Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2011-201232175 nr. 20

32 175 Huwelijks- en gezinsmigratie

Nr. 20 BRIEF VAN DE MINISTER VOOR IMMIGRATIE, INTEGRATIE EN ASIEL

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 23 december 2011

In de brief van 2 oktober 2009 (Kamerstukken II 2009/10, 32 175, nr. 1) betreffende zijn visie op huwelijks- en gezinsmigratie, kondigde het vorige kabinet een onderzoek aan naar de juridische haalbaarheid van het geven van inzage aan aspirant-huwelijkspartners in de antecedenten van de toekomstige huwelijkspartner.

In opdracht van het WODC heeft de Vrije Universiteit dit onderzoek verricht.

Het resultaat hiervan bied ik u hierbij aan1.

De brief van het vorige kabinet had betrekking op gezinsmigratie en het bieden van inzage werd ook in dat perspectief voorgesteld. Lopende het onderzoek is de vraag algemener gesteld omdat bij de vraag naar het mogen verstrekken van gegevens een onderscheid op basis van nationaliteit van de aspirant-huwelijkspartner niet gerechtvaardigd leek. Daarom is gekeken naar de juridische mogelijkheden van het verstrekken van gegevens aan huwelijkspartners ook in gevallen waarin immigratie niet aan de orde is en beide partners de Nederlandse nationaliteit hebben of beiden reeds rechtmatig in Nederland verblijven.

Het onderzoek heeft zich primair gericht op mogelijkheden van inzage in vermogensgegevens, gegevens omtrent het huwelijksverleden, gezondheidsgegevens en strafrechtelijke gegevens.

Achtergrond

Bij vermogensgegevens moet worden gedacht aan het bieden van inzicht in schulden en alimentatieverplichtingen en andere inkomensrelevante gegevens.

In het algemeen is het onwenselijk als een huwelijkskandidaat het slachtoffer wordt van schulden van de ander. In het geval van gezinsmigratie is de financiële positie van de referent des te meer van belang omdat een beroep op de publieke middelen gevolgen kan hebben voor het verblijfsrecht en de referent tevens een financiële verantwoordelijkheid draagt voor de inburgering van zijn partner en dus voor de mogelijkheden van deze partner op voortgezet verblijf en verblijf voor onbepaalde duur.

Gegevens omtrent het huwelijksverleden kunnen relevant zijn, met name voor gezinsmigranten. Na (invoering van de voorgenomen) wijziging van het Vreemdelingenbesluit in 2012 kan de huwelijkspartner pas na vijf jaar verblijf op basis van het huwelijk voortgezet verblijf krijgen. In dat verband kan het relevant zijn om te weten of de referent in het verleden meermalen voor een relatief korte periode een relatie is aangegaan op basis waarvan verblijf is verleend.

De achterliggende reden voor het vorige kabinet om gezondheidsgegevens in het onderzoek te betrekken hield verband met de aanname dat een huwelijk uitsluitend kan worden aangegaan met het oog op mantelzorg, terwijl de aspirant-huwelijkskandidaat in het buitenland hier niet van op de hoogte is.

Bij strafrechtelijke gegevens gaat het met name om inzage in veroordelingen voor partner-gerelateerd geweld, geweld tegen kinderen, zedendelicten, misbruik of oplichting van een eerdere partner of delicten met grote financiële gevolgen voor het gezin of die het gezin in gevaar kunnen brengen zoals drugsdelicten.

Aan de vraag naar onderzoek ligt de veronderstelling ten grondslag dat een goed geïnformeerde aspirant huwelijkskandidaat beter in staat is een vrijwillige keuze te maken en tevens beter in staat is de gevolgen van emigratie naar Nederland te overzien.

Het onderzoek constateert evenwel dat de mogelijkheden om inzage te bieden in gegevens van een in Nederland verblijvende referent zeer beperkt zijn.

Openbare gegevens

Bepaalde relevante gegevens zijn wel openbaar. Dit betreft vermogensrechtelijke gegevens, voor zover opgenomen in het insolventieregister en het kadaster.

Ook het curateleregister, en het huwelijksgoederenregister zijn openbaar.

Bepaalde persoonsgegevens zoals de burgerlijke staat zijn eveneens openbaar toegankelijk. De aspirant-huwelijkskandidaat kan deze gegevens zelf inwinnen.

Andere gegevens

Mogelijkheden van verstrekking van andere gegevens, zoals gezondheidsgegevens en strafrechtelijke gegevens vallen hetzij onder het verzwaard regime van de Wet bescherming persoonsgegevens (waarmee uitvoering wordt gegeven aan de EU Richtlijn 95/46), hetzij onder de Wet politiegegevens of de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens. Het bieden van inzage aan derden is dan in veel gevallen niet mogelijk.

Voor het verstrekken van deze gegevens is doorgaans de uitdrukkelijke toestemming van betrokkene noodzakelijk. Is deze er niet dan zal zorgvuldig getoetst moeten worden of verstrekking van gegevens noodzakelijk is en proportioneel. De inmenging in de privacy van betrokkene moet evenredig zijn aan het beoogde doel van de inbreuk. Betrokkene heeft bovendien het recht van verzet tegen onrechtmatige verlening van inzage.

De genoemde Richtlijn staat wijziging van nationale regelgeving die verdergaande mogelijkheden van verstrekking van persoons-, vermogens- en met name gezondheidsgegevens zou kunnen bieden in de weg.

Conclusie

Op basis van de conclusies van het onderzoek ben ik tot het oordeel gekomen dat de beoogde verstrekking van informatie aan aspirant-huwelijkspartners, voor zover deze niet uit openbare registers kan worden verkregen, niet te realiseren is onder de huidige privacyregimes van genoemde wetgeving. Ik acht het afgeleide belang dat de Staat hierbij heeft niet dusdanig dat wetswijziging proportioneel kan worden geacht. Het is daarbij ook de vraag of verstrekking van gegevens eventuele schade voor de Staat zou kunnen voorkomen.

Ik overweeg derhalve om nader uit te laten werken hoe in de voorlichting bij een aanvraag om gezinshereniging gewezen kan worden op de mogelijkheid van inzage in openbare registers. Voor wat betreft de strafrechtelijke gegevens wijs ik er op dat het kabinet zich inzet om de Europese Richtlijn gezinshereniging te wijzigen waardoor het mogelijk wordt een aanvraag waarbij een referent betrokken is die eerder is veroordeeld voor bepaalde relatiegerelateerde delicten, af te wijzen.

De minister voor Immigratie, Integratie en Asiel,

G. B. M. Leers


X Noot
1

Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer.