Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2009-201032260 nr. 7

32 260
Aanpassing van de Wet investeren in jongeren en enkele andere wetten ter verduidelijking en verbetering van enige punten

nr. 7
NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG

Ontvangen 18 februari 2010

Met belangstelling heeft de regering kennis genomen van de bijdragen van de leden van de fracties van CDA, SP en ChristenUnie aan het verslag bij het onderhavige wetsvoorstel. De leden leggen de regering enkele vragen en opmerkingen voor met betrekking tot de voorgestelde wijzigingen.

De commissie geeft aan dat zij – onder voorbehoud van een voldoende beantwoording van de in het verslag gestelde vragen en gemaakte opmerkingen – de openbare behandeling van het wetsvoorstel voldoende voorbereid acht.

In deze nota naar aanleiding van het verslag reageert de regering op de vragen en opmerkingen van de genoemde fracties. Daarbij is de volgorde van het verslag aangehouden.

1. Algemeen

De leden van de fracties van CDA en ChristenUnie hebben met belangstelling kennis genomen van de voorgestelde wijzigingen. De leden van de SP-fractie zien nog steeds de meerwaarde van de Wet investeren in jongeren (WIJ) niet in.

De leden van de CDA-fractie hechten aan een nauwgezette en gedegen uitvoering van de WIJ. De leden van de fractie van de ChristenUnie willen graag weten hoe de implementatie van de WIJ tot op dit moment verloopt en welke signalen de regering in de tussentijd hierover van de uitvoerende organisaties heeft ontvangen.

Zoals bekend was de beoogde datum van inwerkingtreding van de WIJ 1 juli 2009. Vanwege het belang van een zorgvuldige implementatie van de wet door gemeenten is bij de schriftelijke behandeling van het wetsvoorstel WIJ in de Eerste Kamer besloten tot uitstel van de inwerkingtreding tot 1 oktober 2009. Gemeenten zijn van rijkswege gesteund bij de implementatie door middel van regionale voorlichtingsbijeenkomsten en beschikbaarstelling van onder andere een implementatiedraaiboek, een referentiewerkproces, een handreiking, modelbeschikkingen, modelverordeningen en een publiektekst.

Uit contacten met gemeenten in het land komt naar voren dat gemeenten nu actief met de WIJ aan de slag zijn. Verder geven de vragen die bij het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid tot nog toe zijn binnengekomen een indruk van de eerste ervaringen van gemeenten met de WIJ. De vragen waren technisch van aard en betroffen onder andere de duur van het overgangsrecht, de inhoud van het werkleeraanbod en de inzet van het participatiebudget, het opstellen van verordeningen, de normen van de inkomensvoorziening, de financiering en de sanctionering. Een aantal van de vragen hebben ook geleid tot voorstellen die zijn opgenomen in de (nota van wijziging bij) onderhavig wetsvoorstel.

Binnen twee jaar na inwerkingtreding van de wet, zal de regering uw Kamer de resultaten van de evaluatie van de WIJ toezenden. Hierin zal uitgebreid worden ingegaan op de werking van de wet in de praktijk.

De leden van de ChristenUnie constateren verder dat niet-melders een belangrijke groep vormen die buiten de voorziening van de WIJ vallen. Zij veronderstellen dat de regering pas bij de evaluatie in 2011 naar deze groep gaat kijken. De leden vragen of de regering al inzicht heeft in de omvang van deze groep en of de regering overweegt om eventueel eerder maatregelen voor de niet-melders te treffen.

De regering zet zich ervoor in, dat het werkleerrecht zoveel mogelijk inactieve jongeren bereikt. Bij de behandeling van het wetsvoorstel WIJ in uw Kamer is een motie van het lid Biskop c.s. (Kamerstukken II 2008/09, 31 775, nr. 36) aangenomen waarin de regering gevraagd wordt te bevorderen dat gemeenten voor de groep niet-melders programma’s ontwikkelen om deze groep te benaderen om hen alsnog een werkleeraanbod te doen. Bij de behandeling van het wetsvoorstel in de Eerste Kamer is de toezegging gedaan de mogelijkheid van het uitvoeren van een bestandsvergelijking en nulmeting van het aantal niet-melders te bezien. De regering heeft zowel de uitvoering van de motie als de uitvoering van de toezegging actief ter hand genomen.

