Start van deze pagina
Skip navigatie, ga direct naar de Inhoud

Overheid.nl - de wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden.

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Tekstgrootte
+


Vergaderjaar 2009-2010
Kamerstuk 32194 nr. 3

Gepubliceerd op 12 november 2009
Toon volledige inhoudsopgave

Gerelateerde informatie


Toon alle stukken in dossier



32 194
Wijziging van het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van Strafvordering en enige andere wetten ter verbetering van de toepassing van de maatregel ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel (verruiming mogelijkheden voordeelontneming)

nr. 3
MEMORIE VAN TOELICHTING

ALGEMEEN

1. Inleiding

Met het afnemen van criminele winsten kunnen belangrijke slagen worden toegebracht in de strijd tegen de lucratieve georganiseerde misdaad. Deze vorm van misdaad wordt gepleegd in de verwachting dat daarmee aanzienlijke winsten kunnen worden gerealiseerd. Een effectief instrumentarium om criminele winsten af te nemen kan rechtstreeks raken aan de drijfveren voor het plegen van deze vormen van misdaad. Dit voorstel verbreedt het instrumentarium en verruimt de mogelijkheden voor confiscatie. Opsporingsdiensten en openbaar ministerie kunnen de strijd tegen de georganiseerde criminaliteit daarmee beter uitgerust en doeltreffender ter hand nemen.

Met het wetsvoorstel geef ik uitvoering aan het coalitieakkoord (Kamerstukken II 2006/07, 30 891, nr. 4, blz. 28) waarin het beleidsvoornemen van dit kabinet tot uitdrukking is gebracht om tot een versterking van het ontnemingsinstrumentarium te komen. Daaropvolgend ben ik in het versterkingsprogramma aanpak georganiseerde criminaliteit en financieel-economische criminaliteit, dat op 13 december 2007 aan de Tweede Kamer werd gezonden (Kamerstukken II 2007/08, 29 911, nr. 10), op de ontnemingsmaatregel ingegaan. Naast een aanpassing en verruiming van de wettelijke mogelijkheden tot afnemen van criminele winsten is in het versterkingsprogramma gewezen op knelpunten die aan ontneming maar ook aan het afnemen in den brede zijn verbonden. Een wezenlijk knelpunt daarbij houdt verband met de omstandigheid dat het afnemen van criminele winsten in de strafrechtelijke behandeling van misdrijven ook nu nog niet de plaats heeft die het toekomt. De nadruk ligt traditioneel op de vervolging en bestraffing van daders. Om hierin de noodzakelijke verandering te brengen, heb ik een aantal maatregelen aangekondigd. Binnen het openbaar ministerie en de politie zal worden bewerkstelligd dat het afnemen van crimineel vermogen een vanzelfsprekend onderdeel is van de keuze voor de benadering van misdrijven. Daartoe heb ik voorzien in een versterking van de sturing door het openbaar ministerie bij de prioritering van zaken met het oog op de vergroting van de mogelijkheden tot het ontnemen en afnemen van criminele winsten. De capaciteit bij het openbaar ministerie en de politie wordt hiertoe tot 2012 verder versterkt. In de brief van de staatssecretaris van Justitie en mijn ambtgenote van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties aan de Tweede Kamer, inzake de bestrijding van de georganiseerde criminaliteit, d.d. 17 juni 2009, wordt op deze capaciteitsuitbreidingen nader ingegaan (Kamerstukken II 2008/09, 29 911, nr. 28).

Naast de hiervoor aangekondigde maatregelen, heb ik bezien op welke wijzen aan knelpunten in de aan de maatregel ten grondslag liggende wetgeving het hoofd kan worden geboden. Hierbij was de gedachte leidend dat, zoals in het versterkingsprogramma reeds werd gesignaleerd, niet in alle gevallen tijdig conservatoir beslag kan worden gelegd op het vermogen van de verdachte. Dit leidt in de praktijk tot een onnodige discrepantie tussen de bedragen die door de rechter aan maatregelen worden opgelegd en de bedragen die daadwerkelijk op het vermogen van de veroordeelde worden verhaald. Dit is een wezenlijk knelpunt. De discrepantie raakt rechtstreeks aan de effectiviteit van de ontnemingsmaatregel en daarmee aan de geloofwaardigheid van de strijd tegen de georganiseerde misdaad. Vroege evaluaties van de bestaande ontnemingswetgeving gaven aan dat het wetgevingsinstrumentarium toereikend was maar dat voornamelijk de uitvoering zich voor verbetering leende. Zo gaf het WODC-onderzoek «Evaluatie grote ontnemingszaken» (2004) mijn ambtsvoorganger geen aanleiding tot aanpassing van het wettelijk instrumentarium (Kamerstukken II 2003/04 26 268, nr. 6). Ook daarna is gewezen op het belang van de inzet van het bestaande instrumentarium, in het bijzonder op het vroegtijdig verrichten van financieel onderzoek en het vroegtijdig leggen van conservatoir beslag (Kamerstukken II 2005/06, 17 050, nr. 319). Het belang van de inzet van dit instrumentarium kan ook thans niet voldoende worden benadrukt, al bestaat naar mijn oordeel inmiddels alle aanleiding het afnemen ook met aanvullende wettelijke voorzieningen te bevorderen. Daaraan ligt ten grondslag dat het instrument van het conservatoir beslag onvoldoende effect sorteert in die gevallen waarin de verdachte kennelijk voorzorgsmaatregelen heeft getroffen en zijn vermogen elders heeft ondergebracht. Ook is denkbaar dat eerst in de loop van het opsporingsonderzoek duidelijk wordt dat er met het feit waarvoor een verdenking bestaat mogelijk grote winsten zijn behaald. In de gevallen waar het onderzoek zich primair richt op het onderbouwen van de verdenking van betrokkenheid bij het strafbare feit kan het zo voorkomen dat het leggen van conservatoir beslag om tactische redenen op zich moet laten wachten. Dit zijn voorbeelden van situaties waarin het huidige strafvorderlijke ontnemingsarsenaal te weinig mogelijkheden biedt om, ook achteraf, tot een volledig verhaal te komen. Ik acht een versterking van de strafvorderlijke verhaalsbevoegdheden in dit verband derhalve noodzakelijk voor die gevallen waarin er aanleiding bestaat om te veronderstellen dat de veroordeelde wel in staat maar onwillig is om aan zijn betalingsverplichting te voldoen. Met dit wetsvoorstel wil ik daarom voorzien in een basis voor de inzet van opsporingsbevoegdheden met het oog op de vaststelling van de omvang van het vermogen van de veroordeelde waarop verhaal kan worden genomen. Ook zouden deze bevoegdheden moeten kunnen worden ingezet met het oog op de vaststelling van de plaats waar vermogensbestanddelen die aan de veroordeelde toebehoren, zich bevinden.

Ook voor wat betreft de vaststelling van de hoogte van het genoten voordeel zie ik aanleiding voor een aanscherping van de wettelijke regeling. Daar waar dat passend en mogelijk is, wordt het aan de veroordeelde gelaten om inzicht te geven in de herkomst van zijn vermogen. Met de voorgestelde introductie van een wettelijk bewijsvermoeden over de herkomst van het vermogen van de veroordeelde wil ik hierin voorzien.

2. Hoofdlijnen van het wetsvoorstel

Met het wetsvoorstel wordt voorzien in een verruiming van de bijkomende straf van verbeurdverklaring (§ 3) en de introductie van een wettelijk bewijsvermoeden betreffende de criminele herkomst van het vermogen van de veroordeelde (§ 4). Met een aanpassing van het Wetboek van Strafvordering worden de mogelijkheden tot het leggen van «anderbeslag» verruimd (§ 5) en een onderzoek naar vermogen van de veroordeelde geïntroduceerd (§ 6). De genoemde onderdelen worden in de navolgende paragrafen besproken.

Over het wetsvoorstel zijn adviezen ingewonnen van de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak (NVvR), de Raad voor de rechtspraak (Rvdr), het openbaar ministerie, de Nederlandse Orde van Advocaten (NOvA) en de Raad van Hoofdcommissarissen (RHC).1

Naar aanleiding van deze adviezen, heeft het wetsvoorstel wijziging ondergaan. Waar aangegeven wordt in de memorie van toelichting op deze adviezen en de wijze waarop zij verwerking hebben gevonden, nader ingegaan. Op deze plaats sta ik reeds afzonderlijk stil bij de voorgestelde aanvulling van artikel 36e, derde lid, Sr, die is opgenomen op advies van het openbaar ministerie dat er op heeft gewezen dat het in de praktijk lastig is om te komen tot vaststelling van hetgeen kan worden afgenomen indien er geruime tijd voordat de strafbare feiten zijn gepleegd, illegaal vermogen is opgebouwd. Ook zouden zich problemen voordoen als ingewikkelde financiële netwerken zijn opgezet om de herkomst van geld te versluieren. Voor dit soort gevallen zou het naar de opvatting van het openbaar ministerie gewenst zijn om in de wet tot uitdrukking te brengen dat de verdeling van de bewijslast meebrengt dat van de veroordeelde verlangd wordt dat hij inzicht geeft in de (legale) herkomst van zijn vermogen. Dit voorstel heb ik menen te kunnen overnemen zonder daarover opnieuw de andere adviesorganen te raadplegen, nu zoals bijvoorbeeld ook in het advies van de Rvdr tot uitdrukking is gebracht, ook de rechtspraak in die zin is gevestigd dat in voorkomende gevallen dit inzicht van de veroordeelde mag worden verlangd. In dit voorstel wordt beoogd dit uitgangspunt van een redelijke en billijke bewijslastverdeling wettelijk vast te leggen.

Bij de vormgeving van de regeling heb ik gewicht doen toekomen aan de door de NOvA en de Rvdr tot uitdrukking gebrachte algemenere notie, dat een verruiming van de mogelijkheden tot ontneming niet ertoe mag leiden dat deze maatregel vooral in lichtere ontnemingszaken toepassing zal vinden. In lijn hiermee is de voorgestelde bewijsvoorziening enkel toepasbaar in de zwaardere ontnemingszaken. Tenslotte heb ik bij mijn beslissing om over het aangepaste wetsvoorstel niet opnieuw advies te vragen laten meewegen dat de bestaande mogelijkheden voor de vaststelling van het vermogen met het wetsvoorstel intact blijven.

