Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2009-201032260 nr. 6

32 260
Aanpassing van de Wet investeren in jongeren en enkele andere wetten ter verduidelijking en verbetering van enige punten

nr. 6
VERSLAG

Vastgesteld 22 januari 2010

De vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid1, belast met het voorbereidend onderzoek van bovenstaand wetsvoorstel, heeft de eer als volgt verslag uit te brengen van haar bevindingen.

Onder het voorbehoud dat de regering de vragen en opmerkingen in dit verslag afdoende zal beantwoorden, acht de commissie hiermee de openbare behandeling van het voorstel van wet voldoende voorbereid.

1. Algemeen

De leden van de CDA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de voorgestelde wetswijziging van de Wet investeren in jongeren (WIJ). Zij zijn verheugd met de aanpassingen, omdat deze beogen een verduidelijking en verbetering van enkele bepalingen te realiseren. Wel hechten deze leden aan een nauwgezette en gedegen uitvoering van de WIJ. Om die reden leggen zij de regering nog enkele vragen voor over de voorgestelde wijzigingen.

De leden van de SP-fractie merken op nog steeds de meerwaarde van de Wet investeren in jongeren niet te zien. Zij zijn van mening dat het een bezuinigingsmaatregel is die – zo blijkt in de praktijk – niet in alle gemeenten even goed uitwerkt. Bovendien vinden zij dat deze wet een belangrijk grondrecht van jongeren aantast. De leden van de SP-fractie leggen de regering enkele vragen en opmerkingen voor, die in dit verslag zijn opgenomen.

De leden van de ChristenUnie-fractie hebben met belangstelling kennis genomen van het wetsvoorstel aanpassing van het wetsvoorstel. Het stimuleren van jongeren om te werken of te leren achten de leden van deze fractie van groot belang. De leden van de ChristenUnie-fractie willen graag weten hoe de implementatie tot op dit moment verloopt, nu de WIJ overal van kracht is. Welke signalen heeft de regering in de tussentijd hierover ontvangen van de uitvoerende organisaties, zo vragen deze leden. Bij de WIJ vormen de niet-melders een belangrijke groep die buiten de voorziening van de WIJ vallen. De regering zal pas bij de evaluatie in 2011 gaan kijken naar deze groep. De leden van de ChristenUnie-fractie vragen of de regering al inzicht heeft in de omvang van deze groep. Overweegt de regering om eventueel eerder maatregelen voor de niet-melders te treffen? Rond het nu voorliggende wetsvoorstel aanpassing van de Wet investeren jongeren willen de leden van de ChristenUnie-fractie nog een aantal opmerkingen maken, die in dit verslag zijn opgenomen.

2. Artikelsgewijs

artikel I (wijzigingen van de WIJ)

Onderdelen C en L (artikelen 5 en 38)

De leden van de SP-fractie merken op dat er wordt voorgesteld om een nieuw begrip te introduceren: de inkomensvoorzieningsnorm, waarin de normen inclusief verhogingen en verlagingen zijn opgenomen. Het is deze leden onduidelijk waarom deze nieuwe norm wordt geïntroduceerd. Bovendien vragen de leden van de SP-fractie of dit niet juist onduidelijkheid schept, omdat de normen genoemd in de artikelen 30 tot en met 35 van de WIJ slechts voor individuele situaties gelden waarvoor maatwerk geldt. Waarom kiest de regering er niet voor om te verwijzen naar de artikelen 30 tot en met 35 van de WIJ?

Onderdelen D en T (artikel 7)

In de WIJ wordt met terugwerkende kracht de bepaling uit de Wet werk en bijstand (WWB) overgenomen dat inkomen uit studiefinanciering en de tegemoetkoming op grond van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten ook in aanmerking moet worden genomen bij het vaststellen van de inkomensvoorziening norm. De leden van de ChristenUnie-fractie vragen waarom de regering dit nu pas in de wet opneemt, maar eerder niet. Hoe groot is de groep binnen de WIJ waar deze wijziging voor relevant is en wat zijn precies de financiële gevolgen hiervan voor deze groep, zo willen deze leden bovendien weten.

