Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2010-201132252 nr. 46

32 252 Wijziging van de Wet milieubeheer in verband met de invoering van geluidproductieplafonds en de overheveling van hoofdstuk IX van de Wet geluidhinder naar de Wet milieubeheer (modernisering instrumentarium geluidbeleid, geluidproductieplafonds)

Nr. 46 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN INFRASTRUCTUUR EN MILIEU

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 28 juni 2011

In het wetgevingsoverleg van 27 juni jl. heb ik toegezegd de Kamer voorafgaand aan de stemmingen over het wetsvoorstel SWUNG schriftelijk te informeren over mijn reactie op een tweetal amendementen.

32 252 amendement, nr. 36 van het lid Jansen

De fractie van de SP stelt voor om bij de berekening van de geluidproductie uit te gaan van de gemiddelde waarde over de levensduur van de infrastructuur. Dit op basis van metingen door een onafhankelijke partij.

Ik laat het oordeel over dit amendement over aan de Kamer. In lijn met hetgeen dit amendement voorschrijft, bestaat het voornemen om bij het berekenen van de geluidproductie uit te gaan van gemiddelde waarden over de technische levensduur van de infrastructuur. Dit wordt geregeld in het reken- en meetvoorschrift. Het reken- en meetvoorschrift is gebaseerd op vele praktijkmetingen en inzichten van onafhankelijke kennisinstituten (m.n.TNO). Het is dan ook niet noodzakelijk om dit nu vast te leggen in de wet. Er zal rekening gehouden worden met het effect op de veroudering van zoab, zoals dat op basis van regelmatig uit te voeren validatiemetingen wordt vastgesteld. Op basis van een voldoende aantal metingen bij representatieve wegen en spoorwegen zal gekomen worden tot een goed gevalideerd Reken- en Meetvoorschrift. Deze metingen zullen in de toekomst uitgevoerd worden door een onafhankelijke partij (RIVM).

32 252 amendement, nr. 42 van de leden Samsom en Jansen

De fracties van de PvdA en de SP stellen met dit amendement voor om aan artikel 11.13 toe te voegen dat in actieplannen in ieder geval wordt beschreven hoe geluidproductieplafonds in relatie tot bronbeleid zo veel mogelijk worden verlaagd.

Ik waardeer de intentie van het amendement om ook in provinciale actieplannen aandacht te besteden aan de mogelijkheden om de geluidproductieplafonds als gevolg van succesvol bronbeleid te verlagen. Opgemerkt wordt echter dat er op dit moment nog geen geluidproductieplafonds voor provinciale wegen zijn, en het niet passend is dat Gedeputeerde Staten in het kader van het provinciale actieplan richtinggevende uitspraken doet over geluidproductieplafonds voor de rijksinfrastructuur. Om deze reden ontraad ik dit amendement. Ik neem het voorstel mee bij de uitwerking van Swung-2 om na introductie van geluidproductieplafonds voor provinciale wegen in het actieplan aandacht te besteden aan mogelijkheden voor verlaging van deze plafonds.

In aanvulling op het bovenstaande merk ik op dat het van belang blijft dat er per geval een afweging wordt gemaakt tussen enerzijds de mogelijkheden voor plafondverlaging en anderzijds de noodzaak voor het faciliteren van de mobiliteit. De redactie van het amendement lijkt hier minder ruimte voor te bieden dan de huidige redactie van artikel 11.11, lid 4. Dit acht ik ongewenst.

Inmiddels is de motie vervangen door nr. 43. Hoewel het gewijzigde amendement nog meer aansluit bij mijn intenties, blijft het bezwaar bestaan dat het amendement zich richt op de geluidproductieplafonds van provinciale wegen. Derhalve moet het amendement nog steeds ontraden worden.

Tot slot wil ik op verzoek van uw Kamer nog kort het overzicht geven van de gisteravond ingediende moties en mijn oordeel daarover. Voor wat betreft de amendementen verwijs ik naar de bijlage bij deze brief.1

Moties:

  • 1. Motie-Samsom (32 252, nr. 37) over initiatief ingeval van cumulatie: ondersteuning van beleid;

  • 2. Motie-Van Veldhoven (32 252 nr .39) over norm van 65 dB in Swung-II, vanuit de interpretatie zoals aangegeven in het debat dat het hier gaat om een uitgangspunt in de gesprekken met IPO en VNG over uitwerking Swung-II: oordeel Kamer;

  • 3. Motie-Koopmans (32 252, nr. 40) over een adequate oplossing voor de in de motie genoemde lijnen: oordeel Kamer1.Ter toelichting wil ik nog het volgende opmerken. Voor alle hoofdspoorwegen zullen als gevolg van het wetsvoorstel SWUNG geluidproductieplafonds worden ingesteld, zodat omwonenden beter worden beschermd dan in de huidige situatie. Dit geldt ook voor de IJssellijn en Twentelijn. In het programma hoogfrequent spoorvervoer (PHS), waarin ook rekening wordt gehouden met bronbeleid, zullen deze geluidproductieplafonds bepalend zijn en zullen doelmatige maatregelen getroffen moeten worden als de groei van het spoorvervoer niet binnen deze geluidproductieplafonds mogelijk is. In PHS zijn voor geluid ook financiële middelen gereserveerd. Tenslotte zullen geluidmaatregelen uit het Meerjarenprogramma geluidsanering op delen van deze lijnen getroffen worden om de geluidsituatie te verbeteren. Deze aanpak acht ik voldoende en in overeenstemming met de aanpak die ik voorsta op de rest van het Nederlandse spoornet. Daarom acht ik eventuele aanvullende wet- en regelgeving om nog meer te doen op deze specifieke spoorlijnen overbodig.

  • 4. Motie-Van Tongeren (32 252, nr. 41) over dubbellaags zoab: oordeel Kamer, uitgaande van de toezegging van mevrouw Van Tongeren om de motie aan te vullen met de nuancering «tenzij er een effectievere en meer gewenste maatregel mogelijk is». Hierbij merk ik op dat tweelaags zoab 50% duurder is dan zoab over de levenscyclus bezien. Het extra benodigde budget die deze motie met zich meebrengt dient te worden gevonden binnen het beschikbare beheer- en onderhoudsbudget.

Ik vertrouw er op u hiermee voldoende te hebben geïnformeerd.

De staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu,

J. J. Atsma


X Noot
1

Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer.

X Noot
1

Tijdens het debat heeft de heer Koopmans aangekondigd de motie nog tekstueel aan te passen.