32 123
Nota over de toestand van ’s Rijks Financiën

nr. 25
BRIEF VAN DE MINISTER-PRESIDENT, MINISTER VAN ALGEMENE ZAKEN, EN DE VICE MINISTERS-PRESIDENTEN

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 25 september 2009

1 De ambities van het kabinet

Dubbele uitdaging

De financiële en economische crisis die we nu doormaken stelt Nederland voor ongekende uitdagingen. De meest urgente opgave was en is om te voorkomen dat de economie wegzakt in een negatieve spiraal, met grote en structurele kosten ook voor de toekomst als gevolg. Dat is in ieder geval dit jaar en in 2010 de belangrijkste opgave: het beperken van de schade van de kredietcrisis door als overheid banken, burgers en bedrijven te ondersteunen bij het opvangen van de zwaarste klappen. De tweede fundamentele uitdaging is hiermee onlosmakelijk verbonden. Na de crisis moet de weg hervonden worden naar herstel en moet worden doorgewerkt aan de vormgeving van een sterker, slimmer, schoner, solide en solidair Nederland. Een eerste begin is hiermee al gemaakt in het aanvullend beleidsakkoord van maart. Op het dieptepunt van de crisis zijn toen al maatregelen genomen met het oog op het herstel van de overheidsfinanciën op langere termijn. De brede heroverwegingen hebben tot doel om de politieke besluitvorming over de weg naar herstel grondig voor te bereiden.

De crisis heeft Nederland veranderd

De crisis heeft Nederland op een fundamentele manier veranderd. De overheidsfinanciën zijn uit het lood geslagen en de werkloosheid zal in 2010 stijgen tot niveaus die vergelijkbaar zijn met die van de jaren 80. De ervaring met eerdere financiële crises in de wereld leert dat het met schatkist en arbeidsmarkt niet vanzelf weer goed komt; het zal jarenlange inspanningen vergen om de schade die in korte tijd door de crisis is aangericht te herstellen. Deze inspanning komt bovenop de al lopende fundamentele opgaven: een wereldwijd tekort aan energie en grondstoffen, de voortgaande aantasting van milieu en klimaat, de doorgaande transitie naar een kenniseconomie en de opkomst van nieuwe economische grootmachten.

Vertrouwde ambities, nieuwe omstandigheden

Hoezeer de crisis Nederland ook verandert, de ambities met betrekking tot de inrichting van Nederland en de kwaliteit van de Nederlandse samenleving blijven dezelfde. We willen, zoals in het Coalitieakkoord verwoord, «samen werken aan groei, duurzaamheid, respect en solidariteit». Deze missie staat recht overeind. De omstandigheden waaronder deze ambities verwezenlijkt moeten worden zijn in het afgelopen jaar veranderd op een manier die uniek is sinds de jaren 30. De situatie rond de sterk verslechterde overheidsfinanciën dwingt ons om duidelijke keuzes te maken.

2 Opzet van de brede heroverwegingen

Het fundamenteel herijken van beleid vraagt om politieke keuzes op basis van een gedegen en grondige analyse en voorbereiding. Deze exercitie hoeft echter niet vanaf nul te beginnen. Bestaande rapporten bieden weliswaar bouwstenen en aanknopingspunten voor de te ontwikkelen besparingsvarianten, maar vormen bij lange na geen voldoende basis. Beschikbaar onderzoek beperkt zich vaak tot kleinere deelgebieden en is bovendien vaak gericht op plannen die méér in plaats van minder geld kosten. Voor een goede besluitvorming is het bovendien niet alleen nodig te schetsen wat mogelijke opties zijn, maar ook om de budgettaire, economische en maatschappelijke effecten te weten. Tot slot is er – zeker gezien de omvang van de opgave – ook behoefte aan méér ideeën.

Indien we met elkaar de kwaliteit en toegankelijkheid van collectieve voorzieningen zoveel mogelijk willen behouden dan zijn fundamentele keuzes onvermijdelijk. De kaasschaaf biedt dan geen uitkomst. Er zullen verstrekkende keuzes gemaakt moeten worden over de omvang en het niveau van de collectieve voorzieningen en over de verdeling van verantwoordelijkheden. Dat zullen keuzes zijn die iedereen zullen raken. Een zorgvuldige voorbereiding van voorstellen en afweging van mogelijke opties en alternatieven is daarom vereist om tot goed onderbouwde besluiten te komen.

Dit is de reden dat het kabinet werkgroepen heeft ingesteld die de opdracht hebben gekregen tot het analyseren van diverse beleidthema’s, en tot het ontwikkelen van concrete beleidsalternatieven voor de toekomst. De werkgroepen zullen een breed palet van beleidsthema’s behandelen. De creativiteit en het fundamentele denken worden bevorderd door de opdracht om voor elk beleidsveld minstens één verplichte variant te ontwikkelen die de netto uitgaven (inclusief fiscale subsidies) ten opzichte van 2010 structureel met 20 procent verlaagt. Met de 20%-varianten kan in potentie zo’n 35 miljard worden bespaard. De beschouwingen in het rapport en de beleidsvarianten zijn niet gebonden aan bestaande wetgeving, het coalitieakkoord, kabinetsafspraken, departementale begrenzingen of ministerieel beleid.

Uiteindelijk is het aan het kabinet om te bepalen welke van de onderzochte besparingen op welk beleidsterrein zullen worden gerealiseerd. Dit kan er toe leiden dat op sommige beleidsterreinen meer dan 20% wordt bespaard, terwijl op andere beleidsterreinen juist sprake kan zijn van geringere besparingen of zelfs intensiveringen. De besluitvorming van het kabinet zal in het voorjaar van 2010 plaatsvinden. Daarbij zullen overigens de economische situatie en de vooruitzichten op dat moment worden betrokken bij de gewenste omvang en fasering van de maatregelen die op basis van de heroverwegingen genomen worden.

De werkgroepen wordt gevraagd langs verschillende wegen mogelijke besparingen in beeld te brengen, al dan niet in combinatie, zoals (maar niet uitsluitend):

• Harmonisatie, samenvoeging en vereenvoudiging van regelingen;

• Versterking van de samenhang tussen instrumenten;

• Toetsing van gevoerd beleid op nut, noodzaak en doeltreffendheid. Tevens kan worden bezien of de kosten in verhouding staan tot de resultaten;

• Stroomlijning van organisaties en de samenwerking tussen organisaties;

• Beperking van uitvoeringskosten en bevordering van doelmatigheid;

• Alternatieve bekostigings- en financieringsstelsels (incl. private financiering) en andere vormen van regulering;

• Bevordering van de eigen verantwoordelijkheid van burgers en internaliseren van externe effecten (de vervuiler betaalt);

• Doorvoeren van het subsidiariteitsbeginsel via centralisatie danwel decentralisatie, geografisch danwel functioneel. Hierbij wordt tevens bezien wat de gevolgen zijn van hernieuwde verantwoordelijkheidsverdeling voor gemeenten en provincies, en die voor het Provincie- en het Gemeentefonds in het bijzonder;

• Versobering van (nationale) doelstellingen en beleidsambities.

De werkgroepen zullen bij de verkenning van besparingsvarianten het ketenaspect betrekken door de mogelijke gevolgen van besparingsvarianten op aanverwante beleidsterreinen in beeld te brengen. Ook kan het zinvol zijn om te bezien waar de overheidsmiddelen terecht komen, direct of indirect bij burgers dan wel bij de uitvoering. Ook langs deze wegen kan zicht ontstaan op besparingsmogelijkheden.

De voorzitter van elke werkgroepen is een (oud-) topambtenaar die niet verantwoordelijk is voor het onderhavige beleidsterrein. Dit bevordert onthecht en creatief denken. Ambtenaren van de betrokken vakdepartementen zijn lid om zorg te dragen voor een optimaal gebruik van bestaande expertise. Ambtenaren van Algemene Zaken en Financiën zijn in elke werkgroep vertegenwoordigd voor de onderlinge consistentie. De werkgroepen worden waar nodig aangevuld met externe deskundigen, onder andere van de planbureaus. Het gaat dus nadrukkelijk niet om departementale werkgroepen.

Namens het kabinet zijn de minister-president en de beide vicepremiers verantwoordelijk voor de brede heroverwegingen. Zij zorgen er voor dat de werkgroepen opereren binnen de uitgezette lijnen en dat de tijdens de Algemene Politieke Beschouwingen door uw Kamer aangedragen suggesties – inclusief degene die voortvloeien uit ingediende tegenbegrotingen – worden meegegeven aan de werkgroepen. In de ministerraad is afgesproken dat de leden van de werkgroepen opereren zonder politieke last.1 Bewindspersonen kunnen de werkgroepen die actief zijn op hun beleidsveld verplichten over bepaalde varianten te rapporteren, maar mogen varianten vanuit de werkgroepen niet blokkeren. De minister-president en de beide vice-premiers kunnen ook varianten aandragen waarover verplicht moet worden gerapporteerd.

De taak van de werkgroepen is om de politieke besluitvorming zo goed mogelijk voor te bereiden. Het nemen van beslissingen en daarmee het primaat in het proces is en blijft aan de politiek. Het is daarom de bedoeling dat de werkgroepen alle relevante informatie en analyses neerleggen om tot een gewogen politieke besluitvorming te komen, zonder alvast een voorschot te nemen op die besluitvorming. De minister-president en de beide vicepremiers zullen hierop toezien.

In de bijlage treft u aan per werkgroep een omschrijving van het thema, de taakopdracht aan de werkgroep, de budgettaire afbakening en de samenstelling van de werkgroep (inclusief de voorzitter).

3 Hoe verder na de brede heroverwegingen

De werkgroepen krijgen de opdracht zo spoedig mogelijk hun werkzaamheden aan te vangen en in het begin van het tweede kwartaal van 2010 hun werk af te ronden.1 De minister-president en de beide vice-premiers stellen vast of de eindrapporten van de werkgroepen aan de taakopdrachten voldoen.