Zoals gemeld in de brief aan uw Kamer over de voortgang van het Actieplan jeugdwerkloosheid (Kamerstukken II 2008/09, 29 544, nr. 189) is een nulmeting van het aantal niet-melders, zoals door de Eerste Kamer verzocht, niet beschikbaar. Met behulp van gegevens van het CBS is berekend dat het aantal jongeren dat geen onderwijs volgt, niet werkt en ook niet bij de gemeente bekend staat als werkzoekende bijna 5% vormt van alle jongeren van 18 tot 27 jaar. De groep is divers van samenstelling: hieronder vallen ook pas afgestudeerden, reizende jongeren en jongeren die via een uitzendbureau naar werk zoeken.

Om gemeenten te ondersteunen bij het in beeld brengen van niet-melders, wordt op dit moment de mogelijkheid onderzocht om een applicatie voor bestandsvergelijking die het Inlichtingenbureau ontwikkelt voor het beter in beeld brengen van voortijdig schoolverlaters, ook geschikt te maken voor niet-melders.

Daarnaast wil de regering gemeenten ondersteunen in het leren van elkaars ervaringen met het opsporen, benaderen en activeren van niet-melders. Met het SchoolEx-programma uit het Actieplan jeugdwerkloosheid is een extra maatregel gerealiseerd om te voorkomen dat we het zicht op schoolverlatende jongeren uit het middelbaar beroepsonderwijs verliezen. Naast het School Ex-programma hebben gemeenten verschillende plannen en activiteiten met het oog op de benadering van niet-melders. De regering gaat goede voorbeelden en succesfactoren in die aanpak van gemeenten verzamelen en verspreiden.

2. Artikelsgewijs

Artikel I (wijzigingen van de WIJ)

Onderdelen C en L (artikelen 5 en 38)

Het is de leden van de SP-fractie niet duidelijk waarom met onderhavig wetsvoorstel de inkomensvoorzieningsnorm wordt geïntroduceerd in de WIJ en waarom niet verwezen wordt naar de artikelen 30 tot en met 35. De leden vragen of dit niet juist onduidelijkheid schept, omdat de normen genoemd in de artikelen 30 tot en met 35 van de WIJ slechts voor individuele situaties gelden waarvoor maatwerk geldt.

De WIJ onderscheidt normen zonder toepassing van een verhoging of verlaging (genoemd in de artikelen 26 tot en met 29), en normen waarop een verhoging of verlaging is toegepast (de normen genoemd in de artikelen 26 tot en met 29, verhoogd of verlaagd op grond van de artikelen 30 tot en met 35). Het steeds opnieuw in artikelen uitschrijven van de zinsnede «de normen genoemd in de artikelen 26 tot en met 29, verhoogd of verlaagd op grond van de artikelen 30 tot en met 35» maakt de artikelen lastig leesbaar. Door middel van het introduceren van de term «inkomensvoorzieningsnorm» wordt dit probleem weggenomen.

Op die plaatsen in de wet waar gedoeld wordt op de norm zonder toepassing van een verhoging of verlaging kan nu de term «norm» gehanteerd worden. Op die plaatsen waar gedoeld wordt op de norm inclusief een verhoging of verlaging, wordt de term «inkomensvoorzieningsnorm»gebruikt. Naar de mening van de regering wordt door de introductie van deze nieuwe term het onderscheid tussen de norm inclusief verhoging of verlaging en de norm exclusief verhoging of verlaging juist explicieter gemaakt.

Onderdelen D en T (artikel 7)

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen waarom nu pas in de WIJ geregeld wordt dat inkomen uit studiefinanciering en de tegemoetkoming op grond van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten (WTOS) in aanmerking moet worden genomen bij het vaststellen van (het recht op) een inkomensvoorziening.

De regering merkt naar aanleiding hiervan op, dat deze bepaling per abuis niet in de WIJ was opgenomen. In het kader van de WWB worden genoemde componenten al jaren als inkomen aangemerkt. Er was op dit punt geen inhoudelijk verschil met de WWB beoogd. Voorgesteld wordt de bepaling met terugwerkende kracht tot 1 oktober 2009 in werking te laten treden, behalve voor die gevallen waarin toepassing met terugwerkende kracht van de bepaling in het nadeel van de jongere is.

