Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2009-201032123-VI nr. 14

32 123 VI
Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Justitie (VI) voor het jaar 2010

nr. 14
VERSLAG VAN EEN ALGEMEEN OVERLEG

Vastgesteld 2 november 2009

De vaste commissie voor Justitie1 heeft op 29 september 2009 overleg gevoerd met minister Hirsch Ballin van Justitie over:

– de brief van de staatssecretaris van Justitie d.d. 16 juni 2009 over Evaluatie (super)snelrecht jaarwisseling (31 700-VI, nr. 144).

Van dit overleg brengt de commissie bijgaand stenografisch verslag uit.

De voorzitter van de vaste commissie voor Justitie,

De Pater-van der Meer

De griffier van de vaste commissie voor Justitie,

Nava

Voorzitter: Kuiken Griffier: Puts

Aanwezig zijn vijf leden der Kamer, te weten: Çörüz, Kuiken, Roemer, De Roon en Teeven,

en minister Hirsch Ballin van Justitie, die vergezeld is van enkele ambtenaren van zijn ministerie.

De voorzitter: Goedemiddag. Ik verwacht de heer De Roon van de PVV nog. Gelet op de drukke agenda’s en het feit dat er vanavond nog een algemeen overleg is, stel ik echter voor dat wij gaan beginnen. Wij hebben een algemeen overleg over de evaluatie van het (super)snelrecht. Er is een spreektijd van vijf minuten.

De heer Teeven (VVD): Voorzitter. Vandaag spreken wij over de uitvoering van de moties van de leden Heerts en Teeven en Rutte ingediend tijdens de algemeen politieke beschouwingen van vorig jaar. Het is goed dat wij nog eens kijken hoe het gegaan is. Ik denk dat de regering heeft gekozen voor een goede aanpak. Dat is ook gebleken. In een aantal arrondissementen hebben supersnelrechtzittingen plaatsgevonden. In alle arrondissementen heeft waar het nodig was tijdens de jaarwisseling ook het snelrecht plaatsgevonden. Dat is winst. Daar had men in een aantal arrondissementen weinig of geen ervaring mee, maar het bleek toch mogelijk om het ook daar te doen. De cijfers zijn goed te noemen: 94 snelrechtzaken en 33 supersnelrechtzaken. Wel zijn er kanttekeningen gemaakt bij het supersnelrecht. Het moeten snelle, goed behapbare en bewijsklare zaken zijn. Daar heb ik dus niet zo veel opmerkingen over. Alle lof voor de wijze waarop het uiteindelijk is ingevoerd.

Ik heb nog wel een aantal vragen en twee kritische punten. Allereerst is er de verduidelijking van de menukaart. Het College van procureurs-generaal schrijft daarover in de brief die wij in het dossier hebben aangetroffen. Op die menukaart komen de strafbare feiten die van belang zijn bij snelrecht. Welke feiten lenen zich bij uitstek voor snelrecht? Wanneer kan de Kamer de verduidelijking van die menukaart tegemoet zien?

In een vorig algemeen overleg heb ik een punt aan de orde gesteld dat de minister weliswaar aansnijdt in de brief, maar waar hij eigenlijk niet op reageert. Stel dat je de hoofdzaak bewijstechnisch afdoet via supersnelrecht of snelrecht. Is het dan mogelijk om daarna een aparte procedure te volgen als een slachtofferclaim te ingewikkeld is? Uit wat de minister daarover schrijft, blijkt niet of hij het zo gaat doen en wat de redenen zijn om het te doen. Ik kan mij voorstellen dat zo’n slachtofferclaim uiteindelijk de reden is om een zaak niet in het supersnelrecht of het snelrecht te behandelen, hoewel het College en de Raad voor de rechtspraak daar niet zo pessimistisch over zijn. Wat wil de minister met dat voorstel van mijn fractie? Wil hij zo’n aparte procedure absoluut niet of voelt hij er wel wat voor?

Het meest belangrijke punt in de discussie over de evaluatie van het supersnelrecht en het snelrecht is de mogelijkheid van voorlopige hechtenis in artikel 67 Wetboek van Strafvordering. Als iemand geen vaste woon- of verblijfplaats heeft of als het onderzoek niet is afgerond, dan is voorlopige hechtenis mogelijk in de zin van artikel 67. Daar kan geen misverstand over bestaan. Er kan ook geen misverstand over bestaan dat het bepaalde feiten betreft rondom de vierjaarsgrond. Het College van procureurs-generaal heeft nu tot twee keer toe iets anders gevraagd aan de minister, waar hij niet op ingaat, als ik de brief goed heb gelezen. Het gaat om het toevoegen van een dagvaarding voor een supersnelrechtzitting of een snelrechtzitting als grond voor voorlopige hechtenis.

De minister wijst erop dat er wel een aantal problemen is ontstaan, maar dat vindt hij op zichzelf geen reden voor het aanpassen van de wet. Ik denk dat het wel kan in de zaken waarvan het onderzoek na twee dagen helemaal klaar is. Ik zou me dat bijvoorbeeld kunnen voorstellen bij het mishandelen van een politieman. Er ligt dan een proces-verbaal van de betreffende politieman en dat is op zichzelf al voldoende bewijs. Er hoeft niet meer zoveel bij te komen. Als de dader bekent, is het onderzoek afgerond. Als de verdachte een vaste woon- en verblijfplaats heeft en niet meer heeft gedaan, is er eigenlijk geen grond meer voor voorlopige hechtenis.

Ik nodig de minister uit om in te gaan op de vraag waarom hij zich verzet tegen het opnemen van het enkele feit dat iemand wordt gedagvaard voor supersnelrecht of snelrecht als grond voor de voorlopige hechtenis. Als je dat doet, hoef je ook niet te denken aan de oneigenlijke constructie die politie en Openbaar Ministerie nu moeten volgen met de verlenging van de inverzekeringstelling. Soms is er helemaal geen grond om de inverzekeringstelling na drie dagen te verlengen, om de doodeenvoudige reden dat de verdachte heeft bekend, een vaste woon- en verblijfplaats heeft en het onderzoek is afgerond. Dan moet iemand gewoon op vrije voeten gesteld worden. Tegen dat probleem loop je dan aan. Dit punt is blijven hangen in alle discussies, vorig jaar al en nu weer naar aanleiding van de beantwoording van de brief van de minister. Waarom wil de minister die weg niet op?

De heer Çörüz (CDA): Voorzitter. Laat ik beginnen met een compliment. Het is een prima resultaat voor het OM en de rechtbanken. In het AO van december stonden de neuzen niet altijd dezelfde kant op. Ik ben blij dat de belangrijke spelers en niet te vergeten de politie in de afgelopen maanden toch nut, noodzaak en toegevoegde waarde van supersnelrecht dan wel snelrecht hebben ingezien. Dat doet ons deugd. Jongeren en volwassenen kijken met name naar de pakkans. Dan is het heel goed dat er met supersnelrecht en snelrecht sprake is van een lik-op-stukbeleid. Die aanpak steunen wij en daar zien wij ook graag een uitbreiding van. Daarbij denken wij niet alleen aan Oud en Nieuw, maar ook aan allerlei festiviteiten zoals in Hoek van Holland. Het moet integraal gebeuren. Snelrecht of supersnelrecht alleen is niet afdoende. Zaken als een straatverbod, een avondklok of een omgangsverbod kunnen samen met een lik-op-stukbeleid, zijnde supersnelrecht en snelrecht, die integrale aanpak realiseren.

Na deze lovende woorden rest mij nog wel een aantal kritische vragen. Wie is nu verantwoordelijk bij de PG’s? Hebben wij een verantwoordelijke PG die belast is met supersnelrecht en snelrecht? Hoe is dat lokaal geregeld? De aanpak in de lokale driehoek vinden wij goed, maar die moet niet vrijblijvend zijn. Wij zouden ook graag zien dat wij bij OM en rechtbank iemand verantwoordelijk maken voor de implementatie en de uitvoering van supersnelrecht en snelrecht. Juist omdat wij van die vrijblijvendheid af willen, mag het wat ons betreft in de prestatieafspraken tussen OM en rechtbanken terugkomen. Het is goed dat wij zijn begonnen. Werkendeweg gaat het steeds beter, maar het zou minder die vrijblijvendheid moeten hebben. Het zou daadwerkelijk moeten terugkomen in de prestatieafspraken tussen de organisaties.

De heer Teeven (VVD): Wil de heer Çörüz die bevoegdheid, dat taakaccent, bij het OM op het niveau van het College van procureurs-generaal leggen? Of wil hij dat in de regio’s, de arrondissementen, laten? Dat is mij niet helemaal duidelijk. Ik denk dat het centraal moet, wil je dat lik-op-stukbeleid een beetje gestalte geven.

De heer Çörüz (CDA): Zeker dat laatste, maar het eerste ook. Het moet natuurlijk in die lokale driehoek. De «vrijblijvendheid» moet ervan af. Wij moeten iemand daarop kunnen aanspreken. Het moet ook op het niveau van het College van PG’s. Wie is nu belast met dit project? Bij met name het taakaccent zou ik ook namen en rugnummers willen hebben. Het is dusén, én.

Voorzitter. Dan ga ik in op een uitbreiding tot bijvoorbeeld zaken als paspoortfraude. Dat is vrij eenvoudig technisch te bewijzen. Er is geen benadeelde partij. De zaak is volgens mij snel op te lossen: het paspoort is vals of niet. Als de politie even doorpakt, kan er een supersnelrechtzitting plaatsvinden. Hetzelfde geldt voor bolletjesslikkers. De bolletjes in je maag komen er op een gegeven moment toch uit. Dat is geen poedersuiker. Volgens mij is het bewijstechnisch rechercheren daarvan niet al te ingewikkeld. Ook die zaken zouden wat ons betreft aan bod kunnen komen voor supersnelrecht dan wel snelrecht.

Bij het supersnelrecht is het van eminent belang dat de politie de processen-verbaal snel levert. Als de PV’s de derde dag aankomen, kun je niet meer spreken van supersnelrecht. In dat kader vinden wij elektronische dossiervorming wenselijk. Die moet goed van de grond komen. Wij kunnen hier lang en breed over supersnelrecht praten, maar dat moet elektronisch goed worden geïnitieerd.

In het vorige debat is er discussie ontstaan over de positie van Amsterdam. De vraag was of Amsterdam wel mee zou moeten doen. Volgens mij vonden wij toen allen dat Amsterdam moest meedoen in dat geheel. Ik kijk nog even terug en ik vraag mij af of dat daadwerkelijk het geval is. Ik dacht het wel, maar ik zou graag een bevestiging van de minister horen.

De heer Teeven (VVD): Ik hoor de heer Çörüz praten over het lik-op-stukbeleid dat hij voorstaat. Nu doet de minister iets niet waar het College van procureurs-generaal wel om vraagt. Het enkele dagvaarden voor een snelrecht- of een supersnelrechtzitting moet grond voor voorlopige hechtenis zijn. Anders is het volgens het college niet mogelijk om mensen vast te houden naar wie het onderzoek is afgerond, die geen veelpleger zijn en van wie bekend is waar ze wonen. Bent u er een voorstander van om dat dagvaarden voor supersnelrecht en snelrecht als een zelfstandige grond op te nemen voor voorlopige hechtenis?

De heer Çörüz (CDA): U gaf ook het voorbeeld van de politieman. Mijn collega Van Haersma Buma heeft vorige keer gezegd: laten wij daar in ieder geval over discussiëren. Ik heb nu de letterlijke tekst voor me. De minister zei toen: u begint aan de verkeerde kant. Ik geloof dat dit antwoord met name tot u was gericht. Stel dat de rechter-commissaris besluit om iemand niet langer vast te houden. Dan wil ik met de minister kijken of er redenen zijn om dat nog wel een tijdje te doen. Ik hoor graag de antwoorden van de minister. Wat is het argument om hier niet in mee te gaan? Het is voor mij ook nog niet helemaal duidelijk. Er zit een redelijkheid in de vraag die u net stelde in uw termijn, maar ik hoor graag van de minister wat hij daarvan vindt.

De heer Teeven (VVD): U hebt het dossier doorgelezen. U hebt het rapport van het OM bekeken. Daarin staat heel duidelijk dat het een probleem is voor het Openbaar Ministerie. In sommige situaties kunnen ze niet voorgeleiden aan de rechter-commissaris, omdat er geen grond is voor inbewaringstelling. U praat over een effectief lik-op-stukbeleid. Na een heel verhaal zegt u dat u graag hoort wat de minister daarover te zeggen heeft. De minister schrijft echter in de brief dat hij het niet doet. Hij vindt de enkele reden van problemen in de praktijk geen reden voor een wetswijziging. U hebt dus al een antwoord. Mijn vraag is wat u daarvan vindt. Voelt u ervoor om dat als zelfstandige grond op te nemen, zodat het OM die middelen wel krijgt?

De heer Çörüz (CDA): Nogmaals, ik wacht de argumentatie van de minister af, voordat wij in de fractie tot een standpuntbepaling komen. Er zit wel iets in wat u zegt, maar ik vind dat er ook wel iets zit in wat de minister zegt. Nogmaals, het gaat mij niet alleen om die situatie. In het palet van mogelijkheden willen wij supersnelrecht en snelrecht een plaats geven. Dit is meer een specificatie van dat stukje. Wij moeten het volgens mij zo organiseren dat het werkbaar is. Het moet materieel iets bijdragen en daadwerkelijk een toegevoegde waarde hebben. De minister geeft mijns inziens een adequaat antwoord. Hij beargumenteert zorgvuldig waarom hij daar niet voor voelt.

De heer Roemer (SP): Voorzitter. Ik kan mij aansluiten bij het betoog dat collega De Wit vorig jaar in december over dit onderwerp heeft gehouden. Wij zijn nu een jaar verder. Men zal het dan ook niet vreemd vinden dat mijn betoog in dezelfde lijn wordt voortgezet. Wij vinden het waar mogelijk toepassen van het lik-op-stukbeleid belangrijk. Het uitgangspunt is dat snel straffen het lerend effect van de straf vergroot. Daarmee benadruk ik dus vooral dat «waar mogelijk». Snelheid mag namelijk nooit ten koste gaan van zorgvuldigheid. Als het supersnelrecht iets kan toevoegen aan de ter beschikking staande mogelijkheden, dan verdient dat naar mijn mening een kans.

Daarmee kom ik op de evaluatie die wij hebben mogen ontvangen en de reactie van de minister daarop. In het verslag van het College van procureurs-generaal staat dat er rond de jaarwisseling 33 zaken zijn afgehandeld via het supersnelrecht. Dat heb ik met interesse gelezen, maar ik vraag me af of dat een succes te noemen is. Dat hangt natuurlijk af van de normen die je daarvoor wilt hanteren. Ik weet niet wat de gevoelens van de minister zijn – die hoor ik dadelijk graag – maar het aantal komt op mij mager over. Wat zou er gebeurd zijn als deze zaken via het gewone snelrecht waren afgehandeld? Zou dat voor de uitkomst een wezenlijk verschil hebben gemaakt?

Ik lees dat een aantal parketten de te leveren inspanningen niet vindt opwegen tegen de resultaten. Zij zijn daarom kritisch. Supersnelrecht vraagt natuurlijk een aanzienlijke inspanning, zowel in de voorbereiding als in de uitvoering. Gelet op de grote inzet die rond de jaarwisseling en rond grote evenementen wordt gevraagd van politie, justitie en rechterlijke macht, is de vraag gerechtvaardigd wat supersnelrecht toevoegt aan het snelrecht. Het is daarom goed dat wij er in de praktijk ervaring mee opdoen en dat wij daarbij stilstaan. De toepassing van supersnelrecht kan een goede aanvulling zijn op de bestaande mogelijkheden, maar uit de evaluatie blijkt dat het zeker geen wondermiddel is. In hoeverre gaat van supersnelrecht een extra preventieve werking uit? Heeft dat niet alleen een symbolische waarde? Hoeveel afschrikwekkender is supersnelrecht eigenlijk ten opzichte van gewoon snelrecht?

Zoals wij in het algemeen overleg in december hebben aangegeven, moeten de zaken zich wel voor supersnelrecht lenen. Dat betekent dat de bewijslast eenvoudig moet zijn en dat de advocaat op het juiste moment over de benodigde informatie moet beschikken. Het geeft te denken dat geweld tegen publieke gezagsdragers, anders dan de politie, zich niet leent voor afdoening met supersnelrecht, zoals uit de reacties blijkt. Dan moeten wij helaas constateren dat supersnelrecht niet werkt waar wij het juist het meest zouden willen. Ik krijg graag een reactie van de minister.

Ik denk dat wij kunnen concluderen dat wij in ieder geval bij berechting via supersnelrecht terecht kunnen spreken van oefening baart kunst. Het College van procureurs-generaal zal de opgedane ervaringen dan ook gebruiken om duidelijker in kaart te brengen wanneer berechting via supersnelrecht de aangewezen weg is. Concluderend merk ik op dat supersnelrecht iets zal kunnen worden waar in de praktijk ieder parket en gerecht mee zal moeten kunnen werken, wanneer zich situaties voordoen die zich daarvoor lenen. Dat betekent niet dat wij het tegen beter weten in moeten willen toepassen, louter en alleen omdat de mogelijkheid er is. Het uitgangspunt moet zijn dat wij supersnelrecht toepassen waar het mogelijk en effectief is. Ook langs een andere weg moet het uitgangspunt zijn dat berechting en bestraffing snel plaatsvinden. Zoveel mogelijk lik-op-stukbeleid dus.

De heer De Roon (PVV): Voorzitter. De minister van Justitie heeft vorig jaar in de brief van 10 oktober 2008 aangegeven dat hij naar aanleiding van de motie-Teeven/Heerts was nagegaan welke mogelijkheden er zijn voor toepassing van snelrecht en supersnelrecht en of invoering van supersnelrechtzittingen op avonden en in weekenden een toegevoegde waarde zou kunnen hebben. De minister kwam toen tot de conclusie dat bij geen van de rechtbanken ’s avonds en in het weekend dergelijke zittingen plaatsvonden en dat daar volgens de Raad voor de rechtspraak ook geen enkele noodzaak voor bestond, omdat strafzaken goed binnen de termijn van inverzekeringstelling en inbewaringstelling konden worden afgedaan. Nu is naar aanleiding van de evaluatie van de laatste jaarwisseling gebleken dat rechters met hun duimen hebben zitten draaien, omdat Oud en Nieuw op een donderdag viel en het weekend een snelle afhandeling in de weg zat. Dat stond ook in krantenberichten, bijvoorbeeld in het Algemeen Dagblad. Dat duidt er toch op dat het misschien wel degelijk zinvol is om in de weekenden snelrecht- en supersnelrechtzittingen te laten plaatsvinden. Ik krijg graag een reactie van de minister.

Daarnaast is de PVV van mening dat het bereik van het supersnelrecht moet worden uitgebreid door de criteria voor voorlopige hechtenis aan te passen. Die wens heeft het College van procureurs-generaal in het verleden geuit. Dat is bepleit omdat uit de evaluatie terughoudendheid is gebleken met betrekking tot het toepassen van snelrecht in sommige gevallen, bijvoorbeeld omdat de grond voor voortzetting van inverzekeringstelling ontbrak. Zo kom je inderdaad nooit tot resultaten. Ik denk dus met de heer Teeven dat een uitbreiding van de gronden voor voorlopige hechtenis bij supersnelrecht wel degelijk een goede zet zou kunnen zijn.

De minister is voor de invoering van snelrecht in alle arrondissementen en van supersnelrecht alleen in de vier grote arrondissementen. Wij denken dat het goed is om supersnelrecht in alle arrondissementen in te voeren, zeker gezien het feit dat de uitkomsten van deze evaluatie zich volgens de minister nadrukkelijk lenen voor de toepassing bij andere evenementen dan de jaarwisseling. Deze maand nota bene heeft de gemeente Nijmegen een dansfeest verboden vanwege vechtpartijen die een eind maakten aan een ander dansfestival nabij dezelfde locatie. Daarnaast gaan er geluiden op om het voorbereiden van rellen, bijvoorbeeld door hooligans, strafbaar te maken. Wil de minister ook dat via het supersnelrecht of het snelrecht laten berechten? Stel dat het supersnelrecht ook wordt toegepast bij andere evenementen dan de jaarwisseling en de voorbereiding van rellen wellicht ook strafbaar wordt. Komt er dan ook meer aanbod van zaken die in snelrecht of supersnelrecht kunnen worden afgedaan?

Tot slot blijkt dat de strafmodaliteiten die zijn toegespitst op de jaarwisseling maar mondjesmaat worden toegepast. Het meest aan bod komen het straatverbod of het uitgaansverbod voor de volgende jaarwisseling, taakstraffen en een wat verhoogde strafeis. Het valt ons op dat een schadevergoeding nauwelijks wordt geëist. Toch lijkt het ons redelijk dat vandalen zelf de schade betalen van de vernielingen die zij hebben aangericht. Wij zijn dan ook van mening dat die schadevergoeding standaard moet worden opgelegd aan vandalen. In ieder geval moet het OM dat standaard eisen. Kan de minister op die stelling reageren? Wil hij dat nog eens onder de aandacht brengen van het OM?

Voorzitter: Teeven

Mevrouw Kuiken (PvdA): Voorzitter. Het standpunt van de PvdA is dat maatwerk het belangrijkst is bij de aanpak van criminelen of overlastgevenden. Snelrecht is een van de instrumenten die daartoe de mogelijkheid bieden. Immers, stoere jongens wil je snel kunnen aanpakken. Uiteraard letten wij daarbij op de zorgvuldigheid. De evaluatie van de afgelopen jaarwisseling laat zien dat er goede resultaten zijn te boeken als je goede afspraken maakt over (super)snelrecht. Het is dan ook goed dat dit wordt uitgebreid tot andere arrondissementen en evenementen. Daarom ook complimenteer ik het kabinet met de uitvoering van het (super)snelrecht.

Enkele vragen aan de minister, ten eerste over de slachtoffers. Supersnelrecht wordt toegepast bij zeer eenvoudige zaken. Het slachtoffer zou zich kunnen voegen in een strafzaak. Dan moet ook de schadevergoeding eenvoudig zijn. Bij supersnelrecht kan dat een probleem opleveren, omdat het stuit op logistieke en procestechnische complicaties. Dan zou het in lijn met het snelrecht voor de hand liggen dat een schadevergoedingszaak ook binnen een zeer korte tijd kan plaatsvinden. Het doel van snelrecht is immers snel straffen, zodat het effect van de straf het grootst is. Wij zijn het niet eens met het pleidooi van de raad om de zaak niet via snelrecht af te handelen als de zaak te complex is om de schadevergoeding af te handelen. Kortom, als een schadevergoeding niet gelijktijdig met het supersnelrecht of het snelrecht afgehandeld kan worden, dan willen wij die zaken graag splitsen. Deze vraag heeft de heer Teeven van de VVD-fractie ook al gesteld.

Mijn vervolgvraag gaat over het doorverwijzen van een zaak. Stel dat tijdens een zitting blijkt dat het toch complexer is en dat een snelrechtzitting niet mogelijk blijkt. Wat zijn dan de mogelijkheden om door te verwijzen naar een gewone zaak? Hoe vindt doorverwijzing plaats? Hoe is dat proces geregeld?

Een andere vraag gaat over het eerste verhoor. Wij willen graag van de minister weten of de aanwezigheid van een advocaat bij het eerste verhoor een probleem gaat vormen bij de afhandeling van het supersnelrecht. Kan de minister dat toelichten?

In de evaluatie is al toegezegd dat een verbreding moet plaatsvinden naar alle arrondissementen en dat het voor meer evenementen moet gelden. Wij juichen dat van harte toe. Wij zouden graag zien dat dit gestimuleerd wordt en dat de afhandeling plaatsvindt op de locatie. Ik ben afgelopen jaar op Lowlands geweest. Daar had men ook een strafrechtketen ingericht om de doorgeleiding via de officier van justitie te regelen. Ik kan mij voorstellen dat dit zo veel mogelijk ter plekke gebeurt bij evenementen. Ook dat stuit nog wel eens op procedurele obstakels. Daar vraag ik de aandacht van de minister voor. Hoe kunnen wij dat zo gemakkelijk en goed mogelijk inrichten?

Dan een laatste vraag die aansluit bij de vraag van de heer Çörüz over de overtreding van gebiedsverboden, straatverboden, contactverboden of meldplicht. Kunnen wij ook voor dit soort zaken (super)snelrecht toepas sen? Vuurwerk is één ding, maar er is meer overlastgevend gedrag en er zijn meer overtredingen die wij graag snel en adequaat willen aanpakken.

Voorzitter: Kuiken

Minister Hirsch Ballin: Mevrouw de voorzitter. Ik deel het gevoelen van de sprekers uit uw commissie dat wij bij de laatste jaarwisseling een heel goede ondergrond hebben gelegd voor de toepassing van snelrecht en supersnelrecht. Daar kunnen wij bij komende gelegenheden optimaal van profiteren. De ervaringen zijn duidelijk positief en tegelijkertijd hebben wij een paar ervaringen opgedaan waar wij van kunnen leren. Ik was dan ook blij dat ik de Kamer kon meedelen dat wij een basisvoorziening voor snelrecht in het hele land realiseren. Daardoor is het mogelijk om daar consequent mee te werken bij de jaarwisseling en bij andere gelegenheden. Er zijn ook voorbeelden genoemd, zoals Roda JC en Lowlands. Daarvoor had ik beter een studie van dichtbij kunnen maken.

De voorzitter: Volgend jaar mag u met mij mee, als u wilt.

Minister Hirsch Ballin: Prima. Ik hoop op een goede notulering van deze vergadering. Dat is een heel waardevolle gedachte.

Voorzitter. Wij hebben het eigenlijk gezien als een testcase. De Raad voor de rechtspraak en het College van PG’s hebben geconcludeerd dat dit goed is verlopen. Vandaar dat nu de vragen vooral gaan over de manier waarop wij dit positieve resultaat van de afgelopen jaarwisseling kunnen consolideren en waar wij het nog meer kunnen toepassen. Ik heb al geschreven dat wij de basisvoorzieningen bij de komende jaarwisseling beschikbaar zullen stellen in het gehele land en supersnelrecht in de vier grootste arrondissementen. Het college zal naar aanleiding van de evaluatie de arrondissementsparketten aanschrijven met de mededeling dat die voorzieningen voor de komende jaarwisseling gereed moeten zijn. Zij moeten een basisvoorziening treffen, maar daar hoort bij dat zij een werkafspraak en een protocol moeten hebben met de ketenpartners, onder wie de advocatuur, over de feitelijke toepassing daarvan. Dat is terecht opgemerkt. De inzet in het kader van evenementen anders dan de jaarwisseling zal door de regionale driehoek in samenspraak met de rechtspraak van geval tot geval moeten worden beoordeeld. Dat geldt dus voor de voorbeelden zoals de zojuist genoemde.

Bij dit alles blijf ik erop wijzen dat het gaat om een mogelijkheid in de totaliteit van mogelijkheden van afdoening. Als een preciezer onderzoek nodig is naar een gedragsstoornis, die de verklaring vormt voor het wangedrag bij een gelegenheid, dan kan het verstandiger zijn om iets minder snel maar wel beter recht te doen. Dan kan ook de gedragsstoornis die erachter zit, worden aangepakt. Wij hebben er niets aan om mensen telkens opnieuw in snelrecht of supersnelrecht te betrekken. Aan het begin van deze kabinetsperiode heb ik samen met de staatssecretaris van Justitie het beleidsdoel geformuleerd van het inbouwen van de preventie in de bestraffing en dat blijft volledig overeind.

Zaken die niet in aanmerking komen voor supersnelrecht of snelrecht kunnen via een themazitting of een TOM-zitting worden afgedaan. Er zijn trouwens ook andere snelle vormen van afdoening denkbaar, zoals een transactie of een transactie die neerkomt op een taakstraf. Dat kan een snelle reactie zijn, met alle gevolgen van dien.

De heer Teeven heeft een paar specifieke punten aan de orde gesteld. Eind vorig jaar is de menukaart supersnelrecht ontwikkeld. Daarin wordt aangegeven in welke gevallen en onder welke voorwaarden het supersnelrecht kan worden toegepast. Het is een soort leidraad, die de officier van justitie confronteert met de te nemen beslissingen en de te maken keuzen. Naar aanleiding van de ervaringen wordt de menukaart op het punt van de randvoorwaarden nog aangepast en toegelicht. Dat heb ik ook al aangestipt als element in de te schrijven brief. Het toepassingsbereik wordt uitgebreid met uitgaansgeweld. De taakstraf die door het OM wordt opgelegd, wordt ook nadrukkelijk opgenomen als afdoeningsmodaliteit. Ik hoop dat ik daarmee op het punt van de menukaart de nodige duidelijkheid heb gegeven. De aanpassing van de menukaart gebeurt dus in samenhang met de brief die het College van procureurs-generaal stuurt naar de negentien arrondissementsparketten.

De heer Teeven heeft, evenals mevrouw Kuiken, gevraagd naar een speciale procedure voor de afhandeling van de schadeclaims. Het streven is erop gericht een schadeclaim gelijktijdig met de hoofdzaak te behandelen, maar dat ligt soms gecompliceerd bij het snelrecht. De verwijzing naar de civiele rechter kan mogelijk het gevolg zijn van de toepassing van snelrecht. De vraag is of wij dat op een betere manier kunnen organiseren. Als de strafzaak tegen de verdachte kan worden afgedaan en de vordering tot schadevergoeding niet, dan geldt inderdaad de eenvoudige afdoening van de schadeclaim bij de kantonrechter. Dat is ook een eenvoudige procedure. De verhoging van de competentiegrens voor de kantonrechter hoeft niet tot een gecompliceerde, fulldressed rechtbankprocedure te leiden.

De heer Teeven (VVD): Als een slachtoffer dus een schadeclaim indient in het kader van een strafzaak die niet meteen kan worden afgedaan in het snelrecht, dan wordt die claim automatisch versneld in behandeling genomen bij de kantonrechter. Staat de minister zo’n procedure voor ogen? Of wordt dat dan toch op de lange baan geschoven bij de kantonrechter?

Minister Hirsch Ballin: Laat ik deze vraag niet te snel met ja beantwoorden, maar ook niet met nee. Ik vind het een redelijke verwachting en een redelijk verlangen. Ik zal dat met de Raad voor de rechtspraak bespreken.

De heer Teeven (VVD): Mijn vraag tijdens het vorige AO was iets anders. Kunnen de slachtofferclaims niet gestapeld worden en in een aparte zitting binnen het strafrecht afgedaan? De vraag die ik vorige keer heb uitgezet, was of er een aparte zitting alleen over de schadeclaim van het slachtoffer kan komen.

Minister Hirsch Ballin: Er zijn twee mogelijke richtingen. De heer Teeven voegt er een derde denkrichting aan toe. Ik denk dat ingrijpende wijzigingen in het procesrecht nodig zijn voor het apart afhandelen van schadeclaims in een gecombineerde vorm bij de strafrechter, terwijl de berechting al heeft plaatsgevonden. Daarom zou ik de derde mogelijkheid, die de heer Teeven suggereert, niet als prioriteit willen zien. Wij nemen nu ook een proef met het opnemen van de schadeclaim in de snelrechtprocedure tijdens de zitting. Ik denk dat dit bovenaan in ons preferentieschema kan staan. Als dat niet kan, is er het alternatief van de eenvoudige procedure bij de kantonrechter. Daarover heb ik gezegd dat ik het punt van de snelle beschikbaarheid van de kantongerechtprocedure graag met de Raad voor de rechtspraak zal bespreken.

De voorzitter: Op welke termijn kunnen wij hier nader over worden geïnformeerd? U gaat nog in overleg. U bekijkt nog hoe die procedure anders ingericht kan worden. Dan lijkt het mij handig dat deze vaste commissie daar op termijn over geïnformeerd wordt.

Minister Hirsch Ballin: Ik zal proberen dat vrij spoedig te doen. De Kamer moet natuurlijk nog informatie krijgen over de circulaire die naar de arrondissementsparketten gaat. Ik denk dat ik er goed aan doe om dat voor de kerst te doen. Dan is het er voor de jaarwisseling. Daar zal ik dit punt dan in meenemen.

De voorzitter: Prima. Dan noteer ik dat als een toezegging.

Minister Hirsch Ballin: De heer Teeven heeft het punt van de voorlopige hechtenis aangesneden. Dat hebben de heren Çörüz en De Roon ook gedaan. Uit het evaluatierapport van het college blijkt dat zich de behoefte manifesteert om te bezien of dit een knelpunt is. De ervaringen in den lande zijn wisselend. Daarom denk ik dat wij daar nader naar moeten kijken. Ik sluit het dus niet bij voorbaat uit, maar de woordvoerders zullen zich vanuit hun bekendheid met de wereld die justitie heet, realiseren dat een wijziging van de gronden voor de voorlopige hechtenis een duidelijke argumentatie vereist. Het enkele feit dat wij snelrecht toepassen, zal voor de te raadplegen organen zoals de Raad van State, niet zonder meer tot de conclusie leiden dat de gronden voor voorlopige hechtenis moeten worden verruimd. Er is in mijn ogen echter wel reden om daar nader naar te kijken. Het is mogelijk dat mensen die snel kunnen worden berecht op een later moment weer moeten worden opgepakt en dan niet beschikbaar zijn voor de zitting. Het is behoorlijk bewerkelijk als je dan die procedure niet kunt toepassen. Wij zijn het er juist over eens dat er zoveel voordelen zijn verbonden aan de voorlopige hechtenis.

Het beeld van de berichten uit het OM is niet helemaal consistent en concludent. Ik heb dus behoefte aan (nadere) opheldering. Ik zal daar ook de mogelijkheid bij betrekken om de voorlopige hechtenis of het voorwaardelijk schorsen van de voorlopige hechtenis – dat kan geschieden onder vormen van elektronisch toezicht – zo vorm te geven dat wij geen discussie over ons afroepen. De vraag is dan of het niet onevenredig is om voorlopige hechtenis toe te passen bij andere misdrijven dan waar die tot nu toe voor is toegelaten. Als wij op grond van die discussie allerlei bedenkingen zouden hebben, dan zijn wij verder van huis.

Ik kan wat ik heb gezegd het beste in twee punten samenvatten.

1. Ik deel de opvatting van de commissieleden dat het onwenselijk is dat de berechting wordt opgehouden door het ontbreken van een grond voor voorlopige hechtenis.

2. Er zijn manieren om dit probleem op te vangen: door medewerking van de verdachte, door verruiming van de mogelijkheden voor toepassing van de voorlopige hechtenis en wellicht door toepassing van een voorlopige vrijheidsbeperking die er anders uitziet dan wij tot nu toe gewend zijn, maar nu ben ik hardop aan het denken. De woordvoerders weten dat er ook gedachten zijn over elektronische detentie.

Ik zal die overwegingen betrekken bij een beoordeling van het aangesneden punt en de Kamer daar al dan niet in dezelfde brief voor het kerstreces over berichten.

De heer Teeven (VVD): Wij moeten de discussies niet vermengen. Ik waardeer overigens de uitspraken van de minister. Volgens mij praten wij over drie dingen. Allereerst gaat het om de vraag waarvoor je iemand in voorlopige hechtenis kunt houden. Dat is geregeld in artikel 67. Als die gronden worden uitgebreid met lichtere delicten, dan heb je inderdaad een heel principiële discussie. Het geldt dan niet alleen voor vierjaarsfeiten en de met name genoemde delicten, maar ook voor lichtere feiten. Dat is niet helemaal wat mijn fractie voor ogen staat. Nu doet zich de situatie voor dat voor bepaalde feiten voorlopige hechtenis mogelijk is in de zin van artikel 67, maar dat zich geen grond voordoet in de zin van artikel 67a. Het gaat dan bijvoorbeeld om iemand die een vaste woon- en verblijfplaats heeft, die geen veelpleger is, die heeft meegewerkt aan het onderzoek en die een bekentenis heeft afgelegd. In die situatie doet zich de omstandigheid voor dat bekennen loont. Op dat moment is er geen grond voor voorlopige hechtenis en kan iemand niet langer worden vastgehouden. Dat is volgens mij de situatie waar het college aandacht voor vraagt. De minister zegt dat hij de mogelijkheden zoekt in elektronische detentie of het voorwaardelijk schorsen van de voorlopige hechtenis. Volgens mij gaat het echter om de grond voor de voorlopige hechtenis. Ik kan mij voorstellen dat je vasthoudt aan het feit, maar dat je over artikel 67a zegt: als wij iemand dagvaarden voor een supersnelrecht- of een snelrechtzitting, is dat grond voor de voorlopige hechtenis. Het idee van de wetgever daarachter is dat je iemand snel berecht, dus dat iemand binnen tien of veertien dagen voor de rechter staat. Volgens mij is deze vraag veel basaler dan het onderzoek dat de minister wil doen naar elektronische detentie en voorwaardelijke schorsing.

Minister Hirsch Ballin: Ik realiseer me dat er veel vragen zijn die verder reiken. Daar zullen wij ook op moeten terugkomen. Ik dank de heer Teeven voor zijn toelichting. Het gaat hem dus om artikel 67a. Ik zal die precisering ook graag betrekken bij het gesprek met het Openbaar Ministerie en ik zal daarop terugkomen in de brief die ik de Kamer heb toegezegd.

De heer Roemer (SP): Uit het feit dat ik er in eerste termijn niet op ben ingegaan, kan de minister afleiden dat ik de lijn van de minister in dezen volg. Ik heb gelezen wat er is gezegd in het debat van vorig jaar en ik hoor het antwoord van de minister nu en dan vraag ik me af wat de minister in de tussentijd gedaan heeft. Wat mis ik? Ik heb de indruk dat hij ongeveer een jaar geleden in dezelfde bewoordingen tegen de Kamer heeft gezegd dat hij het overleg zou aangaan en dat hij ging kijken naar oplossingen. Het enige wat ik in de tussentijd heb gelezen, is dat uit de evaluatie niet blijkt dat het tot problemen in de praktijk heeft geleid. Wat is er uit het overleg in het afgelopen jaar gekomen om verdere stappen te kunnen zetten?

Minister Hirsch Ballin: De heer Roemer herinnert terecht aan de discussie met de heer De Wit van vorig jaar. Vorig jaar heb ik gezegd dat wij met het snelrecht aan de slag zouden gaan voor de jaarwisseling. Daar hoort dit punt bij, ook de toepasbaarheid in verhouding tot de mogelijkheden van voorlopige hechtenis of het anderszins beschikbaar zijn van de verdachte voor de zitting. Precies op dit punt is het bericht niet geheel concludent. Het Openbaar Ministerie geeft aan dat er wisselende ervaringen zijn per arrondissement. Vandaar dat wij de behoefte hebben om dat verder te beoordelen. Intussen is een hele reeks discussies ontstaan over de vraag wat je kunt doen in afwachting van de berechting, rekening houdend met de voordelen van een snelle berechting. Daar heeft de heer Teeven net ook al aan gerefereerd. In sommige arrondissementen zijn ideeën in ontwikkeling om dagvaarding en berechting bij meer feiten zeer snel na het gepleegde feit te doen plaatsvinden. Het is van belang dat wij daar een consistent antwoord op geven. Dat moet niet worden beperkt tot de specifieke situatie die aanleiding was voor het gesprek van vorig jaar over de nieuwjaarsrellen. Daarom heb ik er behoefte aan om dit in samenhang te bekijken. Dan gaat het dus om de mogelijkheid, snelrecht ruimer toe te passen via uitbreiding van de gronden voor voorlopige hechtenis dan wel andere manieren om te verzekeren dat de verdachte beschikbaar is. Dat veronderstelt dat wij een preciezer beeld krijgen van de vraag waarom het OM daar uiteenlopend naar kijkt.

De heer Teeven (VVD): Met alle respect, volgens mij kijkt het OM er niet uiteenlopend naar. Het College van procureurs-generaal heeft vorig jaar, toen wij met de vaste commissie van Justitie een werkbezoek brachten, die wens ook al kenbaar gemaakt. Een aantal van ons heeft daarbij gezeten. Het is zeker waar dat er op een aantal parketten geen behoefte aan bestaat, maar op een aantal parketten bestaat er ook grote behoefte aan deze oplossing. Ik ben het met de heer Roemer eens dat wij nu een jaar verder zijn en dat wij op dit punt nog niet het begin van een oplossing hebben. Er komt nu weer een jaarwisseling en voor die tijd gaan wij het niet oplossen.

Minister Hirsch Ballin: Dat bedoelde ik precies met de opmerking dat het OM er uiteenlopend naar kijkt. Er zijn parketten waar men zegt dat het prima werkt. Als er geen probleem is, hebben zij ook geen oplossing nodig. Er zijn ook parketten waar men denkt dat het wel een probleem is. Mogelijk wordt het al minder met de instructie die het College van PG’s alle parketten zal geven over de manier van werken en over de te maken afspraken, met andere woorden de basisvoorziening. Er is dus geen eenduidig beeld uit de ervaringen van het afgelopen jaar. Dat is precies de informatie die wij nodig hebben.

De heer Teeven (VVD): Er is geen eenduidig beeld, maar er is wel een eenduidig standpunt van het College van procureurs-generaal. Daar doet u als minister zaken mee als het gaat over dit soort onderwerpen. Het college zegt ten tweeden male dat wel graag te willen.

Minister Hirsch Ballin: Ja, er is een standpunt, maar het probleem is dat alles wat je doet op het gebied van de voorlopige hechtenis een deugdelijke motivering vereist. Dat betreft niet alleen artikel 67, de delicten waarvoor het is toegelaten. Het betreft ook de omschrijving in artikel 67a. Daar wordt in de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens kritisch naar gekeken. Als ik met een wetswijziging kom, dan moet die zijn gebaseerd op een grondige motivering. Het is meer dan een standpunt alleen.

De voorzitter: Ik concludeer dat dit ook in dezelfde brief zal staan. Daarin wordt nadrukkelijk de vraag van de commissie opgenomen over artikel 67a en andere mogelijkheden. Ook komt er een motivering van de beweegredenen daarin van de minister, naar aanleiding van de gesprekken met de PG’s en de Raad voor de rechtspraak. Dan kan onze commissie vervolgens een goede afspraak maken. Daar heeft mijn fractie in ieder geval wel behoefte aan.

Minister Hirsch Ballin: Prima. Dat lijkt mij een zeer adequate samenvatting.

De vraag van de heer Çörüz gaat over het bereik van supersnelrecht buiten de onmiddellijk rellerige sfeer, bijvoorbeeld paspoortfraude. Hij noemde ook de bolletjesslikkers.

Uiteraard betekent elke voorrang dat andere zaken wat langer moeten wachten. Je moet daar dus altijd een kosten-batenanalyse op toepassen, ook uit het oogpunt van de afdoeningsduur van andere zaken. Als het heel simpel is om onmiddellijk tot een reactie over te gaan, hebben wij bovendien nog de mogelijkheden van de OM-afdoening. Er is voor het Openbaar Ministerie een andere snelle manier van werken beschikbaar. Ik noemde al de taakstrafzittingen en binnenkort de afdoening door het OM zelf, met de mogelijkheid om de zaak toch aan de rechter voorgelegd te krijgen. Ik denk dat dit een bruikbaar antwoord is op het type situaties dat de heer Çörüz net bedoelde. Alleen wanneer de ernst van het delict een voorrangsbehandeling vraagt, kunnen wij die geven. Dat kan bijvoorbeeld wegens maatschappelijke impact zoals bij de nieuwjaarsrellen. Men ziet dat er erge dingen zijn gebeurd en men wil zien dat er recht wordt gedaan. De betrokkenen weten wat ze te wachten staat. Ik denk dat ik de oplossing voor andere typen delicten eerder zou willen zoeken in versnelde afdoening door het Openbaar Ministerie zelf. Uiteraard is het mogelijk om een schifting aan te brengen in zaken om niet langer te wachten dan nodig is.

De heer Çörüz (CDA): Ik benader het toch anders. Uit werkbezoeken weet ik dat er piekmomenten zijn, maar er zijn ook dalen waarin het Kabinet RC het niet zo druk heeft. Dan kun je heel goed met snelrecht en supersnelrecht de door mij genoemde zaken doen. Ik dacht niet dat zaken tegen bolletjesslikkers werden afgedaan met een TOM-zitting.

Minister Hirsch Ballin: Nee, die niet.

De heer Çörüz (CDA): Op Schiphol worden bijvoorbeeld ook zittingen gehouden. Volgens mij is het technisch niet al te ingewikkeld: het paspoort is vals of niet. Ook in die zaken kan dat volgens mij heel goed zo gedaan worden. Dan hoeft het helemaal niet te betekenen dat de uitbreiding met het paspoort dan wel de bolletjesslikkers ten koste zou gaan van andere zaken. Als dat het geval is, dan hebben wij natuurlijk weer de hele discussie van vandaag. Dan gaan de andere, reguliere supersnelrechtzaken ook altijd ten koste van iets. Ik zie veel meer pieken en dalen en daar kan een rechtbank volgens mij goed op inspelen. Als de woensdagmiddag altijd wat minder druk is, kunnen de supersnelrechtzittingen voor de paspoorten op die middag gepland worden.

Minister Hirsch Ballin: Op de conceptmenukaart komen de bolletjesslikkers niet voor, maar ik begrijp het punt. Ik zal dit onder de aandacht brengen van het OM.

De heer Roemer (SP): Nu gaat de minister wel erg snel door de bocht. Twee zinnen daarvoor zei hij nog dat wij moeten oppassen dat het niet ten koste gaat van andere zaken en dat er prioriteiten gesteld moeten worden. Nu zegt de minister opeens dat hij dat onder de aandacht gaat brengen. Ik neem aan dat hij het onder de aandacht brengt met het idee om het dan ook gerealiseerd te krijgen, niet alleen om het hier van tafel te krijgen.

Minister Hirsch Ballin: Dat moet maar blijken. De heer Çörüz zei: paspoortfraude is iets anders dan bolletjesslikkers. Dan gaat het om evidente misdrijven, waarvoor voorlopige hechtenis wordt toegelaten en toegepast. Het staat niet in de menukaart, maar misschien heeft de heer Çörüz wel een punt. Dan is mijn reactie: daar moeten wij het maar over hebben met het OM. Onder de aandacht brengen, betekent niet vanzelf dat het ook gebeurt. Misschien heeft de heer Roemer een referentiekader.

De heer Roemer (SP): Hoe zou dat nou komen?

Minister Hirsch Ballin: Met onder de aandacht brengen, bedoel ik dat ik argumenten wil horen.

Voorzitter. De heer Çörüz vroeg ook hoe de noodzakelijk geachte tijdige inzending van processen-verbaal wordt bevorderd. Daar kan de toepassing van de elektronische dossiervorming een rol in spelen, zoals de heer Çörüz al terecht heeft opgemerkt. Nu al gebruikt de politie de elektronische strafdossiers om tot een betere toepassing van supersnelrecht te komen. Dan kunnen wij een stuk gemakkelijker en frequenter op supersnelrecht overgaan. Vandaar dat de ontwikkelingen op dit terrein ook perspectief bieden.

De heer Teeven (VVD): Dat perspectief is wel mooi. Ik ben ook in Dordrecht geweest, omdat Dordrecht een pilotrechtbank is. Daar wezen ze ons nog op een heel vervelend puntje. De koppeling in het elektronisch dossier tussen OM en ZM heeft nog steeds geen gestalte gekregen. De ZM werkt nog steeds met een apart geautomatiseerd systeem. Is dat juist?

Minister Hirsch Ballin: Ja. Er is langdurig en niet altijd gemakkelijk overleg geweest tussen het OM en de Raad voor de rechtspraak over de aansluiting van de Raad voor de rechtspraak op GPS. Er zijn de nodige afspraken over gemaakt. Ik heb de Kamer daar op 9 juli over geschreven. Die brief neem ik nu even voor me. De rechtspraak wilde waarborgen op het punt van de elektronische handtekening. Dat vereist weer een AMvB, die in consultatie moet worden gebracht. De strikte benadering door de rechtspraak van de vaststelling van de authenticiteit heeft inderdaad tot vertraging geleid. Via een soort parallelle toepassing van elektronische dossiers in de rechtspraak komen wij wel verder op dit terrein.

De heer Teeven (VVD): Dit is ook een onderwerp in het wetgevingsoverleg dat wij eind deze maand zullen hebben. Zou de minister de vaste commissie voor Justitie voor het wetgevingsoverleg een korte schriftelijke update kunnen sturen van de stand van zaken vanaf juli tot nu?

Minister Hirsch Ballin: De datum van 9 juli is recent. Ik heb toen, meen ik, dit punt besproken. Ik zie op dit moment dus niet onmiddellijk waarom er nog een update nodig zou zijn. Uiteraard zal ik de Kamer tijdens het overleg voorzien van de allerlaatste informatie. Als ik wat specifiekere vragen krijg, ben ik graag bereid die te beantwoorden.

De heer Teeven (VVD): U nodigt mij altijd uit om de dingen met naam en toenaam te noemen. Tijdens dat bezoek in Dordrecht zei de president van de rechtbank dat de wettelijke maatregelen die u schetst niet het probleem zijn. Dat is allemaal in voorbereiding. De financiering is binnen de ZM het grote probleem om de aansluiting met het OM tot stand te brengen. Als dat zo is, is dat bij uitstek een onderwerp voor de begroting. Dan zou het misschien goed zijn om een korte update te krijgen voor het wetgevingsoverleg.

Minister Hirsch Ballin: Het hele project is gefinancierd. Ik kan mij voorstellen dat tijdens werkbezoeken de behoefte aan meer geld onder de aandacht wordt gebracht. Ik moet zeggen dat ik dit soort gesprekken in het licht van de huidige budgettaire situatie steeds overzichtelijker begin te vinden. Het dringt vrij breed door in het land dat wij niet kunnen verwachten dat in hoofdstuk VI middelen aan de Rijksbegroting worden toegevoegd. Als u dat wenst, ben ik graag bereid om u deze standaardtekst ter beschikking te stellen.

De heer Roemer (SP): U brengt het dan onder de aandacht van minister Bos. Of gaat dat heel anders?

Minister Hirsch Ballin: Ik weet dat collega Bos zeer veel aandacht heeft voor alle begrotingsproblemen. Nu wij van elkaar weten wat onder de aandacht brengen betekent, durf ik daar wel ja op te zeggen ook.

Het is juist dat er in Amsterdam tijdens de afgelopen jaarwisseling wat stimulans nodig was om supersnelrecht toe te passen, maar dat is wel gebeurd. Ook de komende jaarwisseling zal Amsterdam weer waar mogelijk supersnelrecht en snelrecht toepassen. Dat vloeit voort uit de positieve ervaringen die men daar heeft opgedaan.

Ik kom bij de vragen van de heer Roemer in aanvulling op de vragen van andere sprekers. Het aantal zaken waarin supersnelrecht is toegepast, is in absolute getallen gering, maar de betrokkenen geven aan dat er wel degelijk een belangrijk signaal van uitgaat dat bepaald gedrag niet wordt getolereerd. In zaken waarin het bewijs eenvoudig is rond te krijgen, is deze zeer snelle afdoening wenselijk. Ik vind het ook heel verstandig dat wij het concentreren op de grote steden, die wat gevoeliger zijn voor grote problemen. Dan kun je daar zeer snel en zeer zichtbaar een strafrechtelijke reactie geven.

De heer De Roon heeft ook een vraag gesteld over de inzet van snelrecht bij evenementen. Die mogelijkheid is er zeker. Er zijn verschillende voorbeelden te geven van toepassing van supersnelrecht en snelrecht bij evenementen gedurende het afgelopen halfjaar. Naar aanleiding van de evaluatie van de jaarwisseling ontvangen alle parketten binnenkort nadere instructies, die zij ook bij andere evenementen kunnen toepassen. Dat geldt ook voor de menukaart en voor het benutten van de basisvoorziening, waarover ik het al had in de inleiding van mijn antwoord.

Ook is de vraag of er standaard een schadevergoeding moet worden geëist. Ik vind het eisen van schadevergoeding buitengewoon belangrijk. Het Openbaar Ministerie levert nu al een maximale bijdrage om schadeclaims van het slachtoffer in de strafzaak in te brengen. Een vordering kan alleen door de strafrechter worden toegewezen als het een eenvoudige vordering is. Dat is helaas niet altijd het geval. Daar stuiten wij dus op grenzen voor de toepassing van de schadevergoeding. Voor het overige verwijs ik naar wat ik in het begin van mijn antwoord heb gezegd over de manieren om te stimuleren dat er snel schadevergoeding wordt gevraagd en zo mogelijk ook toegewezen naast de mogelijkheid van het inbrengen van het snelrecht in de zitting.

Mevrouw Kuiken heeft gevraagd of ook bij een reisverbod, gebiedsverbod, vuurwerkbesluit en dergelijke supersnelrecht en snelrecht kunnen worden toegepast. Daarvoor geldt wat ik eerder zei in verband met andere delicten. Ik hoop dat de toegezegde brief ook aan de beantwoording van de vraag van mevrouw Kuiken zal kunnen bijdragen.

Er is gevraagd naar de consequentie van de aanwezigheid van de raadsman voorafgaand aan het verhoor in het kader van het snelrecht. Er zijn nog geen ervaringen te melden met de aanwezigheid van de raadsman. Ik kan dus niets zeggen over de wenselijkheid daarvan of over de complicaties die daaruit voortvloeien. De medewerking van en afstemming met de advocatuur zijn natuurlijk wel bij uitstek van belang bij de arrangementen die op arrondissementsniveau moeten worden getroffen om een basisvoorziening snelrecht beschikbaar te stellen.

De voorzitter: In tweede termijn heeft de Kamer twee minuten spreektijd.

De heer Teeven (VVD): Voorzitter. Ik dank de minister voor zijn antwoord in eerste termijn. De minister had het over een eenvoudige procedure bij de kantonrechter als claims niet in de strafzaak passen. Ik hoop dat het departement in staat is een koppeling te maken, zodat die procedure dan ook enige voorrang krijgt in de civiele sector. Dat kan wel eens het probleem blijken te zijn. Als wij dat loskoppelen, dan moeten slachtoffers misschien heel lang wachten op de behandeling van hun schadeclaim. Ziet de minister mogelijkheden om die voorrang te bewerkstelligen?

Onze fractie is ronduit ontevreden. Dat gebeurt wel vaker. Soms complimenteren wij de minister met zijn voortvarendheid op het gebied van wetgeving, maar vandaag worden wij weer teleurgesteld. Ik zal de woorden «ernstig teleurgesteld» niet gebruiken. De brief van de staatssecretaris is van 16 juni. Dat kan de reden zijn dat er vandaag nog niet zoveel duidelijkheid over is. Onze fractie hecht er belang aan dat de minister duidelijk zegt dat hij het een goede zaak vindt om de grond voor de voorlopige hechtenis op te nemen in de dagvaarding voor supersnelrecht of snelrecht.

Bovenaan de brief op pagina 5 schrijft de minister dat hij geen reden ziet om «aanstonds een wijziging van de wet te bevorderen.» Nu zegt hij dat het ingewikkeld ligt, maar dat hij het gaat bekijken. Ik zou graag een wat ruimhartiger toezegging krijgen van de minister in tweede termijn. Ik kan mij voorstellen dat hij zegt dat hij het ook een probleem vindt. In de brief trapt de minister erg op de rem. Hij haalt nu zijn voet een beetje van de rem, maar wat onze fractie betreft niet genoeg. Op dit punt wil ik toch graag wat meer duidelijkheid.

De heer Çörüz (CDA): Voorzitter. Ik dank de minister voor zijn beantwoording. Hij wil serieus werk maken van een mogelijke uitbreiding van snelrecht dan wel supersnelrecht. Ik denk dat deze ontwikkeling wenselijkheid, haalbaarheid en werkbaarheid bij elkaar moet brengen.

Ik heb nog twee opmerkingen. Ik ben vergeten te zeggen dat supersnelrecht en snelrecht niet alleen tot de G4 beperkt moeten worden. Andere steden waar de rechtbanken geëquipeerd zijn met goede rechters zouden dit ook aan moeten kunnen.

Ik heb nog een tweede opmerking. De minister is nog een antwoord schuldig op mijn vraag over Amsterdam. Ik heb dat punt niet zomaar opgebracht. Ik hoor namelijk wisselende geluiden. Ik zal het politiek correct brengen: het gaat daar nog niet voortvarend. Dan is het goed om in de prestatieplannen tussen OM en rechtbanken dit punt nadrukkelijk mee te nemen. Dat moet niet alleen van boven naar beneden gebeuren. Wie is de verantwoordelijke PG voor snelrecht en supersnelrecht? Het moet ook goed gebeuren in de lokale driehoek. Wie wordt daar aangewezen? Het lijkt mij goed en zinvol dat er bij het OM en de rechtbank een contactpersoon wordt aangewezen die verantwoordelijk is voor dit project. Dat moet ook lokaal in de driehoek gebeuren. Er moeten afspraken komen in de prestatieplannen. Dan kunnen wij het in de toekomst zo organiseren dat wij van de vrijblijvendheid weggaan en er daadwerkelijk een structureel project van maken.

De heer Teeven (VVD): Het wordt nu toch een beetje onduidelijk. De minister heeft gezegd dat het in Amsterdam gewoon gaat gebeuren. Je hoort wel eens dat mensen er geen zin in hebben. Wat hebt u voor concrete aanwijzing dat het OM in Amsterdam de kont tegen de krib gooit? Wat weet de CDA-fractie dat de minister en de rest van de vaste commissie voor Justitie misschien wel vermoeden maar niet weten?

De heer Çörüz (CDA): U hoort natuurlijk ook de geluiden die ik hoor. Ik ga uit van de serieuze inzet waarmee rechtbanken dit oppakken. Vorige keer is de minister hier klip-en-klaar over geweest. Wij hebben dit punt toen ook aangezwengeld. Toen was er discussie over het gebrek aan volume, waardoor het nog niet goed van de grond kon komen. Wij zijn nu een tijdje verder. Ik hoor nog steeds signalen. Die signalen hoort u volgens mij ook. Ik zou van de minister de zekerheid willen hebben dat er iets van het enthousiasme in de prestatieplannen terugkeert, zodat wij ook Amsterdam kunnen aanspreken op het daadwerkelijke resultaat en de aanpak.

De heer Teeven (VVD): Uit de geruchten die ik hoor, blijkt dat het in Amsterdam niet gebeurt omdat de grond voor de voorlopige hechtenis niet geregeld is. Dan moet de CDA-fractie kleur bekennen en tegen de minister zeggen dat hij niet langer moet studeren maar dit gewoon in de wet moet opnemen. U gebruikt aan de ene kant dikke taal, maar aan de andere kant zegt u eigenlijk dat de minister in de praktijk rustig met de handen op de rug kan blijven staan. Zo kan het natuurlijk niet.

De heer Çörüz (CDA): Het is leuk geprobeerd om via die lijn de voorlopige hechtenis erin te vliegen. Ik hoor ook andere argumenten: het volume en het gebrek aan zaken. Dat was in den beginne de reden om het niet op te pakken. Nogmaals, ik zeg het niet voor niets: die vrijblijvendheid moet er wat mij betreft van af. Dat kan als OM en rechtbanken elkaar vinden in die prestatieafspraken, waarover wij terug kunnen lezen in de jaarverslagen.

De heer Roemer (SP): Voorzitter. Drie punten wat mijn fractie betreft. Ik maak een opmerking over de gronden voor voorlopige hechtenis. Ik deel de zorgvuldigheid van de minister. Ik denk dat hij die lijn moet blijven volgen. Ik deel niet het tempo waarin hij werkt. Laat dat helder zijn. Het is vorig jaar besproken en het wordt nu weer besproken. Hier en daar was er een probleem waar mensen tegen aanliepen. Dan verwacht ik van de minister dat hij daar snel naar kijkt en naar de Kamer komt om te spreken over de mogelijkheden om dat probleem te tackelen. Ik hoop dat de minister tempo en zorgvuldigheid nu gaat samenvoegen.

Mijn fractie blijft erbij dat supersnelrecht en snelrecht moeten worden toegepast waar dat effectief en mogelijk is. Er is even gesproken over de vraag of je bolletjesslikkers daar ook onder moet voegen. De minister heeft gezegd dat hij het onder de aandacht zou brengen. Bolletjesslikkers zitten volgens mij al drie dagen op de pot. De vraag is of je daar dan nog over zou moeten spreken. De minister zei heel mooi dat je ook kunt kiezen voor een versnelde afdoening door het Openbaar Ministerie. Gaat de minister daar dan ook de capaciteit voor uitbreiden? Het is wel heel mooi om te zeggen dat het op een andere manier in een versnelde procedure komt, maar volgens mij kan het een niet zonder het ander. Hoe ziet de minister dat dan? Wordt het Openbaar Ministerie daar dan ook voor gefaciliteerd?

Tot slot is de minister niet ingegaan op mijn verhaal dat supersnelrecht niet effectief blijkt te zijn bij geweld tegen publieke ambtsdragers anders dan de politie. Kan de minister daar nog even op ingaan?

De heer Teeven (VVD): Pleit de SP-fractie nu voor het afdoen van zaken tegen bolletjesslikkers met een taakstraf? Begrijp ik goed dat dit nu het standpunt is? Als je personeel moet uitbreiden bij het OM, dan ga je voor de taakstraf.

De heer Roemer (SP): Nee, maakt u zich dus geen zorgen, mijnheer Teeven. Ik reageerde daarop omdat de minister zei dat het ook kan door afdoening via het Openbaar Ministerie. Dat vind ik een te gemakkelijk antwoord van de minister.

De heer De Roon (PVV): Voorzitter. In de beantwoording van de minister, waarvoor overigens dank, heb ik nog wat gemist. Hij heeft niet gereageerd op mijn pleidooi om opnieuw te bezien of er zittingen in de weekenden kunnen plaatsvinden.

De tweede vraag waar ik geen helder antwoord op heb gekregen, is door de heer Çörüz nog eens aangestipt. Ik val hem daarin bij. Nu zou het supersnelrecht ook ingezet kunnen worden voor allerlei andere dingen dan wat er tijdens Oud en Nieuw misgaat. Dat zou toch ook een argument moeten zijn om het supersnelrecht in alle arrondissementen in te voeren.

Voorzitter: Teeven

Mevrouw Kuiken (PvdA): Voorzitter. Supersnelrecht is geen wondermiddel, maar het kan zeker helpen bij de bestrijding van criminaliteit en overlast. Daarom is het goed dat de minister vaart maakt en kijkt hoe het breder ingevoerd kan worden, niet alleen bij de jaarwisseling maar bij alle soorten evenementen. Belemmeringen moeten zo veel mogelijk weggenomen worden. Mijn fractie hecht er belang aan dat goed wordt gekeken naar de prioriteiten. Ik sluit mij wat dat betreft deels aan bij de woorden van de heer Roemer. Het moet gaan om de delicten waarvoor wij snel actie moeten ondernemen. Het moet niet aan zijn eigen succes ten onder gaan.

Ik merk soms dat het veld belemmeringen zoekt als excuus om bepaalde zaken niet door te voeren. Wij moeten voorkomen dat wij in die valkuil terechtkomen. Wat wettelijk kan, moeten wij ook toepassen. Als de wet niet werkt, moeten wij haar aanpassen.

Voorzitter: Kuiken

Minister Hirsch Ballin: Voorzitter. Zoals mevrouw Kuiken en de heer Roemer aangaven, is bij een mogelijke wetswijziging zorgvuldigheid vereist. De vraag is of dat langer duurt dan nodig is. In juni heeft de Kamer de evaluatie van de ervaringen tijdens de jaarwisseling ontvangen. Er zijn problemen met een wijziging van de regeling omtrent voorlopige hechtenis. Ik geloof dat het OM daarbij vooral keek naar de motivering van en toelichting op deze wens. Er is op dit moment niet meer te vinden dan dat er arrondissementen zijn waar men beperkingen zegt te ondervinden op dit punt. Er zijn dus ook arrondissementen die deze beperkingen niet zeggen te ondervinden. Daarom heb ik net gezegd dat ik erover zou berichten in een brief.

Wij voelen echt de noodzaak om dit onderwerp in de context te zetten van een behoorlijk, beargumenteerbaar voorstel.

Ik ben net inderdaad een stap verder gegaan dan in de brief van 16 juni door aan te geven dat de bereidheid bestaat om daarnaar te kijken. De deur zit dus helemaal niet dicht. Ik onderstreep graag dat de bereidheid bestaat om ernaar te kijken, maar dan moeten wij wel precies helder hebben wat zo’n mogelijke wetswijziging inhoudt. Wij kunnen niets toezeggen zonder dat duidelijk is in welke gevallen er buiten de bestaande gronden van 67a een rechtvaardiging zou kunnen worden gevonden die ook standhoudt in het kader van artikel 5 EVRM voor de toepassing daarvan. Dat vereist wel wat meer dan de uitspraak dat er arrondissementen zijn die beperkingen ondervinden. Wat mij betreft is het laatste woord hier nog niet over gezegd. Wij berusten ook niet in deze vrij vage mededeling. Ik zal de Kamer daar een goed en duidelijk antwoord op geven binnen de gestelde tijd.

Mevrouw Kuiken (PvdA): Ik vat de woorden van de minister samen. Zegt hij dat het een misvatting is van een aantal procureurs-generaal dat er belemmeringen zijn bij de voorlopige hechtenis?

Minister Hirsch Ballin: Nee, ik zou niet willen zeggen dat het een misvatting is. Dan zou ik niet zozeer hebben meegedacht als ik net had gedaan. Ik wil wel weten hoe te verklaren is dat er op dit punt uiteenlopende ervaringen zijn binnen het Openbaar Ministerie. Dat heb ik nodig om op deze wens een duidelijk antwoord te geven. Ik sluit mij daar dus absoluut niet voor af. Ik denk dat ik een heldere toezegging heb gedaan. Degenen die dit met kracht bepleiten en zeggen dat wij aan die wens gevolg moeten geven, stel ik de wedervraag hoe de argumentatie eruit zou moeten zien. Dat moet wel leiden tot een wetsvoorstel dat aan de Raad van State kan worden voorgelegd en dat de beoordeling in beide huizen van het parlement kan doorstaan. De enkele gedachte dat je beter met een bevoegdheid verlegen kunt zitten dan erom verlegen zitten, is voor mij niet voldoende om het toereikend te beargumenteren.

De heer Teeven (VVD): Ik denk dat wij enige tijd geleden terecht in de wet hebben opgenomen dat er een aparte grond is voor de voorlopige hechtenis van veelplegers die zich bij herhaling schuldig maken aan feiten. Wij zitten nu met de omissie dat er bij een bekennende verdachte die zich schuldig heeft gemaakt aan een ernstig strafbaar feit, zolang het geen twaalfjaarsdelict is, maar die een vaste woon- en verblijfplaats heeft, op zichzelf geen grond is voor een voortzetting van de voorlopige hechtenis. Dat wil zeggen als er geen gevaar is van recidive. Neem een persoon die in Hoek van Holland een politieman zwaar mishandelt of probeert te mishandelen met een stuk glas. Die persoon heeft een vaste woon- en verblijfplaats in Rotterdam en is niet eerder met justitie in aanraking geweest. Dan is mij niet helder waarom dit geen zelfstandige grond voor het voortzetten van de voorlopige hechtenis in de zin van artikel 67 zou kunnen zijn, als je overgaat tot spoedige berechting. Er is niets wat zich daartegen verzet in het kader van het Europees verdrag. Het gaat om een spoedige en eerlijke berechting, waar een advocaat bij betrokken is en waarbij het dossier volledig bekend is. Ik zie wel wat problemen. Het moet ook goed voorbereid worden. Wij zouden al een heel stuk verder zijn als de minister de intentie daartoe zou uitspreken.

Minister Hirsch Ballin: Zeker. Daarom ga ik ook verder dan de brief van 16 juni. Bij mij is zeker de intentie aanwezig om op dit punt verdere stappen te zetten als de behoefte daaraan gebleken is. De heer Teeven gaf al aan wat de gronden zijn voor voorlopige hechtenis. Als behalve de veelplegers ook de first offenders daaronder kunnen vallen, is het in alle gevallen mogelijk. Dan valt die beperking weg. Er zal dus op een of andere manier een nadere omschrijving of begrenzing moeten worden gevonden. Ik sluit absoluut niet uit dat ik tot de conclusie kom dat wij dat moeten doen. Ik heb al gezegd dat de vraag hoe wij ons de tenuitvoerlegging van de voorlopige hechtenis voorstellen daarbij ook een rol kan spelen. Daarvoor heb ik iets meer tijd nodig dan de tweede termijn van dit AO. Het is wat mij betreft zonder meer gedeblokkeerd.

Dan de vraag of ook buiten de G4 supersnelrecht mogelijk is. Die mogelijkheid is zeker aanwezig. De heer Çörüz sprak daarover. Ik heb in de brief van 16 juni aangegeven dat in ieder geval in de vier grote arrondissementen wederom supersnelrecht zal worden toegepast en mogelijk ook in andere arrondissementen. Daarmee is de mogelijkheid geopend die de heerÇörüz bepleit.

De vraag was voorts wie verantwoordelijk is voor de implementatie en uitvoering bij het OM en de rechtspraak. De vraag of wij het moeten opnemen in de prestatieafspraken hangt samen met de vraag van de heer Roemer naar de financiering daarvan. Het College van PG’s heeft al een portefeuillehouder aangewezen die verantwoordelijk is voor het dossier supersnelrecht en snelrecht. Dat is de heer Moraal.

Met betrekking tot de vraag over de prestatieafspraken OM/ZM wijs ik op mijn beleid om lokaal ruimte te geven voor toepassing van snelrecht. Deze ruimte op arrondissementsniveau bestaat ook voor het maken van nadere prestatieafspraken. Dat moet allemaal gebeuren binnen de bestaande budgetten. Dat geldt ook voor andere afdoeningsmodaliteiten. Over het geheel genomen leidt de vereenvoudigde afdoening van bepaalde strafzaken door het Openbaar Ministerie niet tot meer maar tot doelmatiger besteding van tijd, omdat dan de fase van de berechting die ook werk voor het Openbaar Ministerie oplevert eruit valt. Dit zeg ik ook naar aanleiding van de bolletjesslikkers.

Uit de evaluatie blijkt dat supersnelrecht vaak minder goed kan worden ingezet bij geweld tegen publieke ambtsdragers, omdat daarvoor een grondiger onderzoek en bewijsvoering nodig zijn. Er zijn gevallen waarin het wel kan. Daar heeft de heer Roemer waarschijnlijk ook beelden van. Het in de context van de nieuwjaarsrellen beledigen, is prima in supersnelrecht of snelrecht te doen. Als het gaat om een complexer gedragspatroon of als het samenhangt met andere strafbare feiten, dan is het weer moeilijker. Soms kan het dus inderdaad, maar niet altijd.

Dan heeft de heer De Roon gevraagd naar de weekendzittingen. Dat zou een ingrijpende verandering zijn in de organisatie. Er zijn wel mogelijkheden voor weekendzittingen en die zijn ook toegepast. In het weekend van het afgelopen Nieuwjaar is daar op beperkte schaal mee gewerkt.

Alle arrondissementen hebben een basisvoorziening voor snelrecht. Voor supersnelrecht geldt het antwoord dat ik zojuist al heb gegeven.

De heer Teeven (VVD): Mede namens collega De Roon verzoek ik u om het VAO op de plenaire agenda te plaatsen.

De voorzitter: Wij hebben een toezegging gekregen van de minister over een brief die voor de kerst komt. Hij zal de Kamer informeren over de circulaire die naar de arrondissementsparketten gaat. Verder gaat de minister in op de kwestie van de voorlopige hechtenis en artikel 67a. Hij zal nagaan welke manieren er zijn om het probleem van het ontbreken van een grond voor voorlopige hechtenis op te vangen. De minister zal ingaan op de afhandeling van schadeclaims via snelrecht of via een eenvoudige procedure bij de kantonrechter. Het punt van de snelle beschikbaarheid van de kantongerechtprocedure zal de minister nog met de Raad voor de rechtspraak bespreken.

Ik vraag namens de commissie een VAO aan bij de regeling van werkzaamheden.


XNoot
1

Samenstelling:

Leden: De Wit (SP), Van der Staaij (SGP), Arib (PvdA), ondervoorzitter, De Pater-van der Meer (CDA), voorzitter, Çörüz (CDA), Joldersma (CDA), Gerkens (SP), Van Velzen (SP), Van Vroonhoven-Kok (CDA), De Krom (VVD), Timmer (PvdA), Griffith (VVD), Teeven (VVD), Verdonk (Verdonk), De Roon (PVV), Roemer (SP), Pechtold (D66), Heerts (PvdA), Thieme (PvdD), Kuiken (PvdA), Bouwmeester (PvdA), Van Toorenburg (CDA) en Anker (ChristenUnie).

Plv. leden: Langkamp (SP), Van der Vlies (SGP), Besselink (PvdA), Aasted Madsen-van Stiphout (CDA), Jager (CDA), Jonker (CDA), Leijten (SP), Ulenbelt (SP), Jan de Vries (CDA), Weekers (VVD), Dijsselbloem (PvdA), Dezentjé Hamming-Bluemink (VVD), Van Miltenburg (VVD), Zijlstra (VVD), Fritsma (PVV), Karabulut (SP) Koşer Kaya (D66), Gill’ard (PvdA), Ouwehand (PvdD), Spekman (PvdA), Bouchibti (PvdA), Van Haersma Buma (CDA), Slob (ChristenUnie), Sterk (CDA) en Van Gent (GroenLinks).