32 123 VII
Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (VII) voor het jaar 2010

nr. 5
VERSLAG VAN EEN ALGEMEEN OVERLEG

Vastgesteld 27 oktober 2009

De commissie voor Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties1 heeft op 23 september 2009 overleg gevoerd met minister Ter Horst van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties over:

– de brief van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties d.d. 20 februari 2009 over de problematiek van dubbele woonlasten voor burgemeesters (31 700-VII, nr. 71);

– de brief van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties d.d. 27 april 2009 over de problematiek van dubbele woonlasten voor burgemeesters (31 700-VII, nr. 79);

– de brief van minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties d.d. 25 juni 2009 met de derde voortgangsbrief over de huisvestings-problematiek van burgemeesters (31 700-VII, nr. 92);

– de brief van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties d.d. 19 augustus 2009 over herbenoeming (en benoeming) van burgemeesters (31 700-VII, nr. 97);

– de brief van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties d.d. 20 maart 2008 over waarnemend burgemeesters (31 200-VII, nr. 51);

– de brief van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties d.d. 26 mei 2008 met de beantwoording van vragen van de commissie voor BZK inzake het aantal waarnemend burgemeesters in Nederland (31 200-VII, nr. 65);

– de brief van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties d.d. 11 juni 2009 over de commissaris van de Koningin als rijksorgaan (31 700-VII, nr. 87).

Van het overleg brengt de commissie bijgaand stenografisch verslag uit.

De voorzitter van de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,

Leerdam

De griffier van de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,

Van Leiden

Voorzitter: De Krom Griffier: Hendrickx

Aanwezig zijn vijf leden der Kamer, te weten: Schinkelshoek, Van Beek, Heijnen, Van Raak en De Krom,

en minister Ter Horst, die vergezeld is van enkele ambtenaren van haar ministerie.

De voorzitter: Ik heet alle aanwezigen van harte welkom.

De heer Schinkelshoek (CDA): Voorzitter. «Zorg dat het een prachtbaan blijft». Zo heet de nieuwste studie naar het burgemeesterschap, uitgevoerd onder auspiciën van het Nederlands Genootschap van Burgemeesters. Dat is wat mijn fractie betreft ook de inzet in dit algemeen overleg. Zorg dat het een prachtbaan blijft! Dat klinkt ook een tikje zorgelijk, als een oproep, een vermaning bijna. Dat is ook begrijpelijk, want het burgemeesterschap staat onder druk. Het genootschap constateert dat de burgemeester kwetsbaarder is geworden. Er is dus alle aanleiding om aan de hand van de voorstellen van de minister te bezien hoe de burgemeester, opererend in een lastig en soms onvoorspelbaar krachtenveld, kan doen wat van hem of haar wordt verwacht. Voor het CDA is de burgmeester een bijzondere bestuurder, iemand die boven de partijen staat. Hij wordt geacht onafhankelijk op te treden. Hij hoort een «verbinder», een spil te zijn. Iets van die klassieke burgervader zal hem/haar goeddoen.

Zou de kwetsbaarheid van de burgemeester soms ook vergroot zijn door de benoemingsprocedure? Het benoemingsrecht is de laatste jaren feitelijk verschoven van de Kroon naar de gemeenteraad. Heeft dat de burgemeester niet te afhankelijk gemaakt van het lokale politieke krachtenveld? Is er nu niet iets vrijblijvends in de verhouding tussen raad en burgemeester geslopen? Wil de minister de gang van zaken rond burgemeestersbenoemingen in de laatste jaren niet eens doorlichten? Mij bekruipt de twijfel of dit systeem wel voldoende onafhankelijke burgemeesters oplevert, temeer daar uit de cijfers kan worden afgeleid dat het systeem de trekken van een gesloten circuit begint aan te nemen. Er komen minder burgemeesters van buiten. Minder vers bloed dus. Wie niet eerst wethouder is geweest, komt er praktisch bij een vertrouwenscommissie niet door. Ik zwijg dan nog maar van de plafonds waardoor vrouwen en kandidaten van allochtone herkomst moeten zien heen te breken. Met die naar-binnen-gekeerdheid doet het openbaar bestuur zich te kort.

De heer Van Raak (SP): Dat kan zomaar waar zijn, maar zegt u dat niet op de verkeerde plek? Er zitten nogal wat CDA’ers in die vertrouwenscommissies en er zijn nogal wat CDA-burgemeesters. Moet u dat niet in de eerste plaats in uw eigen partij aankaarten en tegen uw partijgenoten zeggen dat zij ook eens over hun eigen schutting moeten kijken?

De heer Schinkelshoek (CDA): Misschien doe ik dat ik ook wel. Wij zijn nu in gesprek met de minister en ik zie dat het systeem die trekken gaat vertonen. Als mijn indruk juist is, is er reden om te bezien of dat systeem, zoals dat is neergelegd in de Gemeentewet, wel altijd de goede kandidaten levert. Daarom ook mijn verzoek om een studie naar de gang van zaken rond burgemeestersbenoemingen.

De heer Van Raak (SP): Zou het dan niet een goede oplossing zijn om de burgemeester door de gemeenteraad te laten kiezen?

De heer Schinkelshoek (CDA): Dat weet ik niet. Je kunt ook voor andere modellen kiezen, bijvoorbeeld de rechtstreeks gekozen burgemeester. Daar is mijn partij overigens geen voorstander van. Maar ik wil nu graag dat de minster het huidige systeem eens doorlicht en nagaat of het niet enige nadelige trekjes gaat vertonen. Die vraag leg ik open op tafel en ik ben blij dat u met mij meekijkt.

De heer Heijnen (PvdA): De heer Van Raak heeft een punt, denk ik. De woorden van de heer Schinkelshoek getuigen van een zekere zorg over de kwaliteit van de zittende burgemeesters. Om te kunnen beoordelen of ik zijn zorgen moet delen, wil ik graag dat hij daar wat meer handen en voeten aan geeft. Vooralsnog heb ik die zorgen niet. Sinds 2002 is er niet meer afgeweken van de voordracht van gemeenteraden. Mijn stelling is dat burgemeesters zwaardere taken zijn gaan vervullen en dat ze, wellicht met een enkele uitzondering, die taken adequaat aankunnen.

De heer Schinkelshoek (CDA): Ik wil u niet bezorgd maken. We stellen terecht hogere eisen aan burgemeesters, maar tegelijkertijd moet worden vastgesteld dat het systeem gesloten trekken gaat vertonen. Nieuw benoemde burgemeesters moeten in feite eerst wethouder zijn geweest. Wordt de vijver waaruit moet worden gevist niet te klein op deze manier? Ook het Genootschap van Burgemeesters vraagt zich af of dit wel altijd de goede kandidaten oplevert. Nogmaals, ik leg die vraag open op tafel. Daar hoeft niemand schichtig op te reageren. Ik vraag naar een onbevangen studie.

De heer Heijnen (PvdA): Als u zorgen hebt over de vijver waaruit wordt geput, zegt u indirect iets over de kwaliteit van de kandidaten die uit die vijver worden gevangen. U hebt mij nog niet kunnen overtuigen van uw zorgen. Integendeel, ik ben onder de indruk van de kwaliteit van de burgemeesters. Dat iemand het ergens wat minder doet of een akkevietje heeft, komt in de politiek maar al te vaak voor.

De heer Schinkelshoek (CDA): Laten wij de discussie nu niet versmallen tot de vraag of ik wel voldoende vertrouwen hebben in de zittende burgemeesters. Ik constateer – en ik sta hierin niet alleen – dat er twijfels zijn of dit systeem wel goede gekwalificeerde kandidaten oplevert. Het genootschap zegt dat het wat dit betreft niet echt optimistisch is. Ik stel die vraag hier hardop en ik vind het eigenlijk een beetje jammer dat u nu direct in de verdediging schiet.

Wil de burgemeester een onafhankelijke en bovenpartijdige rol spelen, dan zal hij – dat ik gemakshalve het woordje «hij» gebruik, heeft geen politieke betekenis – daartoe in staat moeten worden gesteld, soms tegen plaatselijke weerstanden in. Dat vergt soms speciale maatregelen. Daarom kunnen wij ons vinden in de voorstellen van de minister om de herbenoemingsprocedure aan te punten, zodanig dat de burgemeester minder een speelbal wordt van lokale grillen. Het kan niet de bedoeling zijn dat hij van de ene op de andere dag bij het grofvuil wordt gezet. De burgemeester heeft recht op ordentelijk gedocumenteerde functioneringsgesprekken. Hij moet weten waar hij aan toe is en de CdK kijkt vanuit de provinciehoofdstad mee. Begrijp ik het goed dat de minister zelfs op advies van de commissaris een herbenoeming kan doorzetten als daartoe aanleiding is?

Wij zien niet zoveel in een maximale benoemingstermijn voor burgemeesters. Voor welk probleem is die achttien jaar een oplossing? Natuurlijk ben ik voorstander van doorstroming. Ook ik ben van mening dat burgemeesters in de regel niet langer dan een jaar of tien in dezelfde gemeente hun ambt zouden moeten uitoefenen. Maar ik zie dit niet als een wet van Meden en Perzen. Als gemeenteraad en burgemeester jaar in jaar uit het goed met elkaar weten te vinden, ontgaat het mijn fractie waarom die verbintenis via een automatische valbijl moet worden gestopt.

Omdat de burgemeester onafhankelijker wordt op deze manier, is het CDA blij met de voortvarende aanpak van de huisvestingsproblematiek voor deburgemeester. Te veel burgemeesters dreigen opgezadeld te worden met dubbele woonlasten, niet in de laatste plaats als gevolg van de terechte woonplaatsvereiste. Wij – niet alleen het parlement, maar ook de gemeenteraad – zijn het aan onze stand verplicht, burgemeesters niet te laten aanmodderen. Daarom ben ik het eens met de verplichting voor gemeenten om burgemeesters een ordentelijke ambtswoning aan te bieden, of in ieder geval een pied-à-terre voor de periode dat hij op zoek is naar een eigen huis. Dat bespaart een heleboel gezeur en ellende. Hoe denkt de minister de gemeenten overigens te kunnen verplichten? Wordt de nieuwe regeling nog dit jaar van kracht? Dat is wat ons betreft geen punt van discussie.

De nieuwe regeling biedt geen soelaas voor zittende burgemeesters. Er zijn nogal wat regio’s – bijvoorbeeld in delen van Brabant – waar burgemeesters al een tijdje in huisvestingsproblemen zitten. Ik dring aan op een tegemoetkomende opstelling van de minister. Laten wij dit nu in één keer goed en grondig regelen.