Soortgelijke opmerkingen betreffen de voorgestelde aanpassing van het «anderbeslag». Het voorstel hiertoe werd opgenomen naar aanleiding van het daartoe strekkende advies van het openbaar ministerie. Daarmee heb ik het wetsvoorstel aangevuld met een verruiming van de mogelijkheden tot het leggen van «anderbeslag» waarover de overige adviesorganen zich niet hebben kunnen uitlaten. Ik heb evenwel gemeend een dergelijke nadere consultatie achterwege te kunnen laten, omdat deze aanpassing, ook door de mede op advies van de Raad van State voorziene nadere inkadering, niet dermate verstrekkend is dat alle bij de strafrechtspleging betrokken organisaties in het kader van dit wetsvoorstel nogmaals geraadpleegd zouden moeten worden. Overigens merk ik op dat met de voorgestelde uitbreiding eveneens tegemoet wordt gekomen aan de opmerkingen die in de adviezen van de Rvdr en de RHC besloten liggen. In deze adviezen werd, zonder dat het voorontwerp daarop zag, gewezen op de beperkingen die in de regeling van het anderbeslag besloten liggen. Met het laten vervallen van het zogenoemde afkomstvereiste, beoog ik hieraan tegemoet te komen.

3. De verruiming van de bijkomende straf van verbeurdverklaring

Ook op andere manieren dan met de ontnemingsmaatregel kan aan een veroordeelde worden ontnomen wat hem rechtens niet toekomt. De bijkomende straf van verbeurdverklaring (artikel 33a Sr) is hiertoe geschikt. Met deze bijkomende straf kan een vergelijkbaar resultaat worden bereikt, evenwel zonder dat een afzonderlijke ontnemingsprocedure behoeft te worden gevoerd.

Met de introductie van de ontnemingswetgeving per 1 maart 1993 werd voorzien in een aanpassing van deze bijkomende straf. Daarbij werd het toepassingsbereik hiervan verkleind om tot een afgrenzing ten opzichte van de ontnemingsmaatregel te komen. Inmiddels kan worden geconstateerd dat deze scheiding door de opsporingspraktijk in hoge mate als kunstmatig wordt ervaren, zoals ook in het advies van het openbaar ministerie tot uitdrukking is gebracht, terwijl bij het afnemen van crimineel vermogen juist ook successen worden geboekt door verbeurdverklaring van voorwerpen te vorderen. Tot de voorwerpen die verbeurd kunnen worden verklaard behoren de voorwerpen die aan de veroordeelde toebehoren of die hij geheel of ten dele ten eigen bate kan aanwenden en die geheel of grotendeels door middel van het strafbare feit zijn verkregen (artikel 33a, eerste lid, onderdeel a, Sr). Hiermee zijn categorieën van voorwerpen aangeduid die kunnen worden aangemerkt als opbrengst van een strafbaar feit. Met de uitbreiding – zo luidt het voorstel – kunnen ook voorwerpen die niet rechtstreeks afkomstig zijn van het strafbare feit waarvoor een veroordeling is uitgesproken, maar die uit de baten daarvan zijn verkregen, worden verbeurdverklaard. Ook voorwerpen die met de opbrengsten van dit strafbare feit zijn aangeschaft komen zo voor verbeurdverklaring in aanmerking. Hetgeen in het verband van de ontnemingsmaatregel als «vervolgprofijt» pleegt te worden aangeduid, kan zo met het instrument van de bijkomende straf van verbeurdverklaring van de veroordeelde worden afgenomen. Met dit vervolgprofijt wordt de meeropbrengst aangeduid die met het primair behaalde voordeel is verkregen.

Met de voorgestelde verruiming van de bijkomende straf van verbeurdverklaring, wordt uitvoering gegeven aan het gezichtspunt dat ook langs andere wegen dan door middel van de formele ontnemingsmaatregel kan worden bereikt dat aan de veroordeelde crimineel vermogen wordt ontnomen. De aanpassing van de regeling van de verbeurdverklaring kan voorts worden gezien tegen de achtergrond van het coalitieakkoord, waarin een uitbreiding is aangekondigd van het toepassingsbereik van de met het afnemen samenhangende wetgeving en waarin tot uitdrukking is gebracht dat ook winsten die met kleine vergrijpen worden behaald, moeten kunnen worden afgenomen. De hier voorgestelde uitbreiding draagt hieraan bij. Erkend moet worden dat met het wetsvoorstel de overlap tussen wat met de ontnemingsmaatregel en wat met verbeurdverklaring kan worden afgenomen, wordt vergroot. Ik acht dit niet bezwaarlijk, nu de merites van de concreet voorliggende zaak uiteindelijk beslissend zullen kunnen zijn voor de keuze een ontnemingsvordering in te dienen of verbeurdverklaring van aangetroffen voorwerpen te vorderen. De verruiming kan eraan bijdragen dat criminele winsten op een efficiënte manier worden afgenomen.

4 Aanpassingen in artikel 36e Sr en de verdeling van de bewijslast

4.1 Huidig recht

Een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel vormt aanleiding voor de rechter te onderzoeken of er voordeel is genoten, op welke hoogte dit is te schatten en tenslotte op welke hoogte de betalingsverplichting dient te worden vastgesteld. Een vordering is gebaseerd op hetzij artikel 36e Sr, tweede, hetzij het derde lid. Met de genoemde artikelleden van artikel 36e Sr wordt de wijze van berekening niet dwingend voorgeschreven. Bij ontneming op grond van artikel 36e, tweede lid, Sr wordt doorgaans uitgegaan van een berekening van de opbrengst per afzonderlijk feit (transactiebasis). Ook veronderstelt dit tweede lid een voorafgaande schuldvaststelling voor de afzonderlijke feiten die in een ontnemingsvordering worden betrokken.

Ingevolge het derde lid van artikel 36e Sr kunnen het bij de veroordeelde aangetroffen vermogen of de uitgaven die deze gedurende een bepaalde periode heeft gedaan, als uitgangspunt van de berekening worden genomen. Het vermogen waarvoor geen legale bron van herkomst aanwijsbaar is, kan hier als grondslag voor de vordering dienen. Bij ontneming op grond van artikel 36e, derde lid, Sr, geldt voorts de verplichting tot het instellen van een strafrechtelijk financieel onderzoek. De in de Aanwijzing Ontneming van het College van procureurs-generaal (Stcrt. 2009, 40) beschreven methoden van kasopstelling en vermogensvergelijking sluiten aan bij ontneming op grond van het derde lid, maar lenen zich ook voor toepassing in verband met het tweede lid. Ook in de rechtspraak zijn deze rekenmethoden aanvaard.

4.2 Artikel 36e, derde lid, Sr.

Met het wetsvoorstel voorzie ik in een aangepast bewijsregime. Met een in de wet neergelegd bewijsvermoeden, wordt in artikel 36e, derde lid, Sr in de wet verankerd dat van de veroordeelde inzicht kan worden verlangd in de herkomst van zijn vermogen. In dit verband wordt ook wel gesproken over een «omkering van de bewijslast». Ik geef er, met het oog op de eisen die het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in zijn rechtspraak inzake artikel 6 EVRM aan een eerlijke procedure stelt, de voorkeur aan de voorgestelde regeling te benaderen als een redelijke en billijke verdeling van de bewijslast. Op deze jurisprudentie van het EHRM ga ik hieronder nader in.

Het voorgestelde bewijsvermoeden strekt ertoe om meer dan voorheen te komen tot een aanpassing van de reikwijdte van de stelplicht van het openbaar ministerie. Het uitgangspunt was dat het openbaar ministerie de vordering van het te ontnemen voordeel moest onderbouwen met gegevens, waarbij een min of meer direct verband moet worden aangetoond met een strafbaar feit. Door de werking van het bewijsvermoeden, zal nu eerder van de veroordeelde mogen worden verlangd dat hij aannemelijk maakt dat aangetroffen vermogensbestanddelen op een legale wijze zijn verkregen.

Ook nu reeds wordt in de rechtspraak uitgegaan van een redelijke en billijke verdeling van de bewijslast. Met het wetsvoorstel worden de bewijsvermoedens die in dit verband worden gehanteerd van een nadere wettelijke grondslag voorzien. Als uitgangspunt wordt verankerd dat de veroordeelde, bij wie vermogensbestanddelen zijn aangetroffen waaraan geen legale bron van herkomst ten grondslag lijkt te liggen, in de gelegenheid wordt gesteld de legale herkomst daarvan aannemelijk te maken. Ik beoog hiermee uitvoering te geven aan mijn toezegging bij gelegenheid van de behandeling van de begroting van het ministerie van Justitie, om bij die zaken waarbij een criminele loopbaan, bijvoorbeeld in de drugshandel daartoe aanleiding geeft, voor een periode van een aantal jaren ermee rekening te houden dat de vermogensopbouw van de veroordeelde gerelateerd is aan diens criminele activiteiten (Handelingen II 2008/09, blz. 1561). Ook het openbaar ministerie heeft, zoals hierboven reeds werd opgemerkt, in zijn advies aandacht gevraagd voor de verdeling van de bewijslast. Het heeft daarbij gewezen op de wettelijke vormgeving van de confiscatiebeslissingen in het Verenigd Koninkrijk. Hoewel dit stelsel wezenlijk van het Nederlandse verschilt, biedt het naar mijn oordeel interessante aanknopingspunten waarmee het Nederlandse stelsel kan worden verrijkt.

De in het Verenigd Koninkrijk geldende regeling is neergelegd in de «Proceeds of Crime Act 2002» (POCA 2002) en de Serious Crime Act 2007 (SCA 2007). Hierin kan, kort gezegd, het bestaan van een «criminal lifestyle» aanleiding zijn om tot een aangepaste verdeling van de bewijslast te geraken. Indien er sprake is van een veroordeling wegens bepaald aangewezen (zware) misdrijven die naar hun aard geschikt zijn om aanzienlijke winsten te genereren en de rechter oordeelt dat er sprake is van een «criminele levensstijl», kan toepassing worden gegeven aan een wettelijk bewijsvermoeden. Dat noopt ertoe dat de veroordeelde inzicht verschaft in de herkomst van zijn vermogen. Het bewijsvermoeden kan reeds worden gevonden in de Drug Trafficking Offences Act 1994 (DTA 1994). Het houdt hier in dat wanneer een persoon wordt veroordeeld ter zake van een opiumdelict, alle inkomsten die deze persoon in de zes jaar voorafgaand aan de veroordeling heeft gehad en alle uitgaven die hij in die periode heeft gedaan, worden geacht afkomstig te zijn van of in verband te staan met deze delicten. Dit vermoeden kan door de veroordeelde worden weerlegd. Een weerlegging geschiedt «on the balance of probabilities», hetgeen naar Nederlandse maatstaven vergelijkbaar is met de burgerlijke bewijsstandaard van «aannemelijkheid».

