Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Eerste Kamer der Staten-Generaal2010-201132137 nr. B

32 137 Vaststelling en invoering van Boek 10 (Internationaal privaatrecht) van het Burgerlijk Wetboek (Vaststellings- en Invoeringswet Boek 10 Burgerlijk Wetboek)

B VOORLOPIG VERSLAG VAN DE VASTE COMMISSIE VOOR JUSTITIE1

Vastgesteld 21 december 2010

Het voorbereidend onderzoek heeft de commissie aanleiding gegeven de volgende vragen en opmerkingen aan de regering voor te leggen.

1. Inleiding

De leden van de CDA-fractie hebben met belangstelling kennis genomen van het voorliggende wetsvoorstel. Zij kunnen ermee instemmen dat de regels van het conflictenrecht worden opgenomen als onderdeel van het Burgerlijk Wetboek, omdat hiermee de overzichtelijkheid van ons gecodificeerde privaatrecht wordt gediend. De overige onderdelen van het internationaal privaatrecht, die respectievelijk de rechtsmacht van de rechter en de erkenning en tenuitvoerlegging van vreemde vonnissen in Nederland betreffen, passen niet in het Burgerlijk Wetboek. De bevoegdheid van de Nederlandse rechter is trouwens (buiten de gelding van verdragen en EG-verordeningen) overzichtelijk geregeld in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Deze leden ebben evenwel nog een aantal vragen.

De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennis genomen van het wetsvoorstel. Zij constateren met voldoening dat met het tot stand komen van Boek 10 Burgerlijk Wetboek thans belangrijke delen van het Nederlandse materiële internationaal privaatrecht geconsolideerd en gecodificeerd worden, waardoor de toepassing van het Nederlandse materiële internationaal privaatrecht aanzienlijk wordt vergemakkelijkt. Zij hebben nog enkele vragen over het wetsvoorstel.

De leden van de PvdA-fractie hebben met belangstelling kennis genomen van het voorstel. Zij vragen zich echter af hoe zal worden omgegaan met de nog komende aanpassingen van internationale (EU) verordeningen of verdragen, indien de bepalingen in Boek 10 BW daardoor in strijd zouden raken met de nieuwe of gewijzigde verwijzingsregels. Deze leden dachten daarbij aan wijzigingen zoals het nu in voorbereiding zijnde EC nr. 44/2001, waarbij Brussel I zal worden aangepast. Blijft Boek 10 BW dan ongewijzigd en moet de burger maar weten dat internationale verdragen of EU-wetgeving voor nationale wetgeving gaan? Indien dat het geval is, dan ontstaat er toch een weinig transparant stelsel, zo menen deze leden. Of moet steeds Boek 10 BW middels formele wetswijziging aan de (soms veelvuldige) EU-regelgeving worden aangepast? Hoe ziet de regering dit, mede in relatie tot de lastendruk voor de wetgever?

De leden van de SP-fractie complimenteren de ambtenaren van het voormalige ministerie van Justitie voor het verrichtte monnikenwerk. Deze leden hebben nog een aantal vragen.

De leden van de SGP-fractie alsmede de leden van de ChristenUnie-fractie, hebben met belangstelling kennis genomen van het wetsvoorstel tot vaststelling en invoering van Boek 10 BW (internationaal privaatrecht). Internationale rechtsverhoudingen dienen zich steeds vaker aan, waardoor het belang van een zo overzichtelijk mogelijk internationaal privaatrecht toeneemt. Men kan van mening verschillen over de vraag welke inhoudelijke betekenis is weggelegd voor het Nederlands internationaal privaatrecht gegeven de voorrang van verdragen en EU-verordeningen. Over de vraag of het Nederlandse internationaal privaatrecht ondergebracht moet worden in het BW of in een algemene wet, zijn deze leden echter van oordeel dat de rechtspraktijk geholpen kan zijn met de consolidatie van verschillende afzonderlijke wetten en de codificatie van in de rechtspraktijk gevormde regels in algemene bepalingen. Zij tonen verder begrip voor het feit dat de wetgever nu eenmaal niet bij ieder onderwerp een uitputtend, geactualiseerd overzicht van alle van belang zijnde internationale regelingen kan geven. Deze leden maken gaarne van de gelegenheid gebruik om aan de regering enkele vragen voor te leggen, met name over de artikelen in Titel 1 «Algemene Bepalingen».

De leden van de D66-fractie hebben met instemming kennis genomen van het wetsvoorstel. Zij zijn voorstander van het tot stand brengen van een zo volledig mogelijke wettelijke regeling van het Nederlands internationaal privaatrecht; een regeling die aansluit bij de systematiek van het Nederlands Burgerlijk Wetboek. Volgens deze leden is de internationale handel en interstatelijke mobiliteit gediend bij een systematische regelgeving.

Deze leden hebben kennis genomen van de uitvoerige voorbereiding van het wetsvoorstel (mede door de staatscommissie), de grote instemming waarop het wetvoorstel in de Tweede Kamer kon rekenen en het instemmende advies van de Raad van State. Zij hebben derhalve geen vragen. Deze leden zijn voorstander van spoedige inwerkingtreding van dit wetsvoorstel.

2. Systematiek van het wetsvoorstel

In Titel 1 van Boek 10 BW wordt niet geregeld de kwalificatie van feiten en verhoudingen ten behoeve van de inschakeling van de verwijzingsregels van Boek 10 BW. Uitgangspunt is dat de kwalificatie geschiedt aan de hand van het begrippenapparaat van het Nederlandse internationaal privaatrecht, met voldoende oog voor de grensoverschrijdende dimensie van de juridische casus. Dit is als zodanig niet bepaald in Boek 10 BW. Kan de minister aan de leden van de VVD-fractie aangeven of hij een dergelijke bepaling alsnog overweegt?

De leden van de SP-fractie lezen in de memorie van toelichting bij herhaling dat dit wetsvoorstel in hoofdzaak verwijzingsregels bevat. Er wordt verwezen naar regels die aangeven welk nationaal recht moet worden toegepast, het zogenoemde conflictenrecht. Het bevat echter geen regels die betrekking hebben op bevoegdheid, erkenning en ten uitvoerlegging.2 Dit zet de gebruiker toch een beetje op het verkeerde been. Wie denkt voor bevoegdheid, erkenning en ten uitvoerlegging elders te moeten gaan zoeken komt te vaak bedrogen uit, want deze regelingen komen zeer regelmatig voor in het wetsvoorstel. Zo vinden deze leden dergelijke regelingen in Afdeling 5 van Titel 5, in Titel 7, in Titel 2 en in artikel 24 van Boek 10 BW. Ook in de bepalingen met betrekking tot het echtscheidingsrecht staan dergelijke regelingen. Het komt deze leden voor dat het handig zou zijn geweest als de uitzonderingen op deze hoofdregel ten behoeve van de praktijk op een rijtje zouden zijn gezet, of wellicht een praktischere oplossing, dat er in de memorie van toelichting erop gewezen zou worden dat in Boek 10 BW ook veel erkenningsregels te vinden zijn. Wat is de mening van de regering daarover?

3. Internationaal privaatrecht in het Koninkrijk

Binnen het Koninkrijk der Nederlanden bestaan verschillen in de rechtsstelsels van de landen of onderdelen van het Koninkrijk. Daardoor kunnen zich vragen voordoen van interregionaal privaatrecht. De memorie van toelichting geeft expliciet aan dat Boek 10 BW geen afzonderlijke bepalingen van interregionaal privaatrecht bevat, maar dat in een concreet geval de bepalingen van Boek 10 BW voor analoge toepassing in aanmerking komen.3 Kan de minister aangeven hoe de situatie thans is in het licht van de nieuwe staatkundige verhoudingen in het Koninkrijk? De leden van de VVD-fractie doelen met name op de status van «Nederlandse gemeente» van de BES-eilanden. Kunnen zich met betrekking tot de BES-eilanden vragen van interregionaal privaatrecht voordoen nu de BES-eilanden Nederlandse gemeenten zijn? Of is zonder meer Nederlands recht van toepassing? Is de veronderstelling juist dat, indien zich met betrekking tot de BES-eilanden vragen van internationaal privaatrecht met derde landen voordoen, onverkort Boek 10 BW van toepassing is?

De leden van de SP-fractie hebben een vraag over de privaatrechtelijke relaties binnen het Koninkrijk. Binnen het Koninkrijk gelden verschillende rechtsstelsels: analoge toepassing van bepalingen van Boek 10 BW ligt in een aantal gevallen voor de hand. Dit zou mooi zijn in verband met de verzelfstandiging van Curaçao en Sint Maarten. Is de regering voornemens op termijn een aanzet te geven om te komen tot een gecodificeerd interregionaal privaatrecht?

4. Nationaliteit, afstamming en naamrecht

Nationaliteit

Als hoofdregel geldt dat de vaststelling van een vreemde nationaliteit toekomt aan de vreemde buitenlandse autoriteiten. Door middel van het internationaal privaatrecht kunnen ook Nederlandse autoriteiten voor de vraag komen te staan welke nationaliteit een vreemdeling heeft. De leden van de CDA-fractie vragen zich af welke werkwijze de juiste is om een dergelijke nationaliteit vast te stellen? Is het juist dat er door verschillende autoriteiten in Nederland (de GBA en de IND) daartoe verschillende methoden worden gehanteerd?4

Afstamming

Artikel 93 komt letterlijk overeen met artikel 2 Wet conflictenrecht afstamming. Desondanks heeft de SP-fractie een vraag over het vierde lid van artikel 93, waarin staat dat ontkenning van het vaderschap ten overstaan van de ambtenaar van de burgerlijke stand kan worden gedaan door de moeder. Voorwaarde is dat de met de moeder gehuwde of gehuwd geweest zijnde nog levende man ermee instemt en dat tegelijkertijd familierechtelijke betrekkingen tussen het kind en een andere man ontstaan, of worden gevestigd. In de memorie van toelichting wordt gesteld dat die voorwaarden zijn opgenomen om zeker te stellen dat het belang van het kind daadwerkelijk door de ontkenning wordt gediend.5 Deze leden vragen zich af of vast staat dat het belang van het kind altijd daadwerkelijk wordt gediend door het ontstaan van familierechtelijke betrekkingen met «een andere man». De term «belang van het kind» komt in de voorgestelde bepaling niet voor. Op grond van onder andere artikel 3 van het Verdrag inzake de Rechten van het Kind is het belang van het kind leidend, ongeacht of dit met zoveel woorden in de wet staat. De vraag moet echter gesteld worden of het anno 2010 nog vanzelfsprekend is dat het belang van het kind altijd gediend is met een «vervangende vader»?

Er zijn drie situaties denkbaar waarin deze aanname niet klopt. Allereerst is het voorstelbaar dat de moeder inmiddels is gehuwd met een andere vrouw, dat zij twee hebben kinderen die uit hen geboren c.q. door hen geadopteerd zijn, en dat zij dit zogenoemde «voorkind» dezelfde status willen geven als hun andere kinderen. Het belang van het kind is er, in dat geval, mee gediend dat de wettigheid ontkend kan worden zonder dat een andere man familierechtelijke betrekkingen met het kind vestigt. De vrouw die het kind niet gebaard heeft kan het vervolgens adopteren.

Los van dit voorbeeld moet de vraag gesteld worden of een dergelijke voorwaarde in ons land in deze tijd nog wel in het belang van het kind genoemd kan worden. Veel kinderen worden geboren uit ongehuwde of ongeregistreerde relaties waarbij niet de keuze wordt gemaakt – of domweg vergeten wordt – te erkennen. Het vanzelfsprekende belang van een juridische vader geniet geen allesoverheersende erkenning meer.

Tot slot zijn er uit de praktijk zaken bekend waarin de met de moeder gehuwd geweest zijnde man toestemming gaf voor de ontkenning van de wettigheid van het tijdens het huwelijk geboren kind, terwijl de huidige partner van de moeder zich bereid verklaarde tot erkenning van het kind. Deze partner had echter een fors strafblad waarop onder andere geweldsdelicten voorkwamen. Het is in zo» n situatie volstrekt niet vanzelfsprekend dat het belang van het kind gediend is met erkenning.

Deze leden concluderen dat de voorwaarde dat een andere man familierechterlijke betrekkingen met het kind tot stand moet brengen aan heroverweging toe is en dat het belang van het kind expliciet genoemd moet worden. Deze leden zien graag een reactie van de regering naar aanleiding van deze opmerkingen en conclusies.

Voorts wijzen de leden van de SP-fractie nog op de opmerking van mr. Saarloos in het WPNR dat de regels omtrent afstamming nodeloos ingewikkeld lijken nu in het buitenland opgemaakte akten en rechterlijke uitspraken in principe erkend worden.6 Indien de ambtenaar van de burgerlijke stand en de rechter op afstammingskwesties standaard Nederlands recht zouden toepassen zou het resultaat in praktisch alle gevallen hetzelfde zijn als nu via de drietraps raket van gemeenschappelijke nationaliteit, gemeenschappelijk woonland en verblijfplaats van het kind. De rechterlijke praktijk wijst hetzelfde uit. Via een aantal min of meer ingewikkelde internationaal privaatrechtelijke stappen komt de rechter in verreweg de meeste zaken uit op toepassing van het Nederlands recht. Misschien zou dit onderwerp van wetenschappelijk onderzoek kunnen zijn dat zou kunnen leiden tot een substantiële vereenvoudiging van ons conflictenrecht. Hoe denkt de regering daarover?

Naamrecht

In de zaken Garcia-Avello en Grunkin-Paul heeft het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (HvJ EG) in 2003 respectievelijk 2008 uitspraken gedaan in internationale naamrechtkwesties.7 Ook heeft de Hoge Raad in 2008 een uitleg gegeven aan art. 5a Wet conflictenrecht namen.8 Deze uitspraken zijn niet verwerkt in het voorliggende wetsvoorstel. De leden van de CDA-fractie vragen zich af wat de reden daarvan is.

In haar artikel in het Weekblad voor Privaatrecht, Notariaat en Registratie (WPNR) stelt Rutten een belangrijke vraag met betrekking tot de doorwerking van het gemeenschapsrecht op het naamrecht.9 Deze leden stellen het op prijs wanneer de regering in de memorie van antwoord op deze vraag wil ingaan.

De jurisprudentie van het HvJ EG heeft aanleiding gegeven tot discussie over de vraag of niet de mogelijkheid van rechtskeuze zou moeten worden geïntroduceerd ingeval van meervoudige nationaliteit. Het geven van een rechtskeuze voorkomt immers verzoeken tot naamswijziging. Er is voor gekozen de ontwikkelingen in de jurisprudentie van het Hof af te wachten. Dat impliceert dat de ontwikkelingen door het kabinet worden gevolgd en dat een wetswijziging over niet al te lange termijn tegemoet kan worden gezien. De leden van de SP-fractie vragen zich af of de regering bereid is om bij die gelegenheid een oplossing te zoeken voor de problemen die de praktijk laat zien met betrekking tot mensen met een namenreeks?

Bij naturalisatie worden deze mensen desgewenst voorzien van een voornaam en een achternaam, maar buiten die situatie geeft het feit dat mensen niet kunnen beschikken over met name een achternaam, aanleiding tot de nodige jurisprudentie. Een wettelijke regeling zou dan ook meer dan welkom zijn. Hoe denkt de regering hierover?

Artikel 24 van het wetsvoorstel bepaalt dat een buiten Nederland tot stand gekomen wijziging van de voornaam of achternaam in Nederland wordt erkend. De Hoge Raad heeft de regel geïntroduceerd dat deze hoofdregel geen toepassing vindt «indien de betrokkene ervan uit ging dat hij in Nederland de naam die hij vóór de in het buitenland ingetreden wijziging had, kon behouden».10 Dit valt niet te lezen in het wetsartikel zelf maar moet worden afgeleid uit de hoofdregel van de Overeenkomst van München. Deze leden vinden dit een weinig heldere wijze van wetgeving. Had dit niet anders gekund? Is de regering bereid om alsnog, bij een eerstvolgende wijziging, een aanvulling in bovengenoemde zin op te nemen? De hier genoemde «vertrouwensvraag», die ook terug te vinden is in artikel 9 (afwijking van de hoofdregel voor zover niet-toekenning van de – op grond van die hoofdregel toepasselijke – rechtsgevolgen een onaanvaardbare schending zou zijn van het bij partijen levende, gerechtvaardigde vertrouwen of van de rechtszekerheid) roept daarnaast de nodige vragen op omdat daardoor het toepasselijke recht wordt gebaseerd op een subjectieve beleving. De door de Hoge Raad gesuggereerde oplossing voor dat probleem lijkt neer te komen op de introductie van een rechtskeuze.11 Deze leden zien een reactie van de regering op de aldaar aangesneden problematiek graag tegemoet.

In verband met de uitspraak Van het HvJ EG in de zaak Garcia-Avello zal het Besluit geslachtsnaamwijziging worden gewijzigd. Een vraag van de leden van de SP-fractie die niet zozeer met dit wetsvoorstel te maken heeft maar wel naar aanleiding daarvan opkomt is waarom eigenlijk de voornaamswijziging aan de rechter is voorbehouden en de wijziging van de achternaam aan de Kroon. Graag een reactie van de regering.

5. Huwelijk en echtscheiding

Huwelijk

De leden van de CDA-fractie vragen zich af welk recht van toepassing is met betrekking tot de personele gevolgen van huwelijksbetrekkingen. Deze leden bedoelen daarmee niet zozeer de onderwerpen die het huwelijksvermogensrecht betreffen, maar meer onderwerepn zoals de toestemming voor de verkoop van de echtelijke woning.12 Graag een antwoord van de regering.

De leden van de SP-fractie hebben een vraag over artikel 33, dat uitgaat van de zelfstandige aanknoping van de voorvraag. Artikel 4 gaat uit van hetzelfde principe. Op pagina 12 van de memorie van toelichting lijkt bij artikel 4 gesuggereerd te worden dat de rechter ook kan besluiten om uit te gaan van de afhankelijke aanknoping, als hij het maar goed motiveert. Als dat zo is waarom staat dat niet in artikel 4 of in artikel 33, waarin expliciet de zelfstandige aanknoping wordt voorgeschreven? Kan de regering dit alsnog opnemen in de genoemde artikelen?

Echtscheiding

De leden van de SP-fractie vinden het onduidelijk dat de Brussel II bis verordening13 niet genoemd wordt in Afdeling 4 van Titel 3 van Boek 10 BW. Dit is verwarrend omdat deze titel evenals de verordening, veel regels omtrent erkenning van in het buitenland tot stand gekomen echtscheidingen bevat en Brussel II bis voorrang heeft boven de regeling van Boek 10 BW. Zou het geen aanbeveling verdienen om in de toekomst Brussel II bis hier met naam en toenaam te noemen?

6. Adoptie

In artikel 105 wordt bepaald dat op de toestemming van de ouders van het kind dat een meervoudige nationaliteit heeft, het recht van toepassing volgens hetwelk de toestemming is vereist. In de Wet conflictenrecht adoptie stond dat in dat geval teruggevallen wordt op de meest effectieve nationaliteit. Dit artikel biedt geen oplossing voor het niet denkbeeldige geval dat beide rechtsstelsels een toestemmingsvereiste kennen. Het lijkt de leden van de SP-fractie logisch om dan toch maar weer terug te vallen op de meest effectieve nationaliteit. Hoe ziet de regering dit?

In artikel 106 wordt volgens de memorie van toelichting een nieuwe regeling geïntroduceerd met betrekking tot de familierechtelijke betrekkingen. Deze zouden door de nieuwe formulering worden uitgebreid tot eventuele bloedverwanten. Aangezien Nederlands recht op de adoptie wordt toegepast heeft de adoptie de rechtsgevolgen genoemd in artikel 229 BW. Daarin worden de bloedverwanten genoemd. Deze leden vragen zich dan ook af wat er nu precies verandert door invoering van artikel 106.

7. Corporaties en aansprakelijkheid voor toezichthouders

Corporaties

De corporaties zijn geregeld in de artikelen 117 tot en met 124 van Boek 10 BW, waarin de bepalingen van de Wet conflictenrecht corporaties zijn geconsolideerd. De Wet op de formeel buitenlandse vennootschappen waarin de strijd wordt aangebonden tegen «pseudo buitenlandse» kapitaalvennootschappen (een wet die naar aanleiding van het Inspire Art arrest van het HvJ EG is aangepast14), is buiten Boek 10 BW gebleven. De reden hiervoor zou zijn dat het in casu geen algemeen conflictenrecht betreft, aldus de memorie van toelichting.15 De leden van de CDA-fractie zouden graag hieromtrent nog een nadere uitleg van de regering ontvangen.

Aansprakelijkheid voor toezichthouders

De regering heeft ervoor gekozen op onderwerpen die buiten het materiële toepassingsgebied van de Rome I verordening16 vallen en die als verbintenissen uit overeenkomst kunnen worden aangemerkt, de bepalingen van Rome I van overeenkomstige toepassing te verklaren.17 Hetzelfde is gebeurd ten aanzien van de Rome II verordening18 met dien verstande dat op verbintenissen voortvloeiend uit de uitoefening van Nederlands openbaar gezag, Nederlands recht van toepassing is.19 De leden van de CDA-fractie zouden graag vernemen hoe een en ander uitwerkt ten aanzien van de aansprakelijkheid van toezichthouders. Is op Nederlandse toezichthouders altijd – in afwijking van Rome II – Nederlands recht van toepassing?

8. Artikelsgewijs

Artikel I

Door de voortdurende internationalisering en met name de Europeanisering van het internationaal privaatrecht is er een groeiend aantal verdragen en verordeningen dat voorrang heeft op de nationale wetgeving, zo constateren de leden van de SGP-fractie, mede namens de ChristenUnie-fractie. Wijst de verwijzing naar artikel 94 Grondwet in artikel 1 erop dat het belang van Boek 10 op een groot aantal terreinen van het internationaal privaatrecht gering is en in de toekomst nog geringer zal worden?

Artikel 2

Volgens art. 10:2 BW moeten regels van internationaal privaatrecht ambtshalve worden toegepast. Dit geldt ook voor de toepassing van vreemd recht, constateren de leden van de VVD-fractie. Overeenkomstig art. 79 Wet RO is cassatiecontrole wel mogelijk op de juiste toepassing van verwijzingsregels, maar niet op de juiste toepassing van vreemd recht. Nu vreemd recht wél ambtshalve moet worden toegepast, maar daarbij geen cassatie mogelijk is, betekent dit dat partijen één instantie wordt «onthouden». Is deze consequentie van de verplichting om vreemd recht ambtshalve toe te passen inderdaad zo bedoeld? De leden van de PvdA-fractie sluiten zich bij deze opmerkingen en vraag aan.

Dit artikel omvat het leerstuk van de voorrangsregels en lijkt tevens een oplossing te willen bieden voor de vraag of voorrangsregels van de lex causae (het toepasselijk recht) als focale (recht van de rechter) of derdelands voorrangsregels moet worden behandeld. Voorrangsregels die deel uitmaken van de lex causae vallen onder artikel 7, derde lid, zo lezen de leden van de SGP-fractie en de ChristenUnie-fractie in de memorie van toelichting. In dat derde lid wordt echter expliciet gesteld dat het hier om «dwingend recht van een vreemde staat» gaat. Hoe dient men nu om te gaan met een geval waarin het Nederlandse recht de lex causae is? Het zal de bedoeling van de wetgever zijn geweest dat een dergelijk geval wordt beoordeeld aan de hand van artikel 7, tweede lid. De formulering van het tweede lid wekt echter de suggestie dat alleen sprake kan zijn van voorrangsregels die toepassing claimen. Dient men er niet op bedacht te zijn dat ingeval het Nederlands recht van toepassing is en er sprake is van een Nederlandse voorrangsregel die geen toepassing claimt, deze buiten toepassing gelaten dient te worden?

Artikel 6

Art. 10:6 BW bepaalt dat vreemd recht niet wordt toegepast voor zover de toepassing ervan kennelijk onverenigbaar is met de openbare orde, zo lezen de leden van de VVD-fractie. Welk recht dient de Nederlandse rechter vervolgens toe te passen? Is dat Nederlands recht, in navolging van HR 9 november 2001, NJ 2002, 279? Zo ja, wat is de reden dat dit niet is vastgelegd in Boek 10?

Artikel 8

De nieuwe, in artikel 8 vervatte algemene betrokkenheidexceptie behoort volgens de memorie van toelichting slechts in uitzonderlijke gevallen te worden toegepast. Vanuit de praktijk zal vermoedelijk de vraag worden gesteld hoe deze bepaling moet worden toegepast, zo menen de leden van de SGP-fractie en de ChristenUnie-fractie. Hoe dient de nauwste band te worden vastgesteld? De memorie van toelichting geeft aan dat dit zal dienen te geschieden aan de hand van objectieve factoren. Wordt er voor wat deze factoren betreft nog aan andere gedacht dan nationaliteit, woonplaats, vestigingsplaats en plaats van handeling?

Artikel 9

Wat de in artikel 9 vervatte fait accompli-exceptie betreft stellen de leden van de SGP-fractie mede namens de ChristenUnie-fractie, de vraag of toepassing van deze bepaling in de praktijk niet (slechts) voornamelijk bij duurverhoudingen van personen aan de orde zal kunnen zijn. Wanneer dat het geval zou zijn, is dan niet aannemelijk dat deze verhoudingen onder EU- en verdragsregelingen vallen, zodat er dus nauwelijks ruimte is voor het commune Nederlandse internationaal privaatrecht, inclusief de fait accompli-exceptie?

Artikel 96

De leden van de SP-fractie wijzen er op dat er in artikel 96 een redactionele verschrijving lijkt te hebben plaatsgevonden. Conform de memorie van toelichting moet er in plaats van «voorwaarden voor de erkenning» staan «voorwaarden waaronder de erkenning kan worden vernietigd». Graag een reactie van de regering.

Artikel 125

Art. 10: 125 BW verwijst naar het Verdrag betreffende het toepasselijke recht op vertegenwoordiging (Haags Vertegenwoordigingsverdrag). Mr. Christiaanse wijst in zijn artikel in het Maandblad voor Vermogensrecht op de verwarring over het verschil tussen het begrip «vertegenwoordiging» zoals dat is opgenomen in het Verdrag en het begrip dat is opgenomen in art. 10:125 BW.20 Mr. Christiaanse snijdt in zijn artikel ook problemen aan met betrekking tot samenloop tussen Rome I en het Verdrag en tussen Rome II en het Verdrag. De leden van de VVD-fractie vernemen graag de reactie van de regering op de door mr. Christiaanse aangesneden problemen.

Artikel 147

Door mr. Knot worden kritische opmerkingen gemaakt over artikel 147, de aanknopingsovermacht.21 Wil de regering de leden van de CDA-fractie aangeven wat haar standpunt is in de aldaar beschreven kwestie?

Artikel 160

Art. 10:160, vierde lid van het BW, beperkt de verhaalbaarheid van vorderingen op het schip onnodig tot «een vordering tegen een ander dan de eigenaar van het schip», aldus de leden van de VVD-fractie. Het moge duidelijk zijn dat art. 10:160 BW ook toegepast wordt als het gaat om de verhaalbaarheid op het schip van een vordering van de eigenaar. Zou art. 10:160, vierde lid van het BW niet als volgt dienen te luiden: « (...) op de verhaalbaarheid op het schip van een vordering tegen de eigenaar van het schip of tegen een ander dan de eigenaar van het schip»?

