Kamerstuk
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer |
|---|---|---|---|
| Eerste Kamer der Staten-Generaal | 2020-2021 | 32043 nr. AN |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer |
|---|---|---|---|
| Eerste Kamer der Staten-Generaal | 2020-2021 | 32043 nr. AN |
Vastgesteld 20 april 2021
Onder verwijzing naar het mondeling overleg d.d. 9 maart 2021 tussen de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid1over de toekomst van het pensioenstelsel, hebben de leden van deze commissie op 23 maart 2021 een brief aan de Minister gestuurd met nog enkele aanvullende vragen van de OSF-fractie.
De Minister heeft op 20 april 2021 gereageerd.
De commissie brengt bijgaand verslag uit van het gevoerde schriftelijk overleg.
De griffier van de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Van der Bijl
Aan de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
Den Haag, 23 maart 2021
Onder verwijzing naar het mondeling overleg d.d. 9 maart 2021 tussen u en de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid over de toekomst van het pensioenstelsel, wenst het lid van de OSF-fractie u nog de volgende schriftelijke vragen voor te leggen.
Het lid van de OSF-fractie heeft met belangstelling kennisgenomen van het artikel op fd.nl d.d. 21 februari 2021 getiteld: «Deelnemer wil weten hoeveel pensioen heb ik nu? En wat heb ik dadelijk?».2 In dit artikel stelt de interim-voorzitter van de Pensioenfederatie dat de federatie nog een waslijst aan verbeterpunten voor het nieuwe pensioenstelsel heeft, maar wordt tevens gewaarschuwd dat zonder nieuwe regels voor de overgangsperiode de kans groot is dat straks alsnog miljoenen pensioenen omlaag zullen moeten.
De OSF-fractie heeft indertijd met instemming gereageerd op het bereikte pensioenakkoord, omdat ze daarvan verwacht had dat daarmee werd voorzien in de indexering van de koopkracht voor gepensioneerden, teneinde zo mogelijk het koopkrachtverlies te repareren van twaalf jaar niet indexeren. In de Algemene Politieke Beschouwingen van 2019 heeft de OSF-fractie daarover gezegd: «Die rekenrente, die «armrekenrente» is een slecht systeem».3 Dit vond overigens niet alleen het lid van de OSF-fractie, maar ook een zestigtal pensioendeskundigen, waaronder prof.dr. Erik Lutjens, de heer Bernard van Praag, en diverse bestuurders van stichting pensioenfonds ABP en APG. Die deskundigen stelden dat een nieuw stelsel niet nodig is, maar dat het huidige systeem gekoesterd en behouden moet.
Tot op heden heeft alles wat in dit dossier is gepasseerd het lid van de OSF-fractie er niet van overtuigd dat de armrekenrente tot het verleden gaat behoren. Sterker, naast het feit dat het nog tot 2026 duurt alvorens de hele operatie is afgerond – waardoor in totaal 18 jaar geen indexering heeft plaatsgevonden – tekent zich steeds meer het scenario af dat pensioenen extra gekort moet worden.
Derhalve vraagt het lid van de OSF-fractie zich af of zijn fractie haar doelstellingen, verbonden aan het ondersteunen van het pensioenakkoord, realiseert, of dat dit lid niet alsnog zijn verdere goedkeuring aan de realisatie van dit akkoord moet onthouden. Vanuit dat oogpunt wil het lid van de OSF-fractie de volgende vragen aan u stellen:
Alhoewel de Pensioenfederatie de wetsvoorstellen blijft steunen, heeft ze meer dan 200 pagina’s aan kritiek ingeleverd. Het lid van de OSF-fractie vraagt wanneer er reactie op deze kritiek wordt gegeven en op welke wijze de Kamer deze reactie zal ontvangen, teneinde op grond daarvan het wetsvoorstel te toetsen?
De Pensioenfederatie ziet er weinig in deelnemers aan pensioenfondsen individueel om toestemming te vragen of zij het eens zijn met de herverdeling van het pensioenvermogen naar persoonlijke potjes. De ouderenorganisaties bepleiten dat echter wel, zo leest het lid van de OSF-fractie. Mede met het oog op het risico van permanente onteigening in 2026 van 17 jaar koopkrachtverlies bij huidige gepensioneerden, alsmede de vraag of daar nog compensatie voor komt, achten deze leden het wél verstandig om individuele goedkeuring te vragen, mede omdat tijdens de overgangsperiode artikel 83 van de Pensioenwet (de individuele bezwaarprocedure) buitenwerking is gesteld. Bent u dit met het lid van de OSF-fractie eens?
