Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2012-201332144 nr. 22

32 144 Herziening Wet arbeid vreemdelingen

Nr. 22 BRIEF VAN DE MINISTER VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 13 mei 2013

In het verslag algemeen overleg van 22 januari jongstleden (Handelingen II, 2012/13, nr. 42, item 22, blz. 43–47) over arbeidsmigratie heeft uw Kamer mij in het licht van de discussie over stages door jongeren zonder verblijfstitel verzocht met de minister van OCW in overleg te treden (Kamerstuk 29 407, nr. 159). De gestelde vraag is of binnen het kabinetsbeleid bij een opleiding in de beroepsbegeleidende leerweg (bbl) primair sprake is van onderwijs (werkend leren) of van arbeid (lerend werken).

De minister van OCW en ik constateren dat bij een bbl-opleiding sprake is van lerend werken. De nadruk ligt op de beroepspraktijkvorming (nu meer dan 60% van de studieduur). Na inwerkingtreding van het wetsvoorstel «Bevordering doelmatige leerwegen in het mbo en modernisering van de bekostiging in het mbo» (Kamerstuk 33 187), zullen leerlingen ten minste 70% van het onderwijsprogramma in de praktijk van het beroep werkzaam zijn. Een bbl-opleiding is dus «werkzwaar». Leerlingen die dit type opleiding volgen ontvangen geen studiefinanciering.

In tegenstelling tot illegaal in Nederland verblijvende jongeren die een opleiding in de beroepsopleidende leerweg (BOL) volgen, zal daarom voor illegaal in Nederland verblijvende jongeren in het bbl-onderwijs geen uitzondering worden gemaakt op de tewerkstellingsvergunningplicht.

De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, L.F. Asscher