32 140 Herziening Belastingstelsel

36 203 Wijziging van het voordeel uit sparen en beleggen als bedoeld in artikel 5.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001 over de kalenderjaren 2017 tot met 2022 door het lager vaststellen van het voordeel in gevallen waarin dat nodig is om het voordeel in overeenstemming te brengen met de uitspraak van de Hoge Raad van 24 december 2021 (Wet rechtsherstel box 3)

N1 HERDRUK2 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG

Vastgesteld4 november 2022

In de vergadering op 4 oktober 2022 heeft de vaste commissie voor Financiën3 besloten om in schriftelijk overleg te treden met de Staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit en Belastingdienst naar aanleiding van de brief d.d. 20 september 2022 over het besluit geen rechtsherstel te bieden aan de niet-bezwaarmakers box 3.4 De leden van de Fractie-Frentrop wilden de Staatssecretaris naar aanleiding van deze brief enkele vragen voorleggen. De leden van de Fractie-Nanninga, de PvdD-fractie, de 50PLUS-fractie, de SGP-fractie, en de OSF sloten zich bij deze vragen aan.

Op 7 oktober 2022 is een brief gestuurd aan de Staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit en Belastingdienst.

De Staatssecretaris heeft op 4 november 2022 gereageerd.

De commissie brengt bijgaand verslag uit van het gevoerde schriftelijk overleg.

De griffier van de vaste commissie voor Financiën, De Man

BRIEF VAN DE VOORZITTER VAN DE VASTE COMMISSIE VOOR FINANCIËN

Aan de Staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit en Belastingdienst.

Den Haag, 7 oktober 2022

In haar vergadering op 4 oktober 2022 heeft de vaste commissie voor Financiën besloten om in schriftelijk overleg met u te treden naar aanleiding van uw brief d.d. 20 september 2022 over het besluit geen rechtsherstel te bieden aan de niet-bezwaarmakers box 3.5 De leden van de Fractie-Frentrop willen u naar aanleiding van deze brief enkele vragen voorleggen. De leden van de Fractie-Nanninga, de PvdD-fractie, de 50PLUS-fractie, de SGP-fractie, en de OSF sluiten zich bij deze vragen aan.

Deze leden hebben met belangstelling én zorg kennisgenomen van uw brief van 20 september 2022 en het daarin verwoorde besluit van de regering om burgers die ten onrechte vermogensrendementsheffing (VRH) hebben betaald, hun geld niet terug te geven als die burgers niet tijdig bezwaar hebben aangetekend. Deze leden hebben daarover in eerste instantie drie vragen.

Ten eerste een procedurele vraag ten aanzien van de behandeling van dit onderwerp in de Eerste Kamer. Het besluit wordt door de regering gepresenteerd als onderdeel van het Belastingplan 2023. Er zijn echter drie redenen om dit besluit apart te behandelen. Ten eerste is het besluit genomen tijdens de integrale besluitvorming over de begroting, dus niet als onderdeel van voorgenomen wijzigingen in het belastingstelsel. Ten tweede heeft het besluit geen invloed op de belastinginkomsten in 2023 of volgende jaren. Ten derde heeft het besluit juridische aspecten die verder gaan dan alleen belastingheffing, zoals u in uw brief zelf onderkent als u schrijft: «ik weet dat veel belastingplichtigen deze juridische uitkomst niet rechtvaardig vinden.»6 Dat getroffen burgers concluderen dat de regering hen onrecht doet kan het kabinet begrijpen. Het heeft daarom verschillende scenario’s uit laten werken om aan dit gevoelde onrecht tegemoet te komen. Desondanks heeft de regering besloten het onrecht te laten voortbestaan. Zo’n besluit – zeker in tijden dat het kabinet zijn zorgen uit over het gebrek aan vertrouwen van de burgers in de overheid – verdient een apart debat. Bent u het met ons eens dat een apart debat over dit besluit meer recht doet aan het gewicht van het onderwerp, dan een behandeling van dit besluit binnen de veelheid van onderwerpen binnen het Belastingplan 2023?