Herbezinning op het proces
Op basis van de ontwikkelingen van de laatste 12 jaar, waarin niet is geïndexeerd, en op basis van de kosten van het nieuwe stelstel dat, mede door de herverdeling naar individuele potjes, geschat wordt op 60 miljard euro, vraagt het lid van de OSF-fractie zich langzaam maar zeker af of het nieuwe stelsel wel door moet gaan of dat herbezinning op zijn plaats is.
Het lid gaat hierbij uit van de volgende ontwikkelingen:
– Een stijging van pensioenvermogens van 2008 tot aan 2021 van 592 miljard naar 1692 miljard (dit is een stijging met 286%);
– Een totaalverlies aan koopkracht van een gepensioneerde van 23,4%, terwijl de gemiddelde vermogensstijging 15,5% per jaar betreft;
Uit het jaarverslag 2019 van PFZW blijkt daarnaast het volgende:
– Dit fonds heeft thans een tien jaren rendement van 8,7%, en een gemiddeld rendement vanaf 1971 van 8,2%;
– De daadwerkelijke indexering betreft 0%, terwijl de indexeringsambitie 2,6% betreft;4
– De beleggingen zijn gegroeid van 199.002 miljoen in 2018 naar 238.376 miljoen in 2019; en,
– Het beleggingsresultaat in 2019 betrof 37.395 miljoen, terwijl de pensioenuitbetaling 3.970 miljoen betrof.
Het lid van de OSF-fractie concludeert uit het vorenstaande dat de PFZW de pensioenbetaling uit de beleggingsresultaten kan realiseren. Voorts wordt geconcludeerd dat er door gepensioneerden geen uitnamen uit het pensioenfonds zijn van de door hen gestorte premie. Met andere woorden wat de huidige gepensioneerden gedurende hun werkzame leven wettelijk verplicht in het pensioenfonds hebben gestort, blijft in volle omvang in het pensioenfonds. Daardoor blijft het in lengte der tijden renderen ten gunste van toekomstige pensioentrekkers.
Gelet op deze positieve ontwikkelingen en de vele, sinds 2017 geuite, reacties dat niet de vermogensontwikkeling en uitbetalingscapaciteit, maar het hanteren van de zeer lage rekenrente, een probleem is, vraagt dit lid zich af of we op de goede weg zijn. Daarbij valt op dat de rekenrente, die in Nederland gehanteerd wordt, fors onder het Europees gemiddelde ligt. Tevens geeft ook de Pensioenfederatie aan dat dekkingsgraden en rekenrente verdwijnen en pensioenen zullen dalen en stijgen met de beleggingswinsten en -verliezen van fondsen. Het lid van de OSF-fractie trekt daaruit de conclusie dat er nu al met beleggingswinsten gewerkt kan worden.
Op grond hiervan wenst dit lid de volgende vragen aan u voor te leggen:
– Waarom kiest u niet om al direct met een dekkingsgraad te gaan werken die bestaat uit een gemiddelde van de Europese rekenrente gecombineerd met een langjarig gemiddeld rendement?
– Is het op basis van een dergelijke rekenmethode mogelijk om de komende periode tot 2026 in te vullen?
– Is het mogelijk om tot 2026 te evalueren en te onderzoeken of het huidige stelsel niet aangepast kan worden met een dergelijke dekkingsgraadformule, waardoor de noodzaak tot hervorming van het beste pensioenstelsel ter wereld geleidelijk en weloverwogen kan plaatsvinden, indien dat alsdan noodzakelijk blijkt?
– Erkent u dat er in de huidige voorstellen geen rekening is gehouden met het feit dat het gestorte kapitaal van gepensioneerde in de pensioenfondsen aanwezig blijft, omdat de beleggingsresultaten reeds de uitbetalingsverplichtingen kunnen dekken?