Om de burgemeesters in staat te stellen een onafhankelijke rol te spelen, blijven wij kritisch over waarnemingen. Ook of misschien juist de waarnemend burgemeester moet zich onafhankelijk en bovenpartijdig opstellen, al helemaal als de toekomst van de gemeente op het spel staat. Dan past het niet dat hij door een commissaris wordt ingezet om de geesten rijp te maken voor opheffing of fusie. Pas als een herindelingsoperatie daadwerkelijk in gang is gezet – als de gemeenteraad het licht op groen heeft gezet – moet de vuistregel gelden een vacature niet open te stellen en een waarnemer te benoemen. Daarom spreekt het voor het CDA vanzelf dat gemeenteraden via vertrouwenscommissies betrokken worden bij deze benoemingen. Ik verwacht van de minister dat zij daar kritisch op toeziet. Daarom ook zijn wij voorstander van het voorstel om de commissaris van de Koningin als rijksorgaan een rol te geven bij bestuurlijke conflicten. Daarbij gaat het niet alleen over geschillen tussen bestuurders maar ook over kwesties rondom integriteit. Vanwege zijn gezag, kennis van zaken en distantie kan de commissaris nuttig werk doen als adviseur en bemiddelaar. Dat optreden vergt wel een formele grondslag. De commissaris is nu nog te veel afhankelijk van de goede wil en de medewerking van derden. Hij moet zich gelegitimeerd ter plekke op de hoogte kunnen stellen. Vandaar mijn pleidooi om het vast te leggen in de ambtsinstructie van de commissaris.

De heer Van Beek (VVD): Voorzitter! Ik ben de minister erkentelijk dat zij de verhuiskostenproblematiek heeft geagendeerd, want dit is echt een probleem. Wij hebben niet voor niets de verplichting opgelegd dat de burgemeesters wonen in de gemeente waar zij burgemeester zijn. Op te veel plaatsen is dit een probleem: of zij wonen er niet of zij zitten met dubbele woonlasten. Ik waardeer het idee om de ambtswoning in ere te herstellen positief, zij het dat ik bij een ambtswoning niet automatisch meer denk aan een groot huis met een grote tuin en daarin een eeuwenoude eik. Het kan ook een flatje zijn. Zodra een woning ter beschikking wordt gesteld als ambtswoning, is de regeling van kracht en kan het een oplossing bieden voor de problematiek die speelt. Het moet natuurlijk wel fiscaal kloppen, maar dat laat ik graag aan de minister over. Wat mij opviel in de stukken, is dat de minister vooral praat over het eerste jaar, terwijl er nogal wat burgemeesters zijn die over het eerste jaar heen zijn en eigenlijk al in de nieuwe gemeente hadden moeten wonen. Heeft de minister ook gedacht aan de «Rabo-regeling»? Een bekende bank laat woningen, die als gevolg van verplaatsing leeg komen te staan en niet snel genoeg kunnen worden verkocht, tegen taxatiewaarde opkopen door een stichting. Die stichting handelt het vervolgens af en zorgt voor doorverkoop. Zou een dergelijke stichting ook niet kunnen functioneren bij de Rijksgebouwendienst of bij Domeinen? De ervaring leert dat het je per saldo niet veel kost. Op het ene huis leg je iets toe en bij het andere houd je iets over, maar je bent wel in staat om de overplaatsing vrij snel te regelen. Het is erg belangrijk dat dit probleem wordt opgelost, want het aanzien van het ambt is in het geding als er almaar politieke discussies worden gevoerd over deze kwestie.

Uit de stukken rijst de vraag op wie er nu eigenlijk gaat over de benoeming van burgemeesters. Ik heb het gevoel dat wij in formele zin de benoemingsprocedure hebben losgelaten en dat de bevoegdheid echt bij de gemeenteraad is komen te liggen. Daar wordt de keuze gemaakt. Het regeerakkoord is wat dit betreft strenger dan ooit tevoren. Toch heb ik het gevoel dat de minister erg graag wat meer invloed wil hebben op de benoemingsprocedure en de samenstelling van het burgemeestercorps. Als die indruk klopt, zou de minister dat gewoon hardop moeten zeggen. Zij zou in ieder geval haar mening moeten geven over de huidige gang van zaken. Ik vind het heel raar dat de minister zegt: na achttien jaar is het wel mooi geweest. Dat lijkt mij nu juist een zaak van de gemeenteraad. Als een gemeenteraad van harte instemt met een vierde termijn, zie ik niet dat de minister die voordracht zou moeten weigeren. Ook ik vind het geen ideale situatie als heel veel burgmeesters een vierde periode ingaan, maar tegelijkertijd stel ik vast dat de beleidsmogelijkheden om tot verschuiving te komen er nauwelijks meer zijn. Vroeger zei de commissaris: nog even wachten, de volgende keer ben jij aan de beurt. Maar hij gaat er niet meer over. Hij bepaalt wel wie het niet wordt, maar hij bepaalt niet wie het wel wordt. Als de minister naar het totale systeem wil kijken, moet er toch iets meer body zitten in de beschrijving van de problematiek. Van belang is ook dat buiten de traditionele lijn van raadslid-wethouder-burgemeester wordt gekeken naar andere lijnen. De vijver zou dus eigenlijk iets groter moeten worden.

De heer Heijnen (PvdA): Vindt u dat de zeggenschap van de gemeenteraden moet worden beperkt ten gunste van de minister/commissaris van de Koningin?

De heer Van Beek (VVD): In ons verkiezingsprogramma staat dat wij de voorkeur geven aan een direct door de bevolking gekozen burgemeester. Het enige wat wij niet willen, is een door de gemeenteraad gekozen burgemeester. Ik constateer dat de feitelijke gang van zaken is dat de burgemeester door de gemeenteraad wordt gekozen. Met alle respect voor de minister: er wordt nog maar één kandidaat ontvangen en het stempelkussen is onder handbereik. Sinds 2002 is niet meer afgeweken van de voordracht van de gemeenteraad. Er is dus geen grote marge voor de minister in het (her)benoemingstraject. Ik vind dat wij het spel open moeten spelen. Als wij vinden dat er iets meer macro beleidsruimte moet zijn, moet je duidelijk zijn over de invulling van dat voornemen.

Ik ben zeer content met de beschrijving van de positie van de commissaris van de Koningin en sluit mij aan bij het voorstel om de conflictbemiddeling als rijkstaak op te nemen. Het is goed dat dat een formele basis krijgt.

Het doet ons veel genoegen dat het de minister is die het voorstel-Te Veldhuis opnieuw ter tafel brengt door te zeggen dat het goed zou zijn als ook de wethouders een rol krijgen in de vertrouwenscommissie. Dat voorstel van onze fractie heeft het destijds net niet gehaald en het is leuk om vast te stellen dat het nu weer aan de orde komt.

De heer Heijnen (PvdA): Voorzitter. Ik dank de minister voor de stukken over de (her)benoemingsprocedure van burgemeesters. Ik ben het eens met het voorstel om bij de benoemingsprocedure het college van burgemeester en wethouders een steviger positie te geven. Het is goed dat dit een duidelijker kader krijgt. Ik maak wij wel zorgen over de continuïteit van de beoordeling van de burgemeester nu er sprake is van een snelle wisseling van gemeenteraden. De resultaten van de functioneringsgesprekken met de burgemeester moeten ook gelden als zich een nieuwe raad aandient.

Als een herbenoeming niet aan de orde is, moet dat volgens de minister uiterlijk vier maanden daarvoor besproken worden met de burgemeester. Die termijn lijkt mij erg kort. Als na een periode van vier, vijf jaar blijkt dat een herbenoeming niet aan de orde is, zou ik dat uiterlijk een jaar voor dat moment met de burgemeester in alle vertrouwelijkheid opnemen en zoeken naar begeleiding en/of ander werk.

Het grootste probleem bij de selectie van burgmeesters is volgens mij het volgende. Die selectie is een zaak van 441 individuele gemeenten en het resultaat van de afweging in al die gemeenten hoeft niet overeen te komen met het nationale beleid als het gaat om de vertegenwoordiging van vrouwen en allochtonen. Als wij het bedrijfsleven voorhouden dat minstens een derde van de commissarissen van het vrouwelijk geslacht moet zijn, als wij streefpercentages hanteren in de organisatie van de rijksoverheid, moeten wij ook op weg naar een systeem waarin meer ruimte komt voor vrouwelijke burgemeesters. Burgemeesters hebben een belangrijke functie als boegbeeld en symbool van het openbaar bestuur. In ieder geval moeten ze een afspiegeling vormen van de samenleving. Nu is echter het omgekeerde het geval. We gaan bij lange na niet de doelstellingen halen die wij ons stellen voor bijvoorbeeld algemene bestuursdiensten. Dat moet veranderen en ik nodig de minister uit om hiervoor concrete voorstellen te doen. Suggesties van onze kant zijn: de commissaris van de Koning beveelt altijd ten minste een derde vrouwen aan aan vertrouwenscommissies; voordrachten van twee personen bestaan voortaan voor de helft uit vrouwen.

De heer Van Raak (SP): Net als het CDA levert de PvdA veel mensen voor burgemeesters en vertrouwenscommissies, dus ik zou zeggen: voeg de daad bij het woord.

De heer Heijnen (PvdA): Ik begrijp dat de heer Van Raak in de veronderstelling verkeert dat iemand die probeert mensen enthousiast te maken voor het burgemeestersambt die mensen aan een touwtje heeft. Dat is niet het geval.

De heer Van Beek (VVD): Begrijp ik het goed dat u wilt afwijken van de huidige methodiek en dat u de minister bij een dubbele voordracht de vrijheid geeft om nummer 1 dan wel nummer 2 te benoemen? Ik sta hier sympathiek tegenover, maar het is wel een aanzienlijke afwijking van het beleid. En wat betreft uw eerste suggestie: bent u het mij eens dat de kwalitatieve toets het allerbelangrijkste is en daarna pas een toets op geslacht en dergelijke? Dat kan betekenen dat de commissaris van de Koningin niet aan die voorwaarde kan voldoen.

