antibiotica in diervoeders? Ook lezen deze leden hier niets over de afspraken die fabrikanten van diervoeders onderling hebben gemaakt om de productie van voer met antibiotica te stoppen in 2011. Als de sector hier zelf toe heeft besloten, is het dan niet raadzaam om deze afspraak te ondersteunen met regelgeving? Nevedi geeft aan dat uitsluiting van versleping alleen gerealiseerd kan worden tegen torenhoge kosten. Bij een wettelijk verbod hoeven er ook geen verslepingsnormen afgesproken en gecontroleerd te worden, delen de bewindspersonen de indruk dat een wettelijk verbod snel en goedkoop, en met weinig weerstand te realiseren zou zijn? Zo nee, waarom niet? Ook als dit alleen mogelijk is in Europees verband, kan het kabinet zich daarvoor toch inzetten?

De staatssecretaris kondigt aan dat de derde/vierde generatie cephalosporinen en fluorchinolonen terughoudender moeten worden toegepast in de veehouderij. Deze leden zijn van mening dat dit ook geldt voor name het gebruik van tetracyclines en colistines, zeker omdat colistines een van de weinige middelen zijn die nog werken tegen MRSA. Deelt het kabinet deze mening, en welke stappen zal zij zetten om tot een scherpe vermindering van deze specifieke middelen te komen?

Tevens willen deze leden aangeven het opmerkelijk te vinden dat de staatssecretaris het handhaven van het verbod op reclame voor antibiotica noemt als maatregel om te komen tot een verminderd gebruik van antibiotica in de veehouderij. Deze leden hebben immers in Kamervragen dit probleem onder de aandacht van de toenmalige minister gebracht. In het antwoord van voormalig minister Verburg in september werd al aangegeven dat het hier inderdaad om verboden reclame-uiting ging, en werd al aangekondigd hierop te gaan handhaven. Het bevreemd deze leden dat zij zelf dit soort misstanden onder de aandacht van het kabinet moet brengen, en het bevreemd deze leden dat dit nu als extra maatregel in de aanpak van het antibioticagebruik genoemd wordt. Is dit probleem de afgelopen maanden dan niet opgepakt? Graag een reactie op deze gang van zaken.

Er wordt gesteld dat alle convenantpartners in de taskforce hebben aangegeven hun uiterste best te doen om de reductiedoelstellingen te behalen. Deze leden hebben echter uit de media begrepen dat niet alle betrokken partijen even enthousiast en hoopvol zijn als hier gesuggereerd wordt. Coutinho, directeur van het CIb, stelt dat alle belangrijke spelers in dit dossier naar elkaar wijzen en vinden dat andere spelers het moeten gaan doen, en dat daarmee geen winst wordt geboekt5. Ook LTO heeft al aangegeven dat de eis van een reductie van 50 procent hen niet haalbaar lijkt, dat ze geen garanties af willen en kunnen geven6. Graag een reactie hierop van de bewindspersonen. Ook heeft bijna 10 procent van de dierenartsenpraktijken aangegeven principiële bezwaren te hebben tegen invoering van Vetcis. Hoe beoordeelt het kabinet deze aantallen? Waar komt onder deze omstandigheden het optimisme voor het behalen van de doelstellingen vandaan?

In antwoord op de vraag van de voormalige vaste commissie LNV over de wijze waarop andere lidstaten omgaan met het resistentieprobleem wordt gesteld dat er maar weinig maatregelen genomen worden. Deze leden vragen waarom in het geheel niet wordt ingegaan op de maatregelen die andere lidstaten wél nemen. Zo is er bijvoorbeeld in Denemarken de laatste jaren veel voortgang geboekt op dit gebied7. Strenge controles, hoge boetes en zelfs vervolging van veehouders hebben daar groot succes teweeggebracht, deelt het kabinet deze mening? Waarom wordt hier niet op ingegaan? Kan het kabinet het Deense systeem, waaronder de rode kaarten voor veehouders die veel antibiotica gebruiken, en de ontkoppeling tussen verkoop en voorschrijven door dierenartsen, toelichten en van een oordeel voorzien? Kan het kabinet daarbij ook ingaan op het advies van professor Frank Møller Aarestrup, die aangeeft dat het feit dat Nederland dierenartsen laat verdienen aan de verkoop van antibiotica, het domste is wat je kan doen omdat dit een hoog gebruik van antibiotica stimuleert? In Denemarken wordt al het vee ook zeer regelmatig verplicht gecontroleerd door een dierenarts, ook dit lijkt deel te zijn van het succes van de Deense aanpak, onderschrijven de bewindspersonen dit? Zijn de bewindspersonen bereid met de Deense overheid in gesprek te komen over dit onderwerp, om ervaringen uit te wisselen en te leren van hun succesvolle systeem? Zo ja, op welke wijze en termijn? Zo nee, waarom niet? Ook zijn deze leden verbaasd over de houding van de bewindspersonen dat een Europese aanpak noodzakelijk is om tot resultaten te komen. Feit is, dat het Nederlandse gebruik van antibiotica verreweg het hoogste antibioticagebruik in de EU is, en dat de resistente bacteriën zich onder andere via Nederlands fokvee verspreidt over Europa. Nederland heeft dus erg goede redenen om snel haar eigen antibioticagebruik te reduceren, deelt het kabinet die mening?

De prijs van antibiotica is zo momenteel laag, dat het altijd aantrekkelijker zal zijn om snel antibiotica toe te dienen, dan om andere, gezondheidsbevorderende maatregelen te nemen. Er moet een financiële prikkel zijn om de inzet van antibiotica te beperken. Deze leden zijn het eens met professor Henk Vaarkamp van de Universiteit Utrecht die pleit voor een hoge prijs van antibiotica, desnoods via een toeslag, een soort van «resistentietax». Is het kabinet bereid deze mogelijkheden te onderzoeken? Ook het ontkoppelen van de apothekersfunctie en de dierenartsenfunctie in de intensieve veehouderij zou naar mening van deze leden deels moeten plaatsvinden. Aan de verkoop van antibiotica in de veehouderij zou een dierenarts persoonlijk niet moeten verdienen, de verkoop van andere geneesmiddelen dan antibiotica zou dan wel bij de dierenarts mogelijk kunnen zijn. Is het mogelijk om de ontkoppeling gedeeltelijk plaats te laten vinden, is het kabinet bereid deze mogelijkheid te onderzoeken? Uit het rapport van Berenschot blijkt dat dit een deel van de oplossing zou kunnen zijn, deelt het kabinet die mening?