Ten tweede achten deze leden het vanzelfsprekend dat scenario’s waarbij slechts een deel van de ten onrechte geïnde 4,1 miljard euro zou worden terugbetaald, niet realistisch zijn. Wanneer een inbreker voor de rechter zou betogen dat hij bereid is een deel van de buit terug te geven, maar de rest wil houden, zou dat ook geen goede indruk maken. De enige vraag die voorlag, was dus of de regering de gehele 4,1 miljard euro wilde terugbetalen of niet. Het enige argument dat u in uw brief geeft om dit niet te doen, is dat de regering het geld liever aan andere zaken besteedt. Verwijzend naar de analogie van de inbreker, achten de leden dit argument niet valide. Daarom vragen zij u of tijdens de integrale besluitvorming over de begroting de vraag aan de orde is gekomen of de middelen tot rechtsherstel gevonden zou kunnen worden zonder afbreuk te doen aan andere voorgenomen overheidsuitgaven. Het gaat immers om een eenmalige uitgave. Zo ja, dan zouden deze leden het op prijs stellen de specifieke overwegingen te vernemen.

Ten derde: de Hoge Raad heeft op 20 mei 2022 vastgesteld dat de overheid niet verplicht is het ten onrechte geïnde belastinggeld terug te betalen, indien de aanslag (door de Belastingdienst) al onherroepelijk is vastgesteld en de betreffende belastingbetaler niet binnen de daarvoor geldende termijn bezwaar heeft aangetekend.7 Niet alleen uit oogpunt van rechtvaardigheid menen deze leden dat de regering toch gehouden is ook de mensen die geen bezwaar hebben aangetekend hun geld terug te geven. Moraliteit gaat immers verder dan recht. Belastingmoraal impliceert enerzijds dat de burger getrouw zijn verplichtingen nakomt. Maar belastingmoraal legt ook plichten op aan de overheid. Met het genomen besluit verzaakt de regering deze plichten. Dat kan verstrekkende gevolgen hebben voor de relatie tussen burgers en de overheid.

Dat brengt deze leden tot een derde vraag: Bent u het met deze leden eens dat het besluit van het kabinet om ten onrechte geïnde gelden niet terug te betalen, rationele burgers ertoe moet aanzetten om voortaan tegen iedere belastingaanslag bezwaar aan te tekenen? Zo niet, waarom niet? En aanvullend: acht u het niet gepast dat de regering voortaan op iedere aanslag een waarschuwing plaatst met een tekst die de belastingplichtige wijst op de risico’s van het niet (tijdig) bezwaar maken? Net zoals de aanbieder van beleggingsproducten verplicht is om te wijzen op risico’s van verlies en zoals de aanbieder van tabakswaren verplicht is om te wijzen op de risico’s voor de gezondheid van de gebruiker. Deze leden stellen een spoedige beantwoording van deze drie vragen op prijs.

De leden van de vaste commissie voor Financiën zien uw reactie met belangstelling tegemoet.

Voorzitter van de vaste commissie voor Financiën P.H.J. Essers

BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN – FISCALITEIT EN BELASTINGDIENST

Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 4 november 2022

Hierbij bied ik uw Kamer de antwoorden aan op de vragen van 7 oktober jl. van de leden van de fracties van de Fractie-Frentrop, Fractie-Nanninga, de PvdD, 50PLUS, de SGP en de OSF naar aanleiding van mijn brief van 20 september 2022 over het besluit geen rechtsherstel te bieden aan de niet-bezwaarmakers in box 3 (kenmerk 172032.01U).8 Ik zal deze vragen hieronder beantwoorden.

Vraag

Bent u het met ons eens dat een apart debat over dit besluit meer recht doet aan het gewicht van het onderwerp, dan een behandeling van dit besluit binnen de veelheid van onderwerpen binnen het Belastingplan 2023?

Antwoord

Ik treed graag in debat met uw Kamer over dit kabinetsbesluit. Het rechtsherstel in box 3 naar aanleiding van het arrest van de Hoge Raad van 24 december 20219 is opgenomen in het wetsvoorstel Rechtsherstel box 3, dat onderdeel uitmaakt van het Belastingplanpakket 2023. Het besluit om geen op rechtsherstel gerichte compensatie te bieden aan niet-bezwaarmakers maakt daarnaast onderdeel uit van de integrale besluitvorming van het kabinet over de rijksbegroting. Daarmee zijn de behandeling van het Belastingplanpakket en de rijksbegroting tijdens de Algemene financiële beschouwingen logische momenten om over dit kabinetsbesluit met elkaar in debat te gaan. Uiteraard ben ik beschikbaar voor een apart debat indien uw Kamer dat wenst.