Economische schade
Het lid constateert dat huidige gepensioneerden gemiddeld een koopkrachtverlies hebben geleden van 23,4% en dat het geld dat met dit percentage gemoeid is, niet is uitgegeven. Gelet op het bestedingspatroon van gepensioneerden is de lokale economie hier veelal de dupe van. Een en ander zou kunnen worden opgelost indien dit verlies eenmalig (belastingtechnisch gunstig) wordt gecompenseerd, zo meent dit lid. Dat is gelet op de huidige situatie van de lokale economie mogelijk een reddingsboei voor het midden- en kleinbedrijf. Bent u gelet op de huidige economische situatie bereid om een dergelijke compensatie te overwegen?
Tot slot
Onderschrijft u het standpunt van het lid van de OSF-fractie dat, gelet op de stand van zaken in het dossier en de vele vragen die er nog liggen, dit dossier controversieel moet worden verklaard in verband met de demissionaire status van het kabinet?
De leden van de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid zien uw beantwoording met belangstelling tegemoet en ontvangt deze graag binnen vier weken.
De voorzitter van de commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid, E.M. Sent
BRIEF VAN DE MINISTER VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID
Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 20 april 2021
De voorzitter van de commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft mij met bovengenoemde brief – onder verwijzing naar het mondelinge overleg van 9 maart jl. – verzocht om enkele aanvullende vragen van de OSF-fractie te beantwoorden. Graag voldoe ik aan dit verzoek.
Internetconsultatie
De OSF-fractie wijst op de inbreng van de Pensioenfederatie tijdens de internetconsultatie van het wetsontwerp toekomst pensioenen en vraagt op welke wijze de Eerste Kamer zal worden geïnformeerd over de reactie op deze inbreng, ten einde op grond daarvan het wetsvoorstel te kunnen toetsen.
De Pensioenfederatie steunt de voorgenomen herziening van het pensioenstelsel, net als veel van de andere organisaties die inbreng hebben geleverd. Desondanks heeft de Pensioenfederatie een omvangrijk commentaar geleverd op het consultatiedocument. Dit commentaar wordt, net als de inbreng van bijna 800 andere organisaties en personen door mijn ministerie beoordeeld om te bezien of en zo ja, op welke manier het wetsontwerp hierop moet worden aangepast. Over onderdelen hiervan vindt overleg plaats met – onder meer – de Pensioenfederatie. De regering zal in een aparte paragraaf in de memorie van toelichting ingaan op de relevante onderdelen van de ontvangen commentaren en op de verwerking daarvan in het wetsvoorstel.
Individueel bezwaarrecht
Het lid van de OSF-fractie constateert een verschil van opvatting tussen de Pensioenfederatie en de ouderenorganisaties over de wenselijkheid van het individuele bezwaarrecht bij de omzetting van bestaande pensioenaanspraken en -rechten naar een nieuwe pensioenovereenkomst. Naar zijn opvatting lopen pensioengerechtigden het risico van permanente onteigening van hun pensioenvermogen en koopkrachtverlies. Hij pleit ervoor deelnemers, onder wie pensioengerechtigden, wel individueel om goedkeuring te vragen en vraagt of ik het daar mee eens ben.
Het omzetten van bestaande pensioenaanspraken naar pensioenen in het nieuwe stelsel zal in veel gevallen te prefereren zijn, bijvoorbeeld doordat de pensioenen hierdoor eerder kunnen worden verhoogd of doordat het achterblijven van bestaande pensioenen in het oude pensioenstelsel voor deelnemers en pensioengerechtigden financieel ongunstig is. Het pensioenfonds heeft de verplichting om de belangen van de deelnemers, gewezen deelnemer, pensioengerechtigden en andere aanspraakgerechtigden en de werkgever evenwichtig af te wegen.
In aanvulling hierop worden rechten voor de medezeggenschapsorganen geïntroduceerd om de transitie mogelijk te maken, maar eveneens om een evenwichtige belangenafweging te borgen. Afhankelijk van het bestuursmodel van het pensioenfonds krijgen het verantwoordingsorgaan of het belanghebbendenorgaan een adviesrecht respectievelijk een goedkeuringsrecht. Op deze wijze wordt getracht een voldoende stevige positie voor de deelnemers, gewezen deelnemers en de gepensioneerden in de besluitvorming te realiseren.
Voor de volledigheid, het vervallen van het individueel bezwaarrecht laat onverlet dat een individu te allen tijde naar de rechter kan stappen.
Overigens is bij de omzetting van pensioenen naar het nieuwe stelsel geen sprake van onteigening. De Europeesrechtelijke jurisprudentie geeft geen aanleiding te veronderstellen dat hierbij eigendomsrecht wordt geschonden.
Herbezinning op proces
Het lid van de OSF-fractie vraagt zich af of de overgang naar het nieuwe stelsel wel door moet gaan. Hij baseert zich daarbij op verschillende ontwikkelingen:
– In de periode vanaf 2008 zijn pensioenen niet geïndexeerd, ten koste van de koopkracht van pensioengerechtigden;
– het collectieve pensioenvermogen is in deze periode toegenomen van € € 592 naar € 1.692 miljard;
– de ontwikkeling van het beleggingsrendement van Pensioenfonds Zorg en Welzijn, afgezet tegen totale uitkeringslast, zoals verwoord in het jaarverslag over 2019 en
– de kosten van overgang naar het nieuwe stelsel, mede door de herverdeling naar individuele potjes, die worden geschat op € 60 miljard.
In reactie daarop merk ik in de eerste plaats op dat de geschatte overgangskosten niets te maken hebben met de verdeling van vermogen naar deelnemers. De € 60 miljard, waar het lid van de OSF-fractie naar verwijst, betreft een schatting uit 2017 van het CPB, in samenwerking met Netspar, van de (macro) overgangseffecten bij afschaffing van de zogenoemde doorsneesystematiek in een nieuw pensioenstelsel.5 Zonder nadere maatregelen zou deze afschaffing tot gevolg hebben dat het te bereiken pensioen van bestaande deelnemers lager uitkomt. Doorrekeningen van de afspraken in het Pensioenakkoord door het CPB en 13 pensioenfondsen uit 2020 laten zien dat het nadelige effect van de afschaffing van de doorsneesystematiek en het voordelige effect van de overstap op een nieuw pensioencontract elkaar – gegeven de actuele economische uitgangspunten – in hoge mate compenseren6.
De overige ontwikkelingen die de OSF-fractie noemt, hebben betrekking op het huidige pensioenstelsel. Het is juist dat pensioenfondsen over het algemeen goede rendementen hebben behaald. De wens tot indexatie is daarom ook begrijpelijk. De behaalde rendementen laten echter één zijde van de balans zien. In deze periode is de rente fors gedaald, waardoor de waarde van de verplichtingen van pensioenfondsen sterk is gestegen. Voor de huidige en toekomstige verplichtingen op basis van de huidige uitkeringsovereenkomsten moet daarom steeds meer geld gereserveerd worden. De waarde van de pensioenverplichtingen is bij veel pensioenfondsen nog sneller gestegen dan hun belegde vermogen. Dit komt tot uitdrukking in hun dekkingsgraden, die zijn per saldo gedaald. Die ontwikkeling is mede afhankelijk van de mate waarin pensioenfondsen zich via hun beleggingen hebben ingedekt tegen een daling van de rente. Zo zijn er ook fondsen die deelnemers en gepensioneerden in het verleden beter beschermd hebben tegen een daling van de rente, en als gevolg van dat beleid de afgelopen jaren de pensioenen van de gepensioneerden wel hebben kunnen indexeren.
De financiële gezondheid van een pensioenfonds kan dus niet alleen worden bezien door naar de beleggingsresultaten te kijken. Daarvoor moet ook worden bezien in hoeverre alle toegezegde pensioenen, dus ook degene die pas over bijvoorbeeld 40 jaar uitgekeerd moeten worden, door activa worden gedekt.
De activa- en passivakant van een pensioenfondsbalans kunnen niet los van elkaar worden gezien. De samenhang tussen de ontwikkeling van het belegde vermogen en van de pensioenverplichtingen, blijkt ook uit het feit dat de behaalde rendementen in de afgelopen jaren direct of indirect samenhangen met de gedaalde rente.
Het lid van de OSF-fractie stelt voor om tot 2026 met een aangepaste dekkingsgraadformule te werken, gebaseerd op een gemiddelde van de Europese rekenrente, gecombineerd met een langjarig gemiddeld rendement. Deze methode zou in 2026 moeten worden geëvalueerd, met het oog op een geleidelijke en weloverwogen stelselhervorming.
Hiervoor ben ik al ingegaan op de waardering van pensioenverplichtingen in het huidige stelsel en de rol van de rekenrente daarbij. Een verhoging van de rekenrente, bijvoorbeeld door uit te gaan van historische rendementen, betekent dat er op voorhand een potentiële toekomstige risicopremie wordt ingerekend. Het staat echter niet vast dat die risicopremie wordt geboekt, beleggingsresultaten uit het verleden zeggen immers niets over de toekomst. Een rekenrente op basis van verwacht rendement past niet bij de huidige pensioencontracten waarin pensioenuitkeringen worden toegezegd. Het is daarom niet mogelijk en niet wenselijk om het voorstel van de OSF-fractie over te nemen. Dat voorstel staat haaks op de doelstelling van een toekomstbestendig, meer persoonlijk, transparant en solidair pensioenstelsel. Het zou bovendien leiden tot voortzetting van de discussie over de verdeling van het collectieve pensioenvermogen.
In het nieuwe stelsel bestaat de actuele waarde van de pensioenaanspraken direct uit het persoonlijk pensioenvermogen dat voor een deelnemer is gereserveerd. Deze aanspraken worden niet verdisconteerd, een rekenrente is dus niet nodig. Om te berekenen welk pensioen met dit pensioenvermogen kan worden bereikt, wordt gebruik gemaakt van de zogenoemde URM-methode. Met deze methode wordt op basis van een doorrekening van duizenden scenario’s het te bereiken pensioen in drie scenario’s (slecht weer, mediaan en goed weer) gepresenteerd.
In het nieuwe pensioencontract krijgt het overrendement een voorname rol. Dat contract biedt bovendien de mogelijkheid om risico’s voor bepaalde deelnemersgroepen, bijvoorbeeld gepensioneerden, gerichter af te dekken. Positieve rendementen kunnen zodoende direct tot uitdrukking komen in hogere pensioenen, ook bij een dalende rente.
Economische schade
Het lid van de OSF-fractie merkt op dat pensioengerechtigden in de periode van 2008 tot 2021 een koopkrachtverlies van 23,4% hebben geleden. Hij vraagt mij of ik compensatie van dit verlies wil overwegen.
Het is niet duidelijk waarop de OSF-fractie een koopkrachtverlies van 23,4% baseert. De meeste pensioengerechtigden ontvangen naast een aanvullend, arbeidsvoorwaardelijk pensioen ook een AOW-uitkering. Het klopt dat veel pensioenfondsen al geruime tijd de pensioenuitkeringen en de opgebouwde pensioenaanspraken niet (volledig) kunnen indexeren. Dat gaat ontegenzeggelijk ten koste van de koopkracht van huidige pensioengerechtigden en van de hoogte van de pensioenen van toekomstig pensioengerechtigden. De AOW-uitkering, die voor een modale pensioengerechtigde ongeveer de helft van het inkomen vormt, is in genoemde periode echter tweemaal per jaar verhoogd aan de hand van de gemiddelde contractloonontwikkeling. Daarbovenop is de AOW-uitkering deze kabinetsperiode gestegen als gevolg van de doorwerking van beleidsmatige verhogingen van de algemene heffingskorting op de netto-nettokoppeling van de AOW-uitkering. Specifiek voor pensioengerechtigden met aanvullend pensioen is de ouderenkorting in 2019 en 2021 beleidsmatig verhoogd en is in 2019 de harde inkomensgrens in de ouderenkorting vervangen door een geleidelijk afbouwpad. In hoeverre de hogere AOW-uitkering en het aanvullend beleid opwegen tegen het niet-indexeren van de aanvullende pensioenuitkering hangt samen met de hoogte van het aanvullend pensioen. Onderstaande voorbeeldhuishoudens maken dit inzichtelijk:
|
In % |
Cum. 2008–20211 |
|---|---|
|
Alleenstaand |
|
|
(alleen AOW) |
7,9 |
|
AOW + € 10.000 aanvullend pensioen |
– 3,1 |
|
Paar2 |
|
|
(alleen AOW) |
4,3 |
|
AOW + € 10.000 aanvullend pensioen |
– 4,3 |
Bron: Jaarverslagen 2008–2019 en Begrotingen 2020–2021 van het Ministerie van SZW, beschikbaar via www.rijksbegroting.nl.
