nr. 1
BRIEF VAN DE MINISTER VAN BUITENLANDSE ZAKEN
Aan de Voorzitters van de Eerste en van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 8 september 2009
Ter griffie van de Eerste en van de Tweede Kamer der Staten-Generaal ontvangen
op 21 september 2009.
De wens dat het verdrag aan de uitdrukkelijke goedkeuring van de Staten-Generaal
wordt onderworpen kan door of namens één van de Kamers of door
ten minste vijftien leden van de Eerste Kamer dan wel dertig leden van de
Tweede Kamer te kennen worden gegeven uiterlijk op 21 oktober 2009.
Overeenkomstig het bepaalde in artikel 2, eerste lid, en artikel 5, eerste
lid, van de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen, de Raad van State
gehoord, heb ik de eer u hierbij ter stilzwijgende goedkeuring over te leggen
het op 16 april 2009 te Ankara totstandgekomen Aanvullend Akkoord bij
het verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Turkije
overeenkomstig de artikelen 7 en 26 van het Europees Verdrag inzake sociale
zekerheid, gesloten op 14 december 1972, en houdende herziening van het
Verdrag inzake sociale zekerheid, gesloten tussen het Koninkrijk der Nederlanden
en de Republiek Turkije op 5 april 1966 (Trb. 2009, 79).
Een toelichtende nota bij het verdrag treft u eveneens hierbij aan.
De goedkeuring wordt alleen voor Nederland gevraagd.
De minister van Buitenlandse Zaken,
M. J. M. Verhagen
TOELICHTENDE NOTA
1. Algemeen
Het advies van de Raad van State wordt niet openbaar gemaakt, omdat het
zonder meer instemmend luidt (artikel 25a, vijfde lid j° vierde lid, onder
b, van de Wet op de Raad van State).Het onderhavige verdrag voorziet in een
wijziging van de tekst van het op 6 januari 2000 te Ankara totstandgekomen
Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Turkije overeenkomstig
de artikelen 7 en 26 van het Europees Verdrag inzake sociale zekerheid, gesloten
op 14 december 1972, en houdende herziening van het Verdrag inzake sociale
zekerheid, gesloten tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek
Turkije op 5 april 1966 (Trb. 2000, 25 en 2001, 121) (hierna: Verdrag
van 2000).
Het Verdrag van 2000 was onder meer consequentie van de op 1 januari
2000 in werking getreden Wet beperking export uitkeringen (Stb. 1999, 250),
die ten behoeve van de export van uitkeringen een aantal handhavingsafspraken
noodzakelijk maakte. Deze afspraken zijn neergelegd in het bij het Verdrag
van 2000 behorende Aanvullend Akkoord. Tijdens de goedkeuringsprocedure van
het Verdrag van 2000 bleek zowel aan Nederlandse als aan Turkse zijde behoefte
aan correcties van de verdragstekst. Het onderhavige verdrag voorziet in deze
correcties.
2. Artikelsgewijze toelichting
Artikel 1
Dit artikel bevat een aanpassing in verband met een wijziging in de Turkse
wetgeving. Deze wijziging heeft geen gevolgen voor de door het verdrag beschermde
personen.
Artikel 2
Met dit artikel wordt zeker gesteld dat, bij de berekening van het ouderdomspensioen
ingevolge de AOW van de in Turkije achtergebleven echtgeno(o)t(e) van een
in Nederlandwerkende verzekerde, alleen tijdvakken uit de huwelijkse periode
worden meegenomen
Artikelen 3 en 4
Deze artikelen bevatten bepalingen over de inwerkingtreding. Het onderhavige
verdrag zal in werking treden op hetzelfde tijdstip als het Verdrag van 2000.
3. Koninkrijkspositie
Het verdrag zal voor wat het Koninkrijk betreft alleen voor Nederland
gelden.
De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
J. P. H. Donner
De minister van Buitenlandse Zaken,
M. J. M. Verhagen