Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2009-201032178 nr. 7

32 178 (R1898)
Reglement voor de Gouverneur van Curaçao

nr. 7
VERSLAG VAN DE STATEN VAN DE NEDERLANDSE ANTILLEN

Vastgesteld 3 februari 2010

De fracties in de Staten hebben kennisgenomen van het voorliggende voorstel van rijkswet dat strekt tot het vaststellen van een Reglement voor de Gouverneur van Curaçao. Zij hebben de volgende vragen en opmerkingen.

De MAN-fractie heeft met scepsis kennis-genomen van het wetsvoorstel. Deze fractie zegt over het algemeen er grote moeite mee te hebben dat men kennelijk niet wil inzien dat de wijze waarop invulling wordt gegeven aan het staatkundige hervormingsproces binnen het Koninkrijk, niet in overeenstemming is met de wil van de Curaçaose bevolking, zoals tot uitdrukking gebracht in de op 8 april 2005 gehouden volksraadpleging in het kader van de uitoefening van het zelfbeschikkingsrecht. Voor de MAN-fractie is en blijft het van het grootste belang en is het zelfs randvoorwaardelijk dat het proces feitelijk uitmondt in «meer autonomie» voor de toekomstige landen Curaçao en Sint Maarten. Wet- en regelgeving die direct dan wel indirect gericht lijkt te zijn op inperking van die autonomie zal, aldus de fractie, per saldo een nadelig effect hebben op het verdere emancipatieproces op deze eilanden.

Het bevreemdt de MAN-fractie dan ook dat uitgerekend Nederland, dat bekend staat als zeer vrijdenkend en progressief en in de praktijk ook brede steun verleent aan emancipatiebewegingen en -processen overal ter wereld, schijnbaar geen begrip kan opbrengen en als het ware zelfs de ogen sluit voor het feit dat onder brede lagen van de Curaçaose bevolking het gevoel leeft dat meer en directere bemoeienis vanuit Den Haag eerder averechts zal uitpakken voor de emancipatie van de eilandbewoners.

De MAN-fractie acht emancipatie van de bevolking een hoog goed dat op de Antillen, met name op Curaçao, moet uitgroeien tot de belangrijkste drijfveer voor het realiseren van grotere autonomie en op termijn zelfs van volledige staatkundige onafhankelijkheid. Met het huidige staatkundige herstructureringstraject wordt de emancipatie van de Antilliaan/Curaçaoenaar juist afgeremd in plaats van gestimuleerd, meent de fractie.

Dat de Curaçaose samenleving nog altijd scherp verdeeld is, is volgens de MAN-fractie het rechtstreekse gevolg van de halsstarrigheid waarmee de regeringen van Nederland en de Nederlandse Antillen ongestoord doorgaan met het proces, zonder acht te slaan op kritische en waarschuwende geluiden, onder meer uit staatsrechtelijke en progressieve kringen. De fractie voorziet daarom dat die verdeeldheid in de komende periode zal blijven bestaan, een gegeven dat helaas de verdere emancipatie van onze bevolking in de weg zal staan.

De fractie constateert voorts een grote inconsistentie in de wijze waarop sommige aspecten van het staatkundige hervormings-proces worden benaderd. Aan de ene kant worden historische argumenten aan-gedragen om de instandhouding van bepaalde praktijken, die uit de koloniale tijd afstammen, te rechtvaardigen. De fractie doelt hierbij in het bijzonder op artikel 25 van het voorliggende voorstel van rijkswet waarin gerefereerd wordt aan een Nederlandse wet uit 18551 op grond waarvan de Gouverneur tot straf vervolgbaar is. Anderzijds, zoals in het geval van het concept-voorstel van Rijkswet personenverkeer, wordt zonder aarzeling aangegeven dat de gronden en beweegredenen die destijds, in de koloniale periode, ten grondslag lagen aan de regulering van het personenverkeer binnen het Koninkrijk niet langer valide zijn, waardoor overgegaan moet worden tot een grondige stelselherziening die in de praktijk onher-roepelijk zal leiden tot inperking van de mobiliteit in het Koninkrijk van met name de uit de Caraïbische rijksdelen afkomstige Nederlanders. Vanwaar deze incongruente benadering, vraagt de MAN-fractie.

Het is de fractie voorts opgevallen dat de term «secretariaat van het Koninkrijk» ineens weer opdoemt in het bij het voorliggende wetsvoorstel gevoegde advies van de Raad van State van het Koninkrijk (32 178 (R 1898) nr. 4). Daarin ziet het adviescollege, in het kader van het overleg met de Gouverneurs over koninkrijksaangelegenheden, in zekere zin een rol weggelegd voor een Koninkrijkssecretariaat (pg. 2). De MAN-fractie vindt dat de nodige zorgvuldigheid en behoedzaamheid in acht moet worden genomen bij het gebruik van dergelijke begrippen, aangezien zij, zonder eenduidige definiëring, foutief kunnen worden geïnterpreteerd en zelfs verkeerde associaties kunnen oproepen.

Hetzelfde geldt, zo vervolgt de MAN-fractie, voor de term «Koninkrijksparlement», die op raadselachtige wijze opdoemt in het verslag van de Tweede Kamer inzake het voorstel van rijkswet houdende vaststelling van een zeegrens tussen Curaçao en Bonaire enerzijds, en anderzijds tussen Sint Maarten en Saba (32 041 (R 1890), no. 4)2. De term«Koninkrijksparlement», waarvoor overigens geen enkel juridische basis is, wordt hier in een totaal verkeerde context gebruikt. De indruk die daarmee wordt gewekt, is dat de leden van de vaste commissie voor Nederlands-Antilliaanse en Arubaanse Zaken uit de Tweede Kamer zich nu al voordoen als «Koninkrijks-parlementariërs» en ook als zodanig optreden en handelen. Het onvermijdelijke gevolg daarvan is: een te grote bemoeizucht van de Kamer met de gang van zaken op de eilanden, terwijl men met een «Koninkrijksparlement» totaal iets anders voor ogen heeft.

Daarnaast is het, aldus de MAN-fractie, zeer de vraag of institutio-nalisering van dergelijke politiek-bestuurlijke overleg- en samenwerkings-structuren op het niveau van het Koninkrijk, wenselijk of zelfs acceptabel is in de context van de verkrijging van lands-status door Curaçao. Het land Curaçao, ofwel «Pais Kòrsou», wordt in de eerste jaren van zijn bestaan ingekapseld in allerlei verstikkende interregionale overleg- en afstemmingsstructuren. De vraag is of dat in het belang is van Curaçao. De MAN-fractie vindt van niet. De fractie pleit daarom voor meer bestuurlijke bewegingsvrijheid voor het eiland om zelfstandig, op basis van een eigen agenda en eigen prioriteitenstelling en zonder onnodige Haagse interventies, beleid en projecten te kunnen ontwikkelen na verkrijging van de nieuwe status in het Koninkrijk.

De MAN-fractie vraagt zich tenslotte af waarom de Gouverneur op grond van artikel 9 van het voorliggende voorstel van rijkswet, niet in één van de Caraïbische rijksdelen tot straf mag worden vervolgd. Kan dit aspect nader worden toegelicht en onderbouwd?

De PAR-fractie heeft met interesse kennisgenomen van het voorliggende wetsvoorstel. De fractie is van oordeel dat zolang Curaçao deel uitmaakt van het Koninkrijk er op het eiland een Gouverneur moet zijn onder meer als vertegenwoordiger van de Koning als hoofd van het Koninkrijk. Tegen deze achtergrond moet het onderhavige wetsvoorstel worden bezien, aldus de fractie.

De PAR-fractie brengt in dit verband naar voren dat de inwoners van Curaçao indertijd, in 2005, gekozen hebben voor een status aparte voor het eiland, daarmee dus indirect ook voor handhaving van het ambt van Gouverneur. Dat staat buiten alle discussie, aldus de fractie.

De PAR-fractie heeft slechts één opmerking ten aanzien van het wetsvoorstel. Er staat namelijk nergens omschreven aan welke minimum-vereisten iemand moet voldoen om voorgedragen te worden voor de benoeming tot Gouverneur. Welke zijn de criteria en zijn zij ergens vastgelegd? Indien dat laatste het geval is, kunnen de Staten daarvan een afschrift ontvangen?

Aldus vastgesteld in de vergadering van de Centrale Commissie van de 27ste januari 2010.

De Rapporteur,

P. J. Atacho


XNoot
1

Wet van 22 april 1855 (Stb. 33) houdende regeling der verantwoordelijkheid van de hoofden van de ministeriële departementen.

XNoot
2

In het verslag staat letterlijk: «Voordat de leden van de PvdA-fractie kunnen instemmen met dit voorstel van Rijkswet, zouden zij, mede in hun hoedanigheid van lid van het Koninkrijksparlement graag vernemen of alle betrokken partijen, te weten de regering en Staten van de Nederlandse Antillen, de Bestuurscolleges en de Raden van alle betrokken eilanden zonder enig voorbehoud of kanttekening kunnen instemmen met de in dit wetsvoorstel vastgelegde nieuwe» zeegrenzen.