Onderdelen H en I (artikel 28 en 31)

Het schijnt de leden van de CDA-fractie toe dat de in artikel I, onderdeel H genoemde bedragen voor artikel 28 niet zijn aangepast aan de normwijziging van 1-1-2010. Is dat correct en zo ja, met welke reden is de regering tot deze keuze gekomen?

De leden van de CDA-fractie stellen vast, dat aan een aantal bepalingen terugwerkende kracht is verstrekt tot 1 oktober 2009. Zij vragen de regering naar de aanleiding daarvan en of het mogelijk aanbeveling verdient om ook aan de voorgestelde wijziging van de aanhef van artikel 28 lid 4 WIJ terugwerkende kracht te geven tot 1 oktober 2009. Zij vermoeden dat daardoor de thans geldende uitvoeringspraktijk van een juridisch kader zou worden voorzien.

Onderdeel M (artikel 42)

De leden van de ChristenUnie-fractie constateren dat de colleges gaan beoordelen wanneer er bij iemand sprake is van lichamelijke, geestelijke of sociale redenen. Zij vragen zich af op basis van welke criteria de colleges deze beoordeling gaan maken. Op welke manier kan een jongere eventueel bezwaar maken tegen het door het college genomen besluit en wat zijn dan de rechten van die persoon, zo willen zij weten.

Onderdeel N (artikel 42a)

De leden van de CDA-fractie merken op, dat met het voorgestelde artikel 42a WWB een met artikel 50 WWB overeenkomstig artikel voor de WIJ wordt voorgesteld. Dit artikel regelt de omstandigheid waarin er een overwaarde in een eigen woning bestaat en het verstrekken van de inkomensvoorziening in de vorm van een lening (totdat de ruimte in de overwaarde is volgemaakt). In het kader van de WWB is het gebruikelijk dat de gemeente deze lening zekerstelt met een krediethypotheek. De leden van de CDA-fractie vragen de regering nu, of deze zelfde doelstelling geldt in de WIJ. Zij leggen de regering daarom de vraag voor, of wellicht ook een equivalent van artikel 48 lid 3 WWB opgenomen zou moeten worden in de WIJ.

Kan het verstrekken van inkomensvoorziening als geldlening op de langere termijn leiden tot problematische schulden bij de betreffende groep, zo vragen de leden van de ChristenUnie-fractie? Ook willen deze leden graag weten of het gevaar bestaat dat de mogelijke tegeldemaking of bezwaring van de eigen woning van een jongere er toe zal leiden dat jongeren zich minder snel gaan melden bij gemeenten. Wat zijn verder de rechten van de jongeren bij een meningsverschil over het besluit voor de tegeldemaking of bezwaring van de eigen woning, zo vragen deze leden.

Onderdeel Q (artikel 55)

De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van de wijziging van artikel 55 lid 1 WIJ, waarmee wordt beoogd te regelen dat, als een jongere die een inkomensvoorziening heeft ontvangen als alleenstaande, of als alleenstaande ouder, terwijl hij eigenlijk voor de WIJ als gehuwd had moeten worden aangemerkt, de verzwegen partner ook kan worden aangesproken op de terugvordering en deze daarbij (op grond van artikel 55 lid 2 WIJ), evenals de jongere die de inkomensvoorziening had ontvangen, hoofdelijk aansprakelijk is voor de terugbetaling van de schuld. In artikel I, onderdeel Q wordt volgens de vermelde leden dan ook met recht de abusievelijk aangebrachte beperking in artikel 55 lid 1 van het eerste lid van artikel 28 geschrapt. Anders zou een verzwegen partner immers uitsluitend in de terugvordering kunnen worden betrokken als gaat om een situatie waarin de jongeren als gehuwden zonder kinderen moeten worden beschouwd. De leden van de CDA-fractie vragen waarom de hoofdelijke aansprakelijkheid van beide partners niet is geregeld in het geval de inkomensvoorziening op zich terecht naar de norm voor gehuwden is verleend, maar om andere redenen onterecht was. Daarbij kan gedacht worden aan verzwegen inkomens of vermogen. De leden van de CDA-fractie vragen de regering nu, met welke reden deze kwestie niet is geregeld op een met artikel 59 lid 1 jo. lid 3 WWB vergelijkbare wijze. Zou daarmee de hoofdelijke aansprakelijkheid niet beter juridisch zijn vastgelegd? Wordt een wijziging van artikel 55 naar het model van artikel 59 WWB daarom overwogen?