Vraag

Ten tweede achten deze leden het vanzelfsprekend dat scenario's waarbij slechts een deel van de ten onrechte geïnde 4,1 miljard euro zou worden terugbetaald, niet realistisch zijn. Wanneer een inbreker voor de rechter zou betogen dat hij bereid is een deel van de buit terug te geven, maar de rest wil houden, zou dat ook geen goede indruk maken. De enige vraag die voorlag, was dus of de regering de gehele 4,1 miljard euro wilde terugbetalen of niet. Het enige argument dat u in uw brief geeft om dit niet te doen, is dat de regering het geld liever aan andere zaken besteedt. Verwijzend naar de analogie van de inbreker, achten de leden dit argument niet valide. Daarom vragen zij u of tijdens de integrale besluitvorming over de begroting de vraag aan de orde is gekomen of de middelen tot rechtsherstel gevonden zou kunnen worden zonder afbreuk te doen aan andere voorgenomen overheidsuitgaven. Het gaat immers om een eenmalige uitgave. Zo ja, dan zouden deze leden het op prijs stellen de specifieke overwegingen te vernemen.

Antwoord

Hoewel ik begrijp dat het besluit voor niet-bezwaarmakers onrechtvaardig kan voelen, gaat de analogie met de inbreker niet op. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 20 mei 2022 uitspraak gedaan over de vraag of ook een op rechtsherstel gerichte compensatie moet worden verleend aan niet-bezwaarmakers.10 Dat is niet het geval. In het arrest van 20 mei 2022 geeft de Hoge Raad aan dat de onjuistheid van de aan de belastingplichtige opgelegde aanslagen over de jaren 2017 en 2018 uit het Kerstarrest van 24 december 2021 voortvloeit. Op die datum waren die aanslagen al onherroepelijk. De Hoge Raad overweegt dat uit de wet- en regelgeving volgt dat een aanslag niet ambtshalve wordt verminderd als de onjuistheid voortvloeit uit jurisprudentie die is gewezen nadat de aanslag onherroepelijk is geworden. Er bestaat daarom geen recht op vermindering van die aanslagen. Uit het arrest van de Hoge Raad volgt dat er geen juridische verplichting is om aan de niet-bezwaarmakers, ofwel de groep belastingplichtigen die niet vielen onder de massaalbezwaarprocedure en van wie de aanslag onherroepelijk was op het moment van het Kerstarrest, rechtsherstel te bieden overeenkomstig het Kerstarrest. De inspecteur hoeft de aanslag van niet-bezwaarmakers die een beroep doen op het Kerstarrest dus niet te verminderen.

Het kabinet heeft niettemin de mogelijkheid om ook niet-bezwaarmakers voor de jaren 2017–2020 rechtsherstel te bieden serieus onderzocht, juist omdat het kabinet begrijpt dat deze juridische uitkomst onrechtvaardig kan aanvoelen. Dit (onverplichte) rechtsherstel zou echter conform de begrotingsregels budgettair gedekt moeten worden. Het kabinet heeft de budgettaire gevolgen, de juridische houdbaarheid en de uitvoeringsgevolgen van de verschillende scenario’s meegewogen. Volledige compensatie van niet-bezwaarmakers zou additioneel € 4,1 miljard kosten, waarvan meer dan de helft terecht komt bij belastingplichtigen met meer dan € 200.000 vermogen (of € 400.000 in het geval van fiscaal partnerschap). Alles afwegend legt het kabinet de prioriteit bij het ondersteunen van de koopkracht van burgers, met name gericht op de meest kwetsbare huishoudens.

Vraag

Dat brengt deze leden tot een derde vraag: Bent u het met deze leden eens dat het besluit van het kabinet om ten onrechte geïnde gelden niet terug te betalen, rationele burgers ertoe moet aanzetten om voortaan tegen iedere belastingaanslag bezwaar aan te tekenen? Zo niet, waarom niet? En aanvullend: acht u het niet gepast dat de regering voortaan op iedere aanslag een waarschuwing plaatst met een tekst die de belastingplichtige wijst op de risico's van het niet (tijdig) bezwaar maken? Net zoals de aanbieder van beleggingsproducten verplicht is om te wijzen op risico's van verlies en zoals de aanbieder van tabakswaren verplicht is om te wijzen op de risico's voor de gezondheid van de gebruiker. Deze leden stellen een spoedige beantwoording van deze drie vragen op prijs.

Antwoord

Zoals gezegd bij de beantwoording van de vorige vraag, heb ik begrip dat het besluit met betrekking tot de niet-bezwaarmakers onrechtvaardig kan aanvoelen. Of dit gevoel van onrechtvaardigheid er vervolgens toe zal leiden dat burgers vaker of tegen iedere belastingaanslag bezwaar gaan aantekenen, kan ik niet inschatten. Wel kan ik begrijpen dat de burger meer oplettend zal zijn bij zijn belastingaanslag. Het is dan ook aan ons, de wetgever en de uitvoerder, om het vertrouwen van de burger terug te winnen. Dat begint met juridisch juiste doch ook rechtvaardige (herstel)wetgeving. Goede wetgeving en daarop gebaseerde juiste belastingaanslagen hebben immers geen bezwaar nodig.

Indien een burger het niet eens is met zijn belastingaanslag bestaat de mogelijkheid om bezwaar indienen. Iedere aanslag bevat reeds een rechtsmiddelenverwijzing waarin wordt gewezen op de rechtsmiddelen die openstaan voor belastingplichtigen. Het indienen van bezwaar zal alleen leiden tot een vermindering van de belastingaanslag als er een gegronde reden daartoe is. Het rechtsherstel geldt voor de jaren 2021 en 2022 voor alle belastingplichtigen. Bij het rechtsherstel wordt een nieuwe berekening van het box 3-inkomen gehanteerd die beter aansluit bij het werkelijk behaalde rendement. Bij de nieuwe berekening wordt uitgegaan van de werkelijk door een belastingplichtige aangehouden spaargelden, overige bezittingen en schulden. De grote groep belastingplichtigen met alleen spaargeld betalen bij de nieuwe berekening vrijwel geen belasting meer in box 3 vanwege het lage forfait dat voor spaargeld wordt gehanteerd. Ook de grote groep belastingplichtigen met voornamelijk spaargeld en slechts een klein aandeel beleggingen zal naar verwachting minder belasting gaan betalen. Met de aanpassingen wordt bereikt dat de heffing beter aansluit bij het werkelijk rendement en daardoor rechtvaardiger en juridisch houdbaar is.

De Staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit en Belastingdienst, M.L.A. Van Rij


X Noot
1

De letter N heeft alleen betrekking op 32 140.

X Noot
2

Herdruk in verband met toevoging tweede dossiernummer.

X Noot
3

Samenstelling:

Essers (CDA) (voorzitter), Prast (PvdD), Backer (D66), Ester (CU), Faber-van de Klashorst (PVV), Van Apeldoorn (SP), Van Strien (PVV), Jorritsma-Lebbink (VVD), N.J.J. van Kesteren (CDA), Schalk (SGP), Van Rooijen (50PLUS), Vos (VVD), Van Ballekom (VVD), Berkhout (Fractie-Nanninga), Crone (PvdA), Frentrop (Fractie-Frentrop), Geerdink (VVD), Karimi (GL) (ondervoorzitter), Van der Linden (Fractie-Nanninga), Otten (Fractie-Otten), Rietkerk (CDA), Rosenmöller (GL), De Boer (GL), Van der Voort (D66), Raven (OSF) en Fiers (PvdA).

X Noot
4

Kamerstukken II 2022/23, 32 140, nr. 137.

X Noot
5

Kamerstukken II 2022/23, 32 140, nr. 137.

X Noot
6

Idem, p. 2.

X Noot
7

Hoge Raad, 20 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:720.

X Noot
8

Kamerstukken II 2022/23, 32 140, nr. 137.

X Noot
9

HR 24 december 2021, 21/01243, ECLI:NL:HR:2021:1963.

X Noot
10

HR 20 mei 2022, 21/04407, ECLI:NL:HR:2022:720.

Naar boven