Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 20 december 2013
Hierbij stuur ik u het onderzoeksrapport toe van het Centraal Planbureau (CPB) getiteld
«Voor- en nadelen van de doorsneesystematiek»1. Daarmee voldoe ik aan de toezegging die ik tijdens het algemeen overleg van 6 november
j.l. heb gedaan.
Het onderzoeksrapport inventariseert de voor- en nadelen van de doorsneesystematiek,
zoals die door het merendeel van pensioenfondsen wordt gebruikt bij de vaststelling
van premies en de opbouw van pensioenaanspraken. Hantering van de doorsneesystematiek
betekent dat alle deelnemers in een pensioenregeling eenzelfde premiepercentage (de
doorsneepremie) betalen en daarmee pensioen opbouwen volgens eenzelfde opbouwpercentage
(de doorsneeopbouw). Premie- en opbouwpercentages zijn dus onafhankelijk van persoonskenmerken
van individuele deelnemers, zoals geslacht en leeftijd. De doorsneesystematiek is
daarmee een belangrijk instrument in de vormgeving van de solidariteit in het aanvullende
pensioenstelsel.
Het CPB-rapport beschrijft in economische termen de overdrachten tussen (groepen)
deelnemers die bedoeld, maar ook onbedoeld, bestaan als gevolg van de doorsneesystematiek.
Als gevolg van de doorsneesystematiek is de pensioenopbouw voor de deelnemer in de
regel niet actuarieel neutraal: de deelnemer betaalt hetzij te veel, hetzij te weinig
premie voor het opgebouwde pensioen (d.w.z. ten opzichte van in de markt gebruikelijke
verzekeringstechnische grondslagen). De pensioenregeling is zodoende op individueel
niveau deels omslaggefinancierd. Hierdoor vinden waardeoverdrachten plaats tussen
deelnemers aan een pensioenregeling. Het rapport beschrijft voorts op hoofdlijnen
alternatieve modellen voor de doorsneesystematiek, die als gezamenlijke noemer hebben
dat een beter actuarieel evenwicht wordt aangebracht tussen premie-inleg en pensioenopbouw.
Het CPB erkent dat een eventuele transitie naar een actuarieel neutrale methode een
«transitielast» veroorzaakt. De last vertegenwoordigt een waarde van ongeveer honderd
miljard euro. Deze last komt bovenop de kosten die deelnemers nu en in de (nabije)
toekomst zullen ondervinden om de financiële situatie van de pensioenfondsen te verbeteren.
De omvang zal per pensioenfonds moeten worden bepaald aan de hand van de samenstelling
van het bestand. Tegelijkertijd constateert het CPB dat het omslagelement in de huidige
doorsneesystematiek deelnemers ongeveer acht procent kost van het aanvullende pensioeninkomen.
Naast een economische analyse van de voor- en nadelen van de doorsneeystematiek vind
ik het voor het debat over dit onderwerp essentieel om in dit stadium al oog te hebben
voor de juridische werkelijkheid met daarbij uitdrukkelijk de kanttekening dat de
economische analyse op hoofdlijnen van het CPB ook betekent dat op dit moment in juridische
zin slechts sprake kan zijn van een eerste verkenning.
Als op enig moment voor een alternatief zou worden gekozen om een actuarieel neutralere
pensioenopbouw voor de deelnemer te realiseren, dan laat een eerste verkenning zien
dat het algemene beeld is dat het Europese recht – vanuit mededingingsrechtelijk perspectief –
ruimte laat om af te wijken van de bestaande doorsneesystematiek. Tegelijkertijd is
voorzichtigheid geboden. Er moet voldoende solidariteit overblijven om de uit de verplichtstelling
voortvloeiende inbreuk op het mededingingsrecht te rechtvaardigen. Een nieuw systeem
met een leeftijdsafhankelijke premie of opbouw zal voorts verenigbaar moeten zijn
met de regels voor gelijke behandeling.
Bovendien betekent een eventuele keuze voor een alternatief model dat er een overgangsvraagstuk
is. Hoewel een eventuele transitie eerst en vooral een politiek en economisch vraagstuk
is, dient te worden bedacht dat ook een eventueel overgangsregime op zichzelf genomen
verenigbaar moet zijn met de regels betreffende gelijke behandeling, eigendomsbescherming
en algemene beginselen van behoorlijk bestuur.
De discussie over de wenselijkheid van solidariteit in aanvullende pensioenregelingen
heeft een belangrijke plaats gekregen in het maatschappelijk debat over de toekomst
van het aanvullende pensioenstelsel. Het gaat daarbij niet alleen om het economisch
en juridisch persectief, maar evenzeer om het sociaal maatschappelijke perspectief.
In dat verband is een belangwekkende vraag tot hoever het elastiek van de solidariteit
reikt. Solidariteit is, naast collectiviteit en de verplichtstelling, één van de wezenskenmerken
van het huidige pensioenstelsel. Over deze en andere complexe vraagstukken die samenhangen
met het huidige pensioenstelsel vindt het maatschappelijk debat plaats. Deze vraagstukken
moeten, naar mijn mening, in samenhang worden bezien en besproken, zeker omdat het
een debat is dat iedereen raakt. Het onderzoek van het CPB geeft aan dat eventuele
keuzes ook niet eenvoudig zijn te maken. Ik zie het onderzoeksrapport van het CPB
over de doorsneesystematiek, samen met de «Beleidsdoorlichting aanvullend pensioen»
als documenten die goed kunnen bijdragen aan de stelseldiscussie over de maatschappelijke
houdbaarheid van het aanvullend pensioen.
De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, J. Klijnsma