Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2010-201132175 nr. 14

32 175 Huwelijks- en gezinsmigratie

Nr. 14 BRIEF VAN DE MINISTER VAN JUSTITIE

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 30 september 2010

Reeds geruime tijd speelt de wens de terugkeer naar Nederland te vergemakkelijken van Nederlandse expats (bijvoorbeeld ontwikkelingswerkers) met een niet-Nederlandse partner en eventueel Nederlandse kinderen. In de afgelopen jaren is er niet alleen door ontwikkelingsorganisaties, maar ook door verschillende partijen in uw Kamer aandacht gevraagd voor deze problematiek.

Op 16 februari 2010 heeft uw Kamer een motie aangenomen van de leden Anker (CU) en Spekman (PvdA) d.d. 11 februari 2010 (Kamerstukken II, 2009–2010, 32 052, nr. 19) waarin de regering wordt verzocht «de belemmeringen en mogelijke oplossingen in regelgeving en dienstverlening voor het meenemen van een buitenlandse partner door Nederlandse expats bij een tijdelijke terugkeer naar Nederland in kaart te brengen.»

Uit de inventarisatie van de belemmeringen die expats ondervinden bij terugkeer naar Nederland met hun niet-Nederlandse partner en eventuele kinderen is gebleken dat de problemen vooral praktisch van aard zijn. De expats zijn vaak onvoldoende en soms verkeerd geïnformeerd over de geldende wet- en regelgeving. Voor zover de belemmeringen meer inhoudelijk van aard waren, betroffen deze in de meeste gevallen het inkomensvereiste. Met de recente wijziging van het inkomensvereiste tot 100% van het wettelijk minimumloon voor zowel gezinsvorming als gezinshereniging, meen ik dat aan dit bezwaar al tot op grote hoogte tegemoet is gekomen (Kamerstukken II, 2009–2010, 32 175, nr. 8 en nr. 11).

De problemen van praktische aard vragen om praktische oplossingen. De omvang van de problematiek (hoogstens enkele tientallen op jaarbasis) en de diversiteit van de onderliggende groep personen, rechtvaardigen overigens ook geen aanpassing in regelgeving. De oplossingen die ik aandraag sluiten daarom aan bij de tweede mogelijkheid die in de motie wordt gesuggereerd, namelijk de oplossing in de dienstverlening. Om op de meest efficiënte wijze tegemoet te komen aan de obstakels waarmee expats zich bij terugkeer naar Nederland soms geconfronteerd zien heb ik besloten:

  • 1. de ketenpartnerinformatielijn van de IND open te stellen voor koepelorganisaties van ontwikkelingswerkers; daarmee wordt voor deze organisaties een kanaal gecreëerd om individuele zaken onder de aandacht te brengen en middels welke zij actief kunnen worden geïnformeerd en geadviseerd;

  • 2. internationaal opererende bedrijven die tevens erkende referenten zijn, erop te wijzen dat zij hun reguliere contacten bij de IND ook kunnen benaderen met individuele zaken van bij hen werkende Nederlandse expats die met niet-Nederlandse gezinsleden naar Nederland wensen terug te keren;

  • 3. de IND te vragen oog te hebben voor de bijzondere omstandigheden van de hun aangedragen individuele zaken;

  • 4. de consulaire afdelingen van de Nederlandse vertegenwoordigingen hiervan op de hoogte te stellen, zodat ze bij baliecontact daarnaar kunnen verwijzen.

Toelichting

Nadere analyse en bestudering van enkele casus die door leden van uw Kamer en overkoepelende ontwikkelingsorganisaties zijn aangedragen, leert dat de onderliggende problematiek divers is. Zo kan er wel of geen sprake zijn van eerder rechtmatig verblijf van de niet-Nederlandse partner, is er wel of geen sprake van een erkend huwelijk, is de terugkeer naar Nederland van tijdelijke of niet-tijdelijke aard; is er wel of geen sprake van een doorlopende dienstbetrekking van de Nederlandse hoofdpersoon, etc. Ook de problemen waar deze personen in de praktijk tegenaan zijn gelopen is zeer uiteenlopend van aard. Voor een goed deel is deze toe te schrijven aan onvoldoende bekendheid met de mogelijkheden die de geldende wet- en regelgeving nu al biedt.

Immers, indien sprake is van een doorlopende dienstbetrekking van de Nederlandse hoofdpersoon, kan ten behoeve van de niet-Nederlandse gezinsleden een visum voor kort verblijf worden afgegeven of een machtiging tot voorlopig verblijf indien men langer dan drie maanden in Nederland wenst te verblijven. In deze gevallen hoeft het inkomensvereiste (noch de hoogte, noch de duurzaamheid) geen drempel te vormen. Bovendien bestaat de mogelijkheid voor echtgenoten van Nederlanders na drie jaar huwelijk en samenwoning ook in het buitenland (met uitzondering van het land van de eigen nationaliteit) tot Nederlander te naturaliseren. Voor kinderen van een Nederlandse hoofdpersoon geldt dat zij meestal van rechtswege de Nederlandse nationaliteit hebben.

Onder andere het lid mevrouw Strik (GL) in de Eerste Kamer heeft ervoor gepleit om gezinsleden van een Nederlander die zijn hoofdverblijf tijdelijk naar het buitenland verplaatst, op een eenvoudige wijze te laten terugkeren naar Nederland door de regeling voor gezinsleden van ambtenaren in diplomatieke dienst van analoge toepassing te verklaren. Ik heb in de nadere memorie van antwoord behorende bij het wetsvoorstel Modern Migratiebeleid (Kamerstukken I, 2009–2010, 32 052, F) aangegeven deze suggestie waardevol en sympathiek te vinden. Bij nadere bestudering bleken hierbij echter wel twee kanttekeningen te plaatsen:

  • Gezinsleden die niet eerder in Nederland hebben verbleven zijn van deze regeling uitgesloten;

  • De groep die van deze regeling gebruik zou mogen maken blijkt lastig af te bakenen. Dit gegeven leidt ertoe dat de potentiële doelgroep moet worden uitgebreid tot alle Nederlanders die zich tijdelijk in het buitenland vestigen. Op deze wijze zou het beleid inzake verplaatsing hoofdverblijf worden uitgehold.

Al deze omstandigheden afwegend ben ik tot de conclusie gekomen dat de oplossing moet worden gezocht in praktische dienstverlening, in plaats van aanpassing van de regelgeving. De directe contacten met de IND bieden de expats niet alleen een betrouwbaar aanspreekpunt, maar hebben ook een signaalfunctie; indien op termijn een ander beeld oprijst over de aard en omvang van de problematiek, kan alsnog worden overwogen of aanpassing van de regelgeving opportuun is.

De minister van Justitie,

E. M. H. Hirsch Ballin