Met de rapporten van de werkgroepen beschikt het kabinet over een brede staalkaart aan opties, inclusief de budgettaire, economische en maatschappelijke effecten. Daarnaast bestaat het keuzepalet voor het in balans brengen van de inkomsten en uitgaven voor 2011 en latere jaren naast de uitkomsten van de werkgroepen uit generieke taakstellingen en lastenmaatregelen. Verder is het werk van de Studiecommissie Belastingstelsel van belang2. De totale afweging vindt plaats in het licht van de ambities en prioriteiten van het kabinet zoals geformuleerd in hoofdstuk 1 van de miljoenennota. Hierbij wordt dan ook betrokken de in de Kamer breed gesteunde ambitie om het onderwijs en de wetenschap in Nederland tot de mondiale top vijf te laten behoren.

Het kabinet zal de rapporten aan de Tweede Kamer aanbieden. Voor het debat over de Voorjaarsnota 2010 zal het kabinet daarbij aangeven welke afwegingen het mede op basis van deze rapporten heeft gemaakt. Maatregelen die betrekking hebben op 2011 zullen budgettair worden verwerkt in de ontwerpbegroting 2011, conform de reguliere begrotingscyclus.

4 Tot Slot

Elke crisis, en dus ook de kredietcrisis, vraagt om snel en krachtig ingrijpen, maar ook om een fundamentele herbezinning om sterker uit de crisis te komen. Het kabinet heeft, net als internationale overheden en centrale banken, onorthodoxe en krachtige maatregelen genomen om de schadelijke effecten van de crisis te dempen. Het is te hopen dat, mede door deze inspanningen, de economie de weg naar boven hervindt. Het jaar 2010 staat echter nog volop in het teken van de crisis en de bijbehorende onzekerheid. De noodzaak om ook in 2010 de economie te ondersteunen, waardoor op zijn snelst vanaf 2011 aan budgettair herstel kan worden gewerkt, creëert ruimte voor een fundamentele heroverweging van aard, doel en omvang van overheidsinterventies in economie en samenleving. De feitelijke verarming van Nederland gedurende de recessie maakt deze heroverweging onvermijdelijk en uitdagend. Samen werken aan een slimmer, socialer, schoner, solide en solidair Nederland is daarbij het ambitieuze en uitnodigende perspectief.

De minister-president, Minister van Algemene Zaken,

J. P. Balkenende

De vice minister-president, De minister van Financiën,

W. J. Bos

De vice minister-president, De minister voor Jeugd en Gezin,

A. Rouvoet

BIJLAGE

De taakopdrachten van de brede heroverwegingen

1 ENERGIE EN KLIMAAT

Thema

Deze heroverweging betreft het geheel aan uitgaven voor duurzame energie en energie-efficiency en fiscale voordelen die niet-duurzame prikkels met zich meebrengen. Bovendien worden de uitgaven voor mitigerend (internationaal)klimaatbeleid onder de loep genomen. Bij de totstandkoming hebben de volgende motieven een rol gespeeld: de haalbaarheid van kabinetsdoelen voor klimaat en duurzaamheid, het optimaliseren van de prijsprikkel die bij kan dragen aan het bereiken van die doelen en de vormgeving van overheidsinterventie om die doelen dichterbij te brengen. Het gaat in 2010 om een totaal aan huidige uitgaven van circa 1,8 mld. euro, deels in de vorm van belastinguitgaven, deels via subsidies.

Opdracht aan de werkgroep

De werkgroep wordt gevraagd beleidsvarianten te ontwikkelen die structureel besparen op de hieronder genoemde uitgaven op dit thema, waarbij tenminste één variant (al dan niet bestaand uit verschillende subvarianten) structureel 20% van de netto uitgaven in 2010 bespaart, conform de spelregels van de brede heroverwegingen. Afhankelijk van de inhoudelijke analyse kan de werkgroep ook besparingsvarianten presenteren die verdergaan dan 20%. Gezien de aard van het thema kan de werkgroep aanvullend grotere besparingsvarianten presenteren voor de langere termijn (na 2015). De beschrijving van de beleidsvarianten besteedt in ieder geval aandacht aan de volgende aspecten: doelmatigheid (gelet op de beoogde doelstelling), beheersbaarheid van de uitgaven en inkomsten, uitvoerbaarheid en de bijdrage die wordt geleverd aan de verduurzaming van de economie.

De werkgroep wordt gevraagd, waar relevant, verbinding te maken met aanverwante thema’s.

Afbakening

De heroverweging betreft de onderstaande instrumenten. De toekomstige ontwikkelingen rond het SDE instrument (zoals de consequenties van het aanvullend beleidskader voor de uitgaven vanaf 2013) dienen mee te worden meegenomen in de heroverweging. Bovendien wordt de werkgroep gevraagd om ook de maatregelen ter fiscale vergroening met budgettaire gevolgen mee te nemen in deze heroverweging (niet opgenomen in de tabel). Naast de financiële instrumenten betreft de heroverweging ook niet-financiële nationale klimaat- en energie-instrumenten, zoals bijvoorbeeld de convenanten die in het kader van S&Z met de verschillende sectoren zijn gesloten en de daaruit voorvloeiende afspraken met die sectoren.

Samenstelling van de werkgroep

Voorzitter: mr. A.W. Kist

Leden: VROM, EZ, LNV, BuZa, AZ, FIN en externe deskundigen (nog te bezien)

Tabel 1: De in de heroverweging energie en klimaat minimaal te betrekken regelingen (mln euro)1

    2009 2010 2011 2012 2013 2014
Uitgaven2            
(a) SDE + MEP 650 773 870 914 930 1 200
(b) Industrie (MJA + overig) 4 14 10 10 10 10
(c) Warmte + WKK + overig 30 41 44 32 38 38
(d) CO2 opslag   9 23 26 26 26
(e) Duurzame landbouw 45 52 43 50 44 42
(f) Gebouwde omgeving 20 45 70 74 59 59
(g) Voorkomen klimaatverandering (VROM art 3) 23 21 18 15 26 26
(h) Internationaal klimaatbeleid (VROM art7 + EZ JI) 85 117 140 123 98 15
(i) Duurzame mobiliteit 3 5 5 5 5 5
               
Fiscaal              
(j) Energiebelasting (o.a. verlaagde tarieven en teruggaaf) 19 194 198 203 207 211
(k) Nationale accijnzen (rode diesel en verlaagd ov-tarief) 129 132 134 137 140 143
(l) Stimuleringsregeling (o.a. MIA, VAMIL, EIA) 272 275 304 304 304 304
(m) Vrijstelling groen beleggen forfaitair rendement3 68 77 78 81 83 85
(n) Heffingskorting groen3 beleggen 82 93 95 98 100 104
Totaal 1 430 1 848 2 032 2 172 2 070 2 268

1 Cijfers op basis van ontwerpbegroting 2010. Fiscale gegegevens o.b.v. ramingen.

2 Bedragen VROM-begroting zijn exclusief apparaatsuitgaven. Voor zover op de hierbij genoemde artikelen apparaatsuitgaven niet zijn meegenomen, zal de werkgroep in principe deze alsnog meenemen.

3 Berekend op basis van een over de afgelopen tien jaar gemiddeld aandeel van energie- en klimaatgerelateerde projecten van 85% in het totaal aan nieuw aangebrachte groene beleggingen.

2 LEEFOMGEVING EN NATUUR

Thema

Deze heroverweging betreft het beleid gericht op verbeteren van de leefomgeving en de natuur. Het betreft fysieke investeringen in de stedelijke en landelijke ruimtelijke ontwikkeling (incl. landschap en natuur), luchtkwaliteit, geluidshinder, bodem- en waterkwaliteit en fysieke veiligheid. In totaal zijn de uitgaven op dit terrein circa 1,9 mld. in 2010.

Opdracht aan de werkgroep

De werkgroep wordt gevraagd beleidsvarianten te ontwikkelen die structureel besparen op de hieronder genoemde uitgaven op dit thema, waarbij tenminste één variant (al dan niet bestaand uit verschillende subvarianten) structureel 20% van de netto uitgaven in 2010 bespaart, conform de spelregels van de brede heroverwegingen. Afhankelijk van de inhoudelijke analyse kan de werkgroep ook besparingsvarianten presenteren die verdergaan dan 20%. De beschrijving van de beleidsvarianten besteedt in ieder geval aandacht aan de volgende aspecten: doelmatigheid (gelet op de beoogde doelstelling), beheersbaarheid van de uitgaven en inkomsten, subsidiariteit en uitvoerbaarheid.

De werkgroep wordt gevraagd, waar relevant, verbinding te maken met aanverwante thema’s.

Afbakening

De grondslag voor deze heroverweging betreft de onderdelen van de VROM-, LNV- en VenW-begroting zoals opgenomen in onderstaande tabel. Een deel hiervan is FES-gefinancieerd. Het niet-verlengen van FES-gefinancierd beleid is onderdeel van deze heroverweging.

Samenstelling van de werkgroep

Voorzitter: drs. M.P. van Gastel (Ministerie van VWS)

Leden: VROM, LNV, V&W, AZ, FIN en externe deskundigen (nog te bezien)

Tabel 2: De in de heroverweging leefomgeving en natuur minimaal te betrekken regelingen (mln euro)

    2009 2010 2011 2012 2013 2014
VROM1 Art 1 Optimalisering ruimtelijke afweging 14 7 3 3 4 4
  Art 2 Nationaal Ruimtelijk Beleid 327 293 93 61 56 52
  Art 3 Klimaatverandering en luchtkwaliteit 202 191 128 36 32 32
  Art 4 Duurzaam produceren 206 150 147 152 151 151
  Art 6 Risicobeleid 96 43 59 73 80 80
  Art 9 Handhaving en toezicht 59 58 55 55 55 55
  Art 10 Leefomgeving 223 239 239 244 229 229
LNV Art 21 Luchtkwaliteit landbouw 4 22 13 6 5 3
  Art 22 Agrarische ruimte 86 63 50 36 35 33
  Art 23 Natuur2 544 503 593 536 550 526
  Art 24 Landschap en recreatie 125 138 292 157 153 111
  Art 27 Bodem, water en reconstructie zandgebieden 80 118 110 115 112 88
  Fiscale regelingen natuur en landschap 37 31 31 32 33 34
  Vrijstelling groen beleggen forfaitair rendement3 12 14 14 14 15 15
  Heffingskorting groen beleggen4 14 16 17 17 18 18
VenW Art 36 Kwaliteit van de leefomgeving, gegeven de toename mobiliteit 58 48 36 29 25 22
Totaal 2 073 1918 1 863 1 549 1 535 1 435

1 Bedragen VROM-begroting zijn exclusief apparaatsuitgaven. Voor zover op de hierbij genoemde artikelen apparaatsuitgaven niet zijn meegenomen, zal de werkgroep deze in principe alsnog meenemen.

