Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2010-201132043 nr. 67

32 043 Toekomst pensioenstelsel

Nr. 67 BRIEF VAN DE MINISTER VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 15 september 2011

Hierbij bied ik u een memo aan waarin de inkomenseffecten van het eerder dan de pensioengerechtigde leeftijd opnemen van AOW, zoals gevraagd door de leden van de Tweede Kamer tijdens het debat over het pensioenakkoord op 15 september.

Naar aanleiding van uw vragen over de participatie-effecten bericht ik u als volgt.

Conform wat ik u tijdens het debat heb gemeld leert navraag bij het Centraal Planbureau dat de nu voorgestelde herziening van de heffingskortingen voor ouderen (werkbonus), zoals aangekondigd in mijn brief van 14 september jl., ten opzichte van het eerder door het kabinet voorziene Vitaliteitspakket niet of nauwelijks leidt tot andere prikkels voor doorwerken rond 65 jaar. Het CPB kan op deze korte termijn geen notitie hierover leveren. Ik zal het CPB vragen om de participatie-effecten van het pensioenakkoord inclusief de laatste wijzigingen door te rekenen ten behoeve van behandeling van het wetsvoorstel.

De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

H. G. J. Kamp

Memo inkomenseffecten

In 2020 wordt de AOW-leeftijd verhoogd naar 66 jaar. Werknemers die tot hun 65e doorwerken hebben in totaal vier maal de werkbonus ontvangen, dit is circa 8 400 euro voor het minimumloon en 9 400 euro vanaf 107% van het minimumloon1. De meeste CAO-schalen beginnen rond deze laatste inkomensgrens. Voor het aanvullend pensioen geldt dat een meerderheid van de huishoudens, circa 60%, een aanvullend pensioen heeft kleiner dan 10 000 euro.

Het blijft mogelijk om het AOW-pensioen vanaf 65-jarige leeftijd op te nemen, tegen een actuariële korting van netto 6,5% per jaar. De korting wordt echter kleiner wanneer de werkbonus wordt gebruikt om een deel van het weggevallen AOW-pensioen op 65-jarige leeftijd te overbruggen. Het is dan niet nodig om het AOW-pensioen een heel jaar eerder op te nemen, waardoor de korting van 6,5% per jaar ook navenant lager uitvalt. Bijvoorbeeld: een alleenstaande met een minimumloon, die tot 65 doorwerkt, heeft een werkbonus van 8 400 euro ontvangen. Als hij of zij dit geld spaart en op 65 stopt met werken, dan kan hij of zij hier gedurende 8 maanden in het inkomen voorzien. De resterende maanden wordt dan vervroegd AOW opgenomen. Dat betekent dat de AOW niet twaalf maanden eerder wordt opgenomen, maar slechts 4 maanden. De korting wordt dan navenant lager, namelijk circa 2% in plaats van 6,5%. Dit beperkt ook de inkomenseffecten over de volgende levensjaren. Onderstaande tabellen laten de gemiddelde effecten over de levensloop zien. De effecten per jaar kunnen iets verschillen, maar de tabel geeft vanwege het beperken van de korting een goede indicatie voor de inkomenseffecten.

In onderstaande twee tabellen zijn de effecten van de bovengenoemde maatregelen op het netto inkomen weergegeven ten opzichte van ongewijzigd beleid, waarbij is aangenomen dat de werkbonus tussen 61–64 wordt gespaard en wordt gebruikt om op het 65e levensjaar een deel van het weggevallen AOW-pensioen te overbruggen. In de tabellen is duidelijk dat het gemiddelde effect van het stoppen op 65 jaar bij de laagste inkomens uitkomt op – 1½% voor alleenstaanden zols ook aangegeven in de brief van 14 september. Voor hogere inkomens is het nadelige effect van eerder stoppen groter. Het effect is bij gehuwden vooral bij de lage inkomens iets positiever dan bij alleenstaanden, omdat met de maatregelen uit het pensioenakkoord het verzilveringsprobleem bij deze huishoudens wordt opgelost.

In de effecten is de beperking van het Witteveenkader niet meegenomen, de effecten daarvan treden niet op bij lage inkomens. De precieze inkomenseffecten van de beperking van het Witteveen-kader zullen per pensioenfonds verschillen maar zijn licht negatief. Mensen met een hoog inkomen en dus met een hoger aanvullend pensioen zullen een groter inkomenseffect van de inperking van het Witteveenkader ervaren.

Tabel 1: situatie pensioenakkoord (alleenstaande die in 2020 65 jaar wordt, zijn werkbonus heeft gespaard en eerder AOW opneemt)

AOW zonder aanvullend pensioen

– 1 ½

AOW met 10 000 euro aanvullend pensioen

– 2 ½

AOW met 20 000 euro aanvullend pensioen

– 2 ¼

Tabel 2: situatie pensioenakkoord (paar dat in 2020 65 jaar wordt, alleenverdiener is, 1 maal een werkbonus heeft gespaard en eerder AOW opneemt)

AOW zonder aanvullend pensioen

– ¾

AOW met 10 000 euro aanvullend pensioen

– 1 ¾

AOW met 20 000 euro aanvullend pensioen

– 2 ¼


X Noot
1

Hierbij wordt verondersteld dat de leeftijdsgrens van de werkbonus niet met de AOW-gerechtigde leeftijd meestijgt