Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 14 januari 2026
De afgelopen vijftig jaar is de levensverwachting in Nederland flink toegenomen. Om
de houdbaarheid van de AOW te waarborgen is afgesproken de AOW-gerechtigde leeftijd
geleidelijk te laten stijgen en vanaf 2026 voor 2/3e te koppelen aan de levensverwachting. Afgelopen jaren heeft uw Kamer gevraagd wat
er gebeurt als die levensverwachting niet stijgt – of zelfs daalt. Deze vraag ligt
ook ten grondslag aan de motie van de leden Flach (SGP) en Stultiens (GL-PvdA)1. De motie is ingediend na een periode van hogere sterftecijfers door de coronapandemie
en noemt een eventuele stagnatie van de levensverwachting op termijn. De motie verzoekt
de regering voorbereidingen te treffen voor een scenario van een dalende levensverwachting
en een daling van de AOW-leeftijd in de wetsystematiek mogelijk te maken.
Als opvolging van de motie heb ik verschillende scenario’s verkend, en de waarschijnlijkheid
daarvan, waarin de levensverwachting daalt. In de bijlage vindt u twee scenario’s:
allereerst die van een korte tijdelijke daling van de levensverwachting, zoals bij
de coronapandemie. Het tweede scenario gaat over een structurele stagnatie of een
daling van de levensverwachting op lange termijn. Voor deze scenario’s zijn recente
CBS-cijfers en de laatste (langetermijn)-prognoses gebruikt.
Deze verkenning en de CBS-prognoses leiden tot de conclusie dat aanpassingen van de
huidige koppelingssystematiek op dit moment niet noodzakelijk of zinvol zijn. De huidige
systematiek is welbeschouwd robuust en toekomstbestendig. Er is met de aankondigingstermijn
van vijf jaar voldoende ruimte om in te spelen op bijzondere omstandigheden als een
crisis. Het CBS voorziet daarnaast voorlopig geen structurele veranderingen in de
langetermijnprognose van de levensverwachting.
Bij het vaststellen van de AOW-gerechtigde leeftijd staan duidelijkheid, voorspelbaarheid
en voldoende voorbereidingstijd voorop. Pensionering is een wezenlijke levensgebeurtenis
waarbij zekerheid en een langjarig perspectief belangrijk zijn. Daarom is terughoudendheid
geboden met voorstellen die onzekerheid toevoegen zonder dat daar op dit moment een
concrete noodzaak voor is.
Het is tegelijkertijd wel voorstelbaar dat de levensverwachting in de toekomst niet
verder stijgt. Mocht deze ontwikkeling zich op termijn voordoen – en daar zijn op
dit moment geen aanwijzingen voor – zal dit geleidelijk zichtbaar worden. In dat geval
ga ik graag met uw Kamer in gesprek over eventuele aanpassingen in de systematiek.
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
M.L.J. Paul