De memorie van antwoord heeft de commissie aanleiding gegeven tot het maken van de volgende nadere opmerkingen en het stellen
van de volgende nadere vragen.
Inleiding
De leden van de commissie danken de regering voor de gegeven antwoorden en willen van de gelegenheid gebruik maken nadere
vragen te stellen over het effect van de maatregel en de leeftijdgrens, alsmede over de sociale partners. De vragen zijn ingebracht
door respectievelijk de leden van de fracties van VVD en PvdA; de leden van de overige fracties sluiten zich bij deze vragen
aan.
Het te verwachten effect van de maatregel
De regering gaat een maatregel invoeren (verruiming van de ketenbepaling) die volgens haar het effect heeft dat de jeugdwerkloosheid
vermindert. De regering onderbouwt op geen enkele manier het causaal verband tussen het vergroten van de flexibiliteit en
de vermindering van de jeugdwerkloosheid. De leden van de commissie hebben er op gewezen dat, logisch geredeneerd, makkelijker
ontslaan altijd sneller werkloos betekent. In andere situaties (ontslag van ambtenaren, ouderen, uitzendkrachten etc.) is
dit ook altijd de opvatting van de regering. Waarom zou meer flexibiliteit tot meer werkgelegenheid leiden in casu voor jongeren?
Als reactie op de stelling van de commissie dat naarmate de wet flexibeler wordt het meer jeugdwerkloosheid oplevert in plaats
van minder, merkt de regering op dat de commissie haar opvatting niet onderbouwt, terwijl de stelling van de commissie op
betere gronden steunt. De leden van de commissie vernemen hierop graag een reactie.
De regering zegt vervolgens «zich er terdege van bewust te zijn dat met de onderhavige maatregel niet alle jeugdwerkloosheid
kan worden opgelost». De leden van de commissie zijn van mening dat de maatregel de jeugdwerkloosheid in zijn geheel niet
oplost. De regering toont ook niet aan hoe de jeugdwerkloosheid kan worden opgelost. De regering zegt dat de arbeidsmarktpositie
van de groep jongeren die zich in de beslissende fase van hun aanstelling bevindt, in zoverre verbeterd is dat zij langer
aan het werk kunnen blijven gedurende de economische crisis». Zij worden echter juist ontslagen vanwege de economische crisis. Dat jeugdigen met een tijdelijk arbeidscontract als eerste worden ontslagen, komt omdat ze (ten opzichte
van andere werknemers) relatief gemakkelijk te ontslaan zijn. Als de regering de jeugdwerkloosheid echt zou willen oplossen,
dan moet ze meer draconische maatregelen nemen. De redenering van de regering gaat alleen op tijdens een hoogconjunctuur,
maar dan is een dergelijke maatregel niet nodig. De leden van de commissie verzoeken de regering hierop in te gaan.
Leeftijdsgrens
Nu het doel – het verminderen van de jeugdwerkloosheid – niet bereikt wordt, vervalt ook de rechtvaardigingsgrond voor de
leeftijd van 27 jaar, zo menen deze leden. Op de in het voorlopig verslag door de leden van de commissie gestelde vraag of
de Commissie gelijke behandeling (CGB) is geconsulteerd over het Europees non-discriminatierecht antwoordt de regering dat
zij dat in dit geval niet heeft gedaan. De CGB is wel geconsulteerd over de leeftijdsgrens van 27 jaar bij de Wet investeren
in jongeren (WIJ). Toen heeft de CGB onder meer geoordeeld dat het gebruik van een leeftijdsgrens van 27 jaar objectief gerechtvaardigd
is, gelet op het grote belang dat het kabinet hecht aan het tegengaan van jeugdwerkloosheid. Het is voor het eerst dat deze
leden horen dat als een regering ergens groot belang aan hecht dit een rechtvaardigingsgrond naar Europees recht zou zijn.
Graag een reactie van de regering hierop.
Sociale partners
De leden van de commissie vragen welke andere verklaring (dan het feit dat de sociale partners geen behoefte hebben aan, of
overeenstemming weten te bereiken over een verdere flexibiliteit) de regering heeft voor het vrij lage percentage (17%) van
de onderzochte cao’s waarin de ketenbepaling is verruimd.
De regering geeft aan dat «de hoofdlijnen van het wetsvoorstel» besproken zijn in het overleg met de Stichting van de Arbeid
(STAR) op 18 juni 2009 en dat door hen geen grote bezwaren tegen de maatregel zijn aangevoerd. Is van deze bespreking een
verslag gemaakt? Zo ja, kunnen de leden van de commissie hier een afschrift van krijgen? Zo nee, kan de regering op de volgende
observatie van deze leden reageren? De in de memorie van antwoord gegeven toelichting van deze bespreking wijst er op dat
de partijen binnen de STAR verdeeld waren over de wenselijkheid van het voorstel, niettegenstaande het belang van het tegengaan
van jeugdwerkloosheid en niettegenstaande het tijdelijke karakter van de maatregel. Volgens deze toelichting stonden de centrale
werkgeversorganisaties positief tegenover de voorgestelde maatregel en waren de centrale werknemersorganisaties van mening
dat de positie van flex werkers in een bredere context zou moeten worden besproken. Staat die laatste opvatting niet gelijk
aan een negatief oordeel over het voorstel, zo vragen de leden van de commissie. Zo nee, waarom niet? Waarom interpreteert
de regering deze reserves van de werknemersorganisaties niet als een stemverklaring tegen het voorstel?
De leden van de commissie Sociale Zaken en Werkgelegenheid zien de reactie van de regering met belangstelling tegemoet.
De voorzitter van de commissie,
Van Driel
De griffier van de commissie,
Kim van Dooren