Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2009-201032123-VIII nr. 2

32 123 VIII
Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (VIII) voor het jaar 2010

nr. 2
MEMORIE VAN TOELICHTING

INHOUDSOPGAVE

A.ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING BIJ HET BEGROTINGSWETSVOORSTEL2
   
B.BEGROTINGSTOELICHTING3
   
1.Leeswijzer3
   
2.Beleidsagenda7
   
3.De beleidsartikelen61
 1. Primair onderwijs61
 3. Voortgezet onderwijs82
 4. Beroepsonderwijs en volwasseneneducatie96
 5. Technocentra115
 6. en 7. Hoger onderwijs118
 8. Internationaal beleid139
 9. Arbeidsmarkt en personeelsbeleid148
 11. Studiefinanciering158
 12. Tegemoetkoming studiekosten171
 13. Lesgelden179
 14. Cultuur182
 15. Media196
 16. Onderzoek en wetenschapsbeleid204
 24. Kinderopvang216
 25. Emancipatie225
   
4.De niet-beleidsartikelen231
 17. Nominaal en onvoorzien231
 18. Ministerie algemeen233
 19. Inspecties235
 20. Adviesraden237
   
5.De bedrijfsvoeringsparagraaf240
   
6.Paragraaf inzake baten-lastendiensten243
 1. Dienst Uitvoering Onderwijs243
 2. Nationaal Archief249
   
7.Verdiepingshoofdstuk252
   
8.Bijlagen306
 1. Moties en toezeggingen306
 2. RWT’s en ZBO’s341
 3. Afkortingenlijst342
 4. Begrippenlijst345
 5. Trefwoordenregister356

A. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING BIJ HET BEGROTINGS-WETSVOORSTEL

Wetsartikel 1 (begrotingsstaat ministerie)

De begrotingsstaten die onderdeel uitmaken van de Rijksbegroting, worden op grond van artikel 1, derde lid, van de Comptabiliteitswet 2001 elk afzonderlijk bij de wet vastgesteld. Het onderhavige wetsvoorstel strekt ertoe om de begrotingsstaat van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap voor het jaar 2010 vast te stellen.

Alle voor dit jaar vastgestelde begrotingswetten samen vormen de Rijksbegroting voor het jaar 2010. Een toelichting bij de Rijksbegroting als geheel is opgenomen in de Miljoenennota 2010.

Met de vaststelling van dit wetsartikel worden de uitgaven, verplichtingen en de ontvangsten voor het jaar 2010 vastgesteld. De in de begroting opgenomen begrotingsartikelen worden in onderdeel B van deze memorie van toelichting toegelicht (begrotingstoelichting).

Wetsartikel 2 (begrotingsstaat baten-lastendiensten)

Met de vaststelling van dit wetsartikel worden de baten en lasten en de kapitaaluitgaven en -ontvangsten van de baten-lastendiensten Dienst Uitvoering Onderwijs en het Nationaal Archief voor het jaar 2010 vastgesteld. De in de begrotingen opgenomen begrotingsartikelen worden toegelicht in onderdeel B (begrotingstoelichting) van deze memorie van toelichting en wel in de paragraaf inzake de diensten die een baten-lastenstelsel voeren.

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

R. H. A. Plasterk

B. BEGROTINGSTOELICHTING

1. DE LEESWIJZER

De begroting 2010 bevat de volgende onderdelen:

a. de beleidsagenda;

b. de beleidsartikelen;

c. de niet-beleidsartikelen;

d. de bedrijfsvoeringsparagraaf;

e. de diensten die een baten-lasten stelsel voeren;

f. het verdiepingshoofdstuk;

g. de bijlagen.

a. De beleidsagenda

De beleidsagenda verbindt de belangrijkste beleidsdoelen van het Ministerie van OCW. Nieuw is dat deze is opgezet aan de hand van de doelstellingen en projecten van OCW uit het beleidsprogramma van het kabinet.

In de begroting 2009 stond aan het einde van de beleidsagenda een overzicht van de belangrijkste beleidsprioriteiten voor de komende periode, alsmede de instrumenten die daarvoor worden ingezet en de prestatiegegevens waarmee de voortgang op deze prioriteiten wordt gemeten. Dit overzicht is opgedeeld en hangt direct onder de genoemde doelstellingen en projecten uit het beleidsprogramma «samen werken, samen leven». De belangrijkste aspecten van de kwaliteit en de prestaties van het onderwijsstelsel, waaronder de Lissabon-doelstellingen, zijn door middel van grafieken in beeld gebracht. Deze tabellen en grafieken vormen de schakel tussen de beleidsagenda en de verschillende beleidsartikelen.

Met ingang van deze begroting is een overzicht opgenomen met de beleidsdoorlichtingen die OCW het komende jaar gaat uitvoeren.

b. De beleidsartikelen

Elk beleidsartikel is in principe opgebouwd volgens de standaardindeling:

• algemene beleidsdoelstelling;

• tabel budgettaire gevolgen van beleid;

• operationele beleidsdoelstellingen;

• overzicht beleidsonderzoeken.

Er is in deze begroting veel aandacht besteed aan de formulering van een samenhangend geheel van doelstellingen en bijbehorende prestatiegegevens, die een stabiele uitgangspositie vormt voor de beleidsverantwoording tijdens deze kabinetsperiode. De begroting 2010 bouwt voort op de verbeteringen die in de begroting 2009 ten aanzien van de prestatiegegevens zijn gerealiseerd. Vergeleken met de begroting 2009 is de samenhang tussen de doelstellingen in de verschillende begrotingsartikelen verbeterd. In de doelstellingen staat de leerling, de docent, de wetenschapper of de cultuurparticipant centraal. In alle onderwijsartikelen zijn de belangrijkste functies van het onderwijs (kwalificatie, differentiatie, integratie), en de belangrijkste randvoorwaarden (toerusting, kwaliteit instellingen en docenten, toegankelijkheid) in de doelstellingen verwerkt. De doelstellingen in de cultuurartikelen maken een duidelijker onderscheid tussen de deelname aan cultuur en het aanbod daarvan.

De doelstellingen zijn zoveel mogelijk onderbouwd met relevante en zinvolle prestatiegegevens (indicatoren of evaluatieonderzoek) waaraan streefwaarde of streefrichting is verbonden. Waar we een onderbouwing van doelstellingen met prestatiegegevens zinvol achten, maar nog niet over gegevens beschikken, is een ontwikkelperspectief geformuleerd.

In de gehele begroting is invulling gegeven aan motie Douma (Tweede Kamer, vergaderjaar 2004–2005, 29 949, nr. 11): beleidsdoelen zijn geformuleerd in termen van te realiseren maatschappelijke effecten en daarvan afgeleide prestatiegegevens. Waar hiervan is afgeweken, wordt in het artikel een motivering gegeven volgens het principe «pas toe of leg uit» (comply or explain). Voor de volgende beleidsartikelen kunnen (nog) geen zinvolle en relevante prestatiegegevens met streefwaarden worden weergegeven:

• Art. 5 Technocentra. Het Platform Bèta-Techniek evalueert jaarlijks de jaarverslagen van de technocentra. De evaluatie van de jaarverslagen over 2008 verschijnt in het najaar van 2009.

• Art. 8.3.2 Internationaal beleid. Prestatie-indicatoren zijn hier weinig zinvol, het is niet goed mogelijk om een kwantitatieve relatie te leggen tussen de Nederlandse inzet in internationaal overleg met vele actoren en het bereiken van internationale doelen. Uiteraard is er wel kwalitatieve informatie beschikbaar, ondermeer rond belangrijke vergaderingen van de EU en de UNESCO.

• Art. 11, 12 en 13 Studiefinanciering, WTOS, Lesgelden. De doelstellingen op deze beleidsterreinen worden onderbouwd met kengetallen van onder andere de onderwijsdeelname en het verwachte rendement, en van het aantal ontvangers of gebruikers. Hierbij zijn geen streefwaarden vastgesteld. Het streven van de overheid is gericht op het waarborgen van de financiële toegankelijkheid van het onderwijs en niet dat zoveel mogelijk studerenden gebruik maken van deze instrumenten. De onderwijsdeelname en het rendement zijn het resultaat van een breed scala van factoren, waarbij de beschikbaarheid van studiefinanciering of WTOS een relatief beperkte rol speelt.

Ook in de begroting 2010 is de invloed van het beleid op de gewenste maatschappelijke situatie niet altijd rechtstreeks of volledig vast te stellen, het betreft immers complexe beleidsproblemen en ingewikkelde causale relaties. Een van de belangrijkste functies van de opgenomen indicatoren is dat zij een positieve of negatieve trend, soms in internationaal perspectief, kunnen signaleren. In deze begroting zijn de prestaties van het beleid zo goed mogelijk in beeld gebracht, maar enige terughoudendheid bij de beoordeling van de indicatoren is altijd geboden: het zijn indicaties van de uitkomsten van het beleid. Niettemin zijn in deze begroting de maatschappelijke doelstellingen en prioriteiten op creatieve wijze en met ambitie geformuleerd en zo adequaat mogelijk onderbouwd met meetbare prestatie- en effectgegevens.

In het constituerend beraad van 22 februari 2007 is vastgesteld dat de minister voor Jeugd en Gezin medebetrokken is bij een aantal beleidsterreinen waarvoor andere bewindspersonen primair verantwoordelijk zijn. Een en ander is vervolgens nader toegelicht (Tweede Kamer, vergaderjaar 2006–2007, 31 001, nr. 3).

De minister voor Jeugd en Gezin is medebetrokken bij het beleid ten aanzien van de WMO, AWBZ, kinderopvang, voorschoolse opvang, leerlinggebonden financiering, de TOG-regeling en preventie in het SZW-domein, interlandelijke adoptie en interlandelijke kinderontvoering, aanpak jeugdcriminaliteit, strafzaken Raad voor de Kinderbescherming, Halt, JJI’s en jeugdreclassering en huiselijk geweld.

Medebetrokkenheid in deze impliceert dat de minister voor Jeugd en Gezin door de primair verantwoordelijke bewindspersonen op deze terreinen actief geïnformeerd wordt over en vanuit het kabinet als eerste betrokken wordt bij beleidsonderwerpen en dossiers die raken aan de verantwoordelijkheid van de minister van Jeugd en Gezin voor een integraal jeugd- en gezinsbeleid. Ook houdt dit in dat de minister voor Jeugd en Gezin pro-actief alle zaken aankaart bij zijn collega-bewindspersonen, en bij bovengenoemde onderwerpen in het bijzonder, die hij in het belang van de jeugd en het gezin acht.

Naar aanleiding van de motie Bakker c.s. (Tweede Kamer, vergaderjaar 2005–2006, 30 391, nr. 3) is per beleidsartikel een tabel opgenomen waarbij per operationele doelstelling vanaf 2009 wordt aangegeven hoeveel middelen juridisch verplicht zijn, hoeveel middelen bestuurlijk gebonden en hoeveel middelen niet juridisch verplicht of bestuurlijk gebonden.

Dienst Uitvoering Onderwijs

Vanaf 1 januari 2010 vormen CFI en IB-Groep samen de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO). M.i.v. van ontwerpbegroting 2010 zal in de tabellen budgettaire gevolgen van beleid bij programmakosten-overig geen onderscheid meer zichtbaar zijn.

c. Niet-beleidsartikelen

Er zijn vier zogenaamde niet-beleidsartikelen:

• nominaal en onvoorzien

• ministerie algemeen

• inspecties

• adviesraden

d. Bedrijfsvoeringsparagraaf

In deze paragraaf wordt ingegaan op de interne bedrijfsvoering. Hierin wordt een toelichting gegeven op de belangrijkste ontwikkelingen op dit gebied. Daarnaast worden knelpunten beschreven die mogelijk een risico vormen voor de realisatie van de beleidsdoelstellingen en wordt aangegeven welke beheersmaatregelen hierbij worden genomen. Voor wat betreft de externe sturing komen dit jaar specifiek punten als ontwikkelingen in de uitvoering, de administratieve lastendruk, evidence based onderwijsbeleid en het rijksbrede subsidiekader aan de orde.

e. Diensten die een baten-lasten stelsel voeren

Dit onderdeel bevat de cijfermatige overzichten van baten-lastendiensten «Dienst Uitvoering Onderwijs» en het «Nationaal Archief».

f. Verdiepingshoofdstuk

In dit onderdeel worden per beleidsartikel de mutaties getoond tussen de stand ontwerpbegroting 2009 en de ontwerpbegroting 2010. De ondergrens voor het toelichten van mutaties is € 2,2 miljoen. Een aantal mutaties is centraal toegelicht (loonbijstelling, prijsbijstelling, intensiveringen, ombuigingen).

g. Tabel budgetflexibiliteit

Conform de toezegging tijdens het wetgevingsoverleg over ontwerpbegroting 2009 is met ingang van ontwerpbegroting 2010 een tabel budgetflexibiliteit opgenomen alsmede de bestuurlijk gebonden componenten.

h. Bijlagen

De volgende bijlagen zijn bij de begroting opgenomen:

• Overzicht moties en toezeggingen

• Overzicht RWT’s en ZBO’s

• Afkortingen

• Begrippen

• Trefwoorden

2. BELEIDSAGENDA

Inleiding

Deze beleidsagenda gaat over de tweede helft van de regeerperiode van het kabinet Balkenende IV. Om de ambities en beleidsdoelen uit het Coalitieakkoord te realiseren, is al het nodige gedaan. Wat moet er nog gebeuren in de resterende tijd van deze kabinetsperiode en hoe gaat OCW dit aanpakken? En, welke gevolgen heeft de economische crisis voor het OCW-beleid? Met deze beleidsagenda wil het kabinet daar een antwoord op geven.

Onderwijs

Het kabinet gelooft in de kracht van goed onderwijs. Mensen hebben goed onderwijs nodig om bestaanszekerheid op te bouwen. En op de (steeds internationaler wordende) arbeidsmarkt is goed onderwijs een voorwaarde om te slagen. Ontwikkelingen in onze maatschappij, als vergrijzing en bevolkingsdaling, zijn van invloed op het onderwijs. Deze ontwikkelingen heeft het kabinet in het achterhoofd bij het nadenken over goed onderwijs, nu en in de toekomst.

Veranderingen in het onderwijs hebben tijd nodig, resultaten van beleid zijn niet van de ene op de andere dag zichtbaar. Toch zien we in het onderwijs nu al meer aandacht voor structuur en prestaties, zoals het kabinet zich in 2007 tot doel stelde. Rekenen en taal worden weer centraal gesteld in het onderwijs, er is meer controle op onderwijstijd en contacturen en er is aandacht voor de verdere ontwikkeling van de leerling in doorlopende leerlijnen. Ook is er een nieuwe gestrengheid en meer ambitie in het onderwijs gekomen. Niet ieder kind kan zich optimaal ontplooien in een omgeving waar de docent samen met de leerling op zoek gaat naar wat de leerling kan en wil. Sommige leerlingen hebben meer kaders en sturing nodig.

Leraren

Bij alle ambities voor goed onderwijs past de overheid enige bescheidenheid. Leraren hebben de hoofdrol. De economische teruggang zorgt voor tijdelijke verlichting van de situatie op de onderwijsarbeidsmarkt. Het afgelopen jaar is het arbeidsaanbod voor de vervulling van de vacatures verruimd. De sector heeft weer iets om te kiezen. Dat is goed voor de kwaliteit van het onderwijs. Het is zaak om deze nieuwe leraren ook voor langere tijd aan het onderwijs te binden, zodat zij niet het onderwijs de rug toekeren zodra de economie weer aantrekt. Voor de iets langere termijn blijven de zorgen om lerarentekort in kwantitatieve en kwalitatieve zin echter onverminderd van kracht. Immers de vergrijzingproblematiek in het onderwijs en daarmee de hoge vraag naar bevoegde en bekwame docenten zal nog vele jaren duren. Het actieplan Leerkracht van Nederland biedt een antwoord op deze structureel hoge vraag naar leraren en de daarmee gepaard gaande druk op de kwaliteit van het onderwijs. Door leraren meer scholingsmogelijkheden en een verbeterd salaris- en loopbaanperspectief te bieden worden de voorwaarden geschapen om hen voor de sector te behouden en nieuwe mensen te interesseren voor dit boeiende en uitdagende beroep.

De eerste stappen in de uitvoering van dit actieplan zijn gezet, in de vorm van een convenant met de sociale partners en de kwaliteitsagenda «Krachtig meesterschap». Er is gestart met het inkorten van de carrièrelijnen, verhoging van de schaaluitloopbedragen en invoering van de functiemix in de randstad voor voortgezet onderwijs. In 2010 wordt dit convenant verder uitgewerkt. Zo wordt de positie van de leraar versterkt door het vastleggen van de «professionele ruimte» van de leraar in sectorwetten en via de lerarenbeurs voor scholing. Ook wordt in 2010 verder geïnvesteerd in de beloningsmaatregelen voor leraren. Bovendien werken we in 2010 aan het verder verbeteren van de kwaliteit van de lerarenopleidingen in het hbo (kennisbases en kennistoetsen) en wordt de educatieve minor ingevoerd. Met de introductie van die educatieve minor hoopt het kabinet bachelorstudenten aan de universiteit al vroeg te interesseren voor het leraarschap.

Wikiwijs kan een belangrijke bijdrage leveren aan de profesisonalisering van leraren. Wikiwijs maakt het beroep aantrekkelijker, omdat leraren zelf weer aan het roer komen te staan. Met Wikiwijs kunnen leraren zelf digitaal lesmateriaal ontwikkelen. Docenten zijn hierdoor eigenaar van de inhoud. Zij kunnen materiaal vinden, plaatsen, aanpassen, met elkaar hun expertise en inzichten delen, en natuurlijk het materiaal gebruiken in hun lessen. In de loop van het schooljaar 2010/2011 komt Wikiwijs beschikbaar voor het hele onderwijs.

Rekenen en taal

In 2007 wilde het kabinet de leerprestaties van alle leerlingen voor rekenen en taal aantoonbaar verbeteren. Voldoende kunnen lezen, schrijven, spellen en rekenen is niet alleen nodig voor een geslaagde schoolcarrière, maar ook om goed te kunnen functioneren in onze samenleving. Samen met de scholen werkt het kabinet er daarom aan rekenen en taal weer tot de kern van het onderwijs te maken. Zo wordt ook in 2010 geïnvesteerd in schakelklassen in het basisonderwijs waarin leerlingen een jaar lang extra taalonderwijs krijgen. Verder komen er vanaf augustus 2010 wettelijke referentieniveaus. Deze niveaus geven leraren en scholen houvast bij het opnieuw uitwerken van hun reken- en taalbeleid. De referentieniveaus schrijven voor welke taal- en rekenvaardigheden leerlingen op verschillende momenten van hun schoolloopbaan moeten beheersen.

Aanval op de schooluitval

Het kabinet wilde in 2007 het aantal schooluitvallers halveren, van 71 000 in 2002 tot 35 000 in 2012. Om deze halvering te halen, moet de schooluitval jaarlijks cumulatief met 10% verminderen; 10% in schooljaar 2007/2008, oplopend tot een reductie van 40% in het schooljaar 2010/2011 (in cijfers zichtbaar in 2012). De doelstelling voor het schooljaar 2009/2010 is een vermindering van 30%, ten opzicht van het aantal in schooljaar 2005/2006 (in cijfers zichtbaar in 2011).

Om dit doel te halen, heeft het kabinet een aantal maatregelen genomen. Eén van deze maatregelen is het verruimen van de mogelijkheden om door te stromen naar een hogere opleiding. Ook kunnen leerlingen weer makkelijker opleidingen «stapelen». Met name voor de groep laatbloeiers kan deze laatste maatregel effectief zijn. Het kabinet heeft besloten om de maximale verblijfsduur voor de leerlingen af te schaffen. Verder komen er «plusvoorzieningen» voor «overbelaste» jongeren. Deze voorzieningen zijn een combinatie van onderwijs, zorg, en ondersteuning bij het vinden van werk. De vorming van «plusvoorzieningen» wordt ook in 2010 financieel gestimuleerd in samenwerking met Jeugd en Gezin.

Passend onderwijs

Sommige leerlingen hebben extra ondersteuning nodig bij het volgen van onderwijs vanwege een beperking. Een deel van de leerlingen volgt daarom onderwijs op het (voortgezet) speciaal onderwijs. Een ander deel van deze lerlingen neemt (met behulp van de zogenaamde «rugzak») deel aan het regulier onderwijs. Het doel van het kabinet is dat zij gebruik kunnen maken van een kwalitatief hoogstaand onderwijs- en zorgaanbod dat bij hen past zodat ze zich optimaal kunnen ontwikkelen. Hierdoor kunnen meer leerlingen van deze groep een diploma halen of duurzaam naar de arbeidsmarkt worden begeleid waardoor de instroom naar de WAJONG wordt verminderd. Het proces om te komen tot passend onderwijs wordt op dit moment opnieuw vormgegeven, waarbij de inhoud en kwaliteit van het zorgaanbod weer centraal wordt gesteld. In september zal de Tweede Kamer hierover een specifiek plan van aanpak ontvangen.

De basis op orde in het mbo

De Mbo-instellingen staan voor een ingrijpende opgave. Steeds duidelijker komt het belang van gedegen bedrijfsvoering naar voren. Mbo-instellingen dienen de bedrijfsvoering op orde te hebben, variërend van goede klachtenregelingen tot adequate leerplichtregistratie, van goede roosters tot voldoende lesuren, van inbedding van de medezeggenschap in de organisatie tot het professionaliseren van personeel. Dit doet een sterk beroep op de sturingskracht van bestuurders. In dat licht zal dit najaar gestart worden met gesprekken met individuele besturen over de prestaties van hun instelling en de algehele bedrijfsvoering.

Maatschappelijke stages

De bedoeling van de maatschappelijke stage is om leerlingen te leren zich als actieve burgers op te stellen. Eigen initiatief van leerlingen staat daarbij voorop. De inzet van het kabinet is dat alle leerlingen die in 2011/2012 beginnen op het voortgezet onderwijs, een maatschappelijke stage doen. In het schooljaar 2008/2009 was 96% van de scholen met de maatschappelijke stage aan de slag. In 2010 ligt de nadruk op de verdere inbedding in de school en een betere samenwerking van scholen onderling en met de organisaties die de stages aanbieden. Signalen uit het veld (via maatschappelijke stageteams, de pilots en tijdens bijeenkomsten in het land) hebben aanleiding gegeven om het voorgenomen aantal uren maatschappelijke stage terug te brengen. Voorafgaand aan Prinsjesdag heeft de Tweede Kamer hierover een brief ontvangen waarin dit verder is uitgewerkt. Een en ander is in deze begroting verwerkt.

Goed onderwijs, goed bestuur

Kinderen hebben recht op onderwijs van goede kwaliteit. Zeer zwakke scholen bieden dat niet en zijn dan ook ongewenst. Het kabinet wil in deze kabinetsperiode het aantal zeer zwakke basisscholen en scholen voor voortgezet onderwijs halveren. Verder moet voorkomen worden dat zwakke scholen afglijden naar «zeer zwak» en moet gezorgd worden dat de periode dat ze zeer zwak zijn, wordt verkort. Op dit moment is er een toename van het aantal zeer zwakke scholen in het primair onderwijs te zien. Om dit aan te pakken wordt het «Actieplan zeer zwakke basisscholen» (Tweede Kamer, vergaderjaar 2008–2009, 31 293, nr. 28) uitgevoerd. Dit betekent dat onder andere alle zeer zwakke scholen binnen één jaar een tussenbeoordeling krijgen van de kwaliteit. Ervaren schoolleiders worden gekoppeld aan collega’s van zwakke scholen voor het uitwisselen van kennis en ervaring. In het voortgezet onderwijs is al een afname van het aantal zeer zwakke scholen te zien, maar verdere inzet blijft noodzakelijk. Hiervoor is het «Actieplan zeer zwakke scholen in het voortgezet onderwijs» (Tweede Kamer, vergaderjaar 2008–2009, 31 289, nr. 55). In 2010 worden deze plannen verder ter uitvoering gebracht. Het wetsvoorstel «Goed Onderwijs, Goed Bestuur in po en vo» creëert de mogelijkheid om in het uiterste geval een school te sluiten om te voorkomen dat leerlingen onnodig lang slecht onderwijs krijgen. Bestuurders van scholen en instellingen zijn verantwoordelijk voor goed onderwijs op hun school. Het kabinet is verantwoordelijk voor de kwaliteit van het onderwijsstelsel. Bovengenoemd wetsvoorstel erkent deze rol van de overheid. Het wetsvoorstel ligt nu ter behandeling in de Tweede Kamer. Het streven is dat het in 2010 van kracht wordt.

Menselijke maat

Onderwijsinstellingen moeten overzichtelijk zijn, zodat iedereen in en rond de school de verantwoordelijkheid voor de school samen kan invullen. Daarover gaat het bij de «menselijke maat». Op 28 november van 2008 heeft OCW een brief aan de Tweede Kamer (Tweede Kamer, vergaderjaar 2008–2009, 31 135, nr. 16) gestuurd, met daarin een aantal maatregelen die de keuzevrijheid en legitimiteit in het onderwijs garanderen. Eén van de concrete maatregelen die in de brief wordt aangekondigd, is de fusietoets. Deze toets verplicht instellingen en besturen hun fusievoornemens aan de minister ter beoordeling voor te leggen. Bij het nemen van een beslissing over een fusievoornemen vraagt de minister een onafhankelijke commissie om advies, tenzij er redenen zijn om dit niet nuttig of nodig te achten.

Hoger Onderwijs, Onderzoek en Wetenschap

Wetenschappelijk onderzoek draagt bij aan oplossingen voor problemen in de maatschappij. Hoe beter het onderzoek, hoe groter de kans op een oplossing. Daarom heeft het kabinet besloten om de beste wetenschappers de ruimte te geven voor onafhankelijk en vernieuwend wetenschappelijk onderzoek, door middelen meer in competitie in te zetten en actieve deelname van Nederlandse kennisinstellingen in de Europese onderzoeksruimte te stimuleren. Om het dreigende verlies van potentieel als gevolg van de economische crisis tegen te gaan, heeft OCW samen met het ministerie van EZ in 2009 een programma opgezet om kenniswerkers en onderzoekers uit bedrijven voor Nederland te behouden. Zij kunnen tot eind 2010 worden ingezet bij publieke kennisinstellingen voor onderzoek op het gebied van belangrijke maatschappelijke thema’s.

Het kabinet verwoordde voor het hoger onderwijs de ambitie om de uitval te verminderen en de onderwijskwaliteit te verbeteren. In 2008 heeft OCW resultaatafspraken gemaakt met universiteiten en hogescholen over minder uitval en meer studiesucces, onder andere door middel van het verhogen van de contacttijd en het verhogen van het niveau van docenten. Deze resultaatafspraken moeten aan het eind van deze kabinetsperiode leiden tot een zichtbare verbetering van kwaliteit en studiesucces in het hoger onderwijs. Om deze resultaten te halen, is het nodig dat studenten meer uit hun studie halen, betere resultaten boeken en bewuster voor een opleiding kiezen. Daarom wordt de intake aan het begin van de studie verbeterd (via studiekeuzegesprekken) en wordt bij wet het principe «eerst je bachelor dan je master» ingevoerd voor alle wo-opleidingen. Daarnaast is een nieuw accreditatiestelsel geïntroduceerd, gebaseerd op het uitgangspunt «verdiend vertrouwen». Ook investeert het kabinet in 2010 extra in excellent onderwijs, dat zich internationaal met topopleidingen kan meten. De eerste subsidies zijn toegekend voor experimenten met excellentie binnen het Siriusprogramma. Verder zijn er de experimenten «Open Bestel». Hiervan wordt in 2010 de eerste tussenevaluatie naar de Tweede Kamer gestuurd. In 2015 volgt de eindevaluatie.

In de zomer van 2009 wijzen de eerste gegevens over de nieuwe inschrijvingen voor het hoger beroepsonderwijs en wetenschappelijk onderwijs op een aanzienlijke stijging van eerstejaars studenten ten opzichte van eerdere ramingen. Dit is gezien de wenselijkheid van een goed opgeleide bevolking en de doelstelling om circa 50% hoger opgeleiden te hebben in 2020 een verheugende ontwikkeling. De investeringen van de ho-instellingen en het kabinet in meer studiesucces en kwaliteit gaan hun vruchten afwerpen. In deze tijd van economische recessie heeft deze ontwikkeling ook een dempend effect op de (toename van) de werkloosheid.

Een aanzienlijke stijging van eerstejaars studenten vormt een uitdaging voor hogescholen en universiteiten. Er moet voldoende huisvesting en onderwijscapaciteit zijn en de kwaliteit van de opleidingen moet goed blijven. Conform de gebruikelijke systematiek (waarbij universiteiten en hogescholen meer geld krijgen naarmate er meer studenten komen) vindt in het voorjaar – aan de hand van definitieve gegevens per 1 oktober over het aantal inschrijvingen – nadere besluitvorming plaats.

Kinderopvang

Goede kinderopvang is van groot belang voor ouders die arbeid en zorg combineren en biedt ontwikkelingskansen voor de kinderen. Het kabinet werkt daarom aan het realiseren van een sluitend systeem voor kinderopvang, peuterspeelzaalwerk en voor- en vroegschoolse educatie. De kinderopvang groeit snel en dat is positief, maar dat mag niet ten koste gaan van de kwaliteit. Uit onderzoek naar het kwaliteitsniveau (NCKO, 2009) blijkt dat het niveau ten opzichte van de vorige meting (2005) is gedaald. Het NCKO constateert dat vooral het opleidingsniveau en de deskundigheid van personeel bepalend zijn voor kinderopvang van goede kwaliteit. Samen met de kinderopvangsector zet het kabinet daarom in op een verbetering van het personeelsbestand. Daarnaast wordt in 2010 het systeem van gastouderopvang herzien, om deze zorg te professionaliseren en misbruik en oneigenlijk gebruik te voorkomen. Er blijft ruimte voor kwalitatief goede kleinschalige opvang in huiselijke kring, ook bij de vraagouder thuis, waardoor de keuzevrijheid van ouders voor verschillende vormen van kinderopvang gewaarborgd blijft. Een goede aansluiting van kinderopvang op het onderwijs is van belang voor ouders, maar ook voor de kinderen en voor scholen. Samenwerking zal daarom gestimuleerd worden en innovatieve concepten krijgen de ruimte.

Emancipatie

Het kabinet staat voor gelijke kansen voor iedereen in onze samenleving, vrouwen en mannen, hetero en homo. Er is al een hoop veranderd. Zo is tussen 2004 en 2008 het beloningsverschil tussen mannen en vrouwen binnen de overheid verminderd van 4% naar 2,6%, het aantal vrouwen in topposities is gestegen van 12% naar bijna 20% en ook de arbeidsparticipatie van vrouwen stijgt gestaag. We zijn er echter nog niet; emancipatie blijft onze aandacht nodig hebben. Daarom gaat het kabinet in 2010 door met het uitvoeren van het bestaande emancipatiebeleid.

Media

De eigenheid van het Nederlandse omroepbestel wordt erkend en beschermd in de Erkenningswet. Deze wet, waarin de regels voor erkenning en financiering van omroepverenigingen zijn vastgelegd, wordt in 2010 van kracht. De publieke omroep onderbouwt daarnaast in een nieuw beleidsplan zijn multimediale strategie voor de erkenningsperiode 2010–2015. Op basis hiervan sluit de minister van OCW een meerjarige prestatieovereenkomst met de publieke omroep. Deze overeenkomst gaat over het aanbod en het publieksbereik van de diverse platforms (radio, televisie, themakanalen, internet en overige nieuwe diensten).

Dalende oplagen en teruglopende advertentie-inkomsten zetten de perssector steeds verder onder druk. Het kabinet onderkent de urgentie van deze problematiek en doet er iets aan, omdat de pers (met name dagbladen, nieuwsbladen en opiniebladen) nog altijd een belangrijke functie vervult bij de nieuws- en informatievoorziening aan grote groepen burgers. De financiële voeding van het Stimuleringsfonds voor de Pers wordt hervat, zodat hij zijn reguliere taken kan blijven vervullen. Daarnaast stelt het kabinet extra middelen beschikbaar aan het fonds om daarmee innovatie binnen pers en journalistiek te stimuleren. Het kabinet geeft daarmee uitvoering aan het advies van de Tijdelijke Commissie Innovatie en toekomst Pers (commissie Brinkman) van juni 2009. Bovendien stelt het kabinet extra middelen beschikbaar aan het fonds voor een tijdelijke regeling, waarmee circa 60 jonge journalisten bij krantenredacties aan de slag kunnen. Deze regeling heeft een looptijd van twee jaar.

Monumentenbeleid

Nederland beschikt over een rijk erfgoed. Tot op heden is de monumentenzorg vaak gericht op behoud en bescherming hiervan. Dat is waardevol, want op deze wijze is veel cultureel erfgoed behouden. Maar het monumentenbeleid moet ook beter inspelen op de kwaliteit van de omgeving én aansluiten op maatschappelijke vraagstukken, zoals de herstructurering van aandachtswijken.

Daarom is samen met burgers, sectororganisaties en overheden een nieuwe visie op monumentenzorg ontwikkeld. In 2010 start het wetgevingstraject om deze plannen voor een gemoderniseerde monumentenzorg uit te werken. Het is de bedoeling dat deze wet nog deze kabinetsperiode van kracht wordt.

Rijk cultureel leven

Het kabinet streeft naar een hoogwaardig cultuuraanbod dat voor zoveel mogelijk mensen toegankelijk is. In het cultuurbeleid van het kabinet staan de ontwikkeling van talent en de vergroting van deelname aan cultuur centraal. Vooral jongeren moeten meer in aanraking komen met cultuur. Daarom gaat het nieuwe Fonds voor Cultuurparticipatie in 2010 aandacht besteden aan de positie van amateurkunst, cultuureducatie en volkscultuur. Verder vergroot het kabinet het culturele aanbod met de oprichting van het Nationaal Historisch Museum.

Wat betekent de economische crisis voor OCW

Ook voor de beleidsterreinen van OCW heeft de recente economische crisis consequenties. Net als veel burgers en bedrijven in Nederland moet het kabinet kiezen waar het geld wel en niet aan wordt uitgegeven. OCW wil het primaire proces zoveel mogelijk te sparen. In totaal draagt OCW in 2010 voor € 142 miljoen bij aan bezuinigingen van het kabinet en de dekking van de tegenvallers op de eigen OCW-begroting. Voor een volledig overzicht van de bezuinigingsmaatregelen wordt verwezen naar paragraaf «aansluiting ontwerpbegroting 2009 en 2010».

Iedereen is het er echter over eens dat investeren in onderwijs, cultuur en wetenschap van groot belang is, ook als het even minder gaat. Als de economie op enig moment aantrekt, moeten we beschikken over goed opgeleide mensen die direct weer aan het werk kunnen. De behoefte aan hoogopgeleide arbeidskrachten neemt nu en in de toekomst alleen maar toe. Ook mogen de jongeren van vandaag niet de verloren generatie van morgen worden.

Het kabinet kiest er daarom voor om ook in 2010 te investeren in de leraren, rekenen en taal, het terugdringen van de schooluitval in het onderwijs en de doorlopende leerlijnen. Bovendien wordt in 2009 en 2010 extra geïnvesteerd in onder andere schoolgebouwen (€ 155 miljoen op de OCW begroting en € 10 mln op de Aanvullende Post) en het middelbaar beroepsonderwijs (€ 250 miljoen). Naast geld voor onderwijs is er ook extra geld beschikbaar voor de tijdelijke inzet van «kenniswerkers» (€ 280 miljoen) en monumenten (€ 44 miljoen). Verder stelt het kabinet extra geld beschikbaar voor de aanpak van jeugdwerkloosheid (€ 250 miljoen). Een volledig overzicht van de stimuleringsmaatregelen vindt u bij paragraaf «aansluiting ontwerpbegroting 2009 en 2010».

Per saldo worden aan het einde van deze kabinetsperiode vele honderden miljoenen extra geïnvesteerd in onderwijs, cultuur en wetenschap. Het kabinet streeft ernaar om de ontwikkeling van onderwijs, innovatie en kennis in een nader af te spreken lange termijnpad op tenminste het niveau van het OESO-gemiddelde te brengen. Dit biedt ruimte voor nieuw beleid in de jaren na 2010 en geeft volgende kabinetten een «handreiking» voor het onderwijs-, cultuur- en wetenschapsbeleid.

Tot slot: bijdrage OCW aan kabinetsdoelstellingen en -projecten

Om inzichtelijk te maken op welke manier OCW in 2010 bijdraagt aan de ambities van het kabinet, is de beleidsagenda ingedeeld op basis van de doelstellingen en projecten uit het beleidsprogramma «Samen werken, Samen Leven». De tekst in de beleidsagenda wordt verhelderd door een schakeltabel, waarin de relatie wordt gelegd tussen de doelstellingen, de daarbij horende indicatoren en de beleidsartikelen.

Kwaliteit Onderwijs

37. Verhogen van de kwaliteit van het onderwijs door basis-, voortgezet, en beroepsonderwijs naadloos op elkaar en op het hoger onderwijs aan te laten sluiten

Het doel van het kabinet is om de opbrengst van het onderwijs en in het bijzonder dat van het taal- en rekenonderwijs te verhogen.

Rekenen en taal

Begin 2008 heeft de expertgroep «Doorlopende Leerlijnen Taal en Rekenen» haar eindrapport uitgebracht (Tweede Kamer, vergaderjaar 2007–2008, 31 332, nr. 1). De kern van dit rapport is het voorstel om het «referentiekader nederlands en rekenen/wiskunde» in te voeren. Dit referentiekader brengt meer eenduidigheid in het taal- en rekenonderwijs. Hierdoor wordt duidelijk wat er van leerlingen verwacht wordt op het gebied van rekenen en taal. Leraren, schoolleiders, bestuurders en de sectororganisaties in het po, vo, mbo en hbo hebben zich eind 2008 positief uitgesproken over het «referentiekader».

OCW wil bereiken dat, door de implementatie van het «referentiekader» én de hieraan ondersteunende beleidsinterventies op het gebied van taal en rekenen, in 2010 de gemiddelde leerprestaties van alle groepen leerlingen voor taal en rekenen aantoonbaar zijn gestegen ten opzichte van het peiljaar 2005.

Om dit doel te bereiken gaat OCW in 2010:

• Duidelijk vastleggen wat leerlingen aan het einde van de basisschool, het speciaal onderwijs en de middelbare school op het terrein van taal en rekenen moeten kennen en kunnen. Het «referentiekader» wordt hiervoor het ijkpunt. Dit wordt vastgelegd in een bovensectorale wet.

• Aan de hand van het «referentiekader» objectief en valide vaststellen of basisschoolleerlingen en leerlingen in het speciaal onderwijs voldoen aan de beheersingsniveaus van taal en rekenen.

• De examenprogramma’s in het voortgezet onderwijs ijken aan de hand van het «referentiekader» en de introductie van een rekentoets voor die opleidingen waar geen wiskunde in zit.

• In het mbo centrale examinering invoeren voor taal en rekenen, geijkt aan het «referentiekader». Er wordt gestart met mbo niveau 4.

• De pabo’s ondersteunen bij de ontwikkeling van een «kennisbasis» met bijbehorende normering en toetsen voor taal en rekenen, aan de hand van het «referentiekader».

• Een nulmeting uitvoeren bij het speciaal onderwijs om te bepalen wat het huidige niveau op het gebied van rekenen/wiskunde en Nederlandse taal is.

In totaal wordt hier voor de jaren 2008/2009, 2009/2010, 2010/2011 ruim € 115 miljoen voor uitgetrokken. In het kader van het deltaplan taal en rekenen mbo komt hier vanaf 2010 nog eens jaarlijks € 50 miljoen bij.

IndicatorMeest recente gerealiseerde waarde t.o.v. streefwaarde 2008Streefwaarde 2011Verwijzing Artikel én OD
Taal en rekenenGemiddelde vaardigheidscores in groep 8 (basisschool) voora. taal – woordenschat b. taal – spelling c. taal – begrijpend lezen d. rekenen(bron: Cito – Jaarlijks Peilingsonderzoek van het Onderwijsniveau)1Taal en rekenen  a. 250 (2008) b. 250 (2008) c. 250 (2008) d. 250 (2008)Taal en rekenen  a. ≥ realisatie voorgaand jaarb. ≥ realisatie voorgaand jaarc. ≥ realisatie voorgaand jaard. ≥ realisatie voorgaand jaarTaal en rekenenArt. 1, OD 1.3.2
    
Percentage 15 jarige leerlingen met lage leesvaardigheden.(bron: PISA 2006)15,1% (2006)Nieuwe PISA resultaten voor 2009 komen in 2010 beschikbaar.8% (2015)(EU Lissabondoelstelling)Tenminste stabilisatie van de leerlingprestaties in het vo ogv taal in internationale en longitudinale onderzoeken zoals PISA, PIRLS en VOCL ten opzichte van het beeld in het meetjaar 2003.Art. 3, OD 3.3.2
Percentage leerlingen (derde klas vo) op of boven referentieniveau 2 F begrijpend lezen(bron: COOL 2008)75% (2008)Vanwege beschikbare gegevens is de berekeningsmethode voor lezen anders dan voor rekenen. De methode wordt in 2010 herzien, hierdoor zijn er nu geen streefwaarden geformuleerd.Art. 3, OD 3.3.2
Percentage leerlingen (derde klas vo) op of boven referentieniveau 2 F rekenen/wiskunde(bron: COOL 2008)55% (2008)Vanwege beschikbare gegevens is de berekeningsmethode voor lezen anders dan voor rekenen. De methode wordt in 2010 herzien, hierdoor zijn er nu geen streefwaarden geformuleerd.Art. 3, OD 3.3.2

1 De in eerdere begrotingen opgenomen indicatoren voor taalvaardigheid- en rekenvaardigheid in groep 8, gebaseerd op het NWO Cohortonderzoek, zijn vervangen door deze indicatoren. Deze gegevens zijn gebaseerd op onderzoek dat het Cito tot en met 2011 uitvoert. Daarmee zijn jaarlijks gegevens beschikbaar over de taal- en rekenvaardigheid (in plaats van driejaarlijks). Het gaat om een nulmeting. Zodra de uitkomsten van de vervolgmeting beschikbaar zijn, zal in overleg met de PO-raad bekeken worden of meer exacte streefwaarden mogelijk zijn.

Gewichtenregeling primair onderwijs

Het kabinet stelt sinds het schooljaar 2009/2010 extra geld beschikbaar voor scholen in zogenoemde impulsgebieden. Dit zijn gebieden met een opeenstapeling van problemen zoals lage inkomens en lage opleidingsniveaus, beide veroorzakers van verhoging van het risico op onderwijsachterstanden. Met het extra geld wil het kabinet deze onderwijsachterstanden bestrijden, onder andere door middel van vroegschoolse educatie (zie ook doelstelling 39). Verder wil het kabinet op basis van een wetenschappelijke effectmeting bepalen hoe extra onderwijstijd kan bijdragen aan de reductie van taal- en rekenachterstanden.

Om deze doelen te bereiken gaat OCW in 2010:

• Extra geld toekennen aan scholen die zijn gehuisvest in een impulsgebied. Dit zijn niet alleen stedelijke gebieden, maar ook plattelandsgebieden. Deze impulsgebieden worden vastgesteld bij ministeriële regeling op basis van de «Armoedemonitor» van het SCP/CBS. Deze regeling wordt na vier jaren geëvalueerd; de eerste evaluatie vindt plaats in 2011. Scholen in de gebieden waar de problemen het grootst zijn, krijgen dus ook de meeste middelen om het onderwijsaanbod en de kwaliteit daarvan fors te verhogen.

• Subsidie beschikbaar stellen voor scholen met achterstandsleerlingen. Deze scholen gaan in samenwerking met andere basisscholen uit de buurt, de gemeente en het voortgezet onderwijs, extra onderwijstijd aanbieden voor taal en rekenen. Voor 2010 is een bedrag van € 12 miljoen beschikbaar.

• Door het wetenschappelijk meten en monitoren van de effecten van genomen maatregelen inzicht krijgen in wat er nodig is om met extra onderwijstijd de onderwijsachterstanden in te lopen.

IndicatorMeest recente gerealiseerde waarde t.o.v. streefwaarde 2008Streefwaarde 2011Verwijzing Artikel én OD
GewichtenregelingReductie taalachterstand doelgroepleerlingen aan het einde van de basisschool:a. begrijpend lezenb. woordenschat(Bron: COOL-cohortonderzoek NWO)Gewichtenregeling   a. 0% (2008)b. 0% (2008)Gewichtenregeling   a. – 20% (2011)b. – 20% (2011)GewichtenregelingArt. 1, OD 1.3.3

In de periode 2001–2005 nam de taalachterstand af (– 21%). De reductie van de taalachterstand was gebaseerd op twee gegevens: taalvaardigheid en begrijpend lezen. Het eerste gegeven is niet meer beschikbaar. Daarom wordt overgestapt op een nieuwe definitie met als streefwaarde een reductie van 20% ten opzichte van 2008. In de oude definitie ging het om een reductie van 40% ten opzichte van 2001.

Onderwijstijd voortgezet onderwijs en middelbaar beroepsonderwijs

In december 2008 heeft de commissie Onderwijstijd aanbevelingen gedaan over de onderwijstijd in het voortgezet onderwijs. Op 27 maart 2009 is de beleidsreactie op de aanbevelingen van de commissie naar de Tweede Kamer gestuurd (Tweede Kamer, vergaderjaar 2008–2009, 31 289, nr. 56). De aanbevelingen van de commissie Onderwijstijd worden nadrukkelijk gezien als een totaalpakket dat een zo goed mogelijke balans biedt tussen de verschillende belangen. De volgende aanbevelingen zijn integraal overgenomen.

• De wettelijke norm voor onderwijstijd wordt in alle leerjaren (met uitzondering van het examenjaar) vastgesteld op 1000 uur. Dit is een realistische norm, die nageleefd kan worden en per saldo leidt tot méér onderwijstijd dan tot dusverre het geval was.

• De definitie van onderwijstijd wordt aangepast, zodat er méér, al dan niet eigentijdse, vormen van onderwijs onder vallen.

• De betrokkenheid van ouders, leerlingen en leraren bij de kwalitatieve invulling van het onderwijsprogramma wordt vergroot (instemmingsrecht medezeggenschapsraad, tevredenheidonderzoek, verantwoording bevoegd gezag).

• De zomervakantie in het voortgezet onderwijs wordt met een week ingekort tot zes weken, de vrijgekomen vijf dagen kunnen door de school worden ingezet als roostervrije dagen verspreid over het jaar. Welke dagen dat zijn, wordt in overleg met de medezeggenschapsraad bepaald. De zomer-, kerst- en meivakantie worden centraal vastgesteld, voor de overige vakanties geeft de overheid geen adviesdata meer.

Om deze aanbevelingen in te voeren, gaat OCW in 2010:

• Starten met het opstellen van een wet om bovenstaande aanbevelingen in te voeren. De bedoeling is dat de nieuwe wet onder een aantal randvoorwaarden per 1 augustus 2011 ingaat. De invoering start met een aantal pilots gericht op meer inspraak voor de ouders, leerlingen en leraren (horizontale verantwoording) in het schooljaar 2009/2010.

Voor de bve-sector streeft OCW naar naleving van de 850 urennorm (programmering en realisatie) bij 100% van de bol-opleidingen. Om de voortgang te monitoren, is in 2009 een evaluatie uitgevoerd naar de onderwijstijd in de bol- en bbl-opleidingen. In 2010 wordt een rapportage met de uitkomsten van deze evaluatie naar de Tweede Kamer gestuurd.

IndicatorMeest recente gerealiseerde waarde t.o.v. streefwaarde 2008Streefwaarde 2011Verwijzing Artikel én OD
OnderwijstijdMate waarin vo en vso scholen en mbo opleidingen aan de normen voor onderwijstijd voldoen(bron: Inspectie van het Onderwijs)Onderwijstijd28% (2007/2008)(dit percentage is gebaseerd op oude definitie onderwijstijd van 1040 uur, m.u.v. het examenjaar)OnderwijstijdHet streven is dat het overgrote deel van de scholen in 2011 voldoet aan de nieuwe norm van 1000 uur, (m.u.v. het examenjaar).OnderwijstijdArt. 3, OD 3.3.2
Mate waarin mbo opleidingen aan de normen voor onderwijstijd voldoen(bron: Inspectie van het Onderwijs)91% (2007/2008)100% (2011)Art. 4, OD 4.3.2

Verminderen aantal zeer zwakke scholen primair onderwijs, voortgezet onderwijs en (voortgezet) speciaal onderwijs

Het streven is en blijft dat in 2011 het aantal zeer zwakke scholen primair onderwijs, voortgezet onderwijs en (voortgezet) speciaal onderwijs is gehalveerd. Verder moet voorkomen worden dat zwakke scholen afglijden naar «zeer zwak» en moet de periode dat ze zeer zwak zijn, worden verkort.

Om dit doel te bereiken gaat OCW in 2010:

• Het toezicht op zwakke en zeer zwakke scholen intensiveren.

• Zeer zwakke scholen volgen een verbetertraject. De Inspectie van het Onderwijs voert, binnen een jaar na de start van dit traject, een tussentijds beoordelingsonderzoek uit naar de onderwijskwaliteit.

• Zwakke scholen gaan, gelijk aan de zeer zwakke scholen, ook een verbeterplan maken.

• Besturen van zeer zwakke scholen ondersteunen bij de start van het verbetertraject. Deze scholen kunnen dan gebruik maken van een analyseteam van externe experts. Deze experts helpen de school de oorzaken van het slechte functioneren te achterhalen. Bijvoorbeeld de bestuurlijke context, de organisatie en de omgeving van de school. De PO-raad ondersteunt in samenwerking met de WEC-Raad de scholen bij dit verbeterproces.

• Zorgen dat het mogelijk wordt om een schoolleider van een zwakke school te koppelen aan een schoolleider van een onderwijsinstelling die de zaken goed op de rails heeft (twinning). De bedoeling is dat hierdoor voorkomen wordt dat de school «afglijdt» naar «zeer zwak».

• Zorgen dat scholen in het voortgezet onderwijs een beroep kunnen doen op het «steunpunt zeer zwakke scholen» van de VO-raad. Het steunpunt ondersteunt de (zeer) zwakke scholen bij het opstellen van het verbetertraject.

• Met de indiening van het wetsvoorstel «Goed onderwijs, goed bestuur» wil de minister van OCW de mogelijkheid krijgen de bekostiging van een basisschool of een school voor (voortgezet) speciaal onderwijs in het belang van de leerlingen te beëindigen wanneer er sprake is van aanhoudend slecht onderwijs. Als het wetsvoorstel wordt aangenomen, dan krijgt de minister ook de mogelijkheid het bestuur van een school een aanwijziging te geven als er sprake is van bestuurlijk wanbeheer.

IndicatorMeest recente gerealiseerde waarde t.o.v. streefwaarde 2008Streefwaarde 2011Verwijzing Artikel én OD
Zeer zwakke scholenPercentage zeer zwakke scholena. in het basisonderwijsb. in het speciaal basisonderwijsc. in het (voortgezet) speciaal onderwijsd. in het voortgezet onderwijs(bron: Inspectie van het Onderwijs)Zeer zwakke scholen a. 1,5% (01-01-2009)b. 6,4% (2005/2006)c. 5% (2005/2006) d. 1,8% (01-01-2008)Voor b. en c. zijn nog geen nieuwe realisatiecijfers beschikbaar. De eerstvolgende meting betreft schooljaar 2008/2009.Zeer zwakke scholen a. 0,65% (01-01-2011)b. 3,2% (2010/2011)c. 2,5% (2010/2011) d. 1,4% (2010/2011)Zeer zwakke scholen a. Art. 1, OD 1.3.2b. Art. 1, OD 1.3.3c. Art. 1, OD 1.3.3 d. Art. 3, OD 3.3.2

Realiseren passend onderwijs

Uitgangspunt van het kabinet is dat iedere leerling het onderwijs krijgt dat bij hem of haar past. Dat geldt ook voor de leerlingen die extra zorg nodig hebben: Voor hen geldt daarnaast dat ze ook een zorgaanbod krijgen dat bij hen past, zodat ze zich optimaal kunnen ontwikkelen. In de afgelopen jaren is de nadruk bij het project om dit passende onderwijs te realiseren gericht geweest op de bestuurlijke en juridische kant. In juni 2009 is met de Tweede Kamer besproken dat gekomen wordt tot een heroverweging van het proces passend onderwijs waarbij de inhoud en kwaliteit van het geleverde zorgaanbod voor de leerling meer centraal komt te staan. Ouders en onderwijspersoneel vormen hierbij belangrijke actoren. Waar mogelijk zal de leerling die extra zorg nodig heeft in het regulier onderwijs opgevangen moeten worden. Het is dan wel van het grootste belang dat het onderwijspersoneel zich ook handelingsbekwaam voelt. Daarom is dit een specifiek aandachtspunt in dit proces. Een bijzonder aandachtspunt is ook de groei van het aantal geïndiceerde leerlingen in relatie tot de beschikbare middelen. In 2007 is de begroting voor dit doel met structureel € 140 miljoen verhoogd. Het kabinet heeft toen besloten de uitgaven voor speciale leerlingenzorg binnen dit verhoogde budgettaire kader moet blijven. Inmiddels is gebleken dat het aantal geïndiceerde leerlingen verder is gegroeid. Door deze groei wordt het beschikbare budgettaire kader naar verwachting overschreden met een bedrag van € 30 miljoen in 2010 oplopend tot circa € 70 miljoen structureel in 2014. In overleg met het onderwijs wordt een model uitgewerkt met gebudgetteerde financiering voor de speciale leerling-zorg voor kinderen in het (v)so en kinderen met een rugzak (lgf). De huidige beschikbare middelen kunnen op een meer transparante, en meer doelmatige wijze ingezet worden. Hierover zullen afspraken gemaakt worden.

Voorzien is dat in september 2009, na overleg met het veld, in het Plan van Aanpak Passend Onderwijs maatregelen worden opgenomen om de overschrijding te dekken.

IndicatorMeest recente gerealiseerde waarde t.o.v. streefwaarde 2008Streefwaarde 2011Verwijzing Artikel én OD
Passend onderwijsDekking passend zorgaanbod po, vo en (v)so1: specificatie indicatoren nog nader te bepalen.Passend onderwijsn.n.t.b.Passend onderwijs n.n.t.b.Passend onderwijsArt. 1, OD 1.3.3Art. 3, OD 3.3.3
Dekkingsgraad zorg- en adviesteams(bron: Nederlands Jeugdinstituut)(2008):PO 69% (bovenschools)VO 95%BVE 82%100% (2011)Art. 4, OD 4.3.3

1 De indicator(en) voor passend onderwijs worden nog aangepast. Deze zijn op het moment waarop deze Beleidsagenda wordt opgesteld nog niet beschikbaar. De indicatoren zullen worden aangegeven in het plan van aanpak over deze nieuwe benadering die de Tweede Kamer parallel aan deze begroting ontvangt.

Leven Lang Leren

Door het teruglopen van de economische activiteit is de arbeidsmarktsituatie verslechterd en is de werkloosheid toegenomen. Het kabinet wil scholing door middel van een (om)scholingsbonus en de inzet van het «ervaringscertificaat» (EVC) stimuleren om de inzetbaarheid van mensen te vergroten. Leerwerkloketten en regionale samenwerkingverbanden van werkgevers, werknemers, gemeenten, UWV WERKbedrijf en het onderwijs, moeten resulteren in een blijvende infrastructuur op het terrein van leren en werken. Het investeren in een dergelijke infrastructuur voor leren en werken draagt bij aan het beter van de grond krijgen van een leven lang leren. Daarnaast studeert het kabinet op een langeretermijnstrategie om een leven lang leren te stimuleren. Het kabinet doet dat mede op basis van het advies dat de Denktank Leren en Werken, voorgezeten door Roger van Boxtel, op 1 juli jl. op verzoek van OCW en SZW heeft uitgebracht. Dit advies bevat concrete aanbevelingen (bijvoorbeeld het wettelijk vastleggen van leren in de arbeidsrelatie) om de leercultuur onder volwassenen te versterken.

Verder wordt in 2010 de publiciteitscampagne rond het «ervaringscertificaat» voortgezet om werknemers en werkgevers te activeren en te informeren. Het kabinet wil dat er in de periode 2008–2011 90 000 leerwerktrajecten bij komen, waarvan 50 000 trajecten gericht op werkzoekenden, met werkloosheid bedreigde werknemers en werkende jongeren zonder een startkwalificatie.

Doelstelling 11. Hoger onderwijs met meer kwaliteit en minder uitval

Het kabinetsbeleid is gericht op het creëren van een ambitieuze studiecultuur in het hoger onderwijs. De basiskwaliteit moet omhoog, excellentie moet meer bevorderd worden en het studiesucces moet verbeterd worden. Dat laatste betekent onder andere dat minder studenten zullen uitvallen.

Om deze doelen te bereiken gaat OCW in 2010 :

• De uitvoering van meerjarenafspraken (2008–2011) met universiteiten en hogescholen over reductie van uitval, meer differentiatie (ambitieuze programma’s) en verbetering van de kwaliteit van docenten monitoren. De voortgang van de afspraken wordt jaarlijks gevolgd via Kennis in Kaart. De voortgang is ook onderwerp van jaarlijks bestuurlijk overleg tussen de minister van OCW, de VSNU en de HBO-raad. De Inspectie van het Onderwijs voert een kwalitatieve evaluatie van de meerjarenafspraken uit. Deze evaluatie wordt betrokken bij de eindafweging die OCW in 2011 over de meerjarenafspraken zal maken.

• De uitvoering van meerjarenafspraken met de hogescholen in de Randstad over het studiesucces van niet-westerse allochtone studenten monitoren. Niet-westerse allochtone studenten maken een enorme inhaalslag. De afgelopen tien jaar is het aantal niet-westerse allochtone studenten in het hoger onderwijs verdubbeld. De groeiende doorstroom naar het hoger onderwijs toont hun doorzettingsvermogen en ambitie. Vooral omdat niet-westerse allochtone studenten vaak via een lange weg het hoger onderwijs bereiken. Toch blijft het studiesucces vaak nog achter. Daarom heeft OCW sinds 2008 hierover meerjarenafspraken gemaakt met de hogescholen in de randstad. Ook deze meerjarenafspraken, die in principe een periode van zes jaar bestrijken, worden begin 2011 door OCW heroverwogen op grond van een uitgebreide audit. In 2010 zullen er ook voorbereidende gesprekken met de universiteiten in de Randstad worden gevoerd. Deze zullen in 2011 ook meedoen aan het arrangement.

• Via het convenant LeerKracht inzetten op het verhogen van het opleidingsniveau van hbo-docenten, als onderdeel van de meerjarenafspraak met de hogescholen. Om dit te bereiken kunnen docenten nu gebruik maken van de lerarenbeurs én zijn extra middelen in het hbo ingezet oplopend tot € 12 miljoen in 2012. Doel hiervan is in 2014 70% van de hbo-docenten een master- of eerstegraadsniveau (in 2008 57%) te laten bereiken en in 2017 10% gepromoveerd te laten zijn of deel te laten nemen aan een promotietraject. De gedachte hierachter is dat een hoger opleidingsniveau van docenten de onderwijskwaliteit verhoogt.

• Daarnaast is het kabinet in 2008/2009 gestart met twee tranches experimenten met studiekeuzegesprekken voor het begin van de hbo- of wo-opleiding en een verbeterde studiekeuzebegeleiding. In 2010 zullen de eerste, betekenisvolle uitkomsten daarvan beschikbaar komen.

• Starten met projecten gericht op excellentie in de masterfase. In 2009 liep de eerste tranche van het Siriusprogramma, met projecten gericht op excellentie in de bachelorfase. In 2010 starten projecten in de masterfase (totaalbudget € 10 miljoen(www.siriusprogramma.nl)). Zowel de middelen voor de bachelor- als de masteropleidingen worden competitief verdeeld. In de periode 2009–2014 wordt het programma uitgebreid met in totaal € 11 miljoen.

IndicatorMeest recente gerealiseerde waarde t.o.v. streefwaarde 2008Streefwaarde 2011Verwijzing Artikel én OD
% studie-uitval (uit wo) en studie-switchers (binnen wo) na het (verwijzende en bindende) eerste bachelorjaar in bachelor-2 en -3(bron: VSNU /1 cijfer HO)12% (studenten die zijn gestart met studeren in 2005)peildatum: 2008In de meerjarenafspraak was een percentage van 14 genoemd; na een update van de brongegevens komt dit uit op 12%. Het doel is dit percentage te halveren in 2011.6% (2011)Art. 6/7, OD 6.3.3
    
% wo-studenten dat in vier jaar de bachelor afrondt (bron: VSNU/1 cijfer HO)48,% (studenten die zijn gestart met studeren in 2004)peildatum: 2008> 70% (2014)Art. 6/7, OD 6.3.3
    
Rendement van hbo-studenten na 6 jaar studie (bron: HBO-raad/1 cijfer HO)76% (studenten die zijn gestart met studeren in 2002) peildatum: 200890%peildatum: 2013Art. 6/7, OD 6.3.3
    
Kwaliteit docenten: % hbo-docenten met minimaal een mastergraad(bron: Personeels- en mobiliteitsonderzoek overheidspersoneel 2006)57%, waarvan 4,8% phd peildatum: 2008 70% in 2014, waarvan in 2017 10% gepromoveerd of deelneemt in een promotietrajectArt. 6/7, OD 6.3.2

Doelstelling 38. Voldoende gekwalificeerd onderwijspersoneel nu en in de toekomst

Leraren moeten meer ruimte krijgen voor hun belangrijkste taak: het geven van goed onderwijs. Eind november 2007 kwam het kabinet met een actieplan: «LeerKracht van Nederland» (Tweede Kamer, vergaderjaar 2007–2008, 27 923, nr. 45). Hiermee reageert het kabinet op het advies van de commissie Leraren en het advies van de Onderwijsraad «Leraarschap is eigenaarschap» (Tweede Kamer, vergaderjaar 2007–2008, 27 923, nr. 53). In 2008 hebben de bewindspersonen van OCW met de sociale partners in het onderwijs een convenant over het actieplan gesloten.

OCW gaat in 2010 de maatregelen uit het actieplan Leerkracht van Nederland verder uitvoeren.

• Leraren worden beter beloond (met een sterk accent op opleiding en prestaties) en krijgen een beter loopbaanperspectief. In het convenant «Leerkracht van Nederland» zijn per sector afspraken gemaakt over de invoering van meer hogere leraarsfuncties («functiemix»). In 2010 worden de carrièrelijnen verder ingekort en stelt OCW geld beschikbaar voor een start met de landelijke functiemix. Voor de Randstadregio’s was per 1 januari 2009 al extra geld beschikbaar voor hogere leraarsfuncties in het vo en het bve. In 2010 komt daar nog extra geld bij.

• De positie van leraren op school wordt versterkt door:

– verankering van de «professionele ruimte» van de leraar in de sectorwetten;

– de lerarenbeurs voor scholing. Elke leraar in het po, vo, bve en hbo kan éénmaal in zijn loopbaan een beroep doen op deze beurs. De nieuwe regeling lerarenbeurs voor scholing verruimt de mogelijkheden voor leraren om een bachelor- of masteropleiding te volgen. Ook voorziet de nieuwe regeling in een subsidie voor de opleiding van onbevoegde zij-instromers. OCW verwacht dat deze beurs een positief effect heeft op de professionaliteit van leraren, op de kwaliteit van het onderwijs en op de aantrekkelijkheid van het beroep.

• Verhogen van de kwaliteit van de opleidingen voor leraren (kwaliteitsagenda «Krachtig meesterschap») en uitbreiden van de kweekvijver voor academisch geschoolde leraren. De lerarenopleidingen leggen gezamenlijk vast wat het eindniveau is, inclusief normen en examens. Samenwerkingsverbanden van lerarenopleidingen en scholen in het po, vo en bve kunnen een startsubsidie aanvragen voor projecten die excellentie bevorderen bij het opleiden van (aankomende) leraren. Opleiden in de school wordt structureel verankerd. Een beperkt aantal opleidingen krijgt geld voor het opleiden en begeleiden van studenten die hun opleiding voor een belangrijk deel op de werkplek volgen. Voor studenten in het wetenschappelijk onderwijs komen aantrekkelijke routes naar het leraarschap. De invoering van de educatieve minor zorgt ervoor dat bachelors al in een beperkt tweedegraadsgebied als leraar kunnen worden aangesteld en vervolgens doorstromen naar de masteropleiding die leidt tot eerstegraads bevoegdheid. In samenwerking met het bedrijfsleven start de pilot «eerst de klas» om een aantal zeer getalenteerde wo-masters eerst 2 jaar in het onderwijs te laten werken, waarna zij kunnen instromen in het bedrijfsleven. Dit naar analogie met het Engelse Teach First en het Amerikaanse Teach for America. Overigens leert de ervaring aldaar dat meer dan 50 % langer in het onderwijs blijft.

• Extra ruimte maken voor innovatie in het onderwijs. In het schooljaar 2010/2011 starten experimenten op po- en vo-scholen. Doel is te onderzoeken met welke innovaties de kwaliteit van het onderwijs behouden blijft, ook als er in de toekomst minder (gekwalificeerde) docenten beschikbaar zijn. (o.v.v. toekenning FES-middelen) In de bve-sector worden experimenten op het terrein van teambeloning gestart.

Het kabinet trekt voor deze plannen honderden miljoenen per jaar extra uit, oplopend tot ruim € 1 miljard in 2020.

IndicatorMeest recente gerealiseerde waarde t.o.v. streefwaarde 2008Streefwaarde 2011Verwijzing Artikel én OD
Aantal openstaande vacatures voor leraren en managers in po, vo en bve, in fte’s(bron: Arbeidsmarktbarometer po, vo, bve).1 440 (0,7%)Kleiner dan 2 200 (2009) (< 1%)Art. 9, OD 9.1

Project 8. Aanval op de schooluitval

Het kabinet wil schooluitval voorkomen en het aantal schoolverlaters halveren tot maximaal 35 000 nieuwe vsv’ers in het schooljaar 2010/2011. De doelstelling is vertaald in een percentage reductie per schooljaar. De doelstelling voor het schooljaar 2009/2010 is een vermindering van 30% ten opzichte van het aantal in schooljaar 2005/2006 (in cijfers zichtbaar in 2011).

Om dit doel te bereiken gaat OCW in 2010:

• Scholen (bve-instellingen en scholen in het voortgezet onderwijs) stimuleren zodat zij programma’s ontwikkelen en/of maatregelen nemen die leiden tot een vermindering van het aantal vsv’ers. Het gaat dan om maatregelen voor: een soepele overgang vmbo-mbo, loopbaanoriëntatie en begeleiding (LOB), zorg op school, aantrekkelijker onderwijs, meer maatwerktrajecten en meer ruimte voor leren met de handen. Meer informatie over deze «aandachtsgebieden» is opgenomen in de uitvoeringsbrief «Aanval op de schooluitval: een kwestie van uitvoeren en doorzetten».

• Extra aandacht besteden aan een soepele overgang van vmbo naar mbo. Er zijn experimenten gestart waarbij de laatste twee jaar van het vmbo en de eerste twee jaren van de niveaus 1 en 2 van het mbo nauw op elkaar aansluiten.

• Meer ruimte bieden aan vmbo-scholieren die het best leren met hun handen. Vmbo-scholen en roc’s gaan samen programma’s ontwikkelen voor leerlingen die graag met hun handen werken. Aandachtspunten hierbij zijn het regionale bedrijfsleven (vanaf het derde leerjaar gaan de leerlingen werken bij bedrijven in de regio), meer techniekonderwijs en integratie vmbo-mbo. De vakcolleges bieden een zesjarige opleiding aan die leidt tot een startkwalificatie (mbo-2).

• Zorgen voor meer maatwerktrajecten om uitval te voorkomen. Maatwerktrajecten zijn bedoeld voor jongeren tot 23 jaar uit de «zwakkere» groepen van de beroepsbevolking die wel een startkwalificatie kunnen halen. In deze trajecten werken scholen en onderwijsinstellingen intensief samen met bedrijven, kenniscentra, gemeenten en CWI.

• 20 000 werkende jongeren alsnog aan een startkwalificatie helpen, door middel van EVC- en/of duale trajecten.

• De verblijfsduur van het vmbo verruimen. In 2009 heeft het kabinet besloten de maximale verblijfsduur af te schaffen. Met deze verruiming krijgen ook leerlingen die wat meer tijd nodig hebben de kans het diploma te halen, voordat zij doorstromen naar het vervolgonderwijs.

Om deze maatregelen uit te kunnen voeren zijn tussen december 2007 en juli 2008 vierjarige convenanten met scholen (bve-instellingen en scholen in het voortgezet onderwijs), gemeenten en het ministerie van OCW afgesloten in alle 39 RMC-regio’s (RMC staat voor Regionale Meld- en Coördinatiefunctie). Contactgemeenten van RMC-regio’s hebben de regie: zij maken afspraken met scholen en andere «regiopartners», creëren een regionaal netwerk en samenhang tussen de schakels in de jeugdketen, coördineren verzuimmeldingen, en doen de registratie en doorverwijzing.

Om bovenstaande acties te kunnen uitvoeren, is in 2010 in totaal € 81 miljoen beschikbaar. Voor de convenanten is circa € 34 miljoen beschikbaar. Scholen ontvangen € 2000 per nieuwe vsv’er minder. De convenantafspraken zijn op basis van «no cure, no pay». Naast het geld uit de convenanten, is er geld beschikbaar voor het uitvoeren van vsv-programma’s; in 2010 circa € 23 miljoen, waarvan € 7 miljoen voor de G4. De onderwijsinstelling kan in samenwerking met de RMC-contactgemeente een aanvraag indienen voor extra middelen om in te zetten voor deze specifieke programma’s in de regio. De G4 ontvangen deze middelen rechtstreeks. De complexiteit van de vsv-problematiek bij de G4 vraagt om meer regie van deze gemeenten. Circa € 24 miljoen is beschikbaar voor vmbo-trajecten en een aantal andere hierboven genoemde maatregelen. Via het beleidsprogramma voortijdig schoolverlaten worden de maatregelen op macroniveau tweejaarlijks gemonitord.

In samenhang met de aanpak van jeugdwerkloosheid en het kabinetsstandpunt op het WRR-advies, besteedt het kabinet apart aandacht aan de zogenaamde «overbelaste» jongeren. Voor deze groep worden plusvoorzieningen opgezet. Plusvoorzieningen zijn een combinatie van onderwijs, zorg, en arbeidstoeleiding.

IndicatorMeest recente gerealiseerde waarde t.o.v. streefwaarde 2008Streefwaarde 2011Verwijzing Artikel én OD
Het aantal nieuwe vsv’ers per kalenderjaar (nationale indicator). (bron:Tweede Kamer, vergaderjaar 2007–2008, 26 695, nr. 44)48 800 (2008)35 500Art. 4, OD 4.3.4

Doelstelling 40. Het fors uitbreiden van het aantal brede scholen

Het kabinet wil het aantal brede scholen fors uitbreiden. Specifiek wil het kabinet een dekkend aanbod van brede scholen in de 40 aandachtswijken. De doelstelling om 1 200 brede basisscholen te hebben gerealiseerd in 2011 is in 2009 al gehaald. Daarom ondersteunt het Rijk gemeenten in hun nieuwe ambitie om te streven naar 1 500 brede scholen in het primair onderwijs in 2011. Daarnaast wordt er gestreefd naar een uitbreiding van het aantal brede scholen in het voortgezet onderwijs naar 460 brede scholen in 2011.

Om dit doel te bereiken gaat OCW in 2010:

• Zorgen dat er voldoende personeel beschikbaar is voor brede scholen, door middel van het inzetten van combinatiefuncties. Via de «Impuls brede scholen, sport en cultuur» (Tweede Kamer, vergaderjaar 2006–2007, 30 234, nr. 12) is het de bedoeling dat er in 2012, 2 500 combinatiefuncties zijn. Naast geld van de ministeries van OCW en VWS, worden deze combinatiefuncties ook gefinancierd door de deelnemende gemeenten. Met deze structurele formatieplaatsen kunnen brede scholen onder andere het binnen- en buitenschoolse sport- en cultuuraanbod in het primair en voortgezet onderwijs vergroten. In 2010 is vanuit OCW voor de combinatiefuncties ruim € 26 miljoen beschikbaar. Gemeenten dragen hiervoor € 15 miljoen bij vanuit het accres van het Gemeentefonds.

• Gemeenten ondersteunen bij het realiseren van multifunctionele accommodaties. In 2009 was er voor zulke accommodaties in het primair onderwijs € 28 miljoen beschikbaar. Multifunctionele huisvesting vergroot de samenwerking in brede scholen. In 2009 is een aantal projecten gehonoreerd en deels gestart. In 2010 en 2011 zullen de in het kader van deze regeling gehonoreerde projecten verder worden uitgevoerd.

• Bestaande en startende brede scholen ondersteunen. In 2009 is het «Landelijk Steunpunt Brede Scholen» opgericht. Het steunpunt is een duidelijk aanspreekpunt voor scholen voor primair en voortgezet onderwijs, gemeenten en overige partners van de brede school en biedt ondersteuning aan (startende) brede scholen door vragen te beantwoorden of door een adviesbezoek af te leggen. Vanaf 2010 worden de ondersteuningsactiviteiten verder uitgebouwd.

• Onderzoek uitvoeren. In opdracht van OCW is in 2009 gestart met een meerjarig onderzoek naar de effecten van brede scholen op de ontwikkeling van kinderen. Dit onderzoek loopt door in 2010. De eerste resultaten worden in 2011 verwacht.

• Continue voorlichting geven aan scholen, gemeenten en andere partners, bijvoorbeeld via de websitewww.bredeschool.nl. In 2010 en 2011 is er speciale aandacht voor voorlichting, communicatie en uitwisseling van expertise over de ontwikkeling van de brede school in het voortgezet onderwijs.

• Als proef werken aan een bundeling van geldstromen (van instanties waar scholen mee samenwerken; Rijk, gemeenten en derden), vooral via het vereenvoudigen van de verantwoording.

IndicatorMeest recente gerealiseerde waarde t.o.v. streefwaarde 2008Streefwaarde 2011Verwijzing Artikel én OD
Het aantal combinatiefuncties in en om de brede school (bron: SGBO, monitor combinatiefuncties)184 (2008)Tussenstreefwaarde 2010: 1 0002 500 (2012)Art. 1, OD 1.3.4
    
Aantal brede scholen po (bron: Jaarbericht brede scholen in Nederland)1 200 (2009)1 500 (2011)Art. 1, OD 1.3.4
    
Aantal brede scholen vo (bron: Jaarbericht brede scholen Nederland)410 (2009)460 (2011)Art. 1, OD 1.3.4

Doelstelling 41. Een maatschappelijke stage voor alle leerlingen in het voortgezet onderwijs

Goed onderwijs bereidt leerlingen voor op hun rol in de samenleving. Met de invoering van een maatschappelijke stage voor alle leerlingen in het voortgezet onderwijs, wil het kabinet leerlingen laten ervaren hoe mooi het is om iets voor een ander te doen. De maatschappelijke stage creëert een win-win-situatie. De leerling ervaart wat het betekent om iets voor een ander te doen, ontmoet andere mensen en maakt kennis met maatschappelijke sectoren. De vrijwilligersorganisatie kan voordeel halen uit de frisse blik en creativiteit van jongeren. De samenleving heeft baat bij (jonge) mensen die in staat zijn om over de grenzen van hun eigen wereld heen te kijken en het normaal vinden om iets voor een ander te doen zonder daar geld voor te vragen.

In het schooljaar 2011/2012 wordt de maatschappelijke stage onderdeel van het kerncurriculum. De afgelopen jaren is veel bereikt, zoals ook bleek tijdens de maatschappelijke stage tour door Nederland die staatssecretaris van Bijsterveldt april jongstleden heeft gehouden. In die week bezocht zij leerlingen, leraren, stagebieders en stagemakelaars. Zij deelden enthousiast hun ervaringen en vele mooie voorbeelden van maatschappelijke stage in de praktijk.

Halverwege het invoeringstraject is 96% van de reguliere vo-scholen al aan de slag met de maatschappelijke stage. In schooljaar 2008–2009 is uitgebreid ervaring opgedaan in 20 pilotprojecten. Binnen pilotverband hebben 60 000 deelnemende leerlingen inmiddels tenminste 30 uur maatschappelijke stage gelopen. De maatschappelijke stage staat goed op de rails maar we zijn er nog niet.

In 2010 ligt de nadruk op:

• Het versterken van de structurele samenwerking tussen scholen, maatschappelijke organisaties, en gemeenten. Zo worden instrumenten uitgewerkt om lokaal vraag en aanbod beter op elkaar af te stemmen.

• Stimuleren van meer stageplekken onder andere door initiatieven voor nieuwe vormen van stageplekken te stimuleren, bijvoorbeeld met praktijkvoorbeelden viawww.maatschappelijkstage.nl.

• Betere begeleiding op maat onder andere door creatieve vormen van begeleiding te stimuleren, bijvoorbeeld begeleiding door mbo of hbo studenten of door werknemers in het kader van maatschappelijk betrokken ondernemen.

• Betere inbedding op school o.a. door de relatie met burgerschapsvorming te benadrukken.

• Communicatie.

Signalen uit het veld (via maatschappelijke stageteams, de pilots en tijdens bijeenkomsten in het land) hebben aanleiding gegeven om het voorgenomen aantal uren maatschappelijke stage terug te brengen. Voorafgaand aan Prinsjesdag heeft de Tweede Kamer hierover een brief ontvangen waarin dit verder is uitgewerkt. Een en ander is in deze begroting verwerkt.

IndicatorMeest recente gerealiseerde waarde t.o.v. streefwaarde 2008Streefwaarde 2011Verwijzing Artikel én OD
Percentage leerlingen van alle vo-scholen dat een maatschappelijke stage loopt.(bron: Senter Novem)35% (2009)Hier is een nieuwe indicator ontwikkeld; eerder werd het aantal scholen gemeten, nu het aantal leerlingen.100% (2011/2012)Art. 3, OD 3.3.4

Doelstelling 42. Het invoeren van gratis schoolboeken

In het schooljaar 2009–2010 zijn de gratis schoolboeken ingevoerd. Zo is een belangrijke stap gezet in het verder verlagen van de schoolkosten voor ouders. Van leraren en ouders in de medezeggenschapsraad wordt verwacht dat zij de komende tijd kritisch zullen nagaan of scholen correct met de ouderbijdrage omgaan. In het jaar 2009 en 2010 voert de Inspectie van het Onderwijs een themaonderzoek uit naar de schoolkosten voor ouders. De resultaten zullen deel uitmaken van de evaluatie van de invoering van gratis schoolboeken in 2011.

Doelstelling 59. Het tegengaan van radicalisering

Radicalisering kan de veiligheid op scholen beïnvloeden. OCW is verantwoordelijk voor het veiligheids- en radicaliseringsbeleid op scholen en de rol van onderwijs bij de aanpak van radicalisering. In augustus 2007 is het rijksbrede actieplan tegen polarisatie en radicalisering naar de Tweede Kamer gestuurd (Tweede Kamer, vergaderjaar 2007–2008, 29 754, nr 103). Het doel van dit programma is het voorkomen en terugdringen van polarisatie en radicalisering in Nederland.

Om dit doel te bereiken gaat OCW in 2010:

• Instellingen en docenten voorzien van voldoende informatie op het gebied van polarisatie en radicalisering. De campagne hierover wordt voortgezet en de back-office van Nuansa, het «Kennis- en Adviescentrum Polarisatie en Radicalisering van het ministerie van BZK», wordt verder ingevuld. Over de voortgang van het project «Veilige publieke taak Onderwijspersoneel» wordt in 2011 in een brief aan de Tweede Kamer gerapporteerd.

• Het ontwikkelen van beleid om de sociale veiligheid op scholen te verbeteren. Het aantal pilots voor verplichte registratie van (gewelds)incidenten wordt uitgebreid. De Tweede Kamer krijgt in 2010 een brief over de voortgang.

Het kabinet stelt in de huidige kabinetsperiode in totaal € 28 miljoen beschikbaar voor het voorkomen en terugdringen van polarisatie en radicalisering. Dit bedrag staat op de begroting bij BZK. Scholen en instellingen kunnen hun voorstellen indienen bij BZK.

OCW heeft geen eigen indicatoren voor deze doelstelling, maar sluit aan bij de doelstelling van BZK op dit terrein.

Kinderopvang

Doelstelling 39. Het realiseren van een sluitend systeem voor kinderopvang voor 0–4 jarigen

Harmonisatie kinderopvang en voorschoolse educatie

In een stelsel waar peuterspeelzaalwerk, kinderopvang en voorschoolse educatie op elkaar zijn afgestemd, worden zoveel mogelijk kinderen met een taalachterstand bereikt. Het doel is om aan het einde van de kabinetsperiode het aanbod van voorschoolse educatie binnen elke gemeente op orde te hebben. Met het oog hierop wordt, onder voorbehoud van de parlementaire behandeling, per 1 augustus 2010 de Wet ontwikkelingskansen door kwaliteit en educatie van kracht. Vanaf die datum krijgen gemeenten de wettelijke verantwoordelijkheid om voorschoolse educatie aan te bieden aan jonge kinderen met een taalachterstand. De gemeenten hebben een inspanningsverplichting om al deze kinderen te bereiken.

Op hoofdlijnen betekent dit:

• Er komt een landelijk kwaliteitskader voor peuterspeelzalen. Hiervoor wordt de regelgeving over de kwaliteit in lijn gebracht met die van de kinderdagverblijven. In het kwaliteitskader wordt onder andere het opleidingsniveau, de groepsgrootte en de leidster-kindratio geregeld. Hiervoor wordt in 2010 € 35 miljoen aan het gemeentefonds toegevoegd.

• De GGD gaat toezicht houden op de kwaliteit van peuterspeelzalen. Daarvoor wordt vanaf 2010 structureel € 6,5 miljoen aan het gemeentefonds toegevoegd.

• Om peuterspeelzalen financieel toegankelijk te houden voor ouders die gebruik maken van de voorschoolse educatie, is vanaf 2009 structureel € 20 miljoen toegevoegd aan het gemeentelijk onderwijsachterstandenbeleid. Ook wordt het budget van gemeenten voor voorschoolse educatie in 2010 met € 30,5 en vanaf 2011 structureel met € 43,5 miljoen verhoogd, in aanvulling op het geld dat al bestemd is voor de voorschoolse educatie. De bedoeling is een breder en beter aanbod van voorschoolse educatie te realiseren, waaronder de uitbreiding naar vier dagdelen voorschoolse educatie.

Beheersbaar houden stelsel kinderopvang

Goede kinderopvang is van groot belang voor ouders die beiden werken en biedt ontwikkelingskansen voor kinderen. Om het stelsel beheersbaar te houden en misbruik en oneigenlijk gebruik te voorkomen, heeft het kabinet in 2008 een professionalisering van het systeem van gastouderopvang aangekondigd per 1 januari 2010. Daarnaast worden er verschillende uurprijzen geïntroduceerd voor de verschillende vormen van opvang. De keuzevrijheid van ouders voor verschillende vormen van kinderopvang blijft bij deze wijzigingen gewaarborgd.

