32 123 VIII
Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (VIII) voor het jaar 2010

nr. 63
BRIEF VAN DE MINISTER VAN ONDERWIJS, CULTUUR EN WETENSCHAP

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 16 november 2009

Tijdens de begrotingsbehandeling cultuur op 2 november 2009 heb ik uw Kamer toegezegd de vragen over het Fonds voor Cultuurparticipatie zoals gesteld door Tweede Kamerlid Van der Ham (D66) schriftelijk te beantwoorden. Met deze brief los ik deze toezegging in.

De heer Van der Ham plaatst met zijn vragen een aantal kritische kanttekeningen naar aanleiding van het advies van de Raad voor Cultuur over het beleidsplan van het Fonds voor Cultuurparticipatie.

Hieronder zal ik de door de heer Van der Ham gestelde vragen1 langslopen, gevolgd door mijn antwoord.

«Bij de plusregeling ontbreken heldere keuzes, maar die worden wel gemaakt in het programma «Er zit muziek in ieder kind». Zal de minister dit harmoniseren en de doelstellingen overnemen in het beleidsprogramma?»

Het fonds is er in geslaagd een goed evenwicht te vinden tussen een brede aanpak en verdieping op onderdelen. Het fonds maakt – zoals de Raad stelt – scherpe keuzes, bijvoorbeeld voor muziek. Anderzijds is er de Plusregeling, waar een veel breder gebied bestreken wordt. De Plusregeling is opengesteld voor aanvragen die te maken hebben met amateurkunst, cultuureducatie en volkscultuur, over de volle breedte van de terreinen kunst, erfgoed en media.

«De Raad adviseert het fonds ook om de Canon als inspiratiebron te hanteren. Dat gebeurt nu bijvoorbeeld niet ten aanzien van de volkscultuur, die het fonds op zich zal nemen. Wat vindt de minister hiervan?»

De Raad benadrukt dat het fonds, in lijn met de wens van de Tweede Kamer, de Canon van Nederland als uitgangspunt ter illustratie van de tien historische tijdvakken in het onderwijs moet stimuleren.

In lijn met mijn opdracht aan het fonds zullen binnen de Plusregeling ook aanvragen die erop gericht zijn de Canon van Nederland aan het onderwijs te presenteren in behandeling worden genomen.

De raad adviseert om de middelen die gereserveerd zijn voor projecten op het gebied van volkscultuur toe te voegen aan de programma’s voor amateurkunst en cultuureducatie. Ik neem dit advies niet over, omdat ik een herkenbare positie van het onderwerp volkscultuur wenselijk acht.

«Het reële gevaar dat aandacht voor het publieksbereik, actieve deelname en educatie door andere fondsen minder onder de aandacht wordt gebracht, kan worden ondervangen door de cultuurfondsen een heldere en onderscheiden opdracht mee te geven. Daarop wil ik graag een reactie.»

Voor alle cultuurfondsen geldt dat deze een verantwoordelijkheid hebben op gebied van publieksbereik. Ik heb met de fondsen duidelijke prestatieafspraken hierover gemaakt. Ook in mijn brief van 16 september 2009 aan uw Kamer heb ik gesteld dat de komst van het Fonds voor Cultuurparticipatie niet betekent dat de andere fondsen van hun plicht ontslaan worden om aandacht te besteden aan publieksbereik en educatie.

«Kunt u een duidelijke definitie geven van het begrip volkscultuur?»

Op verzoek van uw Kamer gaf ik eerder het Meertensinstituut opdracht een definitie op te stellen. Deze luidt: «volkscultuur verwijst naar het geheel van cultuuruitingen die als wezenlijk worden ervaren voor specifieke groepen, steeds onder verwijzing naar traditie, verleden en nationale, regionale en lokale identiteiten.» Ik hanteer deze definitie bij de ontwikkeling van het beleid op dit terrein evenals het Fonds voor Cultuurparticipatie. Uiteraard erken ook ik dat daarmee de discussie over volkscultuur nog niet ten einde is.

«De Raad adviseert om meer inzicht te krijgen in de programma’s van gemeenten en provincies in het kader van de regeling voor cultuurparticipatie, om verdubbeling van geld te voorkomen. Zal de minister daarnaar luisteren?»

De Raad heeft het over de instellingen in de basisinfrastructuur die volgens de Raad niet ook nog eens subsidie moeten krijgen uit de matchingprogramma’s van gemeenten en provincies. Ik ben dat met de Raad eens, maar heb ook niet de indruk dat deze praktijk zich op dit moment veel voordoet. Laat in elk geval duidelijk zijn dat ik net als de Raad educatie als een kerntaak zie van de instellingen in de basisinfrastructuur.

Ik hoop hiermee uw vragen naar tevredenheid te hebben beantwoord.

Tot slot

Tot slot wil ik nogmaals benadrukken dat met de oprichting van het Fonds voor Cultuurparticipatie een belangrijke volgende stap is gezet in het voortdurende streven om de cultuurparticipatie te stimuleren. Met de komst van het fonds wordt cultuurparticipatie stevig verankerd binnen de culturele basisinfrastructuur.

De Raad spreekt zich op hoofdlijnen positief uit over het beleidsplan van het fonds en noemt het plan een helder beleidsplan dat in een relatief korte tijd (het fonds is officieel pas sinds 1 januari van dit jaar operationeel) tot stand is gekomen.

Ik spreek dan ook mijn vertrouwen uit in het Fonds voor Cultuurparticipatie. Ook ik zal de verrichtingen van dit nieuwe fonds nauwgezet volgen, maar wil het nu eerst de kans geven zich in de komende jaren verder te ontwikkelen en zijn ambities waar te maken.

De minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

R. H. A. Plasterk


XNoot
1

Ik baseer mij bij de verwoording van de vragen op het ongecorrigeerd stenogram van het wetgevingsoverleg over de OCW begroting, onderdeel cultuur (32 123, VIII).

Naar boven