2 Dit zijn inclusief de middelen op de aanvullende post voor de Enveloppe natuur, EHS en vitaal platteland.

3 Berekend op basis van een over de afgelopen tien jaar gemiddeld aandeel van natuur- en duurzame bouwgerelateerde projecten van 15% in het totaal aan nieuw aangebrachte groene beleggingen.

3 MOBILITEIT EN WATER

Thema

Deze heroverweging betreft de financiering en bekostiging van aanleg, beheer en onderhoud, gebruik en bediening van infrastructuur over de volle breedte van bouwen, beprijzen en benutten. In 2010 gaat het om een bedrag van circa 8,6 mld. (hoogte infrastructuurfonds 2010).1

Opdracht aan de werkgroep

De werkgroep wordt gevraagd beleidsvarianten te ontwikkelen die structureel besparen (voor kader en EMU-saldo) op de hieronder genoemde uitgaven op dit thema, waarbij tenminste één variant (al dan niet bestaand uit verschillende subvarianten) structureel 20% van de netto uitgaven in 2010 bespaart, conform de spelregels van de brede heroverwegingen. De jaarlijkse groei van 2,8% per jaar heeft als resultaat dat het IF circa 12,1 mld. aan extra middelen beschikbaar heeft in de jaren 2009–2020 ten opzichte van een situatie zonder groei. Afhankelijk van de inhoudelijke analyse kan de werkgroep ook besparingsvarianten presenteren die verder gaan dan 20%.

De beschrijving van de beleidsvarianten besteedt in ieder geval aandacht aan de volgende aspecten: doelmatigheid (gelet op de beoogde doelstelling), beheersbaarheid van de uitgaven en inkomsten en uitvoerbaarheid, maar gaat ook in op de gevolgen van de besparingsvarianten voor de beleidsdoelstellingen uit bijvoorbeeld de Nota Mobiliteit en de Mobiliteitsaanpak. Zowel de hoogte van de doelstellingen als het moment waarop deze worden bereikt kunnen kritisch worden bezien.

De werkgroep wordt gevraagd, waar relevant, verbinding te maken met aanverwante thema’s.

Afbakening

De heroverweging mobiliteit en water betreft minimaal de uitgaven zoals opgenomen in tabel 3.

Samenstelling van de werkgroep

Voorzitter: drs. M.A. Ruys (Ministerie van BZK, ABD)

Leden: VROM, LNV, V&W, AZ, FIN en externe deskundigen (nog te bezien)

Tabel 3: De in de heroverweging Mobiliteit en water minimaal te betrekken regelingen (mln euro)1

  2009 2010 2011 2012 2013 2014
Aanleg 4 920 4 681 4 945 4 886 4 533 5 106
Beheer en Onderhoud 2 804 3 948 3 574 3 352 3 057 3 155
Totaal2 7 724 8 630 8 520 8 238 7 590 8 261

1 Cijfers op basis van ontwerpbegroting 2010.

2 Voor zover op de hierbij genoemde artikelen apparaatsuitgaven niet zijn meegenomen, zal de werkgroep in principe deze alsnog meenemen.

4 WONEN

Thema

Deze heroverweging betreft het geheel aan (fiscale) subsidies, belastingen, regels en instituties rond wonen: (ver)bouwen, (ver)kopen, (ver)huren, verhuizen. In de woningmarkt gaat niet alleen rijksgeld om, maar is ook sprake van een omvangrijk maatschappelijk vermogen dat wordt beheerd door de woningcorporaties. In totaal leggen woonregelingen in 2010 een beslag op de collectieve middelen van circa 13 mld. Daarnaast wordt de impliciete waarde van de ondersteuning van huurders via de regulering van aanvangshuren en het gematigde huurbeleid van woningcorporaties geschat op meer dan 10 mld.1 Schattingen van het maatschappelijk vermogen van de woningcorporaties bedragen 90 tot 380 mld, afhankelijk of de woningen tegen bedrijfswaarde, in verhuurde staat of in het vrije verkeer worden gewaardeerd.2

Opdracht aan de werkgroep

De werkgroep wordt gevraagd beleidsvarianten te ontwikkelen die structureel besparen op de hieronder genoemde uitgaven op dit thema, waarbij tenminste één variant (al dan niet bestaand uit verschillende subvarianten) structureel 20% van de netto uitgaven in 2010 bespaart, conform de spelregels van de brede heroverwegingen. Afhankelijk van de inhoudelijke analyse kan de werkgroep ook besparingsvarianten presenteren die verder gaan dan 20% en een langer tijdpad hebben (verder dan 2015).

Vanwege de verwevenheid van de segmenten van de woningmarkt is het gewenst dat varianten de koop- en huurmarkt in samenhang beschouwen en dat hierbij de sturing van de woningcorporaties wordt betrokken. De beschrijving van de beleidsvarianten besteedt in ieder geval aandacht aan de volgende aspecten: doelmatigheid (gelet op de beoogde doelstelling), beheersbaarheid van de uitgaven en inkomsten, en uitvoerbaarheid.

De werkgroep wordt gevraagd, waar relevant, verbinding te maken met aanverwante thema’s.

Afbakening

De heroverweging betreft de regelingen (a) tot en met (f) zoals opgenomen in tabel 4. Daarnaast betreft de heroverweging de volgende vier regelingen, die ook effect hebben op het beslag op en de besteding van collectieve middelen: (g) de overdrachtsbelasting, (h) de regeling om de eigenwoning in box 1 te plaatsen in plaats van in box 3 gelijk andere vermogentitels zoals spaargeld, aandelen en obligaties, (i) de regulering van de aanvangshuren en de huurprijsontwikkeling (uitvoeringswet huurprijzenwet woonruimte met daarbij behorende besluiten en regelingen), en (j) het Besluit Beheer Sociale Huursector (BBSH). De werkgroep kan ook de relatie bezien met decentrale subsidies en belastingen gerelateerd met wonen, zoals de OZB. In aanvulling op aanpassingen in bovenstaande regelingen kunnen aanpassingen in het beschikbare instrumentarium van de ruimtelijke ordening en het grondbeleid in beschouwing worden genomen.

Samenstelling van de werkgroep

Voorzitter: drs. A.H.M. de Jong (Voorzitter College van Bestuur PCOU en Willibrord)

Leden: WWI, VROM, SZW, EZ, AZ, FIN, BZK en externe deskundigen (nog te bezien)

Tabel 4: De in de heroverweging minimaal te betrekken regelingen (mln euro)1

    2009 2010 2011 2012 2013 2014
(a) Hypotheekrenteaftrek 11 600 11 400        
(b) Eigenwoningforfait2 – 2 300 – 2 200        
(c) Vrijstelling kapitaalverzekering eigenwoning 632 676        
(d) Huurtoeslag 2 378 2 440 2 516 2 519 2 547 2 564
(e) ISV 327 288 263 138 138 138
(f) BLS 167 126 0 0 0 0
Totaal3 12 804 12 730        

1 Cijfers op basis van ontwerpbegroting 2010. Ramingen voor de fiscale regelingen voor 2011 en verder ontbreken.

2 Inclusief aftrek wegens geen of geringe eigenwoningschuld (Wet Hillen).

3 Voor zover op de hierbij genoemde artikelen apparaatsuitgaven niet zijn meegenomen, zal de werkgroep deze in principe alsnog meenemen.

5 KINDREGELINGEN

Thema

Deze heroverweging betreft het geheel aan collectief gefinancierde tegemoetkomingen voor ouders met kinderen. Bij de totstandkoming van deze kindregelingen hebben verschillende motieven een rol gespeeld: tegemoetkoming in de kosten van kinderen, bevordering arbeidsparticipatie en stimulering van de ontwikkeling van het kind. In totaal gaat het bij de kindregelingen in 2010 om circa 9,2 mld.

Opdracht aan de werkgroep

De werkgroep wordt gevraagd beleidsvarianten te ontwikkelen die structureel besparen op de hieronder genoemde uitgaven op dit thema, waarbij tenminste één variant (al dan niet bestaand uit verschillende subvarianten) structureel 20% van de netto uitgaven in 2010 bespaart, conform de spelregels van de brede heroverwegingen. Afhankelijk van de inhoudelijke analyse kan de werkgroep ook besparingsvarianten presenteren die verdergaan dan 20%. De beschrijving van de beleidsvarianten besteedt in ieder geval aandacht aan de volgende aspecten: doelmatigheid (gelet op de beoogde doelstelling), beheersbaarheid van de uitgaven en inkomsten, inkomenseffecten en uitvoerbaarheid.

De werkgroep wordt gevraagd, waar relevant, verbinding te maken met aanverwante thema’s.

Afbakening

De heroverweging betreft de kindregelingen (a) tot en met (k) zoals opgenomen in tabel 5. Het is mogelijk om ook het primair onderwijs en de vroeg- en voorschoolse educatie in de analyse en in de te ontwikkelen varianten te betrekken.

Samenstelling van de werkgroep

Voorzitter: mr. R.M. Bergkamp (Ministerie van EZ)

Leden: J&G, OCW, SZW, AZ, FIN en externe deskundigen (nog te bezien)

Tabel 5: De in de heroverweging minimaal te betrekken regelingen (mln. euro)1

    2009 2010 2011 2012 2013 2014
(a) Kinderbijslag 3 390 3 352 3 310 3 273 3 244 3 222
(b) Kindgebonden budget 1 045 946 1 059 1 060 1 060 1 060
(c) Kinderopvangtoeslag 2 825 2 612 2 763 2 853 2 905 2 962
(d) Ouderschapsverlofkorting 78 90 90 90 90 90
(e) Combinatiekorting 1 250 1 255 1 265 1 265 1 265 1 265
(f) Alleenstaande ouderkorting 345 355 365 365 365 365
(g) Aanvullende alleenstaande ouderkorting 275 275 275 275 275 275
(h) Kindertoeslag vrijstelling box 3 22 22 23 23 25 25
(i) Aftrek levensonderhoud kinderen 200 205 210 215 220 220
(j) Wet Tegemoetkoming Onderwijsbijdragen en Schoolkosten 106 34 33 32 31 31
(k) Tegemoetkoming Onderhoudskosten thuiswonende Gehandicapte kinderen 60 30 34 38 41 42
Totaal2 9 536 9 146 9 393 9 451 9 480 9 515

1 Cijfers op basis van ontwerpbegroting 2010.

2 Voor zover op de hierbij genoemde artikelen apparaatsuitgaven niet zijn meegenomen, zal de werkgroep deze in principe alsnog meenemen.