De heer Heijnen (PvdA): Ik denk dat het verzoek aan de CdK’s om bij het doen van een aanbeveling aan een vertrouwenscommissie ten minste een derde vrouwen voor te dragen, het effect zal hebben dat de vijver groter wordt. Niet alleen karpers, maar ook brasems! Dat zal de neiging om te gaan solliciteren, vergroten. Het is overigens een misverstand te denken dat ik een andere situatie wil dan de huidige. De vertrouwenscommissie draagt voor aan de gemeenteraad. De raad beslist en de minister zet na marginale toetsing een stempel. Dat wil ik zo houden. Alleen, in de voordracht van de vertrouwenscommissie aan de gemeenteraad zou overwogen kunnen worden om dat altijd een m/v te doen zijn. Het klinkt wat oneerbiedig, maar u zult mij wel begrijpen.

De heer Schinkelshoek (CDA): Steunt de heer Heijnen bij nader inzien toch mijn voorstel om nog eens goed naar het systeem te kijken? Ook ik heb gesignaleerd dat de vijver wel heel erg klein is. Komen wij, zoals het een goede coalitie betaamt, op hetzelfde punt uit?

De heer Heijnen (PvdA): Uiteindelijk wel, denk ik. Maar u bent bezorgd en ik ben concreet. Ik stel vast dat er te weinig vrouwelijke burgemeesters zijn. U hebt een algemene zorg uitgesproken over een vijver waarin te weinig geschikte vissen zitten. Ik wil dus niet dat er fundamenteel naar het systeem wordt gekeken, maar wel dat de diversiteit van de samenleving meer tot uitdrukking wordt gebracht in het openbaar bestuur.

De heer Schinkelshoek (CDA): Daartoe is een doorlichting van het bestaande systeem nodig. Net als ik zegt u dat de vijver te klein is.

De heer Heijnen (PvdA): Er solliciteren te weinig vrouwen naar het ambt van burgemeester, terwijl zij daarvoor wel geschikt zijn. Ik ben niet van oordeel dat de huidige selectie leidt tot suboptimale burgemeesters. Die suggestie zit verscholen in uw voorstel.

De procedure rond herbenoemingen vind ik dus prima, zij het dat ik daar een aantekening bij heb. Een ambtstermijn van achttien jaar? Ik vind dat men veel sneller moet wisselen en daarom ben ik het eens met de inzet van de minister om de mobiliteit te bevorderen, maar ik ben het niet met haar eens dat dit wettelijk moet worden geregeld. Volgens mij kunnen commissarissen van de Koningin bij een herbenoeming na zes jaar afspreken dat dit de tweede en laatste periode is. Twaalf jaar zou ik een prima uiterste termijn vinden, maar als een gemeenteraad en een burgemeester erg graag langer met elkaar willen doorgaan, gaan wij dat toch niet verbieden? Ik zou zeggen: twaalf jaar is de regel en commissarissen regelen dat samen met de gemeenten. Als van die regel wordt afgeweken, moet dat kunnen. Wij hechten aan een zekere verscheidenheid in dit land.

Voorzitter. Ik ben tegen de verplichting om een ambtswoning aan te bieden. Ontzettend veel gemeenten hebben de afgelopen decennia afscheid genomen van de ambtswoning. Het huidige systeem brengt veel gedoe met zich mee rond vergoeding voor huisvesting van burgemeesters. Dat doet zich ook voor bij verbouwingen van ambtswoningen als er een nieuwe burgemeester aantreedt. Volgens mij levert dit slechts een gedeeltelijke oplossing op. Tegelijkertijd wil ik de minister alle ruimte geven om het probleem op te lossen voor gemeenten met een krappe en dure woningmarkt, maar ik neem afstand van de verplichting om een ambtswoning aan te bieden. Misschien kan zij in overleg met de commissarissen van de Koningin en het genootschap andere vormen verzinnen. Misschien moet er meer maatwerk worden geleverd, bijvoorbeeld door ook na een jaar een extra tegemoetkoming te verstrekken in de kosten van huisvesting als de woningmarkt het onmogelijk maakt om een goede woning te financieren.

Ik sluit mij geheel aan bij de opmerkingen van de mij voorafgaande sprekers over de positie van de CdK’s bij bemiddeling in bestuurlijke conflicten. Dat moet inderdaad wettelijk geregeld worden. Wat mij betreft wordt dan ook expliciet opgenomen dat de commissaris de bevoegdheid krijgt om op te treden zodat hij niet afhankelijk wordt van wensen en verlangens van de lokale politiek.

Wat betreft de waarnemers sluit ik mij aan bij de heer Schinkelshoek. Het is van de zotte dat er gemeenten zijn waar meer dan 60 maanden een waarnemend burgemeester actief is geweest. Dat heeft te maken met voorsortering op herindeling zonder dat helder was dat er binnen afzienbare tijd een herindeling zou plaatsvinden. De minister zegt: als het er naar uitziet dat er een ARHI-procedure op gang komt, moet er al ruimte zijn voor een waarnemer. Ik zou zeggen: beperk het tot de formele start van een ARHI-procedure, maar niet voor die tijd.

De heer Van Raak (SP): Burgemeesters hebben soms moeite met het vinden van een passende woning, vooral in kleinere gemeenten. Kan de minister uitleggen wat precies een «passende woning» is? Hoe passender die woning moet zijn, des te moeilijker het is om hem te vinden. Als mogelijke oplossing stelt de minister de ambtswoning voor maar die moet, zo heb ik begrepen, niet verplicht zijn. De burgemeester moet die woning kunnen weigeren. Maar als hij dat doet, staat de woning leeg. Verder wil de minister de burgemeester maximaal een jaar een hotel- en reiskostenvergoeding geven of een pied-à-terre aanbieden. Maar ook dat gaat aardig veel kosten. Het lijkt ons bovendien dubbelop, zeker als er al zo’n ambtswoning staat. Mijn voorstel is: in plaats van een dure ambtswoning zou de gemeente een geschikte huurwoning beschikbaar kunnen stellen. Dat is veel flexibeler. De burgmeester moet dan wel extra punten krijgen zodat hij hoog op de lijst staat. Dus een huurwoning voor de burgemeester en dan bepaalt de gemeenteraad wat passend is.

De burgemeesters willen een oplossing voor het probleem van de dubbele woonlasten van zittende burgemeesters. Zij verwijzen naar de economische crisis. Ook de minister ziet hier een bestuurlijk probleem. Wat bedoelt zij daarmee? Worden gemeenten waar een burgemeester twee huizen heeft onbestuurbaar?

In Den Helder werden volgens mij de regels niet goed toegepast. De gemeente heeft een extra vergoeding toegekend aan de burgemeester met medeweten van de CdK. De SP wilde dat er verantwoording werd afgelegd, maar dat ging niet zo gemakkelijk. Onze statenleden kregen namelijk te horen dat dit een rijkstaak was en dat ze bij de minister moesten zijn. Toen ik het de minister vroeg, zei zij: dit moet echt in de provincie worden geregeld. Welke volksvertegenwoordiging kan in dit geval haar werk doen?

De minister wil dat burgemeesters niet langer dan achttien jaar in een gemeente blijven. Waarom is mij niet helemaal duidelijk. Het enige argument dat ik kon vinden, was om de mobiliteit van de burgemeesters te bevorderen. Maar ja, dan zitten wij natuurlijk met allerlei burgemeesters die geen passende woning kunnen vinden. Ik vind dat slechte burgemeesters binnen achttien dagen moeten verdwijnen en dat goede burgemeesters langer dan achttien jaar moeten kunnen blijven. De herbenoeming van een burgemeester is geen automatisme meer. Er worden steeds vaker functioneringsgesprekken gevoerd en ik wil er dan ook voor pleiten om het aan de gemeenteraad te laten.

De minister wil de CdK meer invloed geven bij de (her)benoeming van burgemeesters. Maar welk probleem lossen wij hiermee op? De SP ziet het liefst dat gemeenteraden de burgemeesters kiezen. Dan zouden wij meteen van het stelsel van benoemingen af zijn.

De leden van de vertrouwenscommissie wordt geheimhouding opgelegd. Betekent dit ook dat zij niet meer met de overige leden van hun fractie mogen overleggen over het functioneren van de burgemeester? Kunnen zij enkel op persoonlijke titel spreken binnen die vertrouwenscommissie? Ik hoor dat dit in verschillende gemeenten het geval is. Hoe moeten volgens de minister leden van een vertrouwenscommissie functioneren? Mogen overige leden hun oordeel geven over het functioneren van de burgemeester? Kan dat alleen in de krant of kan het ook via de functioneringsgesprekken?

In principe kan de CdK niet worden aangesproken op rijkstaken, maar alleen op zijn handelen als provinciaal orgaan. Hier is volgens mij sprake van een schemergebied. Een aantal commissarissen bemoeit zich intensief met gemeenten die bijvoorbeeld naar hun opvatting moeten herindelen. Volgens mij was dat het geval in Limburg en in Noord- en Zuid-Holland. Wij konden daar als Kamer niet helemaal de vinger achter krijgen. Is de bemoeienis van CdK’s een provinciale taak, een rijkstaak of een persoonlijke hobby? Deelt de minister onze mening dat de commissaris hier helemaal geen taak heeft?

De minister wil dat CdK’s een verantwoordingsrapportage opstellen over de uitvoering van de ambtsinstructie. Dit rapport hoeft echter niet openbaar te zijn omdat er persoonlijke beleidsopvattingen in staan. Het zal gaan over bestuurlijke knelpunten van gemeenten en over personen. Persoonlijke beleidsopvattingen moet een CdK vooral bijhouden in zijn dagboek, maar persoonlijke knelpunten van gemeenten lijken mij bij uitstek een onderwerp om in alle openbaarheid te bediscussiëren. Ik denk aan herindelingen. Is de minister bereid, slechts vertrouwelijkheid op te leggen voor de onderdelen die puur gaan over personen?

Minister Ter Horst: Voorzitter. Ik begin met de benoemingsprocedure. De heer Schinkelshoek zei: burgemeester zijn is een prachtbaan en dat moet zo blijven. Dat is precies mijn uitgangspunt van de voorstellen die ik heb gedaan. De heer Schinkelshoek stelde vast dat de burgemeester kwetsbaar is en hij vroeg zich af of de benoemingsprocedure daarop van invloed is. Ik denk dat alle politieke ambtsdragers kwetsbaarder zijn geworden, dus ook de burgemeester. Voor andere politieke ambtsdragers is in 2002 de benoemingsprocedure niet gewijzigd en als je dan een a contrario redenering hanteert, zou je kunnen zeggen dat de benoemingsprocedure niet heeft geleid tot een grotere kwetsbaarheid van burgemeesters. Zeker weet ik het niet, maar ik weet dat de kwetsbaarheid van andere politieke ambtsdragers is vergroot.