De in het Verenigd Koninkrijk geldende regeling leent zich er vanzelfsprekend niet voor om één op één te worden vertaald naar de Nederlandse situatie. Wel hebben elementen daaruit tot inspiratie gediend voor dit wetsvoorstel. Wanneer de ontnemingsvordering verband houdt met een veroordeling wegens een zwaar en potentieel lucratief misdrijf wordt ervan uitgegaan dat alle uitgaven die de veroordeelde in een periode van zes jaren voorafgaand aan het plegen van dat misdrijf heeft gedaan, wederrechtelijk verkregen voordeel belichamen. De veroordeelde zal daarbij in de gelegenheid worden gesteld om aannemelijk te maken hoe hij zijn vermogen op legale wijze heeft verkregen.

De vaststelling dat er sprake is van een «criminele levensstijl» vindt in dit wetsvoorstel vertaling in het vereiste dat ook het plegen van andere strafbare feiten ertoe heeft geleid dat de veroordeelde voordeel heeft verkregen. Voor de toepassing van het bewijsvermoeden, acht ik niet noodzakelijk om over te gaan tot een aanwijzing van strafbare feiten waarvan kan worden verondersteld dat zij – als potentieel lucratief – tot voordeel hebben geleid. Een algemene verwijzing, zoals voorgesteld, naar de relatieve zwaarte van een strafbaar feit sluit naar mijn oordeel beter aan bij de in de Nederlandse wetboeken besloten liggende systematiek. Ik zoek in dit verband aansluiting bij misdrijven die naar de wettelijke omschrijving worden bedreigd met een geldboete van de vijfde categorie. Een dergelijke omschrijving omvat potentieel lucratieve en tegelijkertijd zware misdrijven zonder dat vormen van criminaliteit categorisch worden uitgesloten. Met deze verwijzing komen de internationale handel in harddrugs en mensenhandel in het vizier. Ligt een veroordeling voor dergelijke misdrijven aan de ontnemingsvordering ten grondslag, dan kan het voorgestelde bewijsvermoeden worden gehanteerd bij de vaststelling van de omvang van het wederrechtelijk genoten voordeel.

Het voorgestelde bewijsvermoeden werkt in beginsel in tijd terug tot zes jaren, te rekenen vanaf het moment waarop volgens de bewezenverklaring in de hoofdzaak het strafbaar feit of de strafbare feiten waarmee de ontnemingsvordering verband houdt, zijn gepleegd. Ingevolge het vierde lid van artikel 36e Sr kan van deze termijn op vordering van het openbaar ministerie of op het verzoek van degene tegen wie de vordering zich richt worden afgeweken en een kortere termijn in aanmerking worden genomen. De rechter kan deze periode ook ambtshalve beperken. Het wettelijk bewijsvermoeden kan zo buiten werking worden gesteld voor het geval de toepassing daarvan tot apert onrechtvaardige resultaten zou leiden. De in het Verenigd Koninkrijk geldende wetgeving kent een vergelijkbare regeling om een «serious risk of injustice» af te wenden. Zo kan in voorkomende gevallen ook recht worden gedaan aan de positie van veroordeelde die onvermogend blijkt. Ook andere afwegingen kunnen er echter toe leiden dat op grond van artikel 36e, vierde lid, Sr een andere periode dan een periode van zes jaren in aanmerking wordt genomen. Het voorgestelde artikel 36e verzet zich er niet tegen dat voor de berekening, in plaats van de voorgestelde zes jaren, als uitgangspunt wordt genomen de periode waarover de ten laste gelegde en bewezen verklaarde feiten zich hebben uitgestrekt. De beschikbare informatie over de vermogenspositie van de veroordeelde kan ingevolge artikel 36e, vierde lid, Sr mede beslissend zijn voor het bepalen van een periode waarover het wettelijk bewijsvermoeden zich in concreto zal uitstrekken. De werking van het bewijsvermoeden draagt er ook nu aan bij dat er helderheid bestaat over het thema van het bewijs: er is vermogen aangetroffen dat niet verklaard kan worden uit de legale bronnen van inkomsten.

De NOvA en de Rvdr hebben in hun commentaren naar aanleiding van het ontwerp van dit voorstel erop gewezen dat verdergaande uitbreidingen van het ontnemingsinstrumentarium het risico in zich dragen dat de maatregel meer zal worden toegepast in relatief lichte zaken. De Rvdr acht het in dit verband gewenst dat voorzieningen worden getroffen die ervoor zorgen dat de wetswijziging niet tot gevolg heeft dat relatief nog vaker in «kleine zaken» ten opzichte van grote zaken een ontnemingsvordering wordt ingediend. Ik hecht eraan in dit verband te benadrukken dat de hier voorgestelde bewijsrechtelijke voorziening slechts toepassing zal kunnen vinden in ontnemingszaken waaraan een veroordeling voor een zwaar misdrijf ten grondslag ligt.

4.3 Verenigbaarheid met artikel 6 EVRM

De voorgestelde introductie van een wettelijk bewijsvermoeden vraagt om een beschouwing over de verenigbaarheid met artikel 6 EVRM. Meer in het bijzonder verdient aandacht de relatie van het gebruik van het voorgestelde bewijsvermoeden met het onschuldbeginsel. Deze vraag kwam expliciet aan de orde in de beslissing van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in de zaak Phillips vs. United Kingdom (EHRM 5 juli 2001, 41087/98). Het gebruik van het wettelijk bewijsvermoeden, zoals neergelegd in de hiervoor genoemde DTA 1994, werd in deze zaak verenigbaar geacht met artikel 6 EVRM. In het navolgende zal ik bij deze beslissing van het hof stilstaan nu daarmee inzichtelijk wordt dat artikel 6 EVRM ruime, zij het niet onbegrensde, mogelijkheden biedt om van een veroordeelde inzicht te verlangen in de herkomst van zijn vermogen.

Het Hof kent in de Phillips-zaak allereerst betekenis toe aan de vraag of het onschuldbeginsel, zoals vervat in artikel 6, tweede lid, EVRM op de ontnemingsprocedure zelfstandig van toepassing is. In dit verband beziet het Hof of het instellen van een ontnemingsvordering een nieuwe «criminal charge» vormt in de zin van artikel 6 EVRM. Het Hof slaat acht op «the classification of the proceedings under national law, their essential nature, and the type and severity of the penalty that the applicant risked incurring» (r.o. 31). Op basis hiervan oordeelt het Hof dat het tweede lid van artikel 6 EVRM niet van toepassing is en overweegt daartoe dat de «essential nature» van de procedure niet de vaststelling van schuld aan enig strafbaar feit is, maar ziet op de vaststelling van de hoogte van het genoten voordeel (r.o. 34). In dit wetsvoorstel is dit niet anders. Aan de definitieve vaststelling van de hoogte van het voordeel wordt eerst toegekomen, indien degene tegen wie de vordering zich richt is veroordeeld voor het feit of de feiten waarmee de vordering verband houdt. Deze vaststellingen ontslaan mij echter niet van de verplichting de procedure vorm te geven overeenkomstig de beperkingen die het onschuldbeginsel dicteert. In aanvulling op het voorgaande brengt het Hof in zijnPhillips-beslissing immers tot uitdrukking dat het onschuldbeginsel ook deel uitmaakt van het fair trial-beginsel, welk beginsel door het Hof op de ontnemingsprocedure onverkort van toepassing wordt geacht (r.o. 39). Dit brengt met zich dat een persoon het recht heeft voor onschuldig te worden gehouden en dat de bewijslast ter zake van de beschuldiging rust op de aanklager. Het is daarbij binnen redelijke grenzen toegestaan om gebruik te maken van – al dan niet in de wet neergelegde – bewijsvermoedens. Dit volgt ook reeds uit de beslissing van het Hof in de zaak Salabiaku (EHRM 7 oktober 1988, NJ 1991, 351, m.nt. EAA, r.o. 28). In de concrete zaak zal moeten worden bezien of de redelijke grenzen waarbinnen het gebruik van bewijsvermoedens is toegestaan niet te zeer ten nadele van de betrokkene worden opgerekt. De wijze waarop de procedure wettelijk is vormgegeven is daarbij natuurlijk van belang. Het Hof overweegt in de Phillips-beslissing in dit verband dat de schatting van het voordeel «was carried out by a court with a judicial procedure, including a public hearing, advance disclosure of the prosecution case and the opportunity for the applicant to adduce documentary and oral evidence. The court was empowered to make a confiscation order of a smaller amount if satisfied, on the balance of probabilities, that only a lesser sum could be realised. The principal safeguard, however, was that the assumption (..) could have been rebutted if the applicant had shown, again on the balance of probabilities, that he acquired the property other than through drug-trafficking (..).» (r.o. 43).

Ook uit de jurisprudentie van de Hoge Raad in relatie tot de methode van vermogensvergelijking volgt dat aan de veroordeelde de gelegenheid dient te worden geboden om, zo nodig door bescheiden gestaafd, tegenover de rechter aannemelijk te doen worden dat en waarom de door middel van die methode vastgestelde stijging van zijn vermogen niet of niet geheel haar oorsprong vindt in feiten als bedoeld in artikel 36e Sr dan wel anderszins niet kan gelden als voordeel in de zin van die bepaling (Hoge Raad 28 mei 2002, NJ 2003, 96 en Hoge Raad 24 april 2007, NJ 2007, 265).