6 PRODUCTIVITEIT ONDERWIJS

Thema

Deze heroverweging betreft het realiseren van productiviteitsverbeteringen in de verschillende onderwijssectoren. Het onderwijs is een van de sectoren die in het verleden in het algemeen uitgezonderd is bij het taakstellend afromen van (arbeids)productiviteitsstijgingen. In totaal zijn de uitgaven aan onderwijs (primair, voortgezet, beroeps- en volwasseneducatie en onderwijsaanvullingen voor achterstands- en zorgleerlingen) in 2010 circa 20,4 mld.

Opdracht aan de werkgroep

De werkgroep wordt gevraagd beleidsvarianten te ontwikkelen die structureel besparen op de hieronder genoemde uitgaven op dit thema, waarbij tenminste één variant (al dan niet bestaand uit verschillende subvarianten) structureel 20% van de netto uitgaven in 2010 bespaart, conform de spelregels van de brede heroverwegingen. De beschrijving van de beleidsvarianten besteedt in ieder geval aandacht aan de volgende aspecten: doelmatigheid (gelet op de beoogde doelstelling), beheersbaarheid van de uitgaven, uitvoerbaarheid en de effecten op (de dimensies van) onderwijskwaliteit.

De werkgroep wordt gevraagd, waar relevant, verbinding te maken met aanverwante thema’s.

Afbakening

De heroverweging betreft de uitgaven zoals opgenomen in tabel 6.

Samenstelling van de werkgroep

Voorzitter: drs. R.M. Smit (VU Amsterdam)

Leden: OCW, LNV, AZ, FIN en externe deskundigen (nog te bezien)

Tabel 6: De in de heroverweging productiviteit onderwijs minimaal te betrekken regelingen (mln. euro)1

    2009 2010 2011 2012 2013 2014
(a) Primair Onderwijs2 7 671 7 643 7 451 7 403 7 341 7 281
(b) Voortgezet onderwijs3 5 920 5 975 5 907 5 925 5 972 6 041
(c) Beroeps- en volwasseneneducatie4 3 661 3 691 3 490 3 455 3 420 3 399
(d) Onderwijs(aanvullingen) voor achterstands- en zorgleerlingen5 3 167 3 057 3 240 3 261 3 280 3 280
Totaal6 20 420 20 366 20 087 20 043 20 013 20  002

Noot: De uitgaven aan onderwijsachterstanden- en zorgbeleid zijn gebaseerd op een schatting. Voor zover cijfers nog niet over alle jaren beschikbaar zijn is aangenomen dat de uitgaven gelijk blijven aan het jaar ervoor.

1 Cijfers op basis van ontwerpbegroting 2010; rapport Zicht op zorggelden, mei 2009.

2 Deze uitgaven zijn exclusief de uitgaven voor VVE, gewichtenregeling, leerlinggebondenfinanciering, speciaal basisonderwijs, speciaal onderwijs en passend onderwijs.

3 Deze uitgaven zijn exclusief de uitgaven voor het leer-plusarrangement, leerlinggebondenfinanciering, PRO/LWOO en VSO, maar inclusief de uitgaven voor het groen onderwijs. Deze uitgaven zijn exclusief de uitgaven voor VVE, gewichtenregeling, leerlinggebondenfinanciering, speciaal basisonderwijs, speciaal onderwijs en passend onderwijs.

4 Deze uitgaven zijn exclusief de uitgaven voor de leerlinggebondenfinanciering, maar inclusief de uitgaven voor het groen onderwijs.

5 Meer specifiek betreft het hier de gelden waarvoor bij de uitgaven per sector gecorrigeerd is (zie voetnoot 1, 2 en 3).

6 Voor zover op de hierbij genoemde artikelen apparaatsuitgaven niet zijn meegenomen, zal de werkgroep deze in principe alsnog meenemen.

7 HOGER ONDERWIJS

Thema

Deze heroverweging betreft het geheel aan collectief gefinancierde instrumenten in het hoger onderwijs samenhangende met i) het publiek bekostigde onderwijsdeel van het hoger onderwijs; ii) het bieden van financiële mogelijkheden voor studenten om deel te nemen aan het hoger onderwijs. Belangrijke doelstellingen bij al deze collectief gefinancierde instrumenten zijn het waarborgen van de kwaliteit van het hoger onderwijs en van de financiële toegankelijkheid tot dit onderwijs voor studenten. In totaal zijn de relevante netto uitgaven aan hoger onderwijs in 2010 circa €5,8 mld.1

Opdracht aan werkgroep

De werkgroep wordt gevraagd beleidsvarianten te ontwikkelen die structureel besparen op de hieronder genoemde uitgaven op dit thema, waarbij tenminste één variant (al dan niet bestaand uit verschillende subvarianten) structureel 20% van de netto uitgaven in 2010 bespaart, conform de spelregels van de brede heroverwegingen. Afhankelijk van de inhoudelijke analyse kan de werkgroep ook besparingsvarianten presenteren die verdergaan dan 20%. De beschrijving van de beleidsvarianten besteedt in ieder geval aandacht aan de volgende aspecten: doelmatigheid (gelet op de beoogde doelstelling), beheersbaarheid van de uitgaven, (levens)inkomenseffecten van studenten en uitvoerbaarheid.

De werkgroep wordt gevraagd, waar relevant, verbinding te maken met aanverwante thema’s.

Afbakening

De heroverweging betreft de budgetten zoals opgenomen in tabel 7. Bij de publieke bekostiging van het hoger onderwijs (inclusief het «groene» hoger onderwijs) is alleen het onderwijsdeel van de bekostiging van het hoger onderwijs opgenomen. Dat wil zeggen dat het onderzoeksdeel niet meeloopt. Ook de bekostiging van academische ziekenhuizen maakt – gegegeven het eigenstandige karakter – geen onderdeel uit van deze heroverweging.

Samenstelling van de werkgroep

Voorzitter: mr. J. van der Vlist (Ministerie van Justitie)

Leden: OCW, LNV, EZ, AZ, FIN en externe deskundigen (nog te bezien)

Tabel 7: De in de heroverweging minimaal te betrekken regelingen (mln euro)1

    2009 2010 2011 2012 2013 2014
I. Hoger onderwijs (a t/m d) 3 720 3 942 3 979 4 004 4 027 4 049
a. Onderwijsdeel Hogescholen 2062 2 212 2 247 2 259 2 274 2 284
b. Onderwijsdeel groene Hogescholen 64 68 65 65 65 65
c. Onderwijsdeel Universiteiten 1 434 1 503 1 514 1 527 1 535 1 547
d. Onderwijsdeel groene Universiteit 160 159 153 153 153 153
               
II. Studiefinanciering (a min c)2 1 454 1 871 2046 2 242 2 307 2 373
a. relevante uitgaven 1 703 2 123 2 317 2 535 2 625 2 719
b. niet-relevante uitgaven 1924 1 811 1 798 1 812 1 831 1 834
c. relevante ontvangsten 249 252 271 293 318 346
d. niet-relevante ontvangsten 252 288 325 362 397 431
III. Totaal (I+II)3 5 174 5 813 6 025 6 246 6 334 6 422

1 Cijfers op basis van ontwerpbegroting 2010.

2 De uitgaven studiefinanciering omvatten ook een component die betrekking heeft op MBO-deelnemers. Bij de uitwerking van varianten zal de werkgroep uitgaan van een grondslag waarbij deze component niet wordt meegenomen.

3 Voor zover op de hierbij genoemde artikelen apparaatsuitgaven niet zijn meegenomen, zal de werkgroep deze in principe alsnog meenemen.

8 INNOVATIE EN TOEGEPAST ONDERZOEK

Thema

Deze heroverweging omvat het geheel aan instrumenten en uitgaven m.b.t. innovatiebeleid en toegepast onderzoeksbeleid. Het betreft uitgaven die beogen vernieuwing en verbetering bij bedrijven en andere organisaties te bevorderen. Bij deze heroriëntatie ligt de nadruk op effectiviteit en focus, verder wordt fundamenteel onderzoek buiten beschouwing gelaten vanwege het eigenstandige karakter. In totaal zijn de uitgaven op dit terrein circa 1,7 mld in 2010.

Opdracht aan de werkgroep

De werkgroep wordt gevraagd beleidsvarianten te ontwikkelen die structureel besparen op de hieronder genoemde uitgaven op dit thema, waarbij tenminste één variant (al dan niet bestaand uit verschillende subvarianten) structureel 20% van de netto uitgaven in 2010 bespaart, conform de spelregels van de heroverweging. Afhankelijk van de inhoud van de analyse kan de werkgroep ook beleidsvarianten presenteren die verdergaan dan 20%. De beschrijving van de beleidsvarianten besteedt in ieder geval aandacht aan de volgende aspecten: doelmatigheid (gelet op de beoogde doelstelling), doelmatigheid van individuele instrumenten, doelmatigheid van het complex aan instrumenten, beheersbaarheid van de uitgaven en inkomsten, en uitvoerbaarheid. De werkgroep wordt gevraagd, waar relevant, verbinding te maken met aanverwante thema’s.

