Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2009-201032123-VI nr. 91

32 123 VI Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Justitie (VI) voor het jaar 2010

Nr. 91 BRIEF VAN DE MINISTERS VOOR JEUGD EN GEZIN EN VAN JUSTITIE

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 31 maart 2010

In aansluiting op het debat tijdens het vragenuur van 23 maart j.l. (Handelingen der Kamer II, vergaderjaar 2009–2010, nr. 66, blz. 5750–5754) over de verantwoordelijkheid van de kinderbescherming bij meldingen van seksueel misbruik door pupillen van de kinderbescherming die geplaatst waren in rooms-katholieke internaten, herhalen wij, op uw verzoek, dat aan uw Kamer de volgende toezeggingen zijn gedaan.

Toezegging 1

Mochten er naar aanleiding van de berichten over seksueel misbruik in rooms-katholieke instellingen bij organisaties, zoals bijvoorbeeld de Stichting Korrelatie zó veel meldingen binnenkomen dat voor de verwerking daarvan extra capaciteit nodig is, dan zal bezien worden welke stappen hiervoor nodig zijn.

Toezegging 2

De verjaringstermijn voor zaken van seksueel misbruik van minderjarigen zal nader worden bezien. Hierover kunnen wij het volgende melden.

In antwoord op schriftelijke vragen van het lid Arib (PvdA) heeft de tweede ondergetekende reeds aangegeven dat hij met een aanpassing van de verjaringstermijnen voor ernstige zedenmisdrijven komt. Daarbij hebben de volgende overwegingen een rol gespeeld.

Uit het in de bijlage 1 1) beschreven verjaringsregime volgt dat de strafwetgever het van belang heeft geacht dat ernstige zedenmisdrijven, met name die gepleegd tegen minderjarige slachtoffers, ook lange tijd nadat zij zijn gepleegd nog tot een strafvervolging kunnen leiden. De berichtgeving van de afgelopen weken over seksueel misbruik van minderjarigen heeft laten zien dat er soms decennia voorbij gaan alvorens slachtoffers van zedenmisdrijven het in hun vroege jeugd opgelopen trauma hebben verwerkt en met de ervaringen uit hun jeugd naar buiten durven te treden. Veelal kan pas dan het slachtoffer een afgewogen beslissing nemen over het doen van aangifte tegen de dader.

Wij achten het van belang om er voor toekomstige gevallen in te voorzien dat zulke slachtoffers van ernstige zedenmisdrijven te allen tijden zijn verzekerd van de mogelijkheid tot het doen van aangifte. Vastgesteld moet worden dat de huidige regeling van de verjaringstermijn daarin voor dit soort gevallen niet voorziet. Om die reden zien wij aanleiding om te kiezen voor de opheffing van de verjaringstermijn bij ernstige zedenmisdrijven begaan tegen minderjarige slachtoffers. De tweede ondergetekende zal een daartoe strekkend wetsvoorstel laten voorbereiden.

Toezegging 3

De minister voor Jeugd en Gezin zal de heer Deetman vragen of, en zo ja op welke wijze, de kwestie van kinderen die op basis van een kinderbeschermingsmaatregel zijn geplaatst in instellingen van rooms-katholieke signatuur, zal worden betrokken in zijn opzet voor het onderzoek naar aanleiding van de berichten over seksueel misbruik in de jaren 1950 – 1960 in deze instellingen. De heer Deetman is op 23 maart 2010 schriftelijk verzocht om hierover met ons van gedachten te wisselen.

Het gesprek met hem heeft intussen plaatsgevonden. In dat gesprek is duidelijk geworden dat gevallen van seksueel misbruik van kinderbeschermingspupillen in internaten van rooms-katholieke signatuur onderdeel zullen zijn van zijn onderzoeksopzet. Het onderzoek van de heer Deetman zal niet ingaan op eventuele meldingen van misbruik bij de Raad voor de Kinderbescherming, noch op de wijze waarop met die meldingen is omgegaan en, uiteraard evenmin op plaatsingen in andere internaten.

Op basis van de thans aan ons bekende informatie zullen wij een onderzoek instellen naar signalen van (seksueel) misbruik van kinderen die onder verantwoordelijkheid van de overheid zijn geplaatst in rijksjeugdinrichtingen of particuliere jeugdinrichtingen, waarbij tevens wordt onderzocht of destijds signalen van vermeend misbruik bekend waren bij overheidsinstanties en zo ja hoe de overheidsinstantie is omgegaan met dergelijke signalen.

Voorts zal een inventarisatie worden gemaakt van (het functioneren van) de huidige mechanismen voor signalering van (seksueel) misbruik van kinderen.

Over de precieze opzet en inrichting van het onderzoek, alsmede de afbakening met strafrechtelijke onderzoeken zullen wij u zo spoedig mogelijk informeren. Leidend zal voor ons zijn dat het onderzoek voldoet aan de randvoorwaarden zoals neergelegd in de jurisprudentie van het EHRM.

Toezegging 4

Er komt een juridische beschouwing over de gevolgen voor de aansprakelijkheid van de overheid in die gevallen waarin de overheid steken heeft laten vallen t.o.v. slachtoffers van seksueel misbruik. Daarover kunnen wij u het volgende mededelen.

Een algemene uiteenzetting over de aansprakelijkheid van de overheid onder het EVRM treft u aan in bijlage 2. 1) Voor algemene informatie over de civielrechtelijke overheidsaansprakelijkheid verwijzen wij u naar het onderzoek van mr. C.C. van Dam (Aansprakelijkheid van toezichthouders. Een analyse van de aansprakelijkheidsrisico’s voor toezichthouders wegens inadequaat handhavingstoezicht en enige aanbevelingen voor toekomstig beleid). Zoals de eerste ondergetekende tijdens het vragenuur van 23 maart j.l. al aangaf, staan wij nu nog aan het begin van de onderzoeken. Een juridische beschouwing van mogelijke overheidsaansprakelijkheid kan pas worden gegeven als de bovengenoemde onderzoeken naar seksueel misbruik van minderjarigen zijn afgerond.

De minister voor Jeugd en Gezin

A. Rouvoet

De minister van Justitie

E. M. H. Hirsch Ballin