De heer Schinkelshoek vraagt zich af of de huidige benoemingsprocedure niet tekort doet aan de onafhankelijkheid van burgemeesters en aan de gewenste diversiteit. Te veel burgemeesters zijn eerst wethouder geweest, volgens hem. De heer Van Beek is tegen een door de gemeenteraad gekozen burgemeester, maar stelt vast dat de feitelijke gang van zaken eigenlijk een door de gemeenteraad gekozen burgemeester inhoudt. De heer Heijnen is positief over de huidige procedure, maar vindt meer centrale sturing nodig om de diversiteit van het burgemeestercorps te vergroten. Hij wil dus inbreken op de verantwoordelijkheden die de gemeenteraad nu heeft. Ik meen te kunnen vaststellen dat de SP tevreden is over de huidige gang van zaken en geen behoefte heeft aan verandering. In het coalitieakkoord staat dat de gemeenteraad de belangrijkste factor is. De raad doet een voordracht en de minister kan alleen op grond van zwaarwegende argumenten van de voordracht afwijken. Er zit natuurlijk enige ruimte in die definitie, maar dat is niet erg veel. Voor mij betreffen die argumenten de integriteit, veroordelingen en dergelijke. Die ruimte heb ik nu om af te wijken van de geldende procedure, waarin de gemeenteraad nog steeds de belangrijkste rol speelt. Als de Kamer het anders wil, ga ik erover nadenken, maar dat doe ik alleen als er een meerderheid voor is. Ik kom alleen maar met voorstellen voor een meer divers samengesteld burgemeestercorps als die op een meerderheid in de Kamer kunnen rekenen. Anders weet ik precies hoe het gaat. Dan zegt men: daar heb je de minister weer die zo nodig meer vrouwen wil benoemen en nu zelfs ook bij burgemeesters! Ik hoop dat u mij wilt begrijpen.

Aan andere instanties vragen wij om te zorgen voor een divers samengesteld personeelsbestand. Het kabinet zelf heeft een emancipatienota uitgebracht waarin staat dat van de bestuurdersposities 45% vrouw moeten zijn. Daar komen wij bij de burgemeesters en CdK’s in het geheel niet aan.

De heer Van Raak (SP): Daar hoef je toch geen regels voor te maken? Het gaat om raadsleden van partijen als CDA, PvdA enzovoort. Partijen kunnen toch uitspreken dat het heel belangrijk is dat er meer vrouwelijke burgemeesters komen en daar afspraken over maken?

Minister Ter Horst: Weet u wat het punt is? Een gemeenteraad beslist alleen maar over zijn eigen burgemeester en heeft geen zicht op landelijke ontwikkelingen. Een gemeenteraad kan heel enthousiast zijn over een mannelijke kandidaat. Ik kom zelfs gevallen tegen waarin de raad ook heel enthousiast was over een vrouwelijke kandidaat en dat er assessments zijn gedaan voor beiden. Als dan de vrouwelijke kandidaat er beter uitkomt, wordt uiteindelijk toch gekozen voor de mannelijke kandidaat. Een gemeenteraad kan zijn eigen redenen hebben om dat te doen, maar realiseert zich niet dat dit landelijk gezien kan leiden tot een oververtegenwoordiging van mannelijke burgemeesters: 80% mannen en 20% vrouwen. In de afgelopen tijd zijn wij gestegen van 20% naar 20,4% vrouwelijke burgemeesters. Dat schiet dus niet zoveel op. En dan heb ik het nog niet eens over kandidaten met een dubbele culturele achtergrond. Ik ben het ermee eens dat hierin verandering moet komen, maar ik heb nu eenmaal niet de instrumenten om dat te doen. Ik wil best kijken naar de suggesties van de heer Heijnen, maar ik moet zeker weten dat ze kunnen rekenen op een meerderheid van de Kamer. Anders ga ik de strijd niet aan. Waar wel ruimte is om te sturen – bij de politie en bij het Rijk – zijn de resultaten veel positiever.

De heer Heijnen (PvdA): De minister stelt het toch iets te simpel voor als zij zegt dat als de Kamer niet in meerderheid met haar meer centrale sturing willen regelen, het niet gaat lukken. Volgens mij is er tussen niets en alles heel veel mogelijk. Daar heb ik twee suggesties voor gedaan, namelijk dat de minister niet aan de achterkant stuurt, maar aan de voorkant door commissarissen te vragen om in de instructie of anderszins te bewerkstelligen dat op een voordracht een man en een vrouw staan en dat bij het voordragen van kandidaten voor de selectiecommissie, een gegeven aantal vrouwen onderdeel uitmaakt van die voordracht.

Minister Ter Horst: Ik wil daar wel even on the spot op reageren. Als ik zeg dat er op de voordracht een man en een vrouw moeten staan, grijp ik echt direct in in de rol van de gemeenteraad. Bij uw andere suggestie grijp ik daar niet in, want dan suggereer ik of vraag ik of zeg ik in de instructie aan de commissarissen van de Koningin dat zij dat moeten doen, maar dat gaat ook al ver. U zegt dat er meer is tussen niets en alles, maar wij doen al heel veel. De commissarissen van de Koningin zijn al – dat geldt voor alle commissarissen van de Koningin – zeer gespitst op het feit dat wij toe willen naar een meer divers burgemeestersbestand. Wij hebben ook een aantal scouts die naar talenten kijken. Ik weet dat u daar ook aan meewerkt, de een wat meer dan de ander. Buiten de spotters in de Tweede Kamer hebben wij scouts die talentvolle vrouwen scouten. Er gebeurt dus heel veel om zonder richtlijnen, circulaires, wettelijke regelingen te komen tot meer diversiteit. Ik zei al dat wij van 20% naar 20,4% zijn gegaan. Ik denk dat wij de goede kant op gaan, maar het gaat heel langzaam. Ik laat dit nu even bij u liggen. Ik heb mijn eerste reactie op uw suggestie gegeven.

De heer Schinkelshoek (CDA): Ik begrijp de aarzeling van de minister. Ook ik ken het regeerakkoord op dit punt uit mijn hoofd. Ik begrijp dat zij niet staat te trappelen van enthousiasme om voortvarend met voorstellen te komen. Ik heb echter een wat rustiger suggestie aangereikt. Net als de heer Heijnen zeg ik: tussen zwart en wit zitten nog een heleboel fraaie andere tinten. Laten wij eens onbevangen naar het systeem proberen te kijken. Dan kunnen wij misschien de bezwaren die de heer Heijnen en ik hebben gesignaleerd -misschien liggen die meer in elkaars verlengde dan wij hadden gedacht – objectiveren en op basis daarvan aftasten of daar een meerderheid voor te vinden is in deze Kamer. Dat lijkt mij een prudente methode.

Minister Ter Horst: Zeker. Dat hoop ik ook. Ik wil alleen voorkomen dat er weer een discussie losbarst over de benoemingswijze van burgemeesters. Niet omdat dat geen interessante discussie is, maar omdat iedereen in bestuurlijk Nederland nu iets heeft van: wij hebben nu even rust; het gaat nu over de inhoud, over ons vak en de inhoud van ons vak, en niet over de benoemingswijze. Ik wil niet dat wij weer de discussie lostrekken over de benoemingswijze van burgemeesters. U weet dat ik zelf veel voordelen zie in de Kroonbenoeming. Een later kabinet moet doen wat het wil doen, maar ik zou het buitengewoon jammer vinden als die Kroonbenoeming zou verdwijnen, omdat het de burgemeester de positie geeft van primus inter pares, boven de partijen staand, een niet politiek iemand. Ik denk echt dat de problemen niet te overzien zijn, zeker in het huidige tijdsgewricht, als de burgemeester niet meer door de Kroon zou worden benoemd en een politieke figuur zou zijn. Maar u kent mijn opvatting op dat punt.

Aan de andere kant vind ik het heel belangrijk dat de gemeenteraad een rol speelt bij de keuze van de burgemeester. Ik zou het ook – dan kom ik op de opmerking van de heer Van Raak over de benoemingen – een goede zaak vinden als niet alleen de gemeenteraad, maar ook de wethouders als adviserend lid van de benoemingscommissie en herbenoemingscommissie een zekere mate van invloed hebben op de keuze van de burgemeester. De burgemeester is namelijk niet alleen voorzitter van de raad, maar ook van het college. Het is toch eigenlijk heel vreemd dat degenen waar hij de meeste tijd mee doorbrengt, geen enkele invloed hebben op wie de burgemeester wordt. Nu moet u niet zeggen dat dat voor Kamerleden en de minister ook geldt, want daar brengt u volgens mij niet de meeste tijd mee door. Dat hoop ik althans. Maar als het om het lokale niveau gaat, vind ik het een goede zaak. De wethouders hebben nu geen enkele invloed – althans formeel – op de vertrouwenscommissie en de keuze van de burgemeester. In de meeste gemeenten is de wethouder overigens al wel aanwezig bij de besprekingen en geeft hij al een advies. Dat willen wij formaliseren. Daarom nemen wij dat op in de wet of in de circulaire.

De heer Schinkelshoek (CDA): Met wat u zegt over de Kroonbenoemingen en de burgemeestersbenoemingen met lokale invloed, spreekt u naar mijn hart. Dat zal u niet verwonderen. Daar zijn wij het volstrekt over eens. Tegelijkertijd signaleren wij hier dat er aan het systeem bepaalde nadelen zitten. Ik pleit er alleen maar voor om daar onbevangen naar te kijken, zonder deze hele zaak op de schop te nemen en opnieuw een discussie te voeren over de vraag of wij naar een gekozen burgemeester zouden moeten. Dat was ook niet de intentie van mijn opmerking. Het ging mij om de nadelen die volgens mij aan het systeem zitten. Die hebt u ook heel plastisch beschreven.

Minister Ter Horst: Ik neem daar kennis van.

De heer Schinkelshoek zei dat heel veel burgemeesters wethouder zijn geweest. Hij zei dit om aan te geven dat het een vrij gesloten circuit is. Dat laatste wil ik niet bestrijden, maar aan de andere kant vindt iedereen het volstrekt normaal dat een CFO in een organisatie eerst directeur financiën is geweest. Er zit dus een zekere logica in dat als je burgemeester wordt, je kennis hebt van bestuurlijke processen. Wethouders hebben die kennis. Ik ben het echter met hem eens dat het heel goed is als je probeert vanuit andere kringen mensen toe te laten tot het beroep van burgemeester.

Ik ga nu over naar het onderwerp herbenoemingen. De eerste vraag die daarover is gesteld, is of de minister een herbenoeming op advies van de commissaris van de Koningin kan doorzetten als een gemeenteraad dat niet wil. Dat is inderdaad mogelijk. U zult begrijpen dat dat slechts bij hoge uitzondering gebeurt. In de Gemeentewet staat dat bij herbenoeming de minister slechts van de aanbeveling van de raad afwijkt op gronden die zijn ontleend aan het advies van de CdK of op andere zwaarwegende gronden. Dus waar bij de benoeming alleen maar afgeweken kan worden op zwaarwegende gronden, speelt bij de herbenoeming het advies van de CdK een rol. Het kan dus zijn – dat gebeurt ook wel – dat een gemeenteraad te weinig onderbouwd zegt dat hij eigenlijk wil dat de burgemeester stopt. Dan is het aan de commissaris van de Koningin om te zeggen: het kan wel dat jullie dat willen, maar dan hadden jullie maar ordentelijk functioneringsgesprekken moeten voeren. De functie van burgemeester is dan wel geen politieke functie, maar dat wil niet zeggen dat er geen bescherming van burgemeesters moet zijn. Als de commissaris van de Koningin van mening is dat die procedure onzorgvuldig is geweest, wordt dat overigens vaak al tussen de commissaris van de Koningin en de gemeente gedeeld en hoeft de minister daar niet eens meer aan te pas te komen. Het kan echter zijn dat de gemeenteraad zegt «wij willen de burgemeester niet herbenoemen», dat de commissaris van de Koningin adviseert dat dat wel moet gebeuren, omdat de procedure onzorgvuldig is geweest en dat de minister de gemeenteraad overrulet. Volgens mij heeft dat zich niet voorgedaan, omdat de commissaris van de Koningin in de voorfase zijn rol neemt. Dat lijkt mij ook heel erg goed.

Dan de drie benoemingstermijnen. Daar wordt verschillend over gedacht. Ik vind het interessant dat de heer Heijnen eigenlijk vindt dat burgemeesters maximaal twaalf jaar moeten zitten en dat hij het niet erg vindt als er gemeenten zijn waar een burgemeester meer dan twaalf jaar zit. Het gaat hier echter niet om twaalf jaar, maar om achttien jaar. Ik denk niet dat wij paraat hebben hoeveel burgemeesters langer dan twaalf jaar zitten, maar dat zijn er nogal veel. Er zijn, ik meen, drie of vier burgemeesters die langer dan achttien jaar in een gemeente zitten. Als je die termijn op twaalf jaar stelt, gaat het om echt veel burgemeesters. Ondanks dat zegt de heer Heijnen dat hij er niet voor is om het wettelijk te regelen. Anderen hebben dat ook gezegd. Ik neem daar kennis van. Het gaat mij erom – daar is volgens mij een meerderheid van de Kamer het mee eens – dat wij een signaal afgeven dat het goed is, zowel voor gemeenten als voor burgemeesters zelf, dat zij zich op het moment dat zij beginnen met het burgemeesterschap realiseren dat het niet meer een functie voor het leven is, maar dat het kan zijn dat zij na zes jaar, twaalf jaar, achttien jaar van plek kunnen, of moeten, veranderen en dat dat de norm wordt. Het is van belang dat de burgemeester zich dat vanaf het begin realiseert, omdat hij zich dan anders opstelt. Dan weet hij dat hij op een gegeven moment zal moeten solliciteren naar een andere post, of dat hij misschien over zal gaan naar een andere functie. Dat vereist zowel van de burgemeester, als van de gemeenteraden, als van de minister, als van het Nederlands Genootschap van Burgemeesters activiteiten die die burgemeester in staat stellen om dat te doen. Dat is ook de reden waarom ik dit punt aan de orde stel. Je kunt niet zeggen: wij willen dat burgemeester na achttien, of misschien zelfs na twaalf jaar in een gemeente iets anders gaan doen, als je niet ook als «werkgever» bereid bent om die burgemeester in staat te stellen om dat ook te doen.

De heer Van Raak (SP): Het is prima om een signaal af te geven, maar daar hoeven wij geen wet voor te maken. Slechte burgemeesters moeten na achttien dagen weg. Zorg voor een huurhuis voor de burgemeester, want dan weet hij dat het niet voor eeuwig is. Misschien is dat wel een mooi signaal. Maar ik wil graag weten of er problemen zijn met die drie of vier burgemeesters die al achttien jaar zitten. Of zeggen die gemeenten: wij vinden dit heel leuke burgemeesters en die willen wij niet kwijt?

Minister Ter Horst: Ik heb ook gezegd dat het mij er niet om gaat om het onmogelijk te maken dat burgemeesters die ergens drie termijnen zitten, daar een vierde termijn blijven zitten. Er zijn een paar burgemeesters die nu met hun vierde termijn bezig zijn. Er zijn ook burgemeesters die tegen hun vierde termijn aan zitten. Ik zie het niet als mijn rol om een gemeenteraad te verplichten om iemand niet voor een vierde termijn te herbenoemen, maar ik wil wel een signaal afgeven. Dat heb ik gedaan en volgens mij wordt er nu volop discussie over gevoerd. Daaraan merk ik dat het signaal wordt opgepakt. Overigens is het ook breed besproken met de commissarissen van de Koningin. Zij zijn ook voorstander van een beperking tot achttien jaar in één gemeente. Ook het Nederlands Genootschap van Burgemeesters is daar een voorstander van. Ik hoorde de voorzitter van dat genootschap daar laatst iets over zeggen en dacht toen: ik heb toch een gesprek met hem gevoerd over dat onderwerp? Dat gesprek is gevoerd en het genootschap is er ook een voorstander van. Het was alleen geen voorstander van het wettelijk regelen daarvan. Dat heb ik serieus genomen en ook wat de Kamer daarover zegt neem ik serieus. Dat betekent dat ik naar aanleiding daarvan voorstellen zal ontwikkelen. Alleen een signaal afgeven, is echter te weinig, mijnheer Van Raak, want er ligt ook een verantwoordelijkheid bij anderen om de burgemeester in staat te stellen om na een aantal jaren van plek te veranderen. Dat is overigens ook de reden dat wij zullen gaan regelen, als de Kamer daarmee instemt, dat de burgemeester recht krijgt op wachtgeld. Dat heeft direct met deze discussie te maken.

De heer Van Raak (SP): Het gaat maar over een klein clubje. De ministeries hebben het ook een tijdje gehad. Ik weet niet of dat niet steeds zo is. Je moest na drie of vier jaar weg.

Minister Ter Horst: Na zeven jaar.

De heer Van Raak (SP): Het was namelijk niet goed om ergens te lang te zitten. Ik denk echter dat het juist heel goed is om ergens langer te zitten. Dan leer je de mensen een beetje kennen en je kunt dan kennis en kunde opbouwen. Na zeven jaar snap je er eindelijk eens wat van. Ik heb het idee dat dat cultuurtje, dat hopelijk bij de ministeries op zijn retour is, nu wordt overgebracht naar de burgemeesters en dat nu over de burgemeesters wordt gezegd dat rouleren goed is. Rouleren mag echter nooit een doel op zich zijn. Toch is dat het enige argument dat ik in de stukken heb kunnen vinden: de burgemeesters mogen niet langer dan achttien jaar zitten, want rouleren is belangrijk. Is het enige argument rouleren?

Minister Ter Horst: Nee, het argument is dat het voor een gemeente goed is dat er na een aantal jaren iemand anders komt, die met een frisse blik naar die gemeente kijkt en die van ingesleten processen, die er overal zijn, zegt: misschien moeten wij die eens op een andere manier aanpakken. Dat is de eerste reden. De tweede reden betreft de burgemeesters zelf. Als iemand achttien jaar in één gemeente zit en zich er niet op heeft voorbereid dat hij naar een andere gemeente moet gaan of misschien iets anders moet gaan doen – na achttien jaar burgemeesterschap hoef je nog geen 65 of 70 jaar te zijn -dan betekent dat dat zo’n iemand nooit meer ergens anders aan de bak komt. Vanuit goed werkgeverschap is het dan ook van belang om meteen tegen beginnende burgemeesters te zeggen -ik doe dat ook – dat burgemeester zijn geen lifelong beroep meer is, zeker niet in één gemeente, en dat zij erop moeten rekenen dat zij na een aantal jaren ook iets anders kunnen gaan doen.

De heer Van Beek (VVD): Ik ben het met het betoog van de minister eens. Dat was ook precies waarom ik kritiek had op de suggestie dat een herbenoeming niet meer mogelijk zou zijn. Ik deel met de minister dat wisseling goed is en dat wij mensen moeten activeren om te gaan solliciteren. Het ging mij alleen om de rigide opstelling dat iemand na achttien jaar niet meer wordt herbenoemd. Het gaat in het algemeen toch over mensen van tussen 60 en 70 jaar. Het automatisch ontslag bij 65 jaar is net afgeschaft. Ik zie dit als een andere manier om dat weer te introduceren. Dat vind ik ook een bezwaar.

Minister Ter Horst: Ik denk, als ik de commissie zo hoor, dat wij heel erg op een lijn zitten. Het is ook niet de bedoeling om het rigide te regelen. Uiteraard is het zo dat als iemand in zijn derde termijn zit en de gemeenteraad tevreden over hem is en je aan kunt zien komen dat als die herbenoeming niet plaatsvindt, de kans dat hij de laatste jaren van zijn werkzame leven iets kan gaan doen buitengewoon gering is, dan ...

De heer Van Beek (VVD): Na achttien jaar is die kans reëel.

Minister Ter Horst: Daarom moeten wij ervoor zorgen dat wij niet in die situatie terecht komen. Laten wij het zo formuleren: als burgemeesters in de toekomst achttien jaar in dezelfde gemeente zitten, hebben wij onvoldoende gedaan om te zorgen dat iemand zo flexibel is dat hij ergens anders naar toe kan gaan. Wij moeten met ons eigen beleid stimuleren dat die situatie zich niet voor gaat doen.

De heer Heijnen (PvdA): Ook ik deel de argumentatie van de minister om te komen tot mobiliteit en een kortere zittingsduur dan levenslang, maar waarom ligt die grens niet op twaalf jaar of op een andere getal? Waarom heeft zij gekozen voor achttien jaar? Dat wekt toch de indruk dat zij kijkt naar de bestaande gevallen. Dat zijn er maar een paar. Wij gaan het ook niet voor het zittende burgemeesterskorps invoeren. Ik voeg nog aan haar argumentatie toe dat het democratisch moet zijn. Het is heel goed als macht en gezag niet te lang bij één en dezelfde persoon liggen. Geldt haar redenering niet nog in sterkere mate voor twaalf jaar? Wil zij na de eerste zittingstermijn, bij het begin van de tweede zittingstermijn met de commissarissen en nieuwe burgemeesters afspreken dat dat in beginsel de laatste zittingstermijn is?

Minister Ter Horst: Er is te weinig draagvlak om een termijn van twaalf jaar te hanteren. Ik heb dat uiteraard besproken met de commissarissen van de Koningin en met het Nederlands Genootschap van Burgemeesters. Mijn persoonlijke opvatting doet er niet toe, maar ik kan u wel zeggen dat mijn voorkeur dichter bij twaalf dan bij achttien jaar ligt. Dat geldt ook voor wethouders. Ik heb in mijn eigen functioneren ook altijd gevonden dat twee wethoudersperiodes genoeg is. Dan moet je weg en wat anders gaan doen. Ik mag geen persoonlijke opvatting naar voren brengen, maar misschien is dit ook wel meer een politieke opvatting. Je zou ook kunnen zeggen – dan kom ik een beetje in de buurt van wat de heer Van Raak heeft gezegd – dat als je lid bent van een bepaalde partij, die partij een maximum aan de zittingstermijnen voor wethouders moet stellen. Dat zou ook voor burgemeesters kunnen gelden. Dan vlieg je het via een andere route aan en niet via de formele. Voor een formele route van twaalf jaar is onvoldoende draagvlak.

Er is gevraagd wat de positie van de minister is bij een herbenoeming. De minister kan alleen in bepaalde gevallen afwijken van een voordracht. Ik voel mij er echter wel verantwoordelijk voor – dat is misschien niet een wettelijke verantwoordelijkheid, maar wel een gevoelde – dat de procedure waarlangs tot herbenoeming wordt gekomen een zorgvuldige is. Dat is de reden waarom ik in de circulaire laat vastleggen dat er een keer per jaar een functioneringsgesprek moet plaatsvinden en dat het verslag van dat gesprek tussen de vertrouwenscommissie en de burgemeester naar de commissaris van de Koningin moet gaan, zodat de commissaris van de Koningin over een periode van zes jaar kan zien wat het oordeel van de gemeenteraad over de burgemeester is geweest. Nu gebeurt het nog wel eens dat na zes jaar de vertrouwenscommissie of de gemeenteraad een paar maanden van tevoren opeens dacht: o ja, de burgemeester moet worden herbenoemd. En dan pas ging nadenken wat zij met die man of vrouw wilden. Dat kan nu niet langer. Daarom zullen wij, samen met de commissarissen van de Koningin en de burgemeesters zelf, tot een situatie moeten komen dat elke burgemeester elk jaar een gesprek heeft met de vertrouwenscommissie. Daar komt een verslag van en dat gaat naar de commissaris van de Koningin. Na die zes jaar – ik kom straks nog even terug op die periode van vier maanden waar de heer Heijnen over sprak – kan de vertrouwenscommissie c.q. gemeenteraad dan een weloverwogen besluit nemen of iemand wel of niet wordt herbenoemd. Dat besluit is dan aan iedereen uitlegbaar, ook aan de burgemeester. Om daartoe te komen, stellen wij in de circulaire een aantal wijzigingen voor.

De heer Heijnen heeft gevraagd of die vier maanden niet wat kort zijn. Daar wil ik nog even naar kijken.

De heer Vos (ambtenaar): In de wet staat een termijn van vier maanden voor het indienen van een aanbeveling tot herbenoeming, maar het proces van herbenoeming start in een gemeente natuurlijk al veel eerder. Zeker als een commissaris signalen heeft dat er iets niet helemaal goed zit, zal hij in een heel vroege fase met de vertrouwenscommissie uit de raad het gesprek aangaan.

Minister Ter Horst: Die termijn van vier maanden zal in de praktijk dus ruimer zijn.

Ik ga nu over naar het onderwerp huisvesting. Ik constateer dat er steun is van velen van u om iets te regelen. Er is nog wel gevraagd hoe het precies in het eerste jaar zit en hoe het zit met de burgemeesters die nu een probleem hebben. Wij gaan een regeling maken die uit twee elementen bestaat. Er komt een eenduidige tijdelijke voorziening in het eerste jaar na benoeming en er moet een ambtswoning worden aangeboden. Dat wordt de definitieve regeling. Er is gekozen voor de term «ambtswoning» – dat is een heel mooie term, vind ik – maar dat kan koop of huur zijn. Het hoeft ook niet altijd een woning te zijn die in het bezit is van de gemeente. Je kunt je ook voorstellen dat die woning in het bezit is van een ander, zeker als het om huur gaat. Het gaat erom dat de gemeente een aanbod doet aan de burgemeester. Wij gaan de gemeenten daartoe verplichten en leggen dat vast in het rechtspositiebesluit van de burgemeesters. Als de burgemeester aangeeft dat hij geen gebruik wil maken van dat aanbod, betekent dat dat hij verder nergens op kan rekenen. Dan moet hij dus zelf een woning regelen. Hij heeft dan wel een jaar recht op een tegemoetkoming voor dubbele woonlasten, maar hij heeft dan geen recht meer op een aanbod.

De heer Van Raak (SP): Wij krijgen dus niet de situatie dat de gemeente een mooie ambtswoning gaat maken en dat, als de burgemeester zegt dat hij zich daar te goed voor voelt, die ambtswoning leeg blijft staan en de burgemeester ondertussen ook nog een vergoeding krijgt. Er komt dus geen ambtswoning die leeg staat.

Minister Ter Horst: Nee, er komt geen ambtswoning die leeg staat. Als er sprake is van een huurwoning is het helemaal simpel, want als de burgemeester weg gaat, vervalt de huur. Als het gaat om een koopwoning kun je aan twee varianten denken. Het kan een woning zijn die door de burgemeester wordt gekocht en op het moment dat hij weggaat, weer kan worden verkocht. Het zou ook kunnen gaan om een woning waar sprake is van huur die door een volgende burgemeester wordt overgenomen. Dan is het ook de verantwoordelijkheid van de gemeente om te zorgen dat die woning niet leeg zal komen te staan. Straks komt er overigens ook nog een leegstandswet, die daar dan ook weer op van toepassing zal zijn, want er mag niet worden gekraakt. Wij doen er dus alles aan dat er een goed aanbod aan de burgemeester wordt gedaan, zodat hij een woning krijgt. Wij willen echter niet terugvallen in de situatie die vroeger wel bestond, namelijk dat er leegstaande ambtwoningen waren. Wij denken met deze variant beide problemen te hebben opgelost.

De heer Schinkelshoek (CDA): Is het aanbod eenmalig? Kan een burgemeester bijvoorbeeld na twee jaar of bij een herbenoeming nog zeggen: doe mij toch maar en ambtswoning?

Minister Ter Horst: Nee. Het is de bedoeling om dat aanbod te doen als de burgemeester komt. Dat is dus in zijn eerste jaar. Als de burgemeester dan zegt dat hij geen ambtswoning wil, houdt het voor de gemeente op. Daar moet helderheid over zijn.

De heer Van Beek (VVD): Er staat mij een concreet geval voor ogen waar sprake was van dubbele hypotheeklasten, omdat de nieuwe woning al gekocht was en de oude nog niet verkocht.

Minister Ter Horst: Een aantal burgemeesters heeft nu dubbele woonlasten. Dat is een situatie die wij willen voorkomen. Dat kun je natuurlijk wel zeggen, maar dat lukt niet onmiddellijk. Daarom willen wij die tijdelijke regeling treffen. Dat is de regeling voor zittende burgemeesters die op 1 juni 2009 dubbele woonlasten hadden. Zij kunnen maximaal één jaar financiële steun krijgen. Die regeling gaat nu in werking treden. Dat lost de problemen op van degenen die dubbele woonlasten hebben.

De heer Heijnen (PvdA): Ik heb gezegd dat ik u graag ruimte gunde om problemen die er zijn op te lossen. Het laatste wat u zegt, spreekt mij aan. Maar een verplichting om een ambtswoning aan te bieden, daar zit ik toch mee in mijn maag. In enkele tientallen plaatsen van de 425 zijn er problemen, maar in meer dan 300 plaatsen niet. Ik vind het dan heel raar dat wij gemeenten een plicht op gaan leggen om een woning aan te bieden. Een burgemeester is een professional, net als heel veel anderen. Er is maar één verschil: hij moet in zijn werkplaats gaan wonen. Daar kunnen op dit moment negen van de tien burgemeesters prima zelf in voorzien. Wat vindt de VNG van die verplichting? Is er ook een bekostiging vanuit het Rijk aan gemeenten mee gemoeid om hierin te gaan voorzien? Ik heb nogal wat aarzelingen bij het verplichtende karakter, aangezien het probleem volgens mij niet landsbreed is, maar zich slechts in een aantal gemeenten voordoet.

Minister Ter Horst: Als er geen probleem is, zal er ook geen aanbod worden gedaan. Burgemeesters hadden in het verleden ook vaak problemen met de ambtswoningen. U moet namelijk niet denken dat burgemeesters dol waren op zo’n ambtswoning. Zij willen hun woonruimte het liefst zelf regelen. Als het mogelijk is om in een gemeente zelf woonruimte te regelen, zal de burgemeester dat ook gewoon doen. Dat betekent dat het aanbod niet nodig is. Maar juist in de gemeenten waar wel problemen zijn – die gemeenten bevinden zich in een aantal provincies in Nederland – en waar de burgemeester niet zelfstandig een woning kan verkrijgen, moet de gemeente, die meer mogelijkheden heeft dan de burgemeester, een aanbod doen. Ik heb in het geheel niet begrepen dat dat problematisch ligt, niet bij het Nederlands Genootschap van Burgemeesters en ook niet bij de VNG. Bovendien, er is een woonplaatsvereiste voor de burgemeester. Die burgemeester kan niet zeggen dat hij in Rijswijk blijft wonen als hij burgemeester wordt van Appingedam. Is dat eigenlijk nog wel een zelfstandige gemeente? Wij verplichten de burgemeester dus om na één jaar in de gemeente te wonen waar hij burgemeester is. Ik vind dat daar dan ook iets tegenover moet staan. De gemeenten vinden dat ook. Nogmaals, het aanbod hoeft alleen te worden gedaan als er een probleem is. Anders hoeft het niet.

De heer Heijnen (PvdA): Appingedam heeft een heel ontspannen woningmarkt, zo kan ik u vertellen. Daar zal het probleem zich naar mijn idee zeker niet voordoen. Ik begrijp nu dat wat u generiek stelt – de gemeente wordt verplicht om ... – ertoe leidt dat in enkele tientallen situaties waar voldaan wordt aan de criteria, een gespannen woningmarkt, discrepantie tussen de prijzen van de woningen en het salaris van de burgemeester, de gemeente wordt geacht om een faciliteit aan te bieden, ten einde aan het woonplaatsbeginsel te kunnen voldoen. Dat kan een woning en dat kan een financieel arrangement zijn.

Minister Ter Horst: Ik kan niet over aantallen spreken, want je weet nooit hoe de woningmarkt zich gaat ontwikkelen. Als het zo doorgaat, denk ik dat het in geen enkele gemeente meer een probleem zal zijn. Dat kan echter zo weer veranderen. Ik wil daarom geen uitspraak doen over de aantallen. Ik zeg alleen dat burgemeesters zelf voor een woning zullen willen zorgen. Iedereen wil dat tegenwoordig. Als dat echter niet kan, dan heeft de gemeente meer mogelijkheden. Daarom vind ik dat wij in de circulaire kunnen opnemen dat in dat soort gevallen de gemeente een aanbod doet aan de burgemeester, zonder dat dat de nadelen heeft die vroeger aan de ambtswoning waren verbonden.

De heer Van Beek heeft nog de suggestie gedaan van de, wat hij noemde, Rabo-regeling. Wij hadden nog andere alternatieven bedacht die een beetje lijken op wat hij voorstelt, maar met name de burgemeestersbonden hebben aangedrongen op een eenvoudige regeling. Wij hadden ook bedacht dat als een burgemeester een woning koopt, hij die als hij weggaat, mag verkopen aan de gemeente en dan het geld mee krijgt. De bonden zeiden daarop: doe dat nou niet. Dat vond ik eigenlijk wel heel verstandig. Daarop hebben wij gezegd dat wij er een eenduidige regeling van zouden maken. Dit is de meest eenduidige regeling die wij konden bedenken.

De heer Van Beek (VVD): Het probleem is op dit moment niet dat een burgemeester geen woning kan vinden, maar dat hij zijn woning niet kwijt kan. Vandaar dat ik denk aan oplossingen daarvoor. Dan ben je van alle regelingen af. Je kunt op het ogenblik in elke gemeente wel huizen krijgen, huur of koop. Het probleem is echter om je eigen woning kwijt te raken.

Minister Ter Horst: De problemen die er zijn met zittende burgemeesters met dubbele woonlasten, proberen wij op te lossen. Nieuwe burgemeesters moeten zich echter realiseren dat zij een jaar de tijd hebben om hun woning kwijt te raken. In dat jaar willen wij ze financieel faciliteren, maar je moet daar wel een beperking aan stellen. Straks krijg je burgemeesters die zes jaar lang of in sommige gevallen misschien wel achttien jaar lang, dubbele woonlasten hebben. Dat is toch niet de kant die wij op willen. Je kunt het de burgemeesters die nu een probleem hebben dat niet kwalijk nemen, maar bij elke burgemeester die nu wordt aangesteld komt dit punt in het gesprek met de commissaris van de Koningin aan de orde. Wat gaat u doen? Kunt u uw woning kwijt? Hoe gaat u dat aanpakken? Zelfs in het gesprek dat ik met hem heb, check ik of dat punt aan de orde is geweest.

De heer Schinkelshoek (CDA): Ik heb nog een vraag over de tijdelijke regeling. Begrijp ik het goed dat alle problemen met zittende burgemeesters daarmee verholpen zijn of worden? Ik begrijp verder de datum van 1 juni 2009 niet goed.

Minister Ter Horst: Wij hebben die datum van 1 juni 2009 gekozen, omdat dat de meest redelijke datum was, omdat op dat moment duidelijk was dat dubbele woonlasten een bestuurlijk ongewenste situatie vormden. Rond die datum was het de nieuwe instroom van burgemeesters intussen ook duidelijk dat dubbele woonlasten een risico vormden voor de vervulling van het ambt. Met andere woorden, iedereen die daarna is aangesteld, had kunnen weten dat hij dubbele woonlasten moest voorkomen. Dat was de reden om voor die datum te kiezen.

Worden daarmee alle problemen opgelost? Ik weet niet of alle problemen worden opgelost, maar wij hebben wel geprobeerd om zo veel als mogelijk de problemen van burgemeesters met dubbele woonlasten op te lossen.

Wie gaat er over gedoe bij woonkosten, zoals in Den Helder? In Den Helder ging het niet meer zozeer over de woonkosten, maar meer over de wijze waarop daarmee om was gegaan. Dat leidde tot een bestuurlijk geschil. De CdK heeft daarin opgetreden. Zo zie ik ook de rol van de CdK’s. Als er een bestuurlijk conflict is, moet de CdK poolshoogte nemen en proberen de kwestie op te lossen. Ik denk wel dat het van groot belang is om duidelijk te maken dat de commissaris van de Koningin dat niet als een hobby doet, maar dat hij dat doet namens de minister. Dat is ook de reden om het in de ambtsinstructie op te nemen.

De heer Van Raak (SP): Dat snap ik wel, maar vervolgens wil je als volksvertegenwoordiger wel controleren of die commissaris zijn werk goed heeft gedaan. Onze volksvertegenwoordigers in de provincie kregen nogal hooghartig van de commissaris te horen: dan moet u niet bij mij zijn, want dat is aan de minister.

De voorzitter: Dat hebt u in eerste termijn ook al gezegd, mijnheer Van Raak.

De heer Van Raak (SP): Ja, maar heb ik nog geen antwoord op gekregen.

Minister Ter Horst: Ik heb de indruk dat de meeste bestuurlijke problemen in Nederland redelijk in de openbaarheid worden bediscussieerd. Dat het mogelijk is dat een element in deze zaak nog niet publiek is geworden, waag ik te betwijfelen. Als een burgemeester iets doet als rijksorgaan, dan hoort degene die daartoe de opdracht heeft gegeven dat ook te bespreken. Uit het aantal schriftelijke vragen dat ik over dit soort onderwerpen krijg, krijg ik ook de indruk dat de Kamer goed weet dat het bij mij thuishoort.

Dan is er nog gevraagd of ik de CdK als rijksorgaan ook een rol wil geven bij de integriteitsproblemen. Ja, dat wil ik zeker. Mij is opgevallen dat als er een vermeend integriteitsprobleem is in een gemeente en die gemeente daar zelf niets aan doet, nu nog niet is geregeld dat iemand anders dat wel kan doen. Ik heb daarom gezegd dat ik wil regelen dat of de commissaris van de Koningin of de minister bij gemeenten waarvan wij de indruk hebben dat er onvoldoende wordt opgetreden, die rol over kan nemen. Ik denk dat wij dat trapsgewijs moeten doen. De commissaris van de Koningin krijgt dan de bevoegdheid om in gemeenten waar sprake is van integriteitsproblemen, waar naar zijn mening onvoldoende aan wordt gedaan, in de plaats te treden van die gemeente en in te grijpen. De minister zou dat moeten kunnen doen als die situatie zich voordoet in een provincie, of als de minister van mening is dat de commissaris van de Koningin ten onrechte niet ingrijpt in een gemeente. Ik wil dus de «lekken» die nu nog in het systeem zitten, dichten. Daar kunt u voorstellen voor verwachten.

Ik ben het ermee eens dat wij kritisch moeten blijven als het gaat om waarnemingen. De heer Heijnen heeft hierover gezegd dat alleen een aanwijzing dat er een ARHI-procedure komt, te vaag is en dat eerst duidelijk moet zijn wanneer die ARHI-procedure wordt gestart. Ik ben bereid om daarnaar te kijken. Die termijn van 60 maanden die is genoemd, heeft overigens niet alleen te maken met de gemeenten of de commissarissen van de Koningin, maar ook met de tijd – laat ik het neutraal formuleren – die hier in Den Haag wordt genomen om tot besluiten te komen over de beëindiging van ARHI-procedures, dus over het samengaan van gemeenten.

Verder is gevraagd of herindeling een rijkstaak van de CdK is. Nee, de provincie heeft een rol bij gemeentelijke herindelingen. Dat is geregeld in de Wet-ARHI. De CdK handelt hier dus als lid van het provinciebestuur en niet in het kader van de rijkstaak die hij heeft.

De voortgangsrapportages van de CdK zijn niet openbaar, omdat het gaat om de verantwoording die de CdK als rijksorgaan aflegt aan de minister. Het zijn dus interbestuurlijke voortgangsrapportages en die zijn niet bedoeld voor openbaarmaking. Ik zou dat ook zeer betreuren, omdat ik nu juist wil dat de commissarissen zich in alle vrijheid kunnen uitspreken. Ik wil namelijk een goed beeld hebben van wat er in de provincie gebeurt en met name van wat er in de gemeenten gebeurt. Overigens wordt over een aantal onderwerpen die aan de orde komen in de voortgangsrapportage, regelmatig door de pers gepubliceerd. Dus in die zin kunnen wij daar allemaal kennis van nemen.

De voorzitter: Dit was het antwoord van de minister in eerste termijn. Wij gaan nu over naar de tweede termijn.

De heer Schinkelshoek (CDA): Voorzitter. Ik wil de minister bedanken voor haar reactie. Ik denk dat gebleken is dat wij het in hoofdlijnen eens zijn over zowel de benoemings- als de herbenoemingsprocedure. Ik wil niet over doen wat er in eerste termijn is gezegd, maar ik heb genoteerd dat de minister onbevangen gaat kijken naar de nadelen van dit systeem, dat inderdaad is ingekaderd door de politieke afspraken in het regeerakkoord.

Wij zijn het ook grotendeels eens over de periode van achttien jaar. Ik heb ook niet gepleit voor een soort stolling en heb niet gezegd: blijf maar zitten. Ik heb wel twijfels over twaalf jaar, maar toch moeten wij meer doorstroming bevorderen. Dat moeten wij van onze kant ook mogelijk maken. Ik onderstreep dat graag.

Ik ben blij met de kloeke en voortvarende aanpak van de huisvestingproblemen. Ik heb nog wel een vraagje over de tijdelijke regeling. Mag ik ervan uitgaan dat als zou blijken dat zittende burgemeesters nog in de problemen komen, de minister daar onbevangen naar zal kijken?

