Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2015-201632163 nr. 39

32 163 Verhoging AOW-leeftijd

Nr. 39 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 15 januari 2016

Met uw brief van 17 november 2015 heeft u mij gevraagd een reactie te geven op een brief van mevrouw C.J.A.M. R.-E te A, waarin aandacht wordt gevraagd voor de gevolgen van de verhoging van de AOW-leeftijd voor mensen met een arbeidsongeschiktheidsverzekering die voor 1 januari 2014 ziek zijn geworden.

Daarnaast heb ik in het algemeen overleg (over pensioenonderwerpen) van 3 september 2015 (Kamerstuk 32 043, nr. 280) toegezegd uw Kamer te informeren over de uitkomsten van een overleg met het Verbond van verzekeraars over de Tijdelijke regeling overbruggingsuitkering AOW (OBR). Ik zal hier nader op ingaan.

Verzoek om reactie op burgerbrief

In antwoord op uw verzoek om reactie op de brief van mevrouw C.J.A.M. R.-E te A, zal ik hierna ingaan op de OBR in relatie tot private arbeidsongeschiktheidsverzekeringen. Ten aanzien van de concrete situatie van mevrouw C.J.A.M. R.-E te A, kan ik niet in de individuele gevalsbehandeling treden. Dat is aangelegenheid van de Sociale Verzekeringsbank.

In algemene zin kan ik opmerken dat de doelgroep van de OBR bestaat uit personen die aan het einde van hun op of voor 1 januari 2013 ingegane VUT- of prepensioenuitkering te maken krijgen met inkomensverlies door de geleidelijke verhoging van de AOW-leeftijd en die door de hoogte van hun Vut- of prepensioenuitkering niet in staat zijn geweest zich voor te bereiden op de verhoging van de AOW-leeftijd. De OBR is bedoeld voor mensen die vóór hun 65e jaar een laag vermogen en inkomen hebben (tot 200% van het wettelijk minimum loon voor alleenstaanden en 300% voor echtparen) uit een vut- of prepensioenregeling en na hun 65e jaar geconfronteerd worden met een inkomensverlies als gevolg van de AOW-leeftijdsverhoging en zich daar niet op hebben kunnen voorbereiden. Dit past bij het uitgangspunt de OBR open te stellen voor mensen, die een beperkte reserveringscapaciteit en een beperkt vermogen hebben om het inkomensverlies in verband met de verhoging van de AOW-leeftijd op te vangen, doordat zij langere tijd een lager inkomen gehad hebben dan 200 of 300% WML.

In de OBR is onder meer bepaald dat tot de doelgroep van de OBR ook behoort de groep van mensen die op of voor 1 januari 2013 een uitkering ontvangen op grond van een private verzekering die eindigt als iemand 65 jaar wordt. Hieronder vallen onder meer mensen met een private aanvullende arbeidsongeschiktheidsverzekering. Deze verzekeringen vormen een aanvulling op de wettelijke arbeidsongeschiktheidsverzekering (de wettelijke arbeidsongeschiktheidsverzekering loopt overigens door tot de verhoogde AOW-leeftijd). De term private als bedoeld in de OBR dient ruim te worden opgevat.

Het feit dat iemand zijn aanvullende arbeidsongeschiktheidsverzekering via zijn werkgever heeft afgesloten maakt geen verschil. De OBR is per 1 januari 2016 gewijzigd. De wijziging maakt de OBR ook toegankelijk voor mensen die tussen 1 januari 2013 en 1 juli 2015 met vroegpensioen zijn gegaan. Als gevolg van deze maatregel worden mensen die tussen 1 januari 2013 en voor 1 juli 2015 zijn gaan deelnemen aan een regeling voor prepensioen, of een vergelijkbare regeling, ook onder de werkingssfeer van de OBR gebracht voor de periode tussen de «oude» verhoogde AOW-leeftijd en de «nieuwe» verhoogde AOW-leeftijd. Dit betekent dat personen met een private arbeidsongeschiktheidsverzekering die een looptijd tot 65 jaar kent en die ná 1 januari 2013 (doch voor 1 juli 2015) een uitkering uit die verzekering ontvangen, een beroep kunnen doen op de OBR voor wat betreft de versnelde verhoging van de AOW-leeftijd (mits zij aan de overige voorwaarden voldoen).

OBR en Verbond van Verzekeraars

Gelet op mijn toezegging heeft op 2 december 2015 ambtelijk overleg plaatsgevonden met onder meer het Verbond van Verzekeraars. In het overleg heeft het Verbond de praktijk inzake private individuele arbeidsongeschiktheidsverzekering toegelicht. Voor nieuw af te sluiten arbeidsongeschiktheidsverzekeringen bieden verzekeraars de klant een dekkingskeuze voor een eindleeftijd van 67 jaar. De keuze voor de eindleeftijd is aan de klant en vindt zijn vertaling in de premiehoogte. Welke dekking het meest geschikt is hangt af van de persoonlijke situatie van de klant.

Voor bestaande klanten (die nog geen uitkering ontvangen) heeft het Verbond een inventarisatie gedaan om duidelijk te krijgen wat verzekeraars hebben ondernomen om inkomenshiaten zoveel mogelijk te voorkomen.

Gebleken is dat alle verzekeraars die zijn meegenomen in deze quick scan een verlengingsaanbod aan hun klanten hebben gedaan om de eindleeftijd te verhogen. Uiteindelijk is de keuze aan de klant om wel of geen gebruik te maken van het aanbod van de verzekeraar.

Dit laat onverlet dat sommige mensen met een reeds lopende uitkering op grond van een private arbeidsongeschiktheidsverzekering te maken kunnen krijgen met een inkomensverlies als gevolg van de AOW-leeftijdsverhoging. Het Verbond van Verzekeraars heeft laten weten dat verzekeraars die de OBR onder de aandacht brengen, dat veelal doen door te verwijzen naar (de website van) de SVB. In 2012/2013 hebben verzekeraars over het algemeen nabestaanden met een lopende uitkering op grond van een Anw-hiaatpensioen of tijdelijk partnerpensioen die loopt tot 65-jarige leeftijd, expliciet en persoonlijk geïnformeerd over het inkomenshiaat door de AOW-leeftijdsverhoging. De Pensioenfederatie heeft aangegeven bereid te zijn om zijn leden te informeren over het belang van de OBR voor pensioendeelnemers die hier mogelijk een beroep op kunnen doen.

Geconcludeerd kan worden dat ook personen met een private arbeidsongeschiktheidsverzekering een beroep kunnen doen op de OBR, waarbij anders dan in de Participatiewet, het vermogen in eigen woning geen rol speelt.

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, J. Klijnsma