Om dit doel te bereiken treedt in 2010 de wetswijziging Wet kinderopvang in werking. Dit houdt het volgende in:

• Gastouders moeten voldoen aan deskundigheidseisen. Er blijft ruimte voor kwalitatief goede kleinschalige opvang in huiselijke kring, ook bij de vraagouder thuis.

• Er vindt rechtstreekse controle op de kwaliteitseisen plaats. Per 1 januari 2010 houdt de GGD niet alleen toezicht op het gastouderbureau, maar ook op de kwaliteit van de opvang bij de gastouder zelf.

• Er komt één landelijk register voor kinderopvang, waarin alle formele opvang is opgenomen die aan de eisen voldoet. Eind 2010 moet dit register gevuld zijn. De Belastingdienst bepaalt op basis van de inschrijving in het register of ouders recht hebben op kinderopvangtoeslag.

• De betaling van de gastouder verloopt na invoering van het wetsvoorstel via het gastouderbureau. Dit maakt betere controle door de Belastingdienst mogelijk, waardoor misbruik en oneigenlijk gebruik wordt tegengegaan.

• Vanaf 2010 worden de uitvoeringskosten van het gastouderbureau transparant gemaakt voor de ouder en de gastouder.

Investeringen in kwaliteit

In het Coalitieakkoord staat dat het kabinet wil investeren in de kwaliteit van de kinderopvang. Kinderopvang van goede kwaliteit hangt nauw samen met het opleidingsniveau en de deskundigheid van het personeel. Het NCKO-rapport «Pedagogische kwaliteit van de opvang voor 0- tot 4-jarigen in Nederlandse kinderdagverblijven in 2008» over de pedagogische kwaliteit in kindercentra komt tot dezelfde conclusie.

Om dit doel te bereiken gaat OCW in 2010:

• De kwaliteit van medewerkers in de kinderopvang verbeteren via het programma «Excellente kinderopvang» van het Bureau Kwaliteit Kinderopvang (BKK). Het BKK ontvangt voor de jaren 2009 tot en met 2012, in totaal € 40 miljoen subsidie om gericht te werken aan de vaardigheden van de pedagogisch medewerkers.

• Zorgen dat de opleidingen en de kinderopvangpraktijk beter op elkaar aansluiten. Hiervoor wordt het «pedagogisch kader kinderopvang» een belangrijk uitgangspunt van het opleidingscurriculum. Vanaf 2009 heeft het BKK hiervoor mensen en geld beschikbaar.

IndicatorMeest recente gerealiseerde waarde t.o.v. streefwaarde 2008Streefwaarde 2011Verwijzing Artikel én OD
Percentage doelgroepleerlingen onder 2 en 3 jarigen dat deelneemt aan een VVE-programma (bron: Sardes, 2008)62% (2008)Tussenstreefwaarde 2009: 70%100% (2011)Art. 24, OD 24.3.3
    
Leidster/kind-ratio peuterspeelzalen(bron: Regioplan 2007)1 op 9,2 (2007)1 op 8 (2011)Art. 24, OD 24.3.3
    
Opleidingsniveau leidster peuterspeelzalen minimaal SPW3 of equivalent (bron: Sardes 2009)98% (2008)100% (2011)Art. 24, OD 24.3.3

Hoogstaande wetenschap

Doelstelling 12. Het versterken van de internationale reputatie van de Nederlandse wetenschap

De huidige internationale reputatie van onze onderwijs- en onderzoeksinstellingen is hoog en moet hoog blijven. Dit is goed voor de Nederlandse kenniseconomie en het houden van een goede aansluiting bij de zich ontwikkelende Europese Onderzoeksruimte. Door middelen meer in competitie in te zetten en actieve deelname van Nederlandse kennisinstellingen in het Europese Kaderprogramma voor Onderzoek en Technologische Ontwikkeling (KP7) en het nieuwe Europees instituut voor innovatie en technologie te stimuleren, wil het kabinet ruimte bieden aan excellente wetenschappers en aan grensverleggend onderzoek. Het kabinet wil er daarmee tevens voor zorgen dat ons wetenschappelijk onderzoek tot de wereldtop blijft behoren en de kans op meer vernieuwende doorbraken wordt vergroot. Dit kan alleen worden bereikt wanneer er voldoende wordt geïnvesteerd in talent en in excellent wetenschappelijk onderzoek. Het beleid voor de komende jaren staat in het teken van de uitvoering van de voornemens uit de strategische agenda voor het hoger onderwijs-, onderzoek- en wetenschapsbeleid «Het Hoogste Goed» en de internationaliseringsagenda «Het Grenzeloze Goed».

Om dit doel te bereiken gaat OCW in 2010:

• De «Vernieuwingsimpuls» uitbreiden. Hierdoor krijgen onderzoekers meer ruimte om hun eigen onderzoek te bepalen, onderzoeksgroepen te vormen en te kiezen waar zij hun onderzoek willen doen. Met de universiteiten en NWO is afgesproken dat hier vanaf 2009 structureel € 100 miljoen voor beschikbaar is. Vanaf 2010 wordt dit € 150 miljoen. Dit geld wordt door NWO in competitie verdeeld op basis van kwaliteit. In 2013 wordt de «Vernieuwingsimpuls nieuwe stijl» geëvalueerd. Op basis van de evaluatie wordt besloten over de toekomst van de regeling.

• Universiteiten stimuleren om hun onderzoekersopleidingen zo in te richten dat promovendi vrijer zijn in de keuze van onderwerp en promotor. Voor 2010 is een bedrag van € 11 miljoen beschikbaar voor het pilot programma graduate schools. Door dit bedrag in één pilotronde te besteden, kunnen meerdere scholen participeren in het project. Na de pilot kan een meer structureel programma worden opgezet. Hiervoor is vanaf 2011 € 15 miljoen beschikbaar.

• De toename van het aantal benoemingen van vrouwelijke hoogleraren ondersteunen (Nederlandse streefwaarde voor 2010 is 15%, waarde in 2007 was 11,2%1 ). Voor het vervolg van het vrouwelijke talentprogramma Aspasia is met ingang van 2009 € 4 miljoen beschikbaar. Uit de«Vernieuwingsimpuls» is 2 miljoen euro speciaal voor vrouwen bestemd.

• Grootschalige onderzoeksinfrastructuren ondersteunen. Grootschalige onderzoekscentra zijn van belang voor (top-)onderzoek, en voor het aantrekken van (buitenlandse) onderzoekers en studenten. Op Europees niveau heeft het European Strategy Forum on Research Infrastructures (ESFRI) een concrete roadmap opgesteld met Europese prioriteiten. In aansluiting hierop is een «nationale roadmap grootschalige onderzoeksfaciliteiten» uitgewerkt. Hierin is besloten om vijf onderzoekscentra te financieren uit de enveloppenmiddelen van NWO (€ 63 miljoen). Daarnaast is uit de Fes-enveloppe voor grootschalige researchinfrastructuur een investeringsimpuls ter hoogte van € 169 miljoen beschikbaar gesteld voor een zestal grote onderzoeksfaciliteiten. Twee daarvan lopen via de OCW begroting.

IndicatorMeest recente gerealiseerde waarde t.o.v. streefwaarde 2008Streefwaarde 2011Verwijzing Artikel én OD
Versterking van de kwaliteit van het Nederlandse wetenschappelijk onderzoek, mede blijkend uit citatiescores (mondiale gemiddelde = 1) (bron: NOWT/CWTS)1,34 (2003–2006)(= mondiale top-3)Behorende tot de top 3 mondiaal.Art. 16, OD 16.1
    
Verbetering en versterking van het promotiestelsel en vergroting van het relatief aantal promoties (bron: VSNU en CBS)1,61 (2008)> 1,61 Art. 16, OD 16.3.3
    
Versterking van de positie van vrouwen in de top van de wetenschap, waaronder vergroting van het aandeel vrouwelijke hoogleraren. (bron: VNSU/WOPI)11,6% (2008)15% (2010)Art. 16, OD 16.3.3

Doelstelling 14. Het versterken van het innovatief vermogen van de Nederlandse economie

Wetenschappelijke kennis levert een belangrijke bijdrage aan het oplossen van maatschappelijke vraagstukken en aan het tot stand brengen van nieuwe producten en diensten. Dit vergt een stevige inbedding van onderzoek en wetenschap in de samenleving. Nederland heeft sterke instellingen op dit punt (onder andere TNO, GTI’s), maar de kloof tussen wetenschap, samenleving en economie moet nog beter overbrugd worden. Deze doelstelling sluit nauw aan bij het Europese beleid dat gericht is op het versterken van de kennisdriehoek van onderzoek, onderwijs en innovatie, via het Kaderprogramma voor Onderzoek en Technologische Ontwikkeling (KP7) en het Europees Instituut voor Innovatie en Technologie (EIT). Deze ambitie klemt te meer in tijden van crisis waarin met name ook de private R&D onder druk komt te staan.

Om dit doel te bereiken gaat OCW in 2010:

• In het kader van het Aanvullend Beleidsakkoord zorgen dat private kenniswerkers in Nederland actief kunnen blijven en kunnen bouwen aan de innovatieve kracht van Nederland. Om verlies van kennis en hoogwaardige werkgelegenheid tegen te gaan en de private kennisinfrastructuur op peil te houden en zelfs te versterken wordt door OCW samen met het ministerie van EZ twee maatregelen genomen:

– € 180 miljoen beschikbaar om onderzoekers voor Nederlandse bedrijven te behouden door ze maximaal anderhalf jaar onderzoek te laten doen bij publieke kennisinstellingen naar maatschappelijke relevante thema’s. Ook jonge onderzoekers kunnen deelnemen aan de projecten.

– maximaal € 100 miljoen voor omvangrijke research en developmentprojecten in de hightech sector. Hierdoor worden de effecten van de kredietcrisis voor deze sector verzacht en wordt de concurrentiepositie van Nederland verstevigd.

• Versterken van de valorisatie. Het kabinet wil dat in het onderzoek, het onderwijs en het bedrijfsleven meer wordt geïnvesteerd in het «te gelde maken» van wetenschappelijke kennis. Op termijn moeten de bijdragen aan valorisatie uitgroeien tot 2,5% van de publieke onderzoeksmiddelen.

• Verder versterken van praktijkgericht onderzoek door hogescholen. Ten opzichte van 2009 wordt het budget voor praktijkgericht onderzoek in 2010 en 2011 opgehoogd met € 9,8 miljoen per jaar. Vanaf 2012 bedraagt de verhoging structureel € 17,5 miljoen (enveloppemiddelen Coalitieakkoord).

• Vraagsturing bij TNO en GTI’s verder invoeren. Hierdoor sluit de kennis van deze instellingen nog beter aan bij de maatschappelijke en economische vraag. In 2010 wordt de invoering van de vraagsturing geëvalueerd.

IndicatorMeest recente gerealiseerde waarde t.o.v. streefwaarde 2008Streefwaarde 2011Verwijzing Artikel én OD
Percentage Raak-projecten met lectoraatsdeelname(bron: SIA, juni 2009)95% (peildatum: 2009)(De streefwaarde voor de indicator samenhang RAAK-lectoren is inmiddels gehaald. Deze indicator is vooral van belang in de startfase van de ontwikkeling van het praktijkgericht onderzoek door hogescholen. Nu de lectorenen de RAAK-regeling inmiddels een vaste waarde in het hoger onderwijs zijn, neemt deze indicator in belang af. Gezocht zal worden naar een nieuwe indicator die aansluit bij de huidige ontwikkelingsfase van het praktijkgericht onderzoek)95% (2011)Art. 6, OD 6.3.4
    
Internationale wetenschappelijke kwaliteit op basis van de relatieve Nederlandse citatiescore (mondiale gemiddelde = 1) (bron: NOWT/CWTS)1,34 (2003–2006)(= mondiale top-3)Mondiale top 3Art. 16, OD 16.1

Project 2. Nederland ondernemend innovatieland

Het doel van het project Nederland Ondernemend Innovatieland (NOI) is om de concurrentiekracht van Nederland te versterken en maatschappelijke vraagstukken aan te pakken. Hiervoor is de interdepartementale programmadirectie Kennis en Innovatie opgericht (Tweede Kamer, vergaderjaar 2007–2008, 27 406, nr. 112). Binnen de directie zijn drie programmalijnen uitgezet:

De langetermijnstrategie NOI is de eerste programmalijn. Hierin staan toekomstbeelden voor maatschappelijke sectoren en voor de economie geschetst. Daarnaast zijn hierin beleidsperspectieven opgenomen om deze toekomst onder handbereik te brengen. Eén van de manieren om maatschappelijke opgaven aan te pakken is via de maatschappelijke innovatieprogramma’s (MIAs) – de tweede programmalijn. In deze programma’s wordt geïnvesteerd in nieuwe ideeën, oplossingen en toepassingen in maatschappelijke sectoren. Dwars door de maatschappelijke innovatieagenda’s zien we gemeenschappelijke thema’s: hardnekkige belemmeringen voor innovatie, waardevolle methoden, etc. Deze transsectorale belemmeringen pakken we aan in de derde programmalijn: versterking innovatief vermogen en een betere benutting van innovatie om maatschappelijke vraagstukken op te lossen.

Het streven binnen deze drie programmalijnen is om zeven maatschappelijke innovatieagenda’s uit te voeren, op het gebied van gezondheid, energie, water, veiligheid, duurzame agroproductie, onderwijs en duurzame mobiliteit. Daarbij is de doelstelling dat in de MIAs gebruik wordt gemaakt van het instrument SBIR om ook MKB te betrekken. Daarnaast wordt ingezet op de oprichting van een expertisecentrum Launching Customer. Tenslotte willen we bereiken dat er oplossingen zijn gevonden voor arbeidsmarkttekorten van technici en technologen, via de Taskforce Technologie, Arbeidsmarkt en Onderwijs in de vier regio’s: Rotterdam, Zuid-Limburg, Twente en Eindhoven.

Om dit doel te bereiken gaat OCW/EZ in samenwerking met acht betrokken departementen bij NOI in 2010:

• Twee maatschappelijke innovatieprogramma’s starten op het gebied van onderwijs en duurzame agro- en visserijketens. Een verkenning naar de mogelijkheden om maatschappelijke innovatieprogramma’s te starten op het terrein van duurzame mobiliteit en duurzaam bouwen.

• Mid-term reviews uitvoeren voor de maatschappelijke innovatieagenda’s zorg, energie, water en veiligheid. Bij een positieve beoordeling wordt het geld vrijgegeven dat gereserveerd is voor deze agenda’s op de Aanvullende Post van de Rijksbegroting.

Rijk cultureel leven

Doelstelling 73. Alle jongeren zijn vertrouwd met cultuur en kunstvormen en met de Nederlandse geschiedenis

Het kabinet wil dat alle jongeren tot 18 jaar vertrouwd raken met cultuur en kunstvormen en met de Nederlandse geschiedenis. Deze doelstelling heeft het kabinet verder uitgewerkt in «Kunst van leven», de hoofdlijnennotitie over het cultuurbeleid, (Tweede Kamer, vergaderjaar 2006–2007, 28 989, nr. 44).

Om dit doel te bereiken gaat OCW in 2010:

• Zorgen dat er een Nationaal Historisch Museum komt in Arnhem. Het museum heeft als doel laagdrempelig en aantrekkelijk de geschiedenis van Nederland te presenteren. Voor het Nationaal Historisch Museum is € 5 miljoen beschikbaar in 2010 en € 12 miljoen structureel.

• Zorgen dat scholen beter kunnen voldoen aan de kerndoelen en eindtermen op het gebied van kunst en cultuur. Dit gebeurt onder meer door een cultuurkaart voor alle leerlingen in het voortgezet onderwijs. Vanaf schooljaar 2008/2009 is er voor alle leerlingen in het voortgezet onderwijs een cultuurkaart, als opvolger van de ckv-bon, beschikbaar. De cultuurkaart is op twee belangrijke punten anders dan de ckv-bonnen. Ten eerste is er met de cultuurkaart een groter budget voor cultuureducatie beschikbaar: € 15,- per leerling per schooljaar voor álle leerlingen in het voortgezet onderwijs. Dankzij het VSB-fonds wordt bovendien – in ieder geval in de schooljaren 2008/2009 en 2009/2010 – het bedrag voor ckv-leerlingen met € 10,- verhoogd tot € 25,- per leerling per schooljaar. Ten tweede is de cultuurkaart voor alle vakken en leerjaren te gebruiken; dus niet alleen voor de kunstvakken, maar ook voor vakken als Frans of geschiedenis. Streefcijfer voor het schooljaar 2009/2010 is een besteding van 80% van de tegoeden van de cultuurkaart. Dat zou hetzelfde gebruik zijn als van de ckv-bonnen. Gedurende de komende jaren wordt het gebruik van de cultuurkaart nauwlettend gevolgd.

• De «Regeling sport, cultuur brede school» leidt tot 2 500 fte combinatiefuncties in 2011. Hierin is ruimte voor 150 fte voor combinatiefunctionarissen cultuur. Deze mensen gaan in de «brede school» verbindingen leggen tussen onderwijs en cultuur. OCW wil zorgen dat in 2010 zoveel mogelijk gemeenten meedoen. De maatregelen die OCW in 2010 gaat inzetten om dit te bereiken, staan beschreven onder doelstelling 40.

• De canon van Nederland is vanaf schooljaar 2009/2010 als inspiratiebron in de kerndoelen voor de bovenbouw van het primair en de onderbouw van het voortgezet onderwijs opgenomen. De Stichting Leerplan Ontwikkeling (SLO) heeft een handreiking bij de canon ontwikkeld. Deze handreiking wordt de basis voor een nascholingsmodule over de canon.

• Uitwerken van het programma voor leesbevordering «Kunst van Lezen» dat kinderen en jongeren wil verleiden om meer (literatuur) te gaan lezen. In 2010 is hiervoor € 3 miljoen euro beschikbaar. Over de voortgang en de resultaten wordt de Tweede Kamer begin 2010 geïnformeerd.

• Het Fonds voor Cultuurparticipatie krijgt oplopend tot 2012 ruim € 27 miljoen euro voor het bevorderen van de cultuurparticipatie. Deze middelen zijn tevens bedoeld om culturele instellingen in staat te stellen de canon aantrekkelijk te presenteren. Het Fonds voor Cultuurparticipatie is op 1 januari 2009 van start gegaan.

IndicatorMeest recente gerealiseerde waarde t.o.v. streefwaarde 2008Streefwaarde 2011Verwijzing Artikel én OD
Verzilveringspercentage van de cultuurkaart (bron: CJP)Streefwaarde: 70% (2009).In november 2009 komen nieuwe realisatiecijfers beschikbaar.80% (2011)Art. 14, OD 14.3.1

Doelstelling 74. Het aanbod van de publieke omroep is crossmediaal en richt zich op een breed en divers publiek

Het kabinet wil dat burgers toegang hebben tot een breed en pluriform media-aanbod. Daarbij past een sterke publieke omroep en een onafhankelijke en pluriforme pers. Het mediagebruik verandert onder invloed van digitalisering. Om effect te sorteren strekt het mediabeleid zich uit over het hele medialandschap. Het richt zich op alle hedendaagse vormen van contentproductie- en distributie: publieke en commerciële omroep, kranten en opiniebladen en journalistieke en culturele uitingen op internet.

Om dit doel te bereiken gaat OCW in 2010:

• In 2010 gaat de nieuwe concessieperiode voor de publieke omroep (2010–2020) en de erkenningsperiode voor de omroepverenigingen in. Deze laatste loopt van 1 september 2010 tot 1 januari 2016. De nieuwe concessieperiode volgt op de vaststelling van spelregels voor de multimediale taak van de publieke omroep (2008) en de erkenning van afzonderlijke omroepverenigingen (2009).

• In 2010 dient de landelijke publieke omroep een beleidsplan in voor de periode 2010–2015. Daarin is onderbouwd op welke wijze de publieke omroep zijn wettelijke, multimediale taak wil gaan vervullen. Op basis van het beleidsplan maakt de minister van OCW voor september 2010 prestatieafspraken met de publieke omroep. Deze gaan over het aanbod en het bereik van de diverse platforms (radio, televisie, themakanalen, internet en overige nieuwe diensten).

• Uiterlijk 1 januari 2010 besluit de minister of Max en LLiNK als volwaardige omroep erkend worden en of nieuwkomers aan de eisen voldoen om toe te treden als aspirant-omroep. Naast het ledental, moeten nieuwe omroepen echt iets toevoegen aan het bestaande aanbod.

• Naar aanleiding van de motie van der Ham/Remkes/Van Dam (Tweede Kamer, vergaderjaar 2008–2009, 31 804, nr. 60) onderzoekt OCW of het wenselijk is om de zendtijd voor kerken en levensbeschouwelijke organisaties te integreren met de taken van omroepverenigingen en taakorganisaties. Naar aanleiding van motie Vendrik (Tweede Kamer, vergaderjaar 2008–2009, 31 700, nr. 55) bekijkt het kabinet voor de volgende erkenningsperiode (2015–2020) of de spelregels voor de erkenning van omroepen veranderd moeten worden.

• Prestatieafspraken maken met de Wereldomroep, gebaseerd op het beleidsplan van de Wereldomroep voor 2010–2015 en een evaluatie door een (afzonderlijke) visitatiecommissie over de periode 2005–2010.

Mediawijsheid

• De activiteiten van het expertisecentrum voor mediawijsheid voortzetten en uitbouwen, onder meer via loketten bij «beeld en geluid» en de bibliotheken. Het budget voor het expertisecentrum loopt op tot maximaal € 2 miljoen in 2010.

Financiering

• Voor de financiering van de regionale en lokale omroepen zijn de provincies en gemeenten verantwoordelijk. Vanaf 1 januari 2010 geldt voor deze overheden niet alleen een wettelijke «bekostigingsplicht» voor de regionale omroep maar ook voor de lokale omroep.

Pers

• De perssector (met name dagbladen, nieuwsbladen, opiniebladen) wordt geconfronteerd met dalende oplagen en teruglopende advertentie-inkomsten. Om de sector te ondersteunen hervat OCW gedurende deze kabinetsperiode op basis van de Mediawet (art. 8.8) de reguliere steun aan het Stimuleringsfonds voor de Pers na bijna 20 jaar, via de jaarlijkse dotatie.

• In een brief aan de Tweede Kamer in het najaar 2009 reageert de minister van OCW op de aanbevelingen van de Tijdelijke Commissie Innovatie en Toekomst Pers (commissie Brinkman). Naast het stimuleren van innovatie in pers en journalistiek gaat het om wet- en regelgeving, samenwerking tussen omroep en pers en onderzoek ten behoeve van de sector.

• De regeling voor jonge journalisten wordt van kracht, die krantenredacties in staat moet stellen om één tot twee jonge journalisten in dienst te nemen en te houden. Deze regeling wordt uitgevoerd door het Stimuleringsfonds voor de Pers en heeft een looptijd van twee jaar.

IndicatorMeest recente gerealiseerde waarde t.o.v. streefwaarde 2008Streefwaarde 2011Verwijzing Artikel én OD
Mediawijsheid – expertisecentrumHet centrum is in 2008 gestart met onder meer online dienstverlening via de sitewww.mediawijsheidkaart.nl. Tot en met mei 2009 hebben zich 140 partijen bij het centrum aangesloten.In 2011 is er een breed netwerk op het terrein van media-educatie (mediawijsheid-expertisecentrum) van minimaal 150 aangesloten organisaties.Art. 15, OD 15.1

Een geëmancipeerd Nederland

Doelstelling 36. Het kabinet geeft een nieuwe impuls aan het emancipatiebeleid en aan het homo-emancipatiebeleid

De bedoeling van het emancipatiebeleid is meer vrouwen aan de top, het vergroten van de maatschappelijke- en arbeidsparticipatie van vrouwen en het wegwerken van beloningsverschillen tussen vrouwen en mannen. Voor lesbiennes en homo’s wil het kabinet de veiligheid en de sociale acceptatie vergroten. Voor de vernieuwing van het emancipatiebeleid en het lesbisch- en homo-emancipatiebeleid is in deze kabinetsperiode een extra bedrag oplopend tot € 10 miljoen in 2011 beschikbaar. De activiteiten staan beschreven in de nota «Meer kansen voor vrouwen» (Tweede Kamer, vergaderjaar 2007–2008, 30 420, nr. 50) en de nota «Gewoon homo zijn» (Tweede Kamer, vergaderjaar 2007–2008, 27 017, nr. 33).

Om dit doel te bereiken gaat OCW in 2010:

Meer kansen voor vrouwen

• Koploperovereenkomsten financieel ondersteunen. In 2010 worden de bestuurlijke afspraken uitgevoerd die gemaakt zijn met 25 «koplopergemeenten». Deze afspraken gaan over de maatschappelijke participatie van vrouwen uit etnische minderheden. Verder hebben 12 gemeenten en 2 provincies afspraken gemaakt om de combinatie van arbeid en zorg «tussen 7 en 7» te vereenvoudigen. Voor uitvoering van deze koploperovereenkomsten is in deze kabinetsperiode ongeveer € 5 miljoen beschikbaar voor maatschappelijke participatie en € 2,5 miljoen voor tijdbeleid «7 tot 7».

• Inzetten op een verhoging van de arbeidsdeelname van vrouwen met een baan van ten minste twaalf uur per week van 58% in 2007 naar minimaal 65% in 2011. Hiervoor is de taskforce DeeltijdPlus ingesteld. SZW stelt gedurende deze kabinetsperiode € 5 miljoen beschikbaar voor de taskforce.

• De werking van het charter «Talent naar de top» ondersteunen. In 2011 moet het aandeel vrouwen in topposities van het bedrijfsleven 20% zijn. Hiervoor is een taskforce, stichting en monitoringscomité «Talent naar de top» ingesteld. In 2010 gaat een aantal toonaangevende bedrijven en overheidsinstellingen concrete streefwaarden voor het vergroten van het aantal vrouwen aan de top formuleren.

• De beloningsverschillen tussen mannen en vrouwen verminderen. Hiervoor is afgesproken dat bij de overheid het beloningsverschil van 4% in deze kabinetsperiode wordt gehalveerd. Inmiddels is het beloningsverschil verminderd naar 2,6%. De minister van BZK is als eerste verantwoordelijk voor de realisatie van deze doelstelling.

• Vergroten van de emancipatie van allochtone mannen door het oprichten van vadercentra. Vadercentra zijn plekken waar mannen leren samenwerken en van gedachten wisselen over onderwerpen die elders niet zo gemakkelijk aan bod komen, zoals het omgaan met de emancipatie van hun vrouwen. Daarnaast is er aandacht voor de rol die mannen spelen in de opvoeding van hun kinderen. Het voornemen is om in 2010 en 2011 te starten met tien nieuwe vadercentra.

• Vergroten van de aandacht voor seksuele weerbaarheid. In 2010 wordt er meer aandacht besteed aan de seksuele weerbaarheid van jongens en de seksuele weerbaarheid op internet.

• Het kabinet heeft de SER gevraagd in het najaar van 2010 met een advies te komen over de sociaaleconomische effecten van «Tijden van de samenleving». Naast aandacht voor openingstijden van private en (semi-)publieke dienstverleners (zoals kinderopvang en huisartsen) wordt hierbij aandacht gevraagd voor tijden op de (brede) basisschool en tijden van tussenschoolse en buitenschoolse opvang, omdat die tijden regulerend werken voor ouders met kinderen.

Gewoon homo zijn

• Koploperovereenkomsten financieel ondersteunen. In 2010 worden «koploperovereenkomsten» met de vier grote steden en veertien middelgrote gemeentes uitgevoerd. Deze overeenkomsten gaan over het vergroten van de sociale acceptatie van homoseksuelen. Hiervoor is in deze kabinetsperiode ongeveer € 1 miljoen beschikbaar. De bedoeling is dat er in 2011 minimaal 50 gemeenten zijn met een actief homo-emancipatiebeleid.

• Gay & straight – alliances financieel ondersteunen. In 2010 worden de «gay & straight-alliances» uitgevoerd. Deze allianties zijn gesloten tussen homo-organisaties en organisaties in de sectoren arbeid, onderwijs, sport en ouderenzorg. Hiervoor is in deze kabinetsperiode ongeveer € 1,5 miljoen beschikbaar.

• Een bijdrage leveren aan de dialoog over homoseksualiteit. Deze dialoog wordt gevoerd door allochtone jongeren en in levensbeschouwelijke kringen. De dialoog gaat in 2010 verder.

• Een bijdrage leveren aan de landelijke «Uit-de-kast-kom-dag» in 2010.

• Om invulling te geven aan de Nederlandse voorbeeldfunctie, een grote internationale conferentie over het homobeleid organiseren.

IndicatorMeest recente gerealiseerde waarde t.o.v. streefwaarde 2008Streefwaarde 2011Verwijzing Artikel én OD
Arbeidsparticipatie vrouwen (XXX 12 uur)(bron: Emancipatiemonitor 2008)59% (2008)> 65% (2011)Art. 25, OD 25.1
Aandeel vrouwen in topposities rijksoverheid(bron: SJR, Ministerie van BZK)19,6% (2008)25% (2011)Art. 25, OD 25.1
Beloningsverschil tussen mannen en vrouwen bij de overheid(bron: Emancipatiemonitor 2008)2,6% (2006)2% (2011)Art. 25, OD 25.1
Sociale acceptatie van homoseksuelen(bron: SCP)85% (2006)Recentere gegevens worden in de zomer van 2010 verwacht.> 85% (2011)Art. 25, OD 25.1
Economische zelfstandigheid van vrouwen(bron: Emancipatiemonitor 2008)43 % (2006)Verwachting voor 2008 is 46 %. Deze schatting is o.b.v. toegenomen arbeidsparticipatie en een stijging in het gemiddeld aantal uren per week. Definitieve cijfers van het CBS over 2008 volgen in 2010 en overgenomen in de Emancipatiemonitor2010. Er is t.o.v. vorige jaren een toenemende economische zelfstandigheid van vrouwen te zien.60 % (2011)Art. 25, OD 25.1

Bijlage bij de beleidsagenda: indicatoren en kengetallen van (kwaliteit en prestaties van) het onderwijsstelsel

Toelichting

Onderstaande figuren illustreren de kwaliteit en het functioneren van het onderwijsstelsel als geheel. Het betreft een selectie van de stelselindicatoren die ook zijn opgenomen in de publicatie Bestel in Beeld. De gegevens zijn waar mogelijk geactualiseerd voor het jaar 2008.

Stelselindicatoren dienen enerzijds ter verantwoording (op hoofdlijnen) aan de Tweede kamer over de kwaliteit en de resultaten van het onderwijsstelsel en anderzijds voor het signaleren van risico’s en kansen in het stelsel: is het bestaande beleid toereikend om afspraken over stelseldoelen na te komen.

Vijf van de 12 hier opgenomen stelselindicatoren sluiten aan bij de afgesproken EU benchmarks in het Lissabonproces. Hiermee plaatsen we ons stelsel in een internationale context. Doel hiervan is te leren van wederzijdse ervaringen en waar mogelijk verbeteren van de eigen prestaties.

Dit geldt ook voor de zesde indicator: onderwijsuitgaven per deelnemer.

De overige indicatoren zeggen iets over de kwaliteit van scholen en hun toegevoegde waarde, de aansluiting tussen onderwijs en arbeidsmarkt en de beschikbaarheid van voldoende onderwijspersoneel. Het betreffen belangrijke prioritaire thema’s uit de beleidsagenda.

1) Lissabon-doelstelling: Opleidingsniveau

Percentage 20-24 jarigen met tenminste hoger secundair onderwijs(bron: Eurostat).

2) Lissabon-doelstelling: Voortijdig schoolverlaten

Percentage 18-24 jarigen dat geen onderwijs volgt en geen startkwalificatie heeft behaald (bron: Eurostat)

kst-32123-VIII-2-1.gif

Doelstelling: 85% in 2010; Zie artikel 3 en 4

Doelstelling: 8% in 2010; Zie artikel 3 en 4

3) Lissabondoelstelling: Leesvaardigheid

Percentage 15-jarige leerlingen met lage leesvaardigheden (bron: PISA)

4) Lissabondoelstelling: Bèta-Techniek

Verandering (% 2008 t.o.v. 2000) instroom en uitstroom Natuur en Techniek (bron: CFI)

kst-32123-VIII-2-2.gif

Doelstelling: 9% in 2010; Zie artikel 3 en 4

Doelstelling: 15% meer uitstroom in 2010 t.o.v. 2000; Zie artikel 6 en 7

5) Lissabondoelstelling: Leven lang leren

Percentage 25-64 jarigen dat deelneemt aan leeractiviteiten (bron: Eurostat)

6) Onderwijsuitgaven per deelnemer

Als aandeel van het Bruto Binnenlands Product per hoofd, 2005 (bron: OESO)

kst-32123-VIII-2-3.gif

Doelstelling: 20% in 2010; Zie artikel 4

Kengetal; geen streefwaarde; Zie voor uitgaven/deelnemer artikelen 1-7

7) Toegevoegde waarde scholen

Percentage scholen met voldoende opbrengsten t.o.v. het niveau dat o.g.v. samenstelling leerlingpopulatie mag worden verwacht (bron: Inspectie van het Onderwijs).

8) Kwaliteitskenmerken scholen

Percentage scholen dat voldoende scoort op diverse kwaliteitskenmerken (bron: Inspectie van het Onderwijs)

kst-32123-VIII-2-4.gif

Kengetal, geen streefwaarde; Zie ook artikel 1 en 3

Zie voor streefwaarden bij deze kwaliteitskenmerken artikel 1 en 3

9) Oordeel ouders over kwaliteit school van hun kind

Rapportcijfer ouders (bron: OCW Onderwijsmeter)

10) Doorlopende leerlijn

Percentage gediplomeerden naar bestemming (bron: onderwijsmatrix)

kst-32123-VIII-2-5.gif

Doelstelling: tenminste rapportcijfer 7,5 in 2010;Zie artikel 1 en 3

Zie voor streefwaarden bij deze indicatore artikel 3

11) Aansluiting onderwijs-arbeidsmarkt

Percentage afgestudeerden dat aangeeft dat d eopleiding voldoende basis was om te starten op de arbeidsmarkt (bron: ROA)

12) Openstaande vacatures

Aantal vacatures voor leraren en managers in fte (bron: Arbeidsmarktmonitor

kst-32123-VIII-2-6.gif

Zie voor streefwaarden bij deze indicator artikel 1, 3, 4, 6 en 7

Doelstelling: totaal aantal vacatures < 2 200 fte in 2009; Zie artikel 9

Overzicht beleidsdoorlichtingen 2010

Voor 2010 zijn de onderstaande beleidsdoorlichtingen gepland. Hiermee geeft OCW invulling aan de eis beleidsdoelstellingen te evalueren. In elk beleidsartikel is een meerjarenoverzicht van beleidsdoorlichtingen opgenomen. Daar vindt u ook een toelichting op beleidsdoorlichtingen en onderliggende evaluatie- en monitoronderzoeken.

Beleidsartikel/OnderwerpAD/ODStart- en einddatum
1. Primair onderwijs  
Kwaliteitsagenda POOD 22010–2011
Passend onderwijsOD 32010–2011
   
3. Voortgezet onderwijs  
Voldoende toegeruste scholen (personele en materiele bekostiging)OD 12010
   
4. Beroepsonderwijs en Volwasseneneducatie  
Beleidsdoorlichting Leren & WerkenOD 32010
   
6 en 7. Hoger onderwijs  
InternationaliseringOD 22010–2011
   
9. Arbeidsvoorwaarden en Personeelsbeleid  
Actieplan LeerKrachtAD2008–2011
   
11. Studiefinanciering  
Internationale studentenmobiliteitOD 52010
   
13. Lesgelden  
Les- en cursusgeld, onderwijskaartAD2010–2011
   
14. Cultuur  
Kunstenbeleid: waarborgen aanbod en participatieOD 12010–2011
   
15. Media  
Beleidsdoorlichting MediabeleidAD2009–2010

Aansluiting ontwerpbegroting 2009 naar 2010

Deze beleidsagenda sluit af met de financiële paragraaf Aansluiting ontwerpbegroting 2009 naar 2010. Deze paragraaf presenteert conform de rijksbegrotingsvoorschriften de belangrijkste budgettaire veranderingen op de OCW-begroting.

Als gevolg van de economische crisis heeft het kabinet in het aanvullend beleidsakkoord aanvullende maatregelen gepresenteerd. Maatregelen die gericht de economie stimuleren én bijdragen aan houdbare overheidsfinanciën op de lange termijn. De budgettaire gevolgen hiervan (zowel intensiveringen als herschikkingen) worden apart gepresenteerd.

Tabel 1 Bijstellingen t.o.v. geautoriseerde uitgavenbegroting 2009 (x € 1 miljoen)
 200920102011201220132014
Stand ontwerpbegroting 201036 331,936 542,236 452,036 756,336 939,237 131,4
Stand geautoriseerde ontwerpbegroting 200935 173,335 048,535 210,835 381,235 558,735 764,6
Totaal verschil1 158,51 493,71 241,21 375,11 380,51 366,7
Enveloppe0225,5229,5229,5229,5229,5
Stimuleringsmiddelen aanvullend beleidsakkoord227,7484,927,120,46,34,6
Herschikkingen aanvullend beleidsakkoord– 115,5– 141,9– 353,0– 375,0– 378,3– 378,1
Leerlingenontwikkeling12,444,7159,3185,6193,6247,8
Autonome raming studiefinanciering– 74,8– 39,6– 45,325,9– 0,4– 57,2
Ramingsbijstelling Kinderopvang14,02,02,01,02,03,0
Ramingsbijstelling Kinderopvang sociaal medische indicatie028,228,228,228,228,2
Prijsbijstellingtranche 2009: hogere juridisch verplichting44,917,517,717,817,918,0
Eindejaarsmarge 2008/2009234,800000
Intertemporele compensatie– 49,319,613,27,97,51,2
Kasschuif OV-kaart– 185,200000
FES-middelen– 0,1– 32,6– 6,317,012,714,6
Boetetaakstelling high trust0– 0,5– 0,5– 0,5– 0,5– 0,5
Taakstelling arbeidsproductiviteit000– 3,6– 7,2– 7,2
Versobering bedrijfsvoeringrijksdienst0– 0,2– 5,1– 5,6– 7,3– 14,1
Tegemoetkoming voor stadsherstellers2,02,02,02,02,02,0
Weglek onderwijs: maatregelen AWBZ2,010,010,010,010,010,0
Overheveling middelen monumenten023,023,023,023,023,0
Meevallers/ramingsbijstellingen10,01,00,9– 0,5– 0,7– 0,7
Totaal bijstellingen122,8643,6102,7183,0138,4124,1
Technische verschillen:      
Loon- en prijsbijstellingen1 112,01 125,71 130,41 134,81 137,31 139,5
Overige technische verschillen– 76,4– 275,68,157,3104,9103,2
Totaal technisch1 035,7850,21 138,51 192,11 242,11 242,7
Totaal verschil1 158,51 493,71 241,21 375,11 380,51 366,7

Toelichting:

Enveloppe

Dit zijn de enveloppemiddelen tranche 2010 uit het Coalitieakkoord die zijn toegevoegd aan de OCW-begroting. Deze middelen zijn inclusief het LNV aandeel, die zijn overgeboekt naar de begroting van LNV (zie overige technische verschillen). De onderverdeling van de enveloppen wordt in tabel 2 en 3 toegelicht. In de beleidsartikelen wordt dieper ingegaan op de bestemming en besteding van deze middelen.

Stimuleringsmiddelen aanvullend beleidsakkoord

In het aanvullend beleidsakkoord heeft het kabinet voor 2009 en 2010 extra middelen beschikbaar gesteld ten gunste van de OCW-beleidsterreinen. Tabel 4 licht de maatregelen uitgebreid toe.

Herschikkingen aanvullend beleidsakkoord

De noodzaak tot houdbare overheidsfinanciën op de lange termijn heeft ook voor de OCW-begroting geleid tot herschikkingen. De herschikkingen dienen enerzijds ter dekking van tegenvallers en anderzijds dragen ze bij aan de tekortreductie vanaf 2011. Onder tabel 5 worden deze maatregelen uitgebreid toegelicht.

Leerlingenontwikkeling

De referentieraming 2009 wijst uit dat de leerlingen- en studentenaantallen in totaal de komende jaren hoger zullen uitvallen dan vorig jaar geraamd. De huidige ramingsbijstelling bestaat zowel uit het verwerken van de eerder «afgetopte» ramingen van vorig jaar als uit de bijstellingen van de leerlingen- en studentenaantallen uit de nieuwe referentieraming. Deze reeks loopt op van € 12,4 miljoen in 2009 tot € 247,8 miljoen in 2014. De verdeling hiervan over de artikelen komt in het algemene deel van het verdiepingshoofdstuk aan bod.

Autonome raming studiefinanciering

De autonome raming voor studiefinanciering is structureel verlaagd. Dit is met name het gevolg van de doorwerking van de meevaller in 2008 en een meevaller op de omzettingen van de prestatiebeurs naar gift in 2009. Vanaf 2009 is de bijstelling beperkter van omvang, grotendeels veroorzaakt door een verwachte toename van het gebruik van de aanvullende beurs als gevolg van de economische recessie.

Ramingsbijstelling Kinderopvang

Het ramingsmodel kinderopvang laat zien dat de kosten voor de kinderopvang iets hoger uitkomen dan verwacht.

Ramingsbijstelling Kinderopvang sociaal medische indicatie

In de vorige ramingen is de sociaal-medische indicatie (SMI) vanaf 2010 abusievelijk niet meegenomen. SMI betreft de afdrachten aan het gemeentefonds waarmee gemeenten kinderopvangtoeslag kunnen uitkeren aan gezinnen waarvan één van de partners werkt en de thuiszittende partner als gevolg van sociaal-medische indicatie niet in staat is om de kinderen op te vangen.

Prijsbijstelling tranche 2009: hogere juridisch verplichting

Voor sommige sectoren is OCW verplicht om dit jaar een hogere compensatie voor prijsontwikkelingen af te dragen dan volgens de gebruikelijke systematiek ontvangen wordt. Voor 2009 is deze compensatie € 45 miljoen. Structureel gaat het om ongeveer € 18 miljoen.

Eindejaarsmarge 2008/2009

Dit betreft middelen die in 2008 op de OCW begroting nog niet tot uitgaven hebben geleid en zijn doorgeschoven naar 2009. In de eerste suppletoire wet 2009 is toegelicht welke posten dit betreft. Voor zover het niet om overlopende betalingsverplichtingen gaat, worden deze ingezet voor de uitvoeringsproblematiek.

Intertemporele compensatie

Om de OCW-begroting over de jaren heen sluitend te maken is er tevens een kasschuif van 2009 naar latere jaren.

Kasschuif OV-kaart

Bij najaarsnota is besloten om een deel van de OV-kaart verplichting voor 2009 reeds in 2008 te betalen. Dit betreft dus een vermindering van de betalingsverplichting voor het begrotingsjaar 2009.

«Fonds Economische Structuur»-middelen (FES-middelen)

De FES-middelen worden toegelicht in het algemene deel van het verdiepingshoofdstuk.

Boetetaakstelling High Trust

Deze post betreft de verwerking van de taakstelling «boetebeleid: naar high trust» uit het Coalitieakkoord.

Taakstelling arbeidsproductiviteit

Zoals in de voorjaarsnota reeds is gemeld, wordt er een arbeidsproductiviteitskorting opgelegd vanaf 2012. De korting is analoog aan de taakstelling op het ambtelijk apparaat zoals die technisch is voorbereid door de SG’s bij de start van dit kabinet.

Versobering bedrijfsvoering rijksdienst

In het kader van de versobering van de bedrijfsvoering is een taakstelling ingeboekt vanaf 2010 van € 0,2 miljoen oplopend tot € 14,1 miljoen in 2014. De inhoudelijke uitwerking gaat via de lijn van categoriemanagement op het gebied van huisvesting, facilitair personeel en organisatie en ICT.

Tegemoetkoming voor stadsherstellers

Vanaf 2009 wordt er voorzien in een tegemoetkoming voor stadsherstellers. Stadsherstel wordt hiermee gecompenseerd voor de heffing van vennootschapsbelasting. Structureel gaat het om € 2 miljoen.

Weglek onderwijs: maatregelen AWBZ

Verwacht wordt dat maatregelen bij de AWBZ leiden tot een hoger beroep op voorzieningen voor zorgleerlingen. Hiervoor wordt de OCW-begroting gecompenseerd met € 10 miljoen structureel vanaf 2010.

Overheveling middelen monumenten

Dit zijn middelen ter compensatie van het beëindigen van de vrijstelling overdrachtsbelasting monumentenpanden. Dit bedrag zal de eerstkomende twee jaar worden ingezet voor het versneld inlopen van restauratieachterstanden bij de rijksmonumenten. Voor de periode daarna zullen de desbetreffende middelen worden ingezet voor de prioriteiten zoals aangegeven in de beleidsnotitie Modernisering Monumentenzorg.

Meevallers/ramingsbijstellingen

Dit is een saldering van de mee- en tegenvallers aan de uitgavenkant van de begroting.

Loon- en prijsbijstellingen

Deze worden toegelicht in het algemene deel van het verdiepingshoofdstuk.

Overige technische verschillen

De overige technische bijstellingen betreffen grotendeels desalderingen met de ontvangsten en overboekingen met andere departementen, waaronder het LNV-aandeel uit de enveloppen.

Zie voor de meerjarenraming van de uitgaven per artikel het verdiepingshoofdstuk (samenvatting).

Enveloppen

Onderstaande tabellen tonen de verdeling van de enveloppenmiddelen over respectievelijk de pijlers uit het beleidsprogramma en de OCW-beleidsterreinen.

Tabel 2 Enveloppe per pijler (x € 1 miljoen)
 200920102011201220132014
EnveloppeInnovatie, Kennis en Onderzoek (pijler 2) 28,033,033,033,033,0
EnveloppeOnderwijs (pijler 4) 175,8174,8174,8174,8174,8
EnveloppeCultuur en monumenten (pijler 6) 19,219,219,219,219,2
EnveloppeParticipatie, onderkant en armoede (pijler 4) 2,52,52,52,52,5
Totaal uitdeling 225,5229,5229,5229,5229,5
Tabel 3 Enveloppe tranche 2010 per artikel (x € 1 miljoen)
 200920102011201220132014
PO 62,862,862,862,862,8
VO 37,337,437,437,437,4
BVE 40,840,840,840,840,8
HBO 38,038,038,038,038,0
WO 14,019,019,019,019,0
Cultuur 18,617,517,517,517,5
OWB 10,010,010,010,010,0
DE 4,04,04,04,04,0
Totaal uitdeling 225,5229,5229,5229,5229,5

Toelichting:

De tranche 2010 uit de verschillende enveloppen is aan de OCW-begroting toegevoegd. In de beleidsartikelen wordt dieper ingegaan op de bestemming en besteding van deze middelen. De oploop van de overige enveloppen voor 2011 en verder is conform de afspraak uit het coalitieakkoord gereserveerd op de aanvullende post bij het ministerie van Financiën. Besluitvorming over deze tranche vindt in het voorjaar 2010 plaats.

Stimuleringsmaatregelen

Onderstaande tabel toont het stimuleringspakket uit hoofde van het aanvullend beleidsakkoord van 25 maart 2009 voor de OCW-beleidsterreinen.

Tabel 4 Intensiveringspakket (x € 1 miljoen)
 200920102011201220132014Totaal
Arbeidsmarkt: jeugdwerkloosheid       
Stageoffensief kbb’s6,012,02,0   20,0
School Ex programma9,07,0    16,0
Totaal Arbeidsmarkt: jeugdwerkloosheid15,019,02,0   36,0
        
Onderwijs: versterking mbo       
Opvang conjuncturele effecten in het MBO75,0125,0    200,0
Versterken onderwijsarbeidsmarkt10,010,0    20,0
Plusvoorziening overbelaste jongeren (WRR)15,015,0    30,0
Totaal Onderwijs: versterking mbo; zij-instromers, werkscholen, wijkscholen100,0150,0    250,0
        
Kennis: versterking kennisinfrastructuur; tijdelijke inzet kenniswerkers20,0120,0    140,0
        
Bouw: onderhoud en bouw scholen       
Energiebesparing en binnenmilieu in het primair onderwijs25,076,9    101,9
Energiebesparing en binnenmilieu in het voortgezet onderwijs10,040,9    50,9
Uitvoeringskosten (m.n. CFI)1,21,0    2,2
Totaal Bouw: onderhoud en bouw scholen36,2118,8    155,0
        
Verlenging aflopende innovatieprogramma’s: beroepsonderwijsin bedrijf netwerkschool 4,42,42,42,42,414,0
Verlenging aflopende innovatieprogramma’s: ITER NL2 4,04,0   8,0
Grootschalige researchprojecten/leraren: nederlands centrum voor biodiversiteit4,710,08,46,9  30,0
Grootschalige researchprojecten/leraren: surfnet76,811,76,37,2  32,0
Maatschappelijke innovatieprogramma’s: hersenen & cognitie2,04,04,03,93,92,220,0
Snelle uitvoering FES-projecten43,043,0    86,0
Totaal FES56,577,125,120,46,34,6190,0
Totaal op OCWbegroting227,7484,927,120,46,34,6771,0
Middelen niet op de OCW-begroting       
        
Arbeidsmarkt: EVC, scholing (SZW)50,097,0    147,0
Kennis (EZ)140,0     140,0
Energiebesparing en binnenmilieu (aanvullende post FIN) 10,0    10,0
Bouw: monumenten(WWI)13,031,0    44,0
FES: Grootschalige researchprojecten/leraren: Innovatie impuls (AP FIN)0,56,56,56,5  20,0
Totaal middelen niet op OCW-begroting203,5144,56,56,500361,0
Totaal intensiveringspakket voor het beleidsterrein OCW431,2629,433,626,96,34,61 132,0

Toelichting:

Arbeidsmarkt: jeugdwerkloosheid

Het kabinet stelt voor de periode 2009–2011 € 250 miljoen beschikbaar voor de aanpak van jeugdwerkloosheid. Het actieplan Jeugdwerkloosheid moet vooral in de regio’s uitgevoerd worden. Het kabinet gaat daarom met dertig regio’s (met een Werkpleinplusvestiging) convenanten sluiten. Hierin staan concrete maatregelen voor iedere regio om de jeugdwerkloosheid te bestrijden. Basis hiervoor is een regionaal plan van aanpak. Alle partijen die kunnen bijdragen aan het creëren van participatiemogelijkheden van jongeren, kunnen in de regio aankloppen voor ondersteuning, ook onderwijsinstellingen. Daarnaast streeft het kabinet ernaar om 10 000 extra gediplomeerde mbo-leerlingen met een slecht arbeidsmarktperspectief niet van school te laten gaan maar een jaar langer door te laten leren, via het School Ex (School Exit en Extension) programma. Gelet op de economische crisis lopen zij relatief het grootste risico om na het behalen van een diploma werkloos te worden als ze de arbeidsmarkt betreden. Bovendien werken de 17 samenwerkende kenniscentra voor beroep en bedrijfsleven nauw samen met het UWV Werkbedrijf om voldoende BPV-plaatsen (stage- en leerbanen) te realiseren (het «stageoffensief»). Zo kunnen jongeren hun opleiding afronden dan wel starten. Inclusief de reeds bestaande middelen op de OCW-begroting is voor het stageoffensief in totaal € 23 miljoen beschikbaar.

Het kabinet zet met het actieplan Jeugdwerkloosheid tot slot ook in op het verbinden van jeugdzorg, onderwijs en arbeidsmarkt, via het stimuleren van de inrichting van «plusvoorzieningen» voor overbelaste jongeren. Hiervoor wordt zowel in 2009 als 2010 € 30 miljoen beschikbaar gesteld. OCW en Jeugd en Gezin stellen hiertoe een tijdelijke stimuleringsregeling plusvoorzieningen op. Dit sluit nauw aan op de aanbevelingen uit het WRR-rapport «Vertrouwen in de school».

Onderwijs: versterking mbo

Er komt in 2009 en 2010 extra geld beschikbaar voor de versterking van het mbo. Met deze middelen wordt ten eerste het mbo in staat gesteld de conjunctuureffecten op de omvang en de samenstelling van de deelnemersaantallen in het mbo op te vangen. Verwacht wordt dat mbo deelnemers door de economische crisis vaker zullen kiezen voor scholing in plaats van voor de arbeidsmarkt. Ook zullen veel mbo’ers overstappen van de beroepsbegeleidende leerweg (bbl), waarin het leren vooral in de praktijk plaatsvindt, naar de beroepsopleidende leerweg (bol) waarin het leren vooral op school plaatsvindt.

Verder wordt met deze middelen in 2009 en 2010 extra geïnvesteerd in de «plusvoorzieningen». Het kabinet wil de kansen voor overbelaste jongeren vergroten. Dit zijn leerlingen die gebukt gaan onder een opeenstapeling van problemen, variërend van beperkte vaardigheden en gedragsproblemen tot gebroken gezinnen, schulden, verslaving of criminaliteit in de directe omgeving. Ten slotte wordt een impuls gegeven aan de regionale aansluiting tussen het beroepsonderwijs en de arbeidsmarkt.

Kenniswerkers

Het gaat hierbij om het behoud van onderzoekers/kenniswerkers voor Nederland door het tijdelijk detacheren van R&D-medewerkers uit het bedrijfsleven bij publieke kennisinstellingen. Ook onderzoekers die nieuw toetreden tot de arbeidsmarkt kunnen van de maatregel profiteren, doordat ze langer in dienst van de kennisinstellingen kunnen blijven. De activiteiten waarop de onderzoekers worden ingezet zijn allemaal gekoppeld aan maatschappelijke en wetenschappelijke prioriteiten. SenterNovem en NWO beoordelen de voorstellen.

Bouw: onderhoud en bouw scholen

Het kabinet heeft in het aanvullend beleidsakkoord extra geld gereserveerd voor scholenbouw en onderhoud. De economie krijgt op korte termijn een impuls door te investeren in energiebesparing, duurzaamheid, het binnenklimaat van scholen en innovatie bij de verbetering van schoolgebouwen.

In 2009 en 2010 wordt exclusief uitvoeringskosten ruim € 100 miljoen geïnvesteerd in het primair onderwijs en bijna € 51 miljoen in het voortgezet onderwijs. In 2009 en 2010 wordt € 44 miljoen ingezet voor de restauratie van monumenten. Het gaat hier vooral om industriële en kerkelijke monumenten die een woonbestemming of woningerelateerde bestemming krijgen. Tevens is € 10 miljoen gereserveerd op de aanvullende post bij Financiën, hierover vindt nog nadere besluitvorming plaats in het najaar.

FES

In het aanvullend beleidsakkoord is beschreven dat het kabinet naast extra uitgaven ter stimulering van de economie ook FES-middelen inzet voor maatschappelijke innovatie, grootschalige researchprojecten/leraren, de innovatieagenda energie en het verlengen van aflopende innovatieprojecten. Voor OCW betekent dit concreet dat de komende jaren geïnvesteerd gaat worden in een aantal projecten. Zo is er € 20 miljoen op aanvullende post gereserveerd voor het oplossen van toekomstige lerarentekorten: voor experimenten/pilots ter bevordering van innovatie van het onderwijsproces. De investeringen in grootschalige researchprojecten gaan (bij OCW) naar de projecten Surfnet 7 (€ 32 miljoen) en NCB Biodiversiteit (€ 30 miljoen). Maatschappelijke innovatie wordt doorvertaald in Hersenen en cognitie (€ 20 miljoen) dat zich o.a. richt op vroege herkenning van jongeren met gedragsproblemen en de vraag hóe kinderen leren en hoe deze kennis in het onderwijs gebruikt kan worden.

Tenslotte wordt een tweetal aflopende innovatieprojecten verlengd, namelijk ITER-NL 2 (€ 8 miljoen) en vanuit het oude project Beroepsonderwijs in Bedrijf zal de komende jaren een experiment met het concept Netwerkschool worden uitgevoerd (€ 14 miljoen).

Herschikkingen

Het kabinet heeft besloten over het budgettair kader voor 2009 en verder. De noodzaak tot houdbare overheidsfinanciën op de lange termijn heeft ook voor de OCW-begroting geleid tot herschikkingen. Onderstaande herschikkingen dienen enerzijds voor dekking van tegenvallers en hiermee een sluitende OCW-begroting. Anderzijds dragen ze bij aan de tekortreductie vanaf 2011.

Eerst komen de herschikkingen aan bod die direct op de OCW-begroting neerslaan, hierna volgen de herschikkingen ten laste van de aanvullende post bij Financiën. Het gaat dan met name om enveloppemiddelen voor OCW.

Tabel 5: Herschikkingen (x € 1 miljoen)
 200920102011201220132014
Herschikkingen op de OCW-begroting      
Gerichte inzet middelen Bestuur & Management primair onderwijs0– 38,1– 90,3– 92,3– 89,9– 89,2
Groeiregeling BAO – voortaan op bestuursniveau0– 9,0– 46,0– 46,0– 46,0– 46,0
Vervangings-/wachtgeldopslag versoberen0– 5,0– 10,0– 10,0– 10,0– 10,0
Kasritme schoolboeken VO00– 3,5– 10,0– 10,0– 10,0
Kasritme maatschappelijke stage– 700000
Invoering maatschappelijke stage: aanloopperiode00– 13,0– 13,0– 13,0– 13,0
Educatiemiddelen uit participatiebudget00– 35,0– 35,0– 35,0– 35,0
Innovatiearrangement00– 20,0– 20,0– 20,0– 20,0
ReisvoorzieningMBO– 15– 30,0– 30,0– 30,0– 30,0– 30,0
Dynamisering onderwijsopslag0– 10,00000
Deltaplan Beta/techniek00– 14,0– 14,0– 14,0– 14,0
Niet EER-studenten0– 4,0– 5,0– 5,0– 5,0– 5,0
Korting rijksbijdrage academische ziekenhuizen0– 20,0– 20,0– 20,0– 20,0– 20,0
Aanvullende beurs 1e jaars HO-studenten na 5 maanden P-beurs00– 40,0– 52,0– 52,0– 50,0
Uitvoeringskosten WSF/WTOS00– 1,5– 1,5– 1,5– 1,5
Cultuurprofijt0– 2,0– 2,0– 2,0– 2,0– 2,0
Digitalisering0– 3,0– 5,0– 5,0– 5,0– 5,0
Gratis musea0– 5,0– 5,0– 5,0– 5,0– 5,0
ESA/grote technologische instituten00– 0,4– 4,4– 4,4– 4,4
Inzet vrije deel eindejaarsmarge– 83,500000
Diverse herschikkingen– 10,0– 15,8– 12,3– 9,8– 15,5– 18,0
Totaal herschikkingen op de OCW-begroting– 115,5– 141,9– 353,0– 375,0– 378,3– 378,1
       
Herschikkingen ten laste van de enveloppe      
Technische universiteiten, samenwerking0– 10,0– 5,0– 5,0– 5,0– 5,0
Dynamisering onderwijsopslag0– 4,0– 14,0– 14,0– 14,0– 14,0
Beperken duur maatschappelijke stage00– 25,0– 25,0– 25,0– 25,0
Publieke omroep00– 25,0– 25,0– 25,0– 25,0
Totaal herschikkingen op de enveloppe (aanvullende post FIN)0– 14,0– 69,0– 69,0– 69,0– 69,0
       
Twee jaar niet indexeren WSF/WTOS00– 5,9– 12,8– 15,0– 17,6
Totaal herschikkingen op de aanvullende post SFB (FIN)00– 5,9– 12,8– 15,0– 17,6
Totaal taakstellingen– 115,5– 155,9– 427,9– 456,8– 462,3– 464,7

Toelichting:

Herschikkingen op de OCW-begroting

Gerichte inzet middelen bestuur en management primair onderwijs

Scholen krijgen sinds de invoering van de lumpsum middelen voor het professionaliseren van bestuur en management. Inmiddels is gebleken dat de professionalisering van besturen een belangrijke stap heeft gezet. Uit dien hoofde kiest het kabinet ervoor deze middelen niet langer toe te kennen en in te zetten voor de problematiek. Voor kleine basisscholen blijft nog wel een professionaliseringsbudget bestaan.

Groeiregeling basisonderwijs, voortaan per bestuur

Het basisonderwijs kent een groeiregeling waarbij basisscholen per maand (indien een bepaalde groeidrempel wordt overschreden) een aanvraag voor groeiformatie kunnen indienen. Nu wordt het bereiken van de groeidrempel op schoolniveau bekeken. Besturen met daalscholen én stijgscholen worden niet gekort voor de daling op de daalscholen, maar krijgen wel de groei op de groeischolen vergoed. Met ingang van 1 augustus 2010 wordt op bestuursniveau bepaald of de groeidrempel wordt gehaald.

Vervanging/wachtgeldopslag versoberen GPL VO

In de vergoeding voor de personele lasten zit een component «vervangings-/wachtgelduitgaven». Gezien de realisatie van de uitgaven kan deze worden gekort.

Kasritme schoolboeken VO

Deze reeks komt voort uit de wijzigende kasritmes bij de invoering van de «gratis» schoolboeken.

Kasritme maatschappelijke stage

Als gevolg van aanpassing van het kasritme kan het budget voor de maatschappelijke stage in 2009 verlaagd worden met € 7 miljoen.

Invoering maatschappelijke stage: aanloopperiode

Het vorige kabinet had dit budget beschikbaar gesteld om de opzet van maatschappelijke stage op scholen te stimuleren. Deze middelen vallen vanaf 2011 structureel vrij omdat bij alle scholen de maatschappelijke stage is ingevoerd.

Deel educatiemiddelen uit participatiebudget

De bijdrage vanuit de educatiemiddelen aan het participatiebudget wordt verlaagd.

De resterende middelen zullen worden verdeeld over basisvaardigheden (met name laaggeletterdheid), vavo (tweede kans onderwijs) en NT2. Om de doelstellingen en afspraken te realiseren zal op deze terreinen met name prestatiegericht worden beloond.

Gezien deze bezuiniging en de impact hiervan op de continuïteit van het educatieonderwijs in combinatie met een aantal andere ontwikkelingen in het MBO, heeft het kabinet verder besloten om de introductie van de marktwerking voor educatiemiddelen uit te stellen. Tevens wordt de oormerking van dit budget voor educatie en de bestedingsverplichting bij de roc’s met 3 jaar (tevens het maximum) verlengd. Daarmee zal de wettelijke taak van roc’s voor educatie gedurende deze periode gehandhaafd blijven. De follow up (de ingang van vervallen oormerking en bestedingsverplichting) wordt bij AMvB geregeld. Hiertoe zal een wetswijziging worden voorbereid.

Tot 2013 zijn er schotten tussen het educatiebudget en inburgeringsbudget. In overleg met WWI zal voor mogelijke onvoorziene knelpunten bij het daadwerkelijk bedienen van doelgroepen in de praktijk gezamenlijk naar goede oplossingen worden gezocht.

In de periode naar 2013 zal in overleg met alle partijen voorbereidingen worden getroffen voor de daadwerkelijke invoering van de marktwerking voor het educatieonderdeel in het p-budget.

Innovatie arrangement

De regeling innovatiearrangement wordt nog één jaar verlengd. Vanaf 2011 worden de voor dit doel bestemde middelen ingezet ter dekking van de problematiek. Dit levert structureel € 20 miljoen op.

Reisvoorziening MBO

Vanwege met name uitvoeringsproblemen en de noodzaak tot prioritering worden ook de middelen die oorspronkelijk bedoeld waren voor de tegemoetkoming in de reiskosten voor 16 en 17-jarige MBO-ers anders aangewend.

Dynamisering onderwijsopslag

Deze reeks komt voort uit een deel van de oploop van de enveloppenmiddelen, die aanvankelijk gereserveerd waren voor de dynamisering van de onderwijsopslag.

Deltaplan bèta/techniek

Het huidige programma loopt in 2010 af. Het nieuwe programma zal vanaf 2011 in afgeslankte vorm worden voortgezet. Met ingang van 2011 wordt een bedrag van € 14 miljoen ingezet voor de budgettaire problematiek. Per saldo resteert nog € 46 miljoen per jaar, waaronder middelen voor het sectorplan natuur- en scheikunde.

Niet-EER studenten

De bijdrage aan het hoger onderwijs voor studenten uit de niet-Europese Economische Ruimte (exclusief studenten uit ontwikkelingslanden) wordt versoberd.

Korting rijksbijdrage academische ziekenhuizen

Dit betreft een beperkte doelmatigheidskorting op de rijksbijdrage aan academische ziekenhuizen.

Aanvullende beurs voor eerstejaars HO-studenten na vijf maanden prestatiebeurs

De aanvullende beurs wordt onder het prestatiebeursregime gebracht 5 maanden ná aanvang van de studie (was een jaar). Om ook na 2014 de besparing van € 50 miljoen te blijven realiseren, vindt enerzijds een verdere uitbreiding plaats van de maatregel Niet-EER studenten en anderzijds een beperkte efficiencykorting bij de hogescholen en universiteiten.

Extensivering WTOS/uitvoeringskosten SF

Bij de uitvoeringskosten WTOS valt € 1,5 miljoen euro vrij.

Cultuurprofijt

Het flankerend beleid bij cultuurprofijt, namelijk de innovatieregeling, wordt met € 2 miljoen verlaagd. De matchingregeling cultuurprofijt van € 10 miljoen die is gekoppeld aan de generieke korting van instellingen, blijft gehandhaafd.

Digitalisering

Er wordt in 2010 voor € 3 miljoen en vanaf 2011 voor € 5 miljoen structureel gekort op het budget voor digitalisering cultuur dat betrekking heeft op e-cultuur, infrastructuur en nieuwe media.

Gratis musea

Het voornemen om kinderen tot en met 12 jaar gratis naar musea te laten gaan, wordt nu niet uitgevoerd. Eerst worden voor een bedrag van maximaal € 5 miljoen kleinschalige experimenten uitgevoerd. De resultaten zijn beschikbaar voor een volgend kabinet om een goed onderbouwde beslissing te nemen.

ESA/grote technologische instituten

Dit betreft een efficiencykorting op de grote technologische instituten en een korting op bijdragen aan programma’s bij ESA.

Inzet vrije deel eindejaarsmarge

Het vrije deel van de eindejaarsmarge wordt ingezet voor uitvoeringsproblematiek.

Diverse herschikkingen

Binnen de OCW-begroting vinden enkele herschikkingen en herprioriteringen plaats, nodig om het meerjarige budgettaire beeld sluitend te krijgen. Een deel van de prijsbijstelling wordt ingezet voor de begrotingsproblematiek. Daarnaast wordt een korting toegepast op de vraaggestuurde middelen aan SLOA-instellingen en stichting Kennisnet. Ook vinden in 2009 en 2010 minder groeitoekenningen plaats en wordt in 2010 en 2011 versoberd op het bestedingsplan voortgezet onderwijs. Ten slotte wordt de ophoging van de middelen bedoeld voor de lectoren op de lerarenopleidingen gedeeltelijk verminderd.

Herschikkingen ten laste van de enveloppe

Technische universiteiten, samenwerking

De extra middelen uit het Coalitieakkoord voor de federalisering van de drie technische universiteiten zijn later, te weten vanaf 2011, beschikbaar. Daarnaast worden deze middelen vanaf 2011 verlaagd met € 5 miljoen.

Dynamisering onderwijsopslag

Deze reeks komt voort uit een deel van de oploop van de enveloppenmiddelen, die aanvankelijk gereserveerd waren voor de dynamisering van de onderwijsopslag.

Beperken duur maatschappelijke stage

Naar aanleiding van signalen vanuit scholen en maatschappelijke organisaties wordt het voorgenomen aantal uren maatschappelijke stage voor met name vmbo aangepast. Een en ander is verwerkt in de begroting, waarmee € 75 miljoen als structurele inzet beschikbaar blijft.

Publieke omroep

De aanvullende middelen die het kabinet beoogd had voor kwaliteit en vernieuwing van het aanbod van de publieke omroep worden minder verhoogd. Het betrof oorspronkelijk € 100 miljoen structureel vanaf 2011 en zal nu € 75 miljoen structureel bedragen.

Herschikkingen op de aanvullende post SFB

Twee jaar niet indexeren WSF/WTOS

Vanwege de crisis-maatregelen worden de WTOS en de studiefinanciering gedurende twee jaar niet geïndexeerd. Omdat dit een wetswijziging vergt, levert deze maatregel pas vanaf 2011 vrijval op.

Ontvangsten

Tabel 6 Bijstellingen t.o.v. geautoriseerde ontvangstenbegroting 2009 (x € 1 miljoen)
 200920102011201220132014
Stand ontwerpbegroting 20102 126,42 047,91 981,72 067,52 133,52 208,2
Stand geautoriseerde ontwerpbegroting 20091 971,01 969,51 920,31 981,42 066,62 126,4
Totaal verschil155,478,461,486,167,081,7
Autonome raming studiefinanciering17,07,12,9– 1,0– 1,9– 2,7
Leerlingenontwikkeling– 2,94,524,333,833,648,7
FES-middelen56,544,518,837,419,019,2
Dagarrangementen en combinatiefuncties15,000000
Kasschuif Schutte3,500000
Meevallers/ramingsbijstellingen10,000000
Totaal bijstellingen99,056,146,070,250,765,2
Technische bijstellingen56,422,315,415,816,216,5
Totaal technisch56,422,315,415,816,216,5
Totaal verschil155,478,461,486,167,081,7

Toelichting:

Dagarrangementen en combinatiefuncties

Binnen de «regeling dagarrangementen en combinatiefuncties» wordt voor 2009 verwacht dat er € 15 miljoen aan niet-bestede middelen van gemeenten wordt ontvangen. Deze worden ingezet voor uitvoeringsproblematiek OCW.

Technische bijstellingen

Het betreft hier een bijstelling van de autonome ramingen en reclameopbrengsten en desalderingen met de uitgaven.

Zie voor de meerjarenraming van de ontvangsten per artikel het verdiepingshoofdstuk (samenvatting).

3. DE BELEIDSARTIKELEN

ARTIKEL 1. PRIMAIR ONDERWIJS

1.1 Algemene doelstelling: het primair onderwijs zorgt dat leerlingen in de eerste fase van de doorlopende leerlijn hun talenten maximaal kunnen ontplooien en vervolgonderwijs kunnen volgen dat het beste past bij hun talenten. Het legt bovendien de basis voor de huidige en toekomstige deelname van deze leerlingen aan de samenleving.

Omschrijving

Alle kinderen hebben recht op passend en kwalitatief goed primair onderwijs in voldoende toegeruste scholen (Grondwet, artikel 23:Staatsblad. 2002, nummer 200). De overheid houdt daarvoor een stelsel van (speciale) basisscholen en scholen voor (voortgezet) speciaal onderwijs in stand en waarborgt de kwaliteit van het onderwijs. Voor leerlingen die extra zorg nodig hebben, heeft de overheid als taak om ondersteuning te bieden en onderwijsachterstanden te voorkomen (Wet op primair onderwijs en Wet op de expertisecentra). De overheid verplicht ouders door middel van de Leerplichtwet om hun kinderen onderwijs te laten volgen.

Verantwoordelijkheid van de minister

De minister is verantwoordelijk voor een onderwijsstelsel dat zodanig functioneert dat het onderwijs aansluit bij de talenten en de ambities van individuele leerlingen en bij wat de maatschappij nodig heeft. In het bijzonder is hij verantwoordelijk voor de toegankelijkheid van het onderwijs, de rechtmatige besteding van onderwijsmiddelen en het borgen van de onderwijskwaliteit. De instrumenten die hij tot zijn beschikking heeft zijn wet- en regelgeving, bekostiging, subsidies, toezicht en dialoog met belanghebbenden. Deze belanghebbenden worden door de minister in een positie gebracht die hen in staat stelt maximaal bij te dragen aan goed onderwijs. Hij doet dat door wetten en regels uit te vaardigen voor goed bestuur.

Met ingang van 1 januari 2011 is de minister ook verantwoordelijk voor het onderwijs op de BES-eilanden: Bonaire, Sint Eustatius en Saba.

De minister voor Jeugd en Gezin (JenG) is verantwoordelijk voor zorg in de school vanuit het gemeentelijke en preventieve domein. In de beleidsvorming over de samenwerking tussen onderwijs en jeugdzorg werken de ministers van OCW en JenG nauw samen, omdat de school de vind- en werkplaats is van kinderen en jongeren met problemen.

Externe factoren

Het onderwijs wordt ook bepaald door de inzet van leerlingen, ouders, leraren, schoolleiders, bestuurders, toezichthouders, brancheorganisaties, maatschappelijke organisaties (bijvoorbeeld jeugdzorg), andere overheden en bedrijven. De minister is daarom ook afhankelijk van de beschikbaarheid, de capaciteiten en de faciliteiten van deze actoren. Andere factoren die de minister slechts beperkt kan beïnvloeden, maar waarvan hij wel afhankelijk is, zijn: de ontwikkelingen op de arbeidsmarkt, de demografische ontwikkelingen (zoals veranderingen in de samenstelling van de leerlingenpopulatie en het lerarenbestand) en de conjuncturele ontwikkelingen.

Meetbare gegevens bij de algemene doelstelling

Tabel 1.1 Indicatoren
IndicatorBasiswaardeLaatste waardeStreefwaarde 1Streefwaarde 2
1. Posities op internationale ranglijst «gemiddelde wiskundeprestaties» in groep 6 van het basisonderwijs. 5/69Top 5 
  Bron: TIMSSPeildatum: 1995Peildatum: 2007Peildatum: 2011 
2. Positie op internationale ranglijst «gemiddelde leesvaardigheid» in groep 6 van het basisonderwijs. 2112Top 5 
  Bron: PIRLSPeildatum: 1995Peildatum: 2006Peildatum: 2011 
3. Percentage leerlingen op basisscholen met havo of vwo advies.3841,54345
  Bron: COOL-Cohortonderzoek(NWO)Peildatum: 2005Peildatum: 2008Peildatum: 2011Peildatum: 2014
4. Rapportcijfer ouders over de kwaliteit van de school van hun kind.7,57,5Tenminste 7,5Tenminste 7,5
  Bron: OnderwijsmeterPeildatum: 2001Peildatum: 2008Peildatum: 2010Peildatum: 2012

* De relatieve indicator over de resultaten van leerlingen uit begroting 2009 is geschrapt; er wordt gewerkt aan een meer absolute indicator.

Toelichting:

In tabel 1.1 zijn vier indicatoren opgenomen die een beeld geven van de prestaties van de leerlingen en de scholen in het basisonderwijs. Deze informatie wordt verzameld via internationaal steekproefonderzoek (TIMMS, PIRLS) en nationaal steekproefonderzoek (COOL-Cohortonderzoek NWO). Het TIMMS-onderzoek vindt één keer in de vier jaar plaats. Het eerstvolgende onderzoek is in 2012 beschikbaar en betreft 2011. Het PIRLS-onderzoek is vijfjaarlijks. Het eerstvolgende gaat over 2011. Het COOL-Cohortonderzoek (NWO) is driejaarlijks. Het eerstvolgende onderzoek betreft 2011. Van het speciaal basisonderwijs en het speciaal onderwijs zijn geen vergelijkbare resultaatsgegevens bekend.

1.-2. Deze indicatoren brengen het nationale prestatieniveau in vergelijking met andere landen in beeld. Het is de ambitie dat het Nederlandse basisonderwijs tot de internationale top 5 behoort als het gaat om wat leerlingen presteren op gebieden als taal en rekenen. Nieuwe gegevens over 2011 zijn beschikbaar in 2012.

3. Nederland streeft ernaar dat op termijn (na 2020) de helft van de Nederlandse beroepsbevolking tussen de 25 en 44 jaar hoger opgeleid is. Om deze doelstelling te bereiken, is het gewenst dat meer leerlingen in het primair onderwijs een hoger prestatieniveau bereiken en dat zij dat niveau ook vasthouden in het voortgezet onderwijs. Omdat de streefwaarde voor 2008 (40%) is gerealiseerd, wordt de streefwaarde voor 2011 verhoogd naar 43% en voor 2014 naar 45%.

4. Aan ouders wordt tweejaarlijks gevraagd naar hun tevredenheid over de school van hun kind. In 2008 is het rapportcijfer een 7,5. Het is de ambitie om dit cijfer in de toekomst ten minste op een 7,5 te houden. In 2010 zullen nieuwe gegevens beschikbaar zijn.

1.2 Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 1.2 Budgettaire gevolgen van beleid artikel 1 (x € 1 000)
 2008200920102011201220132014
Verplichtingen9 282 9699 625 2849 459 2049 432 7649 384 6399 321 0379 261 073
Waarvan garantieverplichtingen20 500000000
Totale uitgaven8 981 0199 626 5009 460 4209 433 9809 385 8559 322 2539 262 289
        
Programma-uitgaven8 974 8179 621 5029 455 6599 428 8029 380 6799 317 0779 257 113
        
Leerlingen volgen onderwijs op voldoende toegeruste scholen voor primair onderwijs8 531 2438 994 9108 980 1408 757 0328 717 7748 652 6198 591 592
• Personele bekostiging7 411 4297 779 5407 712 8437 573 5177 544 7387 490 2107 440 481
• Materiële bekostiging1 089 3071 149 1571 146 9681 141 2441 131 5741 122 4761 113 213
• Verbeteren binnenmilieu1 35427 51579 6472 7472 7472 0350
• Onderwijspersoneelsbeleid4 6034 4084 4273 5175 0835 0835 083
• Invoering persoonsgebonden nummer4 1165 2242 0002 0002 0002 0002 000
• Humanistisch vormend en godsdienstonderwijs1 9635 73710 00010 00010 00010 00010 000
• Aanpak (zeer) zwakke scholen1609892 4002 400000
• Overig18 31122 34021 85521 60721 63220 81520 815
        
Leerlingen volgen onderwijs van hoge kwaliteit43 12760 08665 23454 09341 57143 15543 155
• Verbeteren van taal- en rekenopbrengsten13 42126 24431 15029 73031 91232 62432 624
• Excellentie en talentontwikkeling9202 9643 0953 131000
• Verbreding techniek in het basisonderwijs7 8758 3524 955100000
• Cultuur en school16 77418 48318 48310 782000
• Overig4 1374 0437 55110 3509 65910 53110 531
        
Leerlingen kunnen zonder drempels het primair onderwijs volgen dat het beste past bij hun talenten en specifieke behoeften353 439398 141259 415425 374425 743425 688425 688
• Passend onderwijs en LGF39 25865 04093 72691 95591 99091 98991 989
• OnderwijsachterstandenbeleidGOA/OAB, VVE en schakelklassen283 542280 190111 469277 922278 506278 452278 452
• Segregatie2 0921 8621 8301 8591 6091 6091 609
• Onderwijsvoorzieningen voor jonggehandicapten020 64622 20423 86223 86223 86223 862
• Veiligheidop school21 61423 15822 92822 91822 91822 91822 918
• Overig6 9337 2457 2586 8586 8586 8586 858
        
Leerlingen krijgen een beter aanbod van aansluitende voor-zieningen in en om de school5 77639 23511 07215 40516 03016 03016 030
• Brede scholen97031 08211 04711 05711 68211 68211 682
• Dagarrangementen en combinatiefuncties6738 00000000
• Tussenschoolse opvang3 937004 3484 3484 3484 348
• Overig196153250000
        
Voorcalculatorische uitdelingen080 30095 152139 778142 442142 466143 499
        
Programmakosten-overig41 23248 83044 64637 12037 11937 11937 149
• Uitvoeringsorganisatie DUO32 80737 12032 67125 12125 15225 09425 124
• Overig8 42511 71011 97511 99911 96712 02512 025
        
Apparaatsuitgaven6 2024 9984 7615 1785 1765 1765 176
Ontvangsten71 40466 5395 9361 6611 6611 6611 661

* Ten opzichte van begroting 2009 is de tabel iets gewijzigd. Bij het instrument «schoolbegeleiding» was een aflopend budget opgenomen voor wachtgeldverplichtingen. Dit budget is nu opgenomen onder het instrument «overig» van de eerste operationele doelstelling. De middelen om de positie van de ouders te versterken zijn hier ook onder opgenomen. De enveloppenmiddelen «leer- en hulpmiddelen» waren eerder al incidenteel opgenomen onder het instrument «verbeteren taal- en rekenopbrengsten» en zijn nu ook meerjarig daar opgenomen. Daar staan nu ook de middelen voor kwaliteitszorg. Het geld voor faciliteiten voor zieke leerlingen is opgenomen onder «overig» van de derde operationele doelstelling. De middelen voor buitenschoolse opvang lopen af en zijn nu opgenomen onder «overig» van de vierde operationele doelstelling. De uitgaven voor de uitvoeringsorganisaties CFI en IBG zijn opgenomen onder DUO.

Coalitieakkoord en aanvullend beleidsakkoord

In het Coalitieakkoord zijn voor artikel 1 (primair onderwijs) enveloppengelden gereserveerd. Uit de enveloppe «onderwijs» gaat het om een bedrag van € 31,3 miljoen in 2008 oplopend tot indicatief € 185,1 miljoen in 2011. Tranche 2011 is nog op de aanvullende post bij het ministerie van Financiën gereserveerd. Tranche 2010 van de enveloppe «onderwijs» betreft € 62,8 miljoen. Uit de enveloppe «kinderopvang» ging het om € 53,5 miljoen in 2008 en € 41,5 miljoen in 2009 voor voor- en vroegschoolse educatie. Verder zijn in het coalitieakkoord en in daaropvolgende Nota van Wijziging middelen beschikbaar gesteld voor het actieplan «LeerKracht van Nederland». Deze middelen worden toegelicht in artikel 9 (arbeidsmarkt- en personeelsbeleid). In de vorige begroting en in deze begroting is hiervan in totaal structureel € 195,7 miljoen overgeboekt naar artikel 1 (primair onderwijs). De beleidsambities in deze begroting zijn vanuit deze indicatieve invulling geformuleerd. Het gaat om de ontwikkeling van het taal- en rekenonderwijs, het passend onderwijs, het onderwijsachterstandenbeleid en de voor- en vroegschoolse educatie, de brede scholen en het lerarenbeleid. De maatregelen zijn toegelicht in dit beleidsartikel en in beleidartikel 9 (arbeidsmarkt- en personeelsbeleid).

In het aanvullende beleidsakkoord zijn intensiveringen opgenomen voor onderhoud en bouw van scholen. Voor het primair onderwijs gaat het om € 104 miljoen verdeeld over 2009 en 2010. Deze middelen zullen vooral worden ingezet voor klimaatverbetering en energiebesparing. In paragraaf 1.3.1 worden deze uitgaven verder toegelicht.

In het aanvullende beleidsakkoord zijn ook ombuigingen opgenomen die moeten bijdragen aan het herstel van de overheidsfinanciën op de lange termijn. Voor het primair onderwijs is gekozen voor maatregelen waarbij het primaire proces zoveel mogelijk wordt ontzien. Met ingang van 1 augustus 2010 zal de groeiregeling in het basisonderwijs worden aangepast. Hiermee wordt circa € 46 miljoen bespaard. Verder wordt per 1 augustus 2010 de vergoeding voor Bestuur en Management voor het hele primair onderwijs grotendeels stopgezet. Ook vervalt het resterende budget voor het vangnet lumpsum. De totale besparing bedraagt circa € 90 miljoen. Deze maatregelen worden verder toegelicht in paragraaf 1.3.1. Tenslotte zal met ingang van 2013 circa € 5 miljoen worden omgebogen door diverse kleinere maatregelen.

Tabel 1.3 Budget flexibiliteit per operationele doelstelling (x € 1 000)
 20102011201220132014
Programma-uitgaven (totaal operationele doelstellingen)9 315 8619 251 9049 201 1189 137 4929 076 465
Totaal juridisch verplicht9 042 6819 044 9218 994 2208 930 6298 871 637
Totaal bestuurlijk gebonden273 180206 829206 523206 008203 873
Totaal niet-juridisch verplicht of bestuurlijk gebonden0154375855955
Leerlingen volgen onderwijs op voldoende toegeruste scholen voor primair onderwijs8 980 1408 757 0328 717 7748 652 6198 591 592
• Juridisch verplicht8 882 6488 737 8908 697 1438 633 5018 574 509
• Bestuurlijk gebonden97 49219 12220 61118 61816 583
• Niet-juridisch verplicht of bestuurlijk gebonden02020500500
      
Leerlingen volgen onderwijs van hoge kwaliteit65 23454 09341 57143 15543 155
• Juridisch verplicht30 47618 2458 7309 4859 485
• Bestuurlijk gebonden34 75835 71832 71133 54033 540
• Niet-juridisch verplicht of bestuurlijk gebonden0130130130130
      
Leerlingen kunnen zonder drempels het primair onderwijs volgen dat het beste past bij hun talenten en specifieke behoeften259 415425 374425 743425 688425 688
• Juridisch verplicht129 532288 786288 347287 643287 643
• Bestuurlijk gebonden129 883136 584137 196137 845137 745
• Niet-juridisch verplicht of bestuurlijk gebonden04200200300
      
Leerlingen krijgen een beter aanbod van aansluitende voorzieningen in en om de school11 07215 40516 03016 03016 030
• Juridisch verplicht250000
• Bestuurlijk gebonden11 04715 40516 00516 00516 005
• Niet-juridisch verplicht of bestuurlijk gebonden00252525

* De programma-uitgaven zijn exclusief de «voorcalculatorische uitdelingen» en de «programmakosten overig». De enveloppenmiddelen die nog niet juridisch zijn verplicht, zijn opgenomen als bestuurlijk gebonden.

1.3 Operationele beleidsdoelstelling

1.3.1 Leerlingen volgen onderwijs op voldoende toegeruste scholen voor primair onderwijs

Motivering

De overheid heeft de verantwoordelijkheid om scholen goed toe te rusten, zodat scholen in staat zijn te voldoen aan eisen voor toegankelijkheid en kwaliteit. De scholen en de schoolbesturen moeten kunnen inspelen op specifieke omstandigheden en onderwijs op maat bieden.

Besturen ontvangen hiervoor een lumpsumbekostiging; één budget voor de personele en de materiële kosten. Het geld kan vrij worden besteed aan het onderwijs en de zorg.

Het onderwijsverslag 2007/2008 van de Inspectie van Onderwijs laat zien dat het primair onderwijs er als geheel goed voorstaat. Op sectorniveau ziet de Inspectie van het Onderwijs geen continuïteitsrisico’s. In 2009 zal de lumpsumbekostiging worden geëvalueerd.

Instrumenten

• Personele bekostiging

De basis voor de personele bekostiging van de scholen is het aantal leerlingen, de gemiddelde leeftijd van de leraren en het opleidingsniveau van de ouders. Voor de bekostiging van vervangers van bijvoorbeeld zieke leraren (Vervangingsfonds) en voor de verzekering van de wachtgelden (Participatiefonds) geldt een beperkte verzekeringsplicht. Het huidige stelsel blijft voor alle schoolbesturen van kracht. De eerder voorgenomen pilot om te experimenteren met een andere vorm van bekostiging gaat niet door, omdat er onvoldoende aanmeldingen waren. Werkgevers- en werknemersorganisaties hebben aangegeven dat zij naar mogelijkheden willen zoeken om het huidige stelsel te moderniseren.

Met ingang van 1 augustus 2010 zal de groeiregeling in het basisonderwijs zo worden aangepast dat de omvang van de groeitoekenning niet langer op schoolniveau wordt berekend, maar op bestuursniveau. Een groot deel van de tussentijdse leerlingengroei komt daarmee niet meer in aanmerking voor een groeitoekenning, omdat die leerlingengroei wegvalt tegen een leerlingendaling op andere scholen onder hetzelfde bestuur. Op het totale personele groeibudget voor het basisonderwijs van € 75 miljoen wordt hiermee circa € 46 miljoen bespaard. Op diezelfde datum wordt ook de vergoeding voor Bestuur en Management voor het primair onderwijs grotendeels stopgezet. Alleen de kleine basisscholen zullen hiervoor nog middelen ontvangen. Hiervoor is nog ongeveer € 5 miljoen beschikbaar (de «kleinescholentoeslag»). Ook vervalt het resterende budget voor het vangnet lumpsum. De totale besparing bedraagt ongeveer € 90 miljoen.

• Materiële bekostiging

Het Rijk verstrekt schoolbesturen een lumpsumbekostiging voor de materiële instandhouding van scholen. Deze bekostiging is gebaseerd op een programma van eisen. Eens per vijf jaar vindt een evaluatie van de programma’s van eisen plaats. Deze evaluatie toetst of de bekostiging adequaat is. De eerstvolgende evaluatie is in 2011.

• Verbeteren binnenmilieu basisscholen

Tot en met het schooljaar 2012/2013 is jaarlijks € 2,7 miljoen beschikbaar voor een bewustwordingscampagne en een (eenmalige) financiële bijdrage voor verbeteringen in het binnenmilieu van scholen. De scholen ontvangen bij een bezoek van de GGD een informatiepakket, een CO2-meter en een bouwtechnisch advies. Daarnaast wordt in totaal € 104 miljoen uitgetrokken voor grootschalige aanpassingen in de schoolgebouwen: € 26,2 miljoen in 2009 en € 77,9 miljoen in 2010. Deze middelen zullen vooral worden ingezet om in de bestaande bouw het binnenklimaat te verbeteren en zuiniger om te gaan met energie. In 2009 en 2010 komen er regelingen om scholen hierbij te ondersteunen. Om er zeker van te zijn dat de middelen snel worden ingezet, wordt gestart met gemeenten die al concrete plannen hebben. Daarnaast zal er geld zijn voor innovatieve projecten.

• Onderwijspersoneelsbeleid

De instrumenten en activiteiten die voor specifiek onderwijspersoneelsbeleid worden ingezet, worden toegelicht in artikel 9 (arbeidsmarkt- en personeelsbeleid). Hierin zijn ook de maatregelen beschreven uit het «Convenant LeerKracht van Nederland» (Tweede Kamer, vergaderjaar 2007–2008, 27 923, nr. 53). Deze maatregelen zijn gericht op de aanpak van het tekort aan leraren en schoolleiders, het versterken van de positie van de leraar en het verbeteren van de kwaliteit van het leraarberoep en daarmee de kwaliteit van het onderwijs. Het geld dat hiervoor is gereserveerd staat deels op artikel 1 onder het instrument «personele bekostiging» en deels op artikel 9 (arbeidsmarkt- en personeelsbeleid).

• Invoering persoonsgebonden nummer

Vanaf medio 2009 zullen de scholen hun leerlinggegevens uitwisselen met de Basisregistratie Onderwijs (BRON). Als deze uitwisseling goed verloopt, is de school «aangesloten op» BRON. Scholen worden hierbij zorgvuldig begeleid door het centrale loket BRON. Achter dit loket werken de IB-Groep en CFI samen in de helpdesk, het relatiebeheer en de kennisbank. Als eind 2010 alle scholen volgens de planning zijn aangesloten, dan zal de bekostiging op basis van het persoonsgebonden nummer plaatsvinden.

• Godsdienstonderwijs en humanistisch vormingsonderwijs

In 2009 is er € 5 miljoen beschikbaar gesteld voor humanistisch vormend en godsdienstonderwijs op de openbare basisscholen. Voor 2010 en latere jaren wordt dit bedrag verhoogd naar maximaal € 10 miljoen. Het geld is met name bedoeld voor de salariskosten van de leraren die het onderwijs verzorgen en wordt toegekend aan de samenwerkende landelijke organisaties op het gebied van het godsdienstonderwijs en humanistisch vormingsonderwijs. Hiermee wordt invulling gegeven aan het amendement van Jan Jacob van Dijk c.s. (Tweede Kamer, vergaderjaar 2008/2009, 31 700, nr. 79).

• Aanpak (zeer) zwakke scholen

Het doel is het aantal zeer zwakke basisscholen in 2011 te halveren en de periode dat een school zeer zwak is te verkorten tot maximaal één jaar. Daarnaast is het van belang te voorkomen dat zwakke scholen afglijden naar zeer zwakke kwaliteit. In de brief aan de Tweede Kamer van 11 februari 2009 staan de plannen uitgewerkt om dit te realiseren (Tweede Kamer, vergaderjaar 2008/2009, 31 293, nr. 28). Hiervoor wordt zowel in 2010 als in 2011 € 2,4 miljoen uitgetrokken.

Scholen die door de Inspectie van het Onderwijs als zwak zijn beoordeeld moeten een verbeterplan maken. Zeer zwakke scholen krijgen binnen één jaar van het verbetertraject een tussenbeoordeling over de kwaliteit. Als een school niet langer «zeer zwak» is, kunnen er nog wel redenen zijn voor een aangepast toezichtarrangement.

Besturen worden inhoudelijk ondersteund bij de aanvang van het verbetertraject zeer zwakke school. Hiervoor faciliteert de PO-raad een analyseteam dat onderzoekt welke factoren hebben geleid tot de zeer zwakke kwaliteit. Ervaren schoolleiders worden gekoppeld aan collega’s van zwakke scholen voor uitwisseling van ervaring en kennis («twinning»).

Besturen, bovenschools management en schoolleiders moeten zich tijdig bewust zijn van de (zwakke) onderwijskwaliteit. Daarom moeten zwakke scholen voor 2011 het instrument «vroegtijdige signalering van de onderwijskwaliteit» kunnen toepassen. De PO-raad is gevraagd de (zeer) zwakke school te faciliteren bij het verbeterproces.

Meetbare gegevens bij de operationele doelstelling

Tabel 1.4 Indicatoren
IndicatorBasiswaardeLaatste waardeStreefwaarde 1Streefwaarde 2
Het percentage scholen waar de leraren efficiënt gebruik maken van de geplande onderwijstijd. 92,496,697%97%
Bron: Inspectie van het Onderwijs2003/20042007/20082008/20092010/2011

Toelichting:

Deze indicator geeft een indicatie van de mate waarin scholen gebruik maken van de onderwijstijd. De Inspectie van het Onderwijs bekijkt of lessen op tijd beginnen, of niet te veel tijd wordt besteed aan klassenorganisatie en of leerlingen niet te lang op hulp hoeven te wachten. Het percentage scholen dat efficiënt omgaat met de onderwijstijd is in de afgelopen jaren sterk gestegen. De Inspectie van het Onderwijs noemt het percentage hoog. Omdat de eerdere streefwaarde (96%) is gerealiseerd, is de streefwaarde verhoogd naar 97%. Naar verwachting zal dan bereikt zijn wat maximaal haalbaar is. De streefwaarden vallen binnen de marge van steekproefonderzoek.

Meetbare gegevens over de personele bekostiging zijn opgenomen in artikel 9 (arbeidsmarkt- en personeelsbeleid).

Tabel 1.5 Leerlingen primair onderwijs (x 1 000)
 2008200920102011201220132014
Leerlingen basisonderwijs       
– geen gewicht1 312,71 339,61 331,11 315,61 301,81 285,41 268,8
– 0.2537,70,00,00,00,00,00,0
– 0.391,1121,5120,7119,3118,0116,5115,0
– 0.40,40,00,00,00,00,00,0
– 0.70,70,00,00,00,00,00,0
– 0.947,40,00,00,00,00,00,0
– 1.262,983,983,482,481,680,579,5
Subtotaal1 552,91 545.01 535,11 517.31 501,41 482,51 463,3
Leerlingen trekkende bevolking0,40,40,40,40,40,40,4
Totaal1 553,31 545,41 535,51 517,71 501,81 482,91 436,7
Leerlingen in het speciaal basisonderwijs44,143,442,741,740,539,137,6
– waarvan anderstalige leerlingen8,38,28,18,07,77,57,2
Leerlingen in het (voortgezet) speciaal onderwijs66,368,069,570,972,072,873,6
– waarvan anderstalige leerlingen11,511,611,711,711,711,611,5
Ambulant begeleide leerlingen39,240,240,240,240,240,240,2

Bron: Referentieraming 2009, raming op teldatum 1 oktober van de respectievelijke jaren.

NB: De gewichtenregeling is herzien per 1 augustus 2006. Hierdoor zijn twee nieuwe gewichten (0.3 en 1.2) ingevoerd en zal geleidelijk tot en met 1 oktober 2009 de oude gewichtenregeling worden afgebouwd. De leerlingen in het (v)so zijn inclusief visueel gehandicapten leerlingen (circa 640 leerlingen). De vergoeding van de meerkosten, samenhangend met het aantal geïndiceerde leerlingen, kent met ingang van 01-08-2008 een plafond.

Tabel 1.6: (Gesaldeerde) uitgaven per leerling, excl. IBG, CFI en apparaatskosten (x € 1 000)
 2008200920102011201220132014
WPO: basisonderwijs en speciaal basisonderwijs4,74,84,94,94,94,94,9
WEC: (voortgezet) speciaal onderwijs20,120,220,320,019,619,819,7
Primair onderwijs5,35,45,65,55,55,65,6

Bron: Referentieraming 2009, raming op teldatum 1 oktober van de respectievelijke jaren.

NB: De berekeningswijze is als volgt: gesaldeerde uitgaven in constante prijzen gedeeld door het aantal leerlingen per 1 oktober van de desbetreffende jaren.

Tabel 1.7: Aantal scholen in het primair onderwijs
 2008200920102011201220132014
Scholen voor basisonderwijs6 8916 8916 8916 8916 8916 8916 891
Scholen voor speciaal basisonderwijs313313313313313313313
Scholen voor (voortgezet) speciaal onderwijs323323323323323323323
Totaal Primair onderwijs7 5277 5277 5277 5277 5277 5277 527

Bron: CFI-tellingen, op peildatum 1 oktober van de respectievelijke jaren.

1.3.2. Leerlingen volgen onderwijs van hoge kwaliteit

Motivering

Het primair onderwijs moet het voor de leerling mogelijk maken naar die vorm van voortgezet onderwijs te gaan die het beste aansluit bij zijn of haar capaciteiten. Dit vraagt om kwalitatief goed primair onderwijs. De Inspectie van het Onderwijs houdt toezicht op de kwaliteit van het onderwijs en rapporteert hierover jaarlijks in het Onderwijsverslag.

Uit het Onderwijsverslag 2007/2008 blijkt dat de meeste scholen in het primair onderwijs het goed doen. Zo is de onderwijskwaliteit van ruim 90% van de basisscholen voldoende. Toch blijft vooral de kwaliteit van het taal- en rekenonderwijs een belangrijk aandachtspunt. Al in het Onderwijsverslag 2006/2007 concludeerde de Inspectie van het Onderwijs dat bij een groeiend aantal leerlingen de basisvaardigheden ontoereikend zijn om goed in de samenleving te kunnen functioneren. Nader onderzoek in 2007/2008 wijst uit dat de taal- en rekenprestaties van leerlingen samenhangen met de kwaliteit van de onderwijsleerprocessen.

Goede beheersing van taal en rekenen vormt voor alle leerlingen de basis van een succesvolle schoolcarrière, en daarmee hun verdere loopbaanontwikkeling. De basisvaardigheden taal en rekenen staan dan ook centraal in de Kwaliteitsagenda Primair Onderwijs «Scholen voor morgen» (november 2007) (Tweede Kamer, vergaderjaar 2007-2008, 31 293, nr.1). De activiteiten die in 2010 worden ondernomen vloeien voort uit die Kwaliteitsagenda Primair Onderwijs en zijn daarmee een voortzetting van het in 2007 ingezette beleid.

Instrumenten

• Verbeteren van taal- en rekenopbrengsten

Om het taal- en rekenonderwijs duurzaam te verbeteren is in 2010 ongeveer € 31 miljoen beschikbaar. De middelen worden onder andere ingezet voor de implementatie van referentieniveaus, zoals is geadviseerd door de Expertgroep Doorlopende Leerlijnen Taal en Rekenen. De referentieniveaus worden in 2010 vastgelegd in wet- en regelgeving. De referentieniveaus bieden scholen meer duidelijkheid en focus bij het taal- en rekenonderwijs. Om leraren te ondersteunen worden ze in 2010 vertaald naar tussendoelen, leerlijnen taal en rekenen, leerlingvolgsystemen en toetsen. In het kader van doorlopende leerlijnen kunnen scholen in pilots met name werken aan de aansluiting met het voortgezet onderwijs. Voor leerlingen die zwak zijn in taal en rekenen, worden de consequenties van de referentieniveaus zorgvuldig in kaart gebracht. Hierna kunnen eventueel trajecten worden ingezet om ook deze leerlingen zoveel mogelijk de referentieniveaus te laten halen.

In 2008 konden samenwerkende basisscholen, met de focus op taalzwakke en rekenzwakke scholen, via het Projectbureau Kwaliteit (PK!) van de PO-raad subsidie aanvragen voor meerjarige taal- of rekenverbetertrajecten waarmee bewezen effectieve aanpakken werden verspreid en toegepast. Eén van de centrale concepten hierbij is opbrengstgericht werken. Het gaat daarbij om het meten van de resultaten op leerling-, groeps- en schoolniveau; hiervan te leren en het onderwijs duurzaam te verbeteren. De Inspectie van het Onderwijs ziet toe op de mate waarin basisscholen opbrengstgericht werken, onder andere aan de hand van de inrichting van de kwaliteitszorg op scholen. In het schooljaar 2006/2007 werd op slechts 39% van de scholen de kwaliteitszorg als voldoende beoordeeld. Om deze reden is in de Kwaliteitsagenda Primair Onderwijs de ambitie geformuleerd het percentage scholen met voldoende kwaliteitszorg in drie jaar tijd te laten stijgen tot 70%. In totaal werken 1000 basisscholen aan een taalverbetertraject en 425 aan een rekenverbetertraject. Daarnaast werken ongeveer 160 scholen voor speciaal onderwijs en speciaal basisonderwijs aan een verbetertraject. Deze trajecten lopen door in 2010.

PK! ondersteunt de scholen en de schoolbesturen hierbij en stimuleert het leren van elkaar om een duurzame beweging op gang te brengen.

Vanuit dat perspectief wordt eveneens gewerkt aan het verspreiden van de meest succesvolle aanpakken naar scholen die niet mee (konden) doen aan een verbetertraject.

• Excellentie en talentontwikkeling

Talentvolle leerlingen worden niet altijd herkend en uitgedaagd. Uit onderzoek blijkt bijvoorbeeld dat juist bij cognitieve toptalenten relatief vaak sprake is van onderpresteren op het gebied van taal en rekenen. Om excellentie te stimuleren is in 2009 een subsidieregeling opgesteld voor lokale innovatieve projecten die de aandacht voor excellentie op basisscholen duurzaam verstevigen. Deze lokale projecten lopen door tot en met 2011. Ook de landelijke projecten voor excellentie, die ten goede komen aan álle scholen, lopen door in 2010. Voorbeelden hiervan zijn een digitale topschool, het versterken van banden tussen basisscholen en universiteiten, en het ontwikkelen van instrumenten om talentvolle leerlingen tijdig te herkennen.

• Verbreding techniek in het basisonderwijs

Het in 2004 gestarte Nationale Actieplan Bèta/Techniek gaat in 2010 zijn laatste jaar in. Het Platform Bèta Techniek voert in dit kader voor het primair onderwijs drie programma’s uit. Het programma Verbreding Techniek in het Basisonderwijs (VTB) richt zich op de implementatie van bètatechniek op 2500 basisscholen. VTB-pro is een programma waarin 10 000 zittende en aankomende leraren worden geschoold in bètatechniek. Talentenkracht is een onderzoeksprogramma gericht op vroege signalering van talenten bij drie- tot vijfjarige kinderen. De middelen voor het programma VTB-pro en Talentenkracht maken deel uit van artikel 1 van de begroting (Primair Onderwijs), de overige middelen voor het Nationale Actieplan Bèta/Techniek staan op de begrotingsartikelen van Hoger Onderwijs (artikelen 6 en 7).

Vanaf 2011 zal het Manifest Wetenschap en Techniek tot uitvoering worden gebracht. Daarmee zal in de periode 2011 tot en met 2016 verder gebouwd worden aan het verduurzamen van de plaats van wetenschap en techniek in het primair onderwijs.

• Cultuur en School

Het doel van de Regeling versterking cultuureducatie in het primair onderwijs is scholen in de gelegenheid te stellen hun visie op cultuureducatie in het lesprogramma te bepalen en deze visie in samenwerking met hun culturele omgeving te vertalen in een samenhangend geheel van cultuureducatieve activiteiten. Tot en met het schooljaar 2010/2011 staan de middelen op artikel 1, daarna op artikel 14 «Cultuur».

Meetbare gegevens bij de operationele doelstelling

Tabel 1.8 Indicatoren
IndicatorBasiswaardeLaatste waardeStreefwaarde 1Streefwaarde 2
1. Gemiddelde taalvaardigheidscores in groep 8 van het basisonderwijs:    
  a. woordenschat250250≥ 250≥ realisatie voorgaand jaar
  b. spelling250250≥ 250≥ realisatie voorgaand jaar
  c. begrijpend lezen.250250≥ 250≥ realisatie voorgaand jaar
Bron: Cito – Jaarlijks Peilingsonderzoek van het OnderwijsniveauPeildatum: 2008Peildatum: 2008Peildatum: 2009Peildatum 2011
2. Gemiddelde rekenvaardigheidscores in groep 8 van het basisonderwijs.250250≥ 250≥ realisatie voorgaand jaar
Bron: Cito – Jaarlijks Peilingsonderzoek van het OnderwijsniveauPeildatum: 2008Peildatum: 2008Peildatum: 2009Peildatum 2011
3. Percentage scholen dat systematisch de kwaliteit evalueert van haar opbrengsten en het leren en onderwijzen.39525870
Bron: Inspectievan het OnderwijsPeildatum: 2006/2007Peildatum: 2007/2008Peildatum: 2008/2009Peildatum: 2010/2011
4. Percentage scholen dat voldoende scoort op kwaliteitskenmerk instructie.96,7959698
Bron: Inspectie van het OnderwijsPeildatum: 2003/2004Peildatum: 2007/2008Peildatum: 2008/2009Peildatum: 2010/2011
5. Rapportcijfers ouders over de kwaliteit van de leraar van het kind.7,77,77,77,7
Bron: OnderwijsmeterPeildatum: 2005Peildatum: 2008Peildatum: 2010Peildatum: 2012
6. Percentage zeer zwakke scholen in het basisonderwijs.1,4%1,5%1,1%0,65%
Bron: Inspectie van het OnderwijsPeildatum: 01.01.2006Peildatum: 01.01.2009Peildatum: 01.01.2010Peildatum: 01.01.2011

Toelichting:

De in eerdere begrotingen opgenomen indicatoren voor taalvaardigheid- en rekenvaardigheid in groep 8, gebaseerd op het NWO Cohortonderzoek, zijn vervangen door indicatoren 1 en 2. Deze gegevens zijn gebaseerd op onderzoek dat het Cito tot en met 2011 uitvoert. Daarmee zijn jaarlijks gegevens beschikbaar over de taal- en rekenvaardigheid in plaats van driejaarlijks. Deze indicatoren sluiten ook aan bij de Kwaliteitsagenda PO.

1. De eerste meting over 2008 is een nulmeting. De gemiddelde taalvaardigheidscores zijn daarbij vastgesteld op 250 punten. Het streven is de vaardigheidsscores ieder jaar te verbeteren. Zodra ook de uitkomsten van de vervolgmeting beschikbaar zijn, zal in overleg met de PO-raad bekeken worden of meer exacte streefwaarden mogelijk zijn.

2. De eerste meting over 2008 is een nulmeting. De gemiddelde rekenvaardigheidscores zijn daarbij vastgesteld op 250 punten. De indicator rekenvaardigheid is opgebouwd uit drie onderdelen:

a) getallen en bewerkingen,

b) breuken, procenten en verhoudingen en

c) meten, meetkunde, tijd en geld.

  Het streven is de vaardigheidscores ieder jaar te verbeteren. Zodra ook de uitkomsten van de vervolgmeting beschikbaar zijn, zal in overleg met de PO-raad bekeken worden of meer exacte streefwaarden mogelijk zijn.

3. In de Kwaliteitsagenda «Scholen voor morgen» is de doelstelling opgenomen om het percentage scholen waar de kwaliteitszorg voldoende is te laten stijgen van 39% in 2006/2007 naar 70% in 2010/2011. Scholen met voldoende kwaliteitszorg evalueren jaarlijks hun opbrengsten en regelmatig hun onderwijsleerproces. Deze manier van opbrengstgericht werken komt de kwaliteit van het onderwijs ten goede.

4. Het kwaliteitskenmerk «instructie» is samengesteld uit drie aspecten: «de leraren realiseren een taakgerichte werksfeer», «de leraren leggen duidelijk uit» en «de leerlingen zijn actief betrokken bij de onderwijsactiviteiten». Van de basisscholen behaalt 95% hierbij een voldoende niveau. Het streven is om voor het schooljaar 2008/2009 een waarde van 96% te realiseren. De streefwaarden vallen binnen de marge van steekproefonderzoek.

5. Ouders beoordelen de kwaliteit van de leerkracht van hun kind met een 7,7. Het streven is om dit niveau minimaal te handhaven. In 2010 zijn nieuwe gegevens beschikbaar.

6. Volgens de Inspectie van het Onderwijs is op 1 januari 2009 1,5% van de basisscholen zeer zwak. Het is de ambitie om het aantal zeer zwakke scholen in 2011 gehalveerd te hebben.

1.3.3. Leerlingen kunnen zonder drempel onderwijs volgen dat het beste past bij hun talenten en specifieke behoeften

Motivering

Sommige leerlingen zijn zonder extra ondersteuning niet of niet goed in staat om (regulier) onderwijs te volgen, bijvoorbeeld leerlingen met leermoeilijkheden, grote leerachterstanden of leerlingen met een handicap of stoornis. Voor kinderen met laag opgeleide ouders, die een grotere kans hebben op onderwijsachterstand, en voor scholen in achterstandsgebieden (impulsgebieden) biedt de gewichtenregeling extra middelen voor de basisscholen. Voor leerlingen met een handicap of stoornis zijn er speciale basisscholen en scholen voor (voortgezet) speciaal onderwijs. Leerlingen met een indicatie voor (voortgezet) speciaal onderwijs kunnen ook, met een rugzakje (leerlinggebonden financiering, LGF) naar een reguliere basisschool. Het doel is dat ook deze leerlingen, naast kwalitatief goed onderwijs, een zorgaanbod krijgen dat bij hen past, zodat ze zich optimaal kunnen ontwikkelen.

Voor leerlingen die extra ondersteuning nodig hebben, wordt in de beleidsuitvoering nauw aangesloten bij het beleidsprogramma van de minister voor JenG. Hij is namelijk verantwoordelijk voor de zorg in de school die vanuit het gemeentelijke en preventieve domein wordt geleverd.

Scholen voor (voortgezet) speciaal onderwijs zijn op veel grotere schaal dan reguliere scholen zwak of zeer zwak. Uit een recent onderzoek van de Inspectie van het Onderwijs, «De kwaliteit van het speciaal basisonderwijs (2009)», een onderzoek naar de kwaliteitsverbetering van zwakke en risicovolle scholen in de periode 2006/2008, valt (voorzichtig) af te leiden dat de maatregelen bij die scholen succes lijken te boeken. De uitdaging is om deze verbetering ook in het (voortgezet) speciaal onderwijs te realiseren.

Instrumenten

• Passend onderwijs

In de afgelopen jaren is bij het proces om passend onderwijs te realiseren de nadruk gelegd op de bestuurlijke en juridische kant. In juni 2009 is met de Tweede Kamer afgesproken dat er een heroverweging komt van dit proces, waarbij de inhoud en de kwaliteit van het geleverde zorgaanbod voor de leerling weer centraal komt te staan. Ouders en onderwijspersoneel zijn hierbij belangrijke actoren. Waar mogelijk zal de leerling die extra zorg nodig heeft, in het regulier onderwijs opgevangen moeten worden. Het is daarbij van het grootste belang dat het onderwijspersoneel ook handelingsbekwaam is. Daarom is dit een specifiek aandachtspunt in dit proces.

Naar aanleiding van deze heroverweging wordt een nieuw plan van aanpak gemaakt. Deze zal de Tweede Kamer tegelijk met deze begroting ontvangen.

Voor «passend onderwijs» zijn enveloppenmiddelen beschikbaar. Voor 2010 gaat het om een bedrag van € 45 miljoen. In het plan van aanpak zal worden toegelicht hoe deze middelen worden ingezet.

Een bijzonder aandachtpunt is de groei van het aantal geïndiceerde leerlingen in relatie tot de beschikbare middelen. In 2007 is de begroting voor dit doel met structureel € 140 miljoen verhoogd. Het kabinet heeft toen besloten dat de uitgaven voor speciale leerlingenzorg binnen dit verhoogde budgettaire kader moeten blijven. Inmiddels is gebleken dat het aantal geïndiceerde leerlingen verder is gegroeid. Door deze groei wordt het beschikbare budgettaire kader naar verwachting overschreden met een bedrag van circa € 30 miljoen in 2010 oplopend tot circa € 70 miljoen structureel in 2014. In overleg met het onderwijsveld wordt een model uitgewerkt van gebudgetteerde financiering voor de speciale leerling-zorg voor kinderen in het (v)so en kinderen met een rugzak (lgf). Op dit moment wordt nagedacht over te treffen aanvullende maatregelen om tijdig een eventuele overschrijding te dekken. De huidige beschikbare middelen kunnen op een meer transparante en meer doelmatige wijze ingezet worden. Hierover zullen afspraken worden gemaakt. Voorzien is dat in september 2009 na overleg met het veld, in het plan van Aanpak Passend Onderwijs maatregelen worden genomen om de overschrijding te dekken.

Voor het (voortgezet) speciaal onderwijs worden heldere criteria geformuleerd om de opbrengstgerichtheid te vergroten. Het wetsvoorstel hiervoor zal naar verwachting eind 2009 aan de Tweede Kamer worden aangeboden. Hierdoor zal ook het wetsvoorstel «Goed Onderwijs, Goed Bestuur» van toepassing worden op het voortgezet speciaal onderwijs.

Met ingang van 1 augustus 2009 zijn de kerndoelen voor het speciaal onderwijs van kracht geworden. Eind 2009 zal een wetsvoorstel worden ingediend dat scholen verplicht het ontwikkelingsperspectief van leerlingen te bepalen en te bewaken, dat uitstroomprofielen voor het voortgezet speciaal onderwijs vastlegt en dat het onderwijs opdraagt de leerlingen te leiden naar het uitstroomprofiel dat bij hen past. Het motto is «een reguliere startkwalificatie waar dat kan, een andere passende kwalificatie waar dat niet kan». Daarnaast wordt gestreefd naar het openstellen van zoveel mogelijk routes voor leerlingen om dat te realiseren. Hiervoor worden diverse samenwerkingsconstructies tussen scholen voor regulier en speciaal onderwijs juridisch mogelijk gemaakt.

Om de reken- en taalprestaties van leerlingen te verbeteren, kunnen scholen voor speciaal (basis-) onderwijs, net als scholen voor regulier basisonderwijs, meedoen aan de taal- en rekentrajecten van de PO-raad. Met uitzondering van de groep meervoudig gehandicapte en zeer moeilijk lerende leerlingen worden voor het speciaal (basis-) onderwijs ook referentieniveaus Nederlandse taal en rekenen/wiskunde vastgesteld.

Om dit passend onderwijs te realiseren wordt ook beleid ontwikkeld om juist de leraren hierin te ondersteunen. Uiteraard wordt daarbij aangesloten bij het actieplan Leerkracht van Nederland.

Tenslotte worden pilots uitgevoerd om de positie van de ouders te versterken.

• Onderwijsachterstandenbeleid

Gewichtenregeling

Onderwijsachterstanden bij kinderen kunnen ontstaan door sociale, culturele en economische omstandigheden. Om deze achterstanden te voorkomen en te bestrijden ontvangen basisscholen extra geld op basis van de gewichtenregeling. Deze regeling kent extra budget toe aan leerlingen met een bepaald gewicht (0,3 of 1,2). De gewichten zijn afhankelijk van het opleidingsniveau van de ouders. De drempel in de gewichtenregeling is vastgezet op 6%. De middelen zijn opgenomen in de lumpsum en staan in tabel 1.2 onder «personele bekostiging».

Daarnaast worden met ingang van schooljaar 2009/2010 extra middelen beschikbaar gesteld voor de impulsgebieden. Dit zijn gebieden waar een gerichte inzet van middelen nodig is als gevolg van een opeenstapeling van problemen. Deze gebieden zijn gebaseerd op de Armoedemonitor van het SCP/CBS.

Verder wordt het instrument «onderwijstijdverlenging» ingezet ter bestrijding van taal- en rekenachterstanden bij achterstandsleerlingen. Hiervoor is de Subsidieregeling onderwijstijdverlenging basisonderwijs gepubliceerd (Staatscourant 23 april 2009, nummer 77). Dit instrument heeft een tweeledig doel. Ten eerste het verhogen van de leerling-prestaties door het aanbieden van extra leertijd aan achterstandsleerlingen. Ten tweede het voorkomen van onderpresteren door een goede overgang van primair onderwijs naar voortgezet onderwijs. De projecten zijn gericht op taal en rekenen. De extra leertijd kan bijvoorbeeld via een «zomerschool», een «weekendschool» of een «verlengde schooldag» worden aangeboden. Op basis van pilots zal wetenschappelijk worden gemeten welke maatregelen onder welke omstandigheden het meeste effect hebben. Voor de regeling is in 2010 bijna € 12 miljoen gereserveerd, in 2011, 2012 en 2013 jaarlijks bijna € 15 miljoen.

Voorschoolse educatie en vroegschoolse educatie

Eind juni 2009 is het wetsvoorstel Ontwikkelingskansen door kwaliteit en educatie ingediend bij de Tweede Kamer (Tweede Kamer, vergaderjaar 2008–2009, 31 989, nr. 1–3). Het is de bedoeling dat het wetsvoorstel met ingang van 1 augustus 2010 in werking treedt. Het wetsvoorstel regelt dat gemeenten aan alle kinderen die dat nodig hebben voorschoolse educatie moeten aanbieden die voldoet aan de kwaliteitseisen. Ook krijgen gemeenten de opdracht om met betrokken organisaties bindende afspraken te maken. Deze afspraken gaan onder andere over het werven en het leiden van kinderen naar voorschoolse educatie en over de doorlopende leerlijn van voor- naar vroegschoolse educatie. Het wetsvoorstel regelt ook de harmonisatie tussen peuterspeelzalen en kinderopvang. Dit wordt toegelicht bij artikel 24.

Op 27 mei 2009 is een convenant getekend met de vertegenwoordigers van MOgroep Kinderopvang, MOgroep Maatschappelijke Dienstverlening & Welzijn, de Branchevereniging Kinderopvang, Boink, LPP en de VNG. Deze organisaties hebben bijna € 1,1 miljoen aan subsidie ontvangen om gemeenten, peuterspeelzalen en kindercentra voor te bereiden op de nieuwe eisen van het wetsvoorstel.

Vanuit de enveloppe «kinderopvang» is in 2010 € 75 miljoen en vanaf 2011 € 100 miljoen extra beschikbaar voor voorschoolse educatie. Van deze investeringen is € 44,5 miljoen in 2010 en € 56,5 miljoen vanaf 2011 onderdeel van het Gemeentefonds. Daarnaast is er vanuit de enveloppe «kinderopvang» ongeveer € 20 miljoen structureel beschikbaar. Deze middelen zijn meerjarig overgeboekt naar artikel 1. Hiermee komt de eigen bijdrage van ouders, waarvan het kind deelneemt aan voorschoolse educatie in een peuterspeelzaal, op gelijkwaardig niveau met de ouderbijdrage in de kinderopvang, zoals die bijdrage geldt voor kinderen met ouders uit de laagste inkomens.

Het ondersteuningstraject bij de Agenda Focus op vroegschoolse educatie is in 2009 van start gegaan. Scholen worden ondersteund om uiterlijk in 2011 in de groepen 1 en 2 vroegschoolse educatie aan te bieden aan de leerlingen die dat nodig hebben. Scholen kunnen hiervoor het geld inzetten dat zij via de gewichtenregeling ontvangen.

• Segregatie

Het is belangrijk dat kinderen van verschillende afkomst zoveel mogelijk met elkaar kunnen opgroeien en samen naar school gaan. Middelen zijn beschikbaar voor het uitvoeren van pilots in zeven gemeenten om na te gaan welke instrumenten het meest effectief zijn bij het bevorderen van gemengde scholen. Het aantal pilot-gemeenten zal in 2009 worden uitgebreid. Gemeenten, scholen en ouders worden gestimuleerd een bijdrage te leveren aan het verminderen van de segregatie in het basisonderwijs en om de contacten tussen Nederlandse leerlingen met een niet-westerse achtergrond en autochtone leerlingen te vergroten. Het Kenniscentrum Gemengde Scholen en de Stichting Kleurrijke Scholen evenals twee voor dit doel benoemde «ambassadeurs» bieden daarbij ondersteuning.

• Onderwijsvoorzieningen voor jonggehandicapten

Met ingang van 1 januari 2009 is de verantwoordelijkheid voor onderwijsvoorzieningen voor jonggehandicapten overgeheveld van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid naar de minister van OCW en daarmee ook het beschikbare budget. Het gaat om vervoer, gebruik van een doventolk en diverse hulpmiddelen, die de leerling of student met een handicap in staat moet stellen deel te nemen aan het onderwijs.

• Veiligheid op school

OCW subsidieert het Centrum School en Veiligheid. Dit centrum informeert en adviseert onderwijsinstellingen, besturen, ouders en leerlingen over school en veiligheid, waaronder de aanpak van pesten. Ook kunnen scholen op maat ondersteuning krijgen van de Kwaliteitsteams Veiligheid. Daarnaast werkt OCW aan de invoering van een wettelijke verplichting voor scholen om incidenten te gaan registreren. Tot slot zijn er structurele middelen beschikbaar voor de inzet van schoolmaatschappelijk werk en voor plaatsen voor kinderen met ernstige gedragsproblemen (Op de Rails). Deze maatregelen sluiten tevens aan bij de doelstellingen van het project «Veiligheid begint bij voorkomen».

Meetbare gegevens bij de operationele doelstelling

Tabel 1.9 Indicatoren
IndicatorBasiswaardeLaatste waardeStreefwaarde 1Streefwaarde 2
1. Dekking passend zorgaanbod po, vo en (v)so (N.B. wordt herzien, zie toelichting).wordt herzienwordt herzienwordt herzienwordt herzien
2. Percentage zeer zwakke scholen:    
  a. in het speciaal basisonderwijs6,4%n.b.*5%3,2%
  b. in het (voortgezet) speciaal onderwijs.5%n.b.*3,5%2,5%
Bron: Inspectie van het OnderwijsPeildatum: 2005/2006Peildatum: 2006/2007Peildatum: 2009/2010Peildatum: 2010/2011
3. Percentage doelgroepleerlingen onder 4- en 5-jarigen aan wie een VVE-programma wordt aangeboden.68%63%70%100%
Bron: Landelijke monitor VVE, SardesPeildatum: 2005Peildatum: 2008Peildatum: 2009Peildatum: 2011
4. Reductie taalachterstand doelgroepleerlingen aan het einde van de basisschool (oude definitie).0%– 21%n.b.*n.b.*
Bron: NWO CohortonderzoekPeildatum: 2002Peildatum: 2005Peildatum: 2008Peildatum: 2011
5. Reductie taalachterstand doelgroepleerlingen aan het einde van de basisschool (nieuwe definitie):    
  a. begrijpend lezen0%0%– 20%– 30%
  b. woordenschat.0%0%– 20%– 30%
Bron: NWO CohortonderzoekPeildatum: 2008Peildatum: 2008Peildatum: 2011Peildatum 2014

* n.b: niet beschikbaar, omdat het desbetreffende onderzoek niet ieder jaar plaatsvindt.

De indicator over het percentage scholen onder geïntensiveerd toezicht is geschrapt. De keuze van indicatoren van indicatoren sluit nu aan bij die in de Kwaliteitsagenda Primair Onderwijs.

Toelichting:

1. Deze indicator voor passend onderwijs wordt nog aangepast. Deze is op het moment waarop de begroting wordt opgesteld nog niet beschikbaar. De aangepaste indicatoren zullen worden opgenomen in het plan van aanpak over de nieuwe benadering van passend onderwijs dat de Tweede Kamer tegelijk met deze begroting ontvangt.

2. In de Kwaliteitsagenda is de ambitie geformuleerd om het aantal zeer zwakke scholen terug te dringen. Zie ook tabel 1.8.

3. Zowel in de brieven aan de Tweede Kamer (Tweede Kamer, vergaderjaar 2006–2007, 30 800VIII, nr. 169 enTweede Kamer, vergaderjaar 2007–2008, 31 322, nr. 24) als in het wetsvoorstel Ontwikkelingskansen door kwaliteit en educatie (Tweede Kamer, vergaderjaar 2009–2010, 31 989) wordt uitgegaan van het aantal doelgroepkinderen aan wie een VVE-aanbod wordt gedaan en niet van het aantal doelgroepkinderen dat feitelijk deelneemt. De indicator in de begroting is daarvoor aangepast. Het percentage van 70% in 2009 is als streefwaarde opgenomen in de nota van toelichting bij het Besluit doelstelling en bekostiging onderwijsachterstandenbeleid 2006–2010. Voor 2010 is er geen streefwaarde met het veld afgesproken.

4. In de periode 2001–2005 nam de taalachterstand af (– 21%). De reductie van de taalachterstand was gebaseerd op twee gegevens: taalvaardigheid en begrijpend lezen. Het eerste gegeven is niet meer beschikbaar. Daarom wordt overgestapt op een nieuwe definitie (indicator 5).

5. In deze begroting wordt gestart met twee nieuwe gegevens: begrijpend lezen en woordenschat. Het jaar 2008 is hiervoor het nieuwe startmoment (nulmeting). Het streven is om in 2011 de taalachterstand te reduceren met 20% ten opzichte van 2008. Ten opzichte van 2002 (volgens de oude definitie) blijft het streven dan een reductie van 40%.

1.3.4. Leerlingen krijgen een beter aanbod van aansluitende voorzieningen in en om de school

Motivering

De samenhang in de voorzieningen, zoals in een brede school in het primair onderwijs, vergroot de ontwikkelingskansen van 0- tot 12-jarigen, vergemakkelijkt de combinatie van arbeid en zorg voor de ouders van deze kinderen en draagt bij aan het voorkomen van achterstanden, uitval en leer- en gedragsmoeilijkheden.

De samenwerking met externe partners zorgt ervoor dat de sociale participatie van leerlingen toeneemt, versterkt de ontwikkelingskansen voor leerlingen (maatwerk voor leerlingen met achterstanden, maar ook in het kader van talentontwikkeling). Bovendien zorgt deze samenwerking ervoor dat de school goed aansluit bij de belevingswereld van leerlingen.

Verschillende voorzieningen sluiten nu nog onvoldoende op elkaar aan: scholen, opvang- en zorginstellingen, sport- en cultuuraanbieders, medeoverheden en overige partners stuiten op knelpunten bij het realiseren van meer samenhang in het aanbod. Het kabinet ondersteunt lokale initiatieven en stimuleert dat er meer brede scholen ontstaan.

Met ingang van deze begroting wordt «de brede school in het voortgezet onderwijs» toegelicht in artikel 1.

Instrumenten

• Brede scholen

Brede scholen ontstaan vanuit lokale initiatieven. OCW steunt deze initiatieven door middel van onderzoek, verschillende activiteiten op het terrein van voorlichting en communicatie (bijvoorbeeld viawww.bredeschool.nl) en gerichte ondersteuning via het Landelijk Steunpunt Brede Scholen.

De komende tijd worden de initiatieven die zijn genomen om de ontwikkeling van brede scholen, met name in de zogenaamde 40 krachtwijken, gecontinueerd. De doelstelling om 1200 brede basisscholen te hebben gerealiseerd in 2011 is in 2009 al gehaald. Daarom ondersteunt het Rijk gemeenten in hun nieuwe ambitie om te streven naar 1500 brede scholen in het primair onderwijs in 2011. Vanuit de enveloppen is hiervoor geld beschikbaar, vooral voor de realisatie van combinatiefuncties. In 2010 is vanuit het primair onderwijs € 6,1 miljoen, vanuit voortgezet onderwijs € 3,5 miljoen en vanuit cultuur € 1,3 miljoen beschikbaar. Gemeenten dragen € 15,4 miljoen bij vanuit het accres van het Gemeentefonds. Aan gemeenten wordt ook een structurele bijdrage gevraagd. In de eerste tranche (aanvang 2008) zijn de middelen ten goede gekomen aan de G30. De samenstelling van de volgende tranches is bepaald op basis van het gemeentelijke inwoneraantal onder de 18 jaar. In de tweede tranche (aanvang 2009) zijn 99 gemeenten gestart met het aanstellen van combinatiefunctionarissen. In het jaar 2010 zal de derde tranche gemeenten van start gaan. Het einddoel is 2500 fte’s combinatiefuncties te realiseren in 2012.

In 2009 is de Regeling stimulering aanpassing huisvesting brede scholen gepubliceerd. Deze regeling, waarvoor € 28 miljoen (deels FES-middelen) beschikbaar is, is specifiek bedoeld voor het meer multifunctioneel maken van scholen voor primair onderwijs. In 2010 en 2011 zullen de in het kader van deze regeling gehonoreerde projecten worden uitgevoerd. Het in 2009 gestarte meerjarig onderzoek naar de effecten van brede scholen in het primair onderwijs met een wijkprofiel of een kansenprofiel op de ontwikkeling van kinderen, zal ook de komende jaren doorlopen. Het Landelijk Steunpunt Brede Scholen is gestart in april 2009. Het steunpunt voorziet in de ondersteuning van gemeenten en scholen (primair- en voortgezet onderwijs) bij het ontwikkelen van brede scholen. Vanaf 2010 zullen de ondersteuningsactiviteiten in de volle breedte worden uitgevoerd. In 2010 en 2011 zal er speciale aandacht zijn voor voorlichting, communicatie en uitwisseling van bovenlokale expertise ten aanzien van de brede school ontwikkeling in het voortgezet onderwijs.

• Tussenschoolse opvang

Scholen zijn verantwoordelijk voor het (laten) organiseren van een overblijfvoorziening. Dit wordt via de lumpsum bekostigd. Daarnaast is er geld beschikbaar voor de scholing van overblijfmedewerkers en voor voorlichting, onderzoek en communicatie. Dit budget wordt voor 2010 overgeheveld naar artikel 24.

Meetbare gegevens bij de operationele doelstelling

Tabel 1.10 Indicatoren
IndicatorBasiswaardeLaatste waardeStreefwaarde 1Streefwaarde 2
1. Aantal brede scholen:    
  – in het primair onderwijs6001 2001 500
  – in het voortgezet onderwijs.260410460
Bron: Jaarbericht brede scholen in NederlandPeildatum: 2005Peildatum: 2009Peildatum: 2009Peildatum: 2011
2. Het aantal combinatiefuncties in fte in en om de brede school.01841 0002 500
Bron: SGBO-monitorPeildatum: 2007Peildatum: 2008Peildatum: 2010Peildatum: 2012
3. Aantal geschoolde overblijfmedewerkers tussenschoolse opvang per schooljaar.6 6376 6456 8006 800
Bron: CFIPeildatum: 2007Peildatum: 2008Peildatum: 2009Peildatum: 2010

Toelichting:

1. Het kabinet ondersteunt de gemeentelijke ambitie om in 2011 in totaal 1200 brede scholen in het primair onderwijs te hebben en om in het voortgezet onderwijs het aantal brede scholen te verhogen tot een aantal van 460 in 2011.

2. Deze indicator betreft het aantal combinatiefuncties. Dit zijn functies voor professionals die bij één werkgever in dienst zijn, maar werkzaam zijn in of ten behoeve van meerdere sectoren. Het betreft met name het primair onderwijs, het voortgezet onderwijs en de cultuur- en sportorganisaties. Eind 2008 heeft de éénmeting voor de eerste tranche gemeenten (G30) plaatsgevonden. De deelnemende gemeenten hebben toegezegd ook mee te werken aan de «Outcomemonitor».

3. Deze indicator geeft aan in hoeverre er gebruik is gemaakt van de « regeling scholing overblijfmedewerkers. Scholing van overblijfmedewerkers draagt bij aan de verbetering van de kwaliteit van tussenschoolse opvang. De streefwaarde is gebaseerd op de beschikbare middelen die voor dit doel zijn bestemd.

1.4 Overzicht onderzoek naar de doelmatigheid en de doeltreffendheid van beleid

Tabel 1.11 Overzicht onderzoek naar de doelmatigheid en de doeltreffendheid van beleid
 OnderzoekOnderwerpAD of ODStartAfgerondVindplaats
BeleidsdoorlichtingInnovatie en kwaliteitszorg1.3.2Start: 2008Afgerond: 2009 
 Onderwijsachterstanden1.3.3Start: 2008Afgerond: 2009 
 KwaliteitsagendaPO*1.3.2Start: 2010/11Afgerond: 2011 
 Passend Onderwijs**1.3.3Start: 2010/11Afgerond: 2011 
 Brede scholen1.3.4Start: 2014 
Effectenonderzoek ex postEvaluatie lump sum en versterking financieel management1.3.1Start: 2009Afgerond: 2010 
 Peiling prestaties leerlingen (Cito)*1.3.2Start: 2008Afgerond: 2009, 2010, 2011 
 Experimenten excellentie (Onderwijsbewijs)*1.3.2Start: 2009Afgerond: 2012 
 Effecten taal- en rekenverbeterprojecten*1.3.2Start: 2008Afgerond: 2011 
 Pilot 15% onderwijstijd voor vreemde taal1.3.2Start: 2009Afgerond: 2012 
 Taalpilots*1.3.3Start: 2006Afgerond: 2010 
 Pilots segregatie1.3.3Start: 2008Afgerond: 2012 
 VVE (Pre-COOL-cohort)1.3.3Start: 2010Afgerond: 2019 
 VVE-pilots Groningen, Drenthe en Limburg1.3.3Start: 2008Afgerond: 2010 
 Experimenten VVE (Onderwijsbewijs)1.3.3Start: 2009Afgerond: 2012 
 Passend onderwijs: stelseleffecten (NWO-BOPO)**1.3.3Start: 2009Afgerond: 2011 
 Passend onderwijs: schooleffecten (NWO-BOPO)**1.3.3Start: 2009Afgerond: 2011 
 Passend onderwijs: leerling-effecten (NWO-BOPO)**1.3.3Start: 2009Afgerond: 2011 
 Effecten wijziging gewichtenregeling (NWO-BOPO)1.3.3Start: 2010Afgerond: 2011 
 Effecten pilots uitbreiding onderwijstijd1.3.3Start: 2009Afgerond: 2012 
 Effecten brede scholen1.3.4Start: 2008Afgerond: 2013 
Overig evaluatieonderzoekBureaucratiemonitor1.3.1Start: 2008Afgerond: 2010 
 MonitorOnderwijsnummer1.3.1Start: 2007Afgerond: 2010 
 Ouderbetrokkenheid1.3.1Start: 2008Afgerond: 2012 
 Monitor jaarrekeningen PO1.3.1Start: 2009Afgerond: 2011 
 Functioneren schoolbesturen (NWO-BOPO)1.3.1Start: 2009Afgerond: 2012 
 Relatie personeelsbeleid en onderwijskwaliteit(NWO-BOPO)1.3.1Start: 2009Afgerond: 2011 
 Draagvlak Kwaliteitsagenda PO onder besturen, directies en leerkrachten*1.3.2Start: 2009Afgerond: 2010, 2011 
 Monitoring Regeling excellentie (SLO)*1.3.2Start: 2009Afgerond: 2012 
 Perceptie, implementatie en gebruik van referentieniveaus (NWO-BOPO)*1.3.2Start: 2009Afgerond: 2010, 2012 
 Verbeteren professionaliteit opbrengstgericht werken, samenwerken en leren van elkaar (NWO-BOPO)*1.3.2Start: 2010Afgerond: 2011 
 Scholen en basisvaardigheden (NWO-BOPO)*1.3.2Start: 2009Afgerond: 2010 
 Stimuleren excellentie op scholen (NWO-BOPO)*1.3.2Start: 2009Afgerond: 2010, 2012 
 Passend onderwijs (werkprogramma ECPO)**1.3.3Start: 2009Afgerond: 2011 
 VVE-monitor1.3.3Start: 2007Afgerond: 2010 
 Rol gemeenten en schoolbesturen bij VVE (NWO-BOPO)1.3.3Start: 2010Afgerond: 2011 
 Harmonisatie en onderscheid peuterspeelzaal en kinderopvang (NWO-BOPO)1.3.3Start: 2009Afgerond: 2010, 2012 
 Aansluiting VVE op schoolloopbaan (NWO-BOPO)1.3.3Start: 2009Afgerond: 2010, 2012 
 Lange termijnontwikkeling onderwijsachterstanden (NWO-BOPO)1.3.3Start: 2009Afgerond: 2010 
 Locale Educatieve Agenda (NWO-BOPO)1.3.3Start: 2010Afgerond: 2012 
 Monitorcombinatiefuncties1.3.4Start: 2008Afgerond: 2011 

Toelichting:

Naast kwantitatieve gegevens, zijn voor de mate waarin de operationele doelstellingen worden behaald, ook kwalitatieve gegevens relevant. In deze tabel zijn de geplande kwalitatieve onderzoeken opgenomen. Uit het onderzoeksoverzicht blijkt dat onderzoek op basis van pilots/experimenten een flinke impuls heeft gekregen. Dat sluit goed aan op één van de aanbevelingen van de Commissie Dijsselbloem: voordat beleid generaal wordt ingevoerd, is experimenteren zeer gewenst.

In het schooljaar 2010–2011 worden twee nieuwe beleidsdoorlichtingen uitgevoerd, één over de Kwaliteitsagenda PO en één over Passend Onderwijs. Voor de beleidsdoorlichting Kwaliteitsagenda zal in ieder geval gebruik worden gemaakt van de evaluaties in de tabel met een*. Voor de beleidsdoorlichting Passend Onderwijs zal gebruik worden gemaakt van de evaluaties met een**.

Voor operationele doelstelling 1.3.1 wordt een beleidsdoorlichting gepland aan de hand van de uitkomsten van de evaluatie lump sum en versterking financieel management. De materiële bekostiging wordt eens in de 5 jaar geëvalueerd. De lumpsumbekostiging is relatief kort geleden ingevoerd. In 2009 vindt het eerste effectonderzoek plaats.

ARTIKEL 3 VOORTGEZET ONDERWIJS

3.1 Algemene doelstelling: het voortgezet onderwijs zorgt dat leerlingen in deze fase van de doorlopende leerlijn hun talenten maximaal kunnen ontplooien en vervolgonderwijs kunnen volgen dat het best past bij hun talenten. Het bereidt hen voor op volwaardige deelname aan de samenleving en een bij hun talenten passende (toekomstige) positie op de arbeidsmarkt.

Omschrijving

Het voortgezet onderwijs begeleidt leerlingen naar en kwalificeert voor een voor hen passende vervolg- en/of beroepsopleiding en biedt de leerlingen daarvoor verschillende leerroutes aan (van praktijkonderwijs tot vwo). Verder heeft het voortgezet onderwijs de taak hen naar de arbeidsmarkt (pro) of een diploma te leiden (overige schoolsoorten), die passen bij hun talenten en wensen. Dat vraagt niet alleen bijzondere aandacht voor leerlingen met gedrags- en opvoedingsproblemen, maar zeker ook voor leerlingen met speciale talenten of leerlingen die in algemene zin uitblinken. Daarnaast heeft het voortgezet onderwijs de taak om voor kwalitatief goed onderwijs te zorgen. De Kwaliteitsagenda voortgezet onderwijs «Onderwijs met ambitie» kan leiden tot een zichtbaar beter onderwijs door extra inzet op een beperkt aantal samenhangende prioriteiten (en basisvoorwaarden). De geformuleerde prioriteiten zijn:

1. Rekenen en Taal. Basiskwaliteit op orde: aantoonbare verbetering van de taal- en rekenprestaties.

2. Uitblinken. Uitblinken op alle niveaus en een passende kwalificatie voor alle leerlingen.

3. Burgerschap. Burgerschapsvorming voor alle leerlingen onder andere door maatschappelijke stages.

4. Professionele ruimte. Ruimte voor de leraar (de middelen hiervoor staan bij artikel 9 Arbeidsmarkt- en Personeelsbeleid).

5. Examens. Goede en betrouwbare examens.

6. Verbetercultuur. (Zeer) zwakke scholen weer goed, goede scholen nog beter.

De prioriteiten zijn nader toegelicht in de operationele doelstellingen.

Verantwoordelijkheid van de minister

De minister is verantwoordelijk voor een onderwijsstelsel dat zodanig functioneert dat het onderwijs maximaal aansluit bij de talenten en ambities van individuele leerlingen én bij wat de maatschappij nodig heeft. In het bijzonder is hij verantwoordelijk voor de toegankelijkheid van het onderwijs, de rechtmatige en doelmatige besteding van de onderwijsmiddelen en het borgen van de onderwijskwaliteit.

De instrumenten die hij tot zijn beschikking heeft, zijn: wet- en regelgeving, bekostiging, subsidies, toezicht en dialoog met belanghebbenden. Deze belanghebbenden worden door de minister ondersteund op een manier die hen in staat stelt maximaal bij te dragen aan goed onderwijs. Hij doet dat door wetten en regels voor «goed bestuur».

Met ingang van 1 januari 2010 is de minister ook verantwoordelijk voor het onderwijs op de BES-eilanden: Bonaire, Sint Eustatius en Saba.

De minister voor Jeugd en Gezin is verantwoordelijk voor zorg in de school vanuit het gemeentelijke en preventieve domein. In de beleidsvorming over de samenwerking tussen onderwijs en jeugdzorg werken de ministers van OCW en JenG nauw samen, omdat de school de vind- en werkplaats is van kinderen en jongeren met problemen.

Externe factoren

Het onderwijs wordt ook bepaald door de inzet van leerlingen, ouders, docenten, schoolleiders, bestuurders, toezichthouders, brancheorganisaties, maatschappelijke organisaties (bijvoorbeeld jeugdzorg), andere overheden en bedrijven (stages en aansluiting op de arbeidsmarkt). De minister is daarom afhankelijk van de beschikbaarheid, capaciteiten en faciliteiten van deze actoren. Andere factoren die de minister slechts beperkt kan beïnvloeden, maar waarvan hij wel afhankelijk is, zijn: ontwikkelingen op de (internationale) arbeidsmarkt, demografische ontwikkelingen in de leerlingen- en studentenpopulatie en conjuncturele ontwikkelingen.

Meetbare gegevens bij de algemene doelstelling

Tabel 3.1 Indicatoren
IndicatorBasiswaardeLaatste waardeStreefwaardeStreefwaarde 2
1. Percentage 20–24 jarigen met tenminste hoger secundair onderwijs71,9%76,2%85% 
Bron: Eurostat, Lissabondoelstellingpeildatum: 2000peildatum: 2008peildatum: 2010 
2. Percentage 15 jarige leerlingen met lage leesvaardigheden9,6%15,1%11%8%
Bron: PISA 2006peildatum: 2000peildatum: 2006* peildatum: 2012peildatum: 2015
3. Het percentage vsv’ers van de totale bevolking 18–24 jaar15,5%12%8% 
Bron: Eurostatpeildatum: 2000peildatum: 2008peildatum: 2010 
4. Rapportcijfer van ouders over de kwaliteit van de school van hun kind7,37,37,5 
Bron: OCW, Onderwijsmeter 2008peildatum: 2005peildatum: 2008peildatum: 2010 

* Onderzoek wordt om de drie jaar uitgevoerd.

Toelichting:

1. De streefwaarde van 85% van de 20–24 jarigen met tenminste hoger secundair onderwijs is een Europese afspraak waaraan Nederland zich heeft gecommitteerd (Lissabon-doelstelling). Het behalen van een startkwalificatie (hoger secundair onderwijs = mbo-2, havo, vwo) is een gezamenlijke verantwoordelijkheid van de beleidsterreinen Voortgezet onderwijs en Beroepsonderwijs en volwasseneneducatie (artikel 4).

2. Nederland heeft in 2000 als doel gesteld het toenmalige percentage leerlingen met een lage leesvaardigheid (9,6%) te handhaven. In de Kwaliteitsagenda voortgezet onderwijs wordt aangegeven dat wordt gestreefd naar een percentage van 8% in 2015.

3. Het onderwijsbeleid is erop gericht het aantal voortijdig schoolverlaters te reduceren. Het beleid om uitval te voorkomen is opgenomen in het beleidsterrein Beroepsonderwijs en volwasseneneducatie (artikel 4). Vmbo-leerlingen die wel hun diploma hebben gehaald maar niet doorstromen in het vervolgonderwijs hebben nog geen startkwalificatie en behoren derhalve ook tot voortijdig schoolverlaters.

4. Ouders worden jaarlijks gevraagd naar hun tevredenheid over de school van hun kind. Het is de ambitie om het rapportcijfer 7,5 in 2010 te behalen en in de toekomst op z’n minst te behouden.

  De indicator «Percentage scholen van het voortgezet onderwijs met voldoende opbrengsten ten opzichte van het niveau dat op grond van de kenmerken van de leerlingenpopulatie mag worden verwacht» uit de begroting 2009 is niet opgenomen. Deze indicator is een relatieve meting; er wordt gewerkt aan een meer absolute indicator.

3.2 Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 3.2 Budgettaire gevolgen van beleid artikel 3 (x € 1 000)
 2008200920102011201220132014
Verplichtingen6 651 1126 782 7196 838 2456 771 3486 806 6086 877 7466 947 023
Waarvan garantieverplichtingen       
Totale uitgaven6 484 9456 812 3556 869 6806 802 2306 839 7256 908 8636 978 140
        
Programma-uitgaven6 479 3816 807 2706 864 9576 798 1176 836 1346 905 2726 974 549
        
Leerlingen volgen onderwijs op voldoende toegeruste scholen voor voortgezet onderwijs6 369 8426 682 7856 707 7436 656 1316 697 7476 766 9046 835 874
• Personele en materiële bekostiging6 266 9386 547 0876 553 1816 553 9886 595 7916 667 9486 736 918
• Investeringen in energiebesparing en een beter binnenmilieu 10 00040 900    
• Actieprogramma «Onderwijs bewijs» (FES)74914 1529 1530000
• Onderwijsverzorging50 60551 87353 16053 16253 16251 16251 162
• Projecten19 44419 83419 16419 26519 26519 26519 265
• Belangenbeht.dienstverl. ICT (po, vo, be)32 10639 83932 18529 71629 52928 52928 529
        
Leerlingen volgen voortgezet onderwijs van hoge kwaliteit56 88060 49264 03561 27157 67457 67557 674
• Kwaliteitsprojecten via VO-Raad5 0255 4923 5503 6003 5503 5503 550
• Kwaliteitsbeleid voortgezet onderwijs51 85555 00060 48557 67154 12454 12554 124
        
Leerlingen ervaren een goede aansluiting tussen onderwijsfases in hun doorlopende leerlijn04 5314 5314 5314 5314 5314 531
• Experimenten vmbo-mbo204 5314 5314 5314 5314 5314 531
        
Leerlingen krijgen een beter leeraanbod gericht op sociale en maatschappelijke vaardigheden27 97034 80866 18054 60254 60454 59954 596
• Maatschappelijke stages27 97034 80866 18054 60254 60454 59954 596
        
Programmakosten-overig24 68924 65422 46821 58221 57821 56321 874
• Uitvoeringsorganisatie DUO24 68924 65422 46821 58221 57821 56321 874
        
Apparaatsuitgaven5 5645 0854 7234 1133 5913 5913 591
Ontvangsten67 65878 60862 1441 4971 3611 3611 361
Tabel 3.3 Budget flexibiliteit per operationele doelstelling (x € 1 000)
 20102011201220132014
Programma-uitgaven (totaal operationele doelstellingen)6 842 4896 776 5356 814 5566 883 7096 952 675
Totaal juridisch verplicht6 705 2796 690 3866 726 7816 797 4436 866 409
Totaal bestuurlijk gebonden137 01985 76487 39085 88185 881
Totaal niet-juridisch verplicht of bestuurlijk gebonden191385385385385
Leerlingen volgen onderwijs op voldoende toegeruste scholen voor voortgezet onderwijs6 707 7436 656 1316 697 7476 766 9046 835 874
• Juridisch verplicht6 574 0836 573 5826 613 5226 684 1886 753 158
• Bestuurlijk gebonden133 46982 16483 84082 33182 331
• Niet-juridisch verplicht of bestuurlijk gebonden191385385385385
      
Leerlingen volgen voortgezet onderwijs van hoge kwaliteit64 03561 27157 67457 67557 674
• Juridisch verplicht60 48557 67154 12454 12554 124
• Bestuurlijk gebonden3 5503 6003 5503 5503 550
• Niet-juridisch verplicht of bestuurlijk gebonden     
      
Leerlingen ervaren een goede aansluiting tussen onderwijsfases in hun doorlopende leerlijn4 5314 5314 5314 5314 531
• Juridisch verplicht4 5314 5314 5314 5314 531
• Bestuurlijk gebonden     
• Niet-juridisch verplicht of bestuurlijk gebonden     
      
Leerlingen krijgen een beter leeraanbod gericht op sociale en maatschappelijke vaardigheden66 18054 60254 60454 59954 596
• Juridisch verplicht66 18054 60254 60454 59954 596
• Bestuurlijk gebonden     
• Niet-juridisch verplicht of bestuurlijk gebonden     

3.3 Operationele beleidsdoelstelling

3.3.1 Leerlingen volgen onderwijs op voldoende toegeruste scholen voor voortgezet onderwijs

Motivering

De school krijgt de ruimte om zelf invulling te geven aan de manier waarop leerlingen het meest effectief leren (het hoe). De centrale overheid legt op hoofdlijnen vast wát geleerd moet worden. Het voortgezet onderwijs kent de lumpsumbekostiging voor de reguliere uitgaven. Deze bekostigingswijze garandeert de scholen een grote mate van vrijheid in de bestedingen.

Instrumenten

• Personele en materiële bekostiging (waaronder gratis schoolboeken)

Voor de leerlingen ontvangen de schoolbesturen van de rijksoverheid een bedrag voor de personele en materiële kosten. Hiermee worden de schoolbesturen in staat gesteld om (onderwijs)personeel aan te stellen en overige arbeidsvoorwaarden te vervullen zoals: (na)scholing, beloningsdifferentiatie, integraal personeelsbeleid en professionalisering en te voorzien in de kosten van de materiële instandhouding, zoals onderhoud van het gebouw, inventaris en leermiddelen, energiekosten, ict-voorzieningen en schoonmaak. Vanaf het schooljaar 2009–2010 krijgen de scholen ook bekostiging voor lesmateriaal/schoolboeken via de lumpsumbekostiging. De scholen krijgen ook de wettelijke verplichting om hun leerlingen gratis van lesmateriaal/schoolboeken te voorzien. In 2011, en vervolgens telkens na vier jaar, worden de doeltreffendheid en de effecten van de wet «gratis schoolboeken» in de praktijk geëvalueerd.

• Investeringen in energiebesparing en een beter binnenmilieu

Zoals in de beleidsagenda ook al is vermeld, is de bouwsector in Nederland zwaar getroffen door de recessie. Via een subsidieregeling kunnen scholen geld krijgen voor energiebesparing en een beter binnenmilieu. Deze subsidie draagt zo bij aan extra bestedingen in de bouwsector én aan een oplossing voor belangrijke problemen in het funderend onderwijs. Het gaat om een subsidie voor het primair en voortgezet onderwijs in 2009 en 2010.

• Actieprogramma «onderwijs bewijs» (voorheen: leren door te experimenteren in het onderwijs)

Om meer «evidence-based» kennis (wat werkt wel, wat werkt niet) te verwerven over effectief en efficiënt onderwijs en om meer verbindingen te leggen tussen het onderwijsveld en wetenschappelijke onderzoek, is het actieprogramma «onderwijs bewijs» opgezet. Het doel van het actieprogramma is: «onderzoek en experimenten mogelijk maken binnen het onderwijs». In het kader van dit actieprogramma is een prijsvraag uitgezet. Hiervoor is binnen het Fonds Economische Structuurversterking (FES) geld beschikbaar (experimenteerbudget).

Er zijn twee thema’s waarbinnen voorstellen voor experimenten kunnen worden ingediend. Deze thema’s zijn:

– Efficiency in het onderwijs, onder andere op het gebied van het lerarentekort (zie hiervoor artikel 9 Arbeidsmarkt- en Lerarenbeleid), de jeugdzorg en het taal- en rekenonderwijs.

– Signalering en begeleiding van hoogbegaafde leerlingen.

Voor meer informatie over de thema’s, ziewww.minocw.nl/onderwijsbewijs.

Een onafhankelijke jury heeft zich over de 112 ingediende voorstellen gebogen. In april 2009 zijn de winnende voorstellen geselecteerd. De experimenten hebben een looptijd van tussen de één en vier jaar.

• Onderwijsverzorgingsinstellingen en niet-wettelijke projecten

Het budget van de onderwijsverzorgingsinstellingen is inclusief het budget van SLO en CITO circa € 29 miljoen in 2013. Dit geld is bestemd voor de instandhouding van de kwaliteit van het examensysteem en het onderhoud van het stelsel. De sectororganisaties van het po, vo en bve krijgen, op grond van de «Vaststellingsovereenkomst afronding evaluatie subsidiëring landelijke onderwijsondersteunende activiteiten» (SLOA)(Tweede Kamer, vergaderjaar 2006–2007, 30 800 VIII, nr.64), een eigen budget om de beter aan te sluiten op de vraag. Dit betekent dat het po, vo en bve meer zeggenschap krijgen over de middelen voor onderwijsondersteunende activiteiten en dat dit geld kan worden besteed aan doelen die scholen belangrijk vinden.

Tabel 3.4
 200920102011201220132014
prijspeil 2009 (x 1 000)51 87353 16053 16253 16251 16251 162
OnderwijsondersteuningSLOA:      
       
Onderwijsverzorgingsinstellingen49 82547 35744 89342 57440 52940 529
Sectorwerking PO (-raad)5291 0581 5862 1152 6422 642
Sectorwerking VO (-raad)1 5193 0374 5556 0735 5915 591
Sectorwerking BVE0*1 7082 1282 4002 4002 400

* Voor 2009 is € 1 287 000,- reeds naar artikel 4 Beroepsonderwijs en volwasseneneducatie overgeheveld.

Daarnaast financiert OCW ook incidenteel projecten. OCW wil projecten subsidiëren, die de beleidsdoelstellingen van het voortgezet onderwijs ondersteunen, maar die niet onder de wettelijke artikelen/regelingen vallen.

• Het gebruik van ict voor onderwijs in de sectoren po, vo en bve

OCW ondersteunt scholen bij het gebruik van ict in het onderwijs. De bedoeling is dat hierdoor de leeropbrengsten omhoog gaan. De wensen van de onderwijsinstellingen en de prioriteiten uit de kwaliteitsagenda’s van de sectoren po, vo en bve vormen hierbij de uitgangspunten. Bovenschoolse en bovensectorale ondersteuning op het gebied van ict, ontlasten de scholen bij het verwezenlijken van hun ambities op het gebied van ict. Er is steeds meer wetenschappelijk onderzoek beschikbaar waaruit blijkt hoe ict moet worden ingezet om de kwaliteit van het onderwijs te verbeteren. Op basis van een jaarlijks activiteitenplan subsidieert OCW de stichting Kennisnet. Daarnaast subsidieert OCW twee aanvullende programma’s: 1) het innovatieprogramma van Surfnet en Kennisnet dat investeert in innovatieve voorzieningen voor leerlingen en docenten en 2) een programma gericht op het stimuleren van het gebruik van digitaal lesmateriaal in de school. Dit lesprogramma ontsluit digitaal lesmateriaal en helpt docenten bij het gebruik ervan. Daarnaast legt het een verbinding tussen de verschillende digitale lesmaterialen, zoals Wikiwijs en de Open leermiddelenbank van de VO-raad. Met deze activiteiten levert OCW een bijdrage aan het bevorderen van e-vaardigheden. Surfnet en Kennisnet zijn in gesprek met het programmabureau Nederland Open in Verbinding om onderwijsinstellingen te helpen hun weg te vinden waar het gaat om open standaarden, en hen meer bewust te maken van de mogelijkheden van open sourse software.

Meetbare gegevens bij de operationele doelstelling

Tabel 3.5 indicatoren
IndicatorBasiswaardeLaatste waardeStreefwaarde
1. Verwachte slaagkans, in procenten van de instroom in de onderwijssector78%85%85%
Bron: OCW, Bestel in Beeld 2008peildatum: 2001peildatum: 2008

Toelichting:

1 Het streven is het hoge percentage gediplomeerden op z’n minst te handhaven.

Tabel 3.6 Kengetallen
 2008200920102011201220132014
1. Totaal aantal ingeschreven leerlingen (*)907 200906 900905 700911 700921 600932 400940 900
  Nader te verdelen in:       
  1a. vmbo, incl. lwoo395 400391 800387 900387 700390 300392 200392 900
  1b. havo226 500226 800227 100229 300232 100235 600238 300
  1c. vwo251 800254 100256 300260 500264 800269 700274 300
  1d. pro26 70025 70025 00024 80025 00025 50026 000
  1e. vavo6 8008 5009 4009 4009 4009 4009 400
2. Uitgaven per onderwijsdeelnemer (x € 1)7 1077 4157 5017 4467 4077 3957 402
3. Totaal aantal scholen648648648648648648648
4. Gemiddeld aantal leerlingen per school1 4001 4001 3981 4071 4221 4391 452

* Op de teldatum. T.b.v. de nadere verdeling in de diverse schoolsoorten zijn de leerlingen uit de brugklassen toebedeeld.

Toelichting:

3 en 4: Een school bestaat uit meerdere vestigingen. Het aantal vestigingen is ruim het dubbele van het aantal scholen naar BRIN-nummers. Het gemiddeld aantal leerlingen per vestiging is derhalve veel lager dan het aantal leerlingen per school.

3.3.2 Leerlingen volgen voortgezet onderwijs van hoge kwaliteit

Motivering

Onderwijskwaliteit staat de komende periode meer dan ooit centraal. Bijzondere aandacht is nodig voor de basiskennis en -vaardigheden op het gebied van rekenen en taal. Verder is het, om een hoge kwaliteit van onderwijs te halen en te garanderen, voor scholen noodzakelijk om blijvend en duurzaam te innoveren.

Instrumenten

• Kwaliteit en innovatie

Samen met de VO-raad stimuleert OCW vernieuwingen die gericht zijn op duurzame versterking van de kwaliteit van het voortgezet onderwijs. Het doel is hogere leeropbrengsten bij alle leerlingen. Scholen zijn daarvoor verantwoordelijk, uiteraard individueel maar ook als collectief. De VO-raad voert onder de noemer «Durven delen doen» (ziewww.vo-raad.nl/innovatie) een landelijke strategie uit voor kwaliteitsversterking in het onderwijs. Zo worden bijvoorbeeld aan de hand van een dieptestrategie, «evidence based» nieuwe onderwijspraktijken beproefd, waardoor het onderwijs effectiever en efficiënter wordt. Daarnaast zorgt de VO-raad ervoor dat deze opbrengsten ten goede komen van zo veel mogelijk vo-scholen. De VO-raad doet dat bijvoorbeeld door: de verspreiding van «good practices», kennis delen, deskundigheidsbevordering en meer in het algemeen het ontwikkelen van een aanstekelijk opbrengstgericht klimaat. De kennisbasis op het terrein van vernieuwende, effectieve onderwijspraktijken wordt versterkt (zie: «Innovaties in het voortgezet onderwijs; Een verkenning van innovaties en effecten in het voortgezet onderwijs», Tweede Kamer, vergaderjaar 2007–2008, 31 289, nr. 8). Dat gebeurt in de praktijk door «Durven delen doen». Dit project is ook van belang voor het slagen van de Kwaliteitsagenda voortgezet onderwijs en voor het succes van het «maatschappelijk innovatieprogramma onderwijs».

Verder ondersteunt OCW het Innovatieplatform van de VO-raad. Dit programma plaatst de ontwikkeling van een open leermiddelenbank binnen een totaal programma: Het leren wordt centraal gesteld, docenten en schoolleiders worden betrokken en geschoold. Het gaat onder andere om flexibilisering van het onderwijs en het benutten van de mogelijkheden van taakdifferentiatie in het onderwijs. (Open) digitaal lesmateriaal ondersteunt deze doelstellingen.

• Kwaliteitsagenda voor voortgezet onderwijs

In de Kwaliteitsagenda voor voortgezet onderwijs is aangegeven op welke prioriteiten en basisvoorwaarden nodig zijn om de kwaliteit van het onderwijs te verbeteren. Vanaf 2008 zijn diverse acties gestart. Ook in 2010 worden de onderstaande prioriteiten extra benadrukt met diverse specifieke acties:

– Rekenen en Taal. Basiskwaliteit op orde: aantoonbare verbetering van de taal- en rekenprestaties:

Nederlandse leerlingen blijken deze basisvaardigheden minder goed onder de knie te hebben dan eerder het geval was. En juist een goede beheersing van deze vaardigheden is essentieel voor een succesvolle onderwijsloopbaan. De ambitie is om de leerlingenprestaties op het gebied van rekenen en taal in internationale en longitudinale onderzoeken, zoals PISA, COOL en TIMMS, op een hoger niveau te brengen. Daarnaast is het streven om het aandeel leerlingen in het voortgezet onderwijs, dat op of onder PISA-leesniveau 1 zit, terug te dringen tot 8% in 2015 (zie tabel 3.1, indicator 2). Verder is het streven om het percentage leerlingen dat presteert op PISA-niveau 5, te verhogen. Referentieniveaus voor taal en rekenen worden vanaf 2010/2011 in de regelgeving vastgelegd. Er wordt geïnvesteerd in de verbetering van de basisvaardigheden door middel van gerichte maatregelen, zoals beschreven in de beleidsreactie Doorlopende Leerlijnen Taal en Rekenen (Tweede Kamer, vergaderjaar 2007–2008, 31 332, nr. 3).

– Examens. Goede en betrouwbare examens:

De ambitie is om de kwaliteit van het schoolexamen, zowel inhoudelijk als procesmatig, te versterken. De Inspectie van het Onderwijs besteedt de komende jaren extra aandacht aan de verschillen tussen de schoolexamen (SE)-cijfers en de centraal examen (CE)-cijfers. Aan de scholen waar de afwijking groter is dan 0,5 punt en dit van invloed is op de slaagkansen, wordt gevraagd een verbeterprogramma op te zetten. Zonodig kan wettelijk worden ingegrepen.

Scholen zijn zelf ook al met initiatieven gestart om de kwaliteit van het schoolexamen te verbeteren. Voorbeelden zijn de standaard van de VO-raad, een inhoudelijk instrument van SLO en de acties van de vakverenigingen zelf.

– Verbetercultuur. (Zeer) zwakke scholen weer goed, goede scholen nog beter:

Er wordt gestreefd naar het terugbrengen van het percentage zeer zwakke vestigingen van 1,8% in 2008 naar 1% in 2012. Daarnaast wordt er gestreefd naar de reductie van het aantal risicovolle vestigingen en toename van het aantal scholen dat voldoende scoort op het kwaliteitskenmerk kwaliteitszorg. Om dit te bereiken, worden diverse instrumenten ingezet. De Inspectie van het Onderwijs, de VO-raad en de AOC-raad hebben hier een rol. De VO-raad draagt bijvoorbeeld in samenwerking met de AOC-raad zorg voor een steunpunt voor zeer zwakke scholen. De Inspectie van het Onderwijs heeft haar toezicht op zeer zwakke scholen aangescherpt, waardoor scholen minder lang zeer zwak zullen zijn.

• Onderwijstijd

Op 27 maart 2009 is de beleidsreactie op de aanbevelingen van de Commissie Onderwijstijd aan de Tweede Kamer gezonden (Tweede Kamer, vergaderjaar 2008–2009, 31 289, nr. 56). De aanbevelingen van de Commissie Onderwijstijd worden nadrukkelijk gezien als totaalpakket dat een zo goed mogelijke balans biedt tussen de verschillende belangen en zijn daarom integraal overgenomen. De wettelijke norm voor onderwijstijd wordt in alle leerjaren (met uitzondering van het examenjaar) vastgesteld op 1000 uur. Dit is een realistische norm, die nageleefd kan worden en per saldo leidt tot méér onderwijstijd voor leerlingen dan tot dusverre het geval was. De definitie van onderwijstijd wordt aangepast, zodat er méér, al dan niet eigentijdse, vormen van onderwijs onder vallen. De betrokkenheid van ouders, leerlingen en leraren bij de invulling van het onderwijsprogramma wordt vergroot (instemmingsrecht medezeggenschapsraad, tevredenheidonderzoek, verantwoording bevoegd gezag). De betrokkenheid van de Inspectie van het Onderwijs wordt juist beperkt. De Inspectie ziet in beginsel alleen toe op naleving van de norm in kwantitatieve zin en op procedurele randvoorwaarden over inspraak en verantwoording, tenzij er aanleiding is om verder onderzoek te doen (bijvoorbeeld bij (zeer) zwakke scholen). De zomervakantie in het voortgezet onderwijs wordt met een week ingekort tot zes weken, de «vrijkomende» vijf dagen kunnen als collectieve voor leerlingen roostervrije dagen gespreid over het jaar worden ingezet. De inzet van deze dagen wordt op schoolniveau in overleg met de medezeggenschapsraad bepaald. De zomer-, kerst- en meivakantie worden centraal vastgesteld; voor de overige vakanties geeft de overheid geen adviesdata meer. Indien sprake is van voldoende realisatie van de wettelijke urennorm en er basis is voor horizontale verantwoording, momenteel ondersteund door onder andere experimenten gericht op de versterking van die horizontale dialoog en verantwoording wordt de nieuwe wet- en regelgeving per 1 augustus 2011 zorgvuldig ingevoerd.

Meetbare gegevens bij de operationele doelstelling

Tabel 3.7 indicatoren
IndicatorBasiswaardeLaatste waardeStreefwaarde
1. Percentage leerlingen (derde klas) op of boven referentieniveau 2 F begrijpend lezen75%75% (= basiswaarde)75% (zie toelichting)
Bron: COOL 2008peildatum: 2008peildatum: 2008 
2. Percentage leerlingen (derde klas) op of boven referentieniveau 2 F rekenen/wiskunde37%37% (=basiswaarde)> 37% (zie toelichting)
Bron: COOL 2008peildatum: 2008peildatum: 2008 
3. Percentage scholen dat voldoende scoort op kwaliteitskenmerk kwaliteitszorg32,8%54,8%> 54,8%
Bron: Inspectie van het Onderwijs, Onderwijsverslag 2007/2008peildatum: schooljaar 2004/2005peildatum: schooljaar 2007/2008peildatum: 2010
4. Rapportcijfer van ouders over de kwaliteitvan de leraar van het kind77,17,1
Bron: OCW, Onderwijsmeter 2008peildatum: 2005peildatum: 2008peildatum: 2010
5. Mate waarin VO scholen aan de normen voor onderwijstijd voldoen 28%(dit percentage is gebaseerd op de oude definitie onderwijstijd van 1040 uur, m.u.v. het examenjaar)Zie toelichting
Bron: Inspectie van het Onderwijs peildatum: 2007/2008 

Toelichting:

1, 2: In het schooljaar 2007/2008 is een nieuw Cohortenonderzoek onder de naam COOL5–18 gestart. In dit onderzoek worden scholieren van 5 tot 18 jaar in hun schoolloopbaan gevolgd door het primair en voortgezet onderwijs en het middelbaar beroepsonderwijs. In het onderzoek staat de ontwikkeling van leerlingen centraal: waaronder de cognitieve ontwikkeling, waarvoor onderzoekers de kennis en vaardigheden in het Nederlands, Engels en rekenen en wiskunde in beeld brengen.

COOL5–18 is een goede indicator om de ontwikkelingen in het kader van de Kwaliteitsagenda vo te volgen. Besloten is om in deze begroting de gegevens uit COOL5–18 op te nemen in plaats van de indicatoren «percentages van de scholen die voldoende scoren op de kwaliteitskenmerken aanbod, tijd, instructie, zorg en begeleiding» uit de begroting 2009.

1: In het jaarverslag over 2008 zijn gegevens gemeld over percentages leerlingen die het referentieniveau 2F behalen voor begrijpend lezen, uitgesplitst voor BBL,KBL,GL/TL, HAVO, VWO. Hier is gekozen voor een totaalpercentage voor referentieniveau 2F en hoger.

Vanwege beschikbare gegevens is de berekeningsmethode voor lezen anders dan voor rekenen. De methode wordt in de toekomst herzien zodat er nu geen streefwaardes zijn geformuleerd.

3: Met een stapsgewijze aanpak is de ambitie er op gericht om uiteindelijk het overgrote deel van de scholen een voldoende te laten scoren op kwaliteitszorg volgens de normen van de Inspectie van het Onderwijs. Mede door initiatieven van de VO-raad en de verscherpte aandacht voor opbrengsten staat de kwaliteitszorg op de agenda van scholen.

5: Het Kabinet streeft ernaar om de voorgestelde nieuwe wet- en regelgeving inzake onderwijstijd – met als één van de onderdelen een nieuwe norm van 1000 klokuur (met uitzondering van het examenjaar) per schooljaar – per 1/8/2011 in te voeren. In de periode daaraan voorafgaand moet er sprake zijn van een groei van het aantal scholen dat ten minste 1000 uur onderwijstijd per jaar realiseert. Het streven is dat het overgrote deel van de scholen in 2011 voldoet aan de nieuwe norm van 1000 uur.

3.3.3 Leerlingen ervaren een goede aansluiting tussen onderwijsfases in hun doorlopende leerlijn

Motivering

Een goede aansluiting van de onderwijsfases en schoolsoorten is van groot belang. Voorkomen moet worden dat leerlingen onder hun kunnen presteren en dat leerlingen voortijdig van school gaan. Het aantal ongediplomeerde schoolverlaters (zonder startkwalificatie) en vmbo’ers die niet doorstromen naar het mbo moet worden teruggedrongen.

Op 10 juni 2009 heeft het kabinet in een brief aan de Tweede Kamer aangegeven een aantal maatregelen te nemen om de doorstroom van vmbo naar mbo te verbeteren. Een belangrijke maatregel is het afschaffen van de maximale verblijfsduur voor leerlingen in het vmbo. Daarnaast wordt het mogelijk om een tweede diploma van dezelfde schoolsoort te halen. Tot slot kunnen in de toekomst alle gediplomeerde minderjarige leerlingen uitbesteed worden naar het volwassenenonderwijs.

Instrumenten

• Experimenten vmbo-mbo2

De overstap van de vmbo-basisberoepsgerichte leerweg (bl) naar het mbo is voor leerlingen een obstakel omdat de inhoud van het vmbo- en mbo-onderwijs onvoldoende op elkaar aansluiten, de pedagogisch-didactische aanpak in beide sectoren heel verschillend is, er een verschil in schoolcultuur is en dat met name de zwakkere leerlingen in het vmbo-bl een kwetsbare groep vormen. Gezien deze problemen wordt een VM2 experiment uitgevoerd met een geïntegreerde leerweg voor de bovenbouw van het vmbo-bl en mbo-2. Dit sluit aan bij de vraag vanuit het onderwijs. In deze leergang hoeven leerlingen de fysieke stap van hun vmbo-school naar het roc niet te maken. Zij volgen één programmatisch geïntegreerd traject van vmbo-bl en mbo-2 op één school.

Dit experiment is gestart in augustus 2008 (2008–2009). Komend schooljaar (2009–2010) start het tweede cohort scholen met VM2. In het eerste cohort zijn in totaal 36 projecten gestart (verbonden aan circa 20 vmbo-scholen en mbo-instellingen) met ruim 1 000 leerlingen. In het tweede cohort komen hier ongeveer 140 projecten bij en zo’n 3 000 leerlingen. Zowel de scholen van het eerste als het tweede cohort worden gedurende het schooljaar begeleid door een externe projectleider en worden driemaal per jaar gemonitord. Na afloop van het experiment in 2013 vindt een evaluatie plaats.

Meetbare gegevens bij de operationele doelstelling

Tabel 3.8 indicatoren
IndicatorBasiswaardeLaatste waardeStreefwaarde 1
1. gediplomeerden naar bestemming: overgang vmbo naar mbo81%83%85%
Bron: OCW, Kerncijfers 2004–2008peildatum: 2004peildatum: 2008peildatum: 2011

3.3.4 Leerlingen krijgen een beter leeraanbod gericht op sociale en maatschappelijke vaardigheden

Motivering

De maatschappelijke stage is één van de prioriteiten uit de kwaliteitsagenda voor voortgezet onderwijs (burgerschap). Met de invoering van een maatschappelijke stage voor alle leerlingen in het voortgezet onderwijs, wil het kabinet leerlingen laten ervaren hoe mooi het is om iets voor een ander te doen. De maatschappelijke stage stimuleert kennismaken met «de ander» al op jonge leeftijd. De maatschappelijke stage kan zodoende ook op langere termijn een positieve bijdrage leveren aan de sociale samenhang.

Instrumenten

• Maatschappelijke stage

Sinds schooljaar 2007–2008 is de inzet van OCW het aantal scholen en het aantal leerlingen dat deelneemt aan de maatschappelijke stage te verhogen. Dit gebeurt onder andere aan de hand van pilots, waarbij het accent ligt op de lokale en regionale samenwerking, beschikbaarheid van stageplekken en het aantal uren dat stage wordt gelopen. Op basis van de resultaten van de pilots en de ervaringen van scholen en maatschappelijke organisaties vindt na afloop van het schooljaar 2008–2009 een evaluatie plaats. Begin 2010 wordt de Tweede Kamer hierover geïnformeerd. Een – tussenstand – van zaken heeft u recent ontvangen. In 2010 ligt het accent op begeleiding op maat, het ondersteunen van lokale samenwerking en het versterken van draagvlak, zowel binnen de school als buiten de school.

Meetbare gegevens bij de operationele doelstelling

Tabel 3.9 indicatoren
IndicatorBasiswaardeLaatste waardeStreefwaarde 1Streefwaarde 2
1. Percentage leerlingen van alle vo-scholen dat een maatschappelijke stageloopt.0%35%*65%100%
Bron: Senter Novempeildatum: 2004peildatum: 2009peildatum: 2010peildatum: 2012

* betreft een maatschappelijke stage van 30 uur in het schooljaar 2008–2009. Vanaf het schooljaar 2011–2012 per differentiatie stageduur naar schoolsoort.

3.4 Overzicht onderzoek naar de doelmatigheid en de doeltreffendheid van beleid

Tabel 3.10 Overzicht onderzoek naar de doelmatigheid en de doeltreffendheid van beleid
 Onderzoek onderwerpAD of ODA. StartB. AfgerondVindplaats
Beleidsdoorlichtingen1. Voldoende toegeruste scholen: personele en materiele bekostiging.OD 3.3.1A. 2010B. 2010 
 2. Onderwijs van hoge kwaliteit:Uitvoering kwaliteitsagenda(rekenen en taal; uitblinken, examens, kwaliteitszorg).OD 3.3.2A. 2012B. 2012 
 3. Aansluiting tussen onderwijsfases: vmbo-mbo.OD 3.3.3A. 2014B. 2014 
 4. Leeraanbod gericht op sociale vaardigheden: maatschappelijke stages.OD 3.3.4A. 2013B. 2013 
Effectenonderzoek ex post1. Evaluatie onderzoek vernieuwing betavakken (wiskunde).AD 3.1A. 2007B. 2010(B. 2012) 
 2. Evaluatie effecten praktijklokalen.OD 3.3.1A. 2007B. 2009www.eb-management.nlen www.cfi.nl
 3. Evaluatie experiment ict en werkdruk leraren.OD 3.3.1A. 2007B. 2009www.kennisnet.nl
 4. Onderzoek effectiviteit instrumenten innovatie.OD 3.3.2A. 2008B. 2009 
 5. Evaluatie effecten leerplusarrangement.OD 3.3.1A. 2007B. jaarlijks vanaf 2008www.regioplan.nl
 6. Effecten nieuwe indicatieprocedure zorgleerlingen.OD 3.3.1A. 2007B. 2008www.eim.nl
 7. Evaluatie vmbo tl groen.OD 3.3.1 KBA
 8. Onderzoek naar effecten pilots maatschappelijke stage.OD 3.3.4A. 2009B. 2010  
 8a. Monitor stagesOD 3.3.4jaarlijks vanaf 2008 
 9. Evaluatieonderzoek doorontwikkeling vmbo.OD 3.3.3A. 3/2009B. 10/2009ITS
 10. Evaluatieonderzoekniveau 1 opleidingen.OD 3.3.3A. 3/2009B. 10/2009ITS
 11. Evaluatie doorontwikkeling praktijkonderwijs.OD 3.3.3A. 3/2009B. 10/2009Regioplan
 12. Doorontwikkeling vmbo en mbo.OD 3.3.3A. 8/2007B. 8/2009www.maxgoote.nl
 13. Onderzoek naar ouderbetrokkenheid.OD 3.3.1 Ecorys/Sardes
Overig evaluatieonderzoek14. PISA onderzoek naar rekenen, taal, science, om de drie jaar.AD 3.1A. 2000B. 2015www.oecd.org/home
 14a. Secundaire analyse PISA science.AD 3.1A. 2008B. 2009CITO/Univ. Utrecht
 15. COOL cohortonderzoek.AD 3.1A. 2007B. 2015www.nwo.nlwww.gion.nlwww.cito.nl
 16. Onderzoek naar beheersing referentiecriteria rekenen en taal op basis van Cooltoetsen 2008.AD 3.1A. 2008B. 2009www.gion.nl
 17. Onderzoek naar versterking kwaliteitszorg vo-scholen.OD 3.3.2A. 2009B. 2010www.onderwijs- inspectie.nl
 18. Succes in 1e jaar vervolgonderwijs.AD 3.1A. 2007B. jaarlijkswww.roa.unimaas.nl
 19. Doordecentralisatie huisvesting.OD 3.3.1A. 2008B. 2009www.regioplan.nl
 20. Onderzoek indicatie en passend onderwijs hoogbegaafde leerlingen, casestudies en literatuuronderzoek.OD 3.3.1A. 2008B. 2009IVASCO Kohnstamm instituut
 21. ICT in het onderwijs: Monitor «4 in balans».OD 3.3.1A. 2007B. jaarlijkswww.kennisnet.nl
 22. IEA onderzoek TIMSS advanced (int vgl beste bèta leerlingen).OD 3.3.2A. 2007B. 2009www.utwente.nl
 23. Universum Programma: monitoring & auditing.OD 3.3.1A. 2008B. 2010www.platformbetatechniek.nl
 24. Internationale leerwegen.OD 3.3.1A. 2008B. 2009www.slo.nl
 24a. Evaluatie pilots IB Nederlandse leerlingen.OD 3.3.1A. 6/2008B. 3/2009 
 25. Evaluatie onderbouw en tweede fase.OD 3.3.3A. 2007B. 2011www.gion.nl
 26. Motieven scholen en besturen bij investering in gebouwen.OD 3.3.1  
 27. Onderwijstijd.27a. Evaluatie vakantiespreidingOD 3.3.1A. 5/2008B. 12/2008www.eim.nl en commissie Cornielje
 28. Mogelijkheden doorstroom en stapelen.OD 3.3.3A. 2008B. 2009www.regioplan.nl
 29. IEA Onderzoek naar burgerschap.OD 3.3.4A. 2007B. 2010www.iea.nlwww.gion.nlwww.europees- platform.nl
 30. Vreemde talenindicator.AD 3.1A. 2008B. 2011CITO
 31. Onderzoek menselijke maat.OD 3.3.1A. 2007B. 2009Regioplan
 32. Thema’s bij Europese aanbesteding schoolboeken.OD 3.3.1A. 2009B. 2009 
 33. Thema’s bij OnderwijsBewijs: hoogbegaafdheid.OD 3.3.1A. 2009B. 2010 
 34. Thema’s bij OnderwijsBewijs: projecten verbetering lezen en schrijven.OD 3.3.1A. 2009B. divers 
 35. Thema’s bij OnderwijsBewijs: projecten rekenen en wiskunde.OD 3.3.1A. 2009B. divers 

ARTIKEL 4. BEROEPSONDERWIJS EN VOLWASSENENEDUCATIE

4.1 Algemene doelstelling: het beroepsonderwijs en de volwasseneneducatie zorgen ervoor dat deelnemers hun talenten maximaal kunnen ontplooien en volwaardig kunnen deelnemen aan de samenleving. Deelnemers worden voorbereid op passend vervolgonderwijs en/of een positie op de arbeidsmarkt die optimaal aansluit bij hun talenten.

Omschrijving

Het middelbaar beroepsonderwijs (mbo) leidt jongeren op tot vakmanschap en ondernemerschap. Een deel van de jongeren besluit door te stromen naar een vervolgopleiding binnen het mbo of het hoger beroepsonderwijs. De aansluiting van het beroepsonderwijs op de praktijk staat daarbij voorop. Volwassenen kunnen door het volgen van een opleiding of cursus sociale competenties en burgerschapscompetenties verwerven die noodzakelijk zijn voor een baan, beroepsopleiding en hun persoonlijke ontplooiing. Volwasseneneducatie is een investering in kennis en kan de weerbaarheid en vaardigheden van de (beroeps)bevolking verhogen.

Afhankelijk van vooropleiding, leeftijd of ervaring is er voor iedereen een opleiding op maat in het mbo en in de volwasseneneducatie. Dit open karakter van het mbo maakt de sector tegelijkertijd kwetsbaar voor de gevolgen van de economische crisis. Verwacht wordt dat de omvang van het aantal mbo studenten als gevolg van de economische situatie flink zal toenemen. Bij gebrek aan werkgelegenheid kiezen jongeren ervoor langer onderwijs te volgen. Ook zullen veel mbo’ers overstappen van de beroepsbegeleidende leerweg (bbl), waarin het leren vooral in de praktijk plaatsvindt, naar de beroepsopleidende leerweg (bol) waarin het leren vooral op school plaatsvindt. Het gaat om jongeren die nu moeilijker een stageplaats kunnen vinden en om jongeren die hun bbl opleiding niet kunnen afmaken omdat ze hun (betaalde) baan, die tegelijk dienst doet als stageplaats, verliezen. Verder leren in de bol met studiefinanciering en een stage van beperkte omvang is dan vaak een alternatief. De afname van het aantal stageplaatsen is vooral een risico voor leerlingen in de mbo niveaus één en twee, omdat juist deze leerlingen beter leren in een werkomgeving dan in een klassikale leeromgeving en er bovendien verdringing plaatsvindt vanuit hogere mbo niveaus. Het kabinet heeft daarom in het aanvullende beleidsakkoord besloten om voor met name de jaren 2009 en 2010 extra geld beschikbaar te stellen voor het mbo. Dit in samenhang met de aanpak van jeugdwerkloosheid en het kabinetsstandpunt op het WRR-advies «Vertrouwen in de school, over de uitval van «overbelaste» jongeren» (zie onder tabel 4.2, budgettaire gevolgen van beleid).

Verantwoordelijkheid van de minister

De minister is verantwoordelijk voor een onderwijsstelsel dat zodanig functioneert dat het onderwijs maximaal aansluit bij de talenten en ambities van individuele deelnemers én bij wat de maatschappij nodig heeft. In het bijzonder is hij verantwoordelijk voor de toegankelijkheid van het onderwijs, de rechtmatige en doelmatige besteding van de onderwijsmiddelen en het garanderen van de onderwijskwaliteit. De middelen die hij tot zijn beschikking heeft, zijn: wet- en regelgeving, bekostiging, subsidies, integraal toezicht en dialoog met belanghebbenden. Deze belanghebbenden worden door de minister op een manier ondersteund die hen in staat stelt maximaal bij te dragen aan goed onderwijs. Hij doet dat door wetten en regels voor goed bestuur. Gemeenten ontvangen via het participatiebudget de rijksbijdrage educatie voor de inkoop van educatieve activiteiten bij roc’s. De verantwoordelijkheid voor de educatie is belegd bij gemeenten, omdat zij het beste zicht hebben op de lokale behoefte.

Externe factoren

Het onderwijs wordt ook bepaald door de inzet van schoolleiders, bestuurders, toezichthouders, deelnemers, ouders, docenten, bedrijven, brancheorganisaties, maatschappelijke organisaties (bijvoorbeeld jeugdzorg) en andere overheden. De minister is daarom afhankelijk van de beschikbaarheid, capaciteiten en faciliteiten van deze actoren. Andere factoren die de minister slechts beperkt kan beïnvloeden, maar waarvan hij wel afhankelijk is, zijn: ontwikkelingen op de (internationale) arbeidsmarkt, demografische ontwikkelingen in de leerlingen-, deelnemer- en studentenpopulatie en conjuncturele ontwikkelingen.

Meetbare gegevens bij de algemene doelstelling

Tabel 4.1 Indicatoren
IndicatorBasiswaardeVoorlaatste waardeLaatste waardeStreefwaarde
1. Het percentage 20–24 jarigen met tenminste hoger secundair onderwijs71,9%76,2%76,2%85%
Bron: Eurostat2000200720082010
2. Het percentage voortijdig schoolverlaters van de totale bevolking van 18–24 jaar15,5%12,0%n.n.b8%
Bron: Eurostat2000200720082010
3. Het percentage dat een hbo-diploma haalt van het totale aantal mbo’ers dat doorstroomt naar het hbo62,1%63,5%63,7%70%
Bron: Cfi2006200720082011
4. Werkloosheid van gediplomeerde mbo’ers anderhalf jaar na het beëindigen van de opleiding    
     
  – BOL14,6%5,3%5,3 % 
  – BBL 2,0%1,0 % 
Bron: Schoolverlaters tussen onderwijs en arbeidsmarkt, ROA(cohort 2002/2003) 2004(cohort 2005/2006) 2007(cohort 2006/2007) 2008 
5. Het percentage gediplomeerden dat aangeeft dat hun opleiding voldoende basis was om te starten op de arbeidsmarkt    
  – BOL43%46%48%60%
  – BBL 56%59%60%
Bron: Schoolverlaters tussen onderwijs en arbeidsmarkt, ROA(cohort 2004/2005) 2006(cohort 2005/2006) 2007(cohort 2006/2007) 2008  2011

Toelichting:

2. De waarde over 2008 komt in september 2009 beschikbaar. Sturing vindt plaats via de nationale indicator (zie paragraaf 4.3.4. tabel 4.8, indicator 1).

4. Voor deze indicator is geen streefwaarde geformuleerd omdat deze sterk afhankelijk is van de conjuncturele ontwikkeling.

4.2 Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 4.2 Budgettaire gevolgen van beleid artikel 4 (x € 1 000)
 2008200920102011201220132014
Verplichtingen3 520 3493 819 4383 435 5223 380 2083 333 6353 313 4063 313 439
Waarvan garantieverplichtingen90 817      
Totale uitgaven3 336 2583 542 7203 598 0503 406 1123 371 3333 336 1083 315 688
        
Programma-uitgaven3 332 9523 538 5673 594 2203 402 6533 367 8753 332 6503 312 230
        
Deelnemers volgen beroepsonderwijs en volwasseneneducatie in voldoende toegeruste instellingen2 820 1813 006 4853 016 3132 931 5842 904 0412 868 7202 848 240
• Bekostigingroc’s/overige regelingen2 692 7862 885 0082 896 5952 825 1882 805 1812 769 7202 749 276
• Korting 2e teldatum (coalitieakkoord)0– 38 892– 36 090– 36 090– 36 090– 36 090– 36 090
• Bekostigingkbb’s111 939115 821105 52198 52198 52198 52198 521
• School-ex programma 9 0007 000    
• Competentiegerichte kwalificatiestructuur5 0009 74221 62620 62820 63920 65120 662
• Overig10 45625 80621 66123 33715 79015 91815 871
        
Deelnemers volgen beroepsonderwijs en volwasseneneducatievan hoge kwaliteit in innovatieve instellingen en via hoogwaardige stageplekken186 376118 260180 123141 751138 091138 091138 071
• Taal en rekenen9 23710 49062 09956 76956 10956 10956 109
• Innovatiearrangement20 00020 00020 000    
• Innovatiebox regulier44 49543 13843 13843 13643 13643 13643 136
• Innovatiebox Fes73 129      
• Regeling stagebox35 00035 00035 00035 00035 00035 00035 000
• Stage en leerbaanoffensief Kenniscentra 7 00013 0003 000000
• Netwerkscholen (Fes)  4 4042 4042 4042 4042 384
• Overig4 5152 6322 4821 4421 4421 4421 442
        
Deelnemers kunnen zonder drempels beroepsonderwijs en volwasseneneducatie volgen dat het best past bij hun talenten en specifieke behoeften248 286287 891237 178184 300177 762177 860177 860
• Leerlinggebonden financiering(LGF)23 06626 56431 11424 57224 57224 57224 572
• Educatie197 591202 042150 433115 433115 434115 434115 434
• Aanvalsplan Laaggeletterdheid4 0004 0004 0000000
• Leven Lang Leren en EVC16 14229 05223 91816 0228 5778 5778 577
• Schoolmaatschappelijk werk015 00015 00015 00015 00015 00015 000
• Overig7 48711 23312 71313 27314 17914 27714 277
        
Er vallen minder leerlingen gedurende hun schoolloopbaan voortijdig uit het onderwijs64 190117 327149 931134 560137 526137 526137 526
• RMC’s/GSB39 22552 72153 37753 93353 93353 93353 933
• Convenantenmet RMC-regio’s13 59722 72034 08038 14537 81037 81037 810
• Programmagelden regio’s6 80015 18022 87022 87017 23017 23017 230
• Aanvullende vergoeding experimenten vmbo-mbo1 2002 4297 2007 6008 4005 0005 000
• Verbetering melding verzuim 2 0002 0002 0002 0002 0002 000
• Plusvoorziening «overbelaste jongeren» 15 00015 000    
• Overig3 3687 27715 40410 01218 15321 55321 553
        
Programmakosten-overig13 9198 60410 67510 45810 45510 45310 533
• Uitvoeringsorganisatie DUO13 9198 60410 67510 45810 45510 45310 533
        
Apparaatsuitgaven3 3064 1533 8303 4593 4583 4583 458
Ontvangsten79 46212 1977 4042 4042 4042 4042 384

Met de extra middelen die in het aanvullend beleidsakkoord beschikbaar zijn gesteld worden de volgende maatregelen genomen:

• deelnemers die hun opleiding afronden, maar geen werk hebben, stimuleren een jaar door te leren om hun kansen op de arbeidsmarkt te vergroten (School Exit en Extension programma);

• het opvangen van conjunctuureffecten op de omvang en de samenstelling van de deelnemersaantallen in het mbo als gevolg van de economische crisis. Bijvoorbeeld het opvangen van de overstap van jongeren van de bbl naar de bol en het opvangen van (on)gediplomeerde werklozen die weer terugkeren naar het mbo;

• het stimuleren van de inrichting van «plusvoorzieningen» voor overbelaste jongeren;

• versterking van de aansluiting tussen het beroepsonderwijs en de arbeidsmarkt;

• uitvoeren van een «stageoffensief» door de kenniscentra beroepsonderwijs en bedrijfsleven om er voor te zorgen dat er voldoende stageplaatsen beschikbaar blijven.

Door de economische crisis kampt het kabinet met financiële tegenvallers die voor een deel ten laste komen van het middelbaar beroepsonderwijs en de volwasseneneducatie. Gekozen is voor een pakket maatregelen waarbij de kerntaak van het beroepsonderwijs het minst geraakt wordt en waarbij mbo instellingen de eerstvolgende jaren voldoende lucht houden om bestaande en extra taken uit te voeren. Het kabinet heeft daarom besloten om:

• af te zien van de voorgenomen invoering van een gedeeltelijke vervoersvoorziening voor 16- en 17-jarige mbo studenten in de bol; € 15 miljoen in 2009 en € 30 miljoen vanaf 2010;

• een korting door te voeren op de educatiemiddelen binnen het participatiebudget: € 35 miljoen vanaf 2011 (zie paragraaf 4.3.3);

• vanaf 2011 geen vervolg te geven aan het innovatiearrangement: € 20 miljoen vanaf 2011 (zie paragraaf 4.3.2);

• een deel van de prijsbijstelling niet uit te keren: € 4 miljoen in 2010 en € 3 miljoen vanaf 2011.

De basis op orde in het Mbo

De Mbo-instellingen staan voor een ingrijpende opgave. De invoering van het competentiegericht onderwijs, de aanpak van de jeugdwerkeloosheid, het beleid op het vlak van voortijdig schoolverlaten, de leerwerkplicht en de versterkte inzet op taal en rekenen; ontwikkelingen die om een grote inzet vragen van docenten en leidinggevenden in de scholen. Het kabinet trekt daarvoor de nodige middelen uit en geeft ruimte om die verantwoordelijkheid waar te maken. Mbo-instellingen dienen echter vervolgens wel hun primaire proces op orde te hebben; variërend van goede klachtenregelingen tot adequate leerplichtregistratie, van duidelijke roosters tot voldoende goede lesuren, van inbedding van de medezeggenschap in de organisatie tot het professionaliseren van personeel.

Daartoe zullen in de komende tijd de individuele prestaties van ROC’s scherper in beeld gebracht worden. Dat doet recht aan de ROC’s die goed presteren, maar vormt een aansporing voor die ROC’s die hun zaken niet- voldoende- op orde hebben. Aan de hand van deze resultaten zullen gesprekken gevoerd gaan worden met de besturen van ROC’s.

Tabel 4.3 Budget flexibiliteit per operationele doelstelling (x € 1 000)
 20102011201220132014
Programma-uitgaven (totaal operationele doelstellingen)3 583 5453 392 1953 357 4203 322 1973 301 697
Totaal juridisch verplicht3 514 4943 3320093 191 9713 115 6133 090 124
Totaal bestuurlijk gebonden68 87559 935165 199206 332211 323
Totaal niet-juridisch verplicht of bestuurlijk gebonden175250250250250
Deelnemers volgen beroepsonderwijs en volwasseneneducatie in voldoende toegeruste instellingen3 016 3132 931 5842 904 0412 868 7202 848 240
• Juridisch verplicht2 975 8392 892 8472 872 9492 837 7332 817 242
• Bestuurlijk gebonden40 47338 73731 09230 98730 998
• Niet-juridisch verplicht of bestuurlijk gebonden00000
      
Deelnemers volgen beroepsonderwijs en volwasseneneducatie van hoge kwaliteit in innovatieve instellingen en via hoogwaardige stageplekken180 123141 751138 091138 091138 071
• Juridisch verplicht173 952137 90556 10956 10956 109
• Bestuurlijk gebonden5 9963 59681 73281 73281 712
• Niet-juridisch verplicht of bestuurlijk gebonden175250250250250
      
Deelnemers kunnen zonder drempels beroepsonderwijs en volwasseneneducatie volgen dat het best past bij hun talenten en specifieke behoeften237 178184 300177 762177 860177 860
• Juridisch verplicht230 176176 709160 770160 838160 838
• Bestuurlijk gebonden7 0027 59116 99317 02117 021
• Niet-juridisch verplicht of bestuurlijk gebonden00000
      
Er vallen minder leerlingen gedurende hun schoolloopbaan voortijdig uit het onderwijs149 931134 560137 526137 526137 526
• Juridisch verplicht134 527124 548102 14360 93355 933
• Bestuurlijk gebonden15 40410 01135 38276 59281 592
• Niet-juridisch verplicht of bestuurlijk gebonden00000

4.3 Operationele beleidsdoelstelling

4.3.1 Deelnemers volgen beroepsonderwijs en volwasseneneducatie in voldoende toegeruste instellingen

Motivering

Het stelsel van beroepsonderwijs en volwasseneneducatie moet zodanig zijn toegerust dat regionale opleidingencentra (roc’s), de vakinstellingen, de overige mbo-instellingen en de kenniscentra beroepsonderwijs en bedrijfsleven (kbb’s) bij het verzorgen van beroepsonderwijs en volwasseneneducatie kunnen voldoen aan de door de Wet educatie en beroepsonderwijs (WEB) gestelde toegankelijkheids-, doelmatigheids- en kwaliteitseisen.

Instrumenten

• Bekostiging

Op 23 december 2008 heeft de staatssecretaris namens het kabinet de Tweede Kamer geïnformeerd over de stand van zaken van de modernisering van de Mbo-bekostiging (Tweede Kamer, vergaderjaar 2008–2009, 27 451, nr. 101). De brief bevat een aantal voorstellen. Deze hebben onder meer betrekking op aanscherping van het onderscheid tussen bol en bbl opleidingen, een meer op het voorafgaand onderwijs toegespitste verdeling van het VOA-budget, harmonisatie van prijsfactoren, beperking van bekostigde stapeling van diploma’s en verandering van de verhouding tussen de input- en de outputcomponent. De brief is onderwerp van gesprek geweest in een nota overleg op 15 april 2009. In de maanden daarna is de verdere uitwerking van de voorstellen ter hand genomen. In 2010 ontvangt de Tweede Kamer een concept wetsvoorstel over dit onderwerp.

• Kenniscentra

De verdeling van de reguliere beschikbare middelen over de kenniscentra is voor 2010 nog dezelfde als in de voorgaande jaren. De werkzaamheden van de kenniscentra voor de ontwikkeling van de nieuwe kwalificatiestructuur zijn grotendeels afgerond. Ook wordt steeds duidelijker hoe de nieuwe kwalificatiestructuur vorm gaat krijgen. De herziening van het bekostigingsmodel voor de kenniscentra kan daarom verder worden uitgewerkt. De bedoeling is dat er per 2011 een nieuw model ingevoerd kan worden. Uitgangspunt voor het nieuwe model zijn de wettelijke taken van de kenniscentra. Daarnaast worden middelen aan het budget van de 17 samenwerkende kenniscentra toegevoegd voor de uitvoering van het stageoffensief (zie paragraaf 4.2 Budgettaire gevolgen van beleid en paragraaf 4.3.2 onder «Verbeteren aansluiting onderwijs en arbeidmarkt»).

• Competentiegerichte kwalificatiestructuur

Als onderdeel van de competentiegerichte kwalificatiestructuur (per augustus 2010) zijn mbo-instellingen sinds 2004 gefaseerd bezig hun opleidingsaanbod in te richten op basis van de nieuwe kwalificatiedossiers. Deze kwalificatiestructuur heeft een vierledig doel:

1. Een betere start voor mbo’ers op een bewegelijke arbeidsmarkt;

2. Aantrekkelijker onderwijs aan mbo’ers en daardoor beter gemotiveerde deelnemers en minder voortijdige uitval;

3. Meer doorstroom naar vervolgonderwijs;

4. Grotere betrokkenheid van het bedrijfsleven.

Voor de invoeringsdatum van augustus 2010 worden vier procesdoelstellingen geformuleerd:

1. Alle deelnemers starten in het eerste jaar met een opleiding die is geënt op een nieuw kwalificatiedossier;

2. De inhoudelijke kwaliteit van de competentiegerichte opleidingen (dus programmering, inrichting en examinering) is voldoende robuust;

3. De bedrijfsvoering (waaronder de professionalisering van bestuur, management en personeel) rond het competentiegerichte onderwijs heeft een stevige basis;

4. De kwalificatiedossiers zijn op het punt van uitvoerbaarheid, studeerbaarheid, transparantie en samenhang kwalitatief goed. Verder is het aantal (uitstroom)kwalificaties functioneel en van goede kwaliteit in relatie tot de instroom op de arbeidsmarkt dan wel de doorstroom naar het hbo.

Om de hierboven genoemde doelstellingen in 2010 te bereiken wordt ingezet op:

• Vraaggerichte ondersteuning van individuele instellingen bij de vernieuwing door MBO2010 bij de vormgeving van onderwijs en bedrijfsvoering (inclusief professionalisering personeel);

• Concrete afspraken tussen kenniscentra beroeponderwijs en bedrijfsleven over vergroting van transparantie, herkenbaarheid en uitvoerbaarheid van de kwalificatiedossiers (zie bijlage 1Tweede Kamer, vergaderjaar 2008–2009, 31 524, nr. 3) en vaststelling herziene kwalificatiedossiers;

• Het verrichten van een audit- en schouwprocedure per onderwijsinstelling om te bepalen in welke mate de eerste drie procesdoelstellingen behaald zijn (zieTweede Kamer, vergaderjaar 2008–2009, 31 524, nr. 3);

• Het versturen van het wetsvoorstel competentiegerichte kwalificatiestructuur naar de Staten-Generaal (begin 2010).

Meetbare gegevens bij de algemene doelstelling

Tabel 4.4 Indicatoren
IndicatorBasiswaardeVoorlaatste waardeLaatste waardeStreefwaarde
1. Deelnemersucces per niveauniveau 1: 37%niveau 1: 42%niveau 1: 46%niveau 1: 50%
 niveau 2: 47%niveau 2: 49%niveau 2: 52%niveau 2: 60%
 niveau 3: 68%niveau 3: 69%niveau 3: 71%niveau 3: 75%
 niveau 4: 70%niveau 4: 77%niveau 4: 77%niveau 4: 80%
Bron: Benchmark Mbo Raad2004–2005 (eerste Benchmark)2005–2006 (tweede Benchmark)2006–2007 (derde Benchmark)2011
2. Het percentage deelnemers in het eerste jaar dat een competentiegerichte opleiding volgt11% 71%100%
Bron: Cfi2005–2006 2008–20092010–2011

Toelichting:

1. Deze indicator meet het percentage deelnemers per mbo niveau dat de opleiding succesvol afrondt.

2. De prognose voor het schooljaar 2009/2010 is 84%. Daarmee ligt de invoering van de kwalificatiestructuur op schema. Mbo’ers die voor de invoering van de kwalificatiestructuur met een eindtermgerichte opleiding zijn begonnen, mogen deze afmaken. Ook na de invoering van de competentiegerichte kwalificatiestructuur zullen er dus eindtermgerichte opleidingen bestaan, waarop nieuwe inschrijvingen weliswaar niet toegestaan zijn. Door deze systematiek is het niet mogelijk om vanaf 2010 over alle leerjaren en in alle opleidingen competentiegericht onderwijs aan te bieden. Er zal dus nog na 2010 afbouw van eindtermgericht onderwijs plaatsvinden. Om de ambitie goed weer te geven zijn de voormalige indicatoren «het percentage deelnemers in nieuwe opleidingen» en «het percentage van opleidingen, ingericht op basis van de nieuwe kwalificatiedossiers» daarom in deze nieuwe indicator vervat.

Tabel 4.5 Kengetallen
 20092010201120122013
1. Aantal deelnemers mbo*489 642498 233498 608494 667488 450
  bol-vt317 500331 242356 392371 775369 450
  bbl162 575158 517135 367117 175113 483
  bol-dt9 5678 4756 8505 7175 517
Bron: Referentieraming2009     
2. Gemiddelde prijs per mbo-deelnemer (x € 1 000)**7,17,07,06,86,8
Bron: Lumpsum budget/specifieke regelingen en gewogen bekostigingsdeelnemers mbo     

* Het gaat om aantallen per kalenderjaar (omgerekend uit aantallen per schooljaar op 1 oktober) inclusief de raming van het conjunctuureffect als gevolg van substitutie van deelnemers van de bbl naar de bol.

*/** Vanwege de sterk verslechterde economische situatie en de daarmee samenhangende verwachte vermindering van stageplaatsen, wordt de komende jaren een verschuiving van deelnemers in de bbl naar de bol verwacht. Een indicatie van deze ontwikkeling is reeds verwerkt in de hierboven gepresenteerde geraamde deelnemersontwikkeling in het mbo. Vanwege de vele onzekerheden rondom de raming en de uitzonderlijke economische situatie, is de extra instroom van het aantal deelnemers als gevolg van de huidige conjuncturele ontwikkelingen nog niet in raming van het aantal deelnemers (punt 1) opgenomen.Het Kabinet heeft echter besloten voor 2009 en 2010 extra geld beschikbaar te stellen voor het mbo (in totaal € 250 miljoen). In de prijs per deelnemer (punt 2) zijn deze extra middelen nog niet verwerkt. De mbo-sector kan aanspraak maken op deze middelen indien, als gevolg van de economische crisis, de omvang en de samenstelling van de onderwijsdeelname in de cursusjaren 2009/10 en 2010/11 hiertoe aanleiding geeft. Bij het voorbereiden van de begroting 2011 wordt bezien hoe het aantal deelnemers in het mbo zich heeft ontwikkeld, dan wordt ook duidelijker wat het effect van de conjunctuur op de deelnemersontwikkeling voor de komende jaren in het mbo is.

** Bij de berekening van de gemiddelde prijs per deelnemer is rekening gehouden met de extra middelen voor taal en rekenonderwijs en met de enveloppemiddelen (Coalitieakkoord) voor de competentiegerichte kwalificatiestructuur (zie paragraaf 4.2, tabel 4.2 budgettaire gevolgen van beleid).

4.3.2 Deelnemers volgen beroepsonderwijs en volwasseneneducatie van hoge kwaliteit in innovatieve instellingen en via hoogwaardige stageplekken

Motivering

Om de kwaliteit van het middelbaar beroepsonderwijs te verbeteren moeten mbo-opleidingen voldoende onderwijstijd bieden, de examens op orde hebben en de doorlopende leerlijnen in de beroepskolom bevorderen.

Ouders, studenten en werkgevers moeten kunnen vertrouwen op de kwaliteit van de opleidingen en de uitgereikte diploma’s. Een grotere betrokkenheid en een intensievere samenwerking tussen onderwijsinstellingen, kenniscentra en (leer)bedrijven in de regio kunnen ervoor zorgen dat de kwaliteit en de aantrekkelijkheid van het onderwijs, inclusief de stage, van een hoog niveau is. In deze crisistijd is het van belang dat het potentieel aan bpv-plekken (stageplekken/leerbanen) bij leerbedrijven zo optimaal mogelijk wordt benut.

Instrumenten

• Nederlandse taal en rekenen/wiskunde

Het belang van goed leren lezen, schrijven en rekenen is te lang onderbelicht gebleven. Daarom wordt wettelijk vastgelegd welke taal- en rekenvaardigheden leerlingen op verschillende momenten van hun schoolloopbaan moeten beheersen. In de voortgangsrapportage doorlopende leerlijnen taal en rekenen van 20 februari 2009 is beschreven welke maatregelen worden getroffen op het gebied van de Nederlandse taal en het rekenen/wiskunde in het mbo. Doelstelling is om in alle onderwijssectoren het beheersingsniveau van de basisvaardigheden taal en rekenen te verhogen. Voor het mbo is de aanpak voor 2010 tot en met 2013 beschreven in het Uitvoeringsplan Taal en Rekenen mbo. Op hoofdlijnen is de aanpak voor het mbo gericht op de volgende elementen:

1. De wettelijke verankering van het referentiekader waarbij de onderwijsinstellingen in het mbo de opdracht krijgen om de referentieniveaus voor Nederlandse taal en rekenen/wiskunde in acht te nemen bij de inrichting van hun onderwijs en examinering voor de in 2010 instromende deelnemers;

2. Een overgang naar centrale examinering van de Nederlandse taal en het rekenen/wiskunde in het mbo, waarbij de eerste wettelijk verplichte centrale examens afgenomen worden in 2014;

3. Een intensivering van het taal- en rekenonderwijs, gericht op de verhoging van het beheersingsniveau op de lange termijn, met een inhaalslag op de korte termijn.

De invoering van het referentiekader en de centrale examinering vraagt om een zorgvuldige en met de andere onderwijssectoren samenhangende aanpak. De bevindingen worden jaarlijks (sectoroverstijgend) via een monitor doorlopende leerlijnen taal en rekenen gevolgd.

• Regelingen innovatiebox, innovatiearrangement en stagebox

Via de Regeling stagebox beroepsonderwijs wordt geld beschikbaar gesteld om te zorgen voor extra stage- en simulatieplaatsen voor moeilijk plaatsbare deelnemers. Ook is het geld bedoeld voor een intensieve stagebegeleiding van deelnemers in het beroepsonderwijs. De huidige regeling eindigt in 2010. In het najaar van 2010 worden de effecten van de regeling geëvalueerd. Op basis van deze evaluatie wordt later dat jaar besloten hoe het geld voor stages vanaf 2011 het best kan worden ingezet.

De regelingen «innovatiearrangement» en «innovatiebox» eindigen in 2009. De Regeling innovatiearrangement bestaat uit een specifiek innovatiebudget om innovatie in het beroepsonderwijs verder te verdiepen. Hiermee worden innovatieve projecten op regionaal en sectoraal niveau financieel ondersteund. Doelgroep zijn de onderwijsinstellingen van het beroepsonderwijs (vmbo-mbo-hbo). Met de Regeling innovatiebox wordt geld verstrekt (gekoppeld aan de lumpsum) met als doel onderwijsvernieuwing vorm te geven. Het geld uit de «innovatiebox» wordt alleen aan de mbo-onderwijsinstellingen verstrekt.

Hoewel de Regeling innovatiearrangement niet heeft opgeleverd wat volgens de doelstellingen van de regeling werd beoogd, heeft de regeling wel waardevolle opbrengsten opgeleverd. Daarom wordt het innovatiearrangement nog maar met één jaar verlengd. Vanaf 2011 wordt dit geld ingezet voor de bezuinigingen op het onderwijs. Ook de Regeling innovatiebox zal na 2009 met één jaar verlengd worden. Op basis van de resultaten van een evaluatie in 2010 wordt besloten over de inzet van het geld vanaf 2011.

• Experiment de Netwerkschool

Voor het experiment de Netwerkschool zijn voor de jaren 2010 tot en met 2014 Fes middelen beschikbaar gesteld door het kabinet. Het doel van de Netwerkschool is het verhogen van het maatschappelijk rendement van de onderwijsmiddelen. In het experiment staat een slimme en flexibele organisatie van de competentiegerichte kwalificatiestructuur centraal.

Door effectief gebruik van ICT wordt ingezet op een verhoging van de productiviteit in het onderwijs voor:

1. het leren zelf;

2. het toetsen, volgen en begeleiden van de studenten;

3. de organisatie van het leerproces.

Daarnaast worden via het experiment innovatieve oplossingen aangedragen voor de uitval van studenten en het lerarentekort.

• Verbeteren aansluiting onderwijs en arbeidsmarkt

Door de economische crisis komt het aanbod aan noodzakelijke bpv-plaatsen (stageplaatsen) onder druk te staan. Mbo gediplomeerden betreden een arbeidsmarkt die, zeker voor de lagere mbo niveaus, minder kans biedt op een baan. Daarom zijn in het Actieplan jeugdwerkloosheid (Tweede Kamer, vergaderjaar 2008–2009, 29 544, nr. 189) onder andere maatregelen opgenomen om: voldoende bpv-plaatsen te behouden (stageoffensief), gediplomeerde mbo deelnemers langer te laten doorleren (School Exit en Extension programma) en om kwetsbare jongeren in het mbo beter te kwalificeren voor de arbeidsmarkt («Plusvoorzieningen»).

Het stageoffensief van de kenniscentra beroepsonderwijs en bedrijfsleven wordt uitgevoerd in de jaren 2009 tot en met 2011. Het doel van het stageoffensief is om bestaande stageplaatsen bij erkende leerbedrijven zoveel mogelijk te behouden, nieuwe stageplaatsen te werven en een betere kwalitatieve afstemming van vraag en aanbod van stageplaatsen te realiseren. Zo zijn er, ondanks de crisis, nog steeds sectoren waar vraag is naar stagairs. Door bijvoorbeeld een betere voorlichting (http://www.stagemarkt.nl/) worden jongeren gestimuleerd hiervan gebruik te maken.

Het School Ex (School Exit en Extension) programma richt zich in 2009 en 2010 op examenkandidaten in het mbo. Examenkandidaten die twijfelen tussen verder leren of werken worden gestimuleerd verder door te leren om hun kansen op de arbeidsmarkt te vergroten door middel van het aanbieden van een individueel opleidingsadvies. Examenkandidaten die willen gaan werken, maar nog geen baan hebben, worden «warm overgedragen» aan het UWV Werkbedrijf voor ondersteuning bij het vinden van een baan. Voor kwetsbare jongeren met meervoudige problematiek («overbelasten») worden zogenaamde Plusvoorzieningen in het mbo opgezet (zie voorts paragraaf 4.3.4.).

Naast bovenstaande maatregelen in verband met de economische crisis, worden ook andere maatregelen uitgevoerd om de aansluiting tussen het beroepsonderwijs en de arbeidsmarkt te verbeteren. Zo vindt in 2010 de invoering van de «Kwaliteitsagenda BPV» plaats. Deze agenda is in de zomer van 2009 op bestuurlijk niveau (MBO Raad, COLO, MKB Nederland) vastgesteld en gecommuniceerd naar de Tweede Kamer. Op 10 juni 2009 is als eerste fase van deze «Kwaliteitsagenda BPV» een BPV-protocol gerealiseerd met daarin vergaande gedragsregels voor betrokken partijen (mbo-instellingen, kenniscentra en leerbedrijven) over de begeleiding van studenten voor, tijdens en na de bpv. Deze gemeenschappelijke agenda moet in 2010 zorgen voor een verbetering van de kwaliteit, de organisatie en de communicatie door betrokken partijen rondom de beroepspraktijkvorming. In 2010 eindigt het programma «Ondersteuning Leerbedrijven» en moet het stelsel beter zijn ingericht voor het praktijkleren. De samenwerking, onderlinge afstemming en informatieuitwisseling tussen onderwijsinstellingen, leerbedrijven en kenniscentra moet dan zijn verbeterd. In samenwerking met MBO2010 wordt in 2010 door een goed toegankelijke website de verspreiding van best practises op het gebied van de bpv bevorderd.

Ook wordt in 2010 een wetsvoorstel dat garandeert dat bbl-deelnemers voldoende begeleide onderwijsuren krijgen, aan de Tweede Kamer aangeboden. Tenslotte wordt in 2009 en 2010 een financiële impuls gegeven aan mbo instellingen om actief een bijdrage te kunnen leveren in regionale structuren gericht op het bestrijden van (jeugd)werkloosheid, stimuleren van participatie en bevorderen van economische ontwikkeling, zoals bijvoorbeeld de werkpleinen.

• Bevorderen doorstroom naar hoger onderwijs

Het tweejarige Associate degree-programma (Ad-programma) is mogelijk een instrument om de doorstroom van het mbo naar het hbo te bevorderen, hetzij via directe doorstroom vanuit het mbo of via een duaal traject vanuit een werksituatie. Het doel is dat meer mbo-4 gediplomeerden en werkenden een diploma in het hoger onderwijs behalen, waarmee zij hun kansen op de arbeidsmarkt vergroten. Het streven is om met ingang van het studiejaar 2010/2011 te starten met een experimenteerperiode. In deze periode kunnen mbo-instellingen samen met een hogeschool een Associate degree-programma ontwikkelen dat (deels) wordt uitgevoerd op het mbo. De experimenten worden geëvalueerd zodat er aan het einde van de experimenteerperiode een beeld is over de mogelijke meerwaarde van de Associate degree op een mbo-locatie. De arbeidsmarktrelevantie van de Associate degree is bepalend voor de verdere invoering van de Associate degree.

• Handhaven onderwijstijd

In 2008 is verscherpt toegezien op de naleving van onderwijstijd, de 850-urennorm in de beroepsopleidende leerweg (bol) van het mbo. Volgens de Inspectie voldeed 91% (schooljaar 2007/2008) van de opleidingen bij een eerste controle aan de vereiste minimale 850 klokuren. Dit is een aanzienlijke verbetering ten opzichte van 2007. Toen ging het om 76% van de onderzochte opleidingen (schooljaar 2006/2007). Na herstelacties bleven drie opleidingen (4,5%) over die te weinig onderwijstijd aanboden, waarvoor een sanctietraject volgt. De scherpe toezichts- en handhavingsacties lijken effectief en worden ook de komende jaren voortgezet. Een nuancering hierbij is dat het percentage in 2008 van 91% niet op een representatief onderzoek is gebaseerd zoals in 2007, maar een uitkomst is van het reguliere, selectieve toezicht van de Inspectie. In de maanden mei/juni van 2009 wordt er aanvullend representatief onderzoek naar de naleving van onderwijstijd (schooljaar 2008/2009) gedaan dat een beter vergelijkingsbeeld geeft met het percentage voor 2007 (schooljaar 2006/2007).

Aan de Tweede Kamer is toegezegd dat er in 2010 een evaluatie van de 850 urennorm komt, waarbij onder meer het aantal uren, de relatie met de kwaliteit van het onderwijs en de bekostiging onder de loep worden genomen.

• Geïntegreerd toezicht

In het wetsvoorstel wijziging WOT (Wet op het onderwijstoezicht) wordt het nieuwe toezicht vormgegeven. Het gaat hierbij om geïntegreerd toezicht op het onderwijs door de toezichthouders. De Inspectie van het Onderwijs krijgt in de bve sector verdergaande handhavende bevoegdheden voor het uitvoeren van bekostigingssancties en het intrekken van onderwijs- en examenlicenties. In het toezichtskader bve 2010 en de daaropvolgende toezichtskaders wordt het toezicht op de onderwijskwaliteit en de examenkwaliteit steeds verder geïntegreerd. Daarnaast wordt terughoudend toezicht vormgegeven voor díe instellingen die gedurende meerdere jaren voldoende kwaliteit kunnen aantonen.

• Toezicht en handhaving kwaliteit examens

Deelnemers moeten hun opleiding afronden met een waardevol en landelijk erkend mbo-diploma. Een diploma dat goed aansluit op de arbeidsmarkt en het vervolgonderwijs. Goede examinering draagt hieraan bij. De school is hiervoor primair verantwoordelijk en moet er zorg voor dragen dat het examen van elke aangeboden opleiding voldoet aan de standaarden voor examenkwaliteit. Zo moeten bijvoorbeeld de examenopgaven wat betreft inhoud en niveau dekkend zijn, gelet op de landelijk vastgestelde kwalificatie-eisen. De Inspectie van het Onderwijs beoordeelt jaarlijks de examenkwaliteit aan de hand van de standaarden. Als uit het kwaliteitsonderzoek door de Inspectie blijkt dat de examenkwaliteit niet voldoende is, dan krijgt de instelling voor de betreffende opleiding een waarschuwing en tijd om de kwaliteit te verbeteren. Als de kwaliteit bij het erop volgende onderzoek naar de kwaliteitsverbetering nog niet voldoende is, dan kan de examenlicentie voor de betreffende opleiding worden ingetrokken. In dat geval moet de school de examinering van die opleiding volledig uitbesteden aan een andere school of exameninstelling die over de betreffende examenlicentie beschikt. In de brief aan de Tweede Kamer van 19 december 2008 (Tweede Kamer, vergaderjaar 2008–2009, 27 451, nr. 99) is het landelijke totaalbeeld van de examenkwaliteit 2007/2008 aangegeven en is het examenbeleid uiteengezet. Het examenbeleid betreft zowel de bestuurlijke interventiemaatregelen als de reeks van maatregelen ter versteviging van de examinering.

Meetbare gegevens bij de operationele doelstelling

Tabel 4.6 Indicatoren
IndicatorBasiswaardeVoorlaatste waardeLaatste waardeStreefwaarde
1. Percentage opleidingen met voldoende examenkwaliteit52% 78%85%
Bron: Examenverslag mbo2005 2008 (2007–2008)2011
2. Percentage deelnemers dat positief is over de beroepspraktijkvormingsplek (BPV)48%48%59%75%
Bron: ODIN2005 (ODIN 3)2007 (ODIN 4)2009 (ODIN 5)2011
3. Het oordeel van de deelnemer over de opleiding6,76,66,97,0
Bron: ODIN2005 (ODIN 3)2007 (ODIN 4)2009 (ODIN 5)2011
4. Het percentage opleidingen dat onderwijs geeft volgens de richtlijnen van de 850 uren norm (BOL)75%76%91%100%
Bron: Inspectie van het Onderwijs2006200720082011
5. Percentage mbo instellingen met een implementatieplan Nederlandse taal- en rekenen0% 0%100%
 2008 20082010

Toelichting:

5. In aanvulling op deze indicator wordt voor de volgende begroting (2011) nagedacht over een indicator waarmee jaarlijks het percentage mbo instellingen/opleidingen met centrale examens Nederlandse taal en rekenen voor mbo deelnemers wordt gevolgd.

4.3.3. Deelnemers kunnen zonder drempels beroepsonderwijs en volwasseneneducatie volgen dat het best past bij hun talenten en specifieke behoeften

Motivering

Deelnemers aan het beroepsonderwijs en de volwasseneneducatie moeten de mogelijkheid krijgen om hun talenten te ontplooien in een leeromgeving en op een manier die het beste past bij hun specifieke behoeften. Het gaat daarbij ook om jongeren die een extra steuntje in de rug nodig hebben bij het volgen van een mbo-opleiding. En om volwassenen die door het volgen van een cursus of opleiding beter in staat zijn te participeren op de arbeidsmarkt en in de samenleving.

Instrumenten

• Leerlinggebonden financiering

Sinds januari 2006 kunnen instellingen voor geïndiceerde deelnemers met een handicap of stoornis leerlinggebonden financiering (het zogenoemde rugzakje) aanvragen. Met een wijziging van de Wet educatie en beroepsonderwijs (Staatsblad 2008, 202) is leerlinggebonden financiering per 1 augustus 2008 wettelijk vastgelegd. De bedoeling is dat deelnemers met behulp van dit rugzakje hun opleiding succesvol kunnen afronden. Het aantal geïndiceerde deelnemers voor 2010 wordt geraamd op 5 700.

• Participatiebudget

De Nederlandse gemeenten ontvangen vanaf 1 januari 2009 voor het eerst de bijdrage voor de educatiedoelstellingen via het participatiebudget. Hiermee wordt het geld voor re-integratie (WWB-werkdeel), inburgering en volwasseneneducatie gebundeld in één specifieke uitkering voor gemeenten. Vanaf 1 januari 2010 wordt € 50 miljoen structureel herbestemd ten gunste van het budget voor extra taal- en rekenonderwijs in het mbo (zie paragraaf 4.3.2. eerste instrument). Vervolgens is door het kabinet besloten om aanvullend € 35 miljoen minder op het budget in te zetten vanaf 2011. Dit geld is bestemd als bijdrage in het OCW aandeel in de rijksbrede problematiek als gevolg van de economische recessie.

De resterende middelen zullen worden verdeeld over basisvaardigheden (met name laaggeletterdheid), vavo (tweede kans onderwijs) en NT2. Om de doelstellingen en afspraken te realiseren zal op deze terreinen met name prestatiegericht worden beloond. Gezien deze bezuinigingen en de impact hiervan op de continuïteit van het educatieonderwijs in combinatie met een aantal andere ontwikkelingen in het mbo, heeft het kabinet verder besloten om de introductie van de marktwerking voor educatiemiddelen uit te stellen en de oormerking van dit budget voor educatie en de bestedingsverplichting bij de roc’s met 3 jaar (tevens het maximum) te verlengen. Daarmee zal de wettelijke taak van roc’s voor educatie gedurende deze periode gehandhaafd blijven. De follow up (de ingang van vervallen oormerking en bestedingsverplichting) wordt bij AMvB geregeld. Hiertoe zal een wetswijziging worden voorbereid. Tot 2013 zijn er schotten tusen het educatiebudget en inburgeringsbudget. In overleg met WWI zal voor mogelijke onvoorziene knelpunten bij het daadwerkelijk bedienen van doelgroepen in de praktijk gezamenlijk naar goede oplossingen worden gezocht. In de periode naar 2013 zal in overleg met alle partijen voorbereidingen worden getroffen voor de daadwerkelijke invoering van de marktwerking voor het educatieonderdeel in het p-budget.

• Verminderen laaggeletterdheid

In Nederland hebben ongeveer 1,5 miljoen mensen moeite met lezen, schrijven of rekenen. Tot en met 2010 is per jaar € 4,0 miljoen beschikbaar om het «Aanvalsplan Laaggeletterdheid 2006–2010 Van A tot Z betrokken» (Tweede Kamer, vergaderjaar 2005–2006, 30 300 VIII, nr. 142) uit te voeren. Op basis van dit aanvalsplan worden er door de uitvoerende organisaties CINOP, Stichting Lezen en Schrijven en Expertisecentrum ETV.nl verschillende initiatieven ontplooid om de laaggeletterdheid een halt toe te roepen. 2010 is het laatste jaar van het aanvalsplan en dan wordt ook bekeken of de benoemde mijlpalen voor laaggeletterdheid ook daadwerkelijk behaald zijn. De vijfde mijlpaal (verhoging van het aantal deelnemers aan alfabetiseringscursussen tot rond de 12 500) is met 12 048 deelnemers in 2008 al bijna behaald.

• Uitbreiden schoolmaatschappelijk werk

In september 2008 is bij de algemene politieke beschouwingen als antwoord op de motie van Hamer, Slob en Van Geel (Tweede Kamer, vergaderjaar 2008–2009, 31 700, nr. 15) meerjarig € 15 miljoen beschikbaar gekomen voor mbo instellingen voor het tegengaan van voortijdig schoolverlaten door het schoolmaatschappelijk werk uit te breiden. Het schoolmaatschappelijk werk is gericht op het tijdig en adequaat verlenen van hulp aan leerlingen met problemen. Het gaat om leerlingen die onderwijs volgen op de niveaus één en twee van het mbo en niet in het bezit zijn van een diploma, of een diploma hebben onder het niveau vmbo gemengde leerweg. Met deze bijdrage krijgen de mbo instellingen de mogelijkheid en de plicht de hulpverlening aan deze leerlingen verder uit te bouwen.

• Bevorderen leren en werken

Scholing en EVC (ErVaringsCertificaten) zijn belangrijke middelen om de inzetbaarheid van mensen te vergroten en de overgang van de ene naar de andere baan te vereenvoudigen. Hierdoor wordt voorkomen dat mensen (langdurig) werkloos worden en de aansluiting op de arbeidsmarkt verliezen. Het belang van scholing neemt in deze periode van economische crisis toe. Daarom is het uitermate belangrijk dat regionale partijen samen alles in het werk stellen om scholing en EVC te stimuleren.

Acties rondom leren en werken worden uitgevoerd conform het plan van aanpak 2008–2011: Doorpakken met Leren & Werken (Tweede Kamer, vergaderjaar 2007–2008, 30 012VIII, nr. 10) en moeten leiden tot 90 000 leerwerktrajecten (duaal en EVC) in 2011, waaronder 20 000 trajecten voor werkende jongeren zonder startkwalificatie en 30 000 trajecten voor werkzoekenden en met werkloosheid bedreigden. De trajecten voor deze doelgroepen worden door de samenwerkingsverbanden leren en werken en de regionale leerwerkloketten gerealiseerd met behulp van de «Tijdelijke stimuleringsregeling leren en werken voor werkende jongeren zonder startkwalificatie, werkzoekenden en met werkloosheid bedreigden», die begin 2009 is gepubliceerd. Daarnaast is in de begroting van het ministerie van SZW geld opgenomen voor omscholing van werknemers bij dreigende werkloosheid en Ervaringscertificaten bij dreigend ontslag. Op die manier kan werkloosheid worden voorkomen en worden werknemers van werk naar werk geleid.

In 2010 wordt de publiciteitscampagne rond het Ervaringscertificaat voortgezet om individuen te activeren en om te kijken of een Ervaringscertificaat een interessante optie is.

Meetbare gegevens bij de algemene doelstelling

Tabel 4.7 Indicatoren
IndicatorBasiswaardeVoorlaatste waardeLaatste waardeStreefwaarde
1. Aantal nieuwe leerwerktrajecten (duaal + EVC)11 57544 16229 86590 000
Bron: monitoring door CINOP2006200720082008–2011
2. Deelnameaan leeractiviteiten door 25–64 jarigen15,5%16,6%17,0%20%
Bron: Eurostat2000200720082010
3. Het percentage deelnemers dat tevreden is over de begeleiding bij de studie38%39%44%65%
Bron: ODIN2005 (ODIN 3)2007 (ODIN 4)2009 (ODIN 5)2011
4. Dekkingsgraad zorg- en adviesteams42%75%82%100%
Bron: Nederlands Jeugdinstituut2003200720082011

Toelichting:

1. In de periode 2005–2007 zijn 44 162 extra leerwerktrajecten (duaal en EVC) gerealiseerd. Met de verlenging van de projectdirectie Leren en Werken tot 2011 is voor de periode 2008–2011 een nieuwe streefwaarde bepaald. In de periode 2008 tot en met 2011 moeten 90 000 extra leerwerktrajecten gerealiseerd worden. Het startmoment voor deze nieuwe ambitie is 2008. In dat jaar zijn 29 865 trajecten gerealiseerd.

4. Dit percentage betekent dat van alle roc’s er 82% minimaal één zorgadviesteam heeft.

4.3.4. Er vallen minder leerlingen gedurende hun schoolloopbaan voortijdig uit het onderwijs

Motivering

Uit oogpunt van maatschappelijke cohesie en economische ontwikkeling is het van belang dat zoveel mogelijk jongeren minimaal een startkwalificatie halen. De nationale doelstelling is halvering van het jaarlijks aantal nieuwe voortijdig schoolverlaters in 2012 ten opzichte van 2002. Een voortijdig schoolverlater is een jongere van 12 tot 23 jaar die langer dan vier weken geen onderwijs volgt en nog geen startkwalificatie heeft. Een startkwalificatie is een vwo-, havo-, of mbo-diploma op niveau 2. In de uitvoeringsbrief «Aanval op de schooluitval: een kwestie van uitvoeren en doorzetten» (Tweede Kamer, vergaderjaar 2007–2008, 26 695, nr. 42) staat op welke wijze voortijdig schoolverlaten (vsv) wordt aangepakt. De uitval van jongeren kent verschillende oorzaken waardoor een brede benadering noodzakelijk is. Daarom plaatst het kabinet de aanpak van voortijdig schoolverlaten in een breder kader: de pijler «sociale samenhang». Binnen deze geïntegreerde aanpak is OCW verantwoordelijk voor het voorkomen van voortijdig schoolverlaten door met name kwalitatief goed onderwijs te bieden en door zich in te zetten voor jongeren die een extra steuntje in de rug nodig hebben. De eerste resultaten en de stand van zaken zijn bij brief van 11 februari 2009 (Tweede Kamer, vergaderjaar 2008–2009, 26 695, nr. 61) aan de Kamer gemeld.

Instrumenten

• Meerjarige convenanten

De afspraken op basis van de meerjarige convenanten die in 2008 zijn afgesloten met scholen en gemeenten in de 39 RMC-regio’s (Regionale meld- en coördinatiefunctie vsv), lopen in 2010 door. Om de halvering in 2012 te realiseren is in de schooljaren 2007/2008 tot en met 2010/2011 een reductie nodig van in totaal 40% nieuwe vsv’ers ten opzichte van het aantal vsv’ers in het schooljaar 2005/2006. Dit betekent dat de uitval jaarlijks cumulatief met 10% moet verminderen; 10% in schooljaar 2007/2008 oplopend naar 40% reductie in 2010/2011 (in cijfers zichtbaar in 2012). De doelstelling voor het schooljaar 2009/2010 is een vermindering van 30%, ten opzichte van het aantal in schooljaar 2005/2006 (in cijfers zichtbaar in 2011). De middelen voor de convenanten worden uitbetaald afhankelijk van de daadwerkelijke reductie van het aantal nieuwe vsv’ers ten opzichte van het peiljaar 2005/2006.

• Specifieke programma’s voor de regio’s

In 2010 kunnen de onderwijsinstellingen in samenwerking met de RMC-contactgemeente opnieuw een aanvraag indienen voor middelen om in te zetten voor specifieke programma’s in de regio’s. Deze programma’s moeten gericht zijn op het structureel voorkomen van voortijdig schoolverlaten in het onderwijsproces van de onderwijsinstellingen. De maatregelen kunnen worden gekozen uit een menulijst die is op genomen bij de uitvoeringsregeling schooluitval. In de G4 gaan de vsv-middelen voor de specifieke programma’s naar de gemeenten.

• Experimenten vmbo-mbo

De overgang van vmbo naar mbo is een bekend struikelblok in de schoolloopbaan en een belangrijke factor bij schooluitval. Op 10 juni 2009 heeft het kabinet in een brief aan de Tweede Kamer aangegeven een aantal maatregelen te nemen om de doorstroom van vmbo naar mbo te verbeteren. Een belangrijke maatregel is het afschaffen van de maximale verblijfsduur voor leerlingen in het vmbo (zie artikel 3 Voortgezet onderwijs, paragraaf 3.3.3). Daarnaast is het kabinet gestart met experimenten overgang vmbo-mbo (VM2). In VM2 wordt de bovenbouw van de basisberoepsgerichte leerweg van het vmbo samengevoegd met een mbo-opleiding op niveau 2, met als doel het voortijdig schoolverlaten binnen deze doelgroep te reduceren. In 2008 is gestart met een eerste cohort van in totaal 36 projecten (verbonden aan circa 20 vmbo-scholen en mbo-instellingen) en ruim 1 000 leerlingen. In het tweede cohort komen hier ongeveer 170 projecten met zo’n 3 000 leerlingen bij. In 2009 tot en met 2013 wordt de ontwikkeling van de VM2-experimenten gevolgd via een monitor. In de monitor gaat het om zaken als: welk programma biedt de school aan, om wat voor leerlingen gaat het en behalen zij uiteindelijk de niveau 2 kwalificatie?

• Verbetering melding relatief verzuim door scholen

Binnen de preventieve aanpak is er bijzondere aandacht voor de bestrijding van relatief verzuim. Dit verzuim is in veel gevallen een voorbode van uitval. In 2009 zijn alle bekostigde onderwijsinstellingen in het voortgezet onderwijs en middelbaar beroepsonderwijs en alle gemeenten aangesloten op het digitale verzuimloket. Het digitale loket biedt één adres voor alle meldingen van verzuim van alle scholen en het loket biedt een uniforme meldprocedure voor alle scholen en gemeenten. Door het digitale loket is het mogelijk om over het verzuim per school, gemeente en RMC-regio beleidsinformatie te genereren, en gemeenten en scholen te rapporteren en te informeren over het verzuim in de afgelopen periode (maand).

• Curatieve maatregelen

Als jongeren toch uitvallen, zijn er andere inspanningen nodig om ze alsnog op te leiden tot een startkwalificatie. Hiervoor zet het kabinet in op samenwerking tussen het onderwijsveld, gemeenten, werkgevers en (jeugd)zorg. De ambitie is om in deze kabinetsperiode 20 000 werkende jongeren alsnog aan een startkwalificatie te helpen door middel van EVC- en/of duale trajecten. Deze ambitie is onderdeel van de ambitie om in de periode 2008–2011 in totaal 90 000 EVC en/of duale trajecten te realiseren. Met de economische recessie is de verwachting dat de groenpluk (jongeren gaan werken en maken hun opleiding niet af) afneemt. Volgens het CBS hebben schoolverlaters zonder een startkwalificatie bijna twee keer zo vaak geen baan (35%) als jongeren die wel een startkwalificatie hebben (19%). Als de werkgelegenheid weer afneemt, zoals nu het geval is, of als de jongeren ouder en dus duurder worden, lopen de jongeren die nu zonder startkwalificatie aan het werk zijn gegaan het grootste risico om werkloos te worden. Met werkgevers worden afspraken gemaakt om jongeren die nu op straat komen te staan extra te scholen. Zo wordt hun positie op de arbeidsmarkt duurzaam verbeterd.

• WRR: overbelaste jongeren

Het kabinet wil verder de kansen voor overbelaste jongeren vergroten. Dit zijn leerlingen die gebukt gaan onder een opeenstapeling van problemen, variërend van beperkte vaardigheden en gedragsproblemen tot gebroken gezinnen, schulden, verslaving of criminaliteit in de directe omgeving. De WRR adviseert het kabinet overbelaste jongeren meer structuur en verbondenheid te geven. De regering heeft er daarom voor gekozen «plusvoorzieningen» te gebruiken. Scholen kunnen zich omvormen tot «plusvoorziening». Dit is geen nieuw schooltype maar een uitbreiding van het aanbod op bestaande (v)mbo-scholen. Het gaat om een totaalpakket van onderwijs en ondersteuning dat nodig is om de jongeren met behulp van structuur en verbondenheid naar een plek in de samenleving te begeleiden. Gemeenten hebben op bijna alle relevante terreinen belangrijke bevoegdheden en worden daarom verantwoordelijk voor de organisatie van de ondersteuning aan overbelaste jongeren. Het Rijk heeft hierbij een faciliterende rol. Er komt zowel in 2009 als in 2010 € 30 miljoen per jaar beschikbaar om de vorming van plusvoorzieningen tijdelijk te stimuleren. De helft van deze middelen staan op de begroting van het programmaministerie voor Jeugd en Gezin.

• Monitoring en evaluatie

Het kabinet heeft een concrete doelstelling geformuleerd voor schooluitval. Om goed te kunnen volgen of het project op koers ligt, dan wel moet worden bijgesteld, is naast het instrument van de jaarlijkse analyse van de uitvalcijfers een apart evaluatie- en monitoringdesign opgezet. Het TIER (Top Institute for Evidence Based Education Research, waarin ook CPB vertegenwoordigd is) is in 2009 betrokken bij de opzet van een effectevaluatie van de nieuwe convenanten. Deze evaluatie bevat naast kwantitatieve, ook kwalitatieve informatie over de resultaten van de convenanten.

Meetbare gegevens bij de algemene doelstelling

Tabel 4.8 Indicatoren
IndicatorBasiswaardeVoorlaatste waardeLaatste waardeStreefwaarde
1. Het aantal nieuwe vsv’ers per kalenderjaar (nationale indicator)71 00052 70048 80035 000
Bron:Tweede Kamer, vergaderjaar 2007–2008, 26 695, nr. 442002200720082012
2. Aantal herplaatste voortijdig schoolverlaters (inclusief oude voortijdig schoolverlaters)20 00039 54533 800 
Bron: RMC-analyse 2007; Research voor Beleid200220072008 

Toelichting:

1. Het aantal van 48 800 is het voorlopig cijfer over het schooljaar 2007/2008. Het definitieve cijfer wordt in oktober 2009 verwacht.

4.4 Overzicht onderzoek naar de doelmatigheid en de doeltreffendheid van beleid

Tabel 4.9 Overzicht onderzoek naar de doelmatigheid en de doeltreffendheid van beleid
 Onderzoek OnderwerpAD of ODA. StartB. AfgerondVindplaats
BeleidsdoorlichtingBeleidsdoorlichting toerusting stelselOD 1A: 2014B: 2014Auditdienst OCW
 Beleidsdoorlichting innovatieregelingen BVEOD 2A: 2011B: 2012Auditdienst OCW
 Beleidsdoorlichting Leren & WerkenOD 3A: 2010B: 2011Auditdienst OCW
 Beleidsdoorlichting VSV-beleidOD 4A: 2011B: 2012Auditdienst OCW
Effectenonderzoek ex postOnderzoek effectiviteit experimenten maatwerktrajectenOD 4A: 2008B: 2010CPB
 Onderzoek effectiviteit experimenten vmbo-mboOD 4A: 2008B: 2010Ecbo
 Monitor experimenten Associate Degree op MBO-locatieOD 2A:2010B: –SEO
 Analyse effectrapportage RMCOD 4jaarlijksKBA
Overig evaluatieonderzoek1Project Onderwijs-Arbeidsmarkt 2006 (POA)ADJaarlijks in juliROA
 Registratie en bestemming uitstroomschoolverlaters (SIS)OD 4Jaarlijks in septemberROA
 Evaluatie en monitoringVSV-beleid en convenantenOD 4A: juni 2008B: 2010TIER
 Monitor Sociale VeiligheidADJaarlijksEcbo
 Arbeidsmarktbarometer leraren bveADJaarlijksRegioplan
 MonitoralfabetiseringOD 3Jaarlijks in het voorjaarCinop
 Monitor leerling-gebonden financieringOD 3A: 1 november 2006B: 15 november 2009RISBO
 Monitor competentiegericht beroepsonderwijsOD 1A: 2008B: 2009Ecbo
 ODIN-6ADTweejaarlijksB: 2010Research Ned
 DeelnemersmonitorADTweejaarlijksB: 2011Research Ned
 Tijdsbesteding voltijds BOL en BBLOD 1A: 2009B: 2009ITS
 Evaluatie les- en examenmateriaal BVE-instellingenOD 2A: 2009B: 2009SCO Kohnstamm Instituut
 Onderzoek regionale agendaOD 2A: 2008B: 2009ROA
 Onderzoek indicatoren bedrijfslevenOD 1A: 2009B: 2009KBA
 Audit HECOD 1A: 2009B: –Expertisecentrum Bekostiging
 Onderzoek implementatie EQFOD 1A: 2009B: 2010CINOP
 Ontwikkeling/monitoringtoetsen taal en rekenenOD 2Jaarlijks in de zomerCITO
 Fes onderzoek «beroepsonderwijsin bedrijf»OD 2A: 2010B: 2011 

1 Wat onder overig evaluatieonderzoek staat is niet in alle gevallen evaluatieonderzoek

Toelichting:

Voor de beleidsdoorlichtingen zal zoveel mogelijk gebruik worden gemaakt van (deel)onderzoeken naar de doelmatigheid en de doeltreffendheid van beleid. Bij de beleidsdoorlichting van het vsv beleid zullen met name de evaluatie en de monitoring van het vsv beleid en de convenanten, het onderzoek naar de effectiviteit van de experimenten en de maatwerktrajecten, en het onderzoek naar de effectiviteit van de experimenten vmbo-mbo worden betrokken.

Bij de beleidsdoorlichting van de innovatieregelingen van bve zal vooral gebruikt gemaakt worden van de monitor innovatiebox en stagebox op basis van de jaarverslagen van mbo instellingen, en van het evaluatieonderzoek naar de regelingen stagebox en innovatiebox.

De beleidsdoorlichting Leren & Werken wordt onder andere gebaseerd op de monitor van leerwerktrajecten (duaal en EVC) door het ECBO. Dit is een halfjaarlijkse kwantitatieve monitor en een jaarlijkse kwalitatieve monitor.

ARTIKEL 5. TECHNOCENTRA

5.1 Algemene doelstelling: het ondersteunen van technocentra om de kennisinfrastructuur in de regio te versterken. De aansluiting tussen het technisch beroepsonderwijs en het bedrijfsleven wordt hierdoor verbeterd.

Omschrijving

Technocentra zijn intermediaire organisaties, opgericht om knelpunten op de regionale arbeidsmarkt voor technische beroepen aan te pakken. De technocentra richten zich op het bemiddelen tussen onderwijsinstellingen en bedrijven. De activiteiten zijn gericht op het ondersteunen en stimuleren van uitdagingen en het oplossen van regionale knelpunten. Het uitgangspunt van het «deltaplan bèta/techniek» is een integrale aanpak van de tekorten aan bèta’s en technici. De technocentra leveren hier ook een bijdrage aan. Op deze manier wordt bijgedragen aan de in Europees verband onderschreven doelstelling van 15% meer uitstroom van gediplomeerden uit hogere bèta-en technische opleidingen in 2010.

Verantwoordelijkheid van de minister

De minister houdt toezicht op een rechtmatige en doelmatige verstrekking en besteding van geld.

Externe factoren

Conjuncturele ontwikkelingen in de technische sector.

5.2 Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 5.1 Budgettaire gevolgen van beleid artikel 5 (x € 1 000)
 2008200920102011201220132014
Verplichtingen8 98810 3649 998    
Waarvan garantieverplichtingen       
Totale uitgaven (programma + apparaat)8 98810 2029 998    
        
Programma-uitgaven8 98810 2029 998    
• Basissubsidie7 0007 0007 000    
• Speerpuntsubsidie1 6882 9022 698    
• Overig300300300    
Ontvangsten9 0179 7969 632    
Tabel 5.2 Budget flexibiliteit per operationele doelstelling (x € 1 000)
 20102011201220132014
Programma-uitgaven (totaal operationele doelstellingen)9 998    
Totaal juridisch verplicht9 998    
Totaal bestuurlijk gebonden0    
Totaal niet-juridisch verplicht of bestuurlijk gebonden0    

5.3 Doelstellingen Kaderregeling

Motivering

De Kaderregeling Technocentra is voor de jaren 2006 tot en met 2010 (Staatsblad 2006, nr. 50) vastgesteld met het doel de kennisinfrastructuur in de regio te verbeteren en te vernieuwen, en de aansluiting tussen beroepsonderwijs en bedrijfsleven in de technische sector te verbeteren. Van deze oorspronkelijke doelstelling zijn de volgende drie subdoelen afgeleid:

a) het bevorderen van de circulatie en toepassing van kennis tussen instellingen, tussen instellingen en ondernemingen of tussen instellingen, ondernemingen en derden;

b) een gezamenlijke benutting door verschillende instellingen van hoogwaardige en moderne apparatuur voor technisch beroepsonderwijs;

c) het bevorderen van een goede aansluiting van technisch beroepsonderwijs op de opleidingsbehoeften van de arbeidsmarkt.

Om deze doelstellingen te realiseren, moeten de technocentra zich richten op de knelpunten die zij in de desbetreffende regio’s signaleren. In het verlengde hiervan dienen de activiteiten van de technocentra specifiek gericht te zijn op de aanpak van de tekorten aan bèta’s en technici. Aan het einde van de subsidieperiode (eind 2010) moeten de resultaten van de tijdelijke investeringsimpuls geheel zijn verankerd binnen de regionale partijen in de samenwerkingsverbanden. Verder moeten de technocentra in dit begrotingsjaar uitsluitsel geven over de vraag of zij wel of niet als vraaggestuurde en zelffinancierende organisatie verder gaan, of dat zij ophouden te bestaan. Het staat elk technocentrum vrij een keuze te maken.

Instrumenten

In de Kaderregeling is vastgelegd dat de 14 technocentra een basissubsidie kunnen ontvangen nadat zij daartoe een aanvraag hebben ingediend. De aanvraag moet voldoen aan één van de drie subdoelstellingen zoals hierboven genoemd. Verder moet de aanvraag voor de basissubsidie vergezeld zijn van een activiteitenplan, een regioanalyse en een begroting. De activiteitenplannen dienen SMART geformuleerd te zijn. Naast de basissubsidie kan een technocentrum een speerpuntsubsidie aanvragen. Deze wordt verleend op voorwaarde dat aan een technocentrum een basissubsidie is verleend voor 2010 én het project moet bijdragen aan de realisatie van één van de drie genoemde subdoelstellingen. Een andere voorwaarde is dat het desbetreffende project eindigt uiterlijk 31 december 2010. Voor de jaren 2007 tot en met 2010 adviseert het bestuur van het Platform Bèta Techniek de minister over de te kiezen inhoudelijke thema’s voor de speerpuntsubsidie voor deze jaren. De minister stelt de thema’s voor de betreffende jaren vast. Op dit moment is nog niet bekend wat de thema’s zullen zijn voor 2010. Het Platform Bèta Techniek streeft ernaar om uiterlijk 1 oktober 2009 hierover uitsluitsel te geven.

Meetbare gegevens

De kracht van de technocentra is hun regionale inbedding en netwerk. De technocentra creëren draagvlak voor hun activiteiten door het vormen van samenwerkingsverbanden waarin onderwijs en bedrijfsleven betrokken zijn. Om meer en beter inzicht te krijgen in de effecten van de activiteiten, hebben de technocentra een nieuw model van verslaglegging ontwikkeld. Het streven is om de 14 technocentra in de verslaglegging van 2008, dit nieuwe meetinstrument te laten gebruiken zodat het informatiegehalte van de effectmeting wordt verhoogd. Deze verslaglegging wordt eind december 2009 verwacht. Verder zal bij de beoordeling van de activiteitenplannen voor 2010, tevens aandacht zijn voor de mate waarin de operationele doelen SMART zijn geformuleerd. Dit vergemakkelijkt een scherpe analyse en evaluatie.

ARTIKELEN 6 EN 7. HOGER ONDERWIJS

6.1 Algemene doelstelling: het stelsel van hoger onderwijs en onderzoek zorgt dat studenten en (wetenschappelijk) personeel hun talenten en onderzoekend vermogen maximaal kunnen ontwikkelen. Het leidt hen op voor een positie op de nationale en internationale arbeidsmarkt en voor een rol in de intellectuele voorhoede van onze samenleving.

Omschrijving

Om internationaal te concurreren en maatschappelijke problemen aan te pakken, zijn een goed opgeleide bevolking, ondernemende geesten en hoogwaardige diensten en producten van doorslaggevend belang. De Nederlandse samenleving is in belangrijke mate afhankelijk van kennis, technologie en innovatie. Nederland moet daarom zijn kennis- en innovatiepotentieel optimaal organiseren en benutten.

Onderwijs en wetenschap zijn meer dan aanjagers van de kenniseconomie. Het gaat niet alleen om geld, het gaat ook om zaken als inzicht in de eigen identiteit, historische achtergronden, natuur en milieu, sociale verhoudingen, cultuur en kunst, kortom de bepalende factoren voor de kwaliteit van het leven. Het stelsel van hoger onderwijs en onderzoek speelt daarbij een belangrijke rol. Het hoger onderwijs moet daarom studenten motiveren om tijdens hun studie het beste uit zichzelf te halen, zodat zij zich optimaal ontplooien en zich breed kunnen oriënteren.

Het kabinetsbeleid is er op gericht een ambitieuze studiecultuur in het hoger onderwijs te creëren. De basiskwaliteit moet omhoog, excellentie moet meer bevorderd worden en het studiesucces verbeterd. Dat laatste betekent onder andere dat minder studenten uit mogen vallen. Om deze doelen te bereiken heeft OCW een aantal maatregelen genomen die verder worden toegelicht bij de operationele doelstellingen.

De strategische agenda voor het hoger onderwijs-, onderzoek- en wetenschapsbeleid geeft de strategische doelen aan voor de komende jaren (Tweede Kamer, vergaderjaar 2007–2008, 31 288, nr.1). Deze zijn nader ingevuld in de meerjarenafspraken die gemaakt zijn met de koepels in het hbo en wo (Tweede Kamer, vergaderjaar 2007–2008, 31 288, nr. 31 enTweede Kamer, vergaderjaar 2007–2008, 31 288, nr. 33).

Over de voortgang van de afspraken doet OCW jaarlijks verslag in Kennis in Kaart (Tweede Kamer, vergaderjaar 2008–2009, bijlage bij kamerstuk, 31 288, nr. 49). Om een zo objectief mogelijk inzicht te krijgen in de inspanningen van de universiteiten en hogescholen om aan de ambities bij te dragen, is de Inspectie van het Onderwijs gevraagd om in 2010 een (steekproefsgewijs) evaluatieonderzoek te doen.

De budgettaire problematiek voor de rijksoverheid is groot als gevolg van de economische crisis. In het aanvullend beleidsakkoord zijn de ombuigingen opgenomen die moeten bijdragen aan herstel van de overheidsfinanciën op de lange termijn («de problematiek overheidsfinanciën»).

Ook het hoger onderwijs kon niet uitgezonderd worden van bezuinigingen. In de maatregelen die het kabinet heeft getroffen voor het hoger onderwijs is er voor gekozen om de primaire processen van de instellingen zoveel mogelijk te ontzien. Zo is de compensatie voor prijsstijging en de compensatie voor de loonontwikkeling ongekort uitgekeerd. Ook is de ontwikkeling van de studentenaantallen gecompenseerd. Er is voor gekozen om zoveel mogelijk toekomstige middelen, waarvoor dus nog geen verplichtingen door de ho-instellingen zijn aangegaan, in de bezuinigingen te betrekken. Onder meer is een deel van de oploop 2010 en 2011 van enkele enveloppemiddelen ingezet. Niet zijn ingezet de enveloppemiddelen die betrekking hebben op de meerjarenafspraken (studiesucces en kwaliteit van de bachelorfase).

De ombuigingen op artikel 6 (Hoger beroepsonderwijs) en artikel 7 (Wetenschappelijk onderwijs) voor de periode tot en met 2014 zijn nader toegelicht in het beleidsartikel en in de verdiepingsbijlage van deze begroting. Deze ombuigingen hebben een structureel karakter. Voor een sluitende dekking van de «problematiek overheidsfinanciën» na 2014 zijn aanvullend nog de volgende maatregelen getroffen:

– Vanaf 2015 vindt een verdere uitbreiding plaats van de maatregel waarbij de bijdrage aan het hoger onderwijs voor studenten uit de niet-Europese Economische Ruimte (exclusief studenten uit ontwikkelingslanden) wordt versoberd. De ombuiging loopt op naar € 21,8 miljoen vanaf 2015 (zie ook paragraaf 6.3.2).

– Vanaf 2015 wordt een efficiencykorting toegepast bij de hogescholen en universiteiten. Deze ombuiging bedraagt in totaal € 5,8 miljoen per jaar voor de jaren 2015 tot en met 2018 en loopt op naar € 21,3 miljoen vanaf 2019.

Verantwoordelijkheid van de minister

De minister is verantwoordelijk voor een onderwijsstelsel dat zodanig functioneert dat het onderwijs maximaal aansluit bij de talenten en ambities van individuele studenten én bij de behoefte van de maatschappij. In het bijzonder is hij verantwoordelijk voor de toegankelijkheid van het onderwijs, de rechtmatige en doelmatige besteding van het geld voor het hoger onderwijs en onderzoek, en voor kwaliteitsgarantie. De middelen die hij hiervoor tot zijn beschikking heeft, zijn wet- en regelgeving, bekostiging, subsidies, toezicht en dialoog met belanghebbenden. De minister ondersteunt deze belanghebbenden op een manier die hen in staat stelt maximaal bij te dragen aan goed onderwijs en onderzoek. Hij doet dat door wetten en regels uit te vaardigen voor goed bestuur.

Externe factoren

De inzet van studenten, docenten, onderzoekers, bestuurders, toezichthouders, brancheorganisaties, maatschappelijke en internationale organisaties, andere overheden en bedrijven (stages en aansluiting arbeidsmarkt) bepaalt mede de kwaliteit van het onderwijs en onderzoek. De minister is daarom mede afhankelijk van de inzet, capaciteiten en faciliteiten van deze partijen. Factoren die de minister slechts beperkt kan beïnvloeden, maar waarvan het succes van het beleid wel afhankelijk is, zijn: ontwikkelingen op de (internationale) arbeidsmarkt, demografische ontwikkelingen, conjuncturele ontwikkelingen waaronder de wereldwijde economische crisis.

Meetbare gegevens bij de algemene doelstelling

Tabel 6.1 Indicatoren
 Basiswaarde 2003Laatste waarde 2008Streefwaarde 2020
1. Percentage hoger opgeleiden in de leeftijdsgroep 25–44 jarigen van de beroepsbevolking31,5%136,8%46,0%
Bron: CBS (EBB)   

1 Door een nieuwe weegmethode van de EBB wijkt dit percentage iets af van eerder gepubliceerde waarden.

Toelichting:

Meer mensen moeten hoger opgeleid worden. Het streven van het kabinet is dat op afzienbare termijn (in 2020) bijna de helft van de Nederlandse beroepsbevolking tussen de 25 en 44 jaar hoger opgeleid is. Daarom staan we voor de uitdaging om meer studenten aan te trekken en ervoor te zorgen dat zij afstuderen. OCW probeert dit voornamelijk door verbetering van rendement (minder uitval en betere studiekeuze) te bereiken.

In de zomer van 2009 wijzen de eerste gegevens over de nieuwe inschrijvingen voor het hoger beroepsonderwijs en wetenschappelijk onderwijs op een aanzienlijke stijging van 1e jaars studenten ten opzichte van eerdere ramingen. Dit is gezien de wenselijkheid van een goed opgeleide bevolking en de doelstelling om circa 50% hoger opgeleiden te hebben in 2020 een verheugende ontwikkeling. De investeringen van de ho-instellingen en dit kabinet in meer studiesucces en kwaliteit gaan hun vruchten afwerpen. In deze tijd van economische recessie heeft deze ontwikkeling ook een dempend effect op (de toename van) de werkloosheid.

Een aanzienlijke stijging van 1e jaarsstudenten vormt een uitdaging voor hbo-instellingen en universiteiten. Er moet voldoende huisvesting en onderwijscapaciteit zijn en de kwaliteit van de opleidingen moet goed blijven.

Conform de gebruikelijke systematiek (waarbij universiteiten en hogescholen meer geld krijgen naarmate er meer studenten komen) vindt in het voorjaar – aan de hand van definitieve gegevens per 1 oktober over het aantal inschrijvingen – hierover nadere besluitvorming plaats.

Tabel 6.2 Kengetallen
 2005200620072008
1. Percentage afgestudeerden met een eerste baan op tenminste hbo- respectievelijk wo-niveau    
  • Hbo78%82%85%85%
  • Wo61%65%64%67%
Bron: Hbo en Wo-monitor    
2. Percentage afgestudeerden dat anderhalf jaar na afstuderen in het buitenland werkt    
  • Hbo3%3%3%2%
  • Wo4%5%– 15%
Bron: Hbo en Wo-monitor    
3. Percentage werkenden dat aangeeft dat opleiding voldoende basis was om te starten op arbeidsmarkt    
  • Hbo48%53%59%62%
  • Wo52%57%60%63%
Bron: Hbo en Wo-monitor    

1 Er is voor het wo voor 2007 geen landelijk cijfer beschikbaar omdat een aantal universiteiten dit onderwerp niet in hun vragenlijst had opgenomen.

Toelichting:

De kengetallen maken zichtbaar of de student optimaal is voorbereid op deelname aan de samenleving en een positie op de nationale en internationale arbeidsmarkt. Bij deze reeksen worden geen streefwaarden geformuleerd omdat deze te sterk samenhangen met de conjunctuurontwikkeling. De verwachting is dat het aantal afgestudeerden dat in het buitenland werkt, stijgt door het stimuleren van internationale mobiliteit onder studenten.

6.2 Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 6.3 Budgettaire gevolgen van beleid artikel 6 (x € 1 000)
 2008200920102011201220132014
Verplichtingen2 377 4982 503 8822 426 7752 420 3882 431 0512 440 9192 441 358
Waarvan garantieverplichtingen       
Totale uitgaven2 158 9442 322 3192 397 5382 403 6222 415 6872 431 0502 441 358
        
Programma-uitgaven2 153 8632 316 2532 391 7122 398 4412 410 5072 425 8702 436 178
        
Studenten volgen onderwijs, en (wetenschappelijk) personeel doet onderzoek, in voldoende toegeruste instellingen voor hoger onderwijs2 044 6342 184 9732 219 6382 257 6092 269 3832 284 7382 294 590
• Reguliere bekostiging(lumpsum)12 044 6342 184 9732 219 6382 257 6092 269 3832 284 7382 294 590
        
Binnen- en buitenlandse studenten volgen hoger onderwijs, en (wetenschappelijk) personeel doet onderzoek, van hoge en excellente kwaliteit6 8485 4785 4745 4765 4815 4815 481
• Kwaliteitsverbetering docenten (lumpsum)6 8485 4785 4745 4765 4815 4815 481
• Excellentie in onderwijs: binnen- en buitenlands talent2  00000
        
Studenten volgen zonder drempels het hoger onderwijs dat het beste past bij hun talenten en specifieke behoeften, en worden gestimuleerd om hun opleiding succesvol af te ronden14 72532 16350 16455 19055 24155 26055 269
• Minder uitval en kwaliteitsimpuls(lumpsum)6 72620 89834 86734 89634 93834 95634 965
• Verhogen studierendement Nederlandse studenten met een niet- westerse achtergrond (lumpsum)5 6008 76512 79712 79412 80312 80412 804
• Studiekeuze-informatie voor het hoger onderwijs2 2992 4002 4002 4002 4002 4002 400
• Erkenning van verworven competenties0005 0005 0005 0005 000
• Emancipatie100100100100100100100
        
De samenleving (bedrijven en maatschappelijke organisaties) benut optimaal de kennis van het hoger onderwijs en onderzoek en vice versa73 54478 854102 05066 59166 83166 84166 849
• Praktijkgericht onderzoek (RAAK)11 30013 10016 30016 30019 30019 30019 300
• Praktijkgericht onderzoek (lectoren en kenniskringen) (lumpsum)3 1 2547 8237 82812 55012 55712 565
• Ondernemerschap  7 5007 500   
• Nieuwe hbo-masteropleidingen5 044010 45210 46310 48110 48410 484
• Deltaplan bèta/techniek450 00058 50055 50024 50024 50024 50024 500
• FES: Investeringsagenda bèta en techniek hoger onderwijs7 2006 0004 475    
        
Programmakosten-overig514 11214 78514 38613 57513 57113 55013 989
• Uitvoeringsorganisatie DUO14 11214 78514 38613 57513 57113 55013 989
        
Apparaatsuitgaven Hoger Onderwijs en Studiefinanciering65 0816 0665 8265 1815 1805 1805 180
Ontvangsten9 5809 3504 49217171717

1 In de middelen voor «Reguliere bekostiging» zijn ook enkele posten voor overige uitgaven verwerkt.

2 De middelen voor «Excellentie in onderwijs» worden voor het gehele hoger onderwijs begroot op artikel 7. Voor de jaren 2010 tot en met 2014 zijn de middelen deels ingezet voor de uitbreiding van het Sirius Programma (zie artikel 7).

3 Naast deze extra middelen uit het coalitieakkoord is in de «Reguliere bekostiging» (lumpsum) voor lectoren en kenniskringen op jaarbasis een bedrag van € 56,9 miljoen opgenomen.

4 De middelen voor het Deltaplan bèta/techniek hebben voor 2010 betrekking op de gehele onderwijskolom. Vanaf 2011 zijn de middelen bestemd voor sectoren buiten het hoger onderwijs.

5 De middelen hebben betrekking op de sector hoger onderwijs.

6 In verband met de samenvoeging van de directies Hoger Onderwijs en Studiefinanciering zijn de apparaatsuitgaven van beide directies vanaf 2009 samengevoegd.

Coalitieakkoord en aanvullend beleidsakkoord

Vanuit de aanvullende post bij het Ministerie van Financiën is de oploop 2010 van de enveloppegelden uit het coalitieakkoord beschikbaar gesteld. Na verwerking van alle besluitvorming gaat het voor artikel 6 (Hoger beroepsonderwijs) om een bedrag van € 38,3 miljoen in 2010. Hiermee worden de volgende maatregelen voorzien:

• Excellentie in onderwijs: binnen- en buitenlands talent (deels ingezet t.b.v. uitbreiding Sirius Programma): € 2,7 miljoen (zie Operationele doelstelling 6.3.2);

• Minder uitval en kwaliteitsimpuls: € 14 miljoen (zie Operationele doelstelling 6.3.3);

• Nederlandse studenten met een niet-westerse achtergrond: € 4,3 miljoen (zie Operationele doelstelling 6.3.3);

• Praktijkgericht onderzoek (RAAK): € 3,8 miljoen (zie Operationele doelstelling 6.3.4);

• Praktijkgericht onderzoek (Lectoren en kenniskringen): € 6 miljoen (zie Operationele doelstelling 6.3.4);

• Ondernemerschap: € 7,5 miljoen (zie Operationele doelstelling 6.3.4).

Vanaf 2011 is de oploop nog op de aanvullende post bij het Ministerie van Financiën gereserveerd. De beleidsambities in deze begroting gaan er vanuit dat ook deze oploop beschikbaar komt.

Tabel 6.4 Budgettaire gevolgen van beleid artikel 7 (x € 1 000)
 2008200920102011201220132014
Verplichtingen3 784 9303 922 0743 890 9013 927 0683 961 9703 994 7103 987 012
Waarvan garantieverplichtingen       
Totale uitgaven3 676 6783 782 2783 809 0833 890 0933 925 7963 960 3943 987 012
        
Programma-uitgaven3 676 6783 782 2783 809 0833 890 0933 925 7963 960 3943 987 012
        
Studenten volgen onderwijs, en (wetenschappelijk) personeel doet onderzoek, in voldoende toegeruste instellingen voor hoger onderwijs3 636 4023 734 0863 740 4123 785 9503 825 3273 864 9833 900 851
• Reguliere bekostiging(lumpsum)3 627 9353 722 3803 714 8263 747 5703 786 9433 826 5873 862 455
• Geesteswetenschappen 2 12810 66010 66010 66010 66310 663
• Alfa/Gamma-onderzoek8 4679 57814 92627 72027 72427 73327 733
        
Binnen- en buitenlandse studenten volgen hoger onderwijs, en (wetenschappelijk) personeel doet onderzoek, van hoge en excellente kwaliteit26 69138 31947 26846 48742 87840 31433 065
• Kwaliteitsverbetering docenten (lumpsum)5 2365 4145 4145 4145 4145 4145 414
• Excellentie in onderwijs: binnen- en buitenlands talent (HSP)11 26811 38510 33110 33110 33110 33310 333
• Excellentie in onderwijs: binnen- en buitenlands talent: FES (Sirius Programma)15756 03410 32011 52210 7939 2271 529
• Excellentie in onderwijs: binnen- en buitenlands talent (Sirius Programma)1  4 0002 2001 7009002 200
• Excellentie in onderwijs: binnen- en buitenlands talent (kwaliteit en bekostiging)1  2 0001 8002 3003 1001 800
• Nederlandse Instituten in het Buitenland (NIB’s), Netherlands Education Support Offices (NESO’s), Beeldmerk6 2427 1166 8166 8167 1167 1167 565
• Internationaliserinsagenda 5 0005 5005 5002 2001 2001 200
• Noodfonds voor internationale hulpacties1 0001 0001 0001 0001 0001 0001 000
• Internationale samenwerking en beurzenprogramma’s2 3702 3701 8871 9042 0242 0242 024
        
Studenten volgen zonder drempels het hoger onderwijs dat het best past bij hun talenten en specifieke behoeften, en worden gestimuleerd om hun opleiding succesvol af te ronden3 5192 80715 33720 60020 60120 60520 604
• Minder uitval en kwaliteitsimpuls(lumpsum)1 4072 32215 33717 40317 404 17 40817 407 
• Verhogen studierendementNederlandse studenten met een niet-westerse achtergond (lumpsum)   3 1973 1973 1973 197
• Verhoging deelname studenten met een handicap2 112485     
        
De samenleving (bedrijven en maatschappelijke organisaties) benut optimaal de kennis van het hoger onderwijs en vice versa10 0667 0666 06637 05636 99034 49232 492
• 3TU’s samenwerking: FES10 0667 0666 0666 0666 0003 5001 500
• 3TU’s samenwerking   10 99010 99010 99210 992
• Sectorplan Natuur- en scheikunde   20 00020 00020 00020 000
Ontvangsten11 64513 11616 40217 60416 80912 7433 045

1 De middelen hebben betrekking op het gehele hoger onderwijs.

Coalitieakkoord en aanvullend beleidsakkoord

Vanuit de aanvullende post bij het Ministerie van Financiën is de oploop 2010 van de enveloppegelden uit het coalitieakkoord beschikbaar gesteld. Na verwerking van alle besluitvorming gaat het voor artikel 7 (Wetenschappelijk onderwijs) om een bedrag van € 14,8 miljoen in 2010. Hiermee worden de volgende maatregelen voorzien:

• Geesteswetenschappen: € 5,3 miljoen (zie Operationele doelstelling 6.3.1);

• Alfa/Gamma-onderzoek: € 1,1 miljoen (zie Operationele doelstelling 6.3.1);

• Excellentie in onderwijs: binnen- en buitenlands talent (deels ingezet t.b.v. uitbreiding Sirius Programma): € 1,5 miljoen (zie Operationele doelstelling 6.3.2);

• Minder uitval en kwaliteitsimpuls: € 6,9 miljoen (zie Operationele doelstelling 6.3.3);

• Nederlandse studenten met een niet-westerse achtergrond: € 3,2 miljoen vanaf 2011 (zie Operationele doelstelling 6.3.3);

• 3TU’s : € 5,7 miljoen vanaf 2011 (zie Operationele doelstelling 6.3.4).

Vanaf 2011 is de oploop nog op de aanvullende post bij het Ministerie van Financiën gereserveerd. De beleidsambities in deze begroting gaan er vanuit dat ook deze oploop beschikbaar komt.

Tabel 6.5 Middelen toerusting hoger onderwijs en onderzoek (x € 1 000)
 20102011201220132014
Hogescholen:2 276 6422 311 3912 328 2592 343 6392 353 509
Onderwijsdeel2 211 9242 246 6542 258 7512 274 1242 283 986
Deel ontwerp- en ontwikkeling (Raak en Lectoren en kenniskringen)64 71864 73769 50869 51569 523
      
Universiteiten:3 721 5513 757 7253 798 6263 832 4463 849 803
Onderwijsdeel1 502 7691 514 3461 526 8711 535 4661 547 297
Onderzoekdeel1 661 1761 680 7111 702 8471 723 8611 723 861
Academische ziekenhuizen557 606562 668568 908573 119578 645
      
Overige organisaties hoger onderwijs:35 98435 97835 62835 62835 628
United Nations University (UNU)855855855855855
Europees Universitair Instituut Florence1 5651 5651 5651 5651 565
Stichting Nederlandse Organisatie voor25 96225 95625 95625 95625 956
Internationale samenwerking in het Hoger     
Onderwijs (NUFFIC)     
Stichting Handicap en Studie841841841841841
Stichting UAF Steunpunt (SUS) / UAF2 2982 2982 2982 2982 298
Interstedelijk Studentenoverleg (ISO)244244244244244
Landelijke Studenten Vakbond (LSVb)244244244244244
Nederlands Vlaamse Accreditatie Organisatie (NVAO)3 9753 9753 9753 9753 975
Tabel 6.6 Budgetflexibiliteit per operationele doelstelling artikel 6 Hoger beroepsonderwijs (x € 1 000)
 20102011201220132014
Programma-uitgaven (totaal operationele doelstellingen)2 377 3262 384 8662 396 9362 412 3202 422 189
Totaal juridisch verplicht2 288 0462 319 6912 330 8452 346 2052 353 675
Totaal bestuurlijk gebonden89 28064 80465 76665 78968 189
Totaal niet-juridisch verplicht of bestuurlijk gebonden0371325326325
      
Studenten volgen onderwijs, en (wetenschappelijk) personeel doet onderzoek, in voldoende toegeruste instellingen voor hoger onderwijs2 219 6382 257 6092 269 3832 284 7382 294 590
• Juridisch verplicht2 216 1352 250 9462 263 0162 278 3702 288 223
• Bestuurlijk gebonden3 5036 2926 0426 0426 042
• Niet-juridisch verplicht of bestuurlijk gebonden0371325326325
      
Binnen- en buitenlandse studenten volgen hoger onderwijs, en (wetenschappelijk) personeel doet onderzoek, van hoge en excellente kwaliteit5 4745 4765 4815 4815 481
• Juridisch verplicht5 4745 4765 4815 4815 481
• Bestuurlijk gebonden     
• Niet-juridisch verplicht of bestuurlijk gebonden     
      
Studenten volgen zonder drempels het hoger onderwijs dat het best past bij hun talenten en specifieke behoeften, en worden gestimuleerd om hun opleiding succesvol af te ronden50 16455 19055 24155 26055 269
• Juridisch verplicht49 80149 82749 79849 79747 406
• Bestuurlijk gebonden3635 3635 4435 4637 863
• Niet-juridisch verplicht of bestuurlijk gebonden     
      
De samenleving (bedrijven en maatschappelijke organisaties) benut optimaal de kennis van het hoger onderwijs en onderzoek en vice versa102 05066 59166 83166 84166 849
• Juridisch verplicht16 63613 44212 55012 55712 565
• Bestuurlijk gebonden85 41453 14954 28154 28454 284
• Niet-juridisch verplicht of bestuurlijk gebonden     
Tabel 6.7 Budget flexibiliteit per operationele doelstelling artikel 7 Wetenschappelijk onderwijs (x € 1 000)
 20102011201220132014
Programma-uitgaven (totaal operationele doelstellingen)3 809 0833 890 0933 925 7963 960 3943 987 012
Totaal juridisch verplicht3 793 2553 844 1223 879 2893 915 0843 943 923
Totaal bestuurlijk gebonden15 82845 47146 00744 31042 089
Totaal niet-juridisch verplicht of bestuurlijk gebonden05005001 0001 000
      
Studenten volgen onderwijs, en (wetenschappelijk) personeel doet onderzoek, in voldoende toegeruste instellingen voor hoger onderwijs3 740 4123 785 9503 825 3273 864 9833 900 851
• Juridisch verplicht3 738 2843 774 7903 814 1673 853 3203 889 188
• Bestuurlijk gebonden2 12810 66010 66010 66310 663
• Niet-juridisch verplicht of bestuurlijk gebonden05005001 0001 000
      
Binnen- en buitenlandse studenten volgen hoger onderwijs, en (wetenschappelijk) personeel doet onderzoek, van hoge en excellente kwaliteit47 26846 48742 87840 31433 065
• Juridisch verplicht33 56834 87330 72829 86424 836
• Bestuurlijk gebonden13 70011 61412 15010 4508 229
• Niet-juridisch verplicht of bestuurlijk gebonden00000
      
Studenten volgen zonder drempels het hoger onderwijs dat het best past bij hun talenten en specifieke behoeften, en worden gestimuleerd om hun opleiding succesvol af te ronden15 33720 60020 60120 60520 604
• Juridisch verplicht15 33717 40317 40417 40817 407
• Bestuurlijk gebonden03 1973 1973 1973 197
• Niet-juridisch verplicht of bestuurlijk gebonden00000 
      
De samenleving (bedrijven en maatschappelijke organisaties) benut optimaal de kennis van het hoger onderwijs en vice versa6 06637 05636 99034 49232 492
• Juridisch verplicht6 06617 05616 99014 49212 492
• Bestuurlijk gebonden020 00020 00020 00020 000
• Niet-juridisch verplicht of bestuurlijk gebonden00000

6.3 Operationele doelstelling

6.3.1 Studenten volgen onderwijs, en (wetenschappelijk) personeel doet onderzoek, in voldoende toegeruste instellingen voor hoger onderwijs

Motivering

Het stelsel van hoger onderwijs en onderzoek zodanig toerusten dat bij het verzorgen van hoger onderwijs en het verrichten van onderzoek voldaan wordt aan de gestelde toegankelijkheids-, doelmatigheids- en kwaliteitseisen die door de door de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW) zijn gesteld.

Instrumenten

• Reguliere bekostiging (lumpsum)

De rijksbijdrage, die de instellingen van hoger onderwijs en onderzoek ontvangen, is gebaseerd op de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW). In het Uitvoeringsbesluit WHW 2008 en de Regeling financiën hoger onderwijs zijn de bepalingen, bedragen en percentages opgenomen op basis waarvan deze rijksbijdrage wordt bepaald. Tabel 6.5 laat zien hoe het geld over hogescholen, universiteiten en academische ziekenhuizen is verdeeld. Met de VSNU en de HBO-raad is in oktober 2008 afgesproken om vanaf het begrotingsjaar 2011 een nieuwe onderwijsbekostigingssystematiek voor het hoger onderwijs in te voeren. In juli 2009 is het wetsvoorstel Versterking Besturing door de Tweede Kamer goedgekeurd (Tweede Kamer, vergaderjaar 2008–2009, 31 821, nr. 1 t/m 4). Daarmee worden samen met de beoogde nieuwe onderwijsbekostigingssystematiek voornemens uit de strategische agenda hoger onderwijs uitgewerkt.

Het principe van eerst het bachelordiploma behalen alvorens aan een masteropleiding te beginnen, wordt ingevoerd voor alle wo-opleidingen (Tweede Kamer, vergaderjaar 2008–2009, 31 288, nr. 58). Het wetsvoorstel daartoe gaat in 2009/2010 naar de Tweede Kamer.

In verband met de problematiek overheidsfinanciën wordt de rijksbijdrage voor de academische ziekenhuizen gekort met structureel € 20 miljoen per jaar vanaf 2010.

• Subsidies overige organisaties hoger onderwijs

Deze organisaties dragen bij aan coördinatie van kennis en het stimuleren van ontwikkelingen op het gebied van internationale samenwerking en uitwisseling. Zie voor nadere specificatie van de betreffende subsidies tabel 6.5.

• Geesteswetenschappen

In april 2009 heeft de minister in zijn beleidsreactie op het rapport «Duurzame geesteswetenschappen» van de Commissie «Nationaal Plan Toekomst Geesteswetenschappen» onder leiding van dr. M.J. Cohen (Tweede Kamer, vergaderjaar 2008–2009, 31 700 VIII, nr. 175) toegestemd plannen van de faculteiten geesteswetenschappen te steunen. Het gaat hierbij om plannen die moeten bijdragen aan het oplossen van de problemen die de commissie Cohen heeft benoemd. Deze plannen worden in goede samenwerking met de colleges van bestuur van de betreffende faculteiten opgesteld. De Commissie Regieorgaan Geesteswetenschappen, onder voorzitterschap van prof.dr. F. van Oostrom, zal adviseren over deze plannen. De minister stelt hiervoor vanaf 2010 een bedrag van € 10,7 miljoen beschikbaar. Deze gelden worden op termijn aan de lumpsum toegevoegd.

• Alfa- en gammaonderzoek bij de universiteiten (lumpsum)

Er komt extra geld om een aantal problemen en lacunes op te lossen die zich in de voor de Nederlandse kenniseconomie op het belangrijke gebied van alfa- en gammawetenschappen voordoen. In 2010 is € 14,9 miljoen beschikbaar.

• Optimalisering taal- en rekenonderwijs (lumpsum)

Voor een structurele verhoging van het studiesucces is onder meer de doorlopende leerlijn rekenen & taal (zie ook de beleidsreactie Rekenen en Taal; Tweede Kamer, vergaderjaar 2007–2008, 31 332, nr. 3) van grote betekenis. Deze leerlijn is onderdeel van beleid dat als doel heeft de kwaliteit van de instroom te verhogen. Dat vraagt om verbetering van het niveau van het taal- en rekenonderwijs in alle sectoren. Heldere referentieniveaus voor rekenen/wiskunde en taal worden in augustus 2010 opgenomen in de wetgeving. Voor de periode 2008 tot en met 2011 is in totaal € 12 miljoen beschikbaar om het taal- en rekenonderwijs aan de lerarenopleidingen te verbeteren.

Meetbare gegevens bij de operationele doelstelling

Tabel 6.8 Kengetallen
(x 1000)2008/20092009/20102010/20112011/20122012/2013
1. Eerstejaars aantal studenten (excl. «groen onderwijs»)     
  • Hbo-voltijd81,683,083,983,884,5
  • Hbo-deeltijd13,213,113,012,912,9
  • Wo45,447,348,048,649,7
2. Ingeschreven aantal studenten (excl. «groen onderwijs»)     
  • Hbo-voltijd311,7319,9327,1332,8337,5
  • Hbo-deeltijd59,960,360,560,660,5
  • Wo213,9221,6228,7235,2241,6
3. Gediplomeerden (excl. «groen onderwijs»)     
  • Hbo-voltijd51,052,152,853,854,6
  • Hbo-deeltijd13,113,013,013,013,0
  • Wo26,727,828,128,529,1
Bron: OCW-Referentieraming 2009, peildatum 1 oktober 2008 (hbo is conform de OCW-begrotingsraming)     
 20092010201120122013
4. Onderwijsuitgaven per student     
  • Hbo6,16,26,26,16,1
  • Wo5,95,96,06,06,0

Toelichting:

4. Onderwijsuitgaven per student: berekend in nominale prijzen, aantal studenten conform de Referentieraming 2009 en excl. collegegeldontvangsten.

6.3.2. Binnen- en buitenlandse studenten volgen hoger onderwijs, en (wetenschappelijk) personeel doet onderzoek, van hoge en excellente kwaliteit

Motivering

In relatie tot de ambities van Nederland als innovatieve, concurrerende economie moet de kwaliteit verbeteren en het excellente talent onder studenten meer gestimuleerd worden. Het hoger onderwijs moet intensiever en persoonlijker worden. Het Nederlandse hoger onderwijs bevindt zich in een internationaal speelveld. Studenten moeten de mogelijkheid hebben zich voor te bereiden op een loopbaan in een internationale context. Ook de arbeidsmarkt wordt steeds meer internationaal georiënteerd. Daarnaast is het van belang dat de onderwijsinstellingen zich internationaal oriënteren. De concurrentie om de beste studenten neemt toe. Instellingen moeten alle ruimte hebben zich voor de buitenwereld te profileren en partnerships aan te gaan met buitenlandse instellingen. Naast de instrumenten die OCW daartoe inzet, zijn er ook beurzenprogramma’s (NFP, Mena MSP beurzenprogramma) die onder de begroting voor Ontwikkelingssamenwerking vallen. Deze worden in goede onderlinge afstemming mede aangewend in het kader van de kabinetsbrede inzet om bij te dragen aan een rechtvaardige en stabiele wereld.

In verband met de problematiek overheidsfinanciën wordt de bijdrage voor studenten uit de niet-Europese Economische Ruimte (exclusief studenten uit ontwikkelingslanden) versoberd met € 4 miljoen in 2010 oplopend tot € 21,8 miljoen vanaf 2015. Instellingen hebben de mogelijkheid om niet-EER studenten het instellingscollegegeld in rekening te brengen en maken daarvan nu al goed gebruik. Zij kunnen op die manier dus het bezuinigde bedrag «inverdienen».

Van het OCW-budget voor niet-EER studenten blijft ca. 60% in stand. Instellingen kunnen dit budget mede aanwenden voor studenten uit ontwikkelingslanden. Dit betreft ongeveer 25% van het aantal niet-EER studenten aan bekostigde ho-instellingen in Nederland (3 452 op een totaal aantal van 14 547 in 2008/2009, cijfers Nuffic). Deze studenten kunnen in veel gevallen bovendien rekenen op beurzen of ondersteuning anderszins (bijvoorbeeld het profileringfonds).

Instrumenten

• Kwaliteitsverbetering docenten

De docent is de bepalende factor in de onderwijskwaliteit. De kwaliteit van de docent en van de lerarenopleiding moet dus uitstekend zijn. Op artikel 6 en artikel 7 Hoger Onderwijs en op artikel 9 Arbeidsmarkt- en personeelsbeleid is hiervoor geld beschikbaar. In lijn met het advies van de «commissie Leraren» onder leiding van de heer Rinnooy Kan zijn hierover in het actieplan «LeerKracht» (Tweede Kamer, vergaderjaar 2007–2008, 27 923, nr. 45) maatregelen voorgesteld die met de sociale partners in de hbo-sector verder uitgewerkt worden (zie ook artikel 9 Arbeidsmarkt- en personeelsbeleid).

• Excellentie in onderwijs: binnen- en buitenlands talent (het Huygens Scholarship Programme)

Om Nederlandse instellingen in de groeiende Europese concurrentiestrijd een goede uitgangspositie te bieden, moet internationaal toptalent aangetrokken worden en excellent talent onder studenten gestimuleerd worden. In 2010 is € 10,3 miljoen beschikbaar voor beurzenprogramma’s voor excellente buitenlandse studenten en Nederlandse studenten die naar het buitenland gaan.

• Excellentie in onderwijs: binnen- en buitenlands talent; FES (Sirius Programma)

Om meer inzicht te krijgen in de wijze waarop excellentie in het hoger onderwijs gerealiseerd kan worden is € 40 miljoen uit het Fonds Economische Structuurversterking (FES) beschikbaar voor de periode 2008–2014. Voor de tranche gericht op masteropleidingen is in totaal € 10 miljoen beschikbaar. De instellingen kunnen experimenteel in deze tranche gebruik maken van selectie aan de poort en collegegelddifferentiatie. Deze projecten starten in 2010.

• Excellentie in onderwijs: binnen- en buitenlands talent (uitbreiding Sirius Programma)

Voor de uitbreiding van het Sirius Programma is voor de periode 2010 tot en met 2014 extra € 11 miljoen beschikbaar. Deze middelen zijn grotendeels afkomsitg uit de enveloppemiddelen van het coalitieakkoord voor excellentie in onderwijs (kwaliteit en bekostiging).

• Excellentie in onderwijs: binnen- en buitenlands talent (kwaliteit en bekostiging)

OCW oriënteert zich op een koppeling tussen kwaliteit en bekostiging. Hiervoor is vanaf 2015 structureel € 4 miljoen beschikbaar uit de enveloppemiddelen excellentie in onderwijs. Daarnaast was op de aanvullende post van het Rijk vanaf 2011 indicatief € 15 miljoen gereserveerd. Hiervan is reeds € 10 miljoen ingezet voor de problematiek overheidsfinanciën. Na besluitvorming over het beschikbaar stellen van de resterende middelen van € 5 miljoen, zal met een voorstel worden gekomen voor een koppeling tussen kwaliteit en bekostiging vanaf 2011.

In 2010 zullen op kleine schaal experimenten worden uitgevoerd met het koppelen van kwaliteit en bekostiging. Hiervoor wordt een deel ingezet van de enveloppemiddelen voor excellentie, die al vanaf 2010 beschikbaar zijn (zie 6.4). Van de oorspronkelijke reeks van € 8 miljoen is de helft ingezet voor de problematiek overheidsfinanciën. Van het restant is een deel ingezet voor de uitbreiding van het Sirius Programma. Voor 2010 resteert hierdoor € 2 miljoen.

• Nederlandse (wetenschappelijke) Instituten in het Buitenland (NIB’s en NWIB’s), Netherlands Education Support Offices (NESO’s)

Om de positie van het Nederlands hoger onderwijs internationaal te verbeteren is in 2010 € 6,8 miljoen beschikbaar. OCW oriënteert zich momenteel in samenwerking met alle betrokken partijen op een nieuwe beheers- en bestuursstructuur voor de Nederlandse Instituten in het Buitenland (NIB):

– De instituten in Marokko, Turkije en Syrië (NIB’s) versterken de internationaliseringactiviteiten en profileren het Nederlandse hoger onderwijs.

– De Nederlandse Wetenschappelijke Instituten in het Buitenland (NWIB’s) in Florence, Rome, Athene, Cairo, Japan en Sint-Petersburg dragen bij aan de onderwijs- en onderzoekssamenwerking tussen het Nederlandse hoger onderwijs en het lokale hoger onderwijs.

– Representatiekantoren verspreid over de wereld (de NESO’s) ondersteunen de promotie van het Nederlandse hoger onderwijs.

– Joint Degrees zullen met de nieuwe wet Versterking Besturing mogelijk zijn.

• Internationaliseringsagenda

In de internationaliseringsagenda «Het Grenzeloze Goed» (Tweede Kamer, vergaderjaar 2008–2009, 31 288 nr. 44) ligt net als bij de meerjarenafspraak het accent op de verbetering van de kwaliteit van het hoger onderwijs en onderzoek door onder andere het vergroten van de mobiliteit van de Nederlandse studenten en het stimuleren van een meer internationale oriëntatie van onderwijsinstellingen (RAAK internationaal). In 2010 is hiervoor € 5 miljoen beschikbaar.

• Subsidie voor een noodfonds (Libertas) voor internationale hulpacties op het gebied van hoger onderwijs.

Hiervoor is in 2010 maximaal € 1 miljoen beschikbaar.

• Subsidie voor projecten internationale samenwerking en beurzenprogramma’s

NUFFIC beheert Europese en Nederlandse onderwijsprogramma’s (zoals Leven Lang Leren, Tempus en Erasmus Mundus) en voert daarnaast andere taken uit in het kader van internationalisering. Zie artikel 8 Internationaal beleid.

Meetbare gegevens bij de operationele doelstelling

Tabel 6.9 Indicator
 BasiswaardeLaatste waardeStreefwaarde
Indicator Kwaliteit en excellentie   
1. Percentage hbo-docenten dat minimaal beschikt over een mastergraad150% (waarvan 3,7 PhD)57% (waarvan 4,8% PhD)70%2 (waarvan 10% PhD)
Bron: HBO-raad3peildatum: 2007peildatum: 2008peildatum: 2014
2. Percentage studenten dat als «gemotiveerd» kan worden beschouwd18,0%18,2%
Bron: Studentenmonitorpeildatum: 2004peildatum: 2008 
3. Studietijd, contacturen en schaal   
  a. Onderwijsintensiteit: gem. tijdsbesteding aan studiegerelateerde activiteiten in uren per week (perceptie student)2   
  • Hbo3334
  • Wo3132
Bron: Studentenmonitorpeildatum: 2005peildatum: 2008 
  b. Onderwijstijd: gem. aantal uren per week (contacturen; perceptie student)   
  • Hbo1314
  • Wo1114
Bron: Studentenmonitorpeildatum: 2005peildatum: 2008 
  c. Student/stafratio   
  • Hbo: student/onderwijzend personeel25,024,5
  • Wo: student/wetenschappelijk personeel9,210,0
Bron: Kerncijfers 2004–2008peildatum: 2004peildatum: 2007 
4. Aantal Nederlandse instellingen in top 100 van beste instellingen ter wereld2 in top 1002 in top 100 waarvan 1 in top 503 in top 100 en hoogste omhoog
Bron: Sjanghai-rankingpeildatum: 2005peildatum: 2008peildatum: 2011
Indicator Internationalisering diplomamobiliteit   
5. Ho-studenten uit het buitenland in NL (instroom): percentage van de totale Nederlandse ho-studentenpopulatie4,5%6,9%7,4%
Bron: IMON-monitor 2007 (NUFFIC, Europees Platform, Cinop)peildatum: 2003/2004peildatum: 2007/2008peildatum: 2010
6. Percentage Nederlandse studenten dat een opleiding in Nederland volgt en een deel hiervan in het buitenland doet.14% (hbo, 12%; wo, 17%)Zie basiswaarde25%
Bron: Studentenmonitor 2007peildatum: 2007 peildatum: 2013

1 De meerjarenafspraken tussen OCW en de HBO-raad vormen het uitgangspunt voor deze indicator.

2 In het convenant LeerKracht van Nederland is afgesproken dat hogescholen er naar streven dat 70% van de docenten in 2014 over een mastergraad beschikt. Daarnaast is afgesproken dat hogescholen ernaar zullen streven dat 10% van de docenten in 2017 beschikt over een PhD dan wel in een promotietraject participeert.

3 Gegevens komen uit de Arbeidsmarktmonitor van het personeel in het hbo, 2007 «Zwaar weer op komst» op basis van het Personeels- en Mobiliteitsonderzoek (POMO) van het Ministerie van Binnenlandse Zaken.

Toelichting:

In de meerjarenafspraken is een aantal achtergrondvariabelen (1, 2 en 3) opgenomen op basis waarvan de ambities voor studiesucces en kwaliteit van het onderwijs worden gemonitord. Samen geven deze achtergrondvariabelen een indruk van de ontwikkeling van kwaliteit. Ze zijn relevant maar er is geen sprake van een een-op-een relatie met de kwaliteit van het onderwijs. Deze indicatoren moeten in samenhang bezien worden en ingebed in een kwalitatief oordeel. Om deze redenen zijn er geen streefwaarden geformuleerd. Meer achtergrondvariabelen zijn te vinden in Kennis in Kaart.

6. In de begroting 2009 is aangegeven dat het monitoringssysteem voor internationalisering niet langer toereikend wordt geacht. Deze nieuwe indicator geeft een beeld van de ontwikkeling van de internationale competentie van Nederlandse studenten. Meer informatie hierover is te vinden in de internationaliseringsagenda «Het Grenzeloze Goed». Zie voor meer internationaliseringsindicatoren artikel 8 Internationaal beleid.

6.3.3. Studenten volgen zonder drempels het hoger onderwijs dat het beste past bij hun talenten en specifieke behoeften, en worden gestimuleerd om hun opleiding succesvol af te ronden

Motivering

Om de Nederlandse bevolking beter en hoger op te leiden, liggen er specifiek voor het hoger onderwijs de volgende opdrachten:

• een goede doorstroom binnen het onderwijs;

• minder uitval uit het hoger onderwijs;

• een leven lang leren.

Deze vormen de basis van een gezonde kenniseconomie en een goed opgeleide beroepsbevolking.

Instrumenten

• Minder uitval en kwaliteitsimpuls hoger onderwijs

Het kabinet investeert extra in kleinschalig onderwijs door instellingen in staat te stellen meer en betere docenten aan te stellen. Hierdoor kan het onderwijs kleinschaliger worden en zullen er minder studenten uitvallen. Hiervoor is in 2010 € 50,2 miljoen beschikbaar. De instellingen moeten hiervoor hun lumpsum en onder andere ook het geld voor de versterking van de kenniseconomie (Voorjaarsnota 2006) inzetten, naast het extra geld van het kabinet. De instellingen krijgen dit bedrag via de lumpsum op basis van de meerjarenafspraken met de VSNU en de HBO-raad over uitvalvermindering en kwaliteitsverhoging. In deze kabinetsperiode ligt daarbij de focus op de bachelorfase omdat daar de uitval relatief hoog is. Met dit oogmerk zijn de studiekeuzegesprekken als instrument ingezet via twee tranches experimenten waarvoor veel belangstelling bestaat bij de hogescholen en universiteiten. In 2010 zullen de eerste, betekenisvolle uitkomsten daarvan beschikbaar komen.

• Verhogen studierendement Nederlandse studenten met een niet-westerse achtergrond

Het kabinet investeert extra in het verbeteren van het studiesucces van Nederlandse studenten met een niet-westerse achtergrond. Vooral het rendement van allochtone hbo-studenten is veel lager dan het rendement van autochtone hbo-studenten. Deze investeringen richten zich vooralsnog uitsluitend op de vijf multisectorale hogescholen in de Randstad, omdat deze studenten zich daar concentreren en de instellingen daar voor grotere uitdagingen staan. Deze meerjarenafspraken, die in principe een periode van zes jaar bestrijken, worden begin 2011 door OCW heroverwogen op grond van een uitgebreide audit. Vanaf 2011 zullen de universiteiten in de Randstad mee gaan doen. Daarom zullen er en in de loop van 2010 afspraken met de universiteiten gemaakt worden. De afspraken met de hogescholen over het verhogen van het rendement van Nederlandse studenten met een niet-westerse achtergrond zijn vastgelegd in een convenant (Tweede Kamer, Vergaderjaar 2007–2008, 31 288, nr. 28). Hiervoor is in 2010 € 12,8 miljoen beschikbaar.

• Subsidie voor Studiekeuze-informatie voor het hoger onderwijs

Zorgen dat aanstaande studenten beschikken over deugdelijke vergelijkingsinformatie via onder andere een website over opleidingsmogelijkheden in het hoger onderwijs. Hiervoor is structureel € 2,4 miljoen beschikbaar.

• Subsidie voor Erkenning verworven competenties (EVC)

Gelet op de ervaringen met de EVC-projecten in het hbo wordt in 2009 de Tijdelijke stimuleringsregeling anders ingericht. De nieuwe tweejarige regeling is erop gericht een aantal hogescholen (max. 4–6) die al actief en succesvol zijn op dit gebied door te ontwikkelen tot instituten voor een leven lang leren (LLL). Zie ook artikel 4 Beroepsonderwijs en Volwasseneneducatie operationele doelstelling 4.3.3.

• Emancipatie

Voortzetting ondersteuning van de VHTO (Landelijk expertisebureau meisjes/vrouwen in bèta/techniek). Hiervoor is een subsidie beschikbaar van € 0,1 miljoen.

Meetbare gegevens bij de operationele doelstelling

Tabel 6.10 Indicator
 BasiswaardeLaatste waardeStreefwaarde
Voor het wo1, 2:   
1. Percentage studie-uitval (uit wo) en studie-switchers (binnen wo) na het (verwijzende en bindende) eerste bachelorjaar in bachelor-2 en 312%3 (studenten die zijn gestart met studeren in 2004)12%(studenten die zijn gestart met studeren in 2005)6%
Bron: 1 cijfer HO/VSNUpeildatum: 2007peildatum: 2008peildatum: 2011
2. Percentage studenten (herinschrijvers2) na het eerste studiejaar dat in vier jaar de bachelorfase afrondt47 %(studenten die zijn gestart met studeren in 2003)48%(studenten die zijn gestart met studeren in 2004)>70%
Bron: 1 cijfer HO/VSNUpeildatum: 2007peildatum: 2008peildatum: 2014
Voor het hbo1:   
3. Rendement van studenten (herinschrijvers2 na het eerste studiejaar3), na 6 jaar studie77% (studenten die zijn gestart met studeren in 2001)76%(studenten die zijn gestart met studeren in 2002)90%
Bron: 1 cijfer HO/HBO-raadpeildatum: 2007peildatum: 2008peildatum: 2013
4. Studierendement na 6 jaar van voltijdstudenten hbo en wo4, 5   
  • Hbo-autochtoon66,2%67,3%
  • Hbo-student met een niet-westerse achtergrond48,0%50,9%
  • Wo-autochtoon47,5%47,0%
  • Wo-student met een niet- westerse achtergrond35,0%35,3%
Bron: CFI: 1 cijfer HO/CFIpeildatum: 2006cohort hbo/wo: 2000peildatum: 2008cohort: 2002peildatum: 2014 (zie toelichting)

1 De meerjarenafspraken vormen het uitgangspunt voor de indicatoren 1 t/m 3 inzake verhogen van het studiesucces en kwaliteit in de bachelorfase. De basiswaarde voor de meerjarenafspraken is het jaar 2007.

2 Het gaat bij de indicatoren 1 t/m 3 steeds om studenten die zich na het eerste studiejaar opnieuw hebben ingeschreven in het wo (indicator 1 en 2) dan wel in het hbo (indicator 3). Wanneer we het cohort 2001 bekijken, gaat het dus om de studenten die gestart zijn in 2001, maar die in 2002 nog steeds waren ingeschreven. Van die overgebleven groep is naar switchgedrag, uitval en rendement gekeken. De reden om naar deze«herinschrijvers» te kijken, en niet naar het totale start-cohort is om recht te doen aan de oriënterende, selecterende en verwijzende functie van het eerste studiejaar.

3 In de meerjarenafspraak met de HBO-raad is afgesproken dat er gekeken zal worden naar studenten in de post-propedeutische fase, in plaats van herinschrijvers na het eerste studiejaar. Vanwege onvolkomenheden in de registratie is dat op dit moment nog lastig te berekenen, en wordt gewerkt met herinschrijvers na het eerste studiejaar.

4 In de meerjarenafspraak was hier een percentage van 14 genoemd; na een update van de brongegevens komt dit uit op 12%. Het doel is dit percentage te halveren in 2011. Daarom is hier 6% als ambitie opgenomen, in plaats van de 7% uit de begroting 2009.

5 Uitgangspunt voor de berekening van het studierendement na 6 jaar is de strategische agenda. Een cohort eerstejaars in hbo of wo wordt gevolgd tot een hbo-bachelordiploma (voor het hbo-cohort) of een wo-master/doctoraaldiploma (voor het wo-cohort) is gehaald en zolang er een ononderbroken inschrijving is in het ho. Studenten die overstappen van hbo naar wo, of omgekeerd, en daar een diploma halen, zitten niet in de telling.

Toelichting:

1 t/m 3: Het betreft hier de kernindicatoren uit de meerjarenafspraken met de HBO-raad en de VSNU over studiesucces en kwaliteit van de bachelorfase. De eerste doelstelling uit deze meerjarenafspraken is om de verwijzende en bindende functie van het eerste bachelorjaar te versterken. Daarbij gaat het er om dat zo vroeg mogelijk in de studie duidelijk wordt of een student bij de voor hem of haar best passende opleiding studeert. Aan dit eerste studiejaar zijn daarom geen doelstellingen met betrekking tot uitval of rendement gekoppeld. Na het (verwijzende en bindende) eerste bachelorjaar, zou er in bachelor-2 en 3 een aanzienlijke reductie van de studie-uitval en studie-switchers mogelijk moeten zijn. Daar is indicator 1 op gebaseerd. Ook het studiesucces (rendement) zou na dat eerste jaar sterk kunnen verbeteren. Daar zijn indicator 2 (wo) en 3 (hbo) op gebaseerd. Het rendement (na 6 jaar studie) zoals dat bij indicator 4 is weergegeven gaat dus om een grotere groep (inclusief uitvallers en switchers in het eerste studiejaar) en ligt daarom ook lager dan het rendement van de «herinschrijvers». Naast deze genoemde indicatoren zijn er meer indicatoren voor het verbeteren van de kwaliteit, die ook zeer relevant zijn voor dit onderwerp, zie de indicatoren bij de operationele doelstelling 6.3.2. In Kennis in Kaart 2009 zullen de indicatoren verder worden uitgesplitst en toegelicht.

4. Streefwaarde: Het rendement van Nederlandse studenten met een niet-westerse achtergrond is in 2014 zoveel mogelijk gelijk aan Nederlandse studenten met een westerse achtergrond. Deze streefwaarde geldt niet landelijk: met de 5 multisectorale hogescholen in de Randstad zijn afspraken gemaakt over het verhogen van het rendement van Nederlandse studenten met een niet-westerse achtergrond. Over de voortgang van de uitvoering van deze afspraken wordt vanaf 2009 verslag gedaan in Kennis in Kaart.

6.3.4. De samenleving (bedrijven en maatschappelijke organisaties) benut optimaal de kennis van het hoger onderwijs en onderzoek en vice versa

Motivering

De ambities van de bevolking aan de kenniseconomie stelt eisen aan het onderwijs en aan de arbeidsmarkt. Het onderwijs moet mensen opleiden tot innovatieve arbeidskrachten. Tot arbeidskrachten die in staat zijn hun omgeving te analyseren en verbeteringen voor te stellen. De arbeidsmarkt moet hiertoe uitdagen en mensen in staat stellen hun kennis en vaardigheden te vergroten. Onderwijs en arbeidsmarkt innoveren elkaar op deze manier.

Daarom stimuleert het kabinet krachtige interactie tussen het hoger onderwijs en de arbeidsmarkt, en focus en massa in wetenschappelijke opleidingen en onderzoek. In het hbo worden daartoe lectoraten gestimuleerd, RAAK-subsidies (Regionale Aandacht en Actie voor Kenniscirculatie) voor praktijkgericht onderzoek ingezet, tijdelijk nieuwe hbo-masters mogelijk gemaakt en ondernemerschap gestimuleerd. In het wo wordt ingezet op de bundeling van krachten van de 3TU’s en het sectorplan natuur- en scheikunde.

Instrumenten

• Praktijkgericht onderzoek (lectoren en kenniskringen en RAAK)

Om het innovatief vermogen van het bedrijfsleven en de publieke sector te versterken, vormt het praktijkgericht onderzoek aan hogescholen een noodzakelijke aanvulling op de huidige Nederlandse kennisinfrastructuur. Door praktijkgericht onderzoek in het curriculum van hogescholen op te nemen kan de hbo-professional zich ontwikkelen. De lector vervult binnen de hogeschool een spilfunctie tussen onderzoek en onderwijs. De RAAK-regeling stelt hogescholen in staat via vraagsturing het praktijkgericht onderzoek verder te ontwikkelen. De kwaliteit van het onderzoek en het onderwijs in relatie tot lectoren wordt gewaarborgd door een extern kwaliteitszorgstelsel. Dit kwaliteitszorgstelsel is zowel gericht op het onderwijs, als de beroepspraktijk, onderzoek en kennis en de samenleving in bredere zin. Voor praktijkgericht onderzoek is, bovenop de structurele middelen, in 2010 € 24,1 miljoen gereserveerd.

• Nieuwe hbo-masteropleidingen

Aangezien hbo-opgeleiden met een professionele masteropleiding succesvoller zijn, is er in 2009 een subsidieregeling opgestart voor tijdelijke financiering van enkele nieuwe arbeidsmarktrelevante hbo-masters in prioritaire gebieden (Creative industries, Grotestedenproblematiek, Plattelandsvernieuwing, Zorg, Technologie, Logistiek en Bouw). Doordat de afstemming met betrokken partijen langer duurde dan gepland, is de regeling pas in het najaar 2009 gepubliceerd. Bij Voorjaarsnota 2009 is daarom een verlaging van € 10 miljoen verwerkt voor 2009 en doorgeschoven naar 2010. Deze € 10 miljoen is ingezet voor de problematiek overheidsfinanciën. Vanaf 2010 is structureel € 10,4 miljoen beschikbaar. Tevens vindt er een verkenning plaats van de positie van de hbo-master binnen het Nederlandse bama-stelsel. Deze verkenning zal ook in een internationaal perspectief geplaatst worden en is in het voorjaar 2010 gereed.

• Deltaplan bèta/techniek

Subsidie aan het Platform Bèta Techniek (PBT). Dit platform voert de activiteiten uit in het kader van het Deltaplan bèta/techniek. De periode 2009–2010 staat in het teken van verduurzaming en verankering. De behoefte aan een programma zoals dat bestaat in de huidige vorm is, mede doordat er al veel is bereikt, minder groot. Er zijn al veel ontwikkelingen in gang gezet en deze moeten niet verloren gaan. Daar zou een programma met een kleiner budget en in het verlengde daarvan een PBT in afgeslankte vorm voor kunnen zorgen. Door voortzetting in afgeslankte vorm en door de problematiek overheidsfinanciën worden de middelen bèta/techniek met ingang van 2011 verlaagd met € 14 miljoen. Per saldo resteert € 46 miljoen, waaronder € 20 miljoen voor het sectorplan natuur- en scheikunde, € 24,5 miljoen voor stimulering bèta/techniek voor sectoren buiten het hoger onderwijs en € 1,5 miljoen voor Science center NEMO te Amsterdam.

• FES: Investeringsagenda bèta/techniek hoger onderwijs

Vanuit het FES wordt over vier jaren (2007–2010) in totaal voor ho € 20 miljoen extra geïnvesteerd om belangrijke knelpunten van het onderwijs in bèta en techniek aan te pakken. Voor het hoger onderwijs gaat het om projecten gericht op uitwisseling van docenten vo en ho en het bijscholen van pabo-studenten.

• 3TU’s

In 2010 zal de focus die bereikt is met het onderzoek in de 5 Centres of Excellence (leerstoelen, verbonden aan masterprogramma’s) voortgezet worden en de samenwerking tussen de hoogleraren in de Centres versterkt worden. De TU’s krijgen de middelen niet volgens planning besteed, omdat zij moeite hebben met het aantrekken van hoogleraren voor onderzoek in de Centres. De resterende € 25 miljoen wordt daarom over de periode 2009 tot en met 2014 verspreid.

De enveloppemiddelen uit het coalitieakkoord voor de 3TU’s worden deels ingezet voor de problematiek overheidsfinanciën (€ 10 miljoen in 2010 en vanaf 2011 € 5 miljoen structureel) en deels (€ 2 miljoen in 2009 en 2010) voor onder meer de uitbreiding van het Sirius Programma.

• Ondernemerschap

In 2010 wordt verder geïnvesteerd in netwerken in de regio om kennisuitwisseling tussen onderwijsinstellingen en ondernemers te bevorderen. Zie voor meer informatie de voortgangsrapportage van het gezamenlijke programma onderwijs en ondernemerschap (Tweede Kamer, vergaderjaar 2008–2009, 31 288, nr. 47). Er staat een tweede tranche voor de regeling Onderwijs Netwerken Ondernemen gepland. Verder zal er op basis van evaluatie in 2009 een landelijk ondernemerscertificaat worden ontwikkeld voor mbo en ho. De ministers van EZ en OCW hebben ieder € 15 miljoen beschikbaar gesteld voor de periode van 2008–2011. Zie voor verdere toelichting eveneens de begroting van het ministerie van Economische Zaken, beleidsartikel 3, operationele doelstelling 2 «meer en beter ondernemerschap».

• Sectorplan Natuur- en scheikunde

Voor de versterking van de natuur- en scheikunde is het sectorplan natuur- en scheikunde ontwikkeld. Het brengt focus en massa aan in de opleidingen en bouwt het hoge internationale wetenschappelijke niveau van onderzoek verder uit. Een onafhankelijke commissie, onder voorzitterschap van prof.dr. D.D. Breimer, zal adviseren over de plannen die de instellingen eind 2009 indienen. Vanaf 2011 tot en met 2016 is hiervoor jaarlijks € 20 miljoen beschikbaar. In 2016 volgt er een evaluatie en wordt besloten of het geld structureel voor het sectorplan wordt ingezet.

Meetbare gegevens bij de operationele doelstelling

Tabel 6.11 Indicator
 BasiswaardeLaatste waardeStreefwaarde
RAAK-regeling   
RAAK-mkb   
1. In projecten betrokken ondernemers2 4303 1506 450
Bron: SIA, augustus 2008peildatum: 2007peildatum: 2009peildatum: 2011
RAAK-publiek   
2. In projecten betrokken professionals van publieke instellingen1 0731 3503 350
Bron: SIA, augustus 2008peildatum: 2007peildatum: 2009peildatum: 2011
Samenhang RAAK-lectoren   
3. Percentage RAAK-projecten met lectoraatsdeelname85%95%95%
Bron: SIApeildatum: 2006peildatum: 2009peildatum: 2011
Lectoren   
4. Gemiddelde omvang kenniskring extern en intern   
– in fte0,62,6max. 3,0
– in personen3,810,5max.12
Bron: SKO 2008peildatum: 2003peildatum: 2008peildatum: 2011
Deltaplan bèta/techniek   
5. Percentage instroom t.o.v. 2000   
– Hbo0%– 0,2%
– Wo0%38,0%
Totaal hbo+wo (gewogen gemiddelde)11,7%
Bron: CFI: 1 cijfer HOPeildatum: 2000peildatum: 2008 
6. Percentage uitstroom t.o.v. 2000   
– Hbo0%– 6,2%15%
– Wo0%31,2%15%
Totaal hbo+wo (gewogen gemiddelde)0%3,8%15%
Bron: CFI: 1 cijfer HOPeildatum: 2000peildatum: 2008peildatum: 2010

Toelichting:

De indicatoren met betrekking tot de RAAK-regeling (1 en 2) laten een verdere groei zien van de betrokkenheid van partners buiten de hogeschool. Omdat het bij RAAK-projecten om regionale projecten gaat, is de vraag geoorloofd of deze indicatoren een natuurlijk maximum kennen. Ondanks de groei lijken de genoemde streefwaarden buiten bereik te liggen. Onderzocht zal worden in hoeverre aanpassing van de streefwaarden wenselijk is.

3. De streefwaarde voor de indicator samenhang RAAK-lectoren is inmiddels gehaald. Deze indicator is vooral van belang in de startfase van de ontwikkeling van het praktijkgericht onderzoek door hogescholen. Nu de lectoren en de RAAK-regeling inmiddels een vaste waarde in het hoger onderwijs zijn, neemt deze indicator in belang af. Gezocht zal worden naar een nieuwe indicator die aansluit bij de huidige ontwikkelingsfase van het praktijkgericht onderzoek. Dit is één van de aandachtspunten in de beleidsdoorlichting «praktijkgericht onderzoek» die in 2009 door OCW wordt uitgevoerd. In deze beleidsdoorlichting wordt op basis van de beschikbare evaluaties van RAAK en lectoren teruggekeken op de ontwikkeling van het praktijkgericht onderzoek de afgelopen jaren en een visie ontwikkeld op het toekomstige beleid met betrekking tot praktijkgericht onderzoek door hogescholen.

6. De doelstelling voor het hbo van 15% meer uitstroom in de harde bèta/techniek opleidingen zal in 2010 waarschijnlijk niet worden gerealiseerd. In 2009 wordt onderzocht hoe het komt dat er sprake is van een daling in het hbo.

6.4 Overzicht onderzoek naar de doelmatigheid en de doeltreffendheid van beleid

Tabel 6.12 Overzicht onderzoek naar de doelmatigheid en de doeltreffendheid van beleid
 Onderzoek of OnderwerpAD of ODA. StartB. AfgerondVindplaats
BeleidsdoorlichtingRAAK/Lectoren/KenniskringenOD 4A 2008B 2009 
BeleidsdoorlichtingInternationaliseringOD 2A 2010/2011B 2010/2011 
BeleidsdoorlichtingStudiesucces en kwaliteit hoger onderwijsOD 3 en deel OD 2A 2011/2012B 2011/2012 
BeleidsdoorlichtingAssociate DegreeOD 1A 2012/2013B 2012/2013 
BeleidsdoorlichtingHBO-masterOD 4A 2013/2014B 2013/2014 
Effectenonderzoek ex postgeen   
Overig evaluatieonderzoek1Pilots Associate DegreeOD 1A 2009B 2010 
 HSP (Huygens Scholarship Programme)OD 2A 2008B 2009 
 Deelnamestudenten met een handicapOD 3A 2009B 2010 
 Deltaplan bèta-techniekOD 4A 2010B 2011 
 Studentenmonitoronder andere OD 2Jaarlijks 
 Project Onderwijs-Arbeidsmarkt(POA)ADJaarlijks 

1 Wat onder overig evaluatieonderzoek staat is niet in alle gevallen een evaluatieonderzoek.

Toelichting:

Afgesproken is dat de Inspectie van het Onderwijs in 2010 de meerjarenafspraken hbo en wo en het convenant in het kader het verhogen van het rendement van Nederlandse studenten met een niet-westerse achtergrond (G5) evalueert. Deze evaluaties dienen als input voor de beleidsdoorlichting van studiesucces in en kwaliteit van het hoger onderwijs (operationele doelstelling 6.3.3 en deels 6.3.2). De overige evaluatie-onderzoeken zijn input voor de genoemde beleidsdoorlichtingen. Ook de studentenmonitor en het POA-onderzoek zijn input voor het meten van onder andere de kwaliteit en kunnen gebruikt worden als input bij de desbetreffende beleidsdoorlichtingen.

ARTIKEL 8. INTERNATIONAAL BELEID

8.1 Algemene doelstelling: bevorderen van internationale samenwerking, om daarmee de kwaliteit van onderwijs, cultuur en wetenschap een impuls te geven en de internationale competenties van studenten, docenten, kunstenaars en wetenschappers te vergroten.

Omschrijving

De samenleving mondialiseert: economie, arbeidsmarkt, bestuur, wetenschap en cultuur krijgen een steeds internationaler karakter. Het is zeker voor Nederland – als open handelsland dat zich profileert als aantrekkelijk land van kennis en cultuur – cruciaal dat de generaties van de toekomst in het onderwijs van nu een internationale oriëntatie meekrijgen en de noodzakelijke internationale competenties verwerven. Bij deze competenties gaat het om de noodzakelijke kennis en vaardigheden om in een internationale omgeving te kunnen werken en leven. Uiteindelijk is dat een taak voor onderwijsinstellingen en hun docenten en lerenden en hun ouders, maar ook de overheid heeft hier een verantwoordelijkheid.

OCW stimuleert onderwijsinstellingen, lerenden en docenten tot internationale oriëntatie en samenwerking, bevordert culturele en wetenschappelijke uitwisseling en ondersteunt organisaties en instellingen die internationaal opereren. Tevens werkt OCW aan de internationale bestuurlijke randvoorwaarden, door multilaterale afspraken te maken over zaken als beroepserkenning, culturele diversiteit, kwaliteitszorg en accreditatie, alsmede door bilateraal met vele landen op overheidsniveau kaders te scheppen (bijvoorbeeld door middel van een Memorandum of Understanding) waarbinnen instellingen goed kunnen samenwerken. Ook wordt internationale kennis benut voor het eigen nationale beleid. Daartoe participeert OCW in multilaterale organisaties als de Europese Unie, de Organisatie voor Economische samenwerking en Ontwikkeling, de Raad van Europa en de UNESCO. OCW wil daarmee ook bijdragen aan de totstandkoming – wereldwijd – van een duurzame en rechtvaardige samenleving.

Verantwoordelijkheid van de minister

De minister is verantwoordelijk voor het scheppen van goede randvoorwaarden voor een verdere internationalisering van onderwijs, cultuur en wetenschap, zowel nationaal als internationaal.

Externe factoren

Behalen van de doelstelling hangt af van:

• Inzet van instellingen, organisaties, lerenden, docenten, wetenschappers en kunstenaars zelf.

• De buitenlandpolitieke situatie.

Meetbare gegevens bij de algemene doelstelling

Goed meetbaar is de internationale mobiliteit van lerenden en docenten. Vorig jaar is voor het eerst een indicatorenset opgenomen (zie onder operationele doelstelling 8.3.1) die deze mobiliteit in beeld brengt.

Bron daarvan is de Internationaliseringsmonitor Onderwijs Nederland (IMON), opgesteld door de organisaties die mobiliteitsprogramma’s uitvoeren (Nuffic, CINOP en Europees Platform). Het IMON-rapport over het jaar 2008 is per brief aan de Voorzitters van de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal gezonden.

8.2 Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 8.1 Budgettaire gevolgen van beleid artikel 8 (x € 1 000)
 2008200920102011201220132014HGIS-deel 2010
Verplichtingen28 89920 96622 73417 77317 62317 80319 4681 054
Waarvan garantieverplichtingen        
Totale uitgaven (programma + apparaat)18 84927 81226 31719 66819 46819 46819 4681 054
         
Programma-uitgaven16 32925 00723 43417 58617 58617 58617 5861 054
         
Stimuleren van internationalisering, grensoverschrijdende mobiliteit en institutionele samenwerking teneinde de internationale competenties van lerenden, docenten, kunstenaars en wetenschappers te vergroten10 65810 83410 59610 63410 62810 64510 645600
• Mobiliteitsprogramma’s7 8857 8467 7677 7517 7457 7457 745 
• Bilaterale samenwerking met andere landen2 7732 9882 8292 8832 8832 9002 900600
         
In internationaal verband waarborgen van de OCW-belangen en benutten van internationale kennis voor de kwaliteit van nationaal beleid5 6717 2436 2086 0026 0085 9915 991454
• OCW-vertegenwoordiging in het buitenland1 7832 1002 1001 9261 9261 9261 926150
• Participeren in multilaterale organisaties3 2633 5113 4553 4263 4263 4263 426 
• Stimuleren van internationale uitwisseling van kennis en cultuur, beleidsonderzoek en benchmarking6251 632653650656639639304
         
Het integreren van de BES-eilanden in Nederland voor wat betreft de OCW – beleidsterreinen en het onderhouden van de relaties met de andere landen in het Koninkrijk 6 9306 630950950950950 
• Verbetering van het onderwijs op de BES-eilanden 5 9805 680     
• Studiefinanciering Nederlandse Antillen en Aruba 950950950950950950 
         
Apparaatsuitgaven2 5202 8052 8832 0821 8821 8821 882 
Ontvangsten43099999999999999
Tabel 8.2 Budget flexibiliteit per operationele doelstelling (x € 1 000)
 20102011201220132014
Programma-uitgaven (totaal operationele doelstellingen)23 43417 58617 58617 58617 586
Totaal juridisch verplicht8 7277 0226 9726 9356 935
Totaal bestuurlijk gebonden14 41810 22810 27210 32610 326
Totaal niet-juridisch verplicht of bestuurlijk gebonden289336342325325
Stimuleren van internationalisering, grensoverschrijdende mobiliteit en institutionele samenwerking teneinde de internationale competenties van lerenden, docenten, kunstenaars en wetenschappers te vergroten10 59610 63410 62810 64510 645
• Juridisch verplicht3 0661 7961 7461 7291 729
• Bestuurlijk gebonden7 5308 8388 8828 9168 916
• Niet-juridisch verplicht of bestuurlijk gebonden     
      
In internationaal verband waarborgen van de OCW-belangen en benutten van internationale kennis voor de kwaliteit van nationaal beleid6 2086 0026 0085 9915 991
• Juridisch verplicht5 6615 2265 2265 2065 206
• Bestuurlijk gebonden258440440460460
• Niet-juridisch verplicht of bestuurlijk gebonden289336342325325
      
Het integreren van de BES-eilanden in Nederland voor wat betreft de OCW – beleidsterreinen en het onderhouden van de relaties met de andere landen in het Koninkrijk6 630950950950950
• Juridisch verplicht     
• Bestuurlijk gebonden6 630950950950950
• Niet-juridisch verplicht of bestuurlijk gebonden     

De niet juridisch of niet bestuurlijk gebonden middelen zijn wel beleidsmatig geoormerkt. Deze middelen zijn bestemd voor activiteiten en projecten in EU-verband en voor internationaal beleidsonderzoek, kennisuitwisseling en benchmarking.

8.3 Operationele beleidsdoelstelling

8.3.1 Stimuleren van internationalisering, grensoverschrijdende mobiliteit en institutionele samenwerking teneinde de internationale competenties van studenten, docenten, kunstenaars en wetenschappers te vergroten.

Motivering

Het vergroten van internationale mobiliteit en grensoverschrijdende samenwerking tussen instellingen draagt in belangrijke mate bij aan de algemene beleidsdoelstelling. Het gaat niet alleen om het beleid uit dit artikel. Veel internationaliseringsbeleid is ergens anders ondergebracht binnen de OCW-begroting. Daarom is hieronder een overzicht opgenomen van de totale internationale uitgaven van OCW per beleidsartikel en daaraan gekoppeld welk deel daarvan valt onder de Homogene Groep Internationale Samenwerking (HGIS), die wordt gecoördineerd door het ministerie van Buitenlandse Zaken.

Instrumenten

• Mobiliteitsprogramma’s (beurzen e.d.)

• Generieke maatregelen (zoals meeneembaarheid studiefinanciering, zie artikel 11 operationele doelstelling 11.3.1 «Waarborgen van de algemene financiële toegankelijkheid van het onderwijs voor de studerenden»)

• Bilaterale samenwerking met andere landen (via organisaties en instellingen)

Tabel 8.3: Internationale uitgaven OCW (x €1 000)
 2008200920102011201220132014
Primair onderwijs (artikel 1)17 65717 31718 28618 23218 23218 23218 232
Voortgezet onderwijs (artikel 3)3 0613 2173 9734 3234 9204 7054 755
Beroepsonderwijsen volwasseneneducatie (artikel 4)611968888848848861861
Hoger beroepsonderwijs (artikel 6)3 4533 4533 4533 4533 4533 4533 453
Wetenschappelijk onderwijs (artikel 7)84 90686 54986 59986 49486 49486 11686 116
Internationaal beleid (artikel 8)16 32918 07716 80416 63616 63616 63616 636
Informatie en communicatietechnologie (artikel 10)       
Studiefinanciering (artikel 11)10 37838 24349 85249 55249 15250 15250 152
Kunsten (artikel 14)11 81817 91716 28016 28016 28016 28016 280
Cultureel erfgoed (artikel 14)1 5982 3702 3702 3702 3702 3702 370
Media (artikel 14 en 15 )47 40149 89849 77849 77849 77849 77849 778
Onderzoek en wetenschappen (artikel 16)83 95082 19980 84884 14878 54878 64878 648
Totaal281 162320 208329 131332 114326 711327 231327 281

Toelichting:

De uitgaven in de tabel zijn toegelicht bij de betreffende beleidsartikelen.

Tabel 8.4: Homogene groep internationale samenwerking (x €1 000)
 2008200920102011201220132014
Hoger beroepsonderwijs (artikel 6)3 4533 4533 4533 4533 4533 4533 453
Wetenschappelijk onderwijs (artikel 7)59 69961 82761 81461 81461 81461 81459 687
Internationaal beleid (artikel 8)1 1011 6541 0541 0541 0541 0541 054
Kunsten (artikel 14)865 2653 7653 7653 7653 7653 765
Cultureel erfgoed (artikel 14)145395395395395395395
Media (artikel 14 en 15 )45506406406406406406
Onderzoek en wetenschappen (artikel 16)454454454454454454454
Totaal64 98373 55471 34171 34171 34171 34169 214

Toelichting:

De uitgaven op de Homogene Groep Internationale Samenwerking maken deel uit van de uitgaven opgenomen in tabel 8.3 «Internationale uitgaven OCW».

Meetbare gegevens bij de operationele doelstelling

Onderstaande tabellen 8.5, 8.6, 8.7 en 8.8 geven per onderwijssector aan wat basiswaarden, actuele waarden en streefwaarden zijn op de belangrijkste indicatoren op stelselniveau, voor zover het althans mobiliteit betreft. In de eerdergenoemde IMON is een verdieping te vinden met informatie over verschillen tussen landen, instellingen en opleidingen.

Tabel 8.5: Indicatoren internationalisering Diplomamobiliteit ho
 basiswaardelaatste waardestreefwaarde
Prestatie-indicator:2003/20042008/20092010
1. ho-studenten uit het buitenland in Nederland (instroom)   
  • percentage van de totale Nederlandse ho studentenpopulatie:5,2%17,4%17,4%
  • percentage EU gemiddelde:47,2%2n.b. 
2. wo-studenten uit het buitenland in Nederland (instroom)   
  • percentage van de totale Nederlandse wo studentenpopulatie:5,3%19,0%19,0%
3. hbo-studenten uit het buitenland in Nederland (instroom)   
  • percentage van de totale Nederlandse hbo studentenpopulatie:5,2%16,5%16,8%
4. ho-studenten uit Nederland in het buitenland (uitstroom) (c)   
  • percentage van de totale Nederlandse studentenpopulatie:2,3%22,4%36,0%
  • percentage EU gemiddelde42,7%22,8%3 

BRON: IMON 2008 (Nuffic, Europees Platform, Cinop)

noten:

n.b. nog geen gegevens beschikbaar

1 Bron: CFI 2009

2 Bron: OESO EU21

3 Bron: OESO EU21 (2005–06-data)

4 Geen internationale gegevens over hbo en wo bekend (internationaal geen eenduidig onderscheid tussen hbo en wo)

Tabel 8.6: Indicatoren internationalisering Studiepuntmobiliteit ho
Prestatie-indicator:basiswarde afgestudeerden 20041laagste waarde afgestudeerden 20082streefwaarde afgestudeerden 20133
1. ho-studenten uit Nederland in het buitenland   
  • percentage van de totale Nederlandse studentenpopulatie:17%15%25%
2. wo-studenten uit Nederland in het buitenland   
  • percentage van de totale Nederlandse studentenpopulatie:19%19%35%
3. hbo-studenten uit Nederland in het buitenland   
  • percentage van de totale Nederlandse studentenpopulatie:15%12%20%

BRON: IMON 2008 (Nuffic, Europees Platform, Cinop)

Noot: Percentages betreffen opgaven door ouderejaars studenten (OCW, 2008).

1 ResearchNed, 2005: Studentenmonitor 2004.

2 ResearchNed, 2009: Studentenmonitor 2008.

3 OCW, 2008: Internationaliseringsagenda «Het Grenzeloze Goed».

Toelichting:

Voor studiepuntmobiliteit zijn geen reguliere, jaarlijks geactualiseerde kengetallen beschikbaar die Nederland in een breder perspectief kunnen plaatsen. Wel vinden zo nu en dan internationaal vergelijkende onderzoeken plaats, die als referentie kunnen dienen. Dit jaar is gebruik gemaakt van gegevens van ReserachNed.

Het betreft hier studenten tijdens hun studie, uitgezonderd eerstejaars studenten. Het percentage studiepuntmobiliteit valt hoger bij afgestudeerden, aangezien buitenlandervaring vaak aan het einde van het curriculum plaatsvindt.

Bij studiepuntenmobiliteit is het doel om, in het kader van de studie thuis, studiepunten te behalen door deelstudie of stage in het buitenland.

Ook bij de studiepuntmobiliteit geldt vooralsnog het streven om in 2010 tenminste op het EU-gemiddelde (in 2000 was dat 25%) uit te komen.

Tabel 8.7: indicatoren internationalisering mbo
Prestatie-indicator:basiswaarde 2005/06laatste waarde 2008streefwaarde 2010
1. Percentage mbo-studenten dat uit Nederland voor minimaal 2 weken naar het buitenland vertrekt voor studie of stage, van de totale Nederlandse studentenpopulatie0,44%0,48%0,65%
2. Percentage docenten in de mbo-sector dat voor minimaal 1 week naar het buitenland vertrekt, van de totale Nederlandse docentenpopulatie3,47%3,11%3,50%
3. Aantal actieve partners (bedrijven, onderwijsinstellingen) in het buitenland*452550
4. Percentage van de Nederlandse onderwijsinstellingen met buitenlandse partners*53%58%

BRON: IMON 2008 (Nuffic, Europees Platform, Cinop)

* Niet eerder onderzocht

Nota bene: Bovenstaande gegevens hebben uitsluitend betrekking op internationalisering in het kader van de programma’s Leonardo da Vinci (van de EU) en BAND.

Toelichting:

Het streven is een gestage groei, vooral waar het gaat om het aantal buitenlandse stages van mbo-studenten, met name dankzij het nieuwe EU-programma Leven Lang leren. Er zijn overigens geen gegevens bekend over mobiliteit buiten de programma’s.

Tabel 8.8: indicatoren internationalisering po/vo
Prestatie-indicator:basiswaarde 2005/06laatste waarde 2006/072007/08streefwaarde 2010
• Percentage po-scholen met een internationale activiteit, met steun van het Europees Platform5,8%7,3%6,4%8%
• Percentage vo-scholen met een buitenlandse partnerinstelling waarmee onderwijsprojectenworden uitgevoerd57,9%58,4%59,5%60%
• Percentage vo-leerlingen met een meerdaagse uitwisseling met het buitenland in het kader van onderwijskundige samenwerking2,4%2,4%2,4%2,5%
• Percentage vo-docenten met een meerdaags studiebezoek, i.h.k.v. nascholing, aan het buitenland, exclusief leerlingenbegeleiding1,64%1,8%1,8%1,8%
• Percentage vo-scholen met een tweetalige opleiding16,36%18,1%19,0%20%

BRON: IMON 2008 (Nuffic, Europees Platform, Cinop)

Toelichting:

De cijfers geven een stabiel beeld weer, hetgeen verklaarbaar is doordat ook het beleid als doel heeft handhaving op het huidige niveau van internationalisering van het vo. Een bescheiden ambitie is er wel voor het po en daar is de trend ook positief. Ook het beleid om het aantal vo-scholen met een tweetalige opleiding te vergroten, lijkt aan te slaan.

Tabel 8.9: Middelen toedeling op artikel 8 aan organisaties voor het stimuleren van internationalisering (x €1 000)
 2008200920102011201220132014
Europees Platform:5 7915 6295 5855 5695 5635 5635 563
• Loketfunctie en Programmabeheer4 7144 4934 4994 4994 4994 4994 499
• Expertise en Platformfunctie1 0771 1361 0861 0701 0641 0641 064
        
Nationaal Agentschap Leven Lang Leren:1 6861 7241 7241 7241 7241 7241 724
• Programma Leven Lang Leren1 6861 7241 7241 7241 7241 7241 724
        
Duitsland Instituut Amsterdam800800800800800800800
        
Frans- Nederlandse academie97114110110110110110
        
Stichting Ons Erfdeel 205205205205205205
        
EVDbureau CROSS:1 2861 2691 1141 1681 1681 1851 185
• Programma’s Centraal- en Oost-Europa1 0171 000845899899916916
• Uitvoeringskosten EVD bureau CROSS269269269269269269269
        
Fullbright Center408408408408408408408
        
Vlaams-Nederlands Huis «de buren»450500500500500500500
Totaal10 51810 64910 44610 48410 47810 49510 495

8.3.2. In internationaal verband waarborgen van de OCW-belangen en benutten van internationale kennis voor de kwaliteit van nationaal beleid.

Motivering

Om de Nederlandse belangen op het terrein van onderwijs, cultuur en wetenschap in het buitenland te behartigen, is een strategische werkwijze noodzakelijk in de EU, in multilaterale organisaties als de OESO en UNESCO, in samenwerkingsverbanden als de Nederlandse Taalunie en in bilaterale samenwerking. Ook biedt de internationale omgeving een schat aan kennis die kan worden benut voor nationaal beleid (bijv. benchmarks, best practices in andere landen, OESO-reviews/rapporten etc). Het gaat hierbij steeds om de internationale agenda optimaal aan te sluiten op de nationale.

Instrumenten

• OCW-vertegenwoordiging in het buitenland

• Participeren in multilaterale organisaties

• Internationale uitwisseling van kennis en cultuur, internationaal beleidsonderzoek en benchmarking (government to government)

Meetbare gegevens bij de operationele doelstelling

Prestatie-indicatoren zijn hier weinig zinvol, het is niet goed mogelijk om een kwantitatieve relatie te leggen tussen de Nederlandse inzet in internationaal overleg met vele actoren en het bereiken van internationale doelen. Uiteraard is er wel kwalitatieve informatie beschikbaar, ondermeer rond belangrijke vergaderingen van de EU en de UNESCO.

8.3.3. Het integreren van de BES-eilanden in Nederland op het gebied van de OCW – beleidsterreinen en het onderhouden van de relaties met de andere landen in het Koninkrijk.

Motivering

Bonaire, Sint Eustatius en Saba (verder met «BES» aangeduid) willen deel uit gaan maken van Nederland. Uiterlijk per 1 januari 2011 houdt het land Nederlandse Antillen op te bestaan. De BES-eilanden worden per die datum «openbare lichamen» binnen Nederland, een rechtsvorm die te vergelijken is met die van een gemeente. De bewindslieden van OCW zijn dan politiek (eind)verantwoordelijk voor alle OCW-aangelegenheden op de BES. Het overnemen van die verantwoordelijkheid op het terrein van het onderwijs vindt plaats tegen de achtergrond van een rapport van de onderwijsinspectie in het najaar van 2008 waarin wordt geconstateerd dat het niveau van het onderwijs op de BES zeer laag is. Via een wetgevingstraject, waarbij de huidige landsverordeningen op de BES worden omgezet in (Nederlandse) wetten, beschikken de bewindslieden over een wettelijke basis die hen in staat stelt de verbetering van het onderwijs daadwerkelijk ter hand te nemen. Gelet op de gewenste snelle verbetering van het onderwijs, wordt deze operatie beleidsrijk ingevuld. Het ministerie van BZK coördineert dit proces. Voor de onderwijssector is door OCW een verbeterprogramma gestart. Hiervoor is in totaal voor de jaren 2009 en 2010 € 12 miljoen (incidenteel) beschikbaar. Dit budget is tot stand gekomen doordat BZK het onderwijs- en jongerensamenwerkingsprogramma voor de BES aan OCW heeft overgedragen en de ministerraad voor zowel 2009 als 2010 per jaar € 4 miljoen beschikbaar heeft gesteld voor dit verbeterprogramma.

Instrumenten

In de eerste plaats wordt beleid gevoerd met regelgeving die geënt is op de Nederlandse. Op die manier kan ook begeleiding vanuit het ministerie worden gegeven en kan toezicht worden gehouden. Naast wet- en regelgeving worden de volgende instrumenten ingezet:

• Begeleiding van scholen

• Verbetering van de primaire processen in de scholen o.a. door invoering leerlingvolgsystemen en training docenten (o.a. met subsidies op basis van de Wet subsidiëring landelijke onderwijsondersteunende activiteiten)

• Versterking van de bestuurlijke kracht op de eilanden (onderwijsdiensten)

• Verbetering materiële positie van de scholen (door subsidies op basis van de Wet overige OCW-subsidies)

• Verbetering van de huisvesting van de scholen

Meetbare gegevens bij de operationele doelstelling

Aangezien het onderhavige project van beperkte duur is – na de overgang wordt het OCW-beleid op de BES geïntegreerd in de reguliere processen – heeft dit artikelonderdeel slechts betrekking op de jaren 2009 en 2010. Het hanteren van prestatie-indicatoren is daarmee hier weinig zinvol. De onderwijsinspectie heeft in het najaar van 2008 vastgesteld dat bijna alle scholen op de BES, naar Nederlandse maatstaven, als «zeer zwak» kunnen worden gekwalificeerd. Op basis van de bevindingen van de inspectie is de volgende doelstelling van het verbeterprogramma geformuleerd: Verhoging van de leerprestaties van alle leerlingen op de BES-eilanden in de kernvakken tot een niveau dat naar Nederlandse maatstaven aanvaardbaar is. De eerste uitkomsten van het evaluatie onderzoek naar de effecten van de onderwijsverbetering op de BES worden pas bekend na 2010.

8.4 Overzicht evaluatieonderzoeken

Tabel 8.10 Overzicht onderzoek naar de doelmatigheid en de doeltreffendheid van beleid
 Onderzoek onderwerpOperationele doelstellingA. StartB. AfgerondVindplaats
BeleidsdoorlichtingInternationalisering PO en VOOD 8.3.1A. 2013B. 2013 
Overig evaluatieonderzoekOnderzoek naar internationale mobiliteitOD 8.3.1A. 2010B. 2010Internationaliseringsmonitor Onderwijs Nederland (IMON)http:/www.nuffic.nl
 FrankrijkOD 8.3.1A. 2010B. 2010 
 Nederlandse TaalunieOD 8.3.2A. 2011B. 2011 
 Stichting Ons ErfdeelOD 8.3.1A. 2012B. 2012 

ARTIKEL 9. ARBEIDSMARKT- EN PERSONEELSBELEID

9.1 Algemene doelstelling: de kwaliteit van het onderwijs wordt gewaarborgd door de beschikbaarheid van voldoende personeel van voldoende kwaliteit voor alle onderwijsdeelnemers.

Omschrijving

Voor goed onderwijs zijn voldoende goed opgeleide leraren een eerste voorwaarde. De economische teruggang beïnvloedt ook de onderwijsarbeidsmarkt. Het aantal vacatures is licht gedaald. De arbeidsmarktsituatie zal er toe hebben bijgedragen dat minder mensen het onderwijs hebben verlaten en meer mensen een baan als leraar ambiëren. Dat neemt niet weg dat zelfs bij laagconjunctuur er in de loop van de komende jaren een tekort aan leraren dreigt. De blijvende hoge vraag naar goed opgeleide, bevoegde en bekwame docenten als gevolg van de grote uitstroom door (pre-)pensionering is de drijvende kracht hierachter. Onderwijsinstellingen staan voor de uitdaging nieuw, hoog opgeleid personeel te werven en te behouden.

In vervolg op het actieplan «LeerKracht van Nederland» (Tweede Kamer, vergaderjaar 2007–2008, 27 923, nr. 45) is in 2008, samen met de sociale partners in po, vo, bve en hbo, via convenanten (Staatscourant, 3 maart 2009, nr. 42) een samenhangend pakket aan (belonings-)maatregelen overeengekomen om het onderwijs aantrekkelijker te maken voor grotere groepen (aspirant) leraren. Dit om – ook ten opzichte van potentiële concurrenten – structureel een goed aanbod te kunnen doen voor nieuw en zittend personeel. Om de kwaliteit van lerarenopleidingen te verbeteren en het lerarenaanbod te vergroten is daarnaast in 2008 de Kwaliteitsagenda «Krachtig meesterschap» gepubliceerd (Tweede Kamer, vergaderjaar 2008–2009, 27 923, nr. 68).

Het kabinet trekt voor de uitvoering van het actieplan honderden miljoenen per jaar extra uit, oplopend tot uiteindelijk ruim € 1 miljard in 2020.

Verantwoordelijkheid van de minister

De minister is verantwoordelijk voor een onderwijsstelsel dat zodanig functioneert dat het onderwijs maximaal aansluit bij de talenten en ambities van individuele leerlingen/studenten en bij wat de maatschappij nodig heeft. In het bijzonder is hij verantwoordelijk voor voldoende en goed gekwalificeerd onderwijspersoneel en voor de (borging van de) kwaliteit van de opleiding van het onderwijspersoneel. De middelen die hij hiervoor tot zijn beschikking heeft zijn wet- en regelgeving, subsidies, toezicht en dialoog met belanghebbenden. De minister ondersteunt deze belanghebbenden op een manier die hen in staat stelt maximaal bij te dragen aan goed onderwijs.

Externe factoren

Het onderwijs is ook afhankelijk van de inzet van leerlingen en studenten, ouders, docenten, schoolleiders, bestuurders, toezichthouders, brancheorganisaties, maatschappelijke organisaties, gemeenten en bedrijven (aansluiting arbeidsmarkt). De minister is daarom mede afhankelijk van de beschikbaarheid, capaciteiten en faciliteiten van deze actoren. Andere factoren die de minister niet kan beïnvloeden en waarvan hij wel afhankelijk is, zijn:

• De invloed van de conjunctuur op de onderwijsarbeidsmarkt en de loonontwikkeling;

• Demografische ontwikkelingen in de leerlingenpopulatie en het lerarenbestand.

Meetbare gegevens bij de algemene doelstelling

Tabel 9.1 Indicatoren
Prestatie-indicatorBasiswaardeLaatste waardeStreefwaarde 1
1. Aantal openstaande vacatures voor leraren en managers in primair onderwijs, voortgezet onderwijs en beroepsonderwijs en volwasseneneducatie, fte’s900 (0,3%)1 440 (0,7%)< 2 200 (< 1%)
Bron: Arbeidsmarktbarometer po, vo,bvePeildatum: 2006Peildatum: 2008Peildatum: 2010
2. Aandeel lessen dat verzorgd wordt door benoembaar personeel83%zie toelichting= 83%
Bron: IPTOPeildatum: oktober 2006Peildatum: oktober 2007Peildatum: oktober 2009

Toelichting:

1. Het gaat bij de streefwaarde van het aantal openstaande vacatures om de nog te vervullen vraag naar personeel. Het streven is om dit niet uit te laten stijgen boven 2 200 (in fte). Dit komt overeen met een onvervulde vacature-intensiteit van 1%. (zie ook bijgevoegde Nota Werken in het onderwijs 2010). Uit de situatie op de onderwijsarbeidsmarkt in de periode 2000 – 2003 is gebleken dat als het tekort van leraren en schoolleiders boven de 1% van de werkgelegenheid komt, de kwaliteit van het onderwijs in het geding komt. Het risico ontstaat dan dat lessen uitvallen en leerlingen naar huis worden gestuurd. Voor de sectoren po, vo en bve bedroeg het vacaturepercentage van leraren en schoolleiders in 2008 gemiddeld 0,7%. Dit percentage valt nog binnen de risicogrens van 1%. Wel was in 2008 in het po, vo en bve het aantal openstaande vacatures voor leraren en directeuren twee keer zo hoog als in 2005.

2. In 2006 werd 83% van de lessen gegeven door leraren die benoembaar zijn. Onder benoembaar wordt verstaan:

• leraren die middels een getuigschrift hebben aangetoond dat ze aan de bekwaamheidseisen voldoen en dus volledig bevoegd zijn;

• leraren die nog niet aan de bekwaamheidseisen voldoen, maar volgens de wet tijdelijk onbevoegd mogen worden aangesteld (bijvoorbeeld zij-instromers en leraren in opleiding).

Voor de korte termijn is het de ambitie om het aandeel lessen dat verzorgd wordt door benoembare leraren ten minste te behouden. Het cijfer 2007 is op het moment van schrijven nog niet beschikbaar, maar wordt indien mogelijk opgenomen in de nota WIO 2010.

9.2 Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 9.2 Budgettaire gevolgen van beleid artikel 9 (x € 1 000)
 2008200920102011201220132014
Verplichtingen208 665214 094291 353304 878308 221328 434341 447
Waarvan garantieverplichtingen       
Totale uitgaven109 199214 094291 353304 878308 221328 434341 447
        
Programma-uitgaven107 318211 744289 185302 908306 639326 852339 865
        
Zorgen voor de beschikbaarheid van voldoende personeel26 42755 556116 057115 057105 503115 376128 907
• Een betere beloning 26 85086 83686 83678 28288 155101 686
• Arbeidsmarkt2 7827 40011 00010 0009 0009 0009 000
• Overig23 64521 30618 22118 22118 22118 22118 221
        
Versterken van de positie van leraren en zorgen voor personeel van voldoende kwaliteit78 403153 413170 329185 052198 337208 677208 159
• Een sterker beroep60 453112 744119 513133 950149 766160 063159 552
• Een professionelere school12 72235 55036 30036 30035 80035 80035 800
• Overig5 2285 11914 51614 80212 77112 81412 807
        
Programmakosten-overig2 4882 7752 7992 7992 7992 7992 799
• Uitvoeringsorganisatie DUO2 4882 7752 7992 7992 7992 7992 799
        
Apparaatsuitgaven1 8812 3502 1681 9701 5821 5821 582
Ontvangsten1 3443 500     

Coalitieakkoord:

In het Coalitieakkoord zijn voor lerarenbeleid (artikel 9) enveloppengelden gereserveerd. Via een Nota van Wijziging (Tweede Kamer, vergaderjaar 2007–2008, 31 200 VIII, nr. 58) komt er bovendien extra geld beschikbaar voor uitvoering van het actieplan «LeerKracht van Nederland». Het gaat in totaal om een bedrag van € 134 miljoen in 2008, oplopend tot € 1 027 miljoen in 2020. Dit geld staat nog niet allemaal op de OCW-begroting. Met ingang van 2012 staat een deel hiervan, te weten de oploop van de ILO-vergoeding, nog op de aanvullende post bij Financiën gereserveerd.

Voor 2010 is de verhoging voor het actieplan € 612 miljoen en voor 2011 € 688 miljoen, waarvan in het kader van een betere beloning respectievelijk € 356 miljoen en € 420 miljoen naar de onderwijssectoren is overgeboekt (naar resp. artikel 1 voor po, artikel 3 voor vo, artikel 4 voor bve en artikel 6 voor ho). De maatregelen uit het actieplan hebben, naast een betere beloning, betrekking op een sterker beroep en een professionelere school. Bij de operationele doelstellingen wordt dit nader toegelicht.

Tabel 9.3 Budget flexibiliteit per operationele doelstelling (x € 1 000)
 20102011201220132014
Programma-uitgaven (totaal operationele doelstellingen)286 386300 109303 840324 053337 066
Totaal juridisch verplicht245 109254 560197 955158 637148 641
Totaal bestuurlijk gebonden41 27745 549105 885165 416188 425
Totaal niet-juridisch verplicht of bestuurlijk gebonden00000
Zorgen voor de beschikbaarheid van voldoende personeel116 057115 057105 503115 376128 907
• Juridisch verplicht110 747109 65593 866103 403116 934
• Bestuurlijk gebonden5 3105 40211 63711 97311 973
• Niet-juridisch verplicht of bestuurlijk gebonden00000
      
Versterken van de positie van leraren en zorgen voor personeel van voldoende kwaliteit170 329185 052198 337208 677208 159
• Juridisch verplicht134 362144 905104 08955 23431 707
• Bestuurlijk gebonden35 96740 14794 248153 443176 452
• Niet-juridisch verplicht of bestuurlijk gebonden00000

9.3 Operationele beleidsdoelstelling

9.3.1 Zorgen voor de beschikbaarheid van voldoende personeel

Motivering

Schoolbesturen hanteren een toekomstgericht personeelsbeleid. Om daarin effectief te zijn moeten ze (regionaal) samenwerken. OCW ondersteunt de schoolbesturen daarbij. De sterk toenemende uitstroom van leraren als gevolg van het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd, en het feit dat ook de kwaliteit van het onderwijspersoneel onder druk staat, maakt dat de aantrekkelijkheid van beroepen in het onderwijs omhoog moet. Daarbij is een goede beloning van belang.

Instrumenten

Een betere beloning

Door de financiële ruimte te bieden meer leraren in hogere schalen te plaatsen wordt het beroep van leraar hoger gewaardeerd. De loopbaanmogelijkheden van leraren worden vergroot en er ontstaan mogelijkheden om leraren meer te belonen naar opleiding(sniveau), functiezwaarte en/of goed functioneren. Daarnaast komt er meer carrièreperspectief voor leraren door een snellere salarisgroei (inkorten salarislijnen en koppeling tussen functioneren en salarisgroei). In 2010 is € 356 miljoen beschikbaar voor het versterken van de functiemix en het inkorten van de salarislijnen. Dit geld wordt toegevoegd aan de lumpsum van de instellingen voor po, vo, bve en ho. In de convenanten LeerKracht van Nederland (Staatscourant, 3 maart 2009, nr. 42) zijn afspraken gemaakt over invoering van de functiemix per sector, de criteria voor het toekennen van promoties en het inkorten van de salarislijnen.

De afspraken uit de convenanten LeerKracht van Nederland zijn geformaliseerd in de decentrale onderwijscao’s. In deze cao’s maken sociale partners (werkgevers- en werknemersorganisaties in het onderwijs) afspraken over de primaire en secundaire arbeidsvoorwaarden.

Uitsluitend in de sector po onderhandelt de minister nog met de werknemersorganisaties over de primaire arbeidsvoorwaarden. In 2007 hebben de minister en deze organisaties hierover een cao afgesloten met een looptijd tot en met 31 juli 2009. Inmiddels zijn – in vervolg op de decentralisatie van de secundaire arbeidsvoorwaarden per 1 augustus 2006 – de voorbereidingen gestart voor de volledige decentralisatie van de primaire arbeidsvoorwaarden; de Tweede Kamer is hierover geïnformeerd met een brief op 3 juli 2008 (Tweede Kamer, vergaderjaar 2007–2008, 27 923, nr. 62). Op 1 juli 2009 is aan de Tweede Kamer het wetsvoorstel aangeboden dat deze decentralisatie mogelijk maakt (Tweede Kamer, vergaderjaar 2008–2009, 31 997, nrs. 1–3).

In de sectoren vo en bve zijn ook afspraken gemaakt over de versterking van de functiemix in de zogenaamde Randstadregio’s. Hier kennen scholen een grotere beloningsachterstand ten opzichte van de marktsector, een grotere arbeidsmarktproblematiek en (een optelsom van) grootstedelijke problemen. In 2010 is voor de vo-sector € 52,2 miljoen en voor de bve-sector € 34,6 miljoen beschikbaar, die op grond van een subsidieregeling in aanvulling op de lumpsum wordt verstrekt aan instellingen in deze regio’s.

Arbeidsmarkt

Het is van belang, met name in de regio’s waar grote tekorten aan leraren worden verwacht, dat schoolbesturen op regionaal niveau samenwerken om de tekorten op te kunnen vangen. OCW ondersteunt de regio’s die bovengemiddeld risico lopen op arbeidsmarktproblemen bij een gezamenlijke aanpak van de regionale knelpunten op de onderwijsarbeidsmarkt. In het actieplan «LeerKracht van Nederland» zijn voor het voortgezet onderwijs 11 regio’s aangemerkt als risicoregio. Op grond van een in 2008 gepubliceerde subsidieregeling ontvangen deze regio’s in de periode 2008–2011 in totaal € 24,5 miljoen aan financiële ondersteuning voor een gezamenlijke aanpak van de regionale arbeidsmarktproblematiek.

OCW investeert in arbeidsomstandighedenbeleid, (ziekte)verzuimbeleid en re-integratiebeleid (AVR-taken) in de sectoren po en vo. Dit via subsidies aan het Vervangingsfonds voor het po en de VO-raad (Arbo-VO) voor het vo (voor 2010 in totaal € 9,4 miljoen). Het beleid draagt in belangrijke mate bij aan goede arbeidsomstandigheden, een veilige werk- en leeromgeving en aan een laag ziekteverzuim- en uitvalpercentage in de betreffende sectoren.

Meetbare gegevens bij de operationele doelstelling

Tabel 9.4 Indicatoren
IndicatorBasiswaardeLaatste waardeStreefwaarde 1
1. Het aandeel afgestudeerden aan de lerarenopleiding met een baan (= 12 uur) in het onderwijs, half jaar na afstuderen:   
  • primair onderwijs78%79%= 78%
  • voortgezet onderwijs75%75%= 75%
Bron: Loopbaanmonitor Ecorys Peildatum: Cohort 2005Peildatum: Cohort 2007 Peildatum: Cohort 2009
2. Ziekteverzuimpercentage   
  • primair onderwijs5,9%6,1%= 5,9%
  • speciaal onderwijs6,3%6,7%= 6,3%
  • voortgezet onderwijs5,0%5,0%= 5,0%
  • beroepsonderwijs en volwasseneducatie5,8%5,8%= 5,8%
Bron: Regioplan Beleidsonderzoek, VO-raad en Arboservicepunt BVEPeildatum: 2006Peildatum: 2008Peildatum: 2009

Toelichting:

Het percentage aandeel afgestudeerden aan de lerarenopleiding met een baan (= 12 uur) in het onderwijs, een half jaar na afstuderen, is – na een lichte daling in 2006 in zowel het primair onderwijs als het voortgezet onderwijs – in 2007 weer op het niveau van de basiswaarde (2005) gekomen. Het streven is dit minimaal vast te houden.

Na een jarenlange daling zijn de ziekteverzuimpercentages, met uitzondering van die voor de sector beroepsonderwijs en volwasseneneducatie, in 2007 licht gestegen.

9.3.2. Versterken van de positie van leraren en zorgen voor personeel van voldoende kwaliteit

Motivering

Voor goed onderwijs zijn leraren nodig die zelfbewust en kritisch zijn en voldoen aan de kwaliteitseisen die zijn vastgelegd in de bekwaamheidseisen voor leraren. Het gaat om mensen die in de school een belangrijke rol spelen bij de ontwikkeling van het onderwijs en in staat zijn het onderwijs zo in te richten dat kinderen, jongeren en volwassenen hun talenten optimaal kunnen benutten en ontwikkelen. Dit vraagt om een sterke beroepsgroep, lerarenopleidingen waarvan de kwaliteit niet ter discussie staat en scholen die goed personeels- en opleidingsbeleid voeren.

Instrumenten

Een sterker beroep

In 2009 is de Regeling lerarenbeurs voor scholing verlengd (Staatscourant 18 mei 2009, nummer 90). Met de beurs – voor zowel opleidingskosten als de vervangingskosten tijdens het studieverlof – kunnen leraren in het po, vo, bve en hbo een opleiding volgen om hun kwalificatieniveau te verhogen, hun kwalificaties te verbreden of zich te specialiseren. Op deze wijze kunnen zij de regie nemen over hun professionalisering. De verlengde regeling voorziet ook in een subsidie voor de opleiding van onbevoegde zij-instromers, aan te vragen door scholen in het vo en bve. In 2010 bedraagt het budget voor de lerarenbeurs € 43 miljoen. Verwacht wordt dat in 2010 circa 4000 leraren met de beurs aan een opleiding zullen beginnen. Het budget voor zij-instroom bedraagt in 2010 € 3,8 miljoen. Hiermee kan voor circa 200 personen een zij-instroomtraject bekostigd worden.

Vanaf het schooljaar 2009/2010 wordt het opleiden in de school structureel geregeld via de regeling tegemoetkoming kosten opleidingsschool (Staatscourant 13 mei 2009, nummer 87). Het streven is om het aantal studenten, dat jaarlijks wordt opgeleid op totaal 50 opleidingsscholen, te verdubbelen van circa 4 000 nu naar 8 000 in 2011. Oplopend is hiervoor vanaf 2011 € 17 miljoen per jaar beschikbaar. Voor de structurele verankering van de academische opleidingsschool is een verdere verdiepingsslag nodig. Met de regeling verdiepingsslag academische opleidingsschool 2009–2011 (Staatscourant 13 mei 2009, nummer 87) worden circa 20 scholen in de gelegenheid gesteld hieraan mee te doen (voor 2010 gaat het om een bedrag van € 1,4 miljoen).

Door de lerarenopleidingen in het hbo wordt gewerkt aan de ontwikkeling van kennisbases per vak en worden gezamenlijk toetsen ontwikkeld. Daarmee wordt het eindniveau van de opleidingen duidelijk vastgelegd. De kennisbases worden vanaf 2009 ingevoerd, OCW geeft daar subsidie voor.

Het niveau van leerlingen die instromen in de lerarenopleidingen moet omhoog. De doorlopende leerlijnen taal & rekenen zullen op den duur hun effect hebben op de instroom uit het vo en mbo. Tot die tijd blijven de toetsen voor taal en rekenen op de pabo gehandhaafd. Zo ook in 2010.

Daarnaast worden ook in 2010 de lerarenopleidingen door middel van een bijdrage in de lumpsum financieel ondersteund bij het aanbieden van summercourses voor taal en rekenen.

Het LPBO heeft in zijn rapport Educatieve masteropleidingen, Beeld van een behoefte aangegeven dat er behoefte is aan een masteropleiding Leren en Innoveren. Met ingang van 2010 wordt hiervoor subsidie (maximaal € 4 miljoen) toegekend aan de hogescholen (artikel 6).

Met de universiteiten is afgesproken dat zij samen met het voortgezet onderwijs een educatieve minor zullen ontwikkelen voor vakbachelors. Studenten die deze minor met goed gevolg hebben afgelegd, worden bevoegd om in de theoretische leerweg van het vmbo en de eerste drie jaren van havo/vwo onderwijs te verzorgen in het schoolvak dat met hun opleiding overeenkomt. De bedoeling is om de student te stimuleren door te stromen naar een masteropleiding waar hij onderwijsbevoegdheid kan halen voor het voorbereidend hoger onderwijs.

Universiteiten bieden de educatieve minor vanaf september 2009 aan, dit vooruitlopend op een wijziging van de Wet op het voortgezet onderwijs die de basis biedt voor benoeming van betreffende afgestudeerde bachelors. Hiervoor heeft de Tweede Kamer in het debat van 22 april 2009 (Tweede Kamer, vergaderjaar 2008–2009, 27 923, nr. 80) toestemming verleend. Voor de ontwikkeling en de invoering van de educatieve minor wordt incidenteel subsidie ter beschikking gesteld.

Een van de mogelijkheden om de inzet van academici in het onderwijs te vergroten en jong talent in een breed (maatschappelijk) perspectief op te leiden voor een passende functie in het bedrijfsleven is dat zeer getalenteerde pasafgestudeerden een aantal jaren lesgeven, en daarin hun onderwijsbevoegdheid halen, voor zij beginnen aan hun carrière in het bedrijfsleven. Vanuit deze gedachte wordt, naar analogie met het Engelse Teach First en het Amerikaanse Teach for America, de pilot «Eerst de Klas» opgezet. Met dit experiment wordt ondermeer nagegaan of het initiatief in Nederland een positieve bijdrage kan leveren aan het tegengaan van het kwantitatieve en kwalitatieve lerarentekort.

Zowel in het actieplan «LeerKracht van Nederland» als in de kwaliteitsagenda «Krachtig Meesterschap» is het belang van lectoraten verbonden aan lerarenopleidingen onderschreven. Om die reden is, aanvullend op het geld dat voor lectoren in het hbo in het algemeen beschikbaar is, structureel € 3 miljoen extra toegekend. Dit geld is toegevoegd aan het zogenaamde O&O-deel van de rijksbijdrage van de hogescholen (artikel 6).

De regeling Krachtig meesterschap (Staatscourant 13 mei 2009, nummer 87) stimuleert samenwerkingsverbanden van scholen en lerarenopleidingen om projecten te ontwikkelen op het gebied van excellentie bij het opleiden van leraren en/of het beroep van leraar. Projecten die talent bij (aankomende) leraren bevorderen via opleiding en scholing komen in aanmerking voor subsidie. Dit moet uiteindelijk bijdragen aan meer en beter opgeleide leraren. Voor deze stimuleringsregeling is tot en met 2012 in totaal een bedrag van € 18 miljoen beschikbaar.

Ter versterking van het beroep en de kwaliteit van de leraar worden ook in 2010 subsidies verstrekt aan de Stichting Beroepskwaliteit Leraren (€ 2,7 miljoen), de Open Universiteit Nederland Ruud de Moorcentrum (€ 7,6 miljoen) en het Sectorbestuur Onderwijsarbeidsmarkt (€ 5,2 miljoen).

Een professionelere school

Om het beroep van leraar aantrekkelijker te maken en om de kwaliteit van het onderwijs te versterken is het van belang dat de leraar in de dagelijkse onderwijspraktijk beschikt over professionele ruimte. Dat is de interne zeggenschap over het ontwerp en de uitvoering van het onderwijskundig- en kwaliteitsbeleid van de school. In de convenanten LeerKracht van Nederland is daarom met sociale partners afgesproken de professionele ruimte van de leraar (po, vo, mbo en hbo) wettelijk vast te leggen. Er is een wetvoorstel in voorbereiding dat via een wijziging van de sectorwetten uitvoering geeft aan die afspraak. De planning is erop gericht het wetsvoorstel eind 2009 aan de Tweede Kamer aan te bieden en in 2011 in werking te laten treden.

In het actieplan «LeerKracht van Nederland» is aangekondigd dat de overheid het initiatief neemt om samen met het onderwijs, het bedrijfsleven en de wetenschap te onderzoeken welke ict-innovaties in schoolorganisaties een bijdrage kunnen leveren aan het verminderen van het lerarentekort. Het doel is de kwaliteit van het onderwijs te behouden, terwijl er in de toekomst minder (gekwalificeerde) docenten beschikbaar zullen zijn. In het schooljaar 2010/2011 starten experimenten op scholen in het po en vo om te onderzoeken welke innovaties effect hebben op de arbeidsproductiviteit. Belangrijke aspecten van dit project zijn het vergroten van het urgentiegevoel voor het tijdig invoeren van innovatieve oplossingen in scholen. Dit met het oog op het toekomstige tekort aan leraren en ondersteuning van de professionaliteit van het onderwijs. De bedoeling is dat er kennis wordt verzameld en toegankelijk wordt gemaakt over welke innovatieve oplossingen werken, welke niet en waarom.

Het betreft FES-middelen (€ 20 miljoen), in het najaar 2009 beslist het kabinet over de toekenning.

Doelgerichte teams kunnen een bijdrage leveren aan verbeteringen in het onderwijsproces, zoals hogere cijfers, minder zittenblijvers, maar ook een vermindering van het aantal voortijdig schoolverlaters. Op grond van het actieplan «LeerKracht van Nederland» worden de mogelijkheden onderzocht om een wetenschappelijk experiment in de bve-sector te starten op het terrein van teambeloning. Met dit experiment, met een looptijd van circa vier jaar, wordt nagegaan of teambeloning ook in de Nederlandse context bijdraagt aan het beter functioneren van teams en in het verlengde daarvan tot verbeteringen in het onderwijsproces.

Meetbare gegevens bij de operationele doelstelling

Tabel 9.5 Indicatoren
IndicatorBasiswaardeLaatste waardeStreefwaarde 1
1. Lerarenopleiding   
  • Oordeel NVAO over kwaliteit Pabo’s en lerarenopleidingen vo/bvezie toelichtingzie toelichtingzie toelichting
  • (Afstudeer) rendement   
    – uitval Pabo’s na 1 jaar21%zie toelichting< 21%
    – rendement Pabo’s na 5 jaar65%zie toelichting= 65%
    – uitval lerarenopleidingen vo/bve na 1 jaar19%zie toelichting= 19%
    – rendement lerarenopleidingen vo/bve na 5 jaar51%zie toelichting= 51%
Bron: NVAO en HBO-raadPeildatum: 2008 Peildatum: 2009
2. Tevredenheid ouders over kwaliteit leraren   
  • primair onderwijs7,77,7= 7,7
  • voortgezet onderwijs7,17,1= 7,1
Bron: OnderwijsmeterPeildatum: 2006Peildatum: 2008Peildatum: 2010

Toelichting:

Voor het meten van de kwaliteit van de lerarenopleidingen (pabo’s en lerarenopleidingen vo/bve) is het oordeel van de Nederlands Vlaamse Accreditatie Organisatie (NVAO) het belangrijkste instrument. Eenmaal per zes jaar wordt een dergelijke beoordeling uitgevoerd. Jaarlijks wordt dit aangevuld met het (afstudeer) rendement na respectievelijk 1 en 5 jaar.

Oordeel NVAO over kwaliteit: het stelsel voor kwaliteitszorg hoger onderwijs voorziet erin dat opleidingen elke 6 jaar worden onderworpen aan een beoordeling van de kwaliteit voor visiterende en beoordelende instanties (VBI’s). Op basis van deze beoordeling verleent de NVAO al dan niet een accreditatie aan opleidingen. Het oordeel van de NVAO over de pabo’s wordt in 2009 verwacht; het oordeel over de lerarenopleidingen vo/bve in 2010. Op basis daarvan wordt de basiswaarde vastgesteld. Inmiddels zijn 24 pabo’s geaccrediteerd.

(Afstudeer) Rendement: jaarlijks wordt het rendement vastgesteld voor de pabo’s en de lerarenopleidingen vo/bve. Hier wordt het uitvalcijfer 1 jaar en het rendementscijfer vijf jaar na begin van de opleiding gehanteerd. De peildatum voor de basiswaarde (tevens laatste waarde) is 2008.

Ouders beoordelen jaarlijks de kwaliteit van de leraar van hun kind met een rapportcijfer. Het is de ambitie om de waardering 2008 ten minste te behouden. Met ingang van 2008 wordt de Onderwijsmeter niet meer jaarlijks gehouden, maar tweejaarlijks.

9.4 Overzicht onderzoek naar de doelmatigheid en de doeltreffendheid van beleid

Tabel 9.6 Overzicht onderzoek naar de doelmatigheid en de doeltreffendheid van beleid
 Onderzoek OnderwerpAD of ODA StartB. AfgerondVindplaats
BeleidsdoorlichtingActieplan LeerKrachtOD 9.3.1+2A. 2008B. 2011Zie toelichting
Effectenonderzoek ex postN.v.t.   
Overig evaluatieonderzoekLoopbaanmonitorOD 9.3.1A. 2009B. 2010Zie toelichting
 OnderwijsarbeidsmarktramingOD 9.3.1A. 2008B. 2010Zie toelichting
 Arbeidsmarktbarometers primair onderwijs, voortgezet onderwijs en middelbaar beroepsonderwijsOD 9.3.1A. 2009B. 2010Zie toelichting
 Integrale Personeelstelling Voortgezet OnderwijsOD 9.3.2A. 2010B. 2010Zie toelichting
 Evaluatie aanpak risicoregio’sOD 9.3.1A. 2009B. 2012Zie toelichting
 Evaluatie lerarenbeursOD 9.3.2A. 2008B. 2012Zie toelichting

Toelichting:

Over de wijze van monitoren van de doelstellingen en resultaten uit het actieplan «LeerKracht van Nederland» is met de Tweede Kamer afgesproken tweemaal per jaar te rapporteren. Enerzijds door een voortgangsbrief in het voorjaar en anderzijds door een jaarrapportage via de Nota Werken in het Onderwijs (WIO) – die op Prinsjesdag wordt aangeboden aan de Tweede Kamer. Dit geschiedt ondermeer in de vorm van indicatoren. Hiervoor geldt dat, naast de stand, ook de ontwikkeling wordt weergegeven, alsmede in hoeverre de realisatie in lijn is met het afgesproken pad. Daarnaast zal een aantal langer doorlopende onderzoeken met als oogmerk effectmeting worden opgestart, waarbij ook moeilijker meetbare beleidsdoeleinden, zoals het versterken van de positie van de leraar, aan de orde komen.

De aan de Nota WIO ten grondslag liggende eindrapportages worden gepubliceerd in de reeks Beleidsonderzoek Arbeidsmarkt en Personeelsbeleid Onderwijs en op de internetsite van OCW:http://www.minocw.nl/onderwijspersoneelenkwaliteit/documenten/index.html

ARTIKEL 11. STUDIEFINANCIERING

11.1 Algemene doelstelling: studiefinanciering zorgt ervoor dat studenten in het hoger onderwijs en deelnemers in de beroepsopleidende leerweg (vanaf 18 jaar) de financiële mogelijkheden hebben om onderwijs te volgen.

Omschrijving

Onderwijs levert een belangrijke bijdrage aan de bevordering van een duurzame groei van de Nederlandse (kennis)economie en de maatschappelijke participatie van burgers. OCW waarborgt met studiefinanciering de toegankelijkheid van en de deelname aan het onderwijs door de financiële belemmeringen weg te nemen voor de volgende doelgroepen:

• deelnemers van 18 jaar en ouder in de beroepsopleidende leerweg;

• studenten in het hoger beroepsonderwijs en

• studenten in het wetenschappelijk onderwijs.

De overheid zet haar middelen voor studiefinanciering zo in, dat het onderwijs voor iedereen toegankelijk is, ook voor mensen met een lager inkomen. Van de ouders wordt verwacht dat zij, wanneer mogelijk, bijdragen in de financiering van de studie van hun kinderen. Hiervoor zijn richtbedragen, maar de hoogte van de bijdrage is een zaak tussen ouders en kinderen. Ten slotte is er de student zelf. Omdat de studie ook een investering in de eigen toekomst is, is het redelijk dat ook de student een bijdrage levert. Het stelsel is zo ingericht dat er een prikkel bestaat voor de studerenden om de studie af te ronden met een diploma (prestatiebeurs).

Om in het kader van de crisismaatregelen de toename van de uitgaven studiefinanciering te beperken wordt een wetswijziging voorbereid om de normbedragen voor de studiefinanciering in 2011 en 2012 niet te indexeren en om de aanvullende beurs in het hoger onderwijs vanaf cursusjaar 2010–2011 na de eerste vijf maanden onder het prestatiebeursregime te brengen.

Het niet indexeren van de normbedragen voor de studiefinanciering houdt in dat het bedrag dat studenten met een beurs of een lening kunnen financieren in 2011 en 2012 niet verhoogd wordt met de ontwikkeling van de consumentenprijsindex. Als gevolg van prestatiebeurseffecten leidt dat tot een oplopende besparing op de relevante uitgaven van circa € 5 miljoen in 2011 tot € 15 miljoen in 2014.

Het na de eerste vijf maanden onder de prestatiebeurs brengen van de aanvullende beurs in het hoger onderwijs houdt in dat de aanvullende beurs vanaf cursusjaar 2010–2011 voor de eerste vijf maanden direct als gift wordt uitgekeerd in plaats van de eerste twaalf maanden, zoals dat nu nog het geval is. Hierdoor worden de relevante uitgaven naar achteren verplaatst: na de vijfde maand studiefinanciering wordt de aanvullende beurs pas een relevante uitgave als deze na het voldoen aan de prestatiebeurseis in een gift wordt omgezet. Hierdoor ontstaat in de eerste jaren een besparing van de relevante uitgaven oplopend tot € 52 miljoen in 2013, daarna langzaam aflopend. Voor de meeste studenten heeft dit geen consequenties, omdat de aanvullende beurs bij het tijdig behalen van het diploma een gift blijft. Voor studenten die er niet in slagen om hun studie binnen tien jaar af te ronden, bestaat al een apart vangnet om de aanvullende beurs afhankelijk van hun inkomen alsnog kwijt te kunnen schelden.

Verantwoordelijkheid van de minister

De minister is direct verantwoordelijk voor de ontwikkeling en het onderhoud van het bestel door het scheppen van kaders voor toegankelijkheid en doelmatigheid. Met (gedeeltelijk inkomensafhankelijke) studiefinanciering waarborgt de minister de financiële toegankelijkheid.

Externe factoren

• Demografische ontwikkelingen

• De attitude ten opzichte van de regeling (wel of niet gebruik)

• De conjuncturele ontwikkeling

• Het studiefinancieringsbeleid van andere landen en uitspraken Europese Hof van Justitie

Meetbare gegevens bij de algemene doelstelling

Tabel 11.1 Onderwijsdeelname naar leeftijd
Leeftijd18192021222324252627282930
Deelnamepercentage 200885756656463729211511975

Bron: OCW (CFI), Leerlingen en studententellingen 2008

De absolute aantallen studerenden mbo en ho zijn gepresenteerd bij de operationele doelstellingen van de beleidsartikelen bve (paragraaf 4.3.1, tabel 4.5) en ho (paragraaf 6.3.1, tabel 6.8).

Tabel 11.2 Verwachte rendementen
Studie begonnen in20042005200620072008
wo7470697169
hbo7473726968
bol66747174n.n.b.

Bron: OCW (CFI), onderwijsmatrices 2000–2007, 2008: berekeningen OCW o.b.v. Leerlingen- en studententellingen 2009.

• bij de bol is 2004 een schatting

Toelichting:

Onder rendement wordt verstaan het percentage dat een diploma haalt. Deze rendementscijfers worden berekend uit actuele gegevens betreffende doorstroom- en diplomeringsfracties per inschrijvingsjaar.

Het beleid is gericht op de optimalisering van de deelname van burgers aan het onderwijs. Studiefinanciering draagt daaraan bij door de financiële toegankelijkheid van het onderwijs te waarborgen. Voor de positie op de arbeidsmarkt is het afronden van een opleiding ook van groot belang. De voorwaarden waaronder studiefinanciering aan studerenden wordt verstrekt, kunnen een belangrijke rol spelen bij de inzet van studerenden gedurende hun studieperiode.

Vanaf 1996 voor het ho en vanaf 2005 voor de bol niveau 3 en 4 wordt de studiefinanciering verstrekt in de vorm van een prestatiebeurs. De prestatiebeurs is een lening die wordt omgezet in een gift na het behalen van het diploma (binnen tien jaar na aanvang van de studie). De invoering van het prestatiebeursregime in het ho en niveau 3 en 4 van de bol beoogt studerenden tot verbetering van de studieresultaten te stimuleren, waardoor het studierendement zal verbeteren.

11.2 Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 11.3 Budgettaire gevolgen van beleid artikel 11 (x € 1 000)
 2008200920102011201220132014
Verplichtingen3 782 2673 626 6643 934 1924 116 3604 346 7254 455 2164 553 653
Waarvan garantieverplichtingen       
Totale uitgaven3 782 2673 626 6643 934 1924 116 3604 346 7254 455 2164 553 653
        
Programma-uitgaven3 781 3593 626 6643 934 1924 116 3604 346 7254 455 2164 553 653
        
Waarborgen van de algemene financiële toegankelijkheid van het onderwijs voor studenten1 861 4851 511 7071 701 9581 741 5971 863 7021 893 7491 916 767
• Basisbeurs992 610988 2021 024 2871 034 2381 058 6671 064 7741 065 775
• Reisvoorziening868 875523 505677 671707 359805 035828 975850 992
        
Waarborgen toegankelijheid van het onderwijs voor studerenden met minder draagkrachtige ouders589 731668 572689 726752 650789 033802 326810 825
• Aanvullende beurs589 731668 572689 726752 650789 033802 326810 825
        
Waarborgen flexibiliteit in de wijze van financiering door de studerende1 219 3261 292 0001 394 4001 477 9001 547 9001 612 0001 673 800
• Bijverdiengrens0000000
• Leenfaciliteit1 219 3261 292 0001 394 4001 477 9001 547 9001 612 0001 673 800
        
Stimuleren internationale studentenmobiliteit0000000
        
Overige uitgaven Studiefinanciering32 58977 90071 00073 13074 13074 93075 630
        
Programmakosten-overig78 22876 48577 10871 08371 96072 21176 631
• Uitvoeringsorganisatie DUO78 22876 48577 10871 08371 96072 21176 631
Totaal programma-uitgaven3 807 4183 626 6643 934 1924 116 3604 346 7254 455 2164 553 653
– Waarvan relevant1 683 1181 703 1642 122 9922 317 9602 534 8252 624 5162 719 453
– Waarvan niet-relevant2 124 3001 923 5001 811 2001 798 4001 811 9001 830 7001 834 200
Apparaatsuitgaven908000000
Totaal ontvangsten473 015501 000540 200595 500654 400715 100776 800
Waarborgen adequate terugbetaling leningen       
• Terugbetalingssysteem van lening naar draagkracht397 598430 600487 700543 000601 900662 600724 300
Overige ontvangsten uit kortlopende schulden75 41770 40052 50052 50052 50052 50052 500
Totaal ontvangsten473 015501 000540 200595 500654 400715 100776 800
– Waarvan relevant246 097249 200252 100270 600292 800318 200345 800
– Waarvan niet-relevant226 918251 800288 100324 900361 600396 900431 000

Toelichting:

Onder de niet-relevante uitgaven voor het EMU-saldo vallen de rentedragende leningen en de uitgaven voor de prestatiebeurs (zolang deze nog niet zijn omgezet in een gift). De niet-relevante ontvangsten betreffen de aflossingen op de rentedragende leningen. Een nadere specificatie van de raming van de uitgaven per instrument is opgenomen in paragraaf 11.3 (operationele doelstellingen).

De uitgaven voor het stimuleren van internationale studentenmobiliteit zijn niet apart geraamd maar zijn onderdeel van de totale uitgaven bij de overige operationele doelstellingen.

Tabel 11.4 Budget flexibiliteit per operationele doelstelling (x € 1 000)
 20102011201220132014
Programma-uitgaven (totaal operationele doelstellingen)3 857 0844 045 2774 274 7654 383 0054 477 022
Totaal juridisch verplicht3 857 0844 045 2774 274 7654 383 0054 477 022
Waarborgen van de algemene financiële toegankelijkheid van het onderwijs voor studenten1 701 9581 741 5971 863 7021 893 7491 916 767
• Juridisch verplicht1 701 9581 741 5971 863 7021 893 7491 916 767
      
Waarborgen toegankelijkheid van het onderwijs voor studerenden met minder draagkrachtige ouders689 726752 650789 033802 326810 825
• Juridisch verplicht689 726752 650789 033802 326810 825
      
Waarborgen flexibiliteit in de wijze van financiering door de studerende1 394 4001 477 9001 547 9001 612 0001 673 800
• Juridisch verplicht1 394 4001 477 9001 547 9001 612 0001 673 800
      
Stimuleren internationale studentenmobiliteit00000
• Juridisch verplicht00000
      
Overige uitgaven Studiefinanciering71 00073 13074 13074 93075 630
• Juridisch verplicht71 00073 13074 13074 93075 630

Toelichting:

Alle uitgaven onder dit artikel zijn wettelijke uitgaven, namelijk gebaseerd op de WSF 2000. De mate van budgetflexibiliteit wordt bepaald door de mate waarin de wet en de daarop gebaseerde regelingen gewijzigd kunnen worden. De juridisch verplichte uitgaven voor internationale studentenmobiliteit zijn onderdeel van de overige genoemde operationele doelstellingen.

11.3 Operationele beleidsdoelstelling

In deze begroting is ten opzichte van de begroting 2009 de operationele beleidsdoelstelling «Stimuleren internationale studentenmobiliteit» als afzonderlijke beleidsdoelstelling opgenomen.

11.3.1 Waarborgen van de algemene financiële toegankelijkheid van het onderwijs voor de studerenden

Motivering

Een basisbeurs en een reisvoorziening dragen ertoe bij dat studenten in het hoger onderwijs en deelnemers van 18 jaar en ouder in de beroepsopleidende leerweg financieel in staat zijn om onderwijs te volgen.

Instrumenten

Een basisbeurs en een reisvoorziening in de vorm van een OV-studentenkaart. Hiermee levert OCW een bijdrage aan het normbudget van studerenden. Het bestaan van deze regelingen wordt via de IB-Groep onder de aandacht gebracht bij de doelgroep.

Meetbare gegevens bij de operationele doelstelling

Tabel 11.5 Totaal aantal studerenden met studiefinanciering
 20072008200920102011201220132014
wo111 339115 481121 200127 800132 100136 200140 100143 800
hbo240 081242 882250 000256 500261 300265 500269 200272 600
bol219 077210 186208 600205 300214 200225 200226 200224 800
Studerenden met basisbeurs570 497568 549579 800589 600607 600626 900635 500641 200
wo36 62233 86935 50037 50038 80040 00041 10042 200
hbo30 60130 68131 60032 40033 00033 50034 00034 400
bol01 0006 4009 0009 0009 5009 700
Alleen ov-kaart en/of lening67 22364 55068 10076 30080 80082 50084 60086 300
Totaal637 720633 099647 900665 900688 400709 400720 100727 500

Bron 2007 en 2008: realisatiegegevens IB-Groep. Bron 2009–2014: referentieraming 2009 / ramingsmodel SF

Toelichting:

Deze gegevens verstrekken een indicatie van het gebruik van de regeling. Het aantal studerenden met studiefinanciering volgt het aantal voltijds studerenden in het ho en de bol in Nederland, maar ligt lager omdat niet iedere studerende die is ingeschreven en onderwijs volgt ook daadwerkelijk aanspraak heeft op studiefinanciering. De raming van het aantal studerenden met een basisbeurs voor de komende jaren vertoont een stijging. Naast de groep studerenden met een basisbeurs is er een groep studerenden die daarop geen aanspraak meer kan maken (maximale duur is verbruikt), maar nog wel recht heeft op een ov-studentenkaart en een lening.

Er zijn geen basiswaarden en streefwaarden vastgesteld, omdat het niet het streven is van de overheid dat zoveel mogelijk studerenden gebruik maken van de basisbeurs en/of de reisvoorziening. Indien studerenden op een andere wijze hun studie kunnen financieren, is de toegankelijkheid van het onderwijs ook gewaarborgd. Uit analyse van doorstroomgegevens blijkt dat een percentage tussen de 15% en 30% van de scholieren met voldoende vooropleiding niet (onmiddellijk) kiest voor een opleiding in het hoger onderwijs. Financiële motieven spelen bij deze keuze nauwelijks een rol.

Tabel: 11.6 Normbedragen basisbeurs per maand in euro’s*
 hobol
Thuiswonend93,2973,56
Uitwonend259,76240,02

* Peildatum 1 januari 2009

De hoogte van de basisbeurs is genormeerd en wordt verstrekt gedurende de nominale studieduur.

Raming uitgaven basisbeurs

Tabel 11.7 Uitgaven basisbeurs (x € 1 miljoen)
 2008200920102011201220132014
Bolgiftregime*141,8116,3102,7106,1112,6112,1111,9
Bolprestatiebeursregime161,8202,0226,6241,5253,5256,0254,3
prestatiebeursho689,0669,9695,0686,6692,6696,7699,6
Totaal basisbeurs992,6988,21 024,31 034,21 058,71 064,81 065,8
• waarvan relevant641,0729,4873,4988,91 054,61 095,51 139,4
• waarvan niet-relevant351,6258,8150,945,34,1– 30,7– 73,6

Bron 2008: realisatiegegevens IB-Groep. Bron 2009 – 2014: ramingsmodel SF

* Inclusief bol niveau 3 en 4 met cohortgarantie

Toelichting:

Naast de prijscomponent is het verloop van de uitgaven voor een zeer groot deel afhankelijk van de ontwikkeling in het aantal studerenden. De verwachte ontwikkeling van het aantal studerenden met studiefinanciering is opgenomen bij de meetbare gegevens. De invoering van het prestatiebeursregime voor bol niveau 3 en 4 vanaf studiejaar 2005–2006 zorgt voor een stijgende lijn in uitgaven voor de reeks «Bol prestatiebeursregime».

Deze prestatiebeurs bol niveau 3 en 4 ging vooral in de eerste jaren na invoering gepaard met een daling van de uitgaven van de bol-beurs (direct gift). In deze laatste groep zijn de uitgaven basisbeurs voor de deelnemers bol niveau 1 en 2 opgenomen, en op grond van de cohortgarantie de uitgaven aan de deelnemers bol niveau 3 en 4 die vóór het studiejaar 2005–2006 al studiefinanciering ontvingen.

Raming uitgaven reisvoorziening

Tabel 11.8 Uitgaven reisvoorziening (x € 1 miljoen)
 2008200920102011201220132014
OV-kaart580,6678,3691,0750,0781,3804,1824,4
Kasschuiven272,3– 173,6– 33,7– 65,00,00,00,0
Reisvoorzieningoverig15,918,820,422,423,724,926,6
Totaal reisvoorziening868,8523,5677,7707,4805,0829,0851,0
waarvan relevant596,5298,8501,1519,7623,5646,5671,9
waarvan niet-relevant272,3224,7176,6187,7181,5182,5179,1

Bron 2008: realisatiegegevens IB-Groep. Bron 2009 – 2014: ramingsmodel SF

Toelichting:

De toelichting op de ontwikkeling van de uitgaven reisvoorziening is voor een groot deel vergelijkbaar met die op de uitgaven basisbeurs. Ten behoeve van de optimalisering van kasritmes van de Staat is een reeks «Kasschuiven» opgenomen. Deze wordt gerealiseerd door een gedeelte van de verplichtingen aan de vervoersbedrijven voor de ov-kaart in het jaar voorafgaand aan de verplichting te voldoen.

Op 1 januari 2010 wordt de papieren ov-studentenkaart vervangen door een elektronisch reisproduct dat op een chipkaart geplaatst wordt. Het reisrecht (week- of weekendkaart) verandert niet. Met een wijziging van de WSF2000 per 1 januari 2010 wordt deze nieuwe situatie wettelijk vastgelegd.

11.3.2. Waarborgen toegankelijkheid van het onderwijs voor studerenden met minder draagkrachtige ouders

Motivering

Het huidige stelsel van studiefinanciering gaat uit van een gedeelde verantwoordelijkheid. Van de ouders wordt verwacht dat zij, indien zij dat (financieel) kunnen, een bijdrage leveren aan de studie van hun kind. De minister stelt zich ten doel, daar waar ouders niet of onvoldoende in staat zijn een bijdrage te leveren aan de studie van hun kind, de eventuele financiële belemmering om te gaan studeren voor een studerende weg te nemen.

Instrumenten

Het verstrekken van een aanvullende beurs als ouders van een studerende minder draagkrachtig zijn. Het gaat om studerenden met recht op studiefinanciering, waarvan de ouders gezamenlijk minder dan circa € 33 000 belastbaar inkomen hebben. De hoogte van de aanvullende beurs is genormeerd. De aanvullende beurs wordt verstrekt bovenop de basisbeurs. Deze is naast het inkomen van de ouders en het aantal schoolgaande kinderen in het gezin ook afhankelijk van de woonsituatie van de studerende (thuis- of uitwonend).

Het bestaan van de regeling wordt via de IB-Groep onder de aandacht gebracht bij de doelgroep.

De aanvullende beurs wordt vanaf 2010 jaarlijks met € 22 per jaar verhoogd (prijspeil 2009) conform een wetswijziging in 2009. De wet is toen gewijzigd in verband met de verhoging van het collegegeld en de aanpassing van het aflossingssysteem studieschulden (Eerste Kamer, vergaderjaar 2008–2009, 31 790, A).

Voor de maatregel beperking aanvullende beurs in het ho – vijf in plaats van twaalf maanden als gift – wordt verwezen naar het gestelde in paragraaf 11.1.

Meetbare gegevens bij de operationele doelstelling

Tabel 11.9 Totaal aantal studerenden met een aanvullende beurs(raming)
 20072008200920102011201220132014
wo25 67125 25027 20029 70031 90032 80033 80034 700
hbo83 52280 97888 00092 30096 10097 60099 000100 200
bol114 119104 374106 300109 100118 600124 800125 300124 500
Totaal223 312210 602221 500231 100246 600255 200258 100259 400

Bron 2007 en 2008: realisatiegegevens IB-Groep. Bron 2009–2014: referentieraming 2009/ramingsmodel SF

Toelichting:

Het aantal studerenden met een aanvullende beurs geeft een indicatie van het gebruik van deze regeling. Uit de vergelijking van deze gegevens met de aantallen basisbeurs uit tabel 11.5 blijkt dat in 2010 ongeveer 39% van de studerenden met een basisbeurs een aanvullende beurs ontvangt. Er zijn geen basiswaarden en streefwaarden vastgesteld, omdat mag worden aangenomen dat het gebruik van de aanvullende beurs, vanwege de bekendheid van de regeling, al optimaal is.

Tabel: 11.10 Normbedragen maximale aanvullende beurs per maand in euro’s*
 hobol
Thuiswonend211,99299,82
Uitwonend231,43319,27

* Peildatum 1 januari 2009

Raming uitgaven aanvullende beurs

Tabel 11.11 Uitgaven aanvullende beurs (x € 1 miljoen)
 2008200920102011201220132014
Bolgiftregime*153,1135,8128,0139,2149,2150,6150,4
Bolprestatiebeursregime204,5244,0257,6290,9307,5310,5310,8
Ho232,1288,8304,1322,6332,3341,2349,6
Totaal aanvullende beurs589,7668,6689,7752,7789,0802,3810,8
• waarvan relevant471,1520,6600,4665,2710,6735,4755,9
• waarvan niet-relevant118,6148,089,387,578,466,954,9

Bron 2008: realisatiegegevens IB-Groep. Bron 2009 – 2014: ramingsmodel SF

* Inclusief bol niveau 3 en 4 met cohortgarantie

Toelichting:

In tabel 11.11 worden de geraamde uitgaven voor de aanvullende beurs gepresenteerd. Naast de prijscomponent is het verloop van deze uitgaven voor een groot deel afhankelijk van de ontwikkeling in het aantal studerenden met minder draagkrachtige ouders. Naast de deelname aan het onderwijs spelen hierbij exogene factoren een rol, zoals de ontwikkeling van de conjunctuur en de daarmee samenhangende inkomensontwikkeling.

Door de invoering van de prestatiebeurs bol niveau 3 en 4 vanaf studiejaar 2005–2006 stijgen de uitgaven voor de aanvullende beurs bol prestatiebeursregime. De toename van de uitgaven prestatiebeurs bol ging vooral in de eerste jaren na invoering gepaard met een daling van de uitgaven aan de bol-beurs (direct gift).

11.3.3 Waarborgen flexibiliteit in de wijze van financiering door de studerende

Motivering

In het stelsel van studiefinanciering wordt ervan uitgegaan dat studerenden ook zelf een bijdrage kunnen leveren aan de financiering van hun studie. De minister wil studerenden in staat te stellen de bijdrage aan hun studie flexibel in te vullen.

Instrumenten

• Bijverdiengrens in regelgeving

Studerenden met studiefinanciering krijgen hiermee de mogelijkheid hun eigen bijdrage met werken te verdienen. De WSF 2000 staat toe dat studerenden tot circa € 13 200 per jaar (peildatum 2009) bijverdienen zonder dat dit consequenties heeft voor hun aanspraak op studiefinanciering. Met de wetswijziging «collegegeldverhoging en de aanpassing van het aflossingssysteem studieschulden» (Eerste Kamer, vergaderjaar 2008–2009, 31 790, A) zijn de consequenties van overschrijding van de bijverdiengrens versoepeld. Wie vanaf 2010 meer heeft verdiend dan de bijverdiengrens, hoeft niet meer terug te betalen dan het bedrag waarmee de bijverdiengrens is overschreden. Tegelijkertijd wordt de bijverdiengrens in 2010 en 2011 niet geïndexeerd, maar blijft deze hetzelfde als in 2009. Hierdoor heeft de versoepeling van de bijverdiengrens geen budgettaire gevolgen.

• Leenfaciliteit

Studerenden krijgen hiermee de mogelijkheid om hun eigen bijdrage te lenen bij de overheid. Zij kunnen hiervoor gebruik maken van de «rentedragende lening» en/of het «collegegeldkrediet».

Het bestaan van deze regelingen wordt via de IB-Groep onder de aandacht gebracht bij de doelgroep.

Meetbare gegevens bij de operationele doelstelling

Tabel 11.12 Indicatoren flexibiliteit financiering door studerende
  BasiswaardeMeest recente waardeStreefwaarde
1. De snelheid waarmee studenten afstuderen (in jaren)wo5,85,5Daling
 hbo4,44,6Daling
Bron: OCW (CFI), onderwijsmatrix, berekeningen OCW peildatum: 2004peildatum: 2008peildatum: 2010
2. Het aantal uren dat een student gemiddeld per week besteedt aan de studie*wo3132Stijging
 hbo3334Stijging
Bron: Studentenmonitor peildatum: 2005peildatum: 2008peildatum: 2010
3. Het aantal uren dat een student gemiddeld per week besteedt aan werkwo131210
 hbo131310
Bron: Studentenmonitor peildatum: 2004peildatum: 2008peildatum: 2010

* Zie ook tabel 6.9 van artikel 6.3.2 en de brief over onderwijsintensiteit aan de Tweede Kamer(Tweede Kamer, vergaderjaar 2006–2007, 30 800 VIII, nr. 129).

Toelichting:

De snelheid waarmee studenten afstuderen wordt gemeten als de gemiddelde totale verblijfsduur van gediplomeerden in hele jaren.

De cijfers van 2004 zijn de basiswaarden. Met betrekking tot de snelheid waarmee studenten afstuderen, wordt gestreefd naar een verblijfsduur die de wettelijke studieduur benadert. Met betrekking tot het aantal uren dat een student gemiddeld besteedt aan de studie zie tabel 6.9 van artikel 6.3.2. Met betrekking tot het aantal uren dat een student gemiddeld besteedt aan werk wordt gestreefd naar een maximum van 10 uur per week in 2010 voor hbo- en wo-studenten. Voor beide streefwaarden is in tabel 11.12 een ingroeitraject opgenomen. Op basis van de studentenmonitor zal worden gemonitord hoeveel tijd studenten per week besteden aan hun studie en aan werk.

Twee indicatoren die daarnaast een beeld geven van het gebruik van de regeling zijn:

• Het aantal studerenden dat gebruik maakt van de leenfaciliteit. Bron: IB-Groep.

• Het bedrag aan uitstaande leningen ultimo van het jaar. Bron: IB-Groep.

Tabel 11.13 Aantal studerenden dat gebruik maakt van de leenfaciliteit
 2005200620072008
wo65 24069 35373 47374 433
hbo68 76477 52785 31586 861
bol22 91328 42132 46630 398
Totaal156 917175 301191 254191 692

Bron: IB-Groep

Toelichting:

Bovenstaande cijfers hebben betrekking op het gebruik van de «rentedragende lening». Vanaf 1 september 2007 kunnen studenten in het hoger onderwijs ook gebruik maken van het «collegegeldkrediet». Hiermee kan de student het collegegeld lenen met een plafond van 5 keer het wettelijke collegegeld. In 2008 hebben gemiddeld ongeveer 26 000 studenten een collegegeldkrediet opgenomen voor € 44,6 miljoen (zie tabel 11.14).

Tabel 11.14 Bedrag aan uitstaande leningen ultimo van het jaar (x € 1 miljoen)
 2005200620072008
Renteloze voorschotten verstrekt t/m 198662,55141,337,3
Rentedragende leningen verstrekt vóór 1992170,2137,5108,482,5
Rentedragende leningen verstrekt na 19924 767,65 611,66 640,07 760,9
Collegegeldkrediet10,344,6
Totaal5 000,35 800,16 800,07 925,3

Bron: IB-Groep

Toelichting:

Deze gegevens verstrekken een indicatie van het gebruik van de desbetreffende regelingen. Er zijn geen basiswaarden en streefwaarden vastgesteld, omdat het niet het streven van de overheid is dat zoveel mogelijk studerenden een zo hoog mogelijk bedrag lenen of zoveel mogelijk werken naast de studie. De overheid wil wel deze mogelijkheden bieden en studerenden een reëel alternatief geven voor betaalde arbeid.

Raming uitgaven leenfaciliteit

In de eerste jaren van de studie (gedurende de nominale studieduur) is het maximum bedrag dat een studerende kan lenen gelijk aan het verschil tussen het normbudget en de optelsom van de basisbeurs en de aanvullende beurs. De maximale lening in de 36 maanden na de nominale duur van de studie bedraagt € 832,43 per maand (peildatum 1 januari 2009).

De uitgaven voor de leningen zijn niet-relevante uitgaven voor het EMU-saldo. Het rentepercentage op de leningen is gelijk aan de rente op staatsleningen. De maximale terugbetalingstermijn is 15 jaar. Gedurende deze periode geldt er een draagkrachtregeling. Resterende schulden na afloop van de aflosfase worden kwijtgescholden.

Raming Niet-relevante uitgaven rentedragende lening

Tabel 11.15 Niet-relevante uitgaven leningen (x € 1 miljoen)
 2008200920102011201220132014
Rentedragende lening1 174,71 214,61 309,21 384,21 444,81 498,61 549,1
Collegegeldkrediet44,677,485,293,7103,1113,4124,7
Totaal1 219,31 292,01 394,41 477,91 547,91 612,01 673,8

Bron 2008: realisatiegegevens IB-Groep. Bron 2009 – 2014: ramingsmodel SF

11.3.4 Waarborgen adequate terugbetaling leningen

Motivering

Het waarborgen van de financiële toegankelijkheid van het onderwijs omvat ook het onder duidelijke voorwaarden kunnen terugbetalen van studieleningen.

Instrumenten

Terugbetalingssysteem van lening naar draagkracht. Met de wetswijziging in verband met collegegeldverhoging en aanpassing van het aflossysteem voor studieschulden (Eerste Kamer, vergaderjaar 2008–2009, 31 790, A) is voorzien in een automatisch en versoepeld systeem van draagkrachtmeting en in de mogelijkheid om met maximaal vijf zogenoemde jokerjaren een terugbetalingspauze in te lassen. De wetswijziging treedt op 1 augustus 2009 in werking.

Meetbare gegevens bij de operationele doelstelling

Tabel 11.16 Aantal debiteuren in de aflosfase
 2007200820092010
Totaal326 561350 381385 000420 000

Bron: IB-Groep (2007 en 2008 zijn realisaties, 2009 en 2010 betreft ramingen)

Tabel 11.17 Ontvangsten leenfaciliteit (x € 1 miljoen)
 2008200920102011201220132014
Renteloze voorschotten (t/m 1986)5,25,03,82,82,21,61,3
Rentedragende lening392,4425,6483,9540,2599,7661,0723,0
Totaal397,6430,6487,7543,0601,9662,6724,3
• waarvan relevant170,7178,8199,6218,1240,3265,7293,3
• waarvan niet-relevant226,9251,8288,1324,9361,6396,9431,0

Bron 2008: realisatiegegevens IB-Groep. Bron 2009 – 2014: ramingsmodel SF

Toelichting:

Het aantal debiteuren in de aflosfase geeft een beeld van de omvang van de ex-studerenden die in de gepresenteerde kalenderjaren verplicht termijnen betalen voor de aflossing van hun lening bij de IB-Groep (tabel 11.16). De verwachting bestaat dat de omvang van deze groep nog verder zal toenemen vanwege de stijging van het aantal studerenden met een lening in de afgelopen periode. Er zijn geen basiswaarden en streefwaarden vastgesteld, omdat het niet het streven van de overheid is dat zoveel mogelijk studerenden een zo hoog mogelijk bedrag lenen. De overheid wil wel ex-studerenden in staat stellen om de studielening met zo min mogelijk hinder terug te betalen.

Met de leningen gaan ontvangsten gepaard, zoals rente en aflossingen (tabel 11.17). Deze nemen de komende jaren toe. Ook zijn er nog ontvangsten die betrekking hebben op leenfaciliteiten uit eerdere jaren die nu niet meer verstrekt worden. Deze ontvangsten zijn aflopend.

11.3.5 Stimuleren van internationale studentenmobiliteit

Motivering

Het beleid is er op gericht om internationale studentenmobiliteit te stimuleren door studenten in staat te stellen een volledige opleiding in het buitenland te volgen.

Instrumenten

Studiefinanciering kan overal ter wereld gebruikt worden voor het volgen van hoger onderwijs dat qua niveau en kwaliteit gelijkwaardig is aan het Nederlandse hoger onderwijs. Als aanvullende voorwaarde wordt aan studenten die aanspraak hebben op Nederlandse studiefinanciering de eis gesteld dat zij op het moment dat zij studiefinanciering in het buitenland willen gebruiken ten minste drie van de zes jaar daaraan voorafgaand in Nederland hebben gewoond.

Vanaf studiejaar 2007–2008 is de «meeneembare studiefinanciering» in het mbo al uitgebreid naar alle sectoren in Vlaanderen en Duitsland, en unieke opleidingen in de hele EER.

Op 9 juli 2009 is een brief (Tweede Kamer, vergaderjaar 2008–2009, 31 524, nr. 26) aan de voorzitter van de Tweede Kamer gezonden waarin wordt voorgesteld dat vanaf het schooljaar 2010–2011 studiefinanciering in het mbo ook kan worden meegenomen naar opleidingen in Zweden, Spanje, Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk. De verwachting is vervolgens dat dit in het schooljaar 2011–2012 definitief kan worden uitgebreid naar de gehele EER en Zwitserland.

Meetbare gegevens bij de operationele doelstelling

Het beleid is gericht op het stimuleren van internationale studentenmobiliteit. Hiervoor is geen streefwaarde aan te geven.

• Aantal (Nederlandse) studenten in het ho dat (met meeneembare studiefinanciering) in het buitenland studeert. In 2008 studeerden ongeveer 6 000 studenten buiten Nederland met meeneembare studiefinanciering ho.

• Aantal deelnemers in het mbo dat (met meeneembare studiefinanciering) in het buitenland studeert. In 2008 maakten ongeveer 500 deelnemers buiten Nederland gebruik van meeneembare studiefinanciering mbo.

11.4 Overzicht onderzoek naar de doelmatigheid en de doeltreffendheid van beleid

Tabel 11.18
 OnderzoekonderwerpAD of ODStartAfgerondVindplaats
Beleidsdoorlichting– Financiële toegankelijkheid studerenden1OD 11.3.1Start: 2013Afgerond: 2013 
 – Toegankelijkheid onderwijs studerenden met minder draagkrachtige ouders2OD 11.3.2Start: 2011Afgerond: 2011 
 – Flexibiliteit financiering studie door studerende3OD 11.3.3Start: 2012Afgerond: 2012 
 – Adequate terugbetaling leningen4OD 11.3.4Start: 2014Afgerond: 2014 
 – Internationale studentenmobiliteit5OD 11.3.5Start: 2010Afgerond: 2011 
Effectenonderzoek ex post   
Overig evaluatieonderzoekMeeneembare Studiefinanciering bolOD 11.3.1Start: 2008Afgerond: juli 2009 brief naar de Tweede Kamer)Tweede Kamer, vergaderjaar 2008–2009, 31 524, nr. 26
 Financiële positie studenten (Studentenmonitor)OD 11.3.1Start: 2007Afgerond: 2008 

Toelichting beleidsdoorlichtingen:

1 specifiek gericht op de reisvoorziening

2 met name gericht op de prestatiebeurs in het mbo

3 gericht op het collegegeldkrediet en de leenfaciliteit

4 specifieke aandacht voor de aflosmogelijkheden van studieschulden

5 betreft meeneembare studiefinanciering.

NB: deze beleidsdoorlichting is onderdeel van het onderzoek internationale subsidies.

ARTIKEL 12. TEGEMOETKOMING ONDERWIJSBIJDRAGE EN SCHOOLKOSTEN

12.1 Algemene doelstelling: de tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten zorgt ervoor dat (ouders van) leerlingen in het voortgezet onderwijs en deelnemers in de beroepsopleidende leerweg (tot 18 jaar) de financiële mogelijkheden hebben om onderwijs te volgen.

Omschrijving

Onderwijs levert een belangrijke bijdrage aan de bevordering van een duurzame groei van de Nederlandse (kennis)economie en de maatschappelijke participatie van burgers. OCW waarborgt met de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten (WTOS) de toegankelijkheid van en de deelname aan het onderwijs door de financiële belemmeringen van deelname weg te nemen voor de volgende doelgroepen:

• Ouders van deelnemers aan de beroepsopleidende leerweg tot 18 jaar (TS17-);

• Scholieren in het voortgezet onderwijs van 18 jaar en ouder (vo18+);

• Studenten (ook deeltijd) in het voortgezet algemeen volwassenenonderwijs (TS 18+, vavo);

• Studenten aan de lerarenopleiding die geen recht (meer) hebben op studiefinanciering op grond van de WSF 2000 (TS 18+, tlo).

NB: Tot 1 januari 2010 waren ook de ouders van minderjarige scholieren in het bekostigd voortgezet onderwijs doelgroep van de WTOS. Een gedeelte van de WTOS is samengevoegd met de Wet op het kindgebonden budget. Deze groep minderjarige scholieren valt daarom vanaf 1 januari 2010 onder de Wet op het kindgebonden budget.

Ook de ouders van deelnemers in het mbo tot 18 jaar krijgen het verhoogde kindgebonden budget, maar omdat de WTOS-bijdrage voor deze groep hoger was dan die van leerlingen in het VO, krijgen de ouders van deze mbo’ers nog een gedeeltelijke bijdrage via de WTOS.

Om in het kader van de crisismaatregelen de toename van de WTOS-uitgaven te beperken zal een wetswijziging worden voorbereid om de normbedragen in de WTOS in 2011 en 2012 niet te indexeren. Dit leidt tot een besparing op de uitgaven van circa € 1 miljoen in 2011, oplopend tot € 3 miljoen in 2014.

Verantwoordelijkheid van de minister

De toegankelijkheid van het onderwijs in Nederland is de directe verantwoordelijkheid van de minister. Ouders zijn er verantwoordelijk voor dat hun kind onderwijs volgt. Daar waar ouders gezien hun inkomen niet draagkrachtig genoeg zijn om de kosten van hun schoolgaande (minderjarige) kinderen alleen te dragen, voorziet de overheid in een (gedeeltelijke) tegemoetkoming. Vanaf 18 jaar ligt de verantwoordelijkheid voor het volgen van onderwijs primair bij de leerling of student zelf. Hij/zij komt dan zelf in aanmerking voor een tegemoetkoming.

Externe factoren

• Demografische ontwikkelingen

• De conjuncturele ontwikkeling (gebruik van de regeling)

• De beheersing van het prijsniveau van de schoolkosten

• De attitude ten opzichte van de regeling (wel of niet gebruik)

Meetbare gegevens bij de algemene doelstelling

Tabel 12.1 Onderwijsdeelname naar leeftijd
 15 jaar16 jaar17 jaar
Deelnamepercentage 200899,098,796,1

Bron OCW (CFI), Leerlingen- en studententelling 2008

Toelichting:

Het beleid is gericht op optimalisering van de deelname van burgers aan het onderwijs. De WTOS draagt hieraan bij door de financiële toegankelijkheid van het onderwijs te waarborgen. De onderwijsdeelname geeft hierbij een indicatie van de toegankelijkheid. Voor bovenstaande indicator is voor de WTOS geen streefwaarde geformuleerd, omdat de resultaten het gevolg zijn van verschillende factoren en niet alleen de WTOS.

12.2 Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 12.2 Budgettaire gevolgen van beleid artikel 12 (x € 1 000)
 2008200920102011201220132014
Verplichtingen271 660198 929126 298122 057122 155122 028123 442
Waarvan garantieverplichtingen       
Totale uitgaven271 660198 929126 298122 057122 155122 028123 442
        
Financiële toegankelijkheid onderwijs voor leerlingen vo en deelnemers bol243 059169 40096 70095 80095 90095 80096 200
• TS 17-180 352105 50034 20032 70031 80031 00030 700
• VO 18+61 42362 90061 50062 10063 10063 80064 500
waarvan niet-relevante uitgaven2 5012 5002 5002 5002 5002 5002 500
• TS 18+ vavo1 2841 0001 0001 0001 0001 0001 000
        
Financiële toegankelijkheid onderwijs voor studenten aan de lerarenopleiding10 95411 40011 40011 40011 40011 40011 400
• TS 18+ tlo10 95411 40011 40011 40011 40011 40011 400
        
Programma-uitgaven overig17 64718 12918 19814 85714 85514 82815 842
• Uitvoeringsorganisatie DUO17 64718 12918 19814 85714 85514 82815 842
Totaal ontvangsten17 90614 0009 4008 4008 4008 4008 400
• TS 17-8 2666 0002 2001 2001 2001 2001 200
• VO 18+8 4257 4006 6006 6006 6006 6006 600
• TS 18+1 215600600600600600600

Toelichting:

De daling van de uitgaven TS17- vanaf 2009 houdt grotendeels verband met beleidswijzigingen. Na invoering van de gratis schoolboeken met ingang van het schooljaar 2008–2009 en de integratie TS17- in het kindgebonden budget per 1 januari 2010 vervalt de WTOS geheel voor ouders met kinderen in het voortgezet onderwijs. Voor ouders met kinderen in het mbo blijft de WTOS uitkering voor een deel in stand. Hiermee gaat ook een daling van de ontvangsten TS17- gepaard. Zie verder de toelichting bij de operationele doelstelling 12.3.1.

Tabel 12.3 Budget flexibiliteit per operationele doelstelling (x € 1 000)
 20102011201220132014
Programma-uitgaven (totaal operationele doelstellingen)108 100107 200107 300107 200107 600
Totaal juridisch verplicht108 100107 200107 300107 200107 600
Financiële toegankelijkheid onderwijs voor leerlingen vo en deelnemers bol96 70095 80095 90095 80096 200
• Juridisch verplicht96 70095 80095 90095 80096 200
      
Financiële toegankelijkheid onderwijs voor studenten aan de lerarenopleiding11 40011 40011 40011 40011 400
• Juridisch verplicht11 40011 40011 40011 40011 400

Toelichting:

Alle uitgaven onder dit artikel zijn wettelijke uitgaven, namelijk gebaseerd op de WTOS. De mate van budgetflexibiliteit wordt bepaald door de mate waarin de wet en de daarop gebaseerde regelingen gewijzigd kunnen worden.

12.3 Operationele beleidsdoelstelling

12.3.1 Waarborgen financiële toegankelijkheid van het onderwijs voor leerlingen vo en deelnemers bol

Motivering

Scholieren in het voortgezet onderwijs van 18 jaar en ouder en deelnemers in de beroepsopleidende leerweg (tot 18 jaar) financieel in staat stellen om onderwijs te volgen.

Instrumenten

• De regeling TS 17- voor deelnemers tot 18 jaar.

Een genormeerde inkomensafhankelijke tegemoetkoming in de schoolkosten en de onderwijsbijdrage om minder draagkrachtige ouders van minderjarige mbo-ers bij te staan. Het betreft deelnemers waarvan het ouderlijk gezinsinkomen in 2007 maximaal circa € 31 000 bedroeg. Boven dit inkomen wordt een glijdende schaal gehanteerd en kunnen ouders in aanmerking komen voor een gedeeltelijke tegemoetkoming.

• De regeling VO18+ voor scholieren van 18 jaar en ouder (tot en met 30 jaar) in het voortgezet onderwijs.

Een inkomensafhankelijke basistoelage voor de kosten van levensonderhoud en een ouderinkomensafhankelijke toelage voor de schoolkosten (bij een gezinsinkomen in 2007 van maximaal circa € 31 000, daarboven wordt een glijdende schaal gehanteerd).

• De regeling TS 18+ vavo voor (deeltijd)studenten in het voortgezet algemeen volwassenenonderwijs.

Een inkomensafhankelijke tegemoetkoming voor minder draagkrachtige (deeltijd)studenten in het vavo. Dit is een specifieke regeling waarvoor een beperkte groep studenten in aanmerking komt.

De hoogte van de diverse tegemoetkomingen is genormeerd.

De IB-Groep informeert de doelgroepen over bovengenoemde regelingen.

Meetbare gegevens bij de operationele doelstelling

Tabel 12.4 Aantal gebruikers per regeling (raming)
 20072008200920102011201220132014
1. Aantal gebruikers TS 17-321 760299 773271 80059 00059 80060 00058 50057 600
  • waarvan vo259 789240 188216 000
  • waarvan bol61 97159 58555 80059 00059 80060 00058 50057 600
2. Percentage gebruikers TS 17-        
  • vo26,6%24,7%21,2%     
  • bol33,3%30,9%29,5%31,0%31,0%31,0%31,0%31,0%
3. Aantal gebruikers VO 18+31 54931 88932 50031 7003200032 50032 90033 300
4. Percentage gebruikers VO 18+ overige schoolkosten30,1%30,4%30,4%30,4%30,4%30,4%30,4%30,4%
5. Aantal gebruikers TS 18+ vavo1 9362 3762 4002 4002 4002 4002 4002 400

Bron 2007 en 2008: realisatiegegevens IB-Groep, Bron 2009–2014: referentieraming 2009/ramingsmodel SF

Toelichting:

Deze gegevens geven een indicatie van het gebruik van de regeling. Bij de meetbare gegevens per operationele doelstelling zijn geen basiswaarden en streefwaarden vastgesteld. Uitgangspunt is dat de WTOS wordt benut door de groepen voor wie ze bedoeld is. Om het eerder geconstateerde niet-gebruik van de WTOS (37%) terug te dringen is het grootste gedeelte van de WTOS per 1 januari 2010 in het kindgebonden budget geïntegreerd.

De normbedragen voor de tegemoetkoming worden jaarlijks geïndexeerd. Met ingang van het schooljaar 2008–2009 zijn deze normbedragen voor leerlingen in het vo verlaagd in verband met de invoering van de gratis schoolboeken. Met ingang van kalenderjaar 2010 zijn de normbedragen voor minderjarige leerlingen in het bekostigd vo verlaagd in verband met de integratie van hoofdstuk 3 van de WTOS in het kindgebonden budget.

Tabel 12.5 Normbedragen WTOS hoofdstuk III (TS 17-) in euro’s (in schooljaar 2009/2010)*
Schoolkostenvo-onderbouwvo-bovenbouwbol
bekostigd onderwijs143,71184,46827,43
overig onderwijs460,27501,01827,43

* Het betreft de normbedragen bij een maximale tegemoetkoming, na verlaging van de tegemoetkoming in verband met gratis schoolboeken.

Tabel 12.6 Uitgaven TS17- naar onderwijssoort (x € 1 miljoen)
 2008200920102011201220132014
vo137,149,33,20,80,00,00,0
bol43,256,231,031,931,831,030,7
Totaal180,4105,534,232,731,831,030,7

Bron 2008: realisatiegegevens IB-Groep. Bron 2009–2014: referentieraming 2009/ramingsmodel WTOS

Toelichting:

• Gratis schoolboeken

In het schooljaar 2008–2009 ontvingen alle ouders van leerlingen in het voortgezet onderwijs (vo) een eenmalige tegemoetkoming in de schoolboeken van € 316 per leerling. Voor ouders die WTOS ontvingen is de maximale WTOS tegemoetkoming gekort voor deze tegemoetkoming in de schoolboeken. Het overige deel van de tegemoetkoming is in stand gehouden voor deze groep. In het schooljaar 2009–2010 worden de schoolboeken via de scholen om niet aan de leerlingen verstrekt. De scholen ontvangen hiervoor € 316 per leerling.

In augustus 2009 is het laatste verlaagde bedrag WTOS aan de ouders van vo-leerlingen uitgekeerd. Vanaf 1 januari 2010 is de WTOS geïntegreerd in het kindgebonden budget, zie hierna.

• Integratie WTOS (TS17-) in het kindgebonden budget

In 2008 is het kindgebonden budget stapsgewijs ingevoerd. Een volgende stap in dit proces is de integratie van een deel van de WTOS (voor leerlingen tot en met 17 jaar) in het kindgebonden budget per 1 januari 2010. Voor ouders met kinderen tussen de twaalf en achttien jaar betekent deze integratie een administratieve lastenverlichting. De burger kan bij één loket terecht voor het kindgebonden budget waarvan de tegemoetkoming voor schoolkosten een integraal onderdeel is. Daardoor wordt het gebruik van de regeling verruimd en zal het niet-gebruik van de WTOS door VO-ers zich niet meer voordoen. Bovendien leidt deze integratie tot efficiencyvoordelen in de uitvoering.

De regering heeft bij de integratie van de WTOS in het kindgebonden budget rekening gehouden met het wetsvoorstel gratis lesmateriaal. Na invoering van de integrale invoering van «gratis» schoolboeken in het schooljaar 2009–2010 en de integratie van het resterende deel van deze tegemoetkoming in het kindgebonden budget, vervalt de WTOS voor ouders met kinderen in het voortgezet onderwijs. Voor ouders met kinderen in het mbo blijft de WTOS uitkering in stand voor het deel dat niet in het kindgebonden budget wordt geïntegreerd. Het kindgebonden budget wordt uitgevoerd door de Belastingdienst; het bijbehorende begrotingsbedrag staat op de begroting van de minister van Jeugd en Gezin. Op de begroting van OCW blijft een budget bestaan voor de WTOS 17- voor het mbo.

VO 18+

De toelage voor VO18+ bestaat uit een inkomensonafhankelijke basistoelage (tabel 12.7) waarvoor alle leerlingen in het voortgezet onderwijs van 18 jaar en ouder in aanmerking komen. Deze wordt eventueel aangevuld met de ouderinkomensafhankelijke tegemoetkoming. De meeste leerlingen wonen nog bij hun ouders en krijgen dus een basistoelage voor thuiswonenden.

Tabel 12.7 Basistoelage WTOS hoofdstuk IV (VO18+) in euro’s (in schooljaar 2009/2010)
Basistoelage per maandvo/vso
thuiswonenden101,25
uitwonenden236,05

Raming uitgaven VO18+

De totale uitgaven zijn begroot in tabel 12.8. Naast de uitgaven die voortvloeien uit de verstrekte tegemoetkoming worden er nog beperkt leningen verstrekt. Het niveau van de uitgaven wordt bepaald door het aantal leerlingen in het voortgezet onderwijs van 18 jaar en ouder.

Tabel 12.8 Uitgaven VO18+ (x € 1 miljoen)
 2008200920102011201220132014
vo/vso (gift)58,960,459,059,660,661,361,9
leningen2,52,52,52,52,52,52,6
Totaal61,462,961,562,163,163,864,5

Bron 2008: realisatiegegevens IB-Groep. Bron 2009–2014: referentieraming 2009/ramingsmodel WTOS

Toelichting:

De tegemoetkoming 18+ vavo (tabel 12.9) bestaat uit de onderdelen schoolkosten en onderwijsbijdrage. Deze tegemoetkoming is afhankelijk van het eigen inkomen en van het aantal lesminuten per week.

Tabel 12.9 normbedragen WTOS hoofdstuk V, TS18+ vavo in euro’s (in schooljaar 2009/2010)
 Lesminuten per weekvavo
Schoolkosten270 – 540 min189,56
 > 540 min281,36
Onderwijsbijdrage270 – 540 min208,00
 > 540 min312,00

Raming uitgaven TS18+ vavo

De totale uitgaven voor TS18+ vavo zijn begroot in tabel 12.10. Het niveau van de uitgaven is over de jaren constant.

Tabel 12.10 Uitgaven TS18+ vavo (x € 1 miljoen)
 2008200920102011201220132014
vavo1,31,01,01,01,01,01,0

Bron 2008: realisatiegegevens IB-Groep. Bron 2009–2014: ramingsmodel WTOS

12.3.2 Waarborgen financiële toegankelijkheid van het onderwijs voor studenten aan de lerarenopleiding

Motivering

Studenten aan de lerarenopleiding financieel in staat stellen de overstap naar het onderwijs te maken om zodoende bij te dragen aan de oplossing van het lerarentekort. Voor meer beleid over het lerarentekort zie artikel 9 Arbeidsmarkt- en personeelsbeleid.

Instrument

Een inkomensafhankelijke tegemoetkoming in de studiekosten en/of de onderwijsbijdrage voor studenten aan de lerarenopleiding die niet in aanmerking komen voor studiefinanciering op grond van de WSF 2000. De IB-Groep en de lerarenopleidingen brengen bovengenoemde regeling onder de aandacht bij de doelgroep.

Meetbare gegevens bij de operationele doelstelling

Tabel 12.11 Aantal gebruikers van de regeling TS 18+ tlo (raming)
 20072008200920102011201220132014
Aantal gebruikers9 1478 5008 5008 5008 5008 5008 5008 500

Bron 2007 en 2008: realisatiegegevens IB-Groep, Bron 2009–2014: referentieraming 2009/ramingsmodel WTOS

Toelichting:

Deze indicator geeft een beeld van het gebruik van de regeling. Bij de meetbare gegevens per operationele doelstelling zijn geen basiswaarden en streefwaarden vastgesteld. Uitgangspunt is dat de WTOS wordt benut door de groepen voor wie ze bedoeld is.

De tlo is een inkomensafhankelijke regeling, waarvan de Algemene Wet Inkomensafhankelijke Regelingen (AWIR) vereist dat het partnerinkomen wordt meegeteld. Tot het schooljaar 2010–2011 wordt het partnerinkomen buiten beschouwing gelaten. Mede op basis van een evaluatie-onderzoek van de tlo zal nader worden bepaald hoe hiermee in de toekomst om te gaan. De Tweede Kamer wordt hierover in september 2009 geïnformeerd.

De tegemoetkoming voor TS18+ tlo (tabel 12.12) bestaat uit de onderdelen schoolkosten en onderwijsbijdrage.

Tabel 12.12 Normbedragen WTOS hoofdstuk V, ts18+ tlo in euro’s (schooljaar 2009/2010)
 Ho
Schoolkosten657,62
Onderwijsbijdrage567,23

De totale uitgaven zijn begroot in tabel 12.13.

Raming uitgaven TS18+ tlo

Tabel 12.13 Uitgaven TS18+ tlo (x € 1 miljoen)
 2008200920102011201220132014
tlo11,011,411,411,411,411,411,4

Bron 2008: realisatiegegevens IB-Groep. Bron 2009–2014: ramingsmodel WTOS

12.4 Overzicht onderzoek naar de doelmatigheid en de doeltreffendheid van beleid

Tabel 12.14
 OnderzoekonderwerpAlgemene Doelstelling of Operationele DoelstellingStartAfgerondVindplaats
Beleidsdoorlichting– tegemoetkoming lerarenopleiding1OD 12.3.2Start: 2014Afgerond: 2014 
Effectenonderzoek ex post
Overig evaluatieonderzoek*Schoolkostenmonitor2009–2010OD 12.3Start: 2009Afgerond: 2010Nog niet beschikbaar

1 Periodieke doorlichting van het effect van de regeling.

* In de Wet gratis lesmateriaal,Tweede Kamer, vergaderjaar 2007–2008, 31 325, nr. 2, is een evaluatiebepaling opgenomen, waarin staat dat in 2011 en vervolgens telkens na vier jaar een verslag aan de Tweede Kamer wordt verstuurd over de doeltreffendheid en de effecten van de wet. Hierin wordt onder meer aandacht besteed aan de ontwikkeling van de kosten voor het lesmateriaal en de bijkomende schoolkosten voor ouders. Hierdoor loopt de periodieke monitor van schoolkosten mee met de bovengenoemde evaluatie (zie artikel 3.0.2). Daarnaast vermeldt de Onderwijsinspectie in het Onderwijsverslag 2009 en 2010 de resultaten van het onderzoek naar de hoogte en de bestemming van de vrijwillige ouderbijdrage en de naleving van artikel 27, tweede lid, van de WVO, waarin de vrijwillige ouderbijdrage geregeld wordt. Voor het mbo zal de WTOS slechts voor een deel worden geïntegreerd. De schoolkostenmonitor zal daarom nader op het mbo worden toegespitst.

ARTIKEL 13. LESGELD

13.1 Algemene doelstelling: het genereren van inkomsten voor de financiering van het onderwijs

Omschrijving

Onderwijs levert een belangrijke bijdrage aan de bevordering van een duurzame groei van de Nederlandse (kennis)economie. Maar burgers hebben ook persoonlijk profijt van scholing. Daarom vraagt de overheid een bijdrage in de kosten van het onderwijs. OCW vraagt lesgeld aan de deelnemers in de bol en het vavo die op 1 augustus van het schooljaar 18 jaar of ouder zijn. Deze groepen worden geacht zelf de kosten van het onderwijs te kunnen betalen, al dan niet met behulp van een tegemoetkoming in de bijdrage of door compensatie via de studiefinanciering.

Verantwoordelijkheid van de minister

Omdat de maatschappij baat heeft bij geschoolde burgers draagt de overheid een groot deel van de kosten voor het volgen van kwalitatief goed onderwijs. Het individu heeft echter ook profijt van scholing.

Externe factoren

Demografische ontwikkelingen.

Meetbare gegevens bij de algemene doelstelling

Deze zijn opgenomen in paragraaf 13.3.1.

13.2 Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 13.1 Budgettaire gevolgen van beleid artikel 13 (x € 1 000)
 2008200920102011201220132014
Verplichtingen6 2005 9575 9515 3375 5655 5745 995
Waarvan garantieverplichtingen       
Totale uitgaven6 2005 9575 9515 3375 5655 5745 995
• Uitvoeringsorganisatie DUO6 2005 9575 9515 3375 5655 5745 995
Ontvangsten lesgeld179 854178 300192 600216 300229 400234 300237 700

Toelichting:

Een specificatie van de raming van de ontvangsten is opgenomen in tabel 13.4 paragraaf 13.3 (operationele doelstellingen).

13.3 Operationele beleidsdoelstelling

13.3.1 Vragen van een bijdrage in de kosten van het onderwijs aan deelnemers van 18 jaar en ouder

Motivering

De individuele burgers hebben persoonlijk profijt van scholing. Daarom kan aan hen een bijdrage in de kosten van onderwijs worden gevraagd.

Instrumenten

De overheid vraagt lesgeld aan deelnemers in de bol en het vavo die op 1 augustus van het schooljaar 18 jaar of ouder zijn. Met ingang van schooljaar 2007–2008 zijn voor deelnemers die slechts een gedeelte van het schooljaar zijn ingeschreven, de te betalen lesgeldtermijnen beter afgestemd op de periode waarvoor men is ingeschreven. Dit betekent dat deelnemers die later instromen (of met een geldige reden eerder uitstromen) meer dan voorheen lesgeld verschuldigd zijn naar rato van de duur van de inschrijving.

Meetbare gegevens bij de operationele doelstelling

Tabel 13.2: Aantal lesgeldplichtigen
 20072008200920102011201220132014
Aantal lesgeldplichtigen192 314188 532190 300198 800216 200219 000219 300218 200

Bron 2007 en 2008: realisatiegegevens IB-Groep, Bron 2009–2014: referentieraming 2009/ramingsmodel SF

Toelichting:

Deze indicator geeft een beeld van het bereik van de regeling. Er zijn geen basiswaarden en streefwaarden vastgesteld, omdat het aantal lesgeldplichtigen een afgeleide is van de demografische ontwikkelingen en de keuze van opleiding door de studerenden/leerlingen.

In de les- en cursusgeld wet is vastgelegd voor wie, wanneer en op welke wijze het lesgeld wordt vastgesteld. De hoogte van dit lesgeld wordt jaarlijks geïndexeerd op basis van de algemene prijsontwikkeling. In onderstaande tabel is de verwachte ontwikkeling van het lesgeld aangegeven.

Tabel 13.3: lesgeldbedrag (x € 1)
2008/092009/102010/112011/122012/132013/142014/15
9931 0311 0471 0631 0791 0951 111

Vanaf 2010/11: raming

Raming ontvangsten lesgeld

Tabel 13.4: Ontvangsten lesgeld (x € 1 miljoen)
 2008200920102011201220132014
Lesgeld179,9178,3192,6216,3229,4234,3237,7

Bron 2008: realisatiegegevens IB-Groep. Bron 2009 – 2014: referentieraming 2009 / ramingsmodel lesgeld

13.4 Overzicht onderzoek naar de doelmatigheid en de doeltreffendheid van beleid

Tabel 13.5
 OnderzoekonderwerpAlgemene Doelstelling of Operationele DoelstellingStartAfgerondVindplaats
Beleidsdoorlichtingles- en cursusgeld, onderwijskaart1OD 13.1.1Start: 2010Afgerond: 2010
Effectenonderzoek ex post
Overig evaluatieonderzoek

1 betreft effecten van de regelgeving met aandacht voor de mogelijke vereenvoudiging daarvan

ARTIKEL 14. CULTUUR

14.1 Algemene doelstelling: een bloeiend cultureel leven.

Omschrijving

De overheid ondersteunt cultuur vanwege de intrinsieke waarde en de positieve maatschappelijke effecten: cultuur is cruciaal voor informatieverwerving en meningsvorming in de democratie, draagt bij aan de individuele ontplooiing van mensen en aan de economische groei.

De hoofdlijnen van het cultuurbeleid zijn vastgelegd in de nota Kunst van leven (Tweede Kamer, vergaderjaar 2006–2007, 28 989, nr. 44).

Het overheidsbeleid is erop gericht positieve effecten van cultuur te bevorderen. Het cultuurbeleid van OCW behartigt zeven publieke belangen, deels vastgelegd in de wet op het specifiek cultuurbeleid (artikel 2). Ook zorgt OCW voor de diversiteit, de kwaliteit en de onafhankelijkheid van het culturele leven en het sociale en geografische bereik van cultuur. Dat wil zeggen dat alle burgers toegang moeten krijgen tot het culturele leven en er actief en passief in moeten kunnen participeren. Verder bewaart en beschermt de overheid het cultureel erfgoed.

Om de algemene doelstelling van het cultuurbeleid te kunnen realiseren is het Rijk er (mede) verantwoordelijk voor dat de zeven stelsels van onderling samenhangende wetten en regels, geldstromen en publieke voorzieningen in stand worden gehouden. Het gaat om archieven, archeologie, monumenten, musea, kunsten, bibliotheken (allen artikel 14) en media (zie artikel 15). Daarnaast krijgen beleidsprioriteiten vorm in specifieke beleidsprogramma’s (zie beleidsagenda). Samenwerking met de decentrale overheden is van groot belang bij de uitvoering van het beleid, net zoals samenwerking met andere departementen en andere maatschappelijke partijen. De Raad voor Cultuur heeft een belangrijke rol als het wettelijk onafhankelijk adviesorgaan van regering en beide Kamers. De Raad adviseert over kwaliteit, diversiteit en samenhang van het cultuurbeleid. Daarnaast worden de cultuurfondsen en instellingen, die op grond van artikel 4b van de Wet op het specifiek cultuurbeleid zijn aangewezen, gevisiteerd. Hiertoe benoemt de minister visitatiecommissies.

Bij de kwaliteitsbewaking speelt ook de erfgoedinspectie een rol.

Verantwoordelijkheid van de minister

De minister is verantwoordelijk voor:

• Het scheppen van voorwaarden voor het in stand houden, ontwikkelen en sociaal en geografisch spreiden van cultuuruitingen;

• Het bevorderen van de publieke belangstelling voor cultuuruitingen.

Het grootste gedeelte van het cultuuraanbod komt ongesubsidieerd en door particulier initiatief tot stand. De overheid staat waar mogelijk op afstand en is pas betrokken wanneer de genoemde publieke belangen onder druk staan.

Externe factoren

Ontwikkelingen in het culturele leven zijn in belangrijke mate afhankelijk van maatschappelijke ontwikkelingen die de (rijks)overheid slechts in beperkte mate kan beïnvloeden. Het Rijk bevordert de cultuurparticipatie in de eerste plaats via het in stand houden van de stelsels, gecombineerd met aanvullende specifieke beleidsprogramma’s. Naast het Rijk spelen met name gemeenten een belangrijke rol. De volgende externe factoren zijn van invloed op de resultaten van het cultuurbeleid:

• economische ontwikkeling (o.a. besteedbaar inkomen, beschikbare vrije tijd);

• ontwikkeling van het gemiddelde opleidingsniveau;

• condities voor creatieve bedrijvigheid (o.a. juridische en fiscale condities, omvang van de administratieve lasten);

• ontwikkelingen in de internationale verhoudingen (internationale uitwisseling);

• ontwikkelingen in de integratie en inburgering van nieuwkomers;

• inzet van decentrale overheden.

Meetbare gegevens bij de algemene doelstelling

Tabel 14.1 KengetallenGeïndexeerde ontwikkeling trends in de cultuurparticipatie (beoefening, kunstprogramma’s radio/tv, bezoek). Dit betreft indexcijfers met als basisjaar 1983.
 19831987199520032007
Amateurkunst:     
Zelf theater spelen10098665851
Zelf musiceren en/of zingen100102969597
Zelf beeldende kunstmaken10097728579
Radio/tv     
Kunstprogramma’s radio/tv1001141009989
Bezoek:     
Cinema10093101118116
Populaire muziek100113138172185
Klassieke muziek100113133106107
Cabaret10097101127133
Ballet10012499115113
Beroepstoneel100102109115111
Toneel (inclusief uitvoeringen amateurtoneel)100102110111118
Monumenten100103100104104
Musea10011198107115

Bron: Cultuurbewonderaars en cultuurbeoefenaars, SCP mei 2009; bewerking door SCP. Dit onderzoek vindt eens in de 4 jaar plaats.

Toelichting:

De rijksoverheid beïnvloedt met subsidies slechts een klein deel van de «markt». De cijfers wijzen op een teruggang van de actieve participatie (amateurkunst). Voor het bezoek aan cultuuruitingen geldt dat de meeste genres groei vertonen (met name populaire genres als cabaret en popmuziek). Bij enkele genres is een lichte daling zichtbaar. Inzet is dat de participatie aan cultuur minimaal gelijk blijft.

Tabel 14.2 Indicatoren
IndicatorBasiswaarde gemiddelde 2005–2008Streefwaarde 2010Streefwaarde 2011Streefwaarde 2012Streefwaarde 2013
Percentage cultuurproducerende instellingen in basisinfrastructuur dat voldoet aan de eigen inkomsten-norm van 17,5%85%85%90%95%100%
Bron: Verslagen gesubsidieerde instellingen     

Toelichting:

Een bloeiend cultureel leven vraagt om een sterke sector, die voldoende eigen inkomsten genereert. Met ingang van 2010 is voor alle cultuurproducerende instellingen in de basisinfrastructuur een norm vastgesteld voor de verhouding tussen eigen inkomsten en structurele subsidies van de drie overheden, de «eigen inkomstennorm». Deze eigen inkomstennorm bedraagt 17,5%. In de volgende subsidieperiode 2013–2016 geldt een norm van 4 procentpunt groei als inspanningsverplichting. Instellingen boven de 30% eigen inkomsten hoeven niet aan deze groeinorm te voldoen.

Tabel 14.3 Budgettaire gevolgen van beleid artikel 14 (x € 1 000)
 2008200920102011201220132014
Verplichtingen2 779 161592 328611 712609 925618 0051 127 5431 125 161
Waarvan garantieverplichtingen253 465      
Totale uitgaven946 945938 085951 738949 951958 031963 826961 444
        
Programma-uitgaven887 290877 067903 249902 152911 319918 363915 981
        
Bevorderen van de deelname van de burgers aan cultuuruitingen533 407603 707584 580592 906601 468601 468601 468
• Cultuursubsidie2009–2012467 839562 874552 678555 132552 678552 678552 678
– 4 jarig 103 04797 31199 76597 31197 31197 311
  • producerend 75 54769 94972 40369 94969 94969 949
  • niet producerend 27 50027 36227 36227 36227 36227 362
– Langjarig 298 327293 867293 867293 867293 867293 867
  • producerend 269 370264 910264 910264 910264 910264 910
  waarvan Musea 153 258150 802150 802150 802150 802150 802
  • niet producerend 28 95728 95728 95728 95728 95728 957
– Fondsen88 038161 500161 500161 500161 500161 500161 500
• Verbreden inzet Cultuur63 29233 45826 26232 13443 15043 15043 150
• Internationaal Cultuurbeleid (HGIS)2 2767 3755 6405 6405 6405 6405 640
        
Behoud en Beheer Cultureel Erfgoed262 307184 642222 105217 667215 906215 682213 210
• Archieven25 92426 26026 22226 22226 12226 12226 122
• Beelden voor de toekomst25 57824 41523 46822 52121 57320 64918 187
  waarvan FES 22 92222 03221 14420 25419 38617 359
• Musea: huisvesting65 65623 90627 20227 30527 01127 01127 011
• Musea: buiten de Cultuursubsidies 2009–20128 01712 09819 14321 00921 00921 00921 009
• Mooier Nederland03 5006 7435 3435 3435 3435 343
• Monumenten130 05783 971110 397109 997107 962107 962107 962
• Archeologie20004 8992 7251 9751 225775775
waarvan FES 2 6301 7501 00025000
• Overige instrumenten5 0755 5936 2053 2955 6616 8116 801
        
Bibliotheken35 37834 71731 17931 17931 17931 17931 179
• Subsidies731      
• Bibliotheekvernieuwing21 04019 00018 50018 50018 50018 50018 500
• Leesvoorziening leesgehandicapten13 60713 7179 6799 6799 6799 6799 679
• Programma leesbevordering 2 0003 0003 0003 0003 0003 000
        
Programmakosten overig36 77334 68747 58143 07445 39252 46052 550
        
Nationaal Archief19 42519 31417 80417 32617 37417 57417 574
waarvan Informatie op Orde (Archiefachterstanden)  5001 0001 0501 2501 250
        
Apparaatsuitgaven59 65561 01848 48947 79946 71245 46345 463
• Bestuursdepartement10 42310 0339 1318 2048 2018 2018 201
• Uitvoeringsdiensten49 23250 98539 35839 59538 51137 26237 262
Ontvangsten35 20628 73524 27622 63820 99819 88017 853
Tabel 14.4 Budget flexibiliteit per operationele doelstelling (x € 1 000)
 20102011201220132014
Programma-uitgaven (totaal operationele doelstellingen)885 445884 826893 945900 789898 407
Totaal juridisch verplicht752 131738 303755 455107 546107 536
Totaal bestuurlijk gebonden133 314146 523138 490793 243790 871
Totaal niet-juridisch verplicht of bestuurlijk gebonden00000
Bevorderen van de deelname van de burgers aan cultuuruitingen584 580592 906601 468601 468601 468
• Juridisch verplicht584 580592 906601 468  
• Bestuurlijk gebonden   601 468601 468
• Niet-juridisch verplicht of bestuurlijk gebonden     
      
Behoud en Beheer Cultureel Erfgoed222 105217 667215 906215 682213 210
• Juridisch verplicht119 970102 323108 595107 546107 536
• Bestuurlijk gebonden102 135115 344107 311108 136105 674
• Niet-juridisch verplicht of bestuurlijk gebonden     
      
Bibliotheken31 17931 17931 17931 17931 179
• Juridisch verplicht     
• Bestuurlijk gebonden31 17931 17931 17931 17931 179
• Niet-juridisch verplicht of bestuurlijk gebonden     
      
Programmakosten overig47 58143 07445 39252 46052 550
• Juridisch verplicht47 58143 07445 39200
• Bestuurlijk gebonden   52 46052 550
• Niet-juridisch verplicht of bestuurlijk gebonden     

Coalitieakkoord

In het coalitieakkoord zijn voor artikel 14 enveloppegelden gereserveerd. Het gaat om een bedrag van € 75 miljoen in 2010 oplopend tot een indicatief bedrag van € 100 miljoen in 2011. Vanaf 2011 is de oploop van deze middelen (met uitzondering van de middelen voor het Nationaal Historisch Museum) op de aanvullende post bij het ministerie van Financiën gereserveerd. Bij de formulering van de beleidsambities in deze begroting is uitgegaan van deze indicatieve invulling.

Aanvullend beleidsakkoord

In het aanvullend beleidsakkoord zijn bezuinigingen opgenomen, die ervoor moeten zorgen dat de overheidsfinanciën zich op lange termijn herstellen. Voor dit artikel gaat het om de volgende maatregelen:Op het budget voor digitale cultuur voor innovatie en versterking van de kennisinfrastructuur wordt in 2010 € 3 miljoen gekort en vanaf 2011 jaarlijks € 5 miljoen. Het voornemen om musea gratis te maken voor kinderen tot en met 12 jaar, wordt niet uitgevoerd (jaarlijks € 5 miljoen bezuiniging). Het gereserveerde budget voor de innovatieregeling (€ 5 miljoen per jaar), ondersteunend beleid bij cultuurprofijt, wordt per 2010 met € 2 miljoen verlaagd.

Tabel 14.5 Enveloppenmiddelen cultuur
 2010201120122013
Mooier Nederland10,212,012,012,0
Participatie41,550,550,550,5
Sterke sector/Innovatie18,918,718,718,7
Totaal70,681,281,281,2

Toelichting:

Deze prioriteiten worden nader toegelicht bij de operationele doelstellingen.

De budgetten «Participatie» en «Sterke sector/Innovatie» zijn met ingang van 2010 respectievelijk met € 5 miljoen en € 2 miljoen verlaagd.

14.3 Operationele beleidsdoelstelling

14.3.1 Bevorderen dat burgers deelnemen aan een kwalitatief hoogwaardig, divers en onafhankelijk aanbod van kunsten door de aanwezigheid van dit aanbod te waarborgen

Motivering

De voorwaarden voor een bloeiend cultureel leven bestaan uit een vrij, kwalitatief hoogwaardig kunstleven en een brede deelname aan cultuur. Passief, als toeschouwer, en actief, als beoefenaar, moeten zoveel mogelijk mensen betrokken worden bij culturele activiteiten.

Instrumenten

Basisinfrastructuur van culturele voorzieningen

De regering ondersteunt een basisinfrastructuur van culturele voorzieningen. In de periode 2009–2012 verstrekt zij binnen deze basisinfrastructuur subsidies aan:

• Producerende instellingen (zoals theatergezelschappen, muziekensembles, symfonieorkesten, festivals, podia en presentatie-instellingen voor beeldende kunst) zodat deze in staat zijn een hoogwaardig en divers aanbod te verzorgen. Ook de musea vallen onder de producerende instellingen (§ 14.3.2);

• Ondersteunende instellingen zoals sectorinstituten die voor disciplines als muziek, amateurkunst en vormgeving basistaken vervullen: (inter)nationale vertegenwoordiging en promotie, educatie, informatie en reflectie, inventarisatie, waardering en ontsluiting van erfgoed, documentatie en archivering, afstemming en coördinatie;

• Cultuurfondsen (Nederlands Fonds voor de Podiumkunsten, Nederlands Literair Productie- en Vertalingenfonds, Fonds Cultuurparticipatie, Fonds voor de Letteren, Fonds voor de Beeldende Kunsten, Vormgeving en Bouwkunst, Mondriaan Stichting, Stimuleringsfonds voor Architectuur, Nederlands Fonds voor de Film).

Cultuursubsidies worden in de periode 2009–2012 voor het eerst volgens een nieuwe systematiek verdeeld. Deze nieuwe systematiek is ontwikkeld omdat de cultuursector en de Tweede Kamer de voorloper, de cultuurnotaprocedure, onnodig ingewikkeld en te bureaucratisch vonden. De aanpassingen (Verschil Maken,Tweede Kamer, vergaderjaar 2005–2006, 28 989, nr. 22 enTweede Kamer, vergaderjaar 2005–2006, 28 989, nr. 35) zorgen voor meer flexibiliteit. Op Prinsjesdag 2008 heeft de regering het Subsidieplan Kunst van Leven (Tweede Kamer, vergaderjaar 2008–2009, 31 482, nr. 16) aan de Tweede Kamer aangeboden, waarin de besluiten over de subsidies 2009–2012 voor de basisinfrastructuur zijn opgenomen en toegelicht.

In de nieuwe systematiek is de minister direct verantwoordelijk voor een basisinfrastructuur. Deze basisinfrastructuur bestaat voor een deel uit instellingen die een langjarig subsidieperspectief krijgen. Het gaat dan om rijksgesubsidieerde musea, orkesten, operagezelschappen, grote dansgezelschappen, sectorinstituten en cultuurfondsen. Het overige deel van de basisinfrastructuur bestaat uit instellingen die een vierjaarlijkse subsidie ontvangen. Het gaat dan onder andere om theatergezelschappen, festivals en presentatie-instellingen voor beeldende kunst. De nota Kunst van Leven (Tweede Kamer, vergaderjaar 2006–2007, 28 989, nr. 44) beschrijft de functies binnen de basisinfrastructuur. De bijlage toekenningen van het Subsidieplan Kunst van Leven (Tweede Kamer, vergaderjaar 2008–2009, 31 482, nr. 16) geeft aan welke instellingen in het kader van de basisinfrastructuur een vierjaarlijkse subsidie ontvangen. Instellingen die geen subsidie binnen de basisinfrastructuur ontvangen kunnen subsidie aanvragen bij de cultuurfondsen. In de nieuwe systematiek kunnen fondsen naast projectsubsidies ook vierjarige subsidies verstrekken.

In 2010 zal de evaluatie van de nieuwe systematiek afgerond worden. De evaluatie zal ingaan op de volgende punten: terugblik op het proces, de inrichting van de basisinfrastructuur, de bestuurlijke afstemming en de rol van de Raad voor Cultuur. De fondsen worden apart geëvalueerd.

Verbreden inzet cultuur

• Participatie

De programma’s «Cultuur en School» en het «Actieprogramma Cultuurbereik» krijgen in 2009 een vervolg in het tienpuntenplan cultuurparticipatie (Tweede Kamer, vergaderjaar 2006–2007, 28 989, nr. 44, H. 1.3), onder meer door het nieuwe Fonds Cultuurparticipatie.

Sinds het schooljaar 2008–2009 krijgen alle 900 000 leerlingen in het voortgezet onderwijs een cultuurkaart. Aan de kaart is een tegoed gekoppeld van 15 euro dat kan worden besteed aan culturele activiteiten.

In 2008 is het programma leesbevordering «Kunst van Lezen» (2008–2011) gestart (Tweede Kamer, vergaderjaar 2007–2008, 31 200VIII, nr 161). Dit programma moet ervoor te zorgen dat ieder kind (van 0–18) kennis kan maken met de waarde en het plezier van lezen. Het programma vult het reguliere leesbevorderingsbeleid aan. Over de voortgang van de verschillende activiteiten zal de minister de Kamer begin 2010 schriftelijk ïnformeren.

• Een sterke sector

De commissie Cultuurprofijt heeft in 2008 zijn advies «Meer draagvlak» voor cultuur (www.cultuurprofijt.nl) uitgebracht. Het advies bevat voorstellen om het financieel en maatschappelijk draagvlak van culturele instellingen te vergroten. In zijn reactie op het advies (Tweede Kamer, vergaderjaar 2007–2008, 28 989, nr. 80) heeft de minister van OCW aangegeven het advies op hoofdlijnen te zullen volgen. Inmiddels zijn voorstellen van de commissie in overleg met de sector uitgewerkt tot concrete maatregelen voor cultuurproducerende instellingen in de basisinfrastructuur. Een onderdeel daarvan is de uitwerking van eigen inkomstennormen, die vanaf 2010 gelden. Alle cultuurproducerende instellingen dienen dan 17,5% van hun structurele subsidie te verwerven aan eigen inkomsten. Bovendien stimuleert de regering culturele instellingen om hun eigen inkomsten te verhogen door middel van de Tijdelijke regeling «aanvulling eigen inkomsten culturele instellingen», ook wel de Matchingsregeling genoemd. Deze is op 1 januari 2009 van start gegaan (Tweede Kamer, vergaderjaar 2008–2009, 28 989, nr. 94). Hiermee kunnen instellingen extra subsidie krijgen naarmate zij meer eigen inkomsten verwerven. Hiervoor is in 2010 tot en met 2013 elk jaar € 10 miljoen beschikbaar. Een derde maatregel in het kader van het project cultuurprofijt is de Innovatieregeling. Deze regeling, waarvoor in de jaren 2009 tot en met 2012 in totaal € 14 miljoen beschikbaar is, is bedoeld om de cultuursector te stimuleren om nieuwe verbindingen aan te gaan met het bedrijfsleven of instellingen uit andere maatschappelijke domeinen (bijvoorbeeld wetenschap, zorg, wijken). Daarnaast treedt de minister in overleg met de sector en de Raad voor Cultuur over de wijze waarop ondernemerschap wordt meegewogen in de beoordeling van instellingen en de vaststelling van het subsidiebudget.

• Innovatie

Eén van de accenten in de nota «Kunst van Leven» is innovatie. Het gaat daarbij aan de ene kant om nieuwe kansen voor kunsten, erfgoed, bibliotheken en media, die voortkomen uit digitale technologie, en aan de andere kant om de bijdrage van creatieve bedrijfstakken aan de innovatieve kracht van Nederland. Met behulp van programma’s en stimuleringsmaatregelen investeert OCW in innovatieve ontwikkelingen in de sector. Belangrijk zijn de ontsluiting van (audiovisuele) collecties en archiefstukken, een betere dienstverlening en de aandacht voor digitale duurzaamheid en auteursrecht. OCW en EZ werken met het Programma voor Cultuur en Economie aan een innovatieve creatieve industrie waarvan de producten, diensten en activiteiten zowel economisch, cultureel als maatschappelijk breed worden benut. Tenslotte wordt geïnvesteerd in nieuwe media als kunstvorm, en de op dit terrein werkzame cultuurinstellingen die zich richten op talentontwikkeling, experiment, onderzoek en vernieuwing binnen de zogenoemde ontwikkelfunctie in de basisinfrastructuur.

Internationaal cultuurbeleid en ruimte voor de top

Juist in een tijd van globalisering is het cruciaal dat culturen zichzelf leren kennen door elkaar te leren kennen, en kunst en cultuur kunnen zo bijdragen aan een wereld waarin mensen elkaar én zichzelf begrijpen. Kunstenaars en culturele instellingen werken per definitie internationaal en hebben belang bij levendige internationale contacten. Inspiratie en uitwisseling zijn voor de ontwikkeling van cultuur van groot belang. Om kennis te maken met de rijkdom van cultuur is ook een internationale programmering in Nederland van groot belang. In de periode 2009–2012 krijgen 13 internationale festivals een subsidie van OCW voor een totaalbedrag van ca. € 8 miljoen. Daarnaast hebben de bewindspersonen van OCW, EZ en BZ een programma in het leven geroepen om de internationale positie van design, mode en architectuur duurzaam te versterken (Tweede Kamer, vergaderjaar 2008–2009, 31 482, nr. 17). Onder de naam Dutch Design, Fashion and Architecture geven overheid, sectorinstituten en brancheorganisaties dit programma gezamenlijk vorm. Het programma loopt van 2009 tot en met 2012. Ook besteden OCW en BZ aandacht aan het behoud van het Gemeenschappelijk Cultureel Erfgoed.

Meetbare gegevens bij de algemene doelstelling

Tabel 14.6 Indicatoren
IndicatorBasiswaarde 2006Waarde 2008Streefwaarde 2010
1. Uitvoeringen gesubsidieerde podiumkunsten (incl. buitenland)16 95716 95717 000
Bron: Verslagen gesubsidieerde instellingen   
2. Bezoeken gesubsidieerde podiumkunsten (incl. buitenland)4 066 9423 844 5924 000 000
Bron: Verslagen gesubsidieerde instellingen   
3. Aantal Nederlandse Filmproducties2930Minimaal 20–25
Bron: Nederlandse Vereniging Bioscoopexploitanten (NVB)   
4. Marktaandeel publiek Nederlandse Film11%17,6%Minimaal 12%
Bron: Nederlandse Vereniging Bioscoopexploitanten (NVB)   
5. Percentage verzilverde waarde cultuurkaart 75%
Bron: uitvoerder cultuurkaart   
6. Culturele diversiteit: percentage divers samengestelde besturen13,5% (2003)15,1% (2007)15%
Bron: RISBO, mei 2008   
7. ICB: aantal Nederlandse uitvoeringen podiumkunsten in het buitenland2 2322 1812 200
Bron: Verslagen gesubsidieerde instellingen   
8. ICB: aantal bezoeken aan Nederlandse uitvoeringen podiumkunstenin het buitenland865 069760 152770 000
Bron: Verslagen gesubsidieerde instellingen   

Toelichting:

• Podiumkunsten (1, 2): De vermelde aantallen hebben uitsluitend betrekking op de door OCW gesubsidieerde uitvoeringen in binnen- en buitenland.

• Cultuurkaart (5): De indicator «besteding cultuurkaart» is het percentage van de rechten dat daadwerkelijk verzilverd wordt. De cultuurkaart is ingevoerd in schooljaar 2008/2009.

• Culturele diversiteit (6). Een bestuur is cultureel divers als er ten minste één lid van bestuur of raad van toezicht van allochtone origine is (westers en niet-westers tezamen, naar de definitie van het CBS). Het gaat om besturen van Nederlandse culturele instellingen, al dan niet gesubsidieerd.

• Internationaal cultuurbeleid (7,8): Het betreft hier uitsluitend de door OCW gesubsidieerde uitvoeringen van gezelschappen en orkesten (exclusief voorstellingen gesubsidieerd door de cultuurfondsen).

14.3.2 Bevorderen dat burgers kennisnemen van het culturele erfgoed door het te behouden, te beheren en te ontsluiten

Motivering

Juist in deze tijd van globalisering hebben mensen behoefte aan ankerpunten voor (nationale) identiteit: wie zijn wij, hoe zijn we hier gekomen, wat bindt ons? Cultureel erfgoed kan dan van groot belang zijn. Historische gebouwen en landschappen, archeologische vondsten, archiefdocumenten, verzamelingen, verhalen, tradities en gebruiken; ze behoren allemaal tot het cultureel erfgoed van Nederland. Het kennen, bewaren en benutten ervan draagt bij aan ons begrip van verleden, heden en toekomst en aan een versterking van culturele identiteit, sociaal-economische en culturele ontwikkelingen en herkenbaarheid en kwaliteit van de leefomgeving.

Instrumenten

Archieven

De kwaliteit van Nederlandse archieven en toegankelijkheid voor publiek staan centraal in het archiefbeleid. De selectie van belangrijk archiefmateriaal en de conservering van archiefmateriaal zijn onderdeel hiervan. In het kabinetsprogramma «Informatie op Orde» wordt bepaald welke papieren en digitale informatie van de rijksoverheid toegankelijk blijft. De achterstanden bij ministeries worden vanaf 2009/2010 versneld weggewerkt. De bekostiging van het Nationaal Archief is onderdeel van dit artikel (zie verder onderdeel 6 van de begrotingstoelichting).

Door de vorming van Regionaal Historische Centra (RHC’s, de fusie van een rijksarchief in de provincie met een gemeentearchief en andere cultuurhistorische instellingen) zijn archieven publieksgerichter gaan opereren. De OCW-bijdrage aan de RHC’s is begroot op € 23,7 miljoen in 2010.

Beelden voor de toekomst

Dit project heeft tot doel belangrijke delen uit de audiovisuele collecties van Beeld en Geluid, het Filmmuseum en het Nationaal Archief te conserveren en te digitaliseren en vervolgens beschikbaar te maken voor het algemeen publiek, de creatieve industrie en voor educatieve doeleinden. Vanuit het Fonds Economische Structuurversterking (FES) heeft het kabinet een bijdrage van € 154 miljoen beschikbaar gesteld. Van het project zijn in de periode 2014–2025 baten te verwachten tot een bedrag van € 64 miljoen. Dit geld vloeit terug naar het FES. De verwachte inkomsten komen van verkoop van audiovisueel materiaal, betalingen voor auteursrechten en gebruik van het audiovisueel materiaal door themakanalen en andere commerciële partijen.

Musea

Aangewezen musea ontvangen subsidie zodat zij doorlopend in staat zijn een hoogwaardig en divers aanbod te bieden. De musea die de rijkscollecties beheren en ontsluiten maken deel uit van de basisinfrastructuur (zie § 14.3.1).

De aanbesteding van de renovatie van het hoofdgebouw van het Rijksmuseum is geslaagd. In 2010 zal de bouw in volle gang zijn. Naar verwachting kan het Rijksmuseum in de eerste helft van 2013 weer open.

Daarnaast wordt aan een Nationaal Historisch Museum (NHM) gewerkt dat het historisch besef bij een breed publiek moet vergroten. In 2009 ontwikkelt de stichting NHM het concept en bereidt het de bouw voor. Begin 2010 zal een ontwerp- en architectenselectie plaatsvinden.

Overige instrumenten voor musea zijn incidentele subsidies, vernieuwingsmiddelen en het beschikbaar stellen van kennis.

Mooier Nederland

Nederland kent een rijke architectuur en een internationaal aansprekende architectuursector. De ontwikkeling van de architectuur wordt ondersteund door middel van de instellingen uit de basisinfrastructuur en door gericht beleid (Een cultuur van ontwerpen, visie architectuur en ruimtelijk ontwerp; Tweede Kamer der Staten Generaal, vergaderjaar 2007–2008 31 535 Architectuur en Ruimtelijke Ordening, nr. 1). In 2010–2012 wordt € 2 miljoen per jaar uitgetrokken voor het versterken van de stedenbouw en het regionaal ontwerp. Samen met de minister van WWI wordt een impuls van € 8 miljoen gegeven aan het herbestemmen van waardevol erfgoed in de aandachtswijken (besteding in samenwerking met gemeenten in twee tranches in de periode 2009–2012).

In 2010 gaat het Belvederebeleid (na een tienjarig interdepartementaal programma) een nieuwe fase in. OCW blijft de kennis- en platformfunctie van Belvedere selectief ondersteunen. Daarnaast wordt het Belvederebeleid via de modernisering van de monumentenzorg een onderdeel van het monumentenbeleid.

Monumenten

Het huidige monumentenbeleid wordt uitgevoerd op basis van de Monumentenwet 1988 en het Besluit rijkssubsidiëring instandhouding monumenten (BRIM). Kern van de Monumentenwet 1988 is de bescherming van objecten.

Uit een serie rapporten en adviezen is gebleken dat het huidige monumentenstelsel aan modernisering toe is. Het nieuwe monumentenstelsel wordt meer gebiedsgericht en zorgt ervoor dat de regeldruk afneemt en herbestemming toeneemt. Dit is de kern van het voorstel dat in 2009 aan de Tweede Kamer wordt toegestuurd. Een deel van de middelen van het BRIM zullen worden ingezet om deze doelen te halen. Het structurele subsidiebudget BRIM (instandhouding) is met enveloppemiddelen verhoogd met een bedrag van € 2 miljoen in het jaar 2009, oplopend tot € 3,1 miljoen in 2010 en (indicatief) € 4 miljoen structureel vanaf het jaar 2011 (Tweede Kamer, vergaderjaar 2006–2007, 30 800 VIII, nr. 65).

In de categorie «groene» monumenten zijn achterstanden geconstateerd. Deze parken, buitenplaatsen en tuinen krijgen in 2011 toegang tot het BRIM. In 2010 is een overgangsjaar. De precieze invulling van het overgangsjaar wordt nader bepaald (Tweede Kamer, vergaderjaar 2008–2009, 31 253, nr. 18). Daarnaast zijn er fiscale faciliteiten voor buitenplaatsen.

Recentelijk heeft een evaluatie plaatsgevonden van een tweetal fiscale regelingen op het terrein van (rijks)monumentenzorg. De uitkomst van dit onderzoek heeft er toe geleid dat het kabinet heeft besloten om de vrijstelling overdrachtsbelasting monumentenpanden, die weinig effectief is gebleken voor wat betreft het stimuleren van onderhoud aan monumenten, te beëindigen. Ter compensatie voor de sector monumentenzorg is een bedrag van € 23 miljoen aan de begroting van OCW toegevoegd. Dit bedrag zal de eerstkomende twee jaar worden ingezet voor het versneld inlopen van restauratieachterstanden bij de rijksmonumenten. Voor de periode daarna zullen de desbetreffende middelen worden ingezet voor de prioriteiten zoals aangegeven in de beleidsnotitie Modernisering Monumentenzorg.

Monumentenzorg Nederlandse Antillen

In de periode 2008–2011 is er in totaal € 8 miljoen beschikbaar voor restauraties van monumenten op de Nederlandse Antillen en Aruba. Hiervoor is met het Nationaal Restauratiefonds (NRF) een apart revolving fund opgericht.

Archeologie

Het archeologiebeleid is erop gericht het archeologisch erfgoed in de bodem («in situ») te beschermen en te garanderen dat er zorgvuldig met het archeologisch erfgoed in ruimtelijke ontwikkelingen wordt omgegaan. Het principe «de verstoorder betaalt» is hierbij het uitgangspunt. Wanneer er sprake is van excessieve kosten kunnen lagere overheden een beroep doen op het Rijk voor een tegemoetkoming.

In 2006 is uit het Fonds Economische Structuurversterking (FES) € 10 miljoen toegekend voor de uitvoering van archeologisch bodemonderzoek. Voor 2009 was nog € 6,076 miljoen beschikbaar. Deze middelen zullen tot de evaluatie van de Wet op de archeologische monumentenzorg (WAMZ) in 2012 worden benut.

Voor de uitvoering van het onderzoeksprogramma Odyssee (2008–2012) is door het kabinet € 3 miljoen euro beschikbaar gesteld. Odyssee richt zich op de wetenschappelijke ontsluiting van onuitgewerkt archeologisch onderzoek.

Overige instrumenten (Mooier Nederland, monumenten en archeologie)

• het beschikbaar stellen van hoogwaardige kennis door de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed (RCE) en ondersteuning van Erfgoed Nederland

• het beperkt aanwijzen van (archeologische) monumenten door de RCE

• het adviseren van lokale overheden door de RCE op basis van de Monumentenwet 1988, de Wet ruimtelijke ordening (WRO) en de Wet Milieubeheer

• het door de RCE verlenen van vergunningen bij archeologische monumenten en het uitvoeren van het Besluit op de Archeologische Monumentenzorg door de RCE (het verlenen van opgravingsvergunningen en behandelen van aanvragen in het kader van excessieve kosten bij opgravingen)

• subsidie ten behoeve van woonhuisrestauraties via het revolving fund van het Nationaal Restauratiefonds (NRF)

• subsidie instandhouding overige monumenten (geen woonhuizen) door de RCE

Begrotingsreserve Museaal Aankoopfonds

Om het kwalitatief hoogwaardige en diverse aanbod van erfgoedcollecties in Nederland te versterken, ondersteunt OCW musea bij incidentele aankopen voor de rijkscollectie. De rente-inkomsten van het aankoopfonds bieden de bestedingsruimte om deze individuele aankopen te ondersteunen. Dit structurele fonds (€ 51,8 miljoen) maakt het mogelijk om op korte termijn incidentele bijdragen te leveren aan aankopen door musea op de grillige kunstmarkt waarin spoedeisend optreden noodzakelijk is. De bijdrage van OCW is in de regel een gedeeltelijke bijdrage aan de aankoop, die overigens vaak van doorslaggevende betekenis blijkt voor het museum en andere (particuliere) cofinanciering.

Meetbare gegevens bij de algemene doelstelling

Tabel 14.7 Indicatoren
IndicatorBasiswaardeWaardeStreefwaarde
1. Aantal monumenten met een restauratie-achterstand33%17,1%10%
Bron: RCE; Rapport PRC 2006200520062010
2. Percentage van de bevolking van 16 jaar en ouder dat eens in de 12 maanden een bezoek brengt aan een archief3,3%4,3%4,5%
Bron: SCP; Cultuurbewonderaars en cultuurbeoefenaars, mei 2009200320072010
3. Percentage beschikbaar materiaal Nationaal Archief van het totaalTotaal: 97%Digitaal: 1%Totaal: 97%Digitaal: 1%Totaal: 97%Digitaal: 1%
Bron: Nationaal Archief200720072010
4. Aantal bezoeken rijksgesubsidieerde musea5,7 miljoen5,7 miljoen6,0 miljoen
Bron: Jaarverantwoordingen rijksgesubsidieerde musea200720072010
5. Aantal «in situ» bewaarde archeologische monumenten12 94912 99113 000
Bron: RCE; Erfgoedbalans 2009200520072010
6. Beelden voor de Toekomst   
Uren video020 90478 400
Uren audio023 34370 800
Uren film01 60612 863
Aantal foto’s036 1381 657 143
Bron: jaarverslag consortium Beelden voor de toekomst200720082010

Toelichting:

• Monumenten (1) Niet alle kosten voor restauratie komen voor subsidie in aanmerking. De rijksbijdrage aan de restauraties van rijksmonumenten bedroeg de afgelopen jaren ongeveer de helft van de subsidiabele kosten.

• Archieven (2,3) Het aanbod van het Nationaal Archief en de regionale historische centra groeit jaarlijks door het overdragen van archiefmateriaal. Het percentage beschikbaar materiaal zegt iets over de toegankelijkheid van de archieven. Het streven is dit percentage tenminste constant te houden.

• Musea (4) Het aantal bezoeken aan rijksgesubsidieerde musea is een onderdeel van de prestatieafspraken die met de betreffende musea worden gemaakt. Gezien de andere functies die een museum heeft, naast de publieksfunctie, geeft dit slechts een beperkt beeld van de prestaties van musea. In de begroting 2009 had de basiswaarde van 2007 betrekking op een andere groep musea dan die in deze begroting. De cijfers in deze begroting hebben betrekking op de musea met langjarig subsidieperspectief.

• Archeologie (5) In het licht van de doelstelling om het bodemarchief te behouden zal het aantal «in situ» bewaarde archeologische monumenten de komende jaren in ieder geval hetzelfde aantal moeten bedragen als in 2007. De streefwaarde 2010 is daarom gelijk aan de realisatiewaarde 2007. In welke mate dit aantal feitelijk toe- of afneemt hangt sterk af van het aantal nieuwe archeologische monumenten dat wordt gevonden of van de noodzaak c.q. onvermijdelijkheid tot opgraving van deze monumenten.

• Beelden voor de Toekomst (6) Jaarlijks zal het Consortium Beelden voor de Toekomst in het jaarverslag een opgave doen van het aantal uren materiaal dat is geconserveerd en gedigitaliseerd.

14.3.3 Mensen toegang bieden tot een kwalitatief hoogwaardig, multimediaal toegankelijk stelsel van openbare bibliotheken

Motivering

De vernieuwing van de openbare bibliotheken tot een centrale, actuele publieke voorziening in de kennissamenleving draagt bij aan een bloeiend cultureel leven.

Instrumenten

Bibliotheekvernieuwing

Eind 2008 heeft de adviescommissie bibliotheekinnovatie (commissie Calff) advies uitgebracht over het vervolg op de eerste fase van bibliotheekvernieuwing (2002–2008). Op basis van dit advies is in december 2008 met IPO en VNG een bestuurlijk akkoord gesloten over het plan van aanpak 2009–2012. Dit plan bestaat grofweg uit drie onderdelen:

1. de uitwerking en uitvoering van het innovatiebeleid

  Aandachtspunten zijn met name:

* ontwikkeling van digitale diensten met bijbehorende infrastructuur en content;

* innovatie van het collectiebeleid;

* innovatie van HRM en marketing.

2. het opstellen van een bibliotheekcharterHierin worden de taken, verantwoordelijkheden en bevoegdheden van de verschillende overheden (Rijk, provincies en gemeenten) vastgelegd.

3. de splitsing van de Vereniging van Openbare Bibliotheken

  Het gaat hier om de opdeling van de huidige Vereniging van Openbare Bibliotheken (VOB) in een sectorinstituut, betaald door het Rijk, en een brancheorganisatie, betaald door de bibliotheeksector.

Aansturing van de bibliotheekvernieuwing in 2009 is in handen van een tijdelijke regiegroep, bestaande uit vertegenwoordigers van OCW, VOB en de commissie Calff. De regiegroep stuurt de opzet en uitwerking van de plannen 2009 – 2012 aan via een (eveneens tijdelijke) projectgroep, bestaande uit deskundigen op de verschillende aandachtsgebieden. Deze projectgroep buigt zich in 2009 ook nadrukkelijk over de vraag met welke indicatoren het vernieuwingsproces vanaf 2010 kan worden gemonitord.

In 2010 zal het nieuwe sectorinstituut het innovatiebeleid vormgeven en aansturen. Daarnaast wordt het nieuwe sectorinstituut verantwoordelijk voor de uitvoering van besteltaken, inclusief de speciale besteltaak voor de leesvoorziening voor leesgehandicapten.

Het innovatiebeleid concentreert zich in 2010 op:

• de ontwikkeling van digitale diensten, content en infrastructuur;

• het collectiebeleid (centraal waar het moet, decentraal waar het kan);

• het HRM-beleid (nieuwe opleiding en verdere professionalisering van de sector);

• een betere marketing.

Vanuit de gedachte dat vernieuwing ook en vooral vanuit de sector zelf moet komen, zullen in 2010 de eerste «innovatiecentra» worden ingericht.

Meetbare gegevens bij de operationele doelstelling

Tabel 14.8
KengetalBasiswaardeWaarde
Loket aangepast lezen – aantal ingeschreven lezers31 16531 165
Bron: VOB20072008
Loket aangepast lezen – uitleningen algemene lectuur brailletitels6 8197 184
Bron: VOB20072008
Loket aangepast lezen – uitleningen algemene lectuur gesproken boeken1 037 8581 061 259
Bron: VOB20072008

14.4 Overzicht onderzoek naar de doelmatigheid en de doeltreffendheid van beleid

Tabel 14.9Overzicht onderzoek naar de doelmatigheid en de doeltreffendheid van beleid
 OnderzoekOnderwerpAD of ODA. StartB. AfgerondVindplaats
BeleidsdoorlichtingKunstenbeleid: waarborgen aanbod en participatieOD (14.3.1)A 2010B 2011 
 Cultureel erfgoedOD (14.3.2)A 2014B 2015 
 Openbare bibliothekenOD (14.3.3)A 2012B 2012 
Effectenonderzoek ex postEvaluatie flankerend beleid WWIKOD (14.3.1)A 2009B 2010 
 Evaluatie wet archeologische monumentenzorgOD (14.3.2)A 2009B 2011 
 Evaluatie fiscale regelingen monumentenzorgOD (14.3.2)A 2009B 2010 
 Evaluatie vaste boekenprijsOD (14.3.3)A 2009B 2010 
Overig evaluatieonderzoekEvaluatie aanvraag- procedure Verschil MakenOD (14.3.1)A 2009B 2010 

ARTIKEL 15. MEDIA

15.1 Een divers media-aanbod

Omschrijving

Het mediabeleid van de overheid richt zich op radio, kranten, opiniebladen, journalistieke en culturele uitingen via internet en, uiteraard, televisie. Deze media spelen een prominente rol in de samenleving. Media zijn een bron van kennis en informatie, het zijn podia voor het democratisch debat. Media geven onze cultuur vorm, zowel in internationaal perspectief, als nationaal, lokaal en binnen groepen met een bepaald levensbeschouwelijk of maatschappelijk interessegebied. Tenslotte zijn media dragers van kunst en vermaak: verhalen, drama, muziek en documentaires. De overheid borgt vier publieke belangen in het mediabeleid: onafhankelijkheid, verscheidenheid, kwaliteit en toegankelijkheid.

Het merendeel van het media-aanbod komt op de markt tot stand, maar de genoemde publieke belangen zijn daarbij niet vanzelfsprekend verzekerd. Zelfs nu door digitalisering het aantal distributiekanalen toeneemt, blijft «publieke» audiovisuele programmering («content») schaars. Bovendien is op veel deelmarkten sprake van concentratie van macht in handen van enkele mediabedrijven. Dit is een risico voor de verscheidenheid en de toegankelijkheid van het aanbod en daarom intervenieert de overheid. Ook beschermt de overheid burgers, in het bijzonder minderjarigen, tegen mogelijke schadelijke effecten van media.

Om effect te sorteren, strekt het mediabeleid zich uit over de volle breedte van het medialandschap. Grofweg valt het beleid in zeven onderdelen uiteen:

1. Financiering van de landelijke publieke omroep en Wereldomroep en wetgeving voor alle publieke omroepen (lokaal, regionaal, landelijk en wereldomroep).

2. Wetgeving voor commerciële omroep. Eisen aan commerciële televisie vloeien voornamelijk voort uit Europese richtlijnen op het gebied van audiovisuele media en interne markt en gaan onder andere over reclame en bescherming van minderjarigen. Aangezien de regering voorstander is van een zo groot mogelijk gelijk speelveld voor Nederlandse commerciële omroepen stelt hij zo min mogelijk eisen aan deze omroepen. De regels beperken zich tot het minimum wat de richtlijn voorschrijft. Alleen op het punt van alcoholreclame en ondertiteling gaan zij verder dan de richtlijn voorschrijft.

3. Wet- en regelgeving voor de distributie van elektronische media.

4. Financiële steun voor dagbladen, voor opinieweekbladen en voor journalistiek en meningsvorming op internet. Hiervoor bestaan onder meer de subsidieregelingen van het Stimuleringsfonds voor de Pers.

5. Wetgeving die concentratie op mediamarkten beperkt.

6. Aanmoedigen van zelfregulering door media via bijvoorbeeld de Kijkwijzer van het Nederlands Instituut voor Classificatie van Audiovisuele Media (NICAM), de Nederlandse Reclame Code, de Raad voor Journalistiek en de mediacode.

7. Bescherming en educatie van mediagebruikers, in het bijzonder jongeren en hun ouders.

Verantwoordelijkheid van de minister

De minister van OCW heeft specifieke zorg voor het stelsel van landelijke, regionale en lokale publieke omroepen en de wet- en regelgeving op dat terrein. Hij is ook verantwoordelijk voor de financiering van de landelijke publieke omroep, de wereldomroep en enkele andere aan de omroep verbonden instellingen. Sinds 1 januari 2006 is de verantwoordelijkheid voor de financiering van de regionale omroep overgedragen aan de provincies. Het Commissariaat voor de Media heeft de overdracht eind 2008 positief geëvalueerd (Tweede Kamer, vergaderjaar 2008–2009, 31 700 VIII nr 129). In een brief aan de Tweede Kamer dit najaar zet de minister zijn verantwoordelijkheid voor de regionale omroep nog eens uiteen. De gemeenten zijn verantwoordelijk voor de financiering van de lokale omroep. Dit wordt wettelijk geborgd met ingang van 1 januari 2010. De minister van OCW is verder verantwoordelijk voor het Stimuleringsfonds voor de Pers en voor tijdelijke subsidies aan diverse non-profit initiatieven op het terrein van de media (uit het budget subsidies mediabeleid).

De minister van OCW is tot slot verantwoordelijk voor naleving van de Mediawet en het Mediabesluit door de diverse publieke en commerciële media. Het toezicht op de naleving wordt uitgevoerd door het Commissariaat voor de Media.

De minister van OCW is, afgezien van naleving van de Mediawet, niet verantwoordelijk voor de vorm en inhoud van het media-aanbod. Dat zijn de omroepen, de pers en andere aanbieders zelf. Op deze manier is redactionele onafhankelijkheid van media tegenover de overheid beschermd.

Externe factoren

Het Nederlandse overheidsbeleid is slechts één van de factoren die het medialandschap beïnvloeden. Andere belangrijke invloeden zijn technologische innovaties, met name op het gebied van digitalisering, economische trends als diversificatie en concentratie van mediabedrijven en veranderingen binnen de reclamemarkt. Van grote invloed zijn verder Europese regels en aanbevelingen en het toezicht van Europa op de naleving ervan. Daar komt nog bij dat de wijze waarop mensen met media omgaan ook ingrijpend verandert, om tal van redenen. Vanwege deze veelheid aan invloeden kan de overheid slechts verantwoordelijkheid dragen voor het systeem van financiering en regulering van media. De overheid is niet verantwoordelijk voor de uitkomst: het aanbod en het gebruik van media. Dit geldt eens te meer omdat de overheid zich niet mengt in de inhoud, in verband met de vrijheid van meningsuiting (neergelegd in artikel 7 van de Grondwet). In het vervolg van deze begroting zijn niettemin gegevens opgenomen over aanbod en gebruik van media. Zoals aangegeven kunnen deze niet als een direct gevolg van het mediabeleid beschouwd worden. Ze geven wel een indicatie of de doelen van dit beleid gerealiseerd worden.

Meetbare gegevens bij de algemene doelstelling

Tabel 15.1 Indicatoren
IndicatorBasiswaarde peildatumWaarde 2008Streefwaarde 2010
1. Publieksbereik landelijke publieke televisie85%86%85%jaarlijks
Bron: Stichting Kijkonderzoek2003  
2. Dagbladconcentraties (maximum % oplagemarkt)33%29%35% (Max)
Bron: HOI-online.nl2006 2009

Toelichting:

1. Het maatschappelijke effect van de publieke omroep hangt mede af van het aantal mensen dat kijkt en/of luistert. Gezien de vele commerciële alternatieven en de digitalisering zijn marktaandelen van de publieke radio en televisiezenders hiervoor een minder goede indicator. In plaats daarvan is het weekbereik genomen: het percentage mensen (boven de 6 jaar) dat per week minimaal 15 minuten aaneengesloten heeft gekeken naar de publieke televisie. Gezien de ontwikkelingen binnen de media is een hogere streefwaarde dan de huidige realisatiewaarde niet reëel. Deze streefwaarde maakt onderdeel uit van de prestatieovereenkomst 2008–2010 tussen de landelijke publieke omroep en de minister van OCW.

2. Om diversiteit van de meningsvorming te beschermen, gaat (tijdelijke) wetgeving mediaconcentratie als gevolg van fusies en overnames tegen. Hiertoe mag het marktaandeel per dagbladonderneming na overname(s) nooit meer dan 35% bedragen. In 2008 had de grootste uitgever een marktaandeel van 29%. De wet loopt tot 1 januari 2010. Voor die datum besluit het kabinet over al dan niet verlengen van de wet.

Tabel 15.2 Kengetallen
IndicatorBasiswaarde peildatumWaarde 2008
1a. Aantal Nederlandstalige televisiekanalen1920
1b. Aantal Nederlandstalige radiokanalen2123
Bron: Commissariaat voor de media (monitormediaconcentratie)2005 
21. Waardering publieke omroep: % mensen dat uitzendingen betrouwbaar vindt71%75%
Bron: Nederlandse Publieke Omroep2006 
3. Aantal redactioneel zelfstandige dagbladen2626
Bron: Persmediamonitor2006 
4. Distributie elektronische media in huishoudens  
  – % met kabelaansluiting88,5%79%
  – % digitale ether3,7%8%
  – % satelliet10,1%12%
  – % IPTV (televisie via internet)1,7%4%
Bron:TNO2006 

Toelichting:

1. Het aantal radio- en televisiekanalen voor het Nederlandse publiek is een grove indicator voor de diversiteit van de audiovisuele media. In dit overzicht staan de landelijke algemene zenders, met uitzondering van digitale themakanalen.

2. De publieke omroep onderzoekt of het Nederlandse publiek zijn aanbod onderscheidend vindt. De belangrijkste dimensie hierin is of de kijkers de uitzendingen van de publieke omroep betrouwbaar vinden.

3. Het aantal redactioneel zelfstandige kranten is een grove indicator voor de diversiteit van de pers. De indicatoren in deze tabel wijken af van die in vorige begrotingen, omdat hierin vanaf de begroting 2010 de gratis dagbladen zijn meegenomen. In de basiswaarde zijn twee en in de realisatiewaarde 2008 vier gratis dagbladen opgenomen. Per 1 oktober 2008 is gratis dagblad DAG opgehouden te bestaan.

4. Concurrentie tussen en op distributienetwerken is gunstig voor toegankelijkheid: zowel eindgebruikers als aanbieders van inhoud hebben meer te kiezen en de prijzen voor distributie worden doorgaans lager. In 2008 is de kabel nog steeds het dominante netwerk voor de distributie van televisie en ether het belangrijkst voor radio.

15.2 Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 15.3 Budgettaire gevolgen van beleid artikel 15x (x € 1 000)
 2008200920102011201220132014
Verplichtingen909 647898 378904 583896 514900 542905 937910 691
Programma-uitgaven887 881899 124905 329897 260901 288905 937910 691
        
Bevorderen dat alle burgers toegang hebben tot een kwalitatief hoogwaardig, onafhankelijk en pluriform media-aanbod883 278891 274897 486894 730898 762903 411908 165
• Financiering publieke omroep866 433873 792880 004877 248881 280885 929890 683
• Stimuleringsfonds Nederlandse Culturele Omroepproducties16 84517 48217 48217 48217 48217 48217 482
        
Programmakosten overig4 6037 8507 8432 5302 5262 5262 526
• Overige uitgaven (geen Mediawet)4 6037 8507 8432 5302 5262 5262 526
Ontvangsten252 022257 367246 252202 000202 000202 000202 000

Coalitieakkoord:

• In het Coalitieakkoord zijn voor artikel 15 Media enveloppegelden gereserveerd. Het gaat om een bedrag van € 50 miljoen in 2008. Dit bedrag is inmiddels via de Mediawet toegekend. Vanaf 2011 wordt dit bedrag € 75 miljoen. Dit is € 25 miljoen minder dan het Coalitieakkoord voorzag. Deze oploop is op de aanvullende post bij Financiën gereserveerd.

Tabel 15.4 Budget flexibiliteit per operationele doelstelling (x € 1 000)
 20102011201220132014
Programma-uitgaven (totaal opererationele doelstellingen)897 486894 730898 762903 411908 165
Totaal juridisch verplicht897 486894 730898 762903 411908 165
Totaal bestuurlijk gebonden00000
Totaal niet-juridisch verplicht of bestuurlijk gebonden00000
Bevorderen dat alle burgers toegang hebben tot een kwalitatief hoogwaardig, onafhankelijk en pluriform media-aanbod897 486894 730898 762903 411908 165
• Juridisch verplicht897 486894 730898 762903 411908 165
• Bestuurlijk gebonden     
• Niet-juridisch verplicht of bestuurlijk gebonden     

15.3 Operationele beleidsdoelstelling

15.3.1 Bevorderen dat alle burgers toegang hebben tot een kwalitatief hoogwaardig, onafhankelijk en pluriform media-aanbod

Motivering

Het kabinet legt de komende jaren het accent op drie terreinen van het mediabeleid. Ten eerste bevordert het kabinet goede en gevarieerde radio en televisie. Hier ligt vooral een taak voor de landelijke publieke omroep. Die krijgt meer geld, er komen nieuwe spelregels voor de multimediale taak, de raad van bestuur behoudt de regie en de regels voor erkenning van omroepen veranderen. Commerciële televisie zal profiteren van een soepeler reclameregime. Daartegenover staat een verbod op het uitzenden van alcoholreclame op radio en televisie tussen 6.00 uur en 21.00 uur, met het oog op minderjarigen.

Ten tweede wil het kabinet bijdragen aan een levendig journalistiek klimaat. Steun voor de geschreven pers is daarbij niet het enige instrument. Het gaat ook om steun voor de kwaliteit van journalistiek via radio, televisie en internet.

Ten derde hecht het kabinet eraan dat de jeugd bewust omgaat met media. Het gaat dan zowel om het positieve gebruik van media – voor informatie, discussie en expressie – als om weerbaarheid tegenover mogelijk schadelijke inhoud. Dit vergt ook deelname van mediaorganisaties aan de Kijkwijzer en zelfregulering via gedragscodes.

Instrumenten

Publieke omroep

De landelijke publieke omroep wordt vanuit de mediabegroting gefinancierd. Vanaf 2011 is er € 25 miljoen gereserveerd om de rijksomroepbijdrage te kunnen verhogen. Dit geld is bestemd voor het dekken van begrotingstekorten die worden verwacht door de stijgende kosten voor de reguliere activiteiten en het realiseren van de ambities op het gebied van expressie en cultuur (waaronder drama) en het bereik van jongeren en kinderen.

• Stond 2008 in het teken van spelregels voor de multimediale taak van de publieke omroep, en 2009 in het teken van de erkenning van afzonderlijke omroepverenigingen, 2010 is het jaar waarin beiden samenkomen en de nieuwe erkenningsperiode voor de publieke omroep ingaat. Deze loopt van 1 september 2010 tot 1 januari 2016.

• In maart 2010 dient de landelijke publieke omroep een beleidsplan in voor de periode 2010–2015. Daarin is onderbouwd op welke wijze de publieke omroep zijn wettelijke, multimediale taak wil gaan vervullen. Op basis van het beleidsplan maakt de minister van OCW prestatieafspraken met de publieke omroep. Deze strekken zich uit over het aanbod en het publieksbereik van de diverse platforms (radio, televisie, themakanalen, internet en overige nieuwe diensten).

• De raad van bestuur houdt de regie over het geheel. De Erkenningswet die in 2009 in werking is getreden, schept de kaders voor de verdeling van zendtijd en geld tussen afzonderlijke omroepen.

• Uiterlijk 1 januari 2010 zal de minister besluiten of Max en LLiNK een volwaardige erkenning verdienen en of de nieuwkomers Wakker Nederland en Powned aan de eisen voldoen om toe te treden als aspirant-omroep. Naast het ledental is een belangrijke eis dat nieuwe omroepen echt iets nieuws toevoegen aan het publieke aanbod. Erkende omroepverenigingen krijgen een vast budget, waarvan de helft voor iedereen hetzelfde is en de andere helft is verdeeld naar rato van ledental (glijdende schaal). Ook taakorganisaties (NOS-RTV, NPS, Educom) krijgen een vast budget. Alle omroepen kunnen daarnaast aanspraak maken op het programmaversterkingsbudget dat de raad van bestuur beheert. Met dat geld maken omroepen programma’s in genres of doelgroepen waar anders gaten zouden vallen.

• Naar aanleiding van moties van de Tweede Kamer onderzoekt het kabinet in 2010 of het gewenst is de zendtijd voor kerken en levensbeschouwelijke organisaties onder te brengen in één organisatie. Verder onderzoekt hij of voor de volgende erkenningsperiode (2015–2020) andere spelregels nodig zijn voor de erkenning van omroepen. In dat onderzoek worden aanbevelingen van de visitatiecommissie meegenomen.

• In 2010 maakt de minister van OCW prestatieafspraken met de Wereldomroep, gebaseerd op het beleidsplan voor 2010–2015 van de Wereldomroep en een evaluatie door een (afzonderlijke) visitatiecommissie van de periode 2004–2008.

Commerciële omroep

• De richtlijn Audiovisuele Mediadiensten moet uiterlijk 19 december 2009 geïmplementeerd zijn in de Mediawet. Het doel van de AVMD-richtlijn is het creëren van een gelijk speelveld voor alle audiovisuele mediadiensten binnen de Europese Unie. De reikwijdte van de AVMD-richtlijn is uitgebreid van traditionele televisie naar audiovisuele mediadiensten op aanvraag.

• Voor audiovisuele mediadiensten op aanvraag geldt een aantal basisregels. Uitgebreidere regels gelden voor lineaire audiovisuele mediadiensten (uitgezonden op basis van een schema van de dienstenaanbieder). Dit was overigens ook al zo in de richtlijn Televisie zonder Grenzen. Een aantal kwantitatieve reclamebepalingen (zoals onder andere onderbrekingen bij films) zijn geliberaliseerd in de AVMD-richtlijn. Om een gelijk speelveld te creëren heeft de minister gekozen de regelgeving voor de commerciële omroep in de Mediawet 2008 te liberaliseren tot op het Europees minimumniveau.

• Met de implementatie worden regels voor onder meer stimulering van Europese producties, de bescherming van minderjarigen tegen ernstig schadelijke programmering en voorschriften voor sponsoring en productplaatsing aangepast aan de eisen van de richtlijn.

Pers en journalistieke producties

Het Stimuleringsfonds voor de Pers stimuleert de pluriformiteit van de pers, voor zover die van belang is voor de informatie en opinievorming. Als gevolg van digitalisering en convergentie gaat persbeleid vooral over de pluriformiteit van journalistieke content. De functies nieuws, informatievoorziening, opinie en debat worden op allerlei manieren vervuld, op tal van platforms. Het beleid sluit bij deze trend aan.

• De perssector wordt geconfronteerd met dalende oplages en teruglopende advertentie-inkomsten. Dit zet druk op de kwaliteit van de journalistiek en op de diversiteit van het medialandschap. Om innovatie van de sector te stimuleren en zo een gezonde perssector te bevorderen, stelt het kabinet op grond van de Mediawet (art 8.8) in 2010 maximaal 4% van de Steropbrengsten beschikbaar. In een brief aan de Kamer in het najaar 2009 reageert de minister van OCW op de aanbevelingen van de Tijdelijke Commissie Innovatie en Toekomst Pers (commissie Brinkman). Naast het stimuleren van innovatie in pers en journalistiek gaat het om wet- en regelgeving, samenwerking tussen omroep en pers en onderzoek ten behoeve van de sector.

• Er is een regeling voor jonge journalisten aangekondigd, die krantenredacties in staat moet stellen om één tot twee jonge journalisten in dienst te nemen en te houden. Bij de personele krimp die nagenoeg alle kranten doormaken, komen juist de banen voor jonge journalisten als eerste in gevaar. Deze regeling wordt uitgevoerd door het Stimuleringsfonds voor de Pers en zal in de loop van 2009 in werking treden. De looptijd van deze regeling is twee jaar.

• Voor 1 januari 2010 wordt verder besloten of en zo ja hoe de Tijdelijke wet mediaconcentratie wordt verlengd.

• Met behulp van jaarlijks onderzoek door het Commissariaat voor de Media volgt de minister de ontwikkeling van diversiteit en concentratie in de media.

Bewust mediagebruik

De overheid rekent het tot haar taak kinderen en jongeren te beschermen tegen een overdaad aan seks en geweld op televisie. De overheid wil dat zij kritisch, actief en bewust met de invloed van media omgaan. De ministers van OCW en Jeugd en Gezin werken op dit beleidsterrein nauw samen.

• Het Mediawijsheid Expertisecentrum gaat kinderen, (groot)ouders, opvoeders en leerkrachten helpen actief en verstandig gebruik te maken van media. Er is inmiddels online dienstverlening via de sitewww.mediawijsheidkaart.nl. De publiekscampagne Mediawijs heeft het expertisecentrum in 2009 landelijke bekendheid gegeven.

• In 2010 worden activiteiten voortgezet en uitgebouwd, onder meer via het Nederlands Instituut voor Beeld en Geluid en de bibliotheken. Het budget voor het Mediawijsheid Expertisecentrum loopt op tot maximaal € 2 miljoen in 2010.

• Media, zowel publiek als commercieel, worden gestimuleerd maatschappelijke verantwoordelijkheid te nemen. In de vorm van zelfregulering kunnen bestaande gedragscodes worden verbeterd en nieuwe geïnitieerd.

Distributie

In samenwerking met de staatssecretaris van Economische Zaken worden in 2010 de commerciële radiofrequenties voor de landelijke en niet-landelijke FM-zenders en AM-zenders verlengd voor de periode vanaf 2011. Voorwaarde voor verlenging is dat een vergunninghouder investeert in digitalisering van etherradio. (Tweede Kamer, vergaderjaar 2008–2009, 24 095 nr 241). Tevens zal voor de publieke omroep opnieuw frequentieruimte worden toegewezen .

Meetbare gegevens bij de operationele doelstelling

Tabel 15.5 Indicatoren
IndicatorBasiswaarde peildatumWaarde 2008Streefwaarde 2010
1. Onderscheidende programmering publieke televisie: % zendtijd informatie en jeugd77%77%75%
Bron: Stichting Kijkonderzoek2006  
2. Aantal culturele documentaires regionale omroep202630
Bron: Stimuleringsfonds Nederlandse Culturele Omroepproducties2006  
3. Bekendheid Kijkwijzer79%86%80%
Bron: Nederlandse Instituut voor Classificatie van Audiovisuele Media2006 

Toelichting:

1. Het onderscheidende karakter van het publieke aanbod laat zich verder aflezen uit de verdeling van televisiezendtijd over de diverse genres. De publieke omroep bracht aanzienlijk meer informatie en programma’s voor de jeugd, namelijk 77% van de publieke zendtijd. Deze gegevens worden alleen geproduceerd door de Stichting Kijk Onderzoek (SKO). Omdat SKO voor de branche werkt, volgt de indeling in genres ook de behoeften en gebruiken in de mediawereld. Afhankelijk van de prestatie-overeenkomst 2010–2015, die in 2010 wordt gesloten, worden nieuwe indicatoren vastgesteld.

2. Het Stimuleringsfonds Nederlandse Culturele Omroepproducties ontvangt vanaf 2008 € 500 000 extra subsidie voor culturele programmering door regionale omroepen. Hiervoor worden jaarlijks extra documentaires gemaakt naast de documentaires, die de regionale omroep in 2006 produceerde.

3. De Kijkwijzer is een belangrijk hulpmiddel voor bewust mediagebruik door kinderen en hun opvoeders. Pictogrammen geven informatie over de inhoud van het mediaproduct en er is een indicatie opgenomen vanaf welke leeftijd de inhoud niet schadelijk is. De leeftijdsgrenzen zijn bovendien bepalend voor het uitzendtijdstip van programma’s op televisie. Het streven is dat 80% van de Nederlandse bevolking bekend is met de Kijkwijzer. In 2008 is dit streefcijfer ruimschoots gehaald met 86%.

15.4 Overzicht onderzoek naar de doelmatigheid en de doeltreffendheid van beleid

Tabel 15.6 Overzicht onderzoek naar de doelmatigheid en de doeltreffendheid van beleid
 OnderzoekonderwerpAD of ODA. StartB. AfgerondVindplaats
BeleidsdoorlichtingBeleidsdoorlichting art. 15OD 1A: 2009B: 2010 
Overig evaluatieonderzoekVerkenning spelregels concessieperiode 2010–2015OD 1A: 2009B: 2010Tweede Kamer, vergaderjaar 2008–2009, 31 700 VIII, nr. 55
 Onderzoek naar de haalbaarheid van integratie van de taken zendtijd voor kerken en levensbeschouwelijke organisaties met taken van omroepverenigingen en taakorganisatiesOD1A: 2009B: 2010Tweede Kamer, vergaderjaar, 2008–2009, 31 804, nr. 60

ARTIKEL 16. ONDERZOEK EN WETENSCHAPSBELEID

16.1 Algemene doelstelling: het scheppen van een internationaal concurrerende onderzoeksomgeving die onderzoekers uitdaagt tot optimale wetenschappelijke prestaties en die goed aansluit op maatschappelijke behoeften.

Omschrijving

Door te zorgen dat de omvang, het vernieuwende vermogen en de kwaliteit van het publiek gefinancierde Nederlandse onderzoek op peil zijn, kan het onderzoeksbestel goed en doelmatig functioneren binnen de maatschappij. Daarom wordt bevorderd dat wetenschap en wetenschappers van hoog niveau zijn, dat er voldoende ruimte is voor onafhankelijk en vernieuwend wetenschappelijk onderzoek, en dat de wetenschap kan bijdragen aan ontwikkelingen in het hoger onderwijs en aan het oplossen van maatschappelijke vraagstukken.

Het Nederlandse onderzoeksstelsel in zijn totaliteit (publiek en privaat) bestaat uit een verscheidenheid van instellingen en organisaties, die in het stelsel elk hun eigen functie hebben. Dit varieert van het uitvoeren van fundamenteel onderzoek tot ontwikkelingswerk op alle terreinen van wetenschap.

De minister zet een aantal instrumenten in om deze algemene doelstelling te halen. De instrumenten sluiten aan bij de strategische beleidsvisie. Deze beleidsvisie is te vinden in de beleidsnotitie Het Hoogste Goed, de strategische agenda voor het hoger onderwijs-, onderzoek en wetenschapsbeleid (Tweede Kamer, vergaderjaar 2007–2008, 31 288, nr.1 enTweede Kamer, vergaderjaar 2007–2008, 31 288, nr. 17).

Verantwoordelijkheid van de minister

De minister is verantwoordelijk voor:

• het scheppen van voorwaarden voor het doelmatig functioneren van een aantal wetenschappelijke instellingen, waaronder onderzoeksorganisaties en wetenschappelijke bibliotheekinstellingen. Deze instellingen nemen binnen het onderzoeksbestel zowel zelfstandig als in relatie tot de universiteiten en bedrijven een belangrijke plaats in;

• het vernieuwende vermogen en de kwaliteit van het Nederlandse onderzoek en van de onderzoeksfaciliteiten;

• de coördinatie van het wetenschapsbeleid in nationale en internationale context;

• het toezicht op een efficiënte besteding van geld en op voldoende verspreiding van kennis naar de maatschappij.

Externe factoren

• Effect van de arbeidsmarktsituatie op de aantrekkingskracht van een wetenschappelijke functie;

• De nationale en internationale loopbaanmogelijkheden in het onderzoeksbestel voor (jonge) talentvolle mensen;

• De mate waarin prioriteitskeuzen in het onderzoek aansluiten bij internationale ontwikkelingen in de wetenschap en bij de maatschappelijke vraag naar kennis.

De minister kan deze factoren slechts beperkt beïnvloeden, maar is er bij het halen van de beleidsdoelstellingen wel afhankelijk van.

Meetbare gegevens bij de algemene doelstelling

Tabel 16.1 Indicatoren
IndicatorBasiswaardeLaatste waardeStreefwaarde
1 Internationale wetenschappelijke kwaliteit op basis van de relatieve Nederlandse citatiescore (mondiale gemiddelde = 1)1,26(= mondiaal top-3)1,34(= mondiaal top-3)Behorende tot de top-3 mondiaal
Bron: NOWT/CWTSpeildatum: 2000–2003peildatum: 2003–2006 
2 Wetenschappelijke productiviteit(aantal wetenschappelijke publicaties per onderzoeker in de publieke sector)0,951,44Top-5 positie binnen een groep referentielanden
Bron: NOWT/CWTSpeildatum: 2000–2003peildatum: 2006 
3 Promotiegraad (aantal promoties per 1000 personen in de leeftijdsgroep 25–34 jarigen)0,951,61> 1,55
Bron: VSNU (aantallen promoties) en CBS (leeftijdsgroep)peildatum: 2000peildatum: 2008 

Toelichting:

De indicatoren 1 en 2 beschrijven in algemene termen de mate van kwaliteit en doelmatigheid van het onderzoek bij de instellingen en organisaties die wetenschappelijk onderzoek verrichten. Ze zijn het resultaat van het handelen van vele actoren, waarbij ook de beleidsinzet een rol speelt, zij het indirect. Ook als gekeken wordt naar het functioneren van groepen van instellingen, waaronder de instellingen die onder dit beleidsartikel vallen, dan blijkt dat de kwaliteit van het uitgevoerde onderzoek relatief zeer goed is, zich kan meten met onderzoek in andere landen en bij veel instellingen ver boven het wereldgemiddelde ligt.

Voor de indicatoren 1 en 2 komen pas begin 2010 nieuwe gegevens beschikbaar bij het verschijnen van het rapport «Wetenschaps- en Technologie Indicatoren 2010».

Voor indicator 3 geldt dat de streefwaarde is gericht op een verhoging van het relatief aantal promoties ten opzichte van de laatste waarde en moet leiden tot een betere positie binnen de EU. Het overheidsbeleid richt zich in dit verband op de verbetering en versterking van het promotiestelsel, en daarnaast indirect ook op het vergroten van het aantal promoties. Cijfers over de ontwikkeling in de afgelopen jaren laten zien dat zowel het absoluut aantal promoties jaarlijks toeneemt alsook het relatief aantal gepromoveerden. Langzaam tekent zich ook een positieverbetering af binnen de EU.

Tabel 16.2 Budgettaire gevolgen van beleid artikel 16 (x € 1 000)
 2008200920102011201220132014
Verplichtingen1 159 3871 108 6551 197 2211 002 337993 838978 264976 564
Waarvan garantieverplichtingen56 036      
Totale uitgaven1 018 2951 182 4141 239 3021 068 1461 059 7871 041 6761 039 948
Programma-uitgaven1 014 8281 178 9841 236 0481 065 1401 056 7811 038 6701 036 942
        
Zorgen voor een voldoende toerusting van het onderzoeksstelsel790 277808 830784 591782 488782 329780 648780 620
• NWO315 610325 637313 343313 527316 027316 027316 027
• KNAW91 74794 11090 77490 57490 57490 57490 574
• Koninklijke Bibliotheek (KB)45 31446 42946 42946 42946 42946 42946 429
• KNAW bibliotheek2 4442 5042 4292 4292 4292 4292 429
• LF TUD bibliotheek7 3757 6267 6267 6267 6267 6267 626
• IISG279284284284284284284
• SURF7 2707 5177 5177 5177 5177 5177 517
• CPG493515515515515515515
• Montesquieu Instituut1 0321 0671 0671 0671 0671 0671 067
• NCB5 0005 1705 1705 1705 1705 1705 170
• TNO198 668197 585191 444190 967190 978191 063191 036
• BPRC/ Stichting AAP9 5449 5979 5979 5979 5979 5979 597
• Nationaal Herbarium1 1841 2251 2251 2251 2251 2251 225
• NLR865916916916916916916
• Deltares2 1602 2652 2652 2652 2652 2652 265
• MARIN888957957957957957957
• STT227233233233233233233
• EMBC658710724724724724724
• EMBL3 7343 9954 1004 1004 1004 1004 100
• ESA33 77534 83233 83233 23229 13229 03229 032
• CERN29 84435 32035 44433 64433 64433 64433 644
• ESO6 2526 8207 1007 1007 1007 1007 100
• NEMO3 2843 3683 3683 3683 3683 3683 368
• EG-Liaison325383405425455475475
• NTU/INL2 9633 0773 2413 2413 1713 1713 171
• EIB1 2541 2971 2971 2971 2971 2971 297
• Nationale coördinatie11 0348 8407 1057 4268 3627 9167 916
• Bilaterale samenwerking5 8544 0213 2584 3834 3834 3834 383
• Weerstandsverhoging onderzoeksinstellingen (CBRN)1 4702 4702 4702 4702 4701 4701 470
• Nader te verdelen3770456180714474473
        
Het bevorderen van wetenschappelijke activiteiten die bijdragen aan de ontwikkeling van specifieke kennis en/of aan het oplossen van belangrijke maatschappelijke vraagstukken119 352181 731255 296100 10491 90475 47473 774
• FES– BSIK51 45269 94522 3700000
• FES– ITER0000000
• FES-GATE2 0002 0002 0001 000000
• FES- grootschalige researchfaciliteiten22 82210 1623 9021 8301 83000
• FES- Parelsnoer7 7507 7507 7500000
• FESSURF-net06 80011 7006 3007 20000
• FES-NCB04 70010 0008 4006 90000
• FES-ITER-2004 0004 000000
• FES-Hersenen en Cognitie02 0004 0004 0003 9003 9002 200
• Genomics15 00036 00040 00044 00044 00043 50043 500
• Kenniswerkers020 000120 000    
• Smart-mix4 975000000
• EET98840000000
• Valorisatie002 5002 500000
• Talentenkracht300400500500500500500
• Kust- en zeeonderzoek2 0652 0002 0002 0002 0002 0002 000
• ASTRON/LOFAR2 0002 0742 0742 0742 0742 0742 074
• Grootschalige research infrastructuur10 00016 00019 00020 00020 00020 00020 000
• Poolonderzoek002 0002 0002 0002 0002 000
• Gezondheidsonderzoek01 5001 5001 5001 5001 5001 500
        
Ruimte voor excellente onderzoekers en excellente wetenschap104 613187 873195 873182 260182 260182 260182 260
• Vernieuwingsimpuls88 613168 873168 873155 260155 260155 260155 260
• VI-vrouwencomponent2 0002 0002 0002 0002 0002 0002 000
• Talent Mozaiek2 0002 0002 0002 0002 0002 0002 000
• Talent Rubicon4 0004 0004 0000000
• Aspasia3 0004 0004 0004 0004 0004 0004 000
• Toptalent4 0004 0004 0004 0004 0004 0004 000
• Graduate schools4 0003 00011 00015 00015 00015 00015 000
        
Programmakosten-overig279540288288288288288
• Uitvoeringsorganisatie DUO279540288288288288288
        
Apparaatsuitgaven3 4673 4303 2543 0063 0063 0063 006
Ontvangsten178 093215 474179 797143 333137 644121 299119 572

Coalitieakkoord en aanvullend beleidsakkoord:

In het Coalitieakkoord zijn voor het artikel onderzoek en wetenschapsbeleid enveloppegelden gereserveerd. Het gaat om een bedrag van € 24 miljoen in 2008, oplopend tot indicatief € 78 miljoen in 2011. Vanaf 2011 is de oploop op de aanvullende post bij Financiën gereserveerd. De beleidsambities in deze begroting zijn uitgaande van deze indicatieve invulling geformuleerd.

Voor 2010 komt € 73 miljoen uit de enveloppe beschikbaar. Hiermee worden de volgende maatregelen gefinancierd:

• Graduate schools (OD 16.3.3)

• Vrouwelijke hoogleraren/Aspasia (OD 16.3.3)

• Grootschalige researchinfrastructuur (OD 16.3.2)

• Genomics (OD 16.3.2)

• Talent Mozaïek (OD 16.3.2)

In het «aanvullend beleidsakkoord» zijn extra intensiveringen voor 2009 en 2010 opgenomen. Voor dit artikel gaat het om investeringen in een regeling voor de tijdelijke inzet van kenniswerkers. Voor 2009 en 2010 is respectievelijk € 20 miljoen en € 120 miljoen beschikbaar gesteld. Deze maatregelen worden verder toegelicht bij de operationele doelstellingen.

Tabel 16.3 Budget flexibiliteit per operationele doelstelling (x € 1 000)
 20102011201220132014
Programma-uitgaven (totaal operationele doelstellingen)1 231 7601 064 8521 056 4931 038 3821 036 654
Totaal juridisch verplicht1 049 9831 012 4881 006 3591 001 5061 002 606
Totaal bestuurlijk gebonden181 77752 36447 63433 87829 580
Totaal niet-juridisch verplicht of bestuurlijk gebonden002 5002 9984 468
Zorgen voor een voldoende toerusting van het onderzoeksstelsel784 591782 488782 329780 648780 620
• Juridisch verplicht757 014757 324752 195751 172752 272
• Bestuurlijk gebonden27 57725 16427 63426 47823 880
• Niet-juridisch verplicht of bestuurlijk gebonden002 5002 9984 468
      
Het bevorderen van wetenschappelijke activiteiten die bijdragen aan de ontwikkeling van specifieke kennis en/of aan het oplossen van belangrijke maatschappelijke vraagstukken255 296100 10491 90475 47473 774
• Juridisch verplicht101 09672 90471 90468 07468 074
• Bestuurlijk gebonden154 20027 20020 0007 4005 700
• Niet-juridisch verplicht of bestuurlijk gebonden00000 
      
Ruimte voor excellente onderzoekers en excellente wetenschap195 873182 260182 260182 260182 260
• Juridisch verplicht195 873182 260182 260182 260182 260
• Bestuurlijk gebonden00000
• Niet-juridisch verplicht of bestuurlijk gebonden00000

16.3 Operationele beleidsdoelstelling

16.3.1 Zorgen voor een voldoende toerusting van het onderzoeksstelsel

Motivering

Om voldoende ruimte te kunnen geven aan excellent ongebonden en zuiver wetenschappelijk en aan toegepast onderzoek dat beter aansluit op maatschappelijke vraagstukken, is een adequate toerusting en bekostiging van onderzoeksorganisaties vereist. Grensverleggend onderzoek ligt aan de basis van veel innovaties, van een concurrerende economie en een vitale samenleving. Innovatieve, hoogwaardige kennis creëert de voorwaarden voor structurele en duurzame economische groei en het oplossen van maatschappelijke vraagstukken op gebieden zoals water, zorg, veiligheid, migratie, klimaatverandering, energievoorziening.

Een bijdrage aan internationale wetenschappelijke organisaties en deelname aan Europese onderzoeksprogramma’s verhoogt de doelmatigheid en doeltreffendheid van het wetenschappelijk onderzoek. Voor Nederland is internationale wetenschappelijke samenwerking essentieel voor de wetenschapsbeoefening en belangrijk vanuit politiek, maatschappelijk en economisch oogpunt. Samenwerking in grote netwerken en internationale instituten en programma’s biedt schaalvoordelen waardoor onze onderzoekers toegang krijgen tot geavanceerde onderzoeksfaciliteiten. Het kabinet vindt dat het wetenschappelijk onderzoek in Nederland zich moet kunnen meten met het beste in de wereld.

Op deze wijze kan Nederland bijdragen aan de Europese ambitie de meest concurrerende economie van de wereld te worden. Het streven is er in algemene zin op gericht binnen Europa tot de koplopers te behoren.

Instrumenten

• Bekostiging van de nationale onderzoeksinstellingen NWO, KNAW, TNO en KB.

• Contributies aan de grote internationale onderzoeksorganisaties (ESA, ESO, CERN, EMBL, EMBC).

• Subsidie aan een aantal wetenschappelijke instellingen, waaronder wetenschappelijke bibliotheken, met een belangrijke instellingsoverstijgende functie.

• Subsidie aan Stichting SURF voor grensverleggende ict-innovaties. Hierdoor kan het hoger onderwijs en onderzoek optimaal gebruik maken van de mogelijkheden van ict om zo de kwaliteit van onderwijs en onderzoek te verbeteren. Deze middelen zullen conform de kabinetsreactie op het advies van ICTRegie over de ICT-onderzoeksinfrastructuur in Nederland (Tweede Kamer, vergaderjaar 2008–2009, 26 643, nr. 140) worden ingezet voor de versterking van de ict-onderzoeksinfrastructuur zoals computernetwerken (SURFnet, Gigaport), E-science en High Performance Computing.

• Subsidie aan Senter/EG-Liaison voor het ondersteunen en stimuleren van een zo groot mogelijke Nederlandse participatie in het EU-Kaderprogramma voor onderzoek en ontwikkeling.

• Subsidie aan Naturalis voor de totstandkoming van het Nederlands Centrum voor Biodiversiteit (NCB). Op termijn zal het Nationaal Herbarium hierin opgaan.

• Subsidie aan het science center NEMO voor het uitvoeren van activiteiten op het gebied van wetenschap en techniekcommunicatie ten behoeve van ondermeer Kennislink, de continuïteit van de kleine science centra, en de Wetenschap- en techniekweek.

• Financiering van het universitaire onderzoek (via beleidsartikel 7: Wetenschappelijk Onderwijs).

• Verdere implementatie van het interdepartementale proces van vraagprogrammering van het onderzoek TNO en de GTI’s. Vanuit de maatschappelijke thema’s en vraagstukken wordt in kennisarena’s meer specifiek de richting bepaald voor kennis voor beleid, grote faciliteiten en kennis als vermogen.

Meetbare gegevens bij de operationele doelstelling

Tabel 16.4 Indicatoren
IndicatorBasiswaardeLaatste waardeStreefwaarde
1 R&D-investeringen als % BBP, gefinancierd door1,82%1,70%3%
  – de overheid0,62%0,62%0,90%
  – bedrijven Nederland0,93%0,87%1,90%
  – overig (waaronder buitenland)0,27%0,21%0,20%
Bron: CBS   
(*) schatting OCW op basis voorlopige CBS cijfers over 2007peildatum: 2000peildatum 2007 (*)peildatum 2010
2 Inzet wetenschappelijk personeel voor R&D(onderzoekers per 1000 personen van de beroepsbevolking)5,25,8> 5,8
Bron: CBSpeildatum: 2000peildatum 2007 
3 Nederlandse deelname in EU-Kaderprogramma(opbrengst in % minus bijdrage in %)0%+ 1,4%> 0%
Bron: SenterNovem / EG Liaisonpeildatum: februari 2009peildatum: KP7 (2007–2013) 

Toelichting:

De indicatoren 1 en 2 zijn het resultaat van investeringsbesluiten van diverse partijen betrokken bij de uitvoering van R&D. De cijfers laten zien dat er een duidelijke kloof ligt tussen de waarden van 2007 en de streefwaarden, met name bij het bedrijfsleven. Indicator 1 is mede afhankelijk van de ontwikkeling van het BBP. Indicator 2, waarvan de streefwaarde is gericht op een verhoging van de laatstgemeten waarde, is mede afhankelijk van de ontwikkeling van de beroepsbevolking. Wat betreft indicator 1 heeft het Kabinet uitgesproken er naar te streven om de ontwikkeling van onderwijs, innovatie en kennis in een nader af te spreken lange termijnpad op tenminste het niveau van het OESO-gemiddelde te brengen. Bij deze begroting vindt hiervan nadere uitwerking plaats.

Bij indicator 3 gaat het om het verschil tussen de Nederlandse bijdrage aan het Kaderprogramma van de EU en de opbrengsten die Nederlandse onderzoekers hieruit halen. Het streven is een positief saldo te realiseren, zoals dat tot nu toe het geval is geweest bij de verschillende EU-Kaderprogramma’s. De cijfers over het jaar 2008 laten een voorlopig saldo zien van 1,3% (voorlopig omdat nog niet alle informatie beschikbaar is). De Nederlandse prestaties voor het gehele KP7 tot nu toe laten een positief saldo zien van 1,4%.

16.3.2 Het bevorderen van wetenschappelijke activiteiten die bijdragen aan de ontwikkeling van specifieke kennis en/of aan het oplossen van belangrijke maatschappelijke vraagstukken

Motivering

Om te zorgen dat het Nederlandse onderzoeksbestel beter in staat is (funderend) onderzoek te verrichten en op een aantal terreinen de aansluiting met de internationale top te bereiken of te behouden, investeert de overheid in een aantal specifieke thema’s. Deze thema’s vragen vanwege hun potentie om bijzondere prioriteitsstelling en financiering. Bij de meeste thema’s is sprake van co-financiering door de betreffende onderzoeksinstelling en/of andere departementen. De thema’s sluiten aan bij de grote nationale onderzoeksprioriteiten en bij prioriteiten die voortkomen uit de kennis en innovatieagenda van het kabinet en anticiperen op de maatschappelijke kennisbehoeften (zorg, energie, water, duurzaamheid, etcetera).

Instrumenten

• Bijdragen uit het Fonds Economische Structuurversterking (FES) in het kader van het Besluit subsidies investeringen kennisinfrastructuur (Bsik) aan veertien ICES/KIS-3 projecten waarvoor OCW penvoerder is.

• Bijdragen uit de FES impulsen 2005 en 2006 voor toponderzoek en innovatieprogramma’s aan het project Game Research for Training and Entertainment (GATE), en aan het Parelsnoer project voor het opzetten van een infrastructuur voor prospectieve Nationale Biobanken.

• Bijdrage aan NWO uit de FES impuls 2005 voor de investering in een vijftal grootschalige researchfaciliteiten.

• Bijdrage uit de Fes-enveloppe voor maatschappelijke innovatieprogramma’s aan het project Hersenen en Cognitie.

• Bijdrage uit de Fes-enveloppe voor grootschalige researchinfrastructuur aan het project Surfnet 7. SURFnet 7 vormt een belangrijk deel van de Nederlandse ICT researchinfrastructuur en heeft tot doel het huidige hybride computernetwerk door te ontwikkelen zodat het behoort tot het meest geavanceerde researchnetwerk voor hoger onderwijs en onderzoek ter wereld.

• Bijdrage uit de Fes-enveloppe voor grootschalige researchinfrastructuur aan de totstandkoming van het Nederlands Centrum voor Biodiversiteit (NCB). Met het Nationaal Centrum Biodiversiteit (NCB) wordt een up-to-date onderzoeksfaciliteit voor onderzoek op het gebied van biodiversiteit gerealiseerd.

• Bijdrage uit de Fes ronde voor aflopende Fes-projecten in het domein kennis, innovatie en onderwijs aan het project ITER-NL2. In dit project wordt gewerkt aan ontwerp en constructie van wetenschappelijke instrumentatie voor het internationale kernfusiereactorproject ITER.

• Subsidie aan NWO voor het voortzetten van het Netherlands Genomics Initiative (NGI) in een tweede fase (2008–2012).

• Subsidie aan het interdisciplinaire onderzoeksproject Talentenkracht voor onderzoek naar het van nature bij kinderen van 3–5 jaar oud aanwezige exploratiegedrag en onderzoekstalent op gebieden als logisch denken, redeneren en ruimtelijk inzicht.

• Subsidie aan het Nederlands instituut voor Radio Astronomie (ASTRON) ter waarborging van een adequate financiering van de exploitatie van de LOw Frequency ARray faciliteit (LOFAR).

• Voor grote infrastructurele onderzoeksvoorzieningen wordt in de oploop van middelen uit de enveloppe Innovatie, Kennis en Onderzoek vanaf 2009 € 18 miljoen subsidie verstrekt aan NWO voor de uitvoering van projecten die geselecteerd zijn op grond van de resultaten van de nationale roadmap commissie.

• Subsidie aan het NIVEL voor stimulering van het gezondheids-onderzoek.

• In het kader van het aanvullend beleidsakkoord heeft het kabinet besloten voor 2009 en 2010 in totaal een bedrag van € 280 miljoen in te zetten voor maatregelen die moeten bijdragen aan het voorkomen van het dreigende verlies van kennispotentieel als gevolg van de economische crisis. De middelen worden ingezet voor het gemeenschappelijke beleid ten aanzien van het behoud van kenniswerkers en versterking van de private kennisinfrastructuur. De bedragen worden gelijkelijk verdeeld over de begrotingen van EZ en OCW. De uitvoering is belegd bij SenterNovem die daarbij samenwerkt met NWO.

Meetbare gegevens bij de operationele doelstelling

Algemene streefwaarden zijn niet van toepassing, maar zo nodig afgesproken per programma. De voortgang van de in het kader van het FES uitgevoerde projecten en programma’s die onder de Bsik regeling vallen wordt bewaakt door de Commissie van Wijzen ICES/KIS. Een team van SenterNovem en NWO voert hiervoor de monitor uit. Veel van de projecten liggen op het gebied van het biomedische onderzoek en de moleculaire biologie. De Nederlandse wetenschappelijke positie op deze gebieden is, blijkend uit citatiescores, internationaal sterk (NOWT 2008;Tweede Kamer, vergaderjaar 2007–2008, 31 288, nr.25).

16.3.3 Ruimte voor excellente onderzoekers en excellente wetenschap

Motivering

Om een kwalitatief hoogwaardig en op vernieuwing gericht onderzoeksstelsel in stand te kunnen houden en verder te ontwikkelen is voldoende ruimte nodig voor excellente onderzoekers en excellente wetenschap. Voorkomen moet worden dat de lage instroom van jong wetenschappelijk talent (vooral in de bètadisciplines) en de vergrijzing van vooral het universitaire wetenschappelijke personeel uitmondt in een tekort aan wetenschappelijk personeel. Het beleid is daarom gericht op een hogere in- en doorstroom van (jonge) veelbelovende onderzoekers en op het verbeteren van loopbaanperspectieven in het onderzoek. Speciale aandacht is er voor het verhogen van het aantal Nederlandse wetenschappers met een niet-westerse achtergrond en het aantal vrouwen in hoge wetenschappelijke stafposities (zie ook artikel 25 Emancipatie). Het kabinet wil excellente wetenschap verder bevorderen en het primaat van ongebonden en zuiver wetenschappelijk onderzoek versterken. Het kabinet zorgt er voor dat het geld zo veel mogelijk bij de beste mensen terecht komt. Daarom is er extra aandacht voor versterking van de persoonsgerichte financiering van onderzoek.

Van deze operationele doelstelling is een beleidsdoorlichting uitgevoerd, die in 2008 naar de Tweede Kamer is gestuurd (Tweede Kamer, vergaderjaar 2007–2008, 31 511, nr. 1 en 2). Op grond van de bevindingen bleek dat handhaving van de operationele beleidsdoelstelling noodzakelijk is en dat continuering van de inzet van persoonsgerichte instrumenten nodig blijft.

Instrumenten

Subsidies aan NWO voor:

• het uitvoeren van een versterkt en uitgebreid programma «Vernieuwingsimpuls» dat beoogt ruimte te geven aan (jonge) veelbelovende onderzoekers;

• het honoreren van extra aanvragen van vrouwen met een subsidiabel voorstel in de vidi en vici rondes van de Vernieuwingsimpuls;

• de continuering van het programma «Mozaïek», waarmee meer Nederlandse afgestudeerden met een niet-westerse achtergrond in de wetenschap kunnen doorstromen;

• het uitvoeren van het Rubicon-programma waarmee jonge veelbelovende onderzoekers na hun promotie ervaring kunnen opdoen door een verblijf van twee jaar aan een buitenlandse onderzoeksinstelling of voor één jaar aan een Nederlandse onderzoeksinstelling;

• persoonsgerichte bijdragen voor vrouwelijke hoogleraren via het Aspasiaprogramma. Hiermee wordt een bijdrage geleverd aan het oplossen van het hardnekkige probleem van onderbenut vrouwelijk potentieel en in het bijzonder aan verhogen van het in internationaal vergelijk in Nederland erg lage percentage vrouwelijke hoogleraren;

• het uitvoeren van een programma voor «toptalent» (voorheen «creatieve promovendi»). Dit is een programma waarin talentvolle afgestudeerden kunnen starten met hun promotie op een onderwerp naar keuze;

• het opzetten van een op het Amerikaanse model van de «graduate schools» geïnspireerd instrument op basis van open competitie voor «training grants». Met dit instrument wordt beoogd de ruimte die het promotiestelsel biedt aan jonge talentvolle onderzoekers te vergroten. Promovendi krijgen zo meer kans zelf hun onderzoeksloopbaan richting te geven.

Meetbare gegevens bij de operationele doelstelling

Tabel 16.5 Indicatoren
IndicatorBasiswaardeLaatste waardeStreefwaarde
1. Het aandeel universitair WP ouder dan 50 jaar(procenten)(procenten)(procenten)
  – WP-totaal25,021,8< 21,8
  – Hoogleraar64,063,6< 63,6
  – UHD55,852,0< 52,0
  – UD33,826,4< 26,4
Bron: VNSU/WOPIpeildatum: dec. 2000peildatum: dec. 2008 
2) Het aandeel vrouwen in wetenschappelijke functies(procenten)(procenten) 
  – Hoogleraar6,311,615(in 2010)
  – UHD10,718,1Hoger dan de waarde van het laatst beschikbare jaar tot een uiteindelijk niveau van ± 50–50.
  – UD22,431,3
  – promovendi43,043,6
  – overig WP32,840,4
  – WP-totaal27,734,6
Bron: VSNU/WOPIpeildatum: dec. 2000peildatum: dec. 2008
3) Verschuiving in functie van gehonoreerden in de Vernieuwingsimpuls (tussen start en afronding van de subsidie)Verdeling over functiecategorieën in procenten (man/vrouw) bij de start van de subsidie Verdeling over functiecategoriën in procenten (man/vrouw) bij de start van de subsidie 
  – Postdoc62/6824/37% afname
  – UD27/2638/37% toename
  – UHD7/415/15% toename
  – Hoogleraar4/220/9% toename
  – Functie buiten de wetenschap0/02/3 
Bron: NWO jaarboek 2007peildatum: 2002–2005peildatum: 2008  

Toelichting:

De overheid zet voor een aantal verschillende doelgroepen specifieke instrumenten in, die moeten leiden tot een hogere in- en doorstroom van (jonge) veelbelovende onderzoekers en het verbeteren van carrièreperspectieven. De drie indicatoren weerspiegelen mede het resultaat van deze inspanningen, zij het dat in eerste instantie de activiteiten van de universiteiten hiervoor verantwoordelijk zijn.

Indicatoren 1 en 2.

De cijfers geven vooral een indicatie of de gewenste streefrichting, namelijk een verjongd personeelsbestand en een vergroot aandeel vrouwelijke wetenschappers, in algemene zin wordt bereikt. Voor indicator 1 is de streefwaarde een waarde lager dan de waarde van het laatst beschikbare jaar. Bij de hoogleraren valt op dat de laatste jaren er weer een lichte stijging in de groep 50+ is, bij de UHD’s is deze groep redelijk stabiel, bij de UD’s neemt de omvang nog steeds af, vermoedelijk vanwege de instroom van jonger WP vanuit de verschillende specifieke persoonsgerichte instrumenten van NWO.

Het reeds door de vorige minister gehanteerde streefpercentage van 15 voor het aandeel vrouwelijke hoogleraren in 2010 blijft gehandhaafd (voor de EU geldt een streefpercentage van 25). Leek het er aanvankelijk op dat dit percentage in 2010 dan wel 2011 zou kunnen worden bereikt, het groeicijfer in 2008 ten opzichte van 2007 is te laag om te verwachten dat het aandeel vrouwelijke hoogleraren in 2010 15 procent is.

Indicator 3. Het gewenste effect van de Vernieuwingsimpuls, namelijk vernieuwing van het onderzoek, is door NWO zichtbaar gemaakt door de positie van de laureaten bij de aanvang van de subsidie te vergelijken met de positie van de laureaten aan het einde van de subsidie. De cijfers hebben betrekking op de laureaten in de Vernieuwingsimpuls die hun projecten in 2008 hebben afgerond. De indicator beschrijft de verdeling door de functiecategoriën op de tijdstippen begin en eind. Uit de cijfers blijkt dat het aandeel postdocs sterk afneemt ten gunste van toename van het aandeel in de hogere WP-functies. Dit wijst er op dat de laureaten in positie doorstromen, met andere woorden een hogere positie hebben dan bij de aanvang van de subsidie. De verschuiving in posities verschilt per doelgroep van de Vernieuwingsimpuls. Veni’s stromen als postdocs vooral door naar UD-posities en in mindere mate naar UHD-posities en nauwelijks naar hoogleraarposities. Vidi’s stromen vooral door van UD-posities naar UHD- en hoogleraarposities en Vici’s stromen alleen door naar hoogleraarposities. Bij de mannen is er een sterkere doorstroom te zien naar hoogleraarposities dan bij de vrouwen.

16.4 Overzicht onderzoek naar de doelmatigheid en de doeltreffendheid van beleid

Tabel 16.6 Overzicht onderzoek naar de doelmatigheid en de doeltreffendheid van beleid
 OnderzoekonderwerpAD of ODA. StartB. AfgerondVindplaats
BeleidsdoorlichtingTalentvolle onderzoekersOD 16.3.3A. 2006B. 2008Tweede Kamer, vergaderjaar 2007–2008, 31 511, nr. 1 en 2.
 Voldoende toegerust onderzoeksstelselOD 16.3.1A. 2011B. 2011 
 Bevorderen wetenschappelijke activiteiten voor specifieke kennis en/of oplossing van maatschappelijke vraagstukkenOD 16.3.2A. 2012B. 2012 
Overig evaluatieonderzoekEvaluatie KNAWOD 16.3.1A. 2007B. 2008Tweede Kamer, vergaderjaar 2007–2008, 31 288, nr.23
 Evaluatie NWOOD 16.3.1A. 2007B. 2008Tweede Kamer, vergaderjaar 2007–2008, 29 338, nr.73
 Evaluatie KBOD 16.3.1A. 2010B. 2010 
 Bilaterale samenwerking China (PSA-China)OD 16.3.1A. 2010B. 2010 
 Bilaterale samenwerking IndonesiëOD 16.3.1A. 2008B. 2009 
 BSIK-projectenOD 16.3.2A. 2007B. 2008Tweede Kamer, vergaderjaar 2008–2009, 25 017, nr.63
 Mid-term evaluatie grootschalige onderzoeksfaciliteitenOD 16.3.2A. 2009B. 2010 
 Eindevaluatie ICTRegieorgaanOD 16.3.2A. 2008B. 2009 
 Eindevaluatie RubiconOD 16.3.3A. 2010B. 2010 
 Creatieve promovendiOD 16.3.3A. 2010B. 2010 

ARTIKEL 24. KINDEROPVANG

24.1 Algemene doelstelling: kinderopvang zorgt ervoor dat ouders beter arbeid en zorg kunnen combineren en draagt er toe bij dat kinderen zich goed kunnen ontwikkelen. Voor de kinderen van 0 tot 4 jaar biedt kinderopvang de mogelijkheid beter toegerust te beginnen aan het primair onderwijs.

Omschrijving

Kinderopvang zorgt ervoor dat ouders arbeid en zorg beter kunnen combineren. Ouders kunnen gebruikmaken van dagopvang, buitenschoolse opvang of gastouderopvang. Om de financiële toegankelijkheid van de kinderopvang te garanderen biedt de Wet kinderopvang (Staatsblad 2004, 455) werkende ouders een recht op een inkomensafhankelijke bijdrage: de kinderopvangtoeslag. De Wet kinderopvang garandeert een goed kwaliteitsniveau. Kwalitatief goede kinderopvang zorgt er voor dat kinderen worden gestimuleerd in hun ontwikkeling en dat ouders hun kinderen met een gerust hart naar de kinderopvang kunnen laten gaan.

Verantwoordelijkheid van de minister

De minister is verantwoordelijk voor de vormgeving en werking van het wettelijke stelsel van kinderopvang, waaronder zowel de (financiële) toegankelijkheid als de kwaliteit en budgettaire beheersbaarheid van de kinderopvang vallen. De minister van Financiën is verantwoordelijk voor de uitvoering van de kinderopvangtoeslag. Vanwege de gemeenschappelijke zorg voor jonge kinderen is de minister van Jeugd en Gezin betrokken bij het beleid.

Externe factoren

Het behalen van de algemene doelstelling hangt af van:

• het adequaat functioneren van de markt voor kinderopvang;

• cultuuraspecten, waaronder het vertrouwen dat ouders hebben in de kwaliteit van de kinderopvang;

• conjuncturele ontwikkelingen.

Meetbare gegevens bij de algemene doelstelling

Tabel 24.1 Kengetallen gebruik
 2005200620072008
Percentage kinderen van 0 tot 4 jaar met kinderopvangtoeslag29344755
Bron: belastingdienst/ Toeslagen, bewerking OCW    
Percentage kinderen van 4 tot 12 jaar met kinderopvangtoeslag781317
Bron: Belastingdienst/Toeslagen, bewerking OCW    
Percentage huishoudens, waarvan het jongste kind in de leeftijd van 0 – 3 jaar is, waarbij beide ouders werken (tenminste 12 uur per week)62656972
Bron: CBS, Enquête Beroepsbevolking (EBB), 2001–2008    
Percentage huishoudens, waarvan het jongste kind in de leeftijd van 4 – 11 jaar is, waarbij beide ouders werken (tenminste 12 uur per week)57616468
Bron: CBS, Enquête Beroepsbevolking (EBB), 2001–2008    

Toelichting:

1. en 2. Deze cijfers geven een beeld van het percentage kinderen met kinderopvangtoeslag, uitgesplitst naar de leeftijdscategorie 0–4 jaar en 4–12 jaar. In beide leeftijdscategorieën is het percentage kinderen met kinderopvangtoelage toegenomen. Omdat een deel van de ouders pas na afloop van het toeslagjaar de toeslag aanvraagt, kunnen de cijfers afwijken van die in voorgaande jaarverslagen en begrotingen.

3. en 4. Deze cijfers geven weer hoeveel in huishoudens met jonge kinderen beide ouders werken. Bij steeds meer huishoudens met jonge kinderen wordt door beide ouders gewerkt.

24.2 Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 24.2 Budgettaire gevolgen van beleid artikel 24 (x € 1 000)
 2008200920102011201220132014
Verplichtingen2 889 4282 896 5812 707 9392 844 5542 919 0032 966 4333 023 353
Waarvan garantieverplichtingen       
Totale uitgaven2 838 1112 896 5812 707 9392 844 5542 919 0032 966 4333 023 353
        
Programma-uitgaven2 838 1112 896 5812 707 9392 844 5542 919 0032 966 4333 023 353
        
Kinderen kunnen gebruik maken van kinderopvang zonder financiële drempels voor de ouders2 825 1482 825 1982 612 3852 763 4832 852 5552 905 1692 962 123
• Kinderopvangtoeslag2 825 1482 825 1982 612 3852 763 4832 852 5552 905 1692 962 123
        
Kinderopvang is van goede kwaliteit, passend bij de leeftijd, mogelijkheden en behoeften van kinderen en ouders11 84953 10651 43936 94922 32617 14217 108
• Subsidies11 84910 2549 7129 7904 8164 8344 800
• Kwaliteiten opleidingen 28 75233 66322 31017 25012 22612 226
• Taskforce wachtlijsten 14 1008 0644 8492608282
        
Harmonisatie regelgeving kinderopvang en peuterspeelzalen om alle kinderen te bereiken die VVE nodig hebben68217 69644 09744 10444 10444 10444 104
• Harmonisering kinderopvang, peuterspeelzalen, VVE68217 69644 09744 10444 10444 10444 104
        
Programmakosten-overig4325811818181818
• Agentschap SZW43217400000
• Uitvoeringsorganisatie DUO04071818181818
Ontvangsten735 977726 736747 736768 736790 736812 736835 736

Toelichting:

Goede kinderopvang is van groot belang voor ouders die arbeid en zorg combineren. De Wet kinderopvang wordt op een aantal onderdelen gewijzigd. Het merendeel van de wijzigingen heeft als doel de gastouderopvang te professionaliseren, misbruik en oneigenlijk gebruik terug te dringen en het kinderopvangstelsel uitvoerbaar te houden (zie ook de brief aan de Tweede Kamer van 20 juni 2008 (Tweede Kamer, vergaderjaar 2007–2008, 31 322 VIII, nr. 25) en de Wijziging van de Wet kinderopvang in verband met een herziening van het stelsel van gastouderopvang (Tweede Kamer, vergaderjaar 2008–2009, 31 874, nr 25)). Dit heeft een geringe toename van administratieve lasten voor bedrijven tot gevolg. De wet wordt van kracht op 1 januari 2010.

De enveloppe middelen kinderopvang uit het coalitieakkoord, oplopend tot structureel € 700 miljoen in 2011, zijn in 2008 en 2009 aan de begroting van OCW toegevoegd. Deze post is dus al in de diverse artikelonderdelen verwerkt.

Tabel 24.3 Budget flexibiliteit per operationele doelstelling (x € 1 000)
 20102011201220132014
Programma-uitgaven (totaal operationele doelstellingen)2 707 9212 844 5362 918 9852 966 4153 023 335
Totaal juridisch verplicht2 649 7892 811 1762 893 9872 940 9632 997 342
Totaal bestuurlijk gebonden56 91726 78021 12021 00021 000
Totaal niet-juridisch verplicht of bestuurlijk gebonden1 2146 5803 8784 4524 993
Kinderen kunnen gebruik maken van kinderopvang zonder financiële drempels voor de ouders2 612 3852 763 4832 852 5552 905 1692 962 123
• Juridisch verplicht2 612 3852 763 4832 852 5552 905 1692 962 123
• Bestuurlijk gebonden     
• Niet-juridisch verplicht of bestuurlijk gebonden     
      
Kinderopvang is van goede kwaliteit, passend bij de leeftijd, mogelijkheden en behoeften van kinderen en ouders51 43936 94922 32617 14217 108
• Juridisch verplicht21 30512 6936 432794219
• Bestuurlijk gebonden29 50019 78014 12014 00014 000
• Niet-juridisch verplicht of bestuurlijk gebonden6344 4761 7742 3482 889
      
Harmonisatie regelgeving kinderopvang en peuterspeelzalen om alle kinderen te bereiken die VVE nodig hebben44 09744 10444 10444 10444 104
• Juridisch verplicht16 09935 00035 00035 00035 000
• Bestuurlijk gebonden27 4177 0007 0007 0007 000
• Niet-juridisch verplicht of bestuurlijk gebonden5812 1042 1042 1042 104

24.3 Operationele beleidsdoelstelling

24.3.1 Kinderen kunnen gebruik maken van kinderopvang zonder financiële drempels voor de ouders

Motivering

Voor het verhogen van de arbeidsparticipatie is het van belang dat ouders geen onoverkomelijke financiële belemmeringen ervaren om gebruik te maken van kinderopvang.

Instrumenten

Ouders die beiden werken ontvangen van het Rijk een bijdrage in de kosten van formele kinderopvang. Ook ouders die studeren of deelnemen aan een traject om weer aan het werk te komen, hebben recht op kinderopvangtoeslag.

De ontvangsten kinderopvang in tabel 24.2 «budgettaire gevolgen van beleid» betreffen de verplichte werkgeversbijdrage aan de Kinderopvangtoeslag die door de Belastingdienst wordt geïnd en de teveel uitbetaalde kinderopvangtoeslag die teruggevorderd wordt.

Meetbare gegevens bij de operationele doelstelling

24.4 Kengetallen
 2005200620072008
het aantal huishoudens dat gebruik maakt van kinderopvang256 000274 000392 000468 000
het aantal huishoudens met een inkomen tot anderhalf modaal dat gebruik maakt van kinderopvang107 000122 000167 000202 000

Bron: Belastingdienst Toeslagen, bewerkingen OCW; aantallen kunnen in verband met latere vaststellingen van de definitieve toekenningen van de toeslag afwijken van eerdere cijfers

Toelichting:

De kengetallen in tabel 24.4 geven de ontwikkeling van het algemene gebruik van formele kinderopvang en het gebruik bij huishoudens tot anderhalf modaal. Het aantal huishoudens met een kinderopvangtoelage is de afgelopen jaren gestegen.

Tabel 24.5 Kengetallen ouderbijdrage
 2006200720082009
Gemiddelde uurprijs€ 5,39€ 5,71€ 5,84€ 5,95
     
Ouderbijdrage eerste kind per uur    
130% van het wettelijk minimumloon€ 0,33€ 0,35€ 0,36€ 0,47
1,5 x modaal€ 1,30€ 0,89€ 0,91€ 1,20
3 x modaal€ 3,06€ 2,31€ 2,36€ 3,10
Ouderbijdrage volgend kind per uur    
130% van het wettelijk minimumloon€ 0,20€ 0,21€ 0,21€ 0,21
1,5 x modaal€ 0,29€ 0,30€ 0,31€ 0,32
3 x modaal€ 0,46€ 0,48€ 0,49€ 0,50

Bron: Belastingdienst Toeslagen, bewerkingen OCW.

Toelichting:

In tabel 24.5 staan de kosten van kinderopvang per uur voor ouders bij drie verschillende inkomensklassen, gegeven de werkelijke gemiddelde uurprijs en de toeslag die ouders ontvangen.

24.3.2 Kinderopvang is van goede kwaliteit, passend bij de leeftijd, mogelijkheden en behoeften van kinderen en ouders

Motivering

Het kabinet wil dat ouders hun kinderen met een gerust hart aan de kinderopvang kunnen toevertrouwen. Het kabinet voelt, juist omdat het om jonge kinderen gaat, een verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van kinderopvang en het toezicht daarop. Daarom investeert het kabinet in de kwaliteit van de kinderopvang. Onderdeel van de verhoging van de kwaliteit is verhoging van de deskundigheid van medewerkers in de kinderopvang en het stimuleren van samenwerking tussen kinderopvangorganisaties en sport- en cultuurorganisaties. Daarnaast is het van belang dat ouders keuzevrijheid hebben bij het kiezen van een kinderopvanginstelling. Om de keuzevrijheid te vergroten is het van belang dat de wachtlijsten in de kinderopvang verder afnemen.

Instrumenten

Subsidies

Met de Subsidie stimuleert het kabinet verdere kwaliteitsverbetering boven de wettelijk gegarandeerde basiskwaliteit. Via deze subsidies wordt jaarlijks geld beschikbaar gesteld voor projecten, die passen binnen één van de thema’s in de subsidieregeling.

Kwaliteit en opleidingen

• Normen kwaliteit kinderopvang

De Wet kinderopvang stelt eisen aan de aanbieders van kinderopvang zodat sprake is van verantwoorde kinderopvang, die bijdraagt aan een goede en gezonde ontwikkeling van het kind in een veilige en gezonde omgeving. Om de algemene eisen van de wet te concretiseren zijn er landelijke normen ontwikkeld door de vertegenwoordigers van ouders en ondernemers in de kinderopvang. Deze normen worden door het kabinet overgenomen in beleidsregels en in toetsingskaders voor het gemeentelijke toezicht. Hiermee wordt een basiskwaliteit van de kinderopvang gegarandeerd.

• Toezicht op kinderopvang

Op grond van de Wet kinderopvang is de gemeente verantwoordelijk voor het toezicht op en de handhaving van de kwaliteit van de kinderopvang. Het toezicht wordt feitelijk uitgevoerd door de GGD. De GGD -en voeren dit toezicht uniform uit op basis van landelijke gestandaardiseerde toetsingskaders met concrete toetsingscriteria, waarin de eisen uit de Wet kinderopvang en de normen uit de Beleidsregels kwaliteit kinderopvang één op één zijn overgenomen en geconcretiseerd. In september 2009 start de GGD met risicogestuurd toezicht, «minder waar mogelijk, meer waar nodig».

Vanaf 1 januari 2010 houdt de GGD waar het gastouderopvang betreft niet alleen toezicht op het gastouderbureau, maar ook op de kwaliteit van de opvang bij de gastouder. Dat betekent een uitbreiding van de toezichtstaak van de GGD. Voor dit doel worden er in 2010 extra middelen toegevoegd aan het Gemeentefonds. De Inspectie van het Onderwijs ziet namens de minister van OCW toe op de wijze waarop gemeenten het toezicht op de kwaliteit van de kinderopvang en de handhaving uitvoeren.

• Kwaliteit personeel en opleidingen

De deskundigheid van de pedagogisch medewerkers («leidsters»), de groepsgrootte en de leidster/kind-ratio zijn bepalende factoren voor de kwaliteit van de kinderopvang. In 2010 wordt via het programma «Excellente kinderopvang» van het Bureau Kwaliteit Kinderopvang (BKK) de kwaliteit van medewerkers in de kinderopvang verbeterd. BKK ontvangt voor de jaren 2009 tot en met 2012, in totaal € 40 miljoen subsidie om gericht te werken aan de vaardigheden van de pedagogisch medewerkers.

Om de gastouderopvang te professionaliseren worden deskundigheidseisen gesteld aan gastouders. Deze eisen zijn gericht op het bieden van voldoende zorg (MBO 2 helpende welzijn) en het creëren van een veilige omgeving (EHBO, hygiëne, signalering kindermishandeling). Gastouders kunnen daarvoor twee routes volgen: de examinering-route of de EVC-route. Ook het hebben van het diploma EHBO voor kinderen (Oranje Kruis) is een vereiste. Om bestaande gastouders de kans te geven zich als professionele gastouder te kwalificeren draagt het kabinet in 2009 en 2010 bij aan de kosten die de gastouder maakt om te voldoen aan de nieuwe deskundigheidseis. Door een compensatie vanuit het Rijk in 2009 en 2010 van 75 procent van de kosten tot maximaal € 750,-, zullen de kosten voor de gastouder lager zijn.

• Landelijk register

Per 1 januari 2010 komt er één centraal register in plaats van de 445 gemeentelijke registers. De GGD en de Belastingdienst zijn daardoor beter in staat toezicht te houden. Ook de gastouderopvang wordt opgenomen in dit register. Ouders kunnen dit register raadplegen om te bezien of voor de opvang waarvan zij gebruik (willen gaan) maken recht op een toeslag van de overheid bestaat.

• Tussenschoolse opvang

Voor de scholing van overblijfmedewerkers en voorlichting, onderzoek en communicatie is ca € 4,3 miljoen per jaar beschikbaar.

• Sociaal Medische Indicatie

Ook vanaf 2010 zijn er middelen (structureel: € 28,2 miljoen) in het Gemeentefonds beschikbaar voor «kinderopvang op grond van Sociaal Medische Indicatie (SMI)». Hiermee wordt de tijdelijke regeling smi structureel. Gemeenten bepalen wie voor een tegemoetkoming in het kader van smi in aanmerking komen en hoe hoog de tegemoetkoming is. De indicatie kan zowel het kind, als de ouder(s) betreffen; de indicatie kan zowel sociaal als medisch van aard zijn.

Taskforce Wachtlijsten

Het kabinet stimuleert het initiëren van capaciteitsuitbreiding in de kinderopvang. Investeringsplannen worden indien nodig over de drempel geholpen door borgstellingen. De maatregelen die zijn genomen naar aanleiding van taskforce wachtlijsten worden voortgezet. Zo zal het Netwerkbureau kinderopvang verschillende activiteiten ontplooien om binnen de driehoek kinderopvang, scholen en gemeenten uitbreiding in de kinderopvang te realiseren. In 2008 is de wachtlijstomvang als percentage van de capaciteit gedaald. Bij de volgende meting van de wachtlijsten zal blijken in hoeverre deze daling zich voortzet.

Meetbare gegevens bij de operationele doelstelling

Tabel 24.6 Kengetallen percentage nieuwe en jaarlijkse meldingsonderzoeken kinderopvang
 2007
Dagopvang76%
Buitenschoolse opvang71%
Gastouderopvang65%
Totaal73%

Bron: IvhO, kwaliteit van het Onderwijs, kwaliteit gemeentelijk toezicht Kinderopvang 2007, december 2008

Toelichting:

In de OCW-begroting voor 2008 en 2009 staat als prestatie-indicator opgenomen «Percentage onderzoeken door de GGD bij kinderopvang waarin geen handhavingsinstrument hoefde te worden toegepast». Veronderstelling hierbij was, dat hoe lager het percentage handhavingsinstrumenten is, des te hoger de kwaliteit van kinderopvang. Deze veronderstelling blijkt niet valide, aangezien handhaving door de gemeenten niet één-op-één loopt met het aantal door de GGD gevonden tekortkomingen. Bovendien is bij risico-gestuurd toezicht het aantal gevonden tekortkomingen naar verwachting hoger, dit zou ten onrechte een lagere kwaliteit van kinderopvang indiceren. Daarom is een nieuwe tabel met kengetallen (24.6) opgenomen. Hieruit blijkt dat de wettelijke plicht om alle locaties jaarlijks regulier te onderzoeken (een score van 100%) niet is gehaald. Het aantal jaarlijkse onderzoeken is ten opzichte van 2006 met 850 gestegen tot 5700 uitgevoerde onderzoeken in 2007.

Tabel 24.7 Kengetallen kwaliteit
 20052008
Score proceskwaliteit3,12,8

Bron: Pedagogische kwaliteit van de opvang voor 0- tot 4-jarigen in Nederlandse kinderdagverblijven, NCKO 2009

Toelichting:

De proceskwaliteit is gemeten op een 7 puntsschaal. Er is beleid in gang gezet om de kwaliteit te verbeteren (zie hierboven).

24.3.3 Harmonisatie kinderopvang en peuterspeelzalen

Motivering

Het streven van het kabinet is dat er in Nederland voor alle kinderen wier ouders dat wensen goede opvang is in peuterspeelzalen en kinderopvanginstellingen. Eind juni 2009 is het wetsvoorstel Ontwikkelingskansen door kwaliteit en educatie ingediend bij de Tweede Kamer (Tweede Kamer, vergaderjaar 2008–2009, 31 989, nr. 2). Het is de bedoeling dat het wetsvoorstel met ingang van 1 augustus 2010 in werking treedt.

Het doel is dat in 2011 alle kinderen die het nodig hebben voor- en vroegschoolse educatie (vve) aangeboden krijgen. De vve moet van goede kwaliteit zijn en financieel toegankelijk. Het toezicht moet goed geregeld zijn, gemeenten hebben daarbij een regierol.

De harmonisatie van kinderopvang en peuterspeelzaalwerk betreft zowel de kwaliteit als de financiering van beide voorzieningen. Doel is een kwaliteitsverbetering van peuterspeelzalen, zodat in alle voorzieningen voor jonge kinderen dezelfde uitgangspunten voor veiligheid en gezondheid van toepassing zijn, met behoud van het specifieke karakter van peuterspeelzalen als laagdrempelige buurtvoorziening.

Instrumenten

Voor de kwaliteitsverbetering van peuterspeelzaalwerk worden de volgende maatregelen ingezet:

• landelijk geldende kwaliteitseisen ten aanzien van onder meer professionalisering van het personeel;

• afschaffen van het zogenaamde ambitieniveau 0 (alleen inzet van vrijwilligers), er moet minimaal één leidster aanwezig zijn die professioneel geschoold is;

• leidster/kind-ratio van 1:8, dat wil zeggen dat er minimaal één leidster op 8 kinderen aanwezig is;

• landelijk geregeld toezicht.

Vanaf 2010 is structureel € 35 miljoen beschikbaar voor het verbeteren van de kwaliteit van peuterspeelzalen. Het gaat daarbij vooral om het opleidingsniveau van de leidsters en de leidster/kind-ratio. De middelen worden aan het gemeentefonds toegevoegd.

Voor harmonisatie van de financiering is vanaf 2009 structureel € 20 miljoen beschikbaar. Met dit budget kan de ouderbijdrage voor ouders, wier kind in de peuterspeelzaal gebruik maakt van voorschoolse educatie, op een gelijkwaardig niveau komen met de ouderbijdrage in de kinderopvang, indien ouders in de laagste inkomensklasse vallen. Dit budget is overgeboekt naar artikel 1 Primair Onderwijs. Uitvoering hiervan gebeurt door de gemeenten.

Om een breder en beter aanbod van voorschoolse educatie – zowel in peuterspeelzalen als kindercentra – te realiseren, wordt het budget voor voorschoolse educatie verhoogd met € 30,5 miljoen in 2010 en structureel met € 43,5 miljoen vanaf 2011. De middelen worden toegevoegd aan het gemeentelijke onderwijsachterstandenbeleid.

In het kader van de landelijke kwaliteitseisen peuterspeelzalen wordt de verantwoordelijkheid voor toezicht en handhaving bij de gemeenten en de GGD’s belegd. Hiervoor zal structureel circa € 4 miljoen euro aan het Gemeentefonds worden toegevoegd.

Meetbare gegevens bij de operationele doelstelling

Tabel 24.8 Indicator Percentage doelgroepkinderen onder 2- en 3 jarigen aan wie een vve-programma wordt aangeboden
IndicatorBasiswaarde 2005/2006Waarde 2008Streefwaarde 2009Streefwaarde 2011
Percentage doelgroepleerlingen onder 2- en 3-jarigen aan wie een vve-programma wordt aangeboden466270100

Bron : 2005/2006: Quickscan VVE in 2005/2006, Sardes; 2008: 2008: Landelijke monitor voor- en vroegschoolse educatie 2008, Sardes.

Toelichting:

Deze indicator betreft het percentage doelgroepkinderen onder 2- en 3 jarigen aan wie een vve-programma wordt aangeboden. Deze indicator was in voorgaande begrotingen gedefinieerd als het percentage doelgroepkinderen dat feitelijk aan een vve-programma deelneemt. De indicator is aangepast omdat zowel in de brieven aan de Tweede Kamer (Tweede Kamer, vergaderjaar 2006–2007, 30 800 VIII, nr. 169 enTweede Kamer, vergaderjaar 2007–2008, 31 322, nr. 24) als in het wetsvoorstel Ontwikkelingskansen door kwaliteit en educatie wordt uitgegaan van het aantal doelgroepkinderen aan wie een vve-aanbod wordt gedaan. De indicator in de begroting is daarop geactualiseerd. De doelgroep bestaat uit achterstandsleerlingen op basis van de gewichtenregeling. Het gaat om kinderen die een risico hebben op een taalachterstand in het Nederlands door een gebrek aan taalaanbod in de omgeving waarin zij opgroeien. Op beleidsartikel 1, Primair Onderwijs, is deze indicator voor doelgroepkinderen van 4 en 5 jaar opgenomen. Het percentage van 70% in 2009 is als streefwaarde opgenomen in de nota van toelichting bij het Besluit doelstelling en bekostiging onderwijsachterstandenbeleid 2006–2010. Voor 2010 is er geen streefwaarde met het veld afgesproken.

Tabel 24.9 Indicatoren harmonisatie
 BasiswaardeStreefwaarde
 200720082011
Peuterspeelzalen, ratio leidster/kind1 op 9,2 1 op 8
Bron: «Regelgeving en financiering kinderopvang en peuterspeelzalen» Regioplan 2007   
Percentage instellingen met minimaal 1 leidster op minimaal SPW 3 of equivalent niveau 98%100%
Bron: «Trends in en rondom het peuterspeelzaalwerk» Sardes 2009   

Toelichting:

• In 2007 was de leidster/kind-ratio in peuterspeelzalen gemiddeld 1 op 9,2. In dit getal is geen onderscheid gemaakt tussen beroepskrachten en vrijwilligers, er is uitgegaan van leidsters. Zouden alleen de beroepskrachten worden geteld, dan is de leidster/kind-ratio nog ongunstiger. Het kabinet stelt voor om de leidster/kind-ratio te stellen op 1 leidster op maximaal 8 kinderen, en een groepsgrootte van maximaal 16 kinderen. Met ingang van het wetsvoorstel Ontwikkelingskansen door kwaliteit en educatie, moet de leidster/kind-ratio verbeteren.

• Momenteel zijn er peuterspeelzalen, met twee minimaal SPW-3 opgeleide beroepskrachten op een groep, er zijn peuterspeelzalen met 1 minimaal SPW-3 opgeleide beroepskracht en 1 (al dan niet opgeleide) vrijwilliger en tenslotte zijn er peuterspeelzalen waarbij voor de gehele of een deel van de tijd uitsluitend vrijwilligers op een groep staan. Het kabinet streeft ernaar om de peuterspeelzalen die nu met vrijwilligers draaien op de groep, met ingang van het wetsvoorstel in 2009 te voorzien van minimaal 1 SPW-3 (of equivalent) opgeleide beroepskracht. Dit is van belang voor de signalering van achterstanden.

24.4 Overzicht onderzoek naar de doelmatigheid en de doeltreffendheid van beleid

In 2012 vindt een nieuwe beleidsdoorlichting plaats op het beleidsterrein «kinderopvang/vve».

Tabel 24.10 Overzicht onderzoek naar de doelmatigheid en de doeltreffendheid van beleid
 OnderzoekOnderwerpAD of ODA. StartB. AfgerondVindplaats
BeleidsdoorlichtingBeleidsdoorlichting Kinderopvang/VVEADA: 2012B: 2013 
Overig evaluatieonderzoekTrends peuterspeelzaalwerkOD 3A: 2008B: 2009 
 Periodieke meting wachtlijstenOD 2A: 2009B: 2010 
 Ontwikkeling prijzen en contracturenOD2A: 2009B: 2009 
 Ontwikkeling op de markt voor kinderopvang 2004 – 2008OD2A: 2009B: 2009 
 CBS-monitor KinderopvangOD 2A: 2009B: 2010 
 Analyse uitvoerbaarheid en toetsbaarheid kwaliteitsnormen kinderopvang en buitenschoolse opvangOD 2A: 2009B: 2009 
 Koppeling gewerkte urenOD 1A: 2009B: 2009 
 Evaluatie doelstellingen wetsvoorstel gastouderopvangOD 2A: 2012B: 2012 
 Meting doelstellingen OKE- wetsvoorstelOD3A: 2009B: 2009 
 Monitoring herziening stelsel gastouderopvangOD1A: 2009B: 2011 
 Toekomst waarborgfondsOD2A: 2009B: 2009 
 Evaluatie subsidiering harmonisatie van onderafOD3A: 2009B: 2009 
 Onderzoek Landelijk Register KinderopvangOD 1A: 2009B: 2009 

ARTIKEL 25. EMANCIPATIE

25.1 Algemene doelstelling:

A. Gelijke rechten en kansen voor vrouwen en mannenB. Gelijke behandeling en sociale acceptatie van homoseksuelen

Omschrijving

Het Verdrag van Amsterdam (art. 13) en de Algemene Wet Gelijke Behandeling vormen het juridische kader voor het emancipatiebeleid en de homo-emancipatiebeleid in Nederland. Hierin is het recht op gelijke behandeling ongeacht geslacht en seksuele geaardheid vastgelegd. Daarnaast is het VN Vrouwenverdrag belangrijk. Dit verdrag verplicht lidstaten tot gelijkheid van vrouwen en mannen voor de wet en in de praktijk op alle maatschappelijke terreinen.

Hierbij wordt onderscheid gemaakt naar:

• uitbannen van discriminatie naar geslacht en seksuele geaardheid;

• verbeteren van de positie van meisjes en vrouwen;

• veranderen van stereotype beeldvorming.

In het Beijing Platform for Action (1995) zijn hier internationaal afspraken over gemaakt. Deze zijn voor Nederland uitgewerkt in het nationale emancipatiebeleid. Het kabinet heeft eind 2007 twee nieuwe emancipatienota’s gepresenteerd: de nota Meer kansen voor vrouwen, over het emancipatiebeleid in de periode 2008–2011 (Tweede Kamer, vergaderjaar 2007–2008, 30 420, nr. 50) en de nota Gewoon homo zijn, over het lesbisch- en homo-emancipatiebeleid in de periode 2008–2011 (Tweede Kamer, vergaderjaar 2007–2008, 27 017, nr. 33).

Het kabinet geeft hiermee een nieuwe impuls aan het emancipatiebeleid en stelt hiervoor een extra bedrag van € 2 miljoen in 2008, oplopend tot indicatief € 10 miljoen in 2011, beschikbaar. Vanaf 2011 is de oploop op de aanvullende post bij Financiën gereserveerd.

Verantwoordelijkheid van de minister

De minister is verantwoordelijk voor het aanjagen en ondersteunen van:

1. het emancipatiebeleid op de departementen;

2. het emancipatieproces in de samenleving.

Ieder departement is verantwoordelijk voor het emancipatiebeleid op het eigen beleidsterrein. De verdeling van verantwoordelijkheden is in een brief aan de Tweede Kamer verder uiteengezet (Tweede Kamer, vergaderjaar 2007–2008, 30 420, nr. 61). De bijdragen van de departementen aan het emancipatiebeleid zijn opgenomen in de nieuwe emancipatienota’s en via aparte brieven door de eerstverantwoordelijke bewindspersonen aan de Tweede Kamer verzonden.

De verantwoording aan de Tweede Kamer over de behaalde resultaten in het emancipatiebeleid op de departementen vindt plaats:

• via de jaarlijkse begrotingen van de departementen;

• via een midterm review in 2010.

De verantwoording aan de Tweede Kamer over behaalde resultaten in het emancipatieproces in de samenleving vindt plaats:

• tweejaarlijks via de Emancipatiemonitor;

• vierjaarlijks via de Homo-emancipatiemonitor;

• tweejaarlijks via een gemeentemonitor homo-emancipatie.

Externe factoren

Behalen van de algemene doelstelling hangt af van:

• bestuurlijke inzet;

• individuele en collectieve initiatieven;

• maatschappelijk draagvlak;

• economische conjunctuur.

Meetbare gegevens bij de algemene doelstelling

Tabel 25.1 Indicatoren
IndicatorBasiswaardeLaatste waardeStreefwaarde 2011
Arbeidsparticipatie van vrouwen54% (2004)59% (2008)> 65%
Bron: Emancipatiemonitor 2008   
Vrouwen in topposities rijksoverheid12% (2004)19,7% (2008)25%
Bron: Ministerie van BZK   
Ongelijke beloning van mannen en vrouwen (overheid)4% (2004)2,6% (2006)2%
Bron: Emancipatiemonitor 2008   
Economische zelfstandigheid vrouwen42% (2004)43% (2006)60%
Bron: Emancipatiemonitor2008   
Sociale acceptatie van homoseksuelen85% (2006)85% (2006)> 85%
Bron: Homo-emancipatiemonitor 2006   

Toelichting:

• Arbeidsparticipatie: Arbeidsdeelname van vrouwen met een baan van tenminste twaalf uur per week.

• Vrouwen in topposities: Het aandeel van vrouwen in de ambtelijke top rijk (= hoge ambtenaren schaal 15 – 17).

• Ongelijke beloning van mannen en vrouwen (overheid): Het gecorrigeerde beloningsverschil tussen mannen en vrouwen bij de overheid.

• Economische zelfstandigheid vrouwen: In het emancipatiebeleid is een persoon economisch zelfstandig wanneer hij of zij netto 70% van het wettelijk minimumloon (WML) verdient (het bijstandsniveau voor een alleenstaande).

25.2 Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 25.2 Budgettaire gevolgen van beleid artikel 25 (x € 1 000)
 2008200920102011201220132014
Verplichtingen15 43314 76316 06316 16121 20321 20421 204
Waarvan garantieverplichtingen       
Totale uitgaven11 99317 29920 04820 27421 20321 20421 204
        
Programma-uitgaven9 82615 19318 14618 57819 50719 50819 508
Emancipatie       
Het verankeren van het emancipatieperspectief in het beleid van departementen 320762300300300300
        
Het versterken van het emancipatieproces in de samenleving 11 51614 03715 22416 10716 10816 108
        
Homo-emancipatie       
Het verankeren van het emancipatieperspectief in het beleid van departementen 255200200200200200
        
Het versterken van het emancipatieproces in de samenleving 3 1023 1472 8542 9002 9002 900
Apparaatsuitgaven2 1672 1061 9021 6961 6961 6961 696
Ontvangsten45      

Coalitieakkoord:

In het coalitieakkoord zijn voor artikel 25 enveloppengelden gereserveerd. Het gaat om een bedrag van € 2 miljoen in 2008, oplopend tot indicatief € 10 miljoen in 2011. Vanaf 2011 is de oploop op de aanvullende post bij Financiën gereserveerd.

De enveloppenmiddelen worden onder andere voor het volgende ingezet:

• Kennisinfrastructuur (homo)emancipatie;

• Project tijdenbeleid 7 tot 7;

• Project 1001Kracht;

• Stimulering (homo)emancipatie.

Tabel 25.3 Budget flexibiliteit per operationele doelstelling (x € 1 000)
 20092010201120122013
Programma-uitgaven (totaal operationele doelstellingen)15 19318 14618 57819 50719 508
Totaal juridisch verplicht9 8974 6301 0101 261 
Totaal bestuurlijk gebonden5 29613 51617 56818 24619 508
Totaal niet-juridisch verplicht of bestuurlijk gebonden     
Het verankeren van het emancipatieperspectief in het beleid van departementen     
Juridisch verplicht394216197  
Bestuurlijk gebonden727218032180
Niet-juridisch verplicht of bestuurlijk gebonden     
      
Het versterken van het emancipatieproces in de samenleving     
Juridisch verplicht9 5034 4148131 261 
Bestuurlijk gebonden5 22412 79517 48817 92519 428
Niet-juridisch verplicht of bestuurlijk gebonden     

25.3 Operationele beleidsdoelstelling

25.3.1 Het ontwikkelen en verankeren van emancipatiebeleid op de departementen

Motivering

Het onderkennen van en rekening houden met verschillen tussen burgers, waaronder verschillen in sekse en seksuele geaardheid, leidt tot een verhoging van de kwaliteit en de effectiviteit van het beleid.

Instrumenten

De belangrijkste instrumenten zijn:

• Een emancipatienota en homo-emancipatienota waarin bijdragen van de departementen aan het emancipatiebeleid zijn opgenomen.

• Afspraken met de departementen over (homo)emancipatie in nationaal en internationaal beleid.

• Een midterm review in 2010 op het emancipatiebeleid van de departementen.

• Internationale rapportages over de implementatie en uitvoering van verdragsbepalingen, Europese afspraken en richtsnoeren. De minister zal elke vier jaar aan de VN rapporteren over de voortgang in het kader van de implementatie van het VN Vrouwenverdrag.

Meetbare gegevens bij de algemene doelstelling

Tabel 25.4 Indicatoren
IndicatorLaatste waarde 2008Streefwaarde 2011
Aantal departementen dat concrete doelen en acties op het emancipatieterrein heeft geformuleerd1313
Bron: Emancipatienota 2007  
Aantal departementen waarmee afspraken zijn gemaakt1313
Bron: OCWadministratie 

Toelichting:

De 13 departementen hebben inmiddels concrete doelen en acties op het emancipatieterrein geformuleerd en naar de Tweede Kamer gestuurd. Met een Midterm Review in 2010 zullen de departementen deze doelen en acties evalueren en tevens een verkenning naar nieuwe kansen in hun beleid uitvoeren.

25.3.2 Het stimuleren en ondersteunen van het emancipatieproces in de samenleving

Motivering

Emancipatie levert een belangrijke bijdrage aan de persoonlijke ontwikkeling van burgers, aan respect voor individuele verschillen en aan de kwaliteit van de samenleving.

Instrumenten

De belangrijkste instrumenten zijn:

• Taskforce Deeltijdplus gericht op het bevorderen van de arbeidsparticipatie van vrouwen, zowel het vergroten van het aantal uren per week als het bevorderen van arbeidsdeelname van niet-werkende vrouwen.

• Kennisinfrastructuur om overheden, bedrijven en maatschappelijke instellingen te ondersteunen bij de ontwikkeling en implementatie van het emancipatie- en homo-emancipatiebeleid. Zo wordt de werking van het charter «Talent naar de top» ondersteund. Het streven is dat in 2011 het aandeel vrouwen in topposities van het bedrijfsleven 20% bedraagt. Hiervoor is een taskforce, stichting en monitoring comité Talent naar de top ingesteld. In 2010 wordt gewerkt aan verdere uitbreiding van het aantal toonaangevende bedrijven en overheidsinstellingen onder het charter. Deze bedrijven en instellingen zullen concrete streefwaarden voor het vergroten van het aantal vrouwen aan de top formuleren.

• Bestuurlijke afspraken met provincies en gemeenten over de ontwikkeling en het invoeren van emancipatie- en homo-emancipatiebeleid.

• Landelijke uitrol van het project 1001Kracht gericht op het vergroten van de maatschappelijke participatie van 50 000 vrouwen uit etnische minderheden. In 2010 wordt uitvoering gegeven aan de bestuurlijke afspraken die gemaakt zijn met 25 «koplopergemeenten» over maatschappelijke participatie van vrouwen uit etnische minderheden.

• Tijdbeleid 7 tot 7 gericht op het bevorderen van een betere combinatie van arbeid en zorg. In 2010 worden de afspraken met 12 gemeenten en 2 provincies over tijdbeleid uitgevoerd. De bedoeling is dat hiermee de combinatie van arbeid en zorg «tussen 7 en 7» wordt vereenvoudigd.

• Vergroten van de emancipatie van allochtone mannen. In 2010 wordt gestart met de uitrol van het concept Vadercentrum. Het voornemen is om in 2010 en 2011, tien nieuwe Vadercentra van start te laten gaan.

• Vergroten aandacht voor seksuele weerbaarheid. In 2010 wordt aandacht besteed aan de ontwikkeling en het invoeren van interventies, met bijzondere aandacht voor jongens en mediawijsheid.

Meetbare gegevens bij de algemene doelstelling

Tabel 25.5 Indicatoren
IndicatorBasiswaardeLaatste waardeStreefwaarde 2011
Aantal bestuurlijke afspraken met gemeenten over emancipatiebeleid0 (2007)29 (2008)25
Bron: OCW administratie   
Aantal gemeenten dat participeert in project 1001Kracht6 (2007)25 (2008)25
Bron: OCWadministratie   
Aantal koplopers tijdenbeleid 7 tot 76 (2007)14 (2008)25
Bron: OCWadministratie   
Aantal gemeenten met homo-emancipatiebeleidToelichting: Het aantal gemeenten dat actief (= twee of meer beleidsmaatregelen) homo-emancipatiebeleid voert.42 (2006)42 (2006)50
Bron: SCP  

Toelichting:

Het ministerie van OCW kiest ervoor om het aantal bestuurlijke afspraken en niet het aantal deelnemers als streefcijfer op te nemen omdat hier een vrij directe invloed op kan worden uitgeoefend, door middel van directe contacten en onderhandelingen met gemeenten, provincies en andere partijen. Het ministerie van OCW kan niet rechtstreeks invloed uitoefenen op het aantal personen dat met de afspraken en met stimulering van emancipatie wordt bereikt.

Voor het project 1001Kracht wordt in beeld gebracht hoeveel mensen worden bereikt. Deze gegevens zijn in 2011 beschikbaar.

25.4 Overzicht onderzoek naar de doelmatigheid en de doeltreffendheid van beleid

Tabel 25.6 Overzicht onderzoek naar de doelmatigheid en de doeltreffendheid van beleid
 OnderzoekOnderwerp A. StartB. AfgerondVindplaats
BeleidsdoorlichtingBeide operationele doelstellingen A 2012B 2013 
Overig evaluatieonderzoekHomo-emancipatiemonitor A 2009B 2010 
 Gemeente monitorhomo-emancipatie A 2009B 2009 

4. DE NIET-BELEIDSARTIKELEN

ARTIKEL 17. NOMINAAL EN ONVOORZIEN

Doel van dit artikel is het tijdelijk boeken van sectoroverschrijdende middelen. Zodra een exacte verdeling over de betrokken beleidsartikelen bekend is worden de middelen naar deze artikelen overgeboekt. Het betreft:

• Loonbijstelling;

• Prijsbijstelling;

• Nader te verdelen.

Op deze onderdelen worden dus geen feitelijke uitgaven verantwoord.

17.1 Budgettaire gevolgen

Tabel 17.1: Budgettaire gevolgen artikel 17 (x € 1 000)
 2008200920102011201220132014
Verplichtingen010 388– 4 307– 1 152– 994– 6 017– 5 377
Waarvan garantieverplichtingen       
Uitgaven010 388– 4 307– 1 152– 994– 6 017– 5 377
1. Loonbijstelling0000000
2. Prijsbijstelling0000000
3. Nader te verdelen010 388– 4 307– 1 152– 994– 6 017– 5 377
Ontvangsten05 428957957957957957

17.2 Loonbijstelling

De verdeling van de loonbijstelling vindt plaats volgens een verdeelsleutel die gebaseerd is op de loongevoeligheid van de uitgaven. Binnen OCW is de loonbijstelling naar de verschillende artikelonderdelen uitgedeeld. Zie voor de exacte verdeling het algemene deel van het verdiepingshoofdstuk.

17.3 Prijsbijstelling

Ook hier vindt de verdeling van de prijsbijstelling plaats volgens een verdeelsleutel op basis van de prijsgevoeligheid van de uitgaven. Voor 2009 is de prijsbijstelling uitgedeeld naar de departementen. Binnen OCW is de prijsbijstelling naar de verschillende artikelonderdelen uitgedeeld. Zie voor de exacte verdeling het algemene deel van het verdiepingshoofdstuk.

17.4 Nader te verdelen

Indien er een maatregel wordt getroffen die een financieel effect heeft op meer dan één artikel, wordt het totale financiële effect op dit artikel geplaatst totdat de verdeling over de beleidsartikelen kan worden gemaakt. Het kan daarbij zowel gaan om beleidsintensiveringen als om bezuinigingen. Nader te verdelen bevat nu twee onderdelen:

• Het kabinet heeft besloten OCW een boetetaakstelling high trust op te leggen van structureel € 0,5 miljoen vanaf het jaar 2010. Deze taakstelling is nog niet ingevuld met concrete maatregelen.

• Om problematiek binnen de begroting op te lossen, zijn kasschuiven geboekt om de begroting over de jaren heen sluitend te krijgen.

17.5 Ontvangsten

Ontvangsten die niet aan een beleidsartikel kunnen worden toegerekend, worden op dit artikel geraamd en verantwoord. Het bedrag in 2009 betreft de geraamde ontvangsten voortvloeiend uit de maatregelen van de Commissie Schutte.

ARTIKEL 18. MINISTERIE ALGEMEEN

18.1 Budgettaire gevolgen

Tabel 18.1 Budgettaire gevolgen van beleid artikel 18 (x € 1 000)
 2008200920102011201220132014
Verplichtingen127 438143 601124 142105 62094 68994 00488 875
Waarvan garantieverplichtingen       
Uitgaven127 449143 601124 142105 62094 68994 00488 875
• Bestuursdepartement(niet toe te rekenen uitgaven)112 853118 097113 30698 29990 96890 29385 191
• Uitvoeringsorganisaties onverdeeld14 59625 50410 8367 3213 7213 7213 684
Ontvangsten2006 179567567567567567

Toelichting:

In de tabel worden de verplichtingen, uitgaven en ontvangsten van artikel 18 geraamd.

18.2 Bestuursdepartement

Op het artikel «ministerie algemeen», onderdeel van het bestuursdepartement, staan apparaatskosten van de niet-beleidsdirecties. Daarnaast worden hier de centrale kostenposten voor onder andere huisvesting, automatisering, voorlichting en bezwaarschriftencommissie begroot. Dit is inclusief de personele en materiële taakstelling uit het Coalitieakkoord.

18.3 Uitvoeringsorganisaties onverdeeld

Hier worden de kosten geraamd die het bestuursdepartement en de uitvoeringsorganisaties maken voor de invoering van OCW brede projecten. Voorbeelden hiervan zijn de kosten van de tijdelijke directie Kinderopvang en van het programmabureau DUO.

Nieuwe Uitvoeringsorganisatie DUO

Om de fusie van de Centrale Financiën Instellingen (CFI) en IB-Groep tot nieuwe uitvoeringsorganisatie DUO te begeleiden is een programmabureau opgericht. De bedoeling is om de informatie-uitwisseling binnen de onderwijssectoren te verbeteren en de administratieve lasten te verminderen.

18.4 Verzameluitkering

De wettelijke grondslag van de verzameluitkering is artikel 16a van de Financiële-verhoudingswet (Fvw) en is op grond van het 2e lid van genoemd artikel van de Fvw opgenomen in de departementale begroting onder «Algemeen». De verzameluitkering is één specifieke uitkering, waarin departementale beleidsthema’s zijn opgenomen waarvoor jaarlijks per beleidsthema gemiddeld maximaal 10 miljoen euro totaal wordt verstrekt aan provincies, gemeenten en/of gemeenschappelijke regelingen. Het betreft beleid dat ondanks expliciete afweging niet via eigen financiering door medeoverheden, via algemene uitkeringen of door bundeling met andere specifieke uitkeringen kan worden gefinancierd. Met de verzameluitkering geeft het kabinet mede invulling aan de doelstellingen uit het Coalitieakkoord: decentralisatie van taken en bevoegdheden alsook vermindering van bestuurslasten.

Op basis van het Onderhoudsrapport Specifieke Uitkeringen 2009 (OSU 2009) zijn er geen regelingen die aan bovenstaande criteria voldoen en blijft de Verzameluitkering van OCW in Begrotingsjaar 2010 leeg.

ARTIKEL 19. INSPECTIES

Op dit artikel worden de uitgaven geraamd voor de inspecties van het ministerie: de Inspectie van het Onderwijs en de Erfgoedinspectie.

Onder de apparaatskosten van de Inspecties vallen alle kosten die gemoeid zijn met het functioneren van de inspecties, zowel kosten van personeel, materieel en huisvesting als uitbesteed onderzoek.

Door het uitvoeren van onderzoeken bij scholen en instellingen beoordeelt de Inspectie van het Onderwijs de kwaliteit van het onderwijs. De Erfgoedinspectie houdt toezicht op de naleving van specifieke wetten en levert een bijdrage aan een juist gebruik, beheer en bewaring van cultureel erfgoed.

In onderstaande tabel worden de verplichtingen, uitgaven en ontvangsten van artikel 19 Inspecties geraamd.

19.1 Budgettaire gevolgen

Tabel 19.1 Budgettaire gevolgen van beleid artikel 19 (x € 1 000)
 2008200920102011201220132014
Verplichtingen59 68266 88161 92557 16356 95656 95656 956
Waarvan garantieverplichtingen       
Uitgaven59 68266 88161 92557 16356 95656 95656 956
• Erfgoedinspectie2 3472 8462 7042 4372 4372 4372 437
• Inspectievan het onderwijs57 33564 03559 22154 72654 51954 51954 519
Ontvangsten13000000

19.2 Erfgoedinspectie

De Erfgoedinspectie waakt op nationaal niveau over een belangrijk deel van het Nederlandse, Europese en mondiale erfgoed. Zij stimuleert en adviseert (gevraagd en ongevraagd) over verbeteringen in het behoud en beheer en een goede omgang met het erfgoed en over internationale regelingen op het gebied van het cultuurbehoud.

De Erfgoedinspectie houdt toezicht op onder andere:

• de naleving van de Wet behoud cultuurbezit; de rijkscollecties in beheer bij de verzelfstandigde (rijks)musea, het verlenen van vergunning voor de uitlening van beschermde cultuurvoorwerpen en het verlenen van exportvergunningen voor cultuurgoederen;

• de naleving van de Archiefwet; de kwaliteit van archiefvorming en archiefbeheer van de Hoge Colleges van Staat, de ministeries en de zelfstandige bestuursorganen;

• de naleving van de Monumentenwet; op het gebied van archeologische monumenten, opgravingen en vondsten en de gebouwde monumenten en beschermde stads- en dorpsgezichten.

Als gevolg van de taakstelling uit het coalitieakkoord en de nieuwe visie op toezicht wordt het toezicht meer dan nu gebaseerd op risicoanalyse, selectiviteit en prioriteitsstelling. De inspectie schakelt daar waar het mogelijk is over van eerste- naar tweedelijns toezicht. Dit is het gevolg van de introductie van kwaliteitszorgsystemen of alternatieve (horizontale) toetsingsarrangementen.

Het jaarlijkse Erfgoedverslag wordt aangeboden aan zowel Eerste als Tweede Kamer. Het jaarlijks op te stellen jaarwerkprogramma van de inspectie, dat tot stand komt op basis van een risicoanalyse, is jaarlijks voor 1 januari van het betreffende jaar, openbaar.

19.3. Inspectie van het Onderwijs

Voor het kalenderjaar 2010 zijn uitgaven voor een bedrag van ruim € 59 miljoen opgenomen. Dit bedrag is ten opzichte van 2009 gedaald door het in 2009 opnemen van een eenmalige projectsubsidie en door het inboeken van een nieuwe tranche van de efficiencytaakstelling.

Hoofdpunten voor 2010 zijn:

• De ontwikkeling van de effectiviteit van het toezicht («meer effect»);

• De verdere ontwikkeling van de inspectie als handhavende organisatie met (meer) interveniërende bevoegdheden;

• Het realiseren van een stabiele organisatie na de reorganisatie in 2009 en de verdere invulling van de taakstelling tot 2011;

• Het realiseren van een aantal verhuisbewegingen (naar één centrale locatie en vier nevenlocaties).

ARTIKEL 20. ADVIESRADEN

Op dit artikel staan de geraamde apparaatuitgaven voor de adviesraden van het ministerie: de Onderwijsraad, de Raad voor Cultuur en de Adviesraad voor Wetenschaps- en Technologiebeleid (AWT). De apparaatskosten zijn de kosten voor het functioneren van de adviesraden en bestaan uit vacatiegelden voor de leden van de raden, personele en materiële kosten voor de ondersteunende secretariaten en kosten van (uit te besteden) onderzoek.

De adviesraden verstrekken als onafhankelijke organen adviezen en voeren verkenningen uit voor de regering en Staten Generaal. Zij kunnen in verschillende fasen van de beleidsontwikkeling een rol spelen, variërend van een verkenning over toekomstige ontwikkelingen tot en met een advies over een afgerond wetsontwerp.

In onderstaande tabel worden de verplichtingen, uitgaven en ontvangsten aan apparaatskosten (personeel en materieel) geraamd.

20.1 Budgettaire gevolgen

Tabel 20.1 Budgettaire gevolgen van beleid artikel 20 (x € 1 000)
 2008200920102011201220132014
Verplichtingen7 3967 6487 2505 8045 8045 8045 804
Waarvan garantieverplichtingen       
Uitgaven7 3967 6487 2505 8045 8045 8045 804
• Onderwijsraad2 7922 7062 6012 3842 3842 3842 384
• Raad voor Cultuur3 1243 2043 0222 6912 6912 6912 691
• Adviesraadvoor Wetenschaps- en Technologiebeleid1 4801 7381 627729729729729
Ontvangsten3000000

20.2 Onderwijsraad

De Onderwijsraad is het adviesorgaan voor de regering en de Staten Generaal. De raad adviseert, gevraagd en ongevraagd, over de hoofdlijnen van het beleid en de wetgeving op het gebied van het onderwijs. Gedurende de nieuwe zittingsperiode (2009–2012) werkt de Onderwijsraad op basis van de hoofdlijnen van een meerjaren adviesprogramma. Bij de voorbereiding van dit programma zijn alle relevante actoren binnen en buiten het onderwijs betrokken.

Het gaat om de volgende programma-onderdelen:

• onderwijs en maatschappelijke opgaven;

• problemen en verbeteringen in de kernfuncties van het onderwijs;

• speciale groepen en onderwijsvormen;

• leraren, schoolorganisatie en bestuur.

De Onderwijsraad karakteriseert zich door een interactieve, internationaal georiënteerde en pro-actieve benadering. Het interactieve karakter komt tot uitdrukking in de voorbereiding van adviezen: jongeren, ouders, leraren, bestuurders, onderzoekers en anderen worden geconsulteerd. Bij elk advies benut de raad internationaal vergelijkend onderzoek. Veel adviezen van de raad zitten aan de voorkant van de beleidscyclus en hebben daardoor een pro-actief karakter. Naast het opstellen van adviezen en verkenningen organiseert de Onderwijsraad seminars. Verder verzorgen raadsleden en stafmedewerkers presentaties over de adviezen van de Onderwijsraad. De concretisering van de activiteiten van de Onderwijsraad voor 2010 is te vinden in het werkprogramma 2010.

De Onderwijsraad brengt in 2010 naar verwachting zes adviezen en verkenningen aan de minister van OCW, twee adviezen aan de Tweede Kamer, een advies aan de Eerste Kamer en zeven studies uit. De raad zal aandacht besteden aan onder andere excellentie in het Nederlandse onderwijs (samen met de SER) en aan de legitimiteit en representativiteit van vertegenwoordigende organisaties in het onderwijsveld (governance). Ook buigt de raad zich over leertijdverruiming en uitgebreid onderwijs. Verder zal de raad ingaan op het toekomstperspectief van het hoger beroepsonderwijs en op versterking van mbo-karakteristieken. In samenwerking met de Vlaamse Onderwijsraad zal de raad de betekenis van «soft skills» voor het onderwijs verkennen. Het werkprogramma voor 2010 wordt op Prinsjesdag aan de Staten Generaal aangeboden. Ook buiten het werkprogramma om kunnen gedurende het jaar zowel door de minister als door het parlement adviesvragen aan de Onderwijsraad worden voorgelegd.

20.3 Raad voor Cultuur

De Raad voor Cultuur is een onafhankelijk adviesorgaan van de regering op het gebied van kunst, cultuur en media. De raad adviseert zowel gevraagd als ongevraagd over het cultuurbeleid in Nederland.

Meestal brengt de raad advies uit op aanvraag van de minister van OCW.

Naast de beleidsadvisering brengt de Raad voor Cultuur veel uitvoeringsadviezen uit op het gebied van archiefvorming en monumentenzorg. Ook adviseert de Raad voor Cultuur in het kader van de wet tot behoud van cultuurbezit. Jaarlijks maakt de Ministerraad met Prinsjesdag het adviesprogramma van de Raad voor Cultuur van het daaropvolgende jaar openbaar.

20.4 AWT

De AWT-AER is (de voorlopige aanduiding van) een nieuwe strategische adviesraad die in 2010 ontstaat uit een clustering van de AWT, een raad die de regering en de Staten Generaal adviseert over het wetenschaps- en technologiebeleid, zowel in nationaal als in internationaal verband, en de AER, een raad die dit doet op het gebied van energiebeleid.

De AWT-AER brengt gevraagd en ongevraagd advies uit over de hoofdlijnen van het onderzoeks- en innovatiebeleid en het energiebeleid. Met het merendeel van deze adviezen beweegt de AWT-AER zich op de beleidsterreinen van de minister van OCW (wetenschapsbeleid) en de minister van EZ (innovatiebeleid en energiebeleid). Het budget van de AWT-AER is dan ook deels afkomstig van de minister van OCW en deels van de minister van EZ. Kennis, onderzoek en innovatie zijn ook van belang op andere beleidsterreinen. Energie hangt samen met kennis en innovatie, en ook met beleidsterreinen als milieu, mobiliteit en veiligheid.

Daarom adviseren AWT en AER met enige regelmaat ook het kabinet als geheel, andere ministers en Eerste en Tweede Kamer; naar verwachting zal de nieuwe raad deze praktijk voortzetten. Naast het uitbrengen van adviezen hanteren AWT en AER ook andere manieren om hun inzichten te verspreiden, zoals het organiseren van seminars, het houden van lezingen of het fungeren als klankbord voor beleidsmakers.

De AWT-AER verwacht in 2010 enkele adviezen en achtergrondstudies uit te brengen, met behoud van enige ruimte voor spoedadviezen. De onderwerpen voor het werkprogramma 2010 zijn zorgvuldig afgestemd met de diverse departementen, in het bijzonder de ministers van OCW en EZ, met vertegenwoordigers van het parlement en met andere adviesraden.