Afbakening

De heroverweging betreft de uitgaven zoals opgenomen in tabel 8. De werkgroep zal bezien of de maatschappelijke innovatieagenda’s (MIA’s) gezien hun aard en doelstelling behoren tot het thema of niet, en dientengevolge onderdeel van de heroverweging zijn of niet

Samenstelling van de werkgroep

Voorzitter: drs. G.J. Lankhorst (Gasterra)

Leden: EZ, OCW, LNV, AZ, VROM, FIN en externe deskundigen (nog te bezien)

Tabel 8: De in de heroverweging innovatie en toegepast onderzoek minimaal te betrekken regelingen (mln euro)1

    2009 2010 2011 2012 2013 2014
(a) Art. 2 EZ begroting Sterk innovatievermogen 748 766 626 649 595 596
(b) WBSO 614 700 547 547 547 547
(c) Art. 21 LNV begroting Duurzaam ondernemen 16 16 16 16 16 9
(d) Art 26 LNV voor zover het niet DLO betreft 17 14 14 14 14 14
(e) Publieke financiering van GTI’s2*            
(e1) Bijdragen aan DLO (begroting LNV) pm pm pm pm pm pm
(e2) Bijdragen aan TNO, Deltares, Marin, NLR (begroting OCW) pm pm pm pm pm pm
(e3) Bijdragen aan ECN (begroting EZ) pm pm pm pm pm pm
(e4) Overige bijdragen van departementen aan publieke financiering van de GTI’s3 pm pm pm pm pm pm
Totaal4 1 395+PM 1 496+PM 1 203+PM 1 226+PM 1  172+PM 1 166+PM

* De werkgroep zal bezien op welke onderdelen de overheidsuitgaven aan GTI’s niet beogen vernieuwing en verbetering bij bedrijven en andere organisaties te bevorderen; deze onderdelen van de uitgaven zullen dan buiten beschouwing blijven.

1 Cijfers op basis van ontwerpbegroting 2010, WBSO is exclusief incidentele verhoging stimuleringspakket.

2 GTI’s zijn de zes grote technologische instituten: DLO, TNO, Deltares, Marin, NLR en ECN.

3 Het gaat hier om uitgaven van departementen aan publieke financiering (basis- en doelfinanciering) van de GTI’s (te onderscheiden van geldstromen vanwege private en publieke marktopdrachten) voorzover niet elders in de tabel genoemd. De werkgroep wordt gevraagd de omvang van deze uitgaven in kaart te brengen.

4 Voor zover op de hierbij genoemde artikelen apparaatsuitgaven niet zijn meegenomen, zal de werkgroep deze in principe alsnog meenemen.

9 OP AFSTAND VAN DE ARBEIDSMARKT

Thema

Deze heroverweging betreft het geheel van regelingen voor inkomensondersteuning voor mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt. Het betreft met name de Wet Arbeidsongeschiktheidsvoorziening Jongehandicapten (Wajong), de Wet Sociale Werkvoorziening (WSW), de Wet Werk en Bijstand (WWB), de Wet op de arbeidsgeschiktheidsverzekering (WAO) en de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen. In totaal gaat het bij deze regelingen in 2010 om circa 19,5 mld. Aanverwante regelingen zoals de AWBZ en speciaal onderwijs worden, waar relevant, ook betrokken.

Opdracht aan de werkgroep

De werkgroep wordt gevraagd beleidsvarianten te ontwikkelen die structureel besparen op de hieronder genoemde uitgaven op dit thema, waarbij tenminste één variant (al dan niet bestaand uit verschillende subvarianten) structureel 20% van de netto uitgaven in 2010 bespaart, conform de spelregels van de brede heroverwegingen.1 Afhankelijk van de inhoudelijke analyse kan de werkgroep ook besparingsvarianten presenteren die verdergaan dan 20%. De beschrijving van de beleidsvarianten besteedt in ieder geval aandacht aan de volgende aspecten: doelmatigheid (gelet op de beoogde doelstelling), beheersbaarheid van de uitgaven, inkomenseffecten en uitvoerbaarheid.

Afbakening

De heroverweging betreft de regelingen (a) tot en met (i) zoals opgenomen in tabel 9.

Samenstelling van de werkgroep

Voorzitter: drs. R.IJ.M. Kuipers (Ministerie van BZK, ABD)

Leden: SZW, EZ, OCW, J&G, BZK, AZ, FIN en externe deskundigen (nog te bezien)

Tabel 9: De in de heroverweging minimaal te betrekken regelingen (mln euro)

    2009 2010 2011 2012 2013 2014
(a) Wajong-uitkeringslasten 2 436 2 579 2 735 2 883 3 014 3 074
(b) Wajong-uitvoeringskosten 110 93 93 103 111 115
(c) Wajong-reintegratiemiddelen 67 71 89 101 113 109
(d) WSW 2 510 2 514 2 507 2 508 2 508 2 508
(e) WWB-Inkomensdeel 3 848 4 051 4 330 4 624 4 601 4 600
(f) WWB-reintegratiedeel 1 529 1 409 1 254 1 303 1 315 1 264
(g) WAO-uitkeringslasten* 7 882 7 253 6 579 5 8 77 5 246 4 746
(h) IVA-uitkeringslasten 329 439 541 630 703 766
(i) WGA-uitkeringslasten 830 1 079 1 336 1 594 1 852 2 108
Totaal1 19 541 19 488 19 464 19 623 19 463 19 290

* De reeks WAO-uitkeringslasten kent een dalend verloop aangezien er op termijn geen instroom in de WAO zal plaatsvinden. De IVA-, WGA- en Wajong-reeksen nemen – volgens huidige inzichten in minder sterke mate de komende jaren toe.

1 Voor zover op de hierbij genoemde artikelen apparaatsuitgaven niet zijn meegenomen, zal de werkgroep deze in principe alsnog meenemen.

10 WERKLOOSHEID

Thema

Deze heroverweging betreft met name de Werkloosheidswet (WW). De WW is een werknemersverzekering; via de WW zijn werknemers (tot een bepaald maximum) verzekerd tegen de financiële gevolgen van werkloosheid. Het budgettair beslag van de WW (inclusief reïntegratie en uitvoering) beloopt in 2010 bijna 7 mld. Hierbij moet worden aangetekend dat dit bedrag sterk wordt beïnvloed door de oplopende werkloosheid.

Opdracht aan de werkgroep

De werkgroep wordt gevraagd beleidsvarianten te ontwikkelen die structureel besparen op de hieronder genoemde uitgaven op dit thema, waarbij tenminste één variant (al dan niet bestaand uit verschillende subvarianten) structureel 20% van de netto uitgaven in 2010 bespaart, conform de spelregels van de brede heroverwegingen.1 Afhankelijk van de inhoudelijke analyse kan de werkgroep ook besparingsvarianten presenteren die verdergaan. De beschrijving van de beleidsvarianten besteedt in ieder geval aandacht aan de volgende aspecten: doelmatigheid (gelet op de beoogde doelstelling), beheersbaarheid van de uitgaven, inkomenseffecten en uitvoerbaarheid.

De werkgroep wordt gevraagd, waar relevant, verbinding te maken met aanverwante thema’s.

Afbakening

De heroverweging betreft in de instrumenten (a) tot en met (d) zoals opgenomen in tabel 10.

Samenstelling van de werkgroep

Voorzitter: dr. B. ter Haar (Ministerie van VROM)

Leden: SZW, EZ, AZ, FIN en externe deskundigen (nog te bezien)

Tabel 10: De in de heroverweging minimaal te betrekken regelingen (mln euro)1

    2008 2009 2010 2011 2012 2013 2014
(a) WW-uitkeringslasten 2 471 4 214 5 818 5 531      
(b) WW-uitvoeringskosten 378 568 582 540      
(c) WW-reïntegratie 120 162 148 163      
(d) WW-reïntegratie uitv. 98 133 146 159      
Totaal2 3 067 5 077 6 694 6 393      

1 Cijfers op basis van de stand Ontwerpbegroting 2010. Om het effect van de conjunctuur inzichtelijk te maken, is 2008 toegevoegd. Cijfers voor 2012 en later ontbreken in afwachting van een nieuwe MLT-verkenning.

2 Voor zover op de hierbij genoemde artikelen apparaatsuitgaven niet zijn meegenomen, zal de werkgroep deze in principe alsnog meenemen.

11 CURATIEVE ZORG

Thema

Deze heroverweging betreft de collectieve uitgaven voor de curatieve zorg. Jaarlijks groeien de totale uitgaven aan de curatieve zorg met 6%, hiervan is 4,6%-punt reële groei (boven de algemene inflatie). Een-derde van de reële groei wordt veroorzaakt door demografie en twee-derde door «overig volume», wat inhoudt technologische vooruitgang, kwalitatief betere zorg en meer vraag naar zorg door een stijging van de welvaart (CPB, 2006). In totaal gaat het in 2010 om circa 33 mrd.

Opdracht aan de werkgroep

De werkgroep wordt gevraagd beleidsvarianten te ontwikkelen die structureel besparen op de hieronder genoemde uitgaven op dit thema, waarbij tenminste één variant (al dan niet bestaand uit verschillende subvarianten) structureel 20% van de netto uitgaven in 2010 bespaart, conform de spelregels van de brede heroverwegingen.1 Gezien de reële groei van de uitgaven voor de curatieve zorg, kan de werkgroep daarnaast besparingsvarianten presenteren met maatregelen die gericht zijn op het beperken van de niet-demografische reële groei, zodanig dat een netto contante waarde van minimaal 20% wordt gehaald in 2015. De beschrijving van de beleidsvarianten besteedt in ieder geval aandacht aan de volgende aspecten: doelmatigheid (gelet op de beoogde doelstelling), draagvlak voor solidariteit tussen gezond en ongezond in de bekostiging, beheersbaarheid van de uitgaven en inkomsten, inkomenseffecten, private verzekerbaarheid van (zorg)kosten en uitvoerbaarheid.

De werkgroep wordt gevraagd, waar relevant, verbinding te maken met aanverwante thema’s.

Afbakening

De heroverweging betreft de cure-regelingen zoals opgenomen in tabel 11.

Samenstelling van de werkgroep

Voorzitter: drs. M.R.P.M. Camps (Ministerie van SZW)

Leden: VWS, EZ, AZ, FIN en externe deskundigen (nog te bezien)

Tabel 11: De in de heroverweging minimaal te betrekken regelingen (mln euro)1

    2009 2010 2011 2012 2013 2014
(a) Zorgverzekeringswet (Zvw) 32 568 33 187 34 424      
  Waaronder:            
  – Verplicht eigen risico 1 448 1 473 1 608      
  – Eigen risicocompensatie 100 100 100      
(b) Regeling zorgverzekering            
  Waaronder:            
  – Eigen bijdrage2 7 8 8    
Totaal3 32 575 33 195 34 432      

NB: In de tabel zijn de zorguitgaven in reële termen opgenomen. De ontwikkeling van de zorguitgaven is gebaseerd op de CPB-analyses over de budgettaire ontwikkelingen van de collectieve sector. Hiervoor heeft het CPB een scenario voor de zorguitgaven gemaakt voor de middellange termijn bij ongewijzigd beleid (2008–2011). Vanaf 2012 ontbreekt een dergelijke (CPB-)analyse. Daarom zijn voor de jaren vanaf 2012 geen bedragen opgenomen.