De voorgestelde procedure is met de hierboven weergegeven rechtspraak geheel in lijn. Ook met het voorgestelde bewijsvermoeden wordt de procedure gevoerd aan de hand van de schriftelijke en aan de veroordeelde tevoren bekendgemaakte vordering van de officier van justitie, op wie in dit verband de stelplicht rust. Deze vordering is onderbouwd en de veroordeelde wordt in de gelegenheid gesteld daartegen in te brengen wat tot verweer kan dienen. Door de werking van het bewijsvermoeden zullen het aangetroffen vermogen van de veroordeelde of diens historische uitgaven als uitgangspunt kunnen worden genomen. Het resultaat van de procedure is mede afhankelijk van de mate waarin de veroordeelde inzicht verschaft in de herkomst daarvan. De veroordeelde kan de vordering gemotiveerd betwisten door aannemelijk te maken dat bij hem aangetroffen vermogensbestanddelen geen criminele herkomst hebben. Ook kan de rechter van de vordering afwijken en het te ontnemen bedrag lager vaststellen. In de ontnemingsprocedure wordt een zo volledig mogelijk beeld nagestreefd van het voordeel dat door de veroordeelde is genoten. Bij het verkrijgen van inzicht in het vermogen van de veroordeelde, mag een actieve houding van de verdediging worden verlangd.

4.4 Het strafrechtelijk financieel onderzoek

Met de voorgestelde aanpassing van artikel 36e, derde lid, Sr komt de verplichting tot het instellen van een sfo te vervallen. Een sfo kan onder de in artikel 126 Sv bedoelde voorwaarden worden ingesteld indien zodanig onderzoek naar verwachting zal bijdragen aan het zicht op de vermogenspositie van de verdachte of veroordeelde. Het sfo is daarmee facultatief. Het instellen daarvan vormt niet langer een vereiste voor toepassing van artikel 36e, derde lid, Sr, noch is het daartoe beperkt.

4.5 Artikel 36e, tweede lid, Sr

Op de grondslag van artikel 36e, tweede lid, Sr komen naar huidig recht voor ontneming in aanmerking: het voordeel dat is verkregen door middel van of uit de baten van het strafbaar feit waarvoor de betrokkene is veroordeeld, feiten die daaraan soortgelijk zijn en waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat ze door de veroordeelde zijn begaan (soortgelijke feiten) en andere feiten waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd en waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat ze door de veroordeelde zijn begaan («vijfde categorie-feiten»). Een afzonderlijke tenlastelegging en bewezenverklaring voor deze «soortgelijke feiten» en «vijfde categorie-feiten» is niet vereist. Wel dient de rechter stil te staan bij de vraag of er «voldoende aanwijzingen» bestaan dat de veroordeelde deze andere feiten heeft begaan.

Ter uitvoering van het coalitieakkoord heb ik bezien op welke wijzen de mogelijkheden om ter zake van lichte(re) feiten te ontnemen kunnen worden vergroot en verduidelijkt. Aan de relatieve zwaarte van de feiten waarvoor een veroordeling is uitgesproken worden geen eisen gesteld en ontneming ter zake van lichte vergrijpen is in zoverre dan ook reeds mogelijk. Met het vereiste van soortgelijkheid en de verwijzing naar een geldboete van de vijfde geldboetecategorie als voorwaarde voor toepassing, wordt beoogd een begrenzing aan te brengen in de feiten die, zonder dat daaraan een afzonderlijke veroordeling ten grondslag hoeft te liggen, in de ontnemingsvordering kunnen worden betrokken. Het beperkend karakter van deze toepassingsvereisten kan evenwel worden gerelativeerd. Zo wordt ook aan de relatieve zwaarte van «soortgelijke feiten» geen eisen gesteld. Zij behoeven enkel tot dezelfde delictscategorie te behoren als die waartoe het feit waarvoor een veroordeling is uitgesproken, behoort. Ten aanzien van de feiten waarvoor als vereiste wordt gesteld dat daarvoor een geldboete van de vijfde categorie «kan worden opgelegd», geldt dat het beperkend karakter in voorkomende gevallen wordt gerelativeerd door de werking van enkele in de wet opgenomen bijzondere strafverhogende bepalingen.

De toegevoegde waarde van de genoemde toepassingsvereisten is naar mijn oordeel beperkt, hetgeen aanleiding vormt voor te stellen de afzonderlijke vermelding hiervan in artikel 36e, tweede lid, Sr te laten vervallen. Aldus wordt ontneming op grond van artikel 36e, tweede lid, Sr mogelijk ter zake het strafbare feit waarvoor de betrokkene is veroordeeld en daarnaast ter zake van andere strafbare feiten waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat ze door de veroordeelde zijn begaan. Het vereiste van «voldoende aanwijzingen» blijft dus onverkort gehandhaafd. Waaruit deze voldoende aanwijzingen bestaan, behoeft zoals voorheen niet afzonderlijk te worden gemotiveerd. Wel kan in dit verband worden gewezen op de rechtspraak over de motiveringsverplichting ingevolge artikel 359, tweede lid, Sv. Deze maakt duidelijk dat de rechter in de ontnemingsprocedure slechts gemotiveerd zal kunnen afwijken van een standpunt dat duidelijk, door argumenten geschraagd en voorzien van een ondubbelzinnige conclusie door of namens degene tegen wie de ontnemingsvordering zich richt, naar voren wordt gebracht (Hoge Raad, 6 november 2007, NJ 2008, 287). Een dergelijk standpunt kan ook een ontkenning inhouden van de betrokkenheid bij andere feiten dan de ten laste gelegde.

De NOvA heeft in zijn commentaar naar aanleiding van het ontwerp erop gewezen dat met het voorstel meer dan voorheen zal kunnen worden ontnomen zonder voorafgaand sfo. Ook heeft de NOvA er op gewezen dat de voorgestelde regeling niet bijdraagt aan het vergroten van de mogelijkheden om voor kleine vergrijpen te ontnemen. Ik ben van oordeel dat met het doen vervallen van deze genoemde vereisten de regeling aan duidelijkheid wint. De mogelijkheden om lichte(re) vergrijpen in de ontnemingsvordering te betrekken, worden zo bezien inderdaad niet wezenlijk vergroot, maar vereisten die in de praktijk van geringe betekenis zijn, worden ook niet langer gesteld. Ten aanzien van de veronderstelling van de NOvA dat de voorstellen slechts ertoe zullen leiden dat er meer dan voorheen zonder sfo zal worden ontnomen, merk ik op dat daarmee eraan wordt voorbijgegaan dat ook met de huidige redactie van artikel 36e, tweede lid, Sr reeds zonder voorafgaand sfo ter zake van zware vergrijpen kan worden ontnomen.

4.6 Verhouding artikel 36e, tweede lid en derde lid, Sr

In het voorgaande is reeds ingegaan op de bestaande verhouding tussen artikel 36e, tweede en derde lid, Sr. Met het tweede lid kan de maatregel worden opgelegd aan de persoon die voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van het feit waarvoor hij in de hoofdzaak is veroordeeld. Daarnaast kan voordeel worden ontnomen dat is verkregen door andere strafbare feiten waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door de veroordeelde zijn begaan. Dit artikellid biedt, als voorheen, een basis voor ontneming, waarbij het voordeel per afzonderlijk feit kan worden vastgesteld. Dit laat onverlet dat, zoals ook in de rechtspraak is erkend, bij de berekening van dit voordeel ook gebruik kan worden gemaakt van methoden die het vermogen van de veroordeelde als uitgangspunt nemen, zoals de methode van kasopstelling of vermogensvergelijking. Het wetsvoorstel brengt hierin geen verandering. Anders dan het voorgestelde artikel 36e, derde lid, Sr kan hier echter niet tot zes jaren in tijd worden teruggegaan. Dit kan een rol spelen bij de vraag of het openbaar ministerie een vordering zal baseren op artikel 36e, tweede of derde lid, Sr. Indien artikel 36e, derde lid, Sr aan de vordering ten grondslag wordt gelegd en aan de in dat artikellid overigens gestelde vereisten is voldaan, kan voor de vaststelling van het te ontnemen voordeel aan het voorgestelde bewijsvermoeden toepassing worden gegeven. Het openbaar ministerie zal in dat geval een beeld moeten hebben van de ontwikkeling van de vermogenspositie van de veroordeelde, ook over de periode van zes jaren voorafgaand aan het plegen van het misdrijf waarvoor de betrokkene is veroordeeld. De stelplicht van het openbaar ministerie ziet hierop.

5 Het «anderbeslag»

5.1 Algemeen

Het conservatoir beslag strekt ertoe het verhaal te verzekeren van een opgelegde geldboete of ontnemingsmaatregel. Indien de geldboete of maatregel is opgelegd, kan in beginsel het gehele vermogen van de veroordeelde tot verhaal dienen. Om aan dit verhaal te ontkomen plegen vermogensbestanddelen aan het zicht van justitie te worden onttrokken. Ter uitvoering van het coalitieakkoord worden de mogelijkheden tot het leggen van beslag met dit voorstel verruimd. Voorgesteld wordt deze verruiming vorm te geven door een aanpassing van het in artikel 94a Sv geregelde «anderbeslag». Daarbij wordt nadrukkelijk aansluiting gezocht bij het conservatoir karakter van deze beslagmodaliteit. De ruimte voor het treffen van maatregelen vooruitlopend op het oordeel van de rechter wordt aldus maximaal benut.

5.2 Het «anderbeslag»

Een van de wijzen waarop vermogensbestanddelen die aan de verdachte of veroordeelde toebehoren aan het zicht van justitie worden onttrokken, is door de eigendom van voorwerpen aan anderen over te dragen. Als instrument tegen dergelijke schijnconstructies werd artikel 94a Sv met de wetswijziging in 2003 (wet van 8 mei 2003, Stb. 2003, 202) aangevuld met het zogenoemde «anderbeslag». Dit beslag kan – kort gezegd – worden gelegd op voorwerpen die met het oogmerk van verhaalsfrustratie aan een ander zijn gaan toebehoren (artikel 94a, derde lid, Sv). Eveneens kan vervangend beslag worden gelegd op andere voorwerpen die aan deze ander toebehoren (artikel 94a, vierde lid, Sv).

Uit de rechtspraak die inmiddels naar aanleiding van het «anderbeslag» is gewezen, blijkt het volgende. De beklagrechter zal in het geval een derde klaagt dat een inbeslaggenomen voorwerp aan hem toebehoort nagaan of buiten redelijke twijfel vaststaat dat deze derde als eigenaar van het voorwerp moet worden aangemerkt. Als dit niet het geval is wordt het beklag ongegrond verklaard en duurt het beslag voort. Indien dit wel het geval is wordt het eigendomsrecht van de derde gerespecteerd, tenzij het voorwerp aan een derde te kwader trouw toebehoort. Om dergelijke kwade trouw aan te nemen, zo oordeelt de Hoge Raad, moet aan alle in artikel 94a, derde lid, Sv genoemde cumulatieve voorwaarden zijn voldaan. Deze voorwaarden houden – kort gezegd – in dat de voorwerpen middellijk of onmiddellijk van een strafbaar feit afkomstig zijn (afkomstvereiste), dat ze aan die ander zijn gaan toebehoren terwijl die ander wetenschap had van de criminele herkomst (wetenschapsvereiste) en ten slotte, dat die voorwerpen aan de ander zijn gaan toebehoren om het verhaal op het vermogen van degene tegen wie de ontnemingsvordering is ingesteld, te bemoeilijken (vereiste van verhaalsfrustratie) (Hoge Raad 19 februari 2008, LJN BA7675).

