Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2018-201932239 nr. 7

32 239 Seksuele gezondheid

Nr. 7 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN VOLKSGEZONDHEID, WELZIJN EN SPORT

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 1 november 2018

De vaste commissie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport heeft een brief gevraagd met een nadere duiding en oordeel over de aangehouden gewijzigde motie-Dik-Faber/Slootweg over lesmethoden op het gebied van seksuele gezondheid (Kamerstuk 35 000 XVI, nr. 75). Er wordt verzocht om meer helderheid inzake het aanbod van lespakketten op het gebied van seksuele voorlichting. Er wordt gevraagd waar (nieuwe) aanbieders nu tegenaan lopen, of het om veel verschillende aanbieders gaat en hoe het aanbod van lespakketten nu verloopt. Ook wordt gevraagd of de Gezonde School daarin nu al een rol speelt, wat het sneller beoordelen precies betekent en of dat haalbaar is, en of daar capaciteit voor is.

Er zijn voor scholen diverse lesmaterialen en -methodieken beschikbaar ten behoeve van seksuele voorlichting en die worden onder meer ontsloten via de website van organisaties zoals de Gezonde School, Stichting School en Veiligheid en het Netwerk Burgerschap mbo.

Het beleid vanuit het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is te kiezen voor een breed aanbod aan lespakketten en niet voor één specifieke methode of aanbieder. Een lijn die ik van harte ondersteun.

Navraag bij het RIVM en bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap blijkt dat er geen signalen zijn dat het aanbod van lespakketten niet breed genoeg is of dat er tekorten zijn in het aanbod. Wel blijkt uit een rapport van de Inspectie van het Onderwijs uit 2016 dat sommige scholen in het algemeen meer structurele aandacht kunnen schenken aan seksuele voorlichting dan zij nu doen.

Scholen hebben de vrijheid om zelf invulling te geven aan de wijze waarop zij het onderwijs vormgeven, ook met betrekking tot seksuele vorming, seksuele weerbaarheid en seksuele diversiteit. Dit is belangrijk zodat ze goed kunnen aansluiten bij de wensen, behoeften en omstandigheden van leerlingen en studenten en ook de waarden waar de school voor staat. Bij de vormgeving van het onderwijs op dit terrein worden scholen ondersteund via onder meer de Gezonde School en de Stichting School en Veiligheid (SSV). Voor het MBO is er daarnaast ondersteuning via het Netwerk burgerschap mbo.

Op de sites van Gezonde School en vooral ook op de site van School en Veiligheid zijn per schooltype (primair onderwijs, voortgezet onderwijs, mbo) overzichten te vinden van materiaal en lesmethoden op het terrein van seksuele vorming, seksuele weerbaarheid en seksuele diversiteit. De meest gebruikte methoden zijn die van Rutgers (Lentekriebels voor het PO en Lang Leve de Liefde voor het VO). Deze methoden zijn erkend door de erkenningscommissie van het RIVM en beschikbaar via loketgezondleven.nl en de databank effectieve jeugdinterventies van het NJi.

Vanuit het RIVM bestaat een erkenningstraject, waarbij diverse erkenningscommissies de effectiviteit, kwaliteit en uitvoerbaarheid van onder andere leefstijlinterventies beoordelen. De commissie jeugdgezondheidszorg en gezondheidsbevordering voor de jeugd is verantwoordelijk voor de erkenning van lespakketten op het gebied van seksuele gezondheid.

Het RIVM kijkt of het aanbod van interventies (onder andere lespakketten) voldoende is en of er nog witte vlekken zijn. Het RIVM geeft aan dat het aanbod op het thema seksuele gezondheid op dit moment breed genoeg is, maar dat ten aanzien van ongewenste zwangerschap de lespakketten wellicht nog wat verbreed kunnen worden.

Belangrijke voorwaarde voor het RIVM is dat alleen een interventie kan worden toegelaten tot het erkenningsproces als er voldaan is aan de inclusie criteria. Dat houdt in: er is een handleiding, een procesevaluatie, en de interventie wordt op meerdere plaatsen uitgevoerd. Als de interventie niet voldoet aan de inclusiecriteria neemt het RIVM de interventie niet op in het erkenningsproces.