Onderdeel S (artikel 86)

De leden van de SP-fractie begrijpen niet dat de overgangstermijn wordt verkort van twaalf maanden naar negen maanden, vanwege een latere invoering van de WIJ. Nog steeds blijft naar de mening van de leden van de SP-fractie gelden dat gemeenten en jongeren met een WWB-uitkering zich moeten kunnen voorbereiden op deze nieuwe wetgeving. Waarom is de regering van mening dat de overgangstermijn zomaar met drie maanden kan worden verkort?

De leden van de ChristenUnie-fractie stellen vast dat het overgangsrecht een periode van maximaal twaalf maanden zou hebben. Het wordt nu voorgesteld om dit in te korten tot een periode van maximaal negen maanden. De leden van de ChristenUnie-fractie willen weten waarom de betreffende periode ingekort wordt tot maximaal negen maanden. Wat zijn de gevolgen van de verkorte duur voor de uitvoering van de WIJ voor de gemeenten, zo vragen deze leden? De leden van de ChristenUnie-fractie vragen tevens aan de regering of de uitvoering hierin gekend is.

Inlichtingenplicht

De leden van de CDA-fractie constateren dat in artikel 40 lid 3 onderdeel a WIJ louter wordt gesproken van intrekking of herziening in verband met een schending van de verplichting, bedoeld in artikel 30c, tweede of derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen. Het betreft hier de inlichtingenplicht ten opzichte van het UWV werkbedrijf tijdens de aanvraag. Belangrijker is niettemin wellicht de inlichtingenplicht van artikel 44 WIJ ten opzichte van het college van B&W. Artikel 40 lid 3 onderdeel a WIJ mist thans echter toepassing in het geval de inkomensvoorziening tengevolge van een schending van de verplichting in artikel 44 WIJ tot een te hoog bedrag of ten onrechte is toegekend. De leden van de CDA-fractie vragen of dit het oogmerk kan zijn. Zij vragen de regering dan ook, of bij het wijzigen van de wet een equivalent van artikel 54 lid 3 onderdeel a WWB is overwogen.

De voorzitter van de commissie,

Jonker

Adjunct-griffier van de commissie,

Santucci


XNoot
1

Samenstelling:

Leden: Van der Vlies (SGP), Van Gent (GL), Blok (VVD), Van Dijk (CDA), Smeets (PvdA), Dezentjé Hamming-Bluemink (VVD), Omtzigt (CDA), Van Hijum (CDA), Timmer (PvdA), Koşer Kaya (D66), Jonker (CDA), voorzitter, Van Dijck (PVV), Luijben (SP), Spekman (PvdA), Koppejan (CDA), Ortega-Martijn (CU), Van der Burg (VVD), Ulenbelt (SP), Karabulut (SP), Thieme (PvdD), Vermeij (PvdA), Blanksma-van den Heuvel (CDA), Lempens (SP), ondervoorzitter, Vos (PvdA) en Meeuwis (VVD).

Plv. leden: Van der Staaij (SGP), Sap (GL), De Krom (VVD), Smilde (CDA), Depla (PvdA), Aptroot (VVD), Pieper (CDA), Willemse-van der Ploeg (CDA), Linhard (PvdA), Pechtold (D66), Spies (CDA), Bosma (PVV), Irrgang (SP), Tang (PvdA), Joldersma (CDA), Cramer (CU), Elias (VVD), De Wit (SP), Gesthuizen (SP), Ouwehand (PvdD), Heerts (PvdA), Biskop (CDA), Gerkens (SP), Heijnen (PvdA) en Weekers (VVD).