5.3 Vervallen afkomstvereiste

Voorgesteld wordt het hiervoor genoemde afkomstvereiste te laten vervallen. Aldus worden de mogelijkheden tot het leggen van «anderbeslag» verruimd, zodat ook beslag kan worden gelegd op voorwerpen waarvan niet behoeft te worden aangetoond dat zij van misdrijf afkomstig zijn. Het vereiste van verhaalsfrustratie blijft van kracht en ook het wetenschapsvereiste blijft gehandhaafd, zij het in aangepaste vorm.

De bestaande regeling schiet in het bijzonder met het hiervoor genoemde afkomstvereiste aan haar doel voorbij. Dit vereiste staat aan het leggen van beslag in de weg, in het geval dat een voorwerp op naam van een ander werd gesteld, voordat het misdrijf in verband waarmee het voordeel wordt ontnomen is gepleegd. Zoals ook in de totstandkomingsgeschiedenis bij artikel 94a, derde lid, Sv tot uitdrukking is gebracht, is de toepasselijkheid van het «anderbeslag» zo beperkt tot die gevallen waarin aan de delictomschrijving van het delict witwassen welhaast geheel is voldaan. Het is deze achtergrond waartegen het «afkomstvereiste» kan worden begrepen. Het conservatoir beslag, ook in de vorm van het «anderbeslag», kan echter evenzeer worden begrepen als een verhaalsbeslag waarbij ook legale vermogenscomponenten onderwerp van verhaal kunnen zijn. Ook de RHC wijst hierop in zijn advies. Zo bezien hoeft het vereiste dat het beslagen voorwerp middellijk of onmiddellijk van misdrijf afkomstig is, niet te worden gesteld. Indien blijkt dat de verdachte vermogen bij een ander heeft ondergebracht met het kennelijke doel om toekomstig verhaal daarop te frustreren, moet het mogelijk zijn en is het naar mijn mening redelijk, om dit vermogen bij het verhaal te betrekken. Daarmee wint deze beslagmodaliteit duidelijk aan effectiviteit.

5.4 Vereiste van verhaalsfrustratie en het vereiste van wetenschap

Het voorgestelde artikel 94a, derde lid, verwoordt allereerst het vereiste van verhaalsfrustratie. Hierin wordt als voorwaarde gesteld dat er voldoende aanwijzingen dienen te bestaan dat voorwerpen geheel of ten dele aan die ander zijn gaan toebehoren met het kennelijke doel de uitwinning van die voorwerpen te bemoeilijken of te verhinderen.

De regeling van het «anderbeslag» is geënt op het vermogensrechtelijke uitgangspunt dat een schuldeiser zijn vordering op het gehele vermogen van de schuldenaar kan verhalen (3:276 BW). Derden zijn met hun vermogen niet aansprakelijk voor de vordering op de verdachte of veroordeelde.

Met dit voorstel tot uitbreiding van het «anderbeslag» dient aan dit uitgangspunt recht te worden gedaan en bescherming te worden geboden aan het vermogen en de rechtspositie van derden. Ook artikel 1, eerste lid, eerste volzin, van het Eerste Protocol bij het EVRM vereist zorgvuldigheid in dit verband. In het voorgestelde artikel 94a, derde lid, Sv wordt daarom, naast het vereiste van verhaalsfrustratie, als voorwaarde gesteld dat de ander wist of redelijkerwijze kon vermoeden dat voorwerpen aan hem zijn gaan toebehoren met het doel het verhaal bij degene die deze voorwerpen aan hem heeft vervreemd, te frustreren. Hiermee is een wetenschapsvereiste verwoord, waarmee wordt voorkomen dat een derde die te goeder trouw een voorwerp van de verdachte verkrijgt, ten onrechte wordt geconfronteerd met een onder hem gelegd beslag.

Met dit onderdeel van het wetsvoorstel wil ik tegemoet komen aan de opmerkingen die zijn gemaakt in de adviezen van het openbaar ministerie, de NVvR en de Rvdr over de beperkingen in de regeling van het «anderbeslag». Op deze plaats ga ik eveneens in op het advies van de RHC waarin om verduidelijking is gevraagd van het begrip «toebehoren». Een ruime uitleg van dit begrip past bij de in de literatuur levende opvatting dat, in plaats van met de regeling van het «anderbeslag» met een feitelijke benadering van de eigendomsvraag door de rechter doeltreffend kan worden opgetreden tegen schijnconstructies. Ik merk op dat de uitleg van het begrip «toebehoren» naar mijn mening als voorheen aan de rechter voorbehouden dient te blijven. Deze uitleg is sterk verweven met waarderingen van feitelijke aard. Een algemene regel daarvoor is, zonder de ruimte die de rechter thans heeft ongewild te beperken, niet te geven. De hier voorgestelde regeling zoekt aansluiting bij de uitgangspunten van het privaatrecht. De regeling van het «anderbeslag» treedt – ook in de hier voorgestelde vorm – niet voor deze uitgangspunten in de plaats maar is daaraan complementair. In het privaatrecht ontwikkelde leerstukken en rechtsfiguren, die als uitgangspunt delen dat aan schijnconstructies geen rechtsgevolgen behoeven te worden verbonden, zijn daarmee ook voor de strafrechtelijke rechtsvinding van belang. Zo zal de strafrechter in de gevallen waarin een rechtspersoon de rol van de «ander» vervult, kunnen beoordelen of deze rechtspersoonlijkheid niet wordt misbruikt. Bij dergelijk misbruik kan het identiteitsverschil tussen de verdachte en de rechtspersoon worden gerelativeerd.

Tenslotte sta ik op deze plaats stil bij het advies van de Rvdr om te expliciteren dat ook beslag kan worden gelegd op voorwerpen die een ander houdt ten gunste van de veroordeelde. Naar mijn oordeel verzet noch de huidige, noch de voorgestelde regeling zich hiertegen, al zal in de gevallen dat de ander slechts als houder is aan te merken, beslag dienen te worden gelegd op de grondslag van artikel 94a, tweede lid, Sv.

6 Het onderzoek naar het vermogen van de veroordeelde

6.1 Algemeen

De ontnemingsmaatregel wordt opgelegd in een afzonderlijke procedure die bestaat naast de procedure in de hoofdzaak. In de hoofdzaak wordt geoordeeld over de strafbare feiten die aan het opleggen van de maatregel ten grondslag kunnen liggen. In de procedure ter ontneming van het voordeel staat de vaststelling van de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel centraal. Een bijzonder aspect van de afzonderlijke ontnemingsprocedure is dat zij niet gelijktijdig behoeft te worden gevoerd met de procedure in de hoofdzaak. In de regel neemt de procedure een aanvang binnen twee jaren nadat in de hoofdzaak de uitspraak in eerste aanleg is gedaan. Met dit stelsel wordt enerzijds zoveel mogelijk gewaarborgd dat de vaststelling van de hoogte van het genoten voordeel de voorbereiding en de aandacht krijgt die het toekomt. Anderzijds, zo wijst de praktijk uit, neemt de afzonderlijke procedure naast de procedure in de hoofdzaak veel tijd in beslag en kan tussentijds het zicht op het vermogen van degene tegen wie de vordering zich richt verloren raken. Dit staat aan het uiteindelijk verhaal in de weg.

Een geloofwaardige strafrechtspleging brengt met zich mee dat een eenmaal door de rechter opgelegde betalingsverplichting ook wordt nagekomen. Daarom stel ik voor om in de gevallen waarin daartoe aanleiding bestaat, de omvang van het vermogen van de veroordeelde, ook na diens veroordeling, onderwerp van onderzoek te maken. In een dergelijk onderzoek – zo luidt het voorstel – wordt de inzet onderzoeksbevoegdheden mogelijk gemaakt in de fase van de tenuitvoerlegging. Zo kan inzicht worden verkregen in de omvang van het vermogen waarop, krachtens artikel 577b Sv, verhaal kan worden genomen. Het doen van onderzoek naar het vermogen van de veroordeelde bij betalingsonwil sluit aan bij een wijziging die in 2003 in de ontnemingswetgeving reeds is doorgevoerd. Bij die gelegenheid is de regeling van de vervangende hechtenis vervangen door een regeling van lijfsdwang. Daarbij is expliciet gemaakt dat de betalingsverplichting op de veroordeelde blijft rusten. Met dit wetsvoorstel wil ik nader onderstrepen dat het niet voldoen aan een betalingsverplichting, de veroordeelde niet in een gunstiger positie kan brengen.

De voorgestelde regeling kan worden gezien als een aanvulling op het conservatoir beslag, waarop hiervoor in deze memorie van toelichting reeds is ingegaan. Ook vormt het voorstel een aanvulling op het met dit voorstel eveneens verruimde toepassingsbereik van het strafrechtelijk financieel onderzoek. Deze verruiming vindt verder bespreking in het artikelsgewijze deel van deze memorie van toelichting. Met de voorgestelde wijzigingen ontstaat een doorlopend kader voor het verrichten van financieel onderzoek. Op de afzonderlijke onderdelen van het onderzoek naar het vermogen van de veroordeelde ga ik hier nader in.