2008–2019 gebaseerd op realisatiegegevens en 2020–2021 o.b.v. ramingen, realisatiecijfers uit Jaarverslag en ramingen uit Begroting van betreffende jaar.
Vanaf 2018 is het voorbeeldhuishouden van een AOW-paar met AOW en € 30.000 euro toegevoegd, de cumulatieve koopkrachontwikkeling over de periode 2008–2021 is hierdoor niet beschikbaar.
In de voorbeeldhuishoudens zijn veranderingen in de huishoudsituatie niet meegenomen. In de realisatiegegevens van het CBS is dit wel het geval. Onderstaande tabel geeft inzicht in de gerealiseerde mediane (middelste huishouden in een op koopkracht gerangschikte verdeling) dynamische koopkrachtontwikkeling per jaar in de periode 2012–2019 voor huishoudens waarbij een AOW- of pensioenuitkering de voornaamste inkomensbron is. Realisatiegegevens over eerdere of latere jaren zijn niet beschikbaar. Omdat het mediane huishouden per jaar verschilt kunnen deze cijfers niet opgeteld worden.
|
In % |
2012 |
2013 |
2014 |
2015 |
2016 |
2017 |
2018 |
20191 |
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
|
Dynamische koopkrachtontwikkeling per jaar van huishoudens met pensioen als voornaamste inkomensbron (mediaan) |
– 1,2 |
– 2,9 |
0,8 |
0,1 |
0,8 |
– 0,2 |
– 0,4 |
0,5 |
Bron: CBS statline, beschikbaar via https://opendata.cbs.nl/#/CBS/nl/dataset/83781NED/table?dl=50C78.
De realisatiegegevens maken inzichtelijk dat, na dalingen tijdens de economische crisisjaren 2012–2013, de koopkracht van huishoudens met pensioeninkomen in doorsnee min of meer op pijl is gebleven.
Zoals uit eerdere antwoorden blijkt beschikken de meeste pensioenfondsen op dit moment – ondanks de gerealiseerde rendementen – over onvoldoende eigen vermogen om de pensioenuitkeringen en de opgebouwde pensioenaanspraken te indexeren. Met de stelselherziening die is beoogd met het pensioenakkoord, wordt het mogelijk om gerealiseerd overrendement directer te gebruiken voor aanpassing van de pensioenuitkeringen.
Tot slot
De vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft gevraagd of ik de opvatting van de OSF-fractie deel dat dit dossier controversieel moet worden verklaard, mede gelet op de vele vragen die er nog liggen.
Het is niet aan mij om te bepalen of de Eerste Kamer dit dossier, de toekomst van het pensioenstelsel, controversieel moet verklaren. Dat besluit is aan de Eerste Kamer zelf. Er zijn inderdaad nog veel vragen te beantwoorden, en daar werk ik hard aan, samen met veel mensen uit de pensioensector, van sociale partners, toezichthouders en uit de wetenschap.
Te uwer informatie meld ik dat de Tweede Kamer op 26 januari jl. heeft besloten om mijn brief in reactie op het verzoek over alle relevante stukken die ten grondslag aan de uitwerking van het pensioenakkoord, niet controversieel te verklaren.
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, W. Koolmees
Samenstelling:
Kox (SP), Essers (CDA), vac. (PvdD), Ester (CU), Sent (PvdA) (voorzitter), Van Strien (PVV), N.J.J. van Kesteren (CDA), Oomen-Ruijten (CDA), Schalk (SGP), Stienen (D66), De Bruijn-Wezeman (VVD) (ondervoorzitter), A.J.M. van Kesteren (PVV), Van Rooijen (50PLUS), Van Ballekom (VVD), Crone (PvdA), Frentrop (FVD), Geerdink (VVD), Van Gurp (GL),Moonen (D66), vac. (FVD), Rosenmöller (GL), Vendrik (GL), De Vries (Fractie-Otten), Van der Burg (VVD), Van Pareren (Fractie-Nanninga), Berkhout (Fractie-Nanninga), Raven (OSF), Prast (PvdD)
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-32043-AN.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.