Ook kijkt het RIVM al vooraf naar de kwaliteit van de materialen en of de interventie een meerwaarde heeft ten opzicht van bestaande interventies.

Om het proces tot erkenning te bevorderen, zet VWS via het RIVM stimuleringsregelingen in, zodat interventie-eigenaren met wat financiële ondersteuning een interventie kunnen beschrijven of een procesevaluatie kunnen uitvoeren of een handleiding kunnen opstellen.

Aangezien het RIVM sommige aanbieders in dit voortraject richting de erkenningsprocedure afwijst in verband met het beperkte budget dat zij hiervoor beschikbaar hebben, ben ik bereid om extra geld vrij te maken voor het ondersteunen van interventie-eigenaren om interventies in te dienen en te stimuleren. Ik zal met het RIVM en met het NJI in gesprek gaan om te bezien hoeveel daarvoor nodig is opdat ook deze interventies conform de hiervoor beschreven procedure zo snel mogelijk kunnen worden erkend.

Het proces om te komen tot een erkenning verloopt bij het RIVM over het algemeen vrij soepel en er zijn tot nu toe geen wachttijden. Het eerste niveau van erkenning (waarom werkt het) kan binnen twee tot drie maanden toegekend zijn. Bij dit niveau van erkenning kan de interventie worden toegevoegd aan het activiteitenoverzicht van de Gezonde School. Daarna kan er verder gewerkt worden aan de volgende niveaus van erkenning (goed onderbouwd en effectief).

De beoordelingstraagheid ontstaat, volgens het RIVM, vaak door de interventie-eigenaren zelf en de kwaliteit van de interventie. Het gebeurt bijvoorbeeld dat aanbieders een plan indienen met enkel een beschrijving van de aanpak, terwijl het criterium is dat er een goede onderbouwing ligt. Dan kost het tijd om dit weer aan te passen en daar zit vaak de vertraging in.

De Gezonde School heeft alle erkende interventies (vanaf niveau 1) in hun activiteitenoverzicht. Voor elk leefstijlthema binnen de Gezonde School bestaat een vignet en daarin worden erkende interventies opgenomen. Een school kan overigens ook zonder vignet gebruik maken van de erkende interventies, een vignet is geen vereiste. Daarnaast kan een school ook van niet-erkende interventies gebruik maken, als zij dat willen.

In het Zevenpuntenplan is echter aangegeven dat aanbieders van niet door RIVM erkende interventies worden gestimuleerd en gefaciliteerd om hun interventies te laten erkennen door het RIVM of het Nederlands Jeugdinstituut. Als de Kamer de motie van Dik-Faber en Slootweg aanneemt, zal ik me uiteraard ervoor inspannen dat er voldoende budget is voor organisaties die zich willen aanmelden voor het erkenningsproces van het RIVM. Zodoende worden zij beter ondersteund bij de interventie-beschrijvingen die nodig zijn voor het erkenningsproces. Hiermee zal dit proces soepeler en sneller verlopen.

De Gezonde School ontvangt daarnaast vanuit de ministeries van OCW, LNV en VWS subsidie om scholen die op bepaalde thema’s, zoals seksuele gezondheid, meer willen doen, financieel te ondersteunen. Een school kan hiervoor bijvoorbeeld lespakketten voor aanschaffen.

Tot slot wordt er in het kader van het Zevenpuntenplan momenteel door de veldpartijen en in afstemming met de onderwijsraden gewerkt aan een «plan onderwijs collectieve preventie». Daarin zal worden gekeken hoe de collectieve preventie in de toekomst verder versterkt kan worden. Het aanbod van lespakketten zal hier onderdeel van zijn. Mocht daaruit blijken dat er toch specifieke hiaten zijn in het lesaanbod, ben ik bereid met de gereserveerde middelen te zien hoe het lesaanbod daarop aangevuld kan worden. De Kamer wordt daarover begin 2019 geïnformeerd.

Ik vertrouw erop u hierbij voldoende geïnformeerd te hebben.

De Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, P. Blokhuis