6.2 Doel van het onderzoek naar het vermogen

Het onderzoek is gericht op de vaststelling van het vermogen van de veroordeelde, waarop verhaal kan worden genomen ten behoeve van de tenuitvoerlegging van de ontnemingsmaatregel. Ook in dit verband kan worden gewezen op het in artikel 3:276 BW neergelegde uitgangspunt dat een schuldeiser zijn vordering op het gehele vermogen van de schuldenaar kan verhalen. Het hoeft daarbij niet te gaan om voorwerpen die middellijk of onmiddellijk afkomstig zijn uit strafbare feiten die door de veroordeelde zijn begaan. Het gehele vermogen van de veroordeelde als schuldenaar staat aan het verhaal ten dienste. De toepassing van bevoegdheden strekt er toe in de vermogenspositie van de veroordeelde inzicht te krijgen. Het voorgestelde artikel 577ba, tweede lid, verwoordt dit doel als uitgangspunt voor het onderzoek. Uit het onderzoek kan blijken waar voorwerpen van de veroordeelde zich bevinden zodat daarop verhaal kan worden genomen. De informatie die de onderzoeken oplevert kan voorts bijdragen aan de onderbouwing van een vordering tot het verlenen van verlof tot tenuitvoerlegging van lijfsdwang. Met de resultaten kan immers worden vastgesteld dat de veroordeelde, anders dan hij wil doen vermoeden, niet buiten staat is aan zijn betalingsverplichting te voldoen, maar dat er sprake is van betalingsonwil. Hierbij kan zich ook de omgekeerde situatie voordoen. Wanneer wordt vastgesteld dat er sprake is van betalingsonmacht, kunnen de resultaten aanleiding geven om te veronderstellen dat verdere pogingen, alle voorafgaande inspanningen ten spijt, geen effect zullen sorteren. Daarmee wordt eveneens rechtgedaan aan de positie van de onvermogende. Ten slotte kan het onderzoek bijdragen aan het inzicht in vermogensverschuivingen in het verleden. Dit kan dienstbaar zijn aan de rechterlijke oordeelsvorming naar aanleiding van een eventueel verzet tegen de tenuitvoerlegging door derden, die menen recht te hebben op in beslag genomen voorwerpen. De positie van het openbaar ministerie bij de tenuitvoerlegging wordt ook op deze wijze, met de voorgestelde beschikbaarstelling van bevoegdheden, versterkt.

6.3 Rechterlijke controle op het onderzoek

In het verstrijken van de in artikel 561, eerste lid, Sv genoemde termijn waarop de veroordeelde in gebreke is gebleven volledig en vrijwillig tot betaling over te gaan, kan de officier van justitie aanleiding zien van de rechter-commissaris een machtiging te vorderen tot het instellen van een onderzoek naar het vermogen van de veroordeelde. Met de verwijzing naar deze termijn, wordt zeker gesteld dat het onderzoek eerst een aanvang zal kunnen nemen, wanneer de veroordeelde in de gelegenheid is gesteld om vrijwillig tot betaling over te gaan. In het voorstel wordt in dit verband als eis gesteld dat er aanwijzingen bestaan dat de veroordeelde, in weerwil van het uitblijven van betaling, over vermogen beschikt. Dergelijke aanwijzingen kunnen worden ontleend aan bijvoorbeeld lopende onderzoeken naar nieuwe strafbare feiten of aan de constatering van een opsporingsambtenaar dat een veroordeelde de beschikking heeft over voorwerpen, waarvan het bezit zich slecht verdraagt met de omstandigheid dat deze veroordeelde in gebreke blijft. Ook kan, bezien in samenhang met het voorgaande, betekenis toekomen aan het verschil tussen de hoogte van de opgelegde betalingsverplichting en hetgeen daarop reeds is voldaan. In de opgelegde betalingsverplichting komt immers de omvang tot uitdrukking van het, in het verleden, daadwerkelijk door de veroordeelde genoten voordeel. Naarmate het hiervoor aangeduide verschil groter is, zal het vermoeden van betalingsonwil sterker kunnen zijn.

Het vereiste van voorafgaande machtiging van de rechter-commissaris, komt in het voorgestelde artikel 577ba, eerste lid, Sv tot uitdrukking. De daartoe strekkende vordering van de officier van justitie is met redenen omkleed. Dit leidt ertoe dat de officier van justitie melding maakt van de feiten en omstandigheden die hem doen veronderstellen dat de veroordeelde over vermogen beschikt, waarop verhaal kan worden genomen. Daarbij maakt de officier van justitie eveneens melding van de hoogte van de opgelegde betalingsverplichting en van hetgeen daarop reeds is voldaan. De rechter-commissaris – zo luidt het voorstel – zal alleen dan tot machtiging overgaan, wanneer de (resterende) betalingsverplichting van «een aanzienlijk belang» is. Wat onder «een aanzienlijk belang» moet worden verstaan, zal van geval tot geval verschillen. Met het opnemen van dit vereiste wordt voorkomen dat de enige voorwaarde voor de inzet van, soms verstrekkende, bevoegdheden zou bestaan in de enkele vaststelling dat er een vordering van de Staat op de veroordeelde ligt.

Het ware denkbaar geweest de voorgenomen inzet van bevoegdheden afhankelijk te maken van de hoogte van een in de wet aan te duiden bedrag dat niet kon worden geïncasseerd. Ook in het advies van Rvdr wordt deze suggestie gedaan. Ik heb hiervan afgezien, nu de vaststelling van de hoogte van een dergelijk bedrag op voorhand arbitrair zou zijn. Ik meen dat met het verwoorden van de voorwaarde dat de resterende betalingsverplichting van «aanzienlijk belang» dient te zijn, ertoe zal leiden dat de rechter-commissaris de hoogte van het bedrag dat niet kan worden geïncasseerd bij zijn besluitvorming inzake het verlenen van een machtiging zal betrekken en aldus een proportionaliteitstoets zal toepassen. Daarbij zal hij beoordelen of de beoogde inzet van bevoegdheden zal kunnen bijdragen aan de verwezenlijking van het doel van het onderzoek, namelijk of hiermee de omvang van het vermogen waarop verhaal kan worden genomen, inzichtelijk kan worden.

De rechter-commissaris blijft gedurende het onderzoek betrokken. Niet alleen is de geldigheidsduur van een door hem verleende machtiging beperkt (artikel 577ba, vijfde lid, Sv), ook tussentijds houdt de rechter-commissaris toezicht op het verloop van het onderzoek en waakt hij tegen nodeloze vertraging daarvan. Het voorgestelde artikel 577ba, zesde lid, Sv voorziet daartoe in een actieve informatieplicht van de officier van justitie richting rechter-commissaris. Indien de rechter-commissaris ten slotte van oordeel zou zijn dat er onvoldoende aanleiding bestaat tot het instellen van een onderzoek naar het vermogen van de veroordeelde, kan hij weigeren daartoe een machtiging te verlenen. Denkbaar is tenslotte, dat hij wel machtiging verleent, maar daaraan voorwaarden verbindt. Tegen de beslissing tot weigering kan het openbaar ministerie hoger beroep instellen op de wijze als voorzien in artikel 446 Sv.

6.4 Bevoegdheden en voorwaarden

De bevoegdheden die zich lenen voor toepassing in het onderzoek naar het vermogen van de veroordeelde, worden opgesomd in het voorgestelde artikel 577bb. De voorgestelde artikelen 577bc tot en met 577bg, bieden hierop aanvullende voorzieningen.

De bevoegdheden die in het verband van het onderzoek toepassing kunnen vinden, zijn gericht op de verwezenlijking van de doelstelling dat inzicht wordt verkregen in de omvang van het vermogen van de veroordeelde waarop krachtens artikel 577b verhaal kan worden genomen.

Een deel van de voorgestelde bevoegdheden is dan ook gericht op de verkrijging van gegevens van anderen. Zo kan van derden, van wie wordt vermoed dat zij vermogensbestanddelen van de veroordeelde onder zich hebben of hebben gehad, worden gevorderd dat zij daarvan opgave doen. Deze bevoegdheid is ontleend aan de vergelijkbare bevoegdheid die tijdens een strafrechtelijk financieel onderzoek kan worden toegepast (artikel 126a, eerste lid, onderdeel b, Sv). Voor het overige heb ik, voor wat betreft de mogelijkheden tot het vorderen van gegevens, aansluiting gezocht bij de artikelen 126nc tot en met 126ne Sv. Daarmee kunnen ook toekomstige gegevens, als bedoeld in artikel 126ne Sv, worden gevorderd. Bij deze toekomstige gegevens kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de administratieve neerslag van transacties waarbij de veroordeelde is betrokken. Ook kan worden gedacht aan overzichten van mutaties van het saldo van bankrekeningen. Daarvan bestaat duidelijkheid bestaat dat ze, in een bij de vordering te bepalen duur, zullen worden verwerkt. Voor die gevallen waarin het noodzakelijk is, dat er aanstonds na de verwerking over deze gegevens kan worden beschikt, kan de vordering ook daarin voorzien. Ook wordt met het voorgestelde artikel 577bd voorzien in de mogelijkheid medewerking te verlangen van personen, die kennis dragen van de wijze waarop opgeslagen of vastgelegde gegevens, die inzicht kunnen geven in de vermogenspositie van de veroordeelde, zijn versleuteld.

Ook andere bevoegdheden die hun oorsprong vinden in de regeling van de bijzondere opsporingsbevoegdheden, komen met het voorstel voor toepassing in het onderzoek naar het vermogen van de veroordeelde in aanmerking. Ik doel hiermee onder meer op de bevoegdheden tot het doen van onderzoek naar communicatie, de stelselmatige observatie en de bevoegdheden in een besloten plaats. In het verband van het onderzoek naar het vermogen van de veroordeelde, zullen de bevoegdheden in besloten plaatsen in het bijzonder worden ingezet om de aanwezigheid van voorwerpen in die besloten plaats vast te kunnen stellen. Ik denk daarbij bijvoorbeeld aan loodsen waarvan wordt vermoed dat de veroordeelde deze voor opslag gebruikt. Ook het opnemen van de communicatie van de veroordeelde, zal in voorkomende gevallen noodzakelijk zijn om zicht te krijgen op het vermogen van de veroordeelde. Met het onderscheppen van communicatie kan bijvoorbeeld zicht worden gekregen op voorgenomen transacties of op de motieven die aan die transacties ten grondslag liggen. Ook de voorgestelde bevoegdheid met betrekking tot het onderscheppen van telecommunicatie, is vormgegeven volgens de systematiek die reeds in het Wetboek van Strafvordering besloten ligt. Het opnemen van niet voor het publiek bestemde communicatie kan slechts op grond van een voorafgaande machtiging van de rechter-commissaris plaatsvinden (artikel 577bf, tweede lid, Sv). Ook het stelselmatig observeren tenslotte, kan een bijdrage leveren aan het inzicht in de vermogenspositie. Denkbaar is immers dat met het nagaan van de gangen van de veroordeelde, een goed zicht kan worden verkregen op voorwerpen waarvan, bijvoorbeeld door het intensieve gebruik dat de veroordeelde daarvan maakt, zou kunnen worden aangenomen dat ze vatbaar zijn voor verhaal. De waarnemingen van de opsporingsambtenaar kunnen aldus reden vormen naar die voorwerpen nader onderzoek te doen.