Artikel 164

Voor aanvaringen op volle zee kiest artikel 164 de lex fori als toepasselijk recht. Dit geldt echter alleen voor zover de Rome II verordening daarop niet van toepassing is, zo constateren de leden van de CDA-fractie. Vlas geeft aan dat Rome II geen oplossing biedt voor aanvaringen op volle zee.22 Hangt het nu van de uitleg van het HvJ EG af in hoeverre artikel 164 kan worden toegepast?

9. Tot slot

Tijdens de mondelinge behandeling in de Tweede Kamer heeft de minister van Justitie gezegd dat Boek 9 van het Burgerlijk Wetboek «nog steeds in de planning» zit. Kan de regering aan de leden van de CDA-fractie aangeven hoe deze planning er uit ziet?

Voor Titel 13 Boek 10 BW gelden geen specifieke overgangsrechtelijke bepalingen, constateren de leden van de VVD-fractie. Het beginsel van directe werking is op Titel 13 van toepassing. Wat betreft het overgangsrecht zijn de overgangsrechtelijke bepalingen van art. 28 Rome I van toepassing: Rome I is uitsluitend van toepassing op overeenkomsten die op of na 17 december 2009 zijn gesloten. Betekent dit dat er aan Titel 13 Boek 10 BW terugwerkende kracht wordt toegekend voor overeenkomsten gesloten in de periode tussen 17 december 2009 en de datum van inwerkingtreding van Boek 10 BW?

De voorzitter van de vaste commissie voor Justitie,

Van de Beeten

De griffier van de vaste commissie voor Justitie,

Kim van Dooren


XNoot
1

Samenstelling: Holdijk (SGP), Dölle (CDA), Tan (PvdA), Van de Beeten (CDA), voorzitter, Broekers-Knol (VVD), Doek (CDA), De Graaf (VVD), Kneppers-Heynert (VVD), Kox (SP), Westerveld (PvdA), vice-voorzitter, Staal (D66), Franken (CDA), Van Bijsterveld (CDA), Janse de Jonge (CDA), Duthler (VVD), Haubrich-Gooskens (PvdA), De Vries (PvdA), Ten Horn (SP), Peters (SP), Quik-Schuijt (SP), Lagerwerf-Vergunst (CU), Böhler (GL), (CDA), Strik (GL), Koffeman (PvdD) en Yildirim (Fractie-Yildirim).

XNoot
2

Kamerstukken II 2009/10, 32 137, nr. 3 p. 1–3.

XNoot
3

Kamerstukken II 2009/10, 32 137, nr. 3 p. 3.

XNoot
4

Vgl. WPNR 2010/6830, p. 113.

XNoot
5

Kamerstukken II, 2009/10, 32 137, nr. 3 p. 55.

XNoot
6

K.J. Saarloos, WPNR 2010/6842.

XNoot
7

HvJ EG 2 oktober 2003, zaak C-148/02 en HvJ EG 14 oktober 2008, zaak C-353/06.

XNoot
8

HR 26 september 2008, NJ 2009, 317.

XNoot
9

S.W.E. Rutten, WPNR 2010/6832, p. 154.

XNoot
10

HR 26 september 2008, RvdW 2008, 887.

XNoot
11

S.W.E. Rutten WPNR 2010/6832, p. 152.

XNoot
12

Artikel 1:88 BW.

XNoot
13

Verordening (EG) nr. 2201/2003.

XNoot
14

HvJ EG 30 december 2003, zaak C-167/01.

XNoot
15

Kamerstukken II 2009/10, 32 137, nr. 3 p. 70.

XNoot
16

Verordening (EG) nr. 593/2008.

XNoot
17

Artikel 154.

XNoot
18

Verordening (EG) nr. 864/2007.

XNoot
19

Artikel 159.

XNoot
20

Mr. C.R. Christiaanse, Maandblad voor Vermogensrecht, 2010, nr. 7/8, p. 189–192.

XNoot
21

J.G. Knot, WPNR, 2010/6850, p. 555–556.

XNoot
22

O. Vlas, WPNR, 2010/6819, p. 897.