In antwoord op de vraag van genoemde leden over de omvang van de groep jongeren waarvoor onderhavige bepaling relevant is, kan de regering melden dat het naar schatting om minder dan 100 jongeren gaat. De financiële gevolgen bestaan eruit, dat bij de vaststelling van de inkomensvoorziening voor de jongere studiefinanciering van degene waarmee de jongere gehuwd is in aanmerking wordt genomen naar het normbedrag voor levensonderhoud waarnaar deze wordt berekend. Een tegemoetkoming op grond van de WTOS wordt in aanmerking genomen naar het normbedrag voor de basistoelage zoals in de WTOS vastgelegd.

Onderdelen H en I (artikel 28 en 31)

Het schijnt de leden van de CDA-fractie toe dat de in artikel I, onderdeel H, genoemde bedragen voor artikel 28 niet zijn aangepast aan de normwijziging van 1 januari 2010. Zij vragen of dit correct is en zo ja, met welke reden de regering tot deze keuze is gekomen.

Verder stellen zij vast dat aan een aantal bepalingen terugwerkt tot 1 oktober 2009. Zij vragen naar de aanleiding hiervan en tevens of het aanbeveling verdient om ook de voorgestelde wijziging van artikel 28, vierde lid terug te laten werken tot 1 oktober 2009.

De regering heeft beoogd de bedragen van artikel 28 aan te passen aan de normwijziging per 1 januari 2010. Per abuis is in het wetsvoorstel opgenomen dat artikel VII van het wetsvoorstel over eenmalige aanpassing van normen en percentage ziet op de onderdelen E en G van artikel I van het onderhavige wetsvoorstel. Het betreft echter de onderdelen H en I. In de Nota van Wijziging op het voorliggende wetsvoorstel, die tegelijkertijd met deze nota naar aanleiding van het verslag aan uw Kamer wordt toegezonden, is het desbetreffende artikel aangepast.

De voorgestelde wijziging van het vierde lid van artikel 28 werkt niet terug omdat deze in bepaalde gevallen nadelig kan zijn voor de jongere. Dit geldt met name in de situatie dat de uitkering van de partner met een WWB-uitkering op grond van een opgelegde maatregel is verlaagd.

Onderdeel M (artikel 42)

De leden van de fractie van de ChristenUnie constateren voorts dat de colleges gaan beoordelen wanneer er bij iemand sprake is van lichamelijke, geestelijke of sociale redenen. De leden vragen zich af op basis van welke criteria de colleges deze beoordeling gaan maken en welke rechtsbescherming de jongere heeft.

Allereerst merkt de regering op, dat de intentie van het voorgestelde onderdeel M is, om te regelen, dat het recht op inkomensvoorziening niet vervalt als het werkleeraanbod wordt ingetrokken om de reden dat van de jongere niet meer gevergd kan worden dat hij uitvoering geeft aan dat werkleeraanbod. Dit ligt in het verlengde van het uitgangspunt van de WIJ dat voor jongeren van wie naar het oordeel van het college om redenen van lichamelijke, geestelijke of sociale aard niet gevergd kan worden dat zij uitvoering geven aan een werkleeraanbod, recht op inkomensvoorziening bestaat.

In de WIJ (artikel 17) is dan ook al vastgelegd, dat colleges de beoordeling van lichamelijke, geestelijke of sociale beperking gaan doen. Colleges zijn met deze taak ook al jaren bekend in het kader van de vrijstelling van de plicht tot arbeidsinschakeling als bedoeld in artikel 9 van de WWB. De colleges maken bij die beoordeling geregeld gebruik van adviezen van onafhankelijke, externe deskundigen. Een ingewonnen advies dient door het college betrokken te worden bij de besluitvorming. In het besluit moet worden gemotiveerd of en op welke wijze het advies in de besluitvorming is meegenomen.

Tegen besluiten over de al dan niet aanwezigheid van beperkingen van lichamelijke, geestelijke of sociale aard, kan een jongere in het kader van de WIJ bezwaar maken en eventueel vervolgens beroep instellen. Impliciet tekent de jongere hiermee bezwaar en beroep aan tegen het eventuele advies van een externe deskundige. Het staat de jongere – net zoals dat in het kader van de WWB het geval is – vrij een second opinion aan te vragen en met medische verklaringen of anderszins aannemelijk te maken dat er sprake is van belemmeringen van lichamelijke, geestelijke of sociale aard. Het is uiteindelijk aan de rechter om zich hierover uit te spreken.

