32 123 XVI
Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (XVI) voor het jaar 2010

nr. 126
BRIEF VAN DE MINISTER VAN VOLKSGEZONDHEID, WELZIJN EN SPORT

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 25 maart 2010

Hierbij reageer ik op verzoek van de vaste kamercommissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport op het artikel «Stop met versterven baby’s» in de Volkskrant van 19 januari jl. (2010Z01035/2010D05087).

Het artikel stelt dat veel kinderartsen sinds een paar jaar niet meer durven over te gaan tot actieve levensbeëindiging met medicijnen bij ernstig gehandicapte pasgeborenen. De reden hiervoor zou de door hen ervaren onduidelijke en beperkende regelgeving zijn. In plaats daarvan kiezen kinderartsen volgens de Volkskrant voor een omweg: de artsen laten het kind «versterven». Met versterven wordt bedoeld dat alle behandeling, waaronder sondevoeding, achterwege wordt gelaten. Palliatieve zorg wordt onverminderd gegeven.

Levensbeëindiging bij pasgeborenen is een zeer complex onderwerp, waarbij er geen eenvoudige antwoorden zijn. Ik vind het belangrijk dat bij een dergelijk onderwerp de maatschappelijke discussie wordt gevoerd. Het artikel in de Volkskrant toont ook aan dat het noodzakelijk is om de maatschappelijke discussie verder te voeren. De vraag rijst wat wenselijk is en wat wij als maatschappij aanvaardbaar vinden.

Ik vind het van belang dat artsen onderling in gesprek gaan over hoe het gaat in de praktijk. Dat artsen zoeken naar consensus over wat zij een geaccepteerde praktijk vinden en onderzoeken hoe deze zich verhoudt ten opzichte van de bestaande regelgeving. Het initiatief van de artsenfederatie KNMG om met dat doel een commissie in het leven te roepen, juich ik daarom ook van harte toe. Indien aan de orde zal ik uw Kamer nader hierover informeren.

Ik zie daarnaast ook een belangrijke rol weggelegd voor de centrale deskundigencommissie levensbeëindiging bij pasgeborenen die een adviserende rol heeft voor het Openbaar Ministerie. De commissie kan een intermediair zijn tussen de juridische en de medische realiteit. Haar bezoeken aan de NICU’s zie ik daarin als een essentiële stap. Daarnaast zal de commissie fictieve casus beoordelen en deze publiek maken, waardoor er – naar ik hoop – ook meer duidelijkheid zal komen voor de medische beroepsgroep over de beoordeling. Medio 2010 zal ik uw Kamer het jaarverslag 2009 van de commissie doen toekomen. Hierin zal verslag worden gedaan van bovenstaande activiteiten.

In het voorjaar van 2010 zal ik ZonMw opdracht geven om de melding, toetsing en praktijk van levensbeëindiging bij pasgeborenen te evalueren.

Ik vertrouw erop u hierbij voldoende te hebben geïnformeerd.

De minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,

A. Klink

Naar boven