De genoemde bevoegdheden kunnen worden ingezet «in het belang van het onderzoek» naar het vermogen van de veroordeelde. Hierin ligt een nadere normering van de inzet van deze bevoegdheden besloten. Van de inzet van deze bevoegdheden moet redelijkerwijze kunnen worden verwacht dat zij bijdragen aan de verwezenlijking van het doel waarmee deze bevoegdheden zijn gegeven. Dit doel is er in gelegen inzicht te krijgen in de vermogenspositie van de veroordeelde. In het gegeven dat het onderzoeksbelang de toepassing van de bevoegdheid dient te rechtvaardigen, ligt voorts besloten dat de toepassing de toets aan de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit kan doorstaan. In dit verband merk ik tenslotte op dat met het verrichten van onderzoek naar het vermogen, waarbij de nadruk ook kan liggen op vermogensverschuivingen, ook de vermogenspositie van derden in het vizier komt. Dit kan aanleiding geven tot de aanvullende inzet van bevoegdheden. Naar mijn mening verzet het belang van het onderzoek zich hiertegen in zijn algemeenheid niet. De verwijzing brengt tenslotte wel met zich mee dat het onderzoek naar het vermogen van de veroordeelde, op zichzelf niet kan strekken tot – bijvoorbeeld – de opsporing van nieuwe strafbare feiten.

6.5 Einde onderzoek en notificatie

Het onderzoek naar het vermogen van de veroordeelde kan op verschillende wijzen eindigen. In de eerste plaats doordat de officier van justitie oordeelt dat voor de voortzetting daarvan geen grond bestaat. Daarnaast kan het onderzoek eindigen, doordat de geldigheidsduur van de rechterlijke machtiging verstrijkt en het onderzoek niet wordt verlengd. In de eis dat bevoegdheden worden ingezet in het belang van het onderzoek, komt voorts tot uitdrukking dat het onderzoek niet zal worden voortgezet, indien verdere onderzoekshandelingen het inzicht in de vermogenspositie van de veroordeelde niet zullen vergroten. Ook indien de veroordeelde aan diens betalingsverplichting heeft voldaan, komt aan het onderzoek een einde. Het voorstel voorziet in een verplichting tot notificatie van de betrokkenen. Hiertoe zijn in het voorstel de artikelen 126bb en 126dd Sv van overeenkomstige toepassing verklaard. Met de voorgestelde verwijzing naar artikel 126dd Sv is tot uitdrukking gebracht dat de gegevens die het onderzoek heeft opgeleverd aan een nieuw strafrechtelijk onderzoek dienstbaar kunnen zijn. De officier van justitie kan in dat geval bepalen dat de gegevens daarvoor worden gebruikt en niet zullen worden vernietigd.

6.6 Verenigbaarheid met artikel 8 EVRM

De inzet van opsporingsbevoegdheden kan gevolgen hebben voor de persoonlijke levenssfeer van degene tegen wie het onderzoek zich richt en derden die daarbij in beeld komen. Dit vraagt om een beschouwing over de verhouding van dit aanvullende onderzoekskader tot artikel 8 EVRM, dat de persoonlijke levenssfeer beschermt. Artikel 8 EVRM staat inmenging in de persoonlijke levenssfeer slechts in beperkte mate toe. Artikel 8, eerste lid, EVRM geeft een ieder recht op respect voor zijn privé-leven, van zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie. Artikel 8, tweede lid, EVRM bepaalt dat geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij de wet (law) is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van, onder meer, het economisch welzijn van het land en de voorkoming van strafbare feiten. Het onderzoek naar het vermogen van de veroordeelde en de bevoegdheden die in dit verband kunnen worden ingezet, vallen binnen de reikwijdte van artikel 8 EVRM aangezien zij een inmenging in het privé-leven met zich brengen. Ik ben evenwel van oordeel, dat het voorgestelde onderzoek met artikel 8 EVRM verenigbaar is, nu het onderzoek valt onder de uitzonderingen zoals in artikel 8, tweede lid, EVRM geformuleerd.

De eis dat de inmenging bij de wet is voorzien, brengt met zich dat de regeling daarvan is opgenomen in het nationale recht en dat deze zodanig precies is geformuleerd, dat inmengingen in de persoonlijke levenssfeer voor de burger voorzienbaar zijn. Van belang is in dit verband, dat het voorgestelde onderzoek naar het vermogen van de veroordeelde is neergelegd in een expliciete wettelijke regeling, waarin tot uitdrukking komt onder welke voorwaarden het onderzoek naar het vermogen van de veroordeelde kan worden ingesteld en welke bevoegdheden in dit verband kunnen worden ingezet. In onderdeel 6.4 van deze memorie van toelichting, ben ik op deze bevoegdheden en voorwaarden ingegaan. De voorgestelde regeling maakt inzichtelijk onder welke omstandigheden de burger ermee rekening moet houden dat naar zijn vermogen en de herkomst daarvan onderzoek zal worden gedaan. In de opsomming van voorwaarden waaronder toepassing kan worden gegeven aan de voorgestelde bevoegdheden, liggen reeds waarborgen besloten tegen willekeurige inmengingen in de persoonlijke levenssfeer. Daarnaast kan in dit verband nog worden gewezen op het voortdurende rechterlijk toezicht waarin is voorzien en op het vereiste dat van de inzet van bevoegdheden schriftelijk verslag wordt gelegd. Ook geldt de verplichting tot notificatie, die reeds in artikel 126bb Sv besloten ligt, na het eindigen van het onderzoek naar het vermogen van de veroordeelde. Daarmee ben ik van oordeel, dat is voldaan aan de eerste eis die artikel 8 EVRM stelt.

Een inmenging in de persoonlijke levenssfeer dient voorts noodzakelijk te zijn in een democratische samenleving, dit in verband met enkele specifiek in artikel 8, tweede lid, EVRM aangeduide belangen. Dat impliceert dat er een dringende behoefte moet bestaan aan de inbreuk en dat deze bovendien proportioneel moet zijn aan het nagestreefde rechtmatige doel. De noodzaak onderzoek te doen naar het vermogen van de veroordeelde, dient te worden begrepen tegen de achtergrond van het belang van de voorkoming van strafbare feiten en het economisch welzijn. Het is tegen deze achtergrond, dat de bevoegdheden worden voorgesteld. Tot de inzet van bevoegdheden kan eerst worden overgegaan nadat de ontnemingsvordering is toegewezen en nadat rechtens is vastgesteld dat de veroordeelde met zijn criminele activiteiten aanzienlijke winsten heeft genoten. De confiscatie hiervan is van een rechterlijk fiat voorzien. Tegen deze achtergronden leidt het bestaan van mogelijkheden om aan daadwerkelijke confiscatie te ontkomen, tot een aantasting van de geloofwaardigheid van de strijd tegen de lucratieve georganiseerde misdaad. Immers, eenvoudig kan de overtuiging postvatten of blijven bestaan dat het plegen van strafbare feiten lucratief kan zijn, zolang men zich maar inspant om vermogen aan het zicht van justitie te onttrekken. De introductie van het onderzoek naar het vermogen van de veroordeelde strekt er daarmee niet alleen toe de tenuitvoerlegging te versterken, maar kan ook in generaal-preventieve zin bijdragen aan de voorkoming van strafbare feiten die uit winstbejag worden gepleegd. De mogelijkheden om criminele winsten te verhullen en weg te sluizen om confiscatie te voorkomen hebben zeer onwenselijke gevolgen voor de samenleving. Een gebrekkig zicht op de revenuen van het criminele gedrag levert een bedreiging op van de integriteit van het legale economische verkeer en daarmee van de maatschappelijke orde. Dat vermogensbestanddelen bij derden worden ondergebracht om deze aan het zicht van politie en justitie te onttrekken, kan aanleiding vormen om te veronderstellen dat criminele winsten opnieuw worden geïnvesteerd of aan het plegen van nieuwe strafbare feiten bijdragen.

Met het oog op de vereiste proportionaliteit, wordt in de voorgestelde regeling tot uitdrukking gebracht dat slechts toepassing tot het voorgestelde onderzoekskader wordt verleend, indien de resterende betalingsverplichting van «aanzienlijk belang» is. Door de rechterlijke controle aldus mede te laten zien op de hoogte van de (resterende) betalingsverplichting en de mate van waarschijnlijkheid waarin de inzet van bevoegdheden aan de verwezenlijking van het doel van het onderzoek kan bijdragen, meen ik tenslotte dat de inzet de toets aan deze eis van proportionaliteit zal kunnen doorstaan.

7 Overige wijzigingen

Van de gelegenheid die het wetsvoorstel biedt, maak ik gebruik om enkele wijzigingen van meer bescheiden aard voor te stellen, welke wijzigingen de praktijk van de ontneming verder kunnen faciliteren.

7.1 De uitspraak op de ontnemingsvordering

In afwijking van de in artikel 345 Sv vervatte hoofdregel dat binnen twee weken nadat het onderzoek ter terechtzitting is gesloten de rechterlijke uitspraak plaatsvindt, kan de rechter die oordeelt over een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ook later uitspraak doen. De wet schrijft geen termijn voor, noch schrijft de wet voor dat deze datum van uitspraak bij het sluiten van het onderzoek door de rechtbank wordt bepaald. Artikel 410, eerste lid, Sv schrijft daarnaast voor dat het openbaar ministerie indien het hoger beroep instelt, binnen veertien dagen een schriftuur houdende de grieven tegen het beroepen vonnis indient. Ook de verdachte kan een dergelijke schriftuur indienen, doch de wet vereist dit niet. In het bijzonder de omstandigheid dat bij het sluiten van het onderzoek naar de huidige wettelijke regeling niet behoeft te worden bepaald wanneer uitspraak wordt gedaan, terwijl het indienen van een appèlmemorie binnen twee weken daarna is voorgeschreven, acht ik bezwaarlijk. Het in voorkomende gevallen achterwege blijven van een datumbepaling kan ertoe leiden dat de werkzaamheden die gepaard gaan met het opstellen van een appèlmemorie, onder druk komen te staan. Voor de planning van de werkzaamheden die gepaard gaan met het instellen van hoger beroep, is het wenselijk wanneer het tijdstip waarop de rechtbank uitspraak zal doen, tevoren bekend is. Met de voorgestelde aanpassing van artikel 511e, eerste lid, Sv wordt gewaarborgd dat alle procesdeelnemers tijdig na de uitspraak gerezen bezwaren tegen de genomen beslissing kenbaar kunnen maken, zonder dat dit tot vertraging in de afhandeling van een hoger beroep hoeft te leiden. Met de voorgestelde aanpassing van artikel 511e Sv beoog ik hieraan tegemoet te komen, nu daarmee is voorzien in een wettelijke termijn van zes weken voor het doen van uitspraak op de ontnemingsvordering.

