nr. 2
ADVIES RAAD VAN STATE EN NADER RAPPORT
Hieronder zijn opgenomen het advies van de Raad van State d.d. 13 november
2009 en het nader rapport d.d. 25 november 2009, aangeboden aan de Koningin
door de minister van Buitenlandse Zaken. Het advies van de Raad van State
is cursief afgedrukt.
Bij Kabinetsmissive van 25 september 2009, no. 09.002674, heeft
Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Buitenlandse Zaken, mede
namens de Staatssecretaris van Financiën, bij de Raad van State ter overweging
aanhangig gemaakt het verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en Bermuda
(zoals gemachtigd door de Regering van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië
en Noord-Ierland) inzake de uitwisseling van informatie betreffende belastingzaken,
met Protocol; Londen, 8 juni 2009 (Trb. 2009, 108), met toelichtende
nota.
Het verdrag ziet op de uitwisseling van informatie met het oog op de belastingheffing.
De Raad onderschrijft de goedkeuring van het verdrag, maar plaatst daarbij
enige kanttekeningen.
Blijkens de mededeling van de Directeur van Uw kabinet van 25 september
2009, nr. 09.002674, machtigde Uwe Majesteit de Raad van State zijn advies
inzake het bovenvermelde verdrag rechtstreeks aan mij te doen toekomen. Dit
advies, gedateerd 13 november 2009, nr. W06.09.0367/III, bied ik
U hierbij aan.
1. Modelverdrag
De Raad merkt op, dat het Verdrag op meerdere plaatsen afwijkt van het
Model Agreement on Exchange of Information on Tax Matters (modelverdrag).
Het merendeel van de afwijkingen van het modelverdrag is in de toelichtende
nota toegelicht, maar niet alle materiële afwijkingen zoals de termijn,
genoemd in artikel 5, vijfde lid, onderdeel (ii), van het Verdrag en de omschrijving
van de tegen uitwisseling beschermde communicatie tussen raadsman en cliënt,
opgenomen in artikel 7, derde lid, van het Verdrag, zijn toegelicht. Dit dient
alsnog te gebeuren.
Nu is aangekondigd dat Nederland er naar streeft een reeks van Tax information
exchange agreements (TIEA’s) te sluiten, zal een systematische en puntsgewijze
opsomming van de afwijkingen van het modelverdrag die in de onderscheiden
verdragen zijn opgenomen, kunnen bijdragen tot transparantie.
De Raad adviseert een zodanige puntsgewijze opsomming alsnog in de toelichtende
nota op te nemen.
1. Gevolg gevend aan het advies van de Raad over afwijkingen van
het OESO-modelverdrag is op dit onderdeel de toelichting bij artikel 5, vijfde
lid en artikel 7, derde lid aangevuld.
Het advies van de Raad om in de toelichtende nota een puntsgewijze opsomming
op te nemen van de afwijkingen van het OESO-modelverdrag is evenwel niet overgenomen.
Het verdrag met Bermuda is grotendeels gebaseerd op het modelverdrag. Substantiële
afwijkingen van het modelverdrag worden toegelicht in de toelichtende nota.
Voor zover de bepalingen niet substantieel van het modelverdrag afwijken,
is het OESO-commentaar op het modelverdrag van overeenkomstige toepassing.
2. Staatkundige hervorming
In de toelichtende nota wordt geen enkele aandacht gegeven aan de staatkundige
hervorming, hoewel deze staatkundige hervorming voor verdragen als de onderhavige
onder meer ten aanzien van de omschrijving van de territoriale wateren, van
belang kan zijn.
De Raad adviseert de toelichtende nota op dit punt aan te vullen.
2. Ter zake zij erop gewezen dat het Verdrag alleen van toepassing
zal zijn op Nederland, en dat onder Nederland wordt verstaan het deel van
het Koninkrijk, dat is gelegen in Europa, inclusief de territoriale wateren.
Dit sluit buiten Europa gelegen wateren uit. De toelichting bij artikel 4
is op dit onderdeel aangevuld.
3. Belastingen
Op grond van artikel 3, eerste lid, van het Verdrag is de toepassing beperkt
tot de Nederlandse belastingen, die onder a zijn opgesomd. In de toelichtende
nota is niet aangegeven om welke reden niet alle rijksbelastingen onder het
bereik van het Verdrag zijn gebracht, nu dat in meerdere andere TIEA’s
wel is gebeurd.
De Raad adviseert de toelichtende nota op dit punt aan te vullen.
3. Gevolg gevend aan het advies van de Raad is bij artikel 3 de toelichting
op het onderdeel rijksbelastingen aangevuld.
4. Ownership
De Raad merkt op, dat het begrip «beneficial ownership», dat
in artikel 5, vierde lid, onderdeel b, van het Verdrag is opgenomen, tot verwarring
kan leiden, omdat dit begrip onder de common law een andere betekenis heeft
dan het begrip «uiteindelijk gerechtigde».
De Raad adviseert in de toelichtende nota nader hierop in te gaan.
Daarnaast merkt de Raad op, dat in genoemde bepaling als object van ownership
de trust niet als zodanig is opgenomen. Uitdrukkelijke opneming kan van betekenis
zijn voor de thans bij de Eerste Kamer der Staten-Generaal aanhangige voorstellen
tot wijziging van de Successiewet 1956 en de Wet inkomstenbelasting 20011.
De Raad adviseert in de toelichtende nota ook aan dit aspect aandacht
te geven.
4. De Raad adviseert nader in te gaan op de begrippen «beneficial
ownership», en «trusts». Gevolg gevend aan het advies van
de Raad is bij artikel 5 de toelichting op deze onderdelen aangevuld.
5. Inwerkingtreding
Artikel 13, onderdeel a, van het Verdrag bepaalt dat vanaf de datum van
inwerkingtreding het Verdrag van toepassing is «for criminal matters
on that date». Het is niet duidelijk wat met deze term wordt bedoeld.
Te denken valt aan (i) dat het te vervolgen feit gepleegd is op of na die
datum, (ii) dat een strafrechtelijke vervolging in gang is op of na die datum,
(iii) dat een strafrechtelijk onderzoek in gang is gezet op of na die datum,
(iv) dat het te vervolgen feit betrekking heeft op een belastingjaar dat op
of na deze datum begint, of (v) nog iets anders. In de toelichtende nota wordt
hieromtrent niet meer gesteld dan dat het Verdrag voor strafrechtelijke delicten
ook voor oudere belastingjaren kan worden toegepast. Deze onduidelijkheid
dient te worden opgelost.
De Raad adviseert een en ander in de toelichtende nota te verduidelijken.
5. Gevolg gevend aan het advies van de Raad is bij artikel 13 de
toelichting op het onderdeel strafrechtelijke delicten aangevuld.
De Raad van State geeft U in overweging goed te vinden dat bedoeld verdrag
wordt overgelegd aan de beide kamers der Staten-Generaal, nadat aan het vorenstaande
aandacht zal zijn geschonken.
De Vice-President van de Raad van State,
H. D. Tjeenk Willink
Ik moge U, mede namens de Staatssecretaris van Financiën, verzoeken
mij te machtigen gevolg te geven aan mijn voornemen het verdrag vergezeld
van de gewijzigde toelichtende nota ter stilzwijgende goedkeuring over te
leggen aan de Eerste en aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal.
De minister van Buitenlandse Zaken,
M. J. M. Verhagen