Onderdeel N (artikel 42a)

De leden van de CDA-fractie merken op dat met het voorgestelde artikel 42a WIJ een met artikel 50 WWB overeenkomstig artikel voor de WIJ wordt voorgesteld. Dit artikel regelt de verstrekking van een inkomensvoorziening in het geval de jongere een eigen woning heeft. Deze leden geven aan dat het in de WWB gebruikelijk is dat de gemeente in dit geval een inkomensvoorziening in de vorm van een lening zekerstelt met een krediethypotheek en vragen de regering of dezelfde doelstelling geldt in de WIJ. Verder leggen zij de vraag voor of in de WIJ een equivalent van artikel 48, derde lid, WWB opgenomen zou moeten worden.

Het voorgestelde artikel 42a WIJ beoogt overeenkomstig artikel 50 WWB te regelen dat een jongere in aanmerking kan komen voor een inkomensvoorziening, ondanks het feit dat hij een eigen woning heeft, indien tegeldemaking of bezwaring van die woning in redelijkheid niet van hem kan worden verlangd. Verder wordt in de eerder genoemde Nota van Wijziging op het voorliggende wetsvoorstel voorgesteld een artikel 39a WIJ toe te voegen met daarin een aantal bepalingen die zien op de vorm waarin de inkomensvoorziening wordt verleend. In het tweede lid van dat artikel wordt (conform artikel 48, derde lid, WWB) bepaald dat indien de inkomensvoorziening in de vorm van een geldlening wordt verleend aan deze geldlening verplichtingen kunnen worden verbonden ter verkrijging van meer zekerheid voor de nakoming van de aan de geldlening verbonden aflossingsverplichtingen.

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen of het verstrekken van de inkomensvoorziening als geldlening op de langere termijn kan leiden tot problematische schulden bij jongeren. Ook willen deze leden weten of het gevaar bestaat dat jongeren zich minder snel bij de gemeente melden in verband met de mogelijke tegeldemaking of bezwaring van de eigen woning. Verder vragen deze leden wat de rechten van de jongeren zijn bij een meningsverschil over het besluit tot tegeldemaking of bezwaring van de eigen woning.

De WIJ is voor jongeren tot 27 jaar het laatste vangnet van de sociale zekerheid, net zoals de WWB dat is voor burgers van 27 jaar en ouder. Vanwege dit vangnetkarakter staat in de WIJ, net als in de WWB, de eigen verantwoordelijkheid van de jongere centraal om alles te doen wat nodig en mogelijk is om in het eigen bestaan te voorzien. Dit complementaire karakter van de wet brengt mee dat een ruime definitie van het begrip «middelen» wordt gehanteerd, waarvan ook het in de eigen woning gebonden vermogen deel uitmaakt. Net als in de WWB staat in de WIJ een bescheiden vermogen (van maximaal € 5 480 voor een alleenstaande en € 10 960 voor een alleenstaande ouder of gehuwden) niet in de weg aan de verlening van een inkomensvoorziening. Voorts geldt, onafhankelijk van deze vrijlating van het bescheiden vermogen, een afzonderlijke vrijlating van maximaal € 46 200 voor het vermogen dat is gebonden in de eigen bewoonde woning met bijbehorend erf. Een inkomensvoorziening in de vorm van een lening is derhalve alleen aan een orde voor jongeren die een eigen woning bezitten die een aanzienlijke overwaarde vertegenwoordigt. De kans dat het verstrekken van de inkomensvoorziening in de vorm van een geldlening aan jongeren met een eigen woning, ook op de langere termijn zal leiden tot problematische schulden is niet groter dan het al was in de huidige situatie van de WWB. De regering verwacht niet dat de eventuele verstrekking van de inkomensvoorziening als geldlening jongeren zal weerhouden om zich bij de gemeente te melden. In het kader van de WIJ wendt de jongere zich niet tot de gemeente voor het aanvragen van een uitkering, maar voor een werkleeraanbod. Bij de vaststelling van het recht op een werkleeraanbod speelt de hoogte van het vermogen van de jongere geen rol. Alleen in de situatie dat het werkleeraanbod onvoldoende inkomsten genereert en de jongere om die reden aanspraak maakt op een inkomensvoorziening in het kader van de WIJ, wordt het vermogen in aanmerking genomen. Dit heeft slechts gevolgen voor (de vorm van) de inkomensvoorziening als het vermogen hoger is dan de genoemde vrijlatingen.