1 Cijfers op basis van ontwerpbegroting 2010 (bruto BKZ-uitgaven curatieve zorg).

2 Binnen de Zvw kent alleen de eerstelijnspsycholoog (EPZ) momenteel een eigen bijdrage van 10 euro per zitting.

3 Voor zover op de hierbij genoemde artikelen apparaatsuitgaven niet zijn meegenomen, zal de werkgroep deze in principe alsnog meenemen.

12 LANGDURIGE ZORG

Thema

Deze heroverweging betreft alle uitgaven in het kader van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ). Met de invoering van deze wet in 1968 werd voorzien in collectieve financiering van intramurale zorg in verpleeginrichtingen, zwakzinnigeninrichtingen en inrichtingen voor lichamelijk en zintuiglijk «gebrekkigen». In de loop der jaren zijn de AWBZ-uitgaven door autonome ontwikkelingen en toevoeging van nieuwe zorgvoorzieningen aanzienlijk gegroeid. In totaal gaat het bij de AWBZ in 2010 om circa 22,3 mld euro aan bruto uitgaven en 20,8 mld aan netto uitgaven.

Opdracht aan de werkgroep

De werkgroep wordt gevraagd beleidsvarianten te ontwikkelen die structureel besparen op de hieronder genoemde uitgaven op dit thema, waarbij tenminste één variant (al dan niet bestaand uit verschillende subvarianten) structureel 20% van de netto uitgaven in 2010 bespaart, conform de spelregels van de brede heroverwegingen.1 De beschrijving van de beleidsvarianten besteedt in ieder geval aandacht aan de volgende aspecten: doelmatigheid (gelet op de beoogde doelstelling), draagvlak voor solidariteit tussen gezond en ongezond in de bekostiging, beheersbaarheid van de uitgaven en inkomsten, inkomenseffecten, private verzekerbaarheid van (zorg)kosten en uitvoerbaarheid.

De werkgroep wordt gevraagd, waar relevant, verbinding te maken met aanverwante thema’s.

Afbakening

De heroverweging betreft de totale netto AWBZ-uitgaven. De tabel 12 geeft een indruk van de onderverdeling van de bruto AWBZ-uitgaven (inclusief het deel van de uitgaven dat met eigen betalingen gedekt wordt). Het gaat hier zowel om intramurale als extramurale zorg, verstrekt in natura of via een persoonsgebonden budget (pgb).

Samenstelling van de werkgroep

Voorzitter: mr. drs. T.W. Langejan (Ministerie van Financiën)

Leden: VWS, EZ, BZK, AZ, FIN, SZW en externe deskundigen (nog te bezien)

Tabel 12: De in de heroverweging langdurige zorg minimaal te betrekken regelingen (mln. euro)1

  2009 2010 2011 2012 2013 2014
Verpleging en verzorging 12 323,50 12 338,90 12 347,50      
Gehandicaptenzorg 5 987,10 6 009,80 6 043,90      
Langdurige geestelijke gezondheidszorg 1 489,30 1 558,20 1 584,20      
PGB’s 2035,10 2 260,80 2 512,60      
Overig 697,40 156,90 576,30      
Totaal bruto-AWBZ uitgaven 22 532,40 22 324,60 23 064,50      
Eigen betalingen AWBZ 1 587,27 1 518,15 1 713,22      
Totaal netto-AWBZ uitgaven2 20 945,13 20 806,45 21 351,28      

1 Cijfers op basis van ontwerpbegroting 2010. Begrotingscijfers voor 2012 en later zijn exclusief groei en daarom hier niet opgenomen.

2 Voor zover op de hierbij genoemde artikelen apparaatsuitgaven niet zijn meegenomen, zal de werkgroep deze in principe alsnog meenemen.

13 INTERNATIONALE SAMENWERKING

Thema

Internationale samenwerking betreft twee thema’s die separaat en in onderlinge samenhang zullen worden bezien: het thema internationale solidariteit – dit betreft onder andere het Nederlandse budget voor ontwikkelingssamenwerking (OS), de internationale klimaatuitgaven en de uitgaven aan vredesoperaties – en het thema diplomatie, dat betrekking heeft op het buitenlandse postennetwerk en (vrijwillige) bijdragen aan internationale organisaties. Het totale ODA-budget voor ontwikkelingssamenwerking inclusief internationale klimaatuitgaven bedraagt in 2010 circa 4,7 mld. De uitgaven aan vredesoperaties bedragen in 2010 circa 0,3 mld. De uitgaven voor het postennetwerk in 2010 bedragen circa 0,5 mld.

Opdracht aan de werkgroep

De werkgroep wordt gevraagd beleidsvarianten te ontwikkelen die structureel besparen op de hieronder genoemde uitgaven op dit thema, waarbij tenminste één variant (al dan niet bestaand uit verschillende subvarianten) structureel 20% van de netto uitgaven in 2010 bespaart, conform de spelregels van de brede heroverwegingen. Omdat de twee thema’s separaat en in onderlinge samenwerking worden bezien, wordt de werkgroep gevraagd tenminste één variant te ontwikkelen die op elk van beide thema’s structureel 20% bespaart, conform de spelregels van de brede heroverwegingen. De beschrijving van de beleidsvarianten besteedt in ieder geval aandacht aan de volgende aspecten: doelmatigheid (gelet op de beoogde doelstelling), beheersbaarheid van de uitgaven, concentratie en uitvoerbaarheid.

De werkgroep wordt gevraagd, waar relevant, verbinding te maken met aanverwante thema’s.

Afbakening

Het thema internationale solidariteit – betreft onder andere het Nederlandse budget voor ontwikkelingssamenwerking (OS), de internationale klimaatuitgaven en de uitgaven aan vredesoperaties (zie tabel 13 voor de omvang van de uitgaven). Het thema diplomatie betreft alle uitgaven ter bevordering van internationale, politieke, economische, culturele, justitiële en andere betrekkingen via het postennet. Ook de (vrijwillige) bijdragen aan internationale organisaties vallen hieronder.

In de werkgroep Asiel, immigratie en integratie is de asielketen onderwerp van heroverweging. In de werkgroep Internationale samenwerking is het ODA-budget onderwerp van heroverweging. De verschillende werkgroepen wordt gevraagd in onderlinge samenhang te werken. Dit is noodzakelijk omdat besparing van de uitvoering alleen kan worden bereikt als de voorstellen langs dezelfde lijn worden gedaan.

Samenstelling van de werkgroep

Voorzitter: mr. M. Brabers (Ministerie van BZK, ABD)

Leden: BuZa, EZ, DEF, VROM, AZ, FIN en externe deskundigen (nog te bezien)

Tabel 13: De in de heroverweging te betrekken uitgaven (mln euro)1, 2

  2009 2010 2011 2012 2013 2014
ODA-budget* 4 506 4 611 4 694 4 778 4 863 4 950
             
Klimaatbeleid (nonODA)**            
  CDM (VROM) 40 66 89 80 55 Pm
  JI (EZ) 34 42 35 25 28 pm
Vredesoperaties 366 310 266 186 186 186
             
Buitenlandse posten totaal*** (512) (502) (520) (490) (496) (497)
Waarvan non-ODA 358 351 364 343 347 348
(vrijwillige) bijdragen aan internationale organisaties**** PM PM PM PM PM PM
Totaal 5 304+PM 5 380+PM 5 448+PM 5 412+PM 5 479+PM 5 484+PM

* inclusief ODA internationaal klimaatbeleid

** opgenomen zijn de uitgaven voor zover in het buitenland besteed

*** uitgaven aan ondersteuning van het postennet vanuit de thuisbasis Den Haag zijn in deze reeks niet opgenomen. Ook de uitgaven aan attaches niet vallend onder de HGIS zijn niet opgenomen.

**** grotendeels ODA

1 Cijfers op basis van ontwerpbegroting 2010.

2 Voor zover op de hierbij genoemde artikelen apparaatsuitgaven niet zijn meegenomen, zal de werkgroep deze in principe alsnog meenemen.

14 ASIEL, IMMIGRATIE EN INTEGRATIE

Thema

Deze heroverweging betreft vreemdelingenketen en de middelen die worden ingezet voor integratie. In totaal bedragen de kosten voor de vreemdelingenketen (Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND), het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (COA), de Dienst Terugkeer en Vertrek (DT&V), de vreemdelingenbewaring van de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI)) en de uitgaven aan integratie in 2010 samen circa 1,5 mld.

Opdracht aan de werkgroep

De werkgroep wordt gevraagd beleidsvarianten te ontwikkelen die structureel besparen op de hieronder genoemde uitgaven op dit thema, waarbij tenminste één variant (al dan niet bestaand uit verschillende subvarianten) structureel 20% van de netto uitgaven in 2010 bespaart, conform de spelregels van de brede heroverwegingen. Afhankelijk van de inhoudelijke analyse kan de werkgroep ook besparingsvarianten presenteren die verder gaan dan 20%. De beschrijving van de beleidsvarianten besteedt in ieder geval aandacht aan de volgende aspecten: doelmatigheid (gelet op de beoogde doelstelling), beheersbaarheid van de uitgaven, en uitvoerbaarheid. Het gaat om een besparing van 20% voor de keten als geheel; de besparing voor de individuele partners in de keten kan een hoger of lager percentage bedragen.

De werkgroep wordt gevraagd, waar relevant, verbinding te maken met aanverwante thema’s.

Afbakening

De heroverweging betreft de uitgaven, zoals opgenomen in tabel 14.

In de werkgroep Veiligheid is de veiligheidsketen onderwerp van heroverweging. De verschillende werkgroepen wordt gevraagd in onderlinge samenhang te werken. Dit is noodzakelijk omdat besparing in de uitvoering alleen kan worden bereikt als de voorstellen langs dezelfde lijn worden gedaan.

In de werkgroep Internationale samenwerking is het ODA-budget onderwerp van heroverweging. De verschillende werkgroepen wordt gevraagd in onderlinge samenhang te werken. Dit is noodzakelijk omdat besparing van de uitvoering alleen kan worden bereikt als de voorstellen langs dezelfde lijn worden gedaan.