7.2 Schriftelijke voorbereiding

Met de aanpassing van artikel 511d Sv wordt een basis gecreëerd voor een algemene maatregel van bestuur waarmee nadere regels kunnen worden gesteld over de schriftelijke voorbereiding van ontnemingsprocedures. Daarmee kunnen regels worden gesteld met het oog op de bevordering van een vlot verloop en een deugdelijke procesgang van de ontnemingprocedure in het geval deze van een schriftelijke voorbereiding wordt voorafgegaan.

8 Financiële gevolgen van het wetsvoorstel

Het voorstel vloeit voort uit de uitvoering van het Coalitieakkoord en maakt onderdeel uit van de maatregelen tot versterking van de bestrijding van de financieel-economische criminaliteit (FINEC). De inkomsten uit ontneming van crimineel vermogen door het openbaar ministerie zijn in het jaar 2007 ten opzichte van de jaren daarvoor verdubbeld van circa 11 miljoen euro in 2005 tot ruim 23 miljoen euro in 2007. Naar verwachting zullen de nieuwe wettelijke maatregelen, waaronder de invoering van het wettelijk bewijsvermoeden en de vereenvoudigingen die zijn doorgevoerd in het verband van het anderbeslag (94a Sv), eveneens leiden tot een opbrengstenstijging uit ontnemingen tot ruim 30 miljoen euro in 2011 en ruim 35 miljoen euro structureel vanaf 2013. Hiermee is in de begroting van het Ministerie van Justitie rekening gehouden. Het wetsvoorstel heeft daarmee nu geen gevolgen voor de Rijksbegroting in enge zin anders dan al in de begrotingsramingen tot 2013 zijn aangegeven.

Dat verwachting dat deze inkomsten een stijgende lijn laten zien is mede ingegeven door de investeringen in het kader van de intensiveringsprogramma’s aanpak georganiseerde misdaad en versterking van de aanpak van financieel-economische criminaliteit. Het openbaar ministerie en de politie zijn met deze FINEC-middelen toegerust op de aanvullende taken als gevolg van de wetswijzigingen.

ARTIKELSGEWIJS

Artikel I

Onderdeel A

Met onderdeel A is voorzien in een uitbreiding van de bijkomende straf van verbeurdverklaring. De aanpassing is toegelicht in paragraaf 3 van het algemene deel van deze memorie van toelichting.

Onderdeel B

Met dit onderdeel is voorzien in een aanpassing van artikel 36e Sr waarin de ontnemingsmaatregel regeling vindt. De aanpassingen in artikel 36e, tweede lid, Sr strekken tot vereenvoudiging van de regeling. De aanpassingen zijn toegelicht in paragraaf 4.5 van het algemene deel van deze memorie van toelichting.

Met aanpassing van het derde lid van artikel 36e, wordt voorzien in de introductie van een wettelijk bewijsvermoeden. Wanneer sprake is van een misdrijf met een wettelijke strafbedreiging van een geldboete van de vijfde categorie en aannemelijk is dat ook het plegen van andere strafbare feiten er op enigerlei wijze toe heeft geleid dat de veroordeelde voordeel heeft genoten, kan aan dit bewijsvermoeden toepassing worden gegeven. In die gevallen wordt van de veroordeelde inzicht verlangd in de herkomst van zijn vermogen in een periode van zes jaren voorafgaand aan het plegen van het misdrijf. Daarbij kunnen gebleken uitgaven (derde lid, onderdeel a) een rol spelen of kunnen de voorwerpen die onder de veroordeelde worden aangetroffen als uitgangspunt worden genomen (onderdeel b). Met het woordgebruik «of» is naar vast gebruik in wetgevingsterminologie en/of bedoeld. Daarmee wordt beoogd een zo volledig mogelijk beeld te verkrijgen van de vermogenspositie van degene tegen wie de vordering zich richt. Dubbeltellingen dienen daarbij echter te worden voorkomen.

Het toepassingsvereiste dat degene tegen wie de vordering zich richt is veroordeeld wegens een misdrijf dat naar de wettelijke omschrijving wordt bedreigd met een geldboete van de vijfde categorie, sluit de invloed van bijzondere strafverhogende omstandigheden, zoals vervat in artikel 23, zevende lid, Sr, en artikel 6, eerste lid, onderdeel 4 WED, uit.

Artikel II

Onderdeel A

Met dit onderdeel wordt de regeling van het conservatoir «anderbeslag» aangepast. In het derde lid komt het zogenoemde «afkomstvereiste» te vervallen. Het voorstel is toegelicht in paragraaf 5 van het algemeen deel van deze memorie van toelichting.

Onderdeel B

Deze wijziging is opgenomen naar aanleiding van het advies van het openbaar ministerie. De aanpassing maakt duidelijk dat derden bij wie inlichtingen zijn ingewonnen in het kader van een sfo daarover geheimhouding dienen te betrachten.

Onderdelen C en D

Met het voorgestelde artikel 126fa wil ik gevolg geven aan de adviezen van het openbaar ministerie, de NVvR en de RHC, waarin zij er op wijzen dat in de praktijk onduidelijkheid bestaat over de mogelijkheden tot het verrichten van financieel onderzoek na een veroordeling in de hoofdzaak en de mogelijkheden daartoe in de periode die is gelegen tussen het sluiten van het strafrechtelijk financieel onderzoek (sfo) en het moment waarop het voorgestelde onderzoek naar het vermogen van de veroordeelde een aanvang kan nemen. Uit de systematiek van de regeling van het sfo volgt dat het onderzoek in het bijzonder strekt tot onderbouwing van de ontnemingsvordering en de behandeling van de ontnemingsvordering door de rechter. Zo wordt in de termijn voor het aanhangig maken van de ontnemingsvordering, in de regel binnen twee jaren na de uitspraak in eerste aanleg, een grond voor sluiting van het sfo gezien (artikel 511b, eerste lid, juncto 126f, eerste lid, Sv). In de regeling komt niet expliciet tot uitdrukking in welke gevallen de officier van justitie een nadere machtiging van de rechter-commissaris tot heropening van een gesloten sfo kan vragen. Met het voorgestelde artikel 126fa wordt expliciet gemaakt dat ook nadat een einduitspraak op de vordering als bedoeld in artikel 36e Sr is gedaan, krachtens een nadere machtiging van de rechter-commissaris financieel onderzoek kan worden verricht. Dit nadere sfo eindigt – zo luidt het voorstel – op het moment dat de beslissing op de ontnemingsvordering onherroepelijk wordt. In het voorgaande ligt besloten dat financieel onderzoek in het verband van een heropend sfo, ook kan worden verricht na een veroordeling in de hoofdzaak. Het openbaar ministerie wijst er op dat, zoals in de praktijk blijkt, de periode tot het onherroepelijk worden van de beslissing in de ontnemingsprocedure van aanzienlijke duur kan zijn zodat het zicht op de vermogenspositie van de veroordeelde verloren kan raken. Met het voorstel kan het zicht op het vermogen van de veroordeelde in deze tussenfase behouden blijven en kunnen ook daarvoor vatbare voorwerpen in conservatoir beslag worden genomen.

Onderdelen E tot en met G

Met deze onderdelen wordt voorzien in de mogelijkheid bij algemene maatregel van bestuur nadere regels te stellen over de schriftelijke voorbereiding. Ook wordt de uitspraaktermijn in ontnemingszaken gemaximeerd op zes weken. Deze wijzigingen zijn toegelicht in paragraaf 7 van het algemeen deel van deze memorie van toelichting.

Onderdeel H

Met het onderdeel wordt voorzien in een basis voor executoriaal «anderbeslag». Met dit onderdeel wordt artikel 577b, eerste lid, Sv aangepast om te verduidelijken dat voorwerpen waarop voorafgaand conservatoir «anderbeslag» is gelegd, ook kunnen worden uitgewonnen.

Onderdeel I

Dit onderdeel betreft de introductie van het «Onderzoek naar het vermogen van de veroordeelde». Het wordt toegelicht in paragraaf 6 van het algemeen gedeelte van deze memorie van toelichting.

Artikelen III en IV

Artikel 33a van de Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen voorziet er in dat wanneer een in de vreemde Staat opgelegde sanctie strekt tot de ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, de rechtbank de verbeurdverklaring daarvan uitspreekt indien de vreemde Staat uitdrukkelijk heeft verzocht die sanctie slechts ten uitvoer te leggen op voorwerpen die dat voordeel vertegenwoordigen. Daarbij is bepaald dat de rechtbank niet is gebonden aan beperkingen ingevolge artikel 33, eerste lid, onder a, Sr. Nu de hier bedoelde beperkingen met de aanpassing van de regeling van de verbeurdverklaring komen te vervallen, is handhaving van deze laatste volzin van artikel 33a, tweede lid, Wots, niet langer noodzakelijk. Dit geldt evenzeer voor het bepaalde in artikel 82, derde lid, van de Uitvoeringswet Internationaal Strafhof.

De minister van Justitie,

E. M. H. Hirsch Ballin


XNoot
1

Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer.


SnelzoekenInfo

Snelzoeken
U kunt dit veld gebruiken om te zoeken op
–een vrije zoekterm voor het zoeken op tekst (bijvoorbeeld "milieu")
–een betekenisvolle zoekterm voor het zoeken naar specifieke publicaties (bijvoorbeeld dossiernummer '32123' of 'trb 2009 16').
U kunt termen combineren door EN te zetten tussen de termen (blg 32123 EN milieu).
U kunt zoeken op letterlijke tekst door '' om de term te zetten. ('appellabele toezeggingen').

Voor meer mogelijkheden en uitleg verwijzen wij u naar de help-pagina's van Officiële bekendmakingen op overheid.nl