Deze leden krijgen graag een stand van zaken met betrekking tot de onderzoeken en maatregelen die worden gedaan en genomen om de vorming van esbl-bacteriën tegen te gaan. Kan er ook ingegaan worden op de risico’s die het uitrijden van mest dat esbl’s bevat over het land kan vormen? Is er sprake van de mogelijkheid van horizontale genoverdracht tussen esbl’s en bijvoorbeeld het bodemleven en/of gewassen? Zo ja, welke risico’s brengt dit met zich mee? Wordt hiernaar onderzoek gedaan? Zo ja, op welke wijze en wanneer worden de resultaten hiervan verwacht? Zo nee, waarom niet en bent u bereid hier onderzoek naar uit te zetten?

Tenslotte willen deze leden aandacht vragen voor de mogelijke negatieve gevolgen van de eenzijdige focus op antibiotica. Genoemde leden hebben begrepen dat aanwending van zink als alternatief voor antibiotica wordt onderzocht. Los van de negatieve gevolgen voor het milieu die dit kan meebrengen, is het ook mogelijk dat mrsa-bacteriën resistent worden tegen zink(verbindingen). Welke stappen onderneemt het kabinet om dit soort verschuivingseffecten tegen te gaan, en hoe wordt hier toezicht op gehouden?

II. REACTIE VAN DE STAATSSECRETARIS EN DE MINISTER

Antibiotica

De fractie van de Partij voor de Dieren vraagt waarom er gekozen is voor zelfregulering en niet voor een algemeen geldende wettelijke verplichting.

Het is belangrijk, dat er een mentaliteitsverandering ontstaat bij veehouders en dierenartsen. Daarvoor is het nodig dat vakgenoten elkaar een spiegel voorhouden en elkaar ter verantwoording kunnen roepen. De in onze brief geschetste aanpak voorziet daarin. Op dit dossier zal een aanpak waarin de overheid van bovenaf normen oplegt niet of slechts moeizaam leiden tot de noodzakelijke mentaliteitsverandering. Daarnaast is het voor het slagen van een centrale registratie zeer belangrijk dat er genoeg draagvlak is. Dat draagvlak is bij zelfregulering naar verwachting veel groter en daarmee ook de kans op succes, maar deze zelfregulering is niet vrijblijvend. Zoals ook in onze brief aangekondigd, nemen we ook maatregelen teneinde de zelfregulering te ondersteunen en op de naleving toe te zien.

Bovendien is het moeilijk om wettelijke normen op te leggen voor de mate van antibioticumgebruik omdat de afweging om antibiotica in te zetten altijd een «case by case» beslissing is van de dierenarts. (Het gebruik van antibiotica is op zichzelf niet verboden en soms nodig). De Diergeneesmiddelenwet geeft daarentegen wel een aantal voorschriften voor de toepassing van antibiotica. Zoals wij u informeerden zullen wij die aanscherpen en ook het toezicht erop intensiveren.

De fractie van de Partij voor de Dieren heeft vragen over de regie op dit dossier.

Alle maatregelen die de afgelopen tijd zijn aangekondigd, hebben het beschermen van de volksgezondheid als uitgangspunt. Wij leggen strenge doelstellingen op aan de veterinaire sector. Daarnaast versterken we de handhaving. Wij zijn het met u eens dat dit dossier daadkrachtig, effectief en gezamenlijk optreden verdient. Dit past prima in de lijn van de aanbevelingen van de commissie Van Dijk met betrekking tot de aanpak van bedreigingen van de volksgezondheid vanuit de veterinaire sector. Het bepalen van concrete doelstellingen en de monitoring gebeurt vanuit onze beide departementen.

Wij vinden het van groot belang dat de 50% reductie in 2013 zal worden gehaald. Daar zullen overigens grote inspanningen van alle betrokken actoren voor nodig zijn, zoals aanpassingen in de bedrijfsvoering van de veehouderij. Wij koppelen daar toezicht en handhaving aan. In de brief die wij u gezamenlijk op 8 december stuurden staat hoe we dat doen. Wij vinden het heel belangrijk dat we samen met de sectoren tussentijdse meetmomenten opstellen zodat de voortgang inzichtelijk wordt gemaakt. Op deze manier kan met behoud van ieders verantwoordelijkheid optimaal resultaat worden geboekt.

De fractie van de Partij voor de Dieren heeft vragen over de werkwijze, de taakstelling en verantwoordelijkheden van de SDa.

De SDa is een privaat orgaan. De SDa is zeer recentelijk opgericht en heeft tot taak om verantwoord gebruik van diergeneesmiddelen te bewerkstelligen, in eerste instantie onder meer door normen te ontwikkelen voor zorgvuldig gebruik van antibiotica. Die normen worden gebruikt bij het benchmarken van en door vakgenoten (de dierenartsen en veehouders). Het benchmarken wordt vormgegeven door de veehouderijsectoren en de dierenartsen zelf, daarin ondersteund door de experts van de SDa. De normen bieden een goed aanknopingspunt voor de nVWA om waar nodig het veterinaire handelen door dierenartsen te laten toetsen door het veterinair tuchtcollege. De SDa-normen zijn bovendien een aanknopingspunt voor de veehouderijsectoren om veehouders die ondanks alles toch onverklaarbaar veel antibiotica blijven gebruiken te onderwerpen aan flankerende maatregelen van de veehouderijsectoren, zoals een bedrijfsbegeleiding die gericht is op een structurele verbetering van de gezondheidssituatie binnen het desbetreffende veehouderijbedrijf.

De fractie van de Partij voor de Dieren heeft vragen over de aanpak van de veehouders die niet deelnemen aan kwaliteitssystemen (free riders).