Samenstelling van de werkgroep

Voorzitter: drs. J.W. Holtslag (WRR)

Leden: WWI, JUS, SZW, AZ, BuiZa, FIN en externe deskundigen (nog te bezien)

Tabel 14: De in de heroverweging asiel, immigratie en integratie minimaal te betrekken uitgaven (mln euro)1

    2009 2010 2011 2012 2013 2014
(a) Uitgaven art. 15 Vreemdelingen JUS 1 086 940 622 616 609 683
(b) Uitgaven art. 4 Integratie WWI 473 583 512 471 438 438
Totaal2 1 559 1 523 1 134 1 087 1 047 1 121

1 Cijfers op basis van ontwerpbegroting 2010.

2 Voor zover op de hierbij genoemde artikelen apparaatsuitgaven niet zijn meegenomen, zal de werkgroep deze in principe alsnog meenemen.

15 VEILIGHEID EN TERRORISME

Thema

Deze heroverweging betreft het beleid gericht op de bevordering van (sociale) veiligheid en de bestrijding van criminaliteit en terrorisme. Centraal bij de aanpak van criminaliteit staat de ketenbenadering. De totale middelen ten behoeve van dit beleidsterrein zijn in 2010 ten minste 10,3 mld.

Opdracht aan de werkgroep

De werkgroep wordt gevraagd beleidsvarianten te ontwikkelen die structureel besparen op de hieronder genoemde uitgaven op dit thema, waarbij tenminste één variant (al dan niet bestaand uit verschillende subvarianten) structureel 20% van de netto uitgaven in 2010 bespaart, conform de spelregels van de brede heroverwegingen. Afhankelijk van de inhoudelijke analyse kan de werkgroep ook besparingsvarianten presenteren die verdergaan dan 20%. De beschrijving van de beleidsvarianten besteedt in ieder geval aandacht aan de volgende aspecten: doelmatigheid (gelet op de beoogde doelstelling), beheersbaarheid van de uitgaven, en uitvoerbaarheid.

De werkgroep wordt gevraagd, waar relevant, verbinding te maken met aanverwante thema’s.

Afbakening

De heroverweging betreft de uitgaven voor veiligheid en terrorisme zoals verantwoord op de BZK-begroting, de Defensiebegroting, en de Justitiebegroting.

In de werkgroep Asiel, immigratie en integratie is de asielketen onderwerp van heroverweging. De verschillende werkgroepen wordt gevraagd in onderlinge samenhang te werken. Dit is noodzakelijk omdat besparing in de uitvoering alleen kan worden bereikt als de voorstellen langs dezelfde lijn worden gedaan (bijvoorbeeld op het gebied van de inzet voor de Koninklijke Marechaussee in de asielketen).

Samenstelling van de werkgroep

Voorzitter: Prof. dr. J.A. Vijlbrief (Ministerie van EZ)

Leden: BZK, JUS, DEF, AZ, FIN en externe deskundigen (nog te bezien)

Tabel 15: De in de heroverweging minimaal te betrekken uitgaven (mln euro)1

    2010 2011 2012 2013 2014
(a) BZK: Veiligheid 5 068 5 011 4 979 4 964 4 921
(b) DEF: Koninklijke marechaussee 395 386 383 381 378
(c) JUS: Rechtspleging en rechtsbijstand 1 444 1 414 1 408 1 402 1 386
(d) JUS: Rechtshandhaving, criminaliteits- en terrorismebestrijding 2 895 2 914 2 925 2 914 2 928
(e) JUS Artikel 14: Jeugd 490 503 514 526 531
Totaal2 10 292 10 228 10 209 10 187 10 144

1 Cijfers op basis van ontwerpbegroting 2010. Omdat de budgetstructuur van de begroting van BZK met ingang van begroting 2010 is aangepast, is vergelijking met begrotingscijfers voor 2009 niet direct mogelijk. Deze zijn daarom niet in de tabel opgenomen.

2 Voor zover op de hierbij genoemde artikelen apparaatsuitgaven niet zijn meegenomen, zal de werkgroep deze in principe alsnog meenemen.

16 UITVOERING BELASTING- EN PREMIEHEFFING

Thema

Deze heroverweging betreft de impact van regelgeving voor belasting- en premieheffing op de uitvoeringskosten van de Belastingdienst. Complexe regelgeving maakt de uitvoering voor de Belastingdienst ingewikkeld en daardoor relatief duur. Vereenvoudiging van belasting- en premieheffing kan dan ook leiden tot besparingen op de uitvoeringskosten. Op dit moment bedragen de uitvoeringskosten van de belastingdienst 2,8 mld. (2010), waarvan 2,0 mld. betrekking heeft op de uitvoeringskosten belasting- en premieheffing (de kosten van «blauw»).

Opdracht aan de werkgroep

De werkgroep wordt gevraagd beleidsvarianten te ontwikkelen die structureel besparen op de hieronder genoemde uitgaven op dit thema, waarbij tenminste één variant (al dan niet bestaand uit verschillende subvarianten) structureel 20% van de netto uitgaven in 2010 bespaart, conform de spelregels van de heroverweging. Afhankelijk van de analyse kan de werkgroep ook besparingsvarianten presenteren die verder gaan dan 20%. Bij de beschrijving van beleidsvarianten/vereenvoudigingsmaatregelen besteedt de werkgroep o.a. aandacht aan doelmatigheid (gelet op de beoogde doelstelling), beheersbaarheid van de uitgaven, de herverdelingseffecten tussen en binnen de diverse categorieën belastingplichtigen (huishoudens respectievelijk bedrijven), de effecten op de belastinginkomsten enuitgaven, administratieve lasten en uitvoerbaarheid.

De werkgroep wordt gevraagd, waar relevant, verbinding te maken met aanverwante thema’s.

Afbakening

De heroverweging betreft de uitgaven aan uitvoeringskosten van fiscale wetgeving (blauw), zoals opgenomen in tabel 16.

Samenstelling van de werkgroep

Voorzitter: mr. drs. J.L.M. van Wesemael (Gemeente Den Haag)

Leden: FIN, SZW, VWS, EZ, AZ en externe deskundigen (nog te bezien)

Tabel 16: De in de heroverweging minimaal te betrekken regelingen (mln euro)1

  2009 2010 2011 2012 2013 2014
Uitvoeringskosten belasting- en premieheffing (blauw) 2 000 2 000 1 900 1 900 1 900 1 900

1 Cijfers op basis van ontwerpbegroting 2010. Het aandeel van de uitvoeringskosten in de uitgaven op artikel 1 is op basis van bedrijfsvoeringsinformatie van de Belastingdienst.

17 TOESLAGEN

Thema

Deze heroverweging betreft de uitvoering van de toeslagen (zorg, huur, kind) en de impact daarvan op de uitvoeringskosten van de Belastingdienst. Problemen in de uitvoering worden vooral veroorzaakt door de grondslagen die de hoogte van de toeslag bepalen; deze verschillen tussen de verschillende toeslagen, bevatten veel uitzonderingen, zijn lastig te begrijpen, moeilijk controleerbaar en talrijk. Harmonisatie van de grondslagen kan dan ook leiden tot besparingen op de uitvoeringskosten. Ook leiden verschillen in voorlopig en definitief vastgestelde toeslagen tot uitvoeringskosten (middelenbeslag). De uitvoeringskosten van de belastingdienst voor de toeslagen bedragen in 2010 circa 0,2 mld.

Opdracht aan de werkgroep

De werkgroep wordt gevraagd beleidsvarianten te ontwikkelen die structureel besparen op de hieronder genoemde uitgaven op dit thema, waarbij tenminste één variant (al dan niet bestaand uit verschillende subvarianten) structureel 20% van de netto uitgaven in 2010 bespaart, conform de spelregels van de brede heroverwegingen. Afhankelijk van analyse kan de werkgroep ook besparingsvarianten presenteren die verder gaan dan 20%. De beschrijving van de beleidsvarianten besteedt in ieder geval aandacht aan de volgende aspecten: doelmatigheid (gelet op de beoogde doelstelling), beheersbaarheid van de uitgaven en inkomsten, inkomenseffecten en uitvoerbaarheid.

Vertrekpunt voor de heroverweging is het IBO rapport Vereenvoudiging toeslagen. In dit IBO zijn mogelijkheden tot vereenvoudiging onderzocht. Een geheel nieuw onderzoek naar de mogelijkheden ligt niet voor de hand, wel kunnen een aantal opties die in het IBO niet of beperkt uitgewerkt zijn, verder onderzocht worden. Door het accent in deze heroverweging te leggen op de mogelijke besparingen in de uitvoeringskosten kan de waardering van de eerder besproken varianten anders uitvallen. Tijdens het IBO is overigens gebleken dat de kwantitatieve informatie om de voor- en nadelen van vereenvoudigingen te onderbouwen in beperkte mate aanwezig was in de huidige systemen. De uitvoeringskosten per element in de toeslagen kan nader inzichtelijk gemaakt worden, zodat een nadere afweging van de kosten en baten van vereenvoudiging gepresenteerd kan worden.

De werkgroep wordt gevraagd, waar relevant, verbinding te maken met aanverwante thema’s.

Samenstelling van de werkgroep

Voorzitter: drs. L.H. Kok (Gemeente Den Haag)

Leden: FIN, VWS, J&G, OCW, WWI, SZW, AZ en externe deskundigen (nog te bezien)

Afbakening

De heroverweging betreft alle toeslagen en de uitvoeringskosten daarvan, zoals gerapporteerd in tabel 17 op basis van bedrijfsvoeringsinformatie van de belastingdienst.

In de werkgroep Kindregelingen zijn het kindgebonden budget en de kinderopvangtoeslag zelf onderwerp van heroverweging. In de werkgroep wonen is de huurtoeslag onderwerp van heroverweging. De verschillende werkgroepen wordt gevraagd in onderlinge samenhang te werken. Dit is noodzakelijk omdat besparing in de uitvoering door de Belastingdienst alleen kan worden bereikt als de voorstellen langs dezelfde lijn worden gedaan.

Tabel 17: De in de heroverweging minimaal te betrekken uitgaven (mln euro)1

  2009 2010 2011 2012 2013 2014
Uitvoeringskosten Toeslagen 232 232 232 182 182 182

1 Cijfers op basis van ontwerpbegroting 2010. Het aandeel van de uitvoeringskosten in de uitgaven op artikel 1 is op basis van bedrijfsvoeringsinformatie van de Belastingdienst.

18 OPENBAAR BESTUUR

Thema

Deze heroverweging betreft de bestuurlijke organisatie en de daarmee samenhangende kosten van Nederland (Rijk, gemeenten, provincies, waterschappen, ZBO’s). Dit richt zich op het aantal ambtenaren bij de verschillende bestuurslagen, en de mogelijkheden deze te reduceren, o.a. door wijzigingen in de aantallen of verhoudingen tussen de verschillende bestuurslagen.

Opdracht aan de werkgroep

De werkgroep wordt gevraagd beleidsvarianten te ontwikkelen die structureel besparen op de apparaatsuitgaven van het openbaar bestuur, waarbij tenminste één variant (al dan niet bestaand uit verschillende subvarianten) structureel 20% van de netto uitgaven in 2010 bespaart, conform de spelregels van de heroverweging. De beschrijving van de beleidsvarianten besteedt in ieder geval aandacht aan de volgende aspecten: doelmatigheid (gelet op de beoogde doelstelling), beheersbaarheid van de uitgaven en inkomsten, de personele gevolgen (fte’s) en uitvoerbaarheid.

Het gaat in deze heroverweging om besparingen die worden gerealiseerd door een andere bestuurlijke organisatie van de taken, niet om de taken zelf.

Mogelijkheden om de omvang van het ambtenarenapparaat te reduceren door aanpassingen in de bedrijfsvoering van de rijksoverheid zijn het onderwerp van de heroverweging bedrijfsvoering.

In het bijzonder voor de uitgaven die in deze brede heroverweging aan bod komen, geldt dat de uitgaven ook onderwerp kunnen zijn van besparingsvarianten in andere heroverwegingen. Dit kan ertoe leiden dat een gecombineerde uitvoering van beleidsvarianten tot minder grote besparingen leidt. Bij de presentatie van de beleidsvarianten in de eindrapporten dienen de gevolgen van gecombineerde uitvoering van beleidsvarianten zo goed mogelijk in beeld te worden gebracht . De werkgroep wordt gevraagd, waar relevant, verbinding te maken met aanverwante thema’s.

Afbakening

De heroverweging betreft de omvang van de apparaatsuitgaven van alle bestuurslagen. Als grondslag voor deze heroverweging gelden de kosten van rijksambtenaren (inclusief overhead en materiële kosten) plus kosten van ambtenaren werkzaam bij de overige bestuurslagen (inclusief overhead en materiële kosten). Op basis van rapportages van het programma vernieuwing rijksdienst is informatie beschikbaar over de omvang van de Rijksdienst, inclusief zbo’s. Gegevens over het aantal werkzame personen bij provincies, gemeenten en waterschappen zijn opgenomen in het rapport kerngegevens overheidspersoneel van het ministerie van BZK. Aan de hand van de loonsommen uit Handleiding Overheidstarieven 2009 (personele kosten en materiële kosten) wordt de grondslag in euro’s bepaald. Ook de kosten van de vertegenwoordigers en het organiseren van verkiezingen kunnen in de heroverweging worden betrokken.

Samenstelling van de werkgroep

Voorzitter: drs. C.J. Kalden (Staatsbosbeheer).

Leden: BZK, V&W, AZ, FIN, en externe deskundigen (nog te bezien)

19 BEDRIJFSVOERING (INCLUSIEF ZBO’S)

Thema

Bedrijfsvoering (inclusief ZBO’s) betreft het brede terrein van de bedrijfsvoering, zoals communicatie en het complex vastgoed/grond/domeinen, bijvoorbeeld door versterking van de interdepartementale samenwerking.

Opdracht aan de werkgroep

De werkgroep wordt gevraagd beleidsvarianten te ontwikkelen die structureel besparen op de hieronder genoemde uitgaven op dit thema, waarbij tenminste één variant (al dan niet bestaand uit verschillende subvarianten) structureel 20% van de netto uitgaven in 2010 bespaart, conform de spelregels van de heroverweging. De beschrijving van de beleidsvarianten besteedt in ieder geval aandacht aan de volgende aspecten: doelmatigheid (gelet op de beoogde doelstelling), beheersbaarheid van de uitgaven en inkomsten, de personele gevolgen (FTE’s) en uitvoerbaarheid.

In het bijzonder voor de uitgaven die in deze brede heroverweging aan bod komen, geldt dat de uitgaven ook onderwerp kunnen zijn van besparingsvarianten in andere heroverwegingen. Dit kan ertoe leiden dat een gecombineerde uitvoering van beleidsvarianten tot minder grote besparingen leidt. Bij de presentatie van de beleidsvarianten in de eindrapporten dienen de gevolgen van gecombineerde uitvoering van beleidsvarianten zo goed mogelijk beeld te worden gebracht.

De werkgroep wordt gevraagd, waar relevant, verbinding te maken met aanverwante thema’s.

Afbakening

De heroverweging betreft de kosten van het ondersteunende apparaat van het Rijk (inclusief Defensie en ZBO’s), zowel de ondersteunende kolom als de ondersteuning van de overige kolommen (beleid, inspectie/toezicht, uitvoering) zoals gedefinieerd en gemonitord in de Derde Voortgangsrapportage van het Programma Vernieuwing Rijksdienst, inclusief extern ingehuurde ondersteuning zoals gedefinieerd in de Nulmeting Externe Inhuur van het ministerie van BZK. Het betreft zowel de loonkosten als de materiële kosten van genoemd apparaat en uitbesteding van PIOFACH-taken.

Samenstelling van de werkgroep

Voorzitter: drs. M.J. van Rijn (PGGM)

Leden: BZK, WWI, AZ, en FIN, verdere samenstelling in overleg met de voorzitter van de werkgroep en de voorzitter Interdepartementale Commissie Bedrijfsvoering Rijk (DG Organisatie en Bedrijfsvoering Rijk).


XNoot
1

Naar aanleiding van het verzoek van het lid van uw Kamer de heer Pechtold, kan wat betreft de arbeidsrechtelijke aspecten derhalve worden opgemerkt dat voor de ambtelijke leden van de werkgroepen geen bijzondere voorzieningen behoeven te worden betrokken.

XNoot
1

De eerste ronde van heroverwegingen werd in 1981 gestart. De doorlooptijd van een heroverwegingsrapport varieerde van een half tot twee jaar, met een gemiddelde van een jaar.

XNoot
2

Deze Studiecommissie verricht een voorstudie naar mogelijke herzieningen van het belastingstelsel dat gelijk met de heroverwegingsrapporten aan de Tweede Kamer zal worden aangeboden. Hierin zal ook, zoals toegezegd aan de Tweede Kamer, worden ingegaan op de mogelijkheden van een verdere vergroening van het belastingstelsel, waaronder de gedachte van een belasting op vlees (motie Thieme c.s. over de mogelijkheden voor een vergaande vergroening van het belastingstelsel (Kamerstukken II 2009/10, 32 123, nr. 15)).

XNoot
1

In 2004 is afgesproken dat de voeding van het IF jaarlijks met 2,8% reëel zou groeien. De jaarlijkse toename met 2,8 % is overigens als gevolg van intertemporele kasschuiven nu niet meer zichtbaar in het meerjarige uitgavenpatroon (tabel 3). In het Aanvullend Beleidsakkoord is de groeiafspraak beperkt tot de periode tot en met 2020. Vanaf 2020 wordt de genoemde voeding (ongerekend evt. bijdragen uit het FES) op een reëel constant niveau doorgetrokken.

XNoot
1

P. Besseling et al, 2008, Hoofdstuk 2 van: Agenda voor de woningmarkt, Preadviezen van de Koninklijke Vereniging voor de Staathuishoudkunde 2008.

XNoot
2

G. Marlet, J. Poort en C. van Woerkens, 2009, Economisch Statistische Berichten, vol.94, pp. 294–297, 15 mei 2009.

XNoot
1

Een deel van de uitgaven en ontvangsten inzake studiefinanciering zijn niet relevante uitgaven respectievelijk ontvangsten voor het EMU-saldo. Het gaat om uitgaven aan rentedragende leningen en uitgaven voor de prestatiebeurs zolang deze nog niet zijn omgezet in een gift. De niet-relevante ontvangsten betreffen de aflossingen op de rentedragende leningen. De niet-relevante bedragen zijn niet meegeteld in het totaal bedrag.

XNoot
1

Voor zover van toepassing: besparingen op collectieve verzekeringen leiden niet per definitie tot verbetering van het EMU saldo omdat tegenover lagere collectieve uitgaven ook lagere collectieve lasten staan. Een aanvullende lastenverzwaring, waarbij de totale lastendruk ongewijzigd blijft, verbetert het EMU saldo wel. De werkgroep wordt gevraagd de uitwerking hiervan in de varianten op te nemen.

XNoot
1

Besparingen op collectieve verzekeringen leiden niet per definitie tot verbetering van het EMU saldo omdat tegenover lagere collectieve uitgaven ook lagere collectieve lasten staan. Een aanvullende lastenverzwaring, waarbij de totale lastendruk ongewijzigd blijft, verbetert het EMU saldo wel. De werkgroep wordt gevraagd de uitwerking hiervan in de varianten op te nemen.

XNoot
1

Voor zover van toepassing: besparingen op collectieve verzekeringen leiden niet per definitie tot verbetering van het EMU saldo omdat tegenover lagere collectieve uitgaven ook lagere collectieve lasten staan. Een aanvullende lastenverzwaring, waarbij de totale lastendruk ongewijzigd blijft, verbetert het EMU saldo wel. De werkgroep wordt gevraagd de uitwerking hiervan in de varianten op te nemen.

XNoot
1

Voor zover van toepassing: besparingen op collectieve verzekeringen leiden niet per definitie tot verbetering van het EMU saldo omdat tegenover lagere collectieve uitgaven ook lagere collectieve lasten staan. Een aanvullende lastenverzwaring, waarbij de totale lastendruk ongewijzigd blijft, verbetert het EMU saldo wel. De werkgroep wordt gevraagd de uitwerking hiervan in de varianten op te nemen.

Naar boven