Het voorstel van wet wordt als volgt gewijzigd:
A
In artikel I, onder F, komt het voorgestelde artikel 151da, tweede lid, te luiden:
2. Celmateriaal dat ingevolge dit wetboek, de Wet bescherming persoonsgegevens of de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden is
afgenomen ten behoeve van het bepalen en verwerken van een DNA-profiel, mag worden gebruikt voor het vaststellen van verwantschap.
Celmateriaal van een derde, kan, behoudens het geval, bedoeld in de volgende volzin, slechts met zijn schriftelijke toestemming
worden afgenomen en gebruikt voor het vaststellen van verwantschap. Ingeval een derde minderjarig is en vermoed wordt dat
hij voorwerp is van een misdrijf als omschreven in artikel 197a, 256, 273f, 278, 287, 289, 290 of 291 van het Wetboek van
Strafrecht, kan in het belang van het onderzoek celmateriaal bij de derde op bevel van de officier van justitie na schriftelijke
machtiging van de rechter-commissaris worden afgenomen en gebruikt voor het vaststellen van verwantschap.
B
In artikel I, onder L, komt het voorgestelde artikel 195g, tweede lid, te luiden:
2. Celmateriaal dat ingevolge dit wetboek, de Wet bescherming persoonsgegevens of de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden is
afgenomen ten behoeve van het bepalen en verwerken van een DNA-profiel, mag worden gebruikt voor het vaststellen van verwantschap.
Celmateriaal van een derde kan, behoudens het geval, bedoeld in de volgende volzin, slechts met zijn schriftelijke toestemming
worden afgenomen en gebruikt voor het vaststellen van verwantschap. Ingeval een derde minderjarig is en vermoed wordt dat
hij voorwerp is van een misdrijf als omschreven in artikel 197a, 256, 273f, 278, 287, 289, 290 of 291 van het Wetboek van
Strafrecht, kan in het belang van het onderzoek celmateriaal bij de derde op bevel van de rechter-commissaris worden afgenomen
en gebruikt voor het vaststellen van verwantschap.
Toelichting
Deze nota van wijziging heeft tot doel het mogelijk te maken dat celmateriaal van een persoon die niet wordt verdacht van
een misdrijf zonder zijn toestemming kan worden afgenomen en gebruikt ten behoeve van DNA-verwantschapsonderzoek. Indien de
niet-verdachte minderjarig is en vermoed wordt dat hij voorwerp is van mensensmokkel (artikel 197a van het Wetboek van Strafrecht),
te vondeling leggen van een kind (artikel 256 van het Wetboek van Strafrecht), mensenhandel (artikel 273f van het Wetboek
van Strafrecht), mensenroof (artikel 278 van het Wetboek van Strafrecht) of kindermoord of -doodslag (290, 291, 292 juncto
287 of 289 van het Wetboek van Strafrecht) kan het in het belang van het onderzoek relevant zijn te weten of de minderjarige
een kind of familielid van de verdachte van dat misdrijf is. DNA-verwantschapsonderzoek kan bijvoorbeeld van belang zijn om
te kunnen achterhalen of de minderjarige die de verdachte van mensenhandel bij zich heeft, een bloedverwant van hem is of
een mogelijk slachtoffer van mensenhandel. Ook kan het in het belang van een onderzoek relevant zijn om met behulp van de
minderjarige zijn ouders op het spoor te komen en DNA-verwantschapsonderzoek toe te passen. Die laatste situatie doet zich
bijvoorbeeld voor in het geval er een babylijkje gevonden is waarvan de identiteit onbekend is. In deze specifieke situaties
waarin onduidelijk of onbekend is in welke betrekking de meerderjarige tot de minderjarige staat of de ouders van de minderjarige
onbekend zijn, acht ik het gerechtvaardigd dat een uitzondering wordt gemaakt op het strafvorderlijk uitgangspunt dat gedwongen
toepassing van een dwangmiddel dat een beperking oplevert op het recht op iemands onaantastbaarheid van het lichaam, beperkt
is tot personen op wie een verdenking rust. Het DNA-verwantschapsonderzoek kan in deze situaties namelijk van groot belang
zijn voor de bewijsvoering en wordt bovendien in het voordeel van de minderjarige ingezet. Zo is een minderjarige die zich
in gezelschap bevindt van iemand die ervan verdacht wordt dat hij die minderjarige uitbuit en beweert dat hij de ouder of
een ander familielid van de minderjarige is, gebaat bij het onthullen van «de ware identiteit» van zijn uitbuiter. Door de
druk van de positie waarin de minderjarige verkeert, zijn jeugdige leeftijd of de relatie waarin hij tot de verdachte staat,
zal hij in zo’n situatie zijn toestemming voor afname van zijn celmateriaal niet in vrijheid kunnen verlenen. Door de officier
van justitie of de rechter-commissaris de beslissing van afname van zijn celmateriaal voor hem te laten nemen is de minderjarige
ontlast van die druk en mogelijk ook beschermd tegen de mogelijke rancune van degene die beweert een bloedverwant van hem
te zijn. Die persoon kan de minderjarige naderhand niet verwijten dat hij heeft meegewerkt aan het bevestigen van de verdenking
die op hem rust. De officier van justitie of de rechter-commissaris heeft hem immers bevolen om zijn celmateriaal af te staan.
Vandaar dat de voorgestelde wijziging van de artikelen 151da, tweede lid, en 195g, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering
erin voorziet dat het afnemen van het celmateriaal van de betrokken minderjarige in geval van de zeer ernstige misdrijven,
die in deze artikelleden genoemd worden, op bevel van de officier van justitie of de rechter-commissaris geschieden kan en
niet afhankelijk is van de toestemming van de minderjarige. De officier van justitie kan deze vorm van DNA-verwantschapsonderzoek
alleen maar bevelen na schriftelijke machtiging van de rechter-commissaris. Deze extra waarborg is opgenomen omdat het hier
gaat om gedwongen toepassing van een dwangmiddel dat een beperking oplevert op de onaantastbaarheid van het lichaam van een
niet-verdachte.
De minister van Justitie,
E. M. H. Hirsch Ballin