Tegen besluiten betreffende de tegeldemaking of bezwaring van de eigen woning kan een jongere in de zin van de WIJ bezwaar maken en eventueel vervolgens beroep instellen. In laatste instantie is het aan de rechter om hierover een uitspraak te doen.

Onderdeel Q (artikel 55)

De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van de wijziging van artikel 55, eerste lid, WIJ. Hiermee wordt beoogd te regelen dat ook een verzwegen partner kan worden aangesproken op de terugvordering als een jongere een inkomensvoorziening heeft ontvangen als alleenstaande (ouder) terwijl hij eigenlijk voor de WIJ als gehuwd aangemerkt had moeten worden. Deze leden achten dit een terechte wijziging. Verder vragen zij de regering waarom de hoofdelijke aansprakelijkheid van beide partners niet (conform artikel 59, eerste lid, juncto derde lid, WWB) is geregeld in het geval de inkomensvoorziening op zich terecht naar de norm voor gehuwden is verleend, maar om andere redenen onterecht was, bijvoorbeeld in verband met verzwegen inkomen of vermogen. Zij vragen of op die wijze de hoofdelijke aansprakelijkheid juridisch niet beter zou zijn vastgelegd en of de regering overweegt artikel 55 WIJ zodanig te wijzigen.

Een gelijkluidende bepaling als artikel 59, eerste lid, WWB, ontbreekt inderdaad in artikel 55 van de WIJ. Ook wordt in de WIJ niet bepaald dat de inkomensvoorziening wordt verstrekt als «gezinsbijstand». Dit heeft te maken met de paradigmawisseling in de WIJ: van «een uitkering, mits» naar «geen uitkering, tenzij». Deze paradigmawisseling brengt met zich mee dat de inkomensvoorziening in het kader van de WIJ een ander (conditioneel) karakter heeft ten opzichte van de uitkering in het kader van de WWB.

In het kader van de WWB vragen gehuwde of samenwonende partners gezamenlijk een uitkering aan (naar de gehuwdennorm). Aan die uitkering ten aanzien van beide partners kunnen re-integratieverplichtingen verbonden worden. Het systeem van de WIJ is anders. Om aanspraak te kunnen maken op een eventuele inkomensvoorziening moet de jongere in het kader van de WIJ het werkleeraanbod van de gemeente hebben geaccepteerd. De inkomensvoorziening in de WIJ is, zoals eerder aangegeven, een afgeleide van het werkleeraanbod. Dit recht op een werkleeraanbod is een individueel recht waarvoor de jongere in aanmerking komt als zijn in aanmerking te nemen inkomen lager is dan de op hem van toepassing zijnde inkomensvoorzieningsnorm. Het in aanmerking te nemen inkomen en vermogen van de partner worden bij de vaststelling van het recht op een werkleeraanbod buiten beschouwing gelaten. In het geval er sprake is van gehuwden die beiden jonger zijn dan 27 jaar, dienen beide partners individueel een werkleeraanbod aan te vragen en te accepteren. Indien in een dergelijke situatie de werkleeraanbiedingen van beide partners onvoldoende inkomen genereren, kunnen zij aanspraak maken op een inkomensvoorziening. De beide individuele rechten worden dan als het ware opgeteld tot een inkomensvoorziening naar de gehuwdennorm.

Verder merkt de regering op dat in de eerder genoemde Nota van wijziging het eerste lid van artikel 55 WIJ opnieuw wordt vastgesteld. Hiermee wordt geregeld dat ook als de jongere een gezamenlijke huishouding voert met een persoon die recht heeft op bijstand op grond van de WWB, en de jongere dit verzwegen heeft, de kosten van de inkomensvoorziening van beide partners kunnen worden teruggevorderd.

Onderdeel S (artikel 86)

De leden van de SP-fractie en de ChristenUnie vragen de regering waarom de overgangstermijn met drie maanden is verkort vanwege de latere invoering van de WIJ. De leden van ChristenUnie willen weten waarom de overgangsperiode is ingekort tot maximaal negen maanden. Verder informeren zij naar de gevolgen hiervan voor gemeenten en vragen zij of de uitvoering hierin is gekend.

Het overgangsrecht geldt voor jongeren die op de dag voor inwerkingtreding van de WIJ algemene bijstand op grond van de WWB ontvingen. De keuze voor het aanpassen van de duur van de overgangstermijn berust op de gedachte alle jongeren zo snel mogelijk te laten participeren. Bovendien kent het wetsvoorstel een lang voortraject. Ten tijde van de indiening van het wetsvoorstel bij de Tweede Kamer was de beoogde datum van inwerkingtreding 1 juli 2009. Zoals eerder in deze nota naar aanleiding van het verslag is aangegeven is bij de schriftelijke behandeling van het wetsvoorstel WIJ in de Eerste Kamer de inwerkingtreding van de wet uitgesteld tot 1 oktober 2009, dit in het belang van een zorgvuldige implementatie van de wet door gemeenten. Daarbij is ook aangegeven, dat de WIJ na een overgangsperiode uiteindelijk per 1 juli 2010 voor de gehele doelgroep zal gelden. De regering is van mening dat, met het oog op de huidige conjuncturele situatie en de bestrijding van de jeugdwerkloosheid jongeren niet te lang afhankelijk moeten blijven van bijstand, maar juist het met de WIJ verkregen recht op een werkleeraanbod zo snel mogelijk moeten kunnen benutten. Bovendien geldt (na amendering van de WIJ tijdens de behandeling in de Tweede Kamer) dat jongeren die ook met de WIJ in aanmerking komen voor een inkomensvoorziening er in inkomen niet op achteruit gaan ten opzichte van de uitkering in het kader van de WWB.

Gezien het korte tijdsbestek zijn gemeenten niet van tevoren geconsulteerd over de kortere overgangsperiode. Wel zijn zij hierover op verschillende manieren voorgelicht, onder ander door middel van een handreiking voor de uitvoering van de WIJ, een draaiboek voor de implementatie, de modelverordeningen en regionale voorlichtingsbijeenkomsten in de maanden juni en juli 2009.

Inlichtingenplicht

De leden van de CDA-fractie constateren dat in artikel 40, derde lid, onderdeel a, WIJ, louter wordt gesproken van intrekking of herziening in verband met een schending van de verplichting, bedoeld in artikel 30c, tweede of derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen (Wet SUWI). Dit artikel mist toepassing in het geval de inkomensvoorziening tengevolge van een schending van de verplichting in artikel 44 WIJ tot een te hoog bedrag of ten onrechte is toegekend. Deze leden vragen of de regering bij het wijzigen van de wet een equivalent van artikel 54, derde lid, onderdeel a, WWB, heeft overwogen.

In aanvulling op hetgeen dienaangaande al is vermeld in de nota naar aanleiding van het verslag bij de WIJ merkt de regering het volgende op. Inderdaad verschilt het derde lid van artikel 40 van artikel 54 van de WWB in die zin dat in artikel 39 niet genoemd wordt dat bij het niet nakomen van de inlichtingenverplichting, de inkomensvoorziening kan worden herzien of ingetrokken. In de WIJ is dit op een andere manier geregeld. In onderdeel b van artikel 21 WIJ is namelijk bepaald dat het college het recht op een werkleeraanbod kan intrekken of herzien indien de jongere niet voldoet aan een of meer op hem rustende verplichtingen als bedoeld in artikel 44 en 45 en hem dit te verwijten valt. Indien het college op grond van deze bevoegdheid het werkleeraanbod herziet of intrekt, heeft dit tevens gevolgen voor de inkomensvoorziening, die in de WIJ immers een afgeleide van het werkleeraanbod is. Op grond van artikel 25, eerste lid, WIJ, stelt het college het recht op een inkomensvoorziening ambtshalve vast, gelijktijdig met het recht op een werkleeraanbod. Als het college het werkleeraanbod intrekt, wordt met het betreffende besluit tevens de inkomensvoorziening ingetrokken. En als het werkleeraanbod wordt herzien, zal het college tevens opnieuw het recht op een inkomensvoorziening moeten bezien. Daarnaast kan – bij wijze van maatregel – op grond van artikel 41 WIJ het bedrag van de inkomensvoorziening worden verlaagd.

De staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

J. Klijnsma