Een conclusie dat de veehouders die niet deelnemen aan de kwaliteitssystemen, degenen zijn met het hoogste verbruik kan niet op voorhand worden getrokken. Wel is het zo dat de regering van mening is dat veehouders die hun antibioticumgebruik niet centraal registreren niet transparant zijn. Om die reden zal de nVWA bij deze veehouders extra aandacht besteden aan de naleving van voorschriften van de Diergeneesmiddelenwet. Bovendien zijn wij voornemens de mogelijkheid te creëren om afspraken van dierenartsen en veehouders over centrale registratie voor een ieder in de sector algemeen verbindend te verklaren. De veehouderijen buiten de kwaliteitssystemen zullen op grond van algemeen verbindend verklaarde afspraken ook verplicht in het centrale systeem moeten registreren.

De fractie van de Partij voor de Dieren vraagt naar de termijn waarop het wetsvoorstel «algemeen verbindend verklaring» komt.

Wij streven ernaar dat uw Kamer voor het zomerreces 2011 beschikt over het wetsvoorstel dat een grondslag biedt om afspraken over centrale registratie algemeen verbindend te verklaren. De partijen die deelnemen aan de taskforce (veehouders en dierenartsen in de sectoren rundvee, vleeskalveren, varkens en pluimvee) dienen tot afspraken te komen die algemeen verbindend verklaard kunnen worden.

De fractie van de Partij voor de Dieren vraagt hoe de 5% van de dierenartsen die 80% van de antibiotica voorschrijven meegenomen wordt in de aanpak

Berenschot constateert dat 5% van de dierenartspraktijken (DAP) circa 80% van het totale volume aan antibiotica voorschrijft in de veehouderij. Bovendien, zo zegt Berenschot, zijn dit gespecialiseerde praktijken die zich richten op de intensieve veehouderij en daarmee veruit de meeste dieren bedienen. Het gaat vaak om de grotere praktijken waarin meerdere dierenartsen samenwerken.

Volgens opgave van de Koninklijke Nederlandse Maatschappij voor Diergeneeskunde (KNMvD) zijn er in ons land 330 DAP’s voor landbouwhuisdieren. Een inventarisatie leert dat 80% van deze praktijken gemotiveerd is om aan Vetcis deel te nemen. Er zijn ruim 160 praktijken aangemeld en 115 praktijken leveren daadwerkelijk gegevens aan Vetcis. Daaronder bevinden zich nu praktisch alle DAP’s die samen 80% van de antibiotica voorschrijven. Dierenartsen voor varkens, pluimvee, vleeskalveren en rundvee moeten afspraken maken over registratie in een centraal systeem. Zodra die afspraken algemeen verbindend verklaard zijn moeten al deze dierenartsen registreren in het centrale (Vetcis)systeem.

De fractie van de Partij voor de Dieren vraagt waarom niet overgegaan wordt tot gedeeltelijke ontkoppeling (alleen antibiotica ontkoppelen)

Aan een gedeeltelijke ontkoppeling van het voorschrijven en het verkopen van diergeneesmiddelen kleven dezelfde fundamentele bezwaren als aan volledige ontkoppeling. Berenschot toonde immers aan dat vooral de veehouder een bepalende stem heeft bij de keuze om antibiotica in te zetten. De dierenarts is voor zijn inkomen afhankelijk van de veehouders als opdrachtgever en het is daarom nog maar de vraag of de dierenarts bij ontkoppeling daadwerkelijk minder antibiotica zal voorschrijven, ook als hij niet verdient aan de verkoop. Bovendien zijn bij gedeeltelijke ontkoppeling dezelfde maatregelen nodig die uiteindelijk leiden tot zeer hoge uitvoerings- en controlelast voor bedrijfsleven en overheid.

De fractie van de Partij voor de Dieren vraagt waarom niet nader ingegaan wordt op het Deense systeem

Voor een uitvoerige beschrijving van het Deense systeem willen wij verwijzen naar het rapport Berenschot. Zoals bekend onderschrijft de regering in grote lijnen de conclusies in dit rapport. Nederland heeft zich uitvoerig over het Deense systeem laten informeren. Nederlandse en Deense autoriteiten hebben meermalen overlegd en elkaar wederzijds geïnformeerd over de gevolgde aanpak.

De fractie van de Partij voor de Dieren vraagt hoe de borging van reductiedoelstellingen plaats vindt.

Wij willen werken vanuit een geborgd vertrouwen dat de sectoren alles op alles zullen zetten om de gewenste reductiedoelstellingen te realiseren. Vanuit de overheid ondersteunen we deze aanpak en zien we hierop toe. Naast aanscherping van een aantal wettelijke eisen rondom het toepassen van antibiotica, zal de nieuwe Voedsel- en Waren Autoriteit (nVWA) zich richten op de controle van wettelijke bepalingen van met name de Diergeneesmiddelenwet en handhavend optreden bij overtredingen. Voorts kan onjuist handelen door dierenartsen tevens via het veterinaire tuchtrecht worden aangepakt. Wij zullen met de Taskforce en de SDa duidelijke afspraken maken over tussentijdse ijkmomenten en rapportages. Indien op basis daarvan blijkt dat er te weinig voortgang wordt geboekt zullen zonodig aanvullende maatregelen worden genomen.

De fractie van de Partij voor de Dieren vraagt naar de handhaving op het verbod op reclame.

Zoals voormalig minister Verburg van LNV op uw vragen over reclame-uitingen heeft geantwoord, is de industrie op haar verantwoordelijkheid gewezen. Wij gaan ervan uit dat de farmaceutische industrie zich houdt aan het verbod op reclame in vakbladen voor de veehouderij. Zo nodig zullen wij handhavend optreden. In de brief van 8 december jl. is deze maatregel opgenomen als onderdeel van het totale maatregelenpakket.

De fractie van de Partij voor de Dieren vraagt om prijsmaatregelen gericht op antibiotica.

Berenschot beschrijft in zijn rapport dat de prijs van antibiotica in verhouding tot de totale bedrijfseconomische kosten laag zijn, te weten 3 à 4%. Het gevolg is dat een verhoging van de kosten van antibiotica geen wezenlijke verschuiving zal betekenen in deze bedrijfseconomische kosten. Het is daarom niet aannemelijk dat een kostenverhoging leidt tot een vermindering van het antibioticumgebruik. Verder zou de illegale handel in antibiotica kunnen toenemen indien de kosten vele malen hoger worden dan in omringende landen.

De fractie van de Partij voor de Dieren vraagt naar de stand van zaken rond ESBLs.

Er zijn diverse onderzoeken gestart naar de ontwikkeling en het voorkomen van ESBL in de veehouderij. Sinds 2003 wordt jaarlijks in opdracht van het voormalig ministerie van LNV, nu EL&I, het monitorings- en surveillance programma uitgevoerd naar het gebruik van antibiotica in de veehouderij en de ontwikkeling van antibioticaresistentie in bacteriën van dierlijke oorsprong die van belang zijn voor de humane gezondheid. Deze zogenaamde MARAN-rapportages geven een beeld van de trends in de resistenties in bacteriën. In het laatste rapport wordt aanbevolen om, in nauwe samenwerking met de medische sector, de moleculaire kenmerken van isolaten met een potentieel volksgezondheidsrisico als ESBL-producerende bacteriën en MRSA continue te bewaken. Met het oog daarop heeft het RIVM in samenwerking met de WUR, Faculteit Diergeneeskunde en twee ziekenhuizen, in het kader van het Convenant Antibioticaresistentie een risicoprofiel opgesteld inzake overdraagbare antimicrobiële resistentie van voedselproducerende dieren naar mensen. In dit onderzoek wordt ruim aandacht besteed aan ESBL. De resultaten van dit onderzoek zullen in januari 2011 worden gepubliceerd. Ook loopt er momenteel onderzoek naar MRSA en ESBL in vleeskuikenbedrijven, uitgevoerd door het RIVM, waarvan de eindrapportage eind 2011 wordt verwacht.

Op 31 maart 2010 heeft er een deskundigenberaad plaatsgevonden over Extended Spectrum Beta Lactamase (ESBL)-producerende bacteriën en de relatie met het antibioticumgebruik in de veehouderij. De deskundigen concludeerden dat de ESBL-problematiek een ernstig probleem in opkomst is. De ESBL-problematiek in de veehouderij en bij de mens laat in de afgelopen jaren een toenemende trend zien. De precieze oorzaak van deze toename is niet goed bekend. De deskundigen gaven tijdens dit deskundigenberaad aan dat de ESBL-problematiek bij de mens gedeeltelijk zijn oorsprong heeft in de veterinaire sector. De deskundigen hebben naar aanleiding van dit deskundigenberaad een aantal adviezen gegeven:

  • er is geen aanleiding om het consumeren van kippenvlees te ontraden,

  • het antibioticagebruik in de veehouderij moet worden teruggedrongen,

  • het instellen van een Gezondheidsraadcommissie,

  • het in kaart brengen van onderzoeksprioriteiten en

  • het internationaal aankaarten van de problematiek.

Op 1 oktober heeft, naar aanleiding van nieuwe onderzoeksgegevens, een tweede deskundigenberaad plaatsgevonden over ESBL-producerende bacteriën. De centrale vraag was of deze nieuwe onderzoeksgegevens aanleiding geven het advies uit april 2010 bij te stellen. Dit was niet het geval. Wel werd aangedrongen op het stimuleren van de snelle afname van het gebruik van antibiotica in de veehouderij.

De adviezen van het deskundigenberaad zijn door de beide ministeries overgenomen en hebben de volle aandacht. In de brief die op 8 december naar de Tweede Kamer is gestuurd wordt aangegeven wat het beleid zal zijn om de reductiedoelstellingen ten aanzien van het gebruik van antibiotica in de veehouderij te behalen. Ook is de Gezondheidsraad om een advies gevraagd.

De fractie van de Partij voor de Dieren vraag naar het Gezondheidsraadadvies.

Mede op aanraden van het deskundigenberaad over ESBL-producerende bacteriën hebben de ministers Verburg en Klink een advies gevraagd aan de Gezondheidsraad met als hoofdvraag: wat zijn de risico’s van het gebruik van antibiotica in de veehouderij voor de volksgezondheid? Dit advies wordt medio 2011 verwacht. In dit advies wordt de Gezondheidsraad gevraagd onder andere specifiek aandacht te besteden aan de transmissieroutes waarlangs resistente bacteriën bij de mens terecht komen en hoe deze transmissieroutes kunnen worden doorbroken. Ook de onderzoeksprioriteiten zullen in dit advies worden meegenomen.

Wanneer wij het advies van de Gezondheidsraad hebben ontvangen brengen wij u hiervan op de hoogte.

De fractie van de Partij voor de Dieren heeft vragen over de uitfasering van gemedicineerde diervoeders

Op basis van de huidige Europese regelgeving is de productie van gemedicineerde diervoeders toegestaan. Het Europees Verdrag verbiedt in zo’n geval een nationaal verbod van de productie van gemedicineerde diervoeders. Wettelijk gezien kunnen wij daarom de uitfasering door de diervoedersector niet ondersteunen met regelgeving.

Omdat in veel lidstaten veehouders in het geheel niet beschikken over alternatieve toedieningssystemen voor antibiotica beschouwt de Europese Commissie gemedicineerde diervoeders vooralsnog als een belangrijke manier van koppelmedicatie. Om die reden is een Europees verbod in de nabije toekomst niet te verwachten en achtten wij een Nederlandse inzet hierop niet zinvol. Wel pleiten wij op Europees niveau voor maatregelen die de risico’s die gepaard gaan met de productie van gemedicineerde diervoeders tot een minimum te beperken, zoals een norm voor toelaatbare versleping.

Op dit moment is zink niet toegestaan als diergeneesmiddel in Nederland. De door u geschetste risico’s van zink als alternatief voor antibiotica zijn daarom op dit moment niet aan de orde.

De fractie van de Partij voor de Dieren vraagt naar de verslepingsproblematiek van antibiotica in gemedicineerde voeders

Het toedienen van antibiotica via diervoeders is een belangrijke methode om zieke dieren te kunnen behandelen. Het toepassen van antibiotica via drinkwater of via individuele behandeling is niet altijd overal mogelijk. Het is daarom de vraag of een uitfasering van gemedicineerde voeders niet kan leiden tot ongewenste effecten op andere plaatsen in de keten. In onze brief van 8 dec. jl. hebben wij het beleid over gemedicineerde diervoeders uitgelegd.

De regering zet zich in Europees verband in voor de totstandkoming van een verslepingsnorm die resistentievorming kan voorkomen.

De fractie van de Partij voor de Dieren vraagt naar een integrale aanpak en voorkomen van ongewenste «verschuivingseffecten».

Momenteel ligt de focus op vermindering van antibiotica. Dit is een eerste stap. De veehouders dienen echter ook te gaan werken aan structureel gezondere dieren als onderdeel van een integraal duurzamere veehouderij. Om ook na 2013 een verdere afname te realiseren is aandacht nodig voor onder andere huisvesting, hygiëne, voeding, vaccinatie en diermanagement. Daarvoor dienen op korte termijn stappen te worden gezet.

Binnen de visie op Duurzame veehouderij passen geen oplossingen die nadelig zijn voor dierenwelzijn, volksgezondheid of milieu. De diergezondheid dient structureel verbeterd te worden, bij voorkeur door vermindering van de infectiedruk en door gebruik van «robuustere dieren». Wij zullen de Taskforce Werner aanspreken op de benodigde stappen.

De fractie van de Partij voor de Dieren vraagt naar preventief gebruik.

Bij alle antibiotica waar de term «preventie» in de bijsluiter staat wordt dit vervangen door «koppeltherapie, waarbij ziekte bij een aantal dieren in het koppel is aangetoond». Dit houdt in dat de dierenarts moet kunnen aantonen dat een ziekte in de koppel voorkomt, voordat het hele koppel behandeld mag worden. Deze wijziging wordt ondersteund door recente uitspraken van het veterinair tuchtcollege, waarin wordt gesteld dat er een duidelijke aanleiding voor behandeling moet zijn en dat daarnaast ook een plan moet worden opgesteld om de ziekmakende risicofactoren te beperken en het antibioticagebruik op het bedrijf te verminderen.

De fractie van de Partij voor de Dieren vraagt naar terughoudend gebruik van bepaalde antibiotica.

De Europese registratieautoriteit (EMA) heeft specifiek voor de 3de en 4de generatie cephalosporinen en fluorchinolonen bepaald dat er waarschuwingzinnen in de bijsluiters moesten worden opgenomen teneinde het gebruik van deze middelen te beperken tot een minimum. Ter ondersteuning van deze waarschuwingen zullen wij aanvullende voorwaarden formuleren waaraan de dierenarts moet voldoen alvorens deze middelen voorgeschreven mogen worden.

Fusie VWA, AID en PD

De Partij voor de Dieren vraagt om een onafhankelijk onderzoek naar eventuele knelpunten bij AID alvorens besloten kan worden tot een fusie tussen VWA, AID en PD.

In het Kaderbesluit nVWA is de organisatie beschreven die ontstaat na de fusie van AID, PD en VWA. De aanbevelingen uit de rapporten van Hoekstra en Vanthemsche zijn daarbij ter harte genomen. Een onafhankelijk onderzoek naar de AID is niet nodig.

De Partij voor de Dieren vraagt wat de regering gaat doen met het advies van de ondernemingsraad van de AID over de fusie, waarin de OR enkele problemen aankaart en zorgen uit.

Aan genoemde opmerkingen uit het advies van de ondernemingsraad van de AID is naar tevredenheid van de ondernemingsraad tegemoet gekomen in het in juli 2009 vastgestelde Kaderbesluit.

De CDA-fractie vraagt naar de positionering van het Bureau Risicobeoordeling

Het Bureau Risicobeoordeling en Onderzoeksprogrammering (BuRO) heeft een wettelijke vastgelegde onafhankelijke rol om gevraagd en ongevraagd de ministers van VWS en EL&I adviezen te geven. Het is gepositioneerd direct onder de IG nVWA.

Openbaarmaking

De CDA-fractie stelt dat het hoofddoel van openbaarmaking, te weten het verhogen van het vertrouwen middels transparantie niet wordt gerealiseerd via openbaarmaking. Zij vraagt zich af op welke wijze openbaarmaking dan wel bijdraagt aan het vertrouwen.

Op basis van de beleidsevaluatie is geconcludeerd dat openbaarmaking bijdraagt aan het vertrouwen, maar dat dit niet wordt vergroot. De reden hiervan is dat het vertrouwen van consumenten in de veiligheid van producten en voedsel al heel hoog is. Driekwart van de consumenten gaf aan dat openbaarmaking van controlegegevens hieraan bijdraagt. Uit eerder onderzoek bleek al dat de meerderheid van de consumenten vindt dat de gegevens beschikbaar moeten zijn.

Wij ondersteunen deze behoefte en zijn van mening dat de overheid transparant moet zijn en dat daarom deze gegevens beschikbaar moeten zijn. Wel willen wij nog bekijken of de huidige wijze van openbaarmaken van controlegegevens aanpassing behoeft om zo goed mogelijk aan deze doelstelling te voldoen.

De CDA-fractie concludeert dat openbaarmaking in zijn huidige vorm geen doel dient en veel geld kost.

Wij zijn het hiermee niet eens. De beleidsevaluatie heeft uitgewezen dat openbaarmaking bijdraagt aan het vertrouwen van de consument. De bekendheid bij de consument is nog beperkt. Daarom is de presentatie van de controlegegevens en de toegankelijkheid van de informatie op de website van de nVWA inmiddels verbeterd. Zoals hiervoor aangegeven willen wij daarnaast nog bekijken of de huidige wijze van openbaarmaken nog aanpassing behoeft om de bekendheid en bruikbaarheid te verbeteren.

De kosten van de huidige wijze van openbaarmaking zijn niet buitenproportioneel. In de ontwikkelfase is € 120 000,– ingezet voor ieder traject (zes trajecten). Jaarlijks is nu ongeveer € 400 000,– nodig voor onderhoud en uitvoering van het geheel.

Er zijn ook baten. Op termijn levert openbaarmaking naar verwachting op dat het primaire toezicht efficiënter uitgevoerd kan worden vanwege de verbeterde naleving door bedrijven. Ook zal mogelijk het aantal Wob-verzoeken (passieve openbaarmaking) op dit terrein verminderen.

De CDA-fractie stelt de werkwijze en openbaarmaking van de controlegegevens van formulebedrijven ter discussie.

Enkele jaren geleden hebben de formulebedrijven (ketens van levensmiddelenbedrijven) zich gecommitteerd aan de zogeheten formule aanpak. Deze aanpak houdt in dat op wetenschappelijk verantwoorde wijze steekproefsgewijze inspecties worden gedaan bij filialen, waarna de resultaten van de steekproef en de werkwijze van de formule op het hoofdkantoor van de formule worden besproken door de nVWA.

De nVWA presenteert de resultaten van deze inspecties en de wijze waarop ze zijn uitgevoerd op de website. Dit houdt in dat van de gehele formule een beoordeling op de website staat en dat dus alle deelnemers aan de formule de consequenties moeten aanvaarden. Er worden geen namen van individuele filialen openbaargemaakt.

Deze wijze van openbaar maken wijkt af van de andere trajecten. Zo worden bijvoorbeeld bij residuen van bestrijdingsmiddelen de resultaten van alle afzonderlijke monsters per formule gegroepeerd op de website opgenomen. Dit is het gevolg van de wijze waarop dit toezicht is ingericht.

De nVWA geeft op de website algemene informatie en informatie per onderwerp, waaronder de formule aanpak. Hierin wordt uitgelegd op welke wijze deze informatie bruikbaar is.

De CDA-fractie stelt het juridisch kader ter discussie. Zij geeft aan dat het juridisch kader alleen goed is als de openbaarmaking uitsluitend informerend bedoeld is. Het juridisch kader is niet goed wanneer het ook punitief bedoeld is.

In de brief van mijn voorganger aan uw Kamer in 2009 (TK 2009–2010, 26 991, nr. 276) is aangegeven dat het huidige juridische kader via de Wet openbaarheid bestuur (artikel 8) voor actieve openbaarmaking voldoet. De openbaarmaking is informerend en niet punitief bedoeld. De procedure van de nVWA is hierin zeer zorgvuldig.

In de uitgevoerde beleidsevaluatie is geconcludeerd dat een verbeterde naleving bij bedrijven wel een effect is van de openbaarmaking van controlegegevens.

In eerdere brieven aan uw Kamer is aangegeven dat op termijn de openbaarmaking ook wordt ingezet voor de bevordering van de naleving. Hiervoor is het wenselijk een andere wettelijke voorziening te creëren; de voorbereidingen zijn gestart.

De CDA-fractie geeft aan dat openbaarmaking nuttig kan zijn als aanvullend sanctie instrument voor zeer ernstige overtredingen. Hiervoor is een wettelijke aanpassing nodig, op welke termijn kan deze er zijn? Tenslotte vraagt deze fractie of het mogelijk is openbaarmaking uitsluitend in te zetten wanneer volksgezondheid in het geding is.

De fractie van de Partij voor de Dieren vraagt of alle controlegegevens openbaar kunnen worden gemaakt.

Evenals onze voorgangers pleiten wij voor brede openbaarmaking van controlegegevens. Wel willen we verkennen of de huidige wijze van openbaarmaken de meest geschikte manier is om transparantie richting de consumenten te bieden.

Indien uitsluitend de ernstige overtredingen openbaar gemaakt zouden worden, wordt naar onze mening een verkeerd beeld geschapen van de situatie qua voedsel- en productveiligheid. Immers de voedsel- en productveiligheid in Nederland is hoog. Ook de goede prestaties moeten worden gepresenteerd.

Wij beraden ons nog over aanpassing van de maximale termijn waarop de controlegegevens op de nVWA-website blijven staan; die termijn is nu maximaal twee jaar.

Er worden niet alleen gegevens waarbij de volksgezondheid in het geding is gepresenteerd, maar ook waar sprake is van bijvoorbeeld diergezondheid, dierwelzijn of mogelijke misleiding van de consument.

De CDA-fractie vraagt of het mogelijk is een knip te maken in de openbaarmaking in nVWA controlegegevens ten behoeve van informatie en in gegevens ten behoeve van de sanctionering.

Actieve openbaarmaking is bedoeld voor transparantie, het bieden van keuzevrijheid en kan op termijn ook in gezet worden ten behoeve van het bevorderen van de naleving bij bedrijven. Bevordering van de naleving is evenwel niet hetzelfde als een sanctie instrument. Een knip is dan ook niet aan de orde.

Retributies

De CDA-fractie heeft diverse vragen over kostendekkendheid van de retributie en de mogelijk verschillende maatstaven die VWS en EL&I zouden hanteren.

De retributies die de nVWA in rekening brengt op de terreinen van EL&I en VWS, worden op dezelfde wijze berekend. Er worden dus niet meer kosten in rekening gebracht bij EL&I. Ook de berekeningssystematiek voor de VWS-retributies en de EL&I-retributies voor invoercontroles verschilt niet.

Wel is er een aantal domeinen bij VWS waar, met uitzondering van tarieven voor herinspecties, geen reguliere tarieven in rekening worden gebracht. Dit heeft enerzijds te maken met de Europese verplichting tot retribuering van bepaalde werkzaamheden. Anderzijds wordt dit veroorzaakt doordat bepaalde werkzaamheden op het VWS-terrein op grond van het rapport Maat Houden niet in rekening kunnen worden gebracht.

De door het bedrijfsleven gevraagde flexibiliteit is niet te verwezenlijken zonder extra personeel. Het ter beschikking hebben en houden van personeel om alle wensen van het bedrijfsleven ad hoc in te willigen is onmogelijk zonder aanzienlijke extra kosten en mankracht. Het feit dat de nVWA niet zo flexibel is als door het bedrijfsleven gewenst, heeft te maken met een meer optimale inzet en spreiding van de beschikbare controleurs. De nVWA creëert daar waar mogelijk meer flexibiliteit voor bedrijven die meedoen aan kwaliteitssystemen waardoor vaak meer vrijheid van handelen mogelijk is met minder controles. Dit bevordert zowel de flexibiliteit als de kostenreductie voor het bedrijfsleven. De nVWA zal op deze weg verder gaan in de toekomst en daar waar mogelijk aan een lastenvermindering voor het bedrijfsleven meewerken.

De CDA-fractie vraagt ook of de berekening van de Nederlandse retributies aan de Europese Commissie is gemeld en conform Verordening 882/2004 worden vastgesteld en op welke wijze wordt ingezet tot volledig transparante retributies.

Alle door de nVWA in rekening gebrachte tarieven voldoen aan artikel 27 en bijlage VI van Verordening (EG) nr. 882/2004. Er worden geen andere kosten in rekening gebracht dan die genoemd in de verordening. Dit geldt zowel voor de VWS-tarieven als voor de EL&I-tarieven. De wijze van berekenen van VWA tarieven is aan de Europese Commissie meegedeeld.

Op grond van de verordening (EG) nr. 882/20048 wordt de bovengrens voor de retributies gevormd door de door de lidstaat werkelijk gemaakte kosten. De totale retributies per lidstaat mogen niet uitstijgen boven deze kosten. Binnen dit Europeesrechtelijk kader (en de ten aanzien van dit onderwerp ontstane rechtspraak) wordt de nationale beleidsruimte ingevuld op basis van de uitgangspunten van het Rapport «Maat houden». Op de voet van dit rapport is bepaald welke kosten voor rekening van de overheid en welke voor rekening van het bedrijfsleven komen. De in de onderhavige regeling neergelegde retributies liggen binnen de hierboven beschreven bandbreedte. Dit is bevestigd in de uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) van 20 juli 2010 (AWB 08/806, 08/810, 08/843, 08/845, 08/846, 08/847, 08/853, 08/861 en 08/889).

Er bestaat transparantie over nVWA-retributies door vermelding van de berekeningsmethodiek en de kostenopbouw van de verschillende retributies op de website van de nVWA (www.vwa.nl). Daarnaast heeft de nVWA aan de brancheverenigingen aangeboden om individueel toelichting te geven over de tariefberekening voor hun sector, indien zij aanvullende informatie wensen over de berekeningswijze. Van dit aanbod heeft slechts een beperkt aantal branches gebruik gemaakt.

Diertransporten

De fractie van de Partij voor de Dieren vraagt naar de stand van zaken rond het incident met de transporteur van biggen in Spanje, zomer 2010.

In het antwoord op de Kamervragen van de Partij voor de Dieren heeft de voormalige minister van LNV u reeds antwoord gegeven op de omstandigheden en genomen maatregelen (TK 2009–2010 3 348 15 september 2010). Het is onjuist, zoals wordt beweerd, dat de transporteur alleen een waarschuwing heeft ontvangen. Er is proces-verbaal opgemaakt en de vergunning is geschorst geweest, de transporteur heeft een protocol gemaakt waarin hij aangeeft hoe hij dit soort zaken in de toekomst zal voorkomen, er is tijdelijk verscherpt toezicht ingesteld door de nVWA en ook daarna zal de nVWA hem nauwgezetter controleren. En tot slot is de transportwagen afgekeurd.

De fractie van de Partij voor de Dieren vraagt naar de beoordeling van temperatuurregistraties

De beoordeling van de temperatuurregistraties tijdens het transport van dieren vindt steekproefsgewijs en risicogebaseerd plaats door de nVWA. Onder meer is in de zomer van 2010 zo het transport met de 300 dode biggen in Spanje bekend geworden. De beoordeling van de andere temperatuurregistraties heeft niet geleid tot het bekend worden van dergelijke onregelmatigheden.

Het is de eigen verantwoordelijkheid van de transporteurs om te voldoen aan de temperatuureisen uit de Transportverordening. De sector beschikt daartoeover diverse mogelijkheden, zoals: in de nacht rijden, lagere bezettingsgraad en geconditioneerd vervoer. Als naar aanleiding van de controle blijkt dat niet aan de temperatuureisen is voldaan, zal handhavend worden opgetreden.

De fractie van de Partij voor de Dieren vraagt naar de stand van zaken bij het onderzoek naar stahoogte dieren in vervoermiddel

Het onderzoek naar de stahoogte voor runderen is onlangs afgerond. Een bespreking met de sector, Dierenbescherming en Eyes on Animals heeft plaatsgevonden. De uitkomsten van het onderzoek is dat 20 cm ruimte boven de schofthoogte onvoldoende is en 40 cm boven de schofthoogte ruim voldoende is om de runderen niet in hun natuurlijke beweging te belemmeren tijdens transport.

De fractie van de Partij voor de Dieren vraagt naar het dierenwelzijn tijdens transporten.

De staatssecretaris van EL&I vindt het borgen en verbeteren van welzijnscondities tijdens transport en de naleving daarvan, noodzakelijk. Het ligt voor de hand dat dit concreet wordt gemaakt in het kader van het sectorbrede kwaliteitssystemen en straks in het gezamenlijke kwaliteitssysteem Quality system Livestock Logistics (QLL) (voorheen Een Huis genoemd) dat nu in ontwikkeling is. Hier zal de staatssecretaris de sector ook op aanspreken.

Zijn inzet is erop gericht om een einde te maken aan de lange afstandstransporten van slachtvee. Dit vergt een Europese aanpak. De Europese Transportverordening voorziet niet in een inperking van zulke transporten. De Commissie zal eind 2011 een rapport uitbrengen over het transport van dieren. Op basis daarvan zal de Commissie besluiten over een herziening van de Transportverordening. De staatssecretaris zal in Brussel pleiten voor een herziening van de Transportverordening om een verbod op lange afstandstransporten vanslachtvee mogelijk te maken.

De gemaakte opmerking over de aard van de controles van de nVWA op diertransporten is onvolledig. De nVWA voert ook structureel onaangekondigde controles uit, bijv. de controles op de verzamelcentra. Ook controleren de combiteams van de nVWA onder meer het vervoer op de weg.

De CDA-fractie vraagt naar de beoordeling van het kwaliteitssysteem Een Huis.

De nVWA heeft de beoordeling van het kwaliteitssysteem Een Huis, thans Quality system Livestock Logistics (QLL) genoemd, bijna afgerond. Hierover heeft de nVWA goed en constructief overleg met het PVE en de daarbij betrokken partijen gehad. Over de uitkomsten zal de staatssecretaris de Tweede Kamer inlichten.

De fractie van de Partij voor de Dieren vraagt naar de beladingsnorm.

De Transportverordening stelt alleen een duidelijke beladingsnorm voor varkens van 100 kg, te weten 235 kg/m2. Voor de overige categorieën geldt dat de varkens ten minste gelijktijdig moeten kunnen gaan liggen en in hun natuurlijke houding moeten kunnen staan. De nVWA handhaaft voor deze overige categorieën op dit doelvoorschrift. Wetenschappelijk onderzoek ontbreekt om voor deze overige categorieën exacte beladingsnormen vast te stellen. De staatssecretaris pleit in Europees verband voor zulk onderzoek en het opnemen van daaruit volgende exacte beladingsnormen in de Transportverordening.

De fractie van de Partij voor de Dieren vraagt naar de kwaliteitsystemen diertransporten.

De leden van de Partij voor de Dieren hebben vragen gesteld over de evaluatie door Ernst & Young van de kwaliteitssystemen Dierwaardig vervoer en NBW Q in het voorjaar van 2010, welke de voormalige minister van LNV u in juni 2010 heeft gestuurd (brief TK 30 juni 2010, 26 991, nr. 279). Zoals daarin is meegedeeld vormt de effectiviteit van audits van de certificerende instanties een belangrijk verbeterpunt waar de nVWA de kwaliteitssysteemhouders op zal aanspreken. Een vorm van overheidstoezicht blijft zeker nodig. Daarom blijft de nVWA steekproefsgewijs de naleving van de regelgeving toetsen.

De fractie van de Partij voor de Dieren vraagt naar controles op verzamelcentra.

De nVWA controleert regulier in het verzamelcentrum zelf of buiten de gebouwen bij de klep van de laadauto en steekproefsgewijs onderweg. Alle dieren worden op deze wijze gezien, ook zonder dat bij de aanlevering op het verzamelcentra wordt toegezien.

Verder is de Partij voor de Dieren van mening dat de klepcontrole voor 100% moet worden ingevoerd omdat misstanden nog steeds plaatsvinden. De staatssecretaris heeft het vertrouwen dat het toezicht van de nVWA en de kwaliteitssystemen van de sector ervoor zorgen dat incidenten tot een minimum beperkt blijven.

Ten aanzien van het vervoer van dieren is het aande nVWA-dierenarts om te bepalen of een dier op basis van de wet- en regelgeving vervoerd mag worden of niet. Van enige «vermoeidheid» in de discussie over zorgvee, zoals de Partij voor de Dieren stelt, is de staatssecretaris niets bekend.

Onbedwelmd slachten

De fractie van de Partij voor de Dieren verzoeken mij de inventarisatie van de nVWA naar onbedwelmd slachten zo snel mogelijk naar de Kamer toe te zenden.

De staatssecretaris van EL&I verwijst hiervoor naar zijn brief van 30 juni 2010 (Kamerstukken II, 2009–2010, 26 991, nr. 279).

Mogelijk dubbele import controles hoog risicoproducten

De CDA-fractie heeft vragen over mogelijk dubbele importcontroles bij hoog risicoproducten.

Verordening 669/2009 regelt dat alle Europese lidstaten aan de buitengrenzen (havens en luchthavens) controles uitvoeren bij producten uit bepaalde derde landen (landen buiten de Europese Unie). Invoer uit deze derde landen mag pas plaats vinden indien er geen afwijkingen zijn met betrekking tot residuen van bestrijdingsmiddelen. Een verschuiving naar andere EU lidstaten is derhalve niet aan de orde en heeft de VWA tot op heden ook niet geconstateerd. De landen waarvoor deze controles plaatsvinden worden aangewezen op basis van meldingen via het Europese Rapid Alert System (RASFF) van overschrijdingen van de normen, en op basis van  de resultaten van audits van de Europese Food and Veterinary Office (FVO). Voor aardbeien uit Egypte zijn beide aan de orde, er zijn RASFF meldingen van overschrijding van de acute dosis (en daarmee een volksgezondheidsprobleem) en een slechte FVO-audit (een onvoldoende controlesysteem).

Voorts is het zo dat de nVWA de garantie biedt dat de uitslagen van het lab er binnen 72 uur zijn, in de praktijk ook vaak binnen 24 uur. De nVWA heeft hierover weinig klachten ontvangen.


XNoot
1

Samenstelling:

Leden: Dijksma, S.A.M. (PvdA), Snijder-Hazelhoff, J.F. (VVD), Verburg, G. (CDA), Koopmans, G.P.J. (CDA), Ham, B. van der (D66), Voorzitter, Smeets, P.E. (PvdA), Samsom, D.M. (PvdA), Jansen, P.F.C. (SP), Ondervoorzitter, Jacobi, L. (PvdA), Koppejan, A.J. (CDA), Graus, D.J.G. (PVV), Thieme, M.L. (PvdD), Gesthuizen, S.M.J.G. (SP), Wiegman-van Meppelen Scheppink, E.E. (CU), Tongeren, L. van (GL), Ziengs, E. (VVD), Braakhuis, B.A.M. (GL), Gerbrands, K. (PVV), Lodders, W.J.H. (VVD), Vliet, R.A. van (PVV), Dijkgraaf, E. (SGP), Schaart, A.H.M. (VVD) en Verhoeven, K. (D66).

Plv. Leden: Jadnanansing, T.M. (PvdA), Elias, T.M.Ch. (VVD), Ormel, H.J. (CDA), Blanksma-van den Heuvel, P.J.M.G. (CDA), Koolmees, W. (D66), Veen, E. van der (PvdA), Klijnsma, J. (PvdA), Irrgang, E. (SP), Groot, V.A. (PvdA), Bijleveld-Schouten, A.T.B. (CDA), Dijck, A.P.C. van (PVV), Ouwehand, E. (PvdD), Gerven, H.P.J. van (SP), Ortega-Martijn, C.A. (CU), Klaver, J.F. (GL), Leegte, R.W. (VVD), Grashoff, H.J. (GL), Mos, R. de (PVV), Taverne, J. (VVD), Bemmel, J.J.G. van (PVV), Staaij, C.G. van der (SGP), Houwers, J. (VVD) en Veldhoven, S. van (D66).

XNoot
2

Kamerstuk 26 991-257.

XNoot
3

Kamerstuk 26 991-252.

XNoot
4

PB L 191 van 28.5.2004, blz. 1.

XNoot
5

Agrarisch Dagblad, 11 november 2011.

XNoot
6

Boerderij 96, no 1. 5 oktober 2010, p. 11.

XNoot
7

NOS, 29 augustus 2009.

XNoot
8

Verordening (EG) nr. 882/2004 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 29 april 2004 inzake officiële controles op de naleving van de wetgeving inzake diervoeders en levensmiddelen en de voorschriften inzake diergezondheid en dierenwelzijn (PbEU L 165).

Naar boven