Over de ARHI-procedure en het benoemen van waarnemers nog het volgende. Ik onderstreep de opmerking van collega Heijnen. Vuistregel moet zijn: geen waarnemers benoemen voordat de echte procedure wordt opgestart. Ik heb begrepen dat de minister het ook zo interpreteert.

De heer Van Beek (VVD): Voorzitter. Ik dank de minister voor haar uitgebreide en heldere antwoord. Ik ben blij met het feit dat de dubbele woonlastenproblematiek wordt opgelost. Ik zie met heel veel belangstelling de definitieve regeling tegemoet. Ik zal dan aan de hand van aan aantal voorbeelden goed kijken of het allemaal klopt. Ik ben echter heel blij dat het probleem weg is.

Als het gaat om de benoemingsprocedure heb ik het gevoel dat wij elkaar ook gevonden hebben. Wij steunen de minister als het gaat om de wenselijkheid dat mensen na een bepaalde periode in beweging komen. Dat kan per persoon, per gemeente en per omgeving verschillend zijn. Maar de minister is ons tegemoet gekomen als het erom gaat dat wij niet rigide op een bepaald aantal jaren moeten gaan zitten. Dat zou ik namelijk heel jammer vinden.

Ik ben nog wel benieuwd wanneer de minister met al haar voorstellen denkt te komen.

De heer Heijnen (PvdA): Voorzitter. Ik zie uit naar de uitwerking van de toezegging van de minister om te bevorderen dat er meer vrouwen worden benoemd, met inachtneming van de benoemingsvoordracht door de raad. Dan is er nog heel veel mogelijk. Ik zie echt uit naar die voorstellen.

Als het gaat om de waarnemingen in Zuid-Holland is het te gemakkelijk om te wijzen naar de CdK of naar de Kamer. Feit is dat in Moordrecht en Reeuwijk 60 maanden of meer sprake is geweest van een waarnemer. Dat willen wij niet meer. Regelt u dat alstublieft.

Wij regelen nu dat de CdK een rijksorgaan wordt. Hij legt verantwoording af over die taak, niet aan provinciale staten maar aan de minister. Wij moeten de minister daar in voorkomende gevallen op kunnen controleren. Zo werkt het systeem hier. Ik kan mij voorstellen dat er elementen in die verantwoording zitten die vertrouwelijk moeten zijn, maar het lijkt mij dat het in overwegende mate een openbare verantwoording moeten kunnen zijn, zij het geabstraheerd. De minister schrijft ook niet dat het een gesloten rapportage zal zijn; zij schrijft: het behoeft geen openbare rapportage te zijn. Ik denk dat iedereen in huis van mening is: alles wat openbaar kan, openbaar.

De heer Van Raak (SP): Goede burgemeesters mogen langer dan achttien jaar blijven. Dat is fijn. Ik zie wel wat in een plicht voor slechte burgemeesters om binnen achttien dagen op te stappen. De minister wil een signaal geven. Is dat signaal hiermee gegeven? Ik weet namelijk niet precies wat zij gaat doen. Gaat ze nu wel of niet een richtlijn opstellen? Wat gaat zij met die achttien jaar doen? Volgens mij zit niemand erop te wachten om te verplichten dat iemand na achttien jaar weg moet gaan. Heeft de minister nu haar signaal gegeven of gaat zij nog meer doen?

Wat betreft de huisvesting ben ik erg blij dat de minister zegt dat je een ambtswoning niet moet zien in steen, maar in een voorziening en dat dat ook heel goed een huurwoning kan zijn. Dat laatste lijkt mij de beste oplossing, want dat is het meest flexibel. Ik heb nog wel een vraag over die tijdelijke voorziening in het eerste jaar, een hotel, reiskostenvergoeding of een pied-à-terre. Een burgemeester moet in de gemeente zitten, maar ik vind dat leraren en zeker politieagenten ook in de gemeente moeten zitten en thuiszorgers misschien ook wel. Krijgen zij ook zo’n mooie regeling als burgemeesters?

Minister Ter Horst: Voorzitter. De heer Schinkelshoek heeft gevraagd of, als er nog een burgemeester is die niet valt onder de tijdelijke regeling, maar die wel in de problemen zit, ik daar onbevangen naar wil kijken. Het antwoord daarop is «ja».

Over het element van geen waarnemer als de ARHI-procedure nog niet is opgestart, wil ik het volgende zeggen. Ik hoop dat u zich daar ook in kunt vinden. De vacature zal niet worden opengesteld voor de start van de ARHI-procedure, maar alleen als de gemeente zich daar niet tegen verzet. Wij draaien het dan dus om.

De heer Van Beek heeft gevraagd, de definitieve regeling naar de Kamer te sturen. Uiteraard krijgt de Kamer die. De termijn waarop de voorstellen komen, wordt mij nu aangereikt. Wij moeten eerst de Provinciewet aanpassen. De tijdelijke regeling voor de dubbele woonlasten gaat niet via die wet en kan dus eerder komen. De circulaire en de ambtsinstructie staat allemaal in de Provinciewet?

De heer Vos (ambtenaar): Een aantal dingen moeten eerst in de Provinciewet worden vastgelegd om ze in de ambtsinstructie een plek te kunnen geven. Wij hebben dus te maken met die volgtijdelijkheid en daarom duurt het nog even.

Minister Ter Horst: Wij proberen het echter wel zo snel mogelijk te doen, want wij moeten wel een beetje tempo maken. Gelukkig wordt in de praktijk al een beetje in die richting gewerkt.

De PvdA vroeg om die delen van de rapportages van de CdK’s die openbaar kunnen, naar de Kamer te sturen. Daar wil ik nog even naar kijken. Ik wil eerst kijken of wat in die rapportages staat van dien aard is dat het zeer relevant is voor mij. Als dat geldt voor alles kan ik ze niet openbaar maken. Ik hoor echter de wens van de Kamer op dit punt. De CdK’s maken overigens al een openbaar jaarverslag over alle dingen die ze doen. Dat is echter wat anders dan die verantwoordingsrapporten. Die rapporten worden gemaakt in het kader van een verantwoordingsgesprek met mij. Ik moet daarom even kijken of dat echt voor openbaarheid in aanmerking komt en of niet de relatie tussen – werkgever en werknemer is hier niet van toepassing – CdK en minister aan de orde is. Ik zal daar dus naar kijken en ik zal de Kamer dat laten weten.

De SP vroeg of ik het signaal heb gegeven. Het is belangrijk dat ik het met het Nederlands Genootschap van Burgemeesters, de bonden en de commissarissen van de Koningin heb besproken en dat ik met hen op één lijn zit. Zij zijn namelijk degenen die ervoor moeten zorgen dat de beweging die wij willen maken, ook gemaakt kan worden. Ik heb al gezegd dat ik heb gehoord wat de Kamer heeft gezegd over wettelijke verankering daarvan.

Ik ben het laatste punt van de heer Van Raak over de tijdelijke voorziening even kwijt.

De heer Van Raak (SP): Die ging over de dubbele woonlasten. De burgemeesters zijn niet de enigen met dubbele woonlasten. Krijgen andere mensen ook zo’n mooie regeling?

Minister Ter Horst: Dat zouden ze misschien wel willen, maar zoals u weet, is er bij de burgemeesters sprake van een woonplaatsvereiste en dat geldt voor die andere beroepsgroepen die u noemde niet. U had dit antwoord zelf ook kunnen bedenken.

De voorzitter: Ik heb drie dingen genoteerd. De Kamer ontvangt voorstellen om de commissaris van de Koningin en/of de minister van BZK middelen te verschaffen om in te grijpen in geval van integriteitsproblemen. Klopt dat?

Minister Ter Horst: Ja.

De voorzitter: Kunt u ook zeggen wanneer?

De heer Vos (ambtenaar): Dat volgt hetzelfde traject dat ik zojuist toelichtte. Dus eerst Provinciewet en dan ambtsinstructie. Het komt binnen een half jaar in de Kamer.

De voorzitter: Akkoord.

De benoeming van waarnemers in geval van een ARHI-procedure wordt nader beschouwd en de Kamer wordt daarover geïnformeerd. Wanneer kan de Kamer dat tegemoet zien?

De heer Vos (ambtenaar): Ik denk op heel korte termijn.

De voorzitter: Ik zie dat de leden daarmee kunnen leven. Daar komt u goed mee weg.

Dan heb ik nog genoteerd dat de Kamer wordt geïnformeerd over de wijze waarop de Kamer precies wordt geïnformeerd over de gesprekken met de commissarissen van de Koningin. Daar kwam het ongeveer op neer. Dat is helder?

Minister Ter Horst: Ja, dat is ons helemaal helder.

De voorzitter: Op korte termijn, voeg ik daaraan toe.

Minister Ter Horst: Ja, dat kan ook op korte termijn.

De voorzitter: Dan dank ik de minister hartelijk voor haar aanwezigheid in ons midden en voor de gegeven antwoorden. Verder dank ik de haar vergezellende ambtenaren, iedereen op de publieke tribune en de leden voor hun inbreng.


XNoot
1

Samenstelling:

Leden: Van Beek (VVD), Halsema (GroenLinks), Van der Staaij (SGP), De Pater-van der Meer (CDA), Van Bochove (CDA), Gerkens (SP), Sterk (CDA), Leerdam (PvdA), voorzitter, De Krom (VVD), ondervoorzitter, Griffith (VVD), Boelhouwer (PvdA), Algra (CDA)Irrgang (SP), Kalma (PvdA), Schinkelshoek (CDA), Van der Burg (VVD), Brinkman (PVV), Pechtold (D66), Van Raak (SP), Thieme (PvdD), Kuiken (PvdA), Leijten (SP), Heijnen (PvdA), Bilder (CDA) en Anker (ChristenUnie).

Plv. leden: Teeven (VVD), Van der Vlies (SGP),Joldersma (CDA) Smilde (CDA), Polderman (SP), Spies (CDA), Wolbert (PvdA), Aptroot (VVD), Zijlstra (VVD), Vermeij (PvdA), Van Gerven (SP), Heerts (PvdA), Çörüz (CDA), Remkes (VVD), De Roon (PVV), Van der Ham (D66), Van Bommel (SP), Ouwehand (PvdD), Timmer (PvdA), De Wit (SP), Kraneveldt-van der Veen (PvdA), Van Haersma Buma (CDA), Cramer (ChristenUnie